Vous êtes sur la page 1sur 2

Frans Kennistoets 10a

Als een zin in de lijdende vorm staat betekent tre: worden. Elle vit zij zag Nous aurons wij zullen hebben Nous faissions wij doen Il fut hij was Disons laten we zeggen Ils pourraient zij zouden kunnen Je sache ik weet Ils vinrent zij kwamen Veuillez wilt u Nous irons zullen gaan On prenne men nam Nous mettions wij zetten Elle vit zij leeft Croyant omdat ik dacht Je connus ik kende

Onpersoonlijke werkwoorden hebben altijd het onderwerp il, en staan in het enkelvoud. - faire gebruik je om iets over het weer te zeggen; - y avoir gebruik je om te zeggen dat er iets ligt, staat, loop etc; - falloir gebruik je om te zeggen dat iets moet (met infinitief) of nodig is (met zn) Een voorstel doen: - Si on allait dner en ville cest soir? - a te dirait daller au cinma ? Mening geven : - Il me semble que cest comme a. - mon avis il faut le faire de cette faon. Advies vragen : - Que-est ce que tu en pense ? - Que ferais-tu ? Suffire voldoende zijn a Valoir waard zijn il Dire zeggen je tu il nous vous ils futur suffira Een voorstel afslaan : - Je regrette mais je ne peux pas y aller avec toi. - Dsole mais je ne suis pas libre cest soir. Voorkeur uitdrukken : - Jaime mieux le vin rouge. - Il est prfrable que vous veniez avec moi. Advies geven : - Si jtais ta place jachterais se livre. - Il vaudrait mieux partir de bonheur. pass compos a suffi imparfait suffisait

prsent suffit

futur vaudra

prsent vaut

pass compos a valu

imparfait valait

futur dirai diras dira dirons direz diront

prsent dis dis dit disons dites disent

pass compos ai dit as dit a dit avons dit avez dit ont dit

imparfait disais disais disait disions disiez disaient

Paratre - verschijnen je tu il nous vous ils

futur paratrai paratras paratra paratrons paratrez paratront

prsent parais parais parat paraissons paraissez paraissent

pass compos ai paru as paru a paru avons paru avez paru ont paru

imparfait paraissais paraissais paraissait paraissions paraissiez paraissaient

Na si nooit futur, conditionnel : imp cond of prs. fut. Na willen / kunnen hele werkwoord. Het meest le plus meer plus even(veel) aussi / autant minder moins het minst le moins bien mieux le mieux bon meilleur le meilleur Deze, die, dit, dat voor een zelfstandig naamwoord vertaal je met : ce voor een mannelijk woord in het enkelvoud dat met een medeklinker begint cet voor een mannelijk woord in het enkelvoud dat met een klinker of stomme h begint cette voor een vrouwelijk woord in het enkelvoud ces voor een woord in het meervoud -ci -l achter het zelfstandig naamwoord geeft aan dat iets dichtbij is achter het zelfstandig naamwoord geeft aan dat iets ver weg is

Het of dat als onderwerp: ce + een vorm van tre cela + ander ww; a is de spreektaalvorm van cela