Vous êtes sur la page 1sur 7
Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1 Titel 2. De constitutieve elementen van het misdrijf In ons recht vallen vier constitutieve elementen voor een misdrijf te onderscheiden: 1. Delictstypiciteit 2. Wederrechtelijkheid 3. Schuld 4. Strafwaardigheid Hoofdstuk 1. Delictstypiciteit Inleiding: begrip en belang §1. Het begrip delictstypiciteit Delictstypiciteit = de ten laste gelegde feiten moeten ondergebracht kunnen worden onder de termen van een wettelijke delictsomschrijving. Delictypische gedraging = een gedraging waarbij alle constitutieve bestanddelen die de wetgever voor een bepaald misdrijf noodzakelijk acht, voorhanden zijn. 1. Ojectieve bestanddelen (materieel element)  Betrekking op de gedraging of nalaten 2. Subjectieve bestanddelen (moreel element of schuldbestanddeel) Betrekking op de psychische ingesteldheid Bv. diefstal (art. 461 SW): “Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt” 1. Het wegnemen van goederen door iemand aan wie ze niet toebehoren (materieel) 2. Met bedrieglijk opzet (moreel) §2. Belang Delictstypiciteit is van belang voor het materieel strafrecht en voor het strafprocesrecht: Materieel strafrecht:  Het bevat een indicatieve waarde voor de wederrechtelijkheid, de schuld en de strafwaardigheid. Strafprocesrecht:  Het heeft een minimumbewijslast tot gevolg, de objectieve bestanddelen moeten immers bewezen worden om een gedraging tot een misdrijf te kunnen kwalificeren.  Het heeft tot gevolg dat er feiten (i.p.v. kwalificaties) worden voorgelegd aan rechters, dewelke deze de juiste kwalificatie moeten geven.  Het zorgt dat er ook een schuldbestanddeel bewezen dient te worden.  Rechtbanken moeten hun bevoegdheid controleren.  Rechters moeten hun veroordelingen motiveren en de constitutieve bestanddelen van het misdrijf waaronder hij het bewezen verklaarde feit kwalificeert vermelden Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1 Afdeling 1. De objectieve bestanddelen van het misdrijf §1. Algemene omschrijving Objectief bestanddeel van het misdrijf = een uitwendig waarneembare (geen gedachten), menselijke of daarmee gelijkgestelde gedraging (bv. rechtspersonen), die de objectieve delictsinhoud van een wettelijke delictsomschrijving vervult. §2. Wettelijke omschrijvingen van objectieve bestanddelen van het misdrijf We kunnen drie types van strafbare gedragingen onderscheiden: A. Handelingsmisdrijven (meest frequente vorm)  Het objectieve bestanddeel bestaat uit een handeling die door de wet verboden is. De rechter moet alleen maar nagaan of de dader de in de wet omschreven handeling heeft gesteld. B. Verzuimsmisdrijven (of omissiedelicten)  Het objectieve bestanddeel bestaat uit bepaalde strafrechtelijk gesanctioneerde verplichtingen die niet worden nagekomen. Bv. geen aangifte doen van een bevalling (art. 361 2° SW)  Door niet-handelen wordt een bij wet verboden feit gepleegd (oneigenlijk omissiedelict) Bv. het niet blussen van een brand die per ongeluk is ontstaan. C. Het veroorzaken van een gevolg  Het objectieve bestanddeel bestaat uit het veroorzaken van een gevolg. De rechter zal een oorzakelijk verband moeten vaststellen tussen een menselijke gedraging en een feit dat hierop volgt. Causaliteitsprobleem: er bestaat geen specifiek strafrechtelijk begrip van oorzaak of oorzakelijk verband. Hoe moeten rechters het al dan niet bestaan van een oorzakelijk verband vaststellen? 1. Via de equivalentieleer (dominant in Belgische rechtspraak) De equivalentieleer berust op een dubbele stelling: A. Opdat een bepaald gevolg zou intreden moet een geheel van antecedenten aanwezig zijn. B. Ieder antecedent is even noodzakelijk opdat het geheel het gevolg zou verwekken, zoals het in concreto ingetreden is. Ieder antecedent is in gelijke zin oorzaak van het gehele gevolg. De equivalentieleer verplicht de rechter tot een gedachte-experiment om na te gaan of een bepaalde handeling of onthouding moet worden beschouwd als de oorzaak.  Zou zonder deze handeling het gevolg zich op dezelfde wijze hebben voorgedaan zoals het zich in concreto voordeed?  Zo niet, dan wordt de handeling als de oorzaak beschouwd. Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1 Tevens moet het oorzakelijk verband dat de rechter kan vaststellen zéker zijn.  Wanneer de levenskansen van een patiënt 90% dalen na een fout van de arts is het oorzakelijk verband tussen de dood en de fout niet zeker. 2. Via de adequatieleer en de leer van de efficiënte oorzaak (alternatieven) Adequatieleer: de antecedenten die niet weggedacht kunnen worden zonder dat het gevolg wegvalt, worden als oorzaak van een gevolg beschouwd.  Antecedenten waarvan het onwaarschijnlijk was dat zij tot het gevolg zouden leiden worden uitgesloten ( equivalentieleer: alle zijn gelijk, hoe weinig ook bijgedragen). Efficiënte oorzaak: de antecedenten waarvan het voorzienbaar was dat zij tot de schade konden leiden, worden als oorzaak van een gevolg beschouwd.  Nuttig bij het veroorzaken van een strafrechtelijk relevant gevolg door gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg (art. 418-420 SW) In tegenstelling tot bij de equivalentieleer kan bij de adequatieleer en de efficiënte oorzaak de causaliteitsketen wel doorbroken worden door interveniërende factoren zoals overmacht, fout van het slachtoffer, ....  Bv. iemand verwond een ander, die zich per taxi naar het ziekenhuis laat rijden. De taxi rijdt van een brug en de gewonde verdrinkt.  Equivalentieleer: zonder het verwonden zou die persoon nog leven (oorzaak)  Adequatieleer: dader kan interveniërende factoren inroepen of aantonen dat het onwaarschijnlijk is dat het slagen tot het auto-ongeval heeft geleden. §3. Indeling van misdrijven volgens materiële uitvoeringswijze Ogenblikkelijk (aflopend) misdrijf = misdrijf dat door de wet omschreven worden als een doen of een laten op een bepaald ogenblik.  Bv. diefstal (art. 461 SW) Voortdurend misdrijf = misdrijf dat bestaat in een ononderbroken en door de dader bestendige delictuele toestand. Er is sprake van één misdrijf totdat er een einde wordt gesteld aan de strafbare activiteit of onthouding.  Bv. bendevorming (art. 323 SW) Het onderscheid tussen aflopende misdrijven en voortdurende misdrijven is van belang voor de toepasselijkheid van de strafwet in tijd en ruimte.  Bv. verjaringstermijnen die beginnen lopen op het moment van de handeling / wanneer het misdrijf ophoudt te bestaan.  Bv. nieuwe wetgeving is van toepassing op voortdurende misdrijven. Enkelvoudig misdrijf = misdrijf dat bestaat uit één enkele strafbare gedraging, die zowel het karakter van een ogenblikkelijk als van een voortdurend misdrijf kan hebben. Voortgezet of collectief misdrijf = misdrijf dat bestaat uit verscheidene gedragingen van dezelfde aard (voortgezet misdrijf) of van verschillende aard (collectief misdrijf), die elk Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1 afzonderlijk strafbaar zijn, doch die wegens de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadige bedoeling in hoofde van de dader geacht worden samen één complex misdrijf uit te maken. Als rechters uitmaken dat verschillende misdrijven slechts één voortgezet misdrijf uitmaken, dan mogen zij slechts één straf opleggen zijnde de zwaarst toepasselijke straf (art. 65 SW). Tevens is dit onderscheid enorm belangrijk voor de toepassing van strafwet in tijd en ruimte (bv. voor verjaringstermijnen). Gewoontemisdrijf = misdrijf dat bestaat uit verschillende handelingen die afzonderlijk beschouwd niet strafbaar zijn, maar die samen een delictuele ingesteldheid van de dader openbaren en een geheel uitmaken waarop de wet een straf stelt.  Bv. woeker = er een gewoonte van maken de zwakheden of hartstochten van de lener te misbruiken bij geldlening tegen een te hoge interest (art. 494 SW) Gelegenheidsmisdrijf = enkelvoudig misdrijf, dat uit één strafbare gedraging bestaat, om van gewoontemisdrijven te onderscheiden. Het gewoontemisdrijf is slechts één misdrijf en geeft aanleiding tot één straf. De verjaringstermijn begint pas te lopen vanaf het ogenblik dat het laatste misdrijf is gepleegd. Afdeling 2. De subjectieve bestanddelen §1. Inleiding Subjectief bestanddeel = constitutief bestanddeel dat slaat op de subjectieve ingesteldheid van de daders tot hun handelen, hun nalaten of tot de gevolgen van hun handelen of nalaten. We onderscheiden volgende schuldvormen: 1. Opzet (dolus)  Dader was zich bij het handelen bewust van de gevolgen. 2. Onachtzaamheid  Dader wil de gevolgen niet, hoewel hij ze had moeten voorzien of vermijden. 3. Gemengde schuldvorm k  Wetgever vereist opzet bij een bepaald objectief bestanddeel en onachtzaamheid bij een tweede objectief bestanddeel. §2. Opzet Opzet = de wil om iets te doen wat door de strafwet verboden is óf om iets na te laten wat door de strafwet verplicht is. Opzet impliceert zowel een kennis- als wilselement:  Wetens: de dader moet weten dat zijn gedraging een inbreuk vormt op de strafwet.  Strafrechtelijk vermoeden dat ieder de wet kent  Willens: de dader wilde het objectieve bestanddeel te verwezenlijken  Hoeft niet doordacht te zijn, ook een plots opkomende wilsact volstaat Opzet kan in volgende graden onderscheiden worden (o.b.v. wilselement) 1. Algemeen opzet = wie wetens en willens een strafrechtelijk verboden daad stelt 2. Bijzonder opzet = naast het wetens en willens handelen wordt tevens een bijzondere beweegreden vereist (bv. ‘bedrieglijk’ of ‘kwaadwillig’ handelen). Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1  Meer gekarakteriseerde wilsuiting Opzet kan in volgende modaliteiten onderscheiden worden (o.b.v. kenniselement) 1. Direct opzet = de dader beoogt het misdrijf rechtstreeks als resultaat van zijn handelen of nalaten. Direct opzet kan zich in twee vormen voordoen: A. Bepaald opzet = de dader heeft de handeling (of verzuim) gewild, alsook de gevolgen die hij precies kent (bv. doden van een bepaald persoon). B. Onbepaald opzet = de dader heeft de handeling (of verzuim) gewild, alsook de gevolgen ervan, die hij op het moment van de handeling echter nog niet precies kent (bv. lukraak schieten op een massa en iemand doden).  Beide vormen worden door de strafwet gelijkgesteld!! 2. Indirect opzet = de dader beoogt een handeling, zonder rechtstreeks de gevolgen ervan te willen, maar zet toch zijn wil door ondanks het feit dat hij weet dat het mogelijk is dat bepaalde onwenselijke gevolgen zullen intreden.  Bv. Terrorist wil gebouw opblazen, waarvan niet zeker is dat er volk in zit, maar neemt het risico dat mensen kunnen sterven er maar bij. §3. Onachtzaamheid of fout Onachtzaamheid (fout) = het gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid, waarbij men ongewild een strafrechtelijk beschermd rechtsgoed of rechtsbelang schendt, hoewel men dit had kunnen en moeten vermijden. . Onachtzaamheid kan in volgende modaliteiten onderscheiden worden: 1. Bewuste onachtzaamheid = de dader is er zich van bewust dat zijn handeling of nalaten strafrechtelijk beschermde rechtsgoeden of rechtsbelangen kan schenden, doch vertrouwt hij er op dat deze onwenselijke gevolgen niet zullen intreden.  Meestal bij overmoed, lichtzinnigheid, ondoordachtheid  Bv. een riskant inhaalmanoeuvre uitvoeren rekenend op zijn stuurvaardigheid 2. Onbewuste onachtzaamheid = de dader is er zich niet van bewust dat hij met zijn handelen of nalaten een strafrechtelijk beschermd rechtsgoed of rechtsbelang schendt, hoewel hij zich van deze schending rekenschap had kunnen geven.  Bv. een jager die een medejager neerschiet in de overtuiging dat het wild was. Een mogelijke schending van de zorgvuldigheidsnorm wordt beoordeeld a.d.h.v. de figuur van de bonus pater familias. Tevens kan men geen schuld hebben aan het onvoorzienbare of onvermijdbare. §4. Misdrijven met gemengde schuldvorm Deze misdrijven vereisen ten aanzien van de objectieve bestanddelen verschillende schuldvormen, deels opzet en deels onachtzaamheid.  Problematisch bij stilzwijgen van de wetgever. §5. De problematiek van de schuldvorm bij stilzwijgen van de wetgever Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1 In het algemeen wordt aangenomen dat algemeen opzet vereist is voor alle misdaden en wanbedrijven die in het strafwetboek zijn opgenomen en voor wanbedrijven omschreven in bijzondere wetten die hoofdzakelijk strafbepalingen bevatten (bv. Drugwet). Onachtzaamheid volstaat voor overtredingen en accessoire wanbedrijven die in bijzondere wetgevingen werden opgenomen. Himpe Jonathan Strafrecht en Strafprocesrecht Onderwijsgroep 1