Vous êtes sur la page 1sur 2

Economie Samenvatting H2

Begrippen en belangrijke dingen om te weten:


Vraaglijn: Er is voor ieder goed en iedere dienst een vraaglijn, je kunt afleze hoeveel consumenten iets willen kopen bij iedere prijs Gevraagde hoeveelheid: Het aantal stuks (goederen of diensten) bij een bepaalde prijs. Alsde prijs daalt willen meer consumenten het product kopen en andersom. Daarom daalt de vraaglijn. Je kunt aan het minteken in de formule aflezen dat het om een dalende lijn gaat. Omzet = P x Q: P=prijs en Q=aantal. Een ander woord voor omzet is Totale opbrengst (TO) Verandering langs de vraaglijn: Bij een prijsverandering kun je op de vraaglijn aflezen hoeveel de gevraagde hoeveelheid verandert. De prijsverandering van het product heeft een verandering langs de vraaglijn tot gevolg. De vraag(lijn) verandert niet, wel de gevraagde hoeveelheid, het punt op de vraaglijn. Inkomen: Als het inkomen van de Nederlanders stijgt, verschuift de vraaglijn van Coca-Cola waarschijnlijk naar rechts. Want een stijgend inkomen heeft een positief effect op de Koopkracht van de Nederlanders. Koopkracht: Als een bevolking meer goederen en diensten kunnen kopen. Oorzaken verschuiving vraaglijn: Inkomen consument daalt of stijgt Smaak consumenten verandert Aantal consumenten daalt of stijgt De prijs van een concurrerend merk daalt of stijgt

Vaste kosten: Kosten die niet afhangen van het aantal geproduceerde goederen en diensten. (huur, lidmaatschap enz). Variabele kosten: Kosten die wel afhangen van het aantal geproduceerde goederen en diensten. (kleding, eten enz). Totale kosten (TK): De optelsom van alle vaste en variabele kosten. Kostprijs: De totale kosten per product heet de kostprijs van het product of de dienst. Afzet: Het aantal stuks dat verkocht wordt noemen we de afzet. De omzet is de hoeveelheid geld die ontvangen wordt met de verkoop van de goederen of diensten Totale winst (TW): Van de totale opbrengst moeten de totale kosten (TK) betaald worden. Het restant van de opbrengst is de totale winst (TW). TO TK = TW: TO=totale opbrengst, TK=Totale kosten en TW=Totale winst

Maximale winst: Bijna onmogelijk in deze samenvatting uit te leggen, kijk aub op p.48 en 49 in je tekstboek. Collectieve aanbodlijn: Als iedereen dezelfde kostenformule hebben en dus identiek zijn. Markt: vraag en aanbod komen hier bij elkaar. Vraagoverschot: Als de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid. Evenwichtsprijs:Als de vraaglijn en aanbodlijn elkaar kruisen (ook wel BEP (break even point) of Marktevenwicht genoemd). Evenwichtshoeveelheid: Deze kun je berekenen met behulp van de vraagfunctie en de aanbodfunctie. Marktmechanisme: Zorgt ervoor dat de marktprijs gelijk wordt aan de evenwichtsprijs doordat mensen niet meer nodig hebben dan gevraagd wordt. Aanbodoverschot: Bij een te hoge prijs is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde hoeveelheid. Concurrentie: Andere bedrijven die hetzelfde product en/of dienst als een ander bedrijf aanbiedt. Monopolie: Als een bedrijf met zijn product de markt beheerst. Er is dus geen sprake van concurrentie. Oligopolie: Een markt met een paar aanbieders die de markt beheersen, er is dus sprake van concurrentie. Prijzenoorlog: Als een supermarkt gaat stunten met prijzen verlagen de andere supermarkten hun prijzen ook. Kartel: Het omgekeerde van een prijzenoorlog: Aanbieders spreken stiekem af om elkaar niet te beconcurreren. Dit is in de EU verboden. Monopoistische concurrentie: Er zijn veel aanbieders maar de kwaliteit is bij elke aanbieder anders. Heterogeen product: De kwaliteit van brood is ook bij elke aanbieder anders, daarom is brood een heterogeen product. Volkomen concurrentie: Er zijn veel aanbieders en de kwaliteit is hetzelfde Homogeen product: Prei is altijd bij iedere boer hetzelfde. Daarom is het een Homogeen product.

Leer niet alleen mijn samenvatting maar lees ook nog een keer het boek goed door, en veel geluk met leren!