Vous êtes sur la page 1sur 51

MEI 2012

Literair e-tijdschrift [werk]

Nummer 4 Special: Vriendschap en andere ongemakken Mei 2012

MEI 2012 | Nummer 4

Inhoudsopgave
Redactioneel 6 Marcel de Laat
Terug tot Zanger Rob 7

Roelof ten Napel Notities 13


Reactie van Julie de Leeuw: Ik moest het een paar keer lezen, er zitten zoveel lagen in. Wat er voor mij heel sterk uit komt is het onwezenlijke van het afscheid nemen van een vriend.

Jolanda Oudijk Kamp 15


Reactie van Helen: Heel mooi geschreven! Ik stop nog een fireball in mijn mond. Wat een prachtige zin en hij zegt alles. Niks geen uitleg, maar personages van vlees en bloed en handelingen die voor zich spreken. Complimenten!

Pauline Genee Zaal 305 17


Reactie van Rob Verschuren: Fantastisch verhaal! Een zin wil ik eruit lichten, want voor mij zijn mooie zinnen de essentie van het schrijversschap. [...] Ze klonk als een jong meisje dat op een zonnige dag de was ophangt tussen twee berkenboompjes.

Derk Fangman
Spaanse frambozen 25 Reactie van Eva Logan: Geestig, ik heb hartelijk gelachen.

MEI 2012 | Nummer 4

Sophie Velthuizen Wimpel vaarwel 28


Reactie van Rocco Elibell: Ik vind vooral de eerste strofe erg ontroerend. Met heel weinig woorden geeft het voor mij een relatie aan die geen voldoening biedt, armoedig is. Knap aangegeven, doordat kleur en emotie zo dicht bij elkaar liggen.

Linda Mulders
Een dun laagje chroom 29 Reactie van Mechteld: Je hebt oog voor sprekende details die de scne voor mij echt tot leven brengen.

Peter Cnops
Weekend aan zee 31

De Heer Bill
Batser met biceps 36 Reactie van Roelof ten Napel: Hoe dan ook, interessante opbouw. Het karakter van Bob wordt snel en behendig neergezet en likeable gemaakt.

Jantina Eppinga
Terug naar de realiteit 43 Reactie van Hilko: Ik heb je verhaal twee keer gelezen en ik ga het nog een keer lezen, maar deze keer om er iets van te leren over schrijven.

Over de auteurs

47

Colofon 50

MEI 2012 | Nummer 4

Redactioneel
Vriendschap kent vele gezichten. Het kan een bron van vreugde zijn, maar ook van irritaties. Het inspireert je tot grootse daden of verlamt je. Vriendschap kan je verheffen of terneerslaan. Dat is wel gebleken uit de inzendingen voor de schrijfwedstrijd Vriendschap en andere ongemakken, die Literairwerk.nl tijdens de boekenweek samen met Bibliotheek Eemland organiseerde. Het beste ingezonden werk is gebundeld in deze special. In Terug tot Zanger Rob, de winnende inzending van de schrijfwedstrijd, laat Marcel de Laat zien hoe vriendschap een mens op plekken kan brengen waar hij anders nooit zou komen: volksfeesten waar het bier neerregent op het publiek, of een woonwagenkamp. Een ongerijmde vriendschap die luchtig en afstandelijk begint ontwikkelt zich tot een ware obsessie. En dat blijft niet zonder gevolgen. Als we als redactie van Literairwerk.nl in de afgelopen weken n ding hebben geleerd, is het wel dat ongemak een milde benaming is voor de dramas die een vriendschap teweeg kan brengen. De inzendingen lieten een staalkaart aan groot en klein leed zien. En dan hebben we het niet alleen over verdriet om een verbroken vriendschap, jaloezie of teleurstelling. Nee: bedrog, vernieling, verkrachting, brand en meer van dat ergs passeerden de revue. Tot moord aan toe. Vrienden? Nee, doe ons maar een goede buur. Behalve dan op Facebook, daar kunnen we nog wel wat vrienden gebruiken: www.facebook.com/Literairwerk. Namens de redactie, Mechteld Jansen

MEI 2012 | Nummer 4

Marcel de Laat

Terug tot Zanger Rob


Het waren lichte dagen, het waren donkere dagen. Het waren dagen van angst en het waren dagen van hoop. De muziek was dood en de muziek was levend. Het was het tijdperk van De Reuvertjes, Betty & Albert, Jurgen van de Tillart, en natuurlijk Zanger Rob. Als ik aan Rob denk, zie ik hem altijd voor me zoals hij op de poster stond, die kleine, compacte jongeman met zijn stekeltjeshaar, zijn gebruinde huid, die piercing in zijn linkeroor. Een godenzoon was hij, neergeslagen in de bloei van zijn leven, en vervolgens gedwongen dat geknakte leven uit te zitten. Ik heb voor hem gedaan wat ik moest doen. Als ik hiervoor gestraft word, dan zij dat maar zo. Voor nu zit ik veilig. Achter tralies, dat wel, maar veilig. Ik had hem op een poster zien staan, een van die overvolle posters die je bij de frietboer ziet, posters die steevast een extravaganza beloofden, een festival van sterren aan het firmament van het lokale levenslied. Rob stond precies in het midden, gaf zo onterecht de indruk dat hij de headliner was. Op Koninginnedag zou hij twee straten verderop optreden, bijgestaan door onder meer Zanger Max en (Zangeres?) Priscilla. Ik heb niets met volksmuziek maar beroep me er graag op dat ik open sta voor nieuwe ervaringen. Ik belandde met een biertje in de hand in het park, een grote groep in het oranje uitgedoste buurtbewoners om me heen. Om twee uur betrad Zanger Rob op zijn gemak het podium. Ik juichte met de andere toeschouwers mee, deels bevangen door de levenslust en energie van het moment en deels uit angst voor de reusachtige moeder van Zanger Rob, die met haar handen in haar zij naast het podium stond en het publiek in de gaten hield, als om hen uit te dagen om net te applaudisseren. Toen ik Zanger Rob voor de eerste keer hoorde zingen (Duo sangria, volgens de man naast mij het eerste nummer van zijn tweede cd) was ik een beetje teleurgesteld. Hij was niet meer en niet minder, niet slechter of beter dan de andere volkszangers. Hij was er gewoon. Ik was verbaasd dat het publiek zo los ging. De verafgoding van deze middelmatige artiest fascineerde en irriteerde me.

MEI 2012 | Nummer 4

Had ik toen maar geweten dat ik keek naar een artiest die aan zijn tragische retour was begonnen! Toen er eindelijk iets was wat hem distantieerde van de platte massa en hem op een podium plaatste, had ik al snel spijt van mijn irritaties, want datgene wat hem van de rest onderscheidde, was dat hij aan kanker van de longen leed. Achteraf bezien draaide hij bij dat concert al op een fractie van zijn gebruikelijke krachten, en het spijt me nog altijd dat ik nooit van de grote Zanger Rob op zijn hoogtepunt heb kunnen genieten. Ja, er stonden tientallen sinds het incident waarschijnlijk hnderden, doch ik heb niet langer toegang tot het internet videos van hem op YouTube, enkele weken lang draaiden radiozenders elk uur zijn grootste hits als Glimlach van mijn meisje en Oh Oh Oh Oh, Hee Oh. Deze opnamen gaven je echter niet het gevoel dat je met Rob in n kamer stond, boden je niet de mogelijkheid het zweet van zijn fans te horen, het bier op je haar en voorhoofd te voelen plenzen. Tijdens dat Koninginnedagconcert wist nog niemand dat hij ziek was. Ja, ik hoorde een vrouw naast mij tegen haar vriend zeggen dat Rob er slecht uitzag vandaag, en een paar keer begon hij halverwege een refrein hevig te hoesten en moest het publiek de zangpartij voor hem invallen, maar zover ik wist was dit gebruikelijk bij het levenslied. Deze mensen waren geen pros; als zij bakken met geld verdienden, woonden zij niet langer in een woonwagen, nietwaar? Ik werd, zoals bij veel van die dingen, gedreven door een stukje afstandelijke ironie. De eerste keer dat ik Robs homepage bezocht, een week na het bijwonen van zijn concert, deed ik dat om eens te kunnen lachen om die lullige, achtergestelde levensliedcultuur. Als academicus kon ik neerkijken op die Nederlandse rednecks met hun simpele pleziertjes. Mijn spot sloeg om in een stukje schuldgevoel toen ik las dat de kanker Zanger Rob te pakken had, en niet zon beetje ook. Een dag of drie eerder was bekend geworden dat Rob ernstige uitzaaiingen in zijn longen had, waarvan hij in geen geval zou herstellen. Mijn lach stokte in mijn keel en het scheelde weinig of ik had de webpage weg geklikt, walgend van mezelf. De bijgevoegde foto van Rob, eentje uit betere tijden waarop hij met een blos op zijn gezicht voor een publiek van honderden zijn kunstje opvoerde, vormde een schril contrast met de verzwakte Rob die ik een week eerder had gezien. Dit was niet eerlijk. De jongen was pas 26. k was 26. Ik had evengoed degene kunnen zijn die ziek werd, maar in plaats daarvan was het Rob geworden. Die kogel had hij voor me opgevangen, en waarom? Wat bracht ik ter tafel? Hij was een intens geliefde volkszanger, ik een jurist die zich terecht

MEI 2012 | Nummer 4

schuldig voelde over het feit dat hij nog leefde. Een zwaar gevoel kwam over me, alsof het niet een volkszanger maar mijn beste vriend was die door de kanker te grazen was genomen. Mijn vriend, mijn Zanger Rob. Achter het scherm van mijn computer barstte ik in tranen uit. Voor ik het wist, bezocht ik dagelijks de website van Zanger Rob, gedreven als ik werd door een opmerkelijke cocktail van pervers voyeurisme en oprechte bezorgdheid. Omdat Zanger Rob zelf te zwak was om hele lappen tekst op papier te rammen, verzorgde zijn moeder in gebroken Nederlands en met liberaal gebruik van de CAPS LOCK-knop zijn updates. Robbie heeft weer de hele nacht liggen hoesten, schreef ze dan, hij heb ze hele bed ondergekost. In die tijd ging het met haar zoon altijd slechter dan de dag ervoor, nooit beter. Ja, er waren dagen dat het even beter ging maar die werden doorgaans gevolgd door dagen waarop het extra slecht ging. De kanker deed zijn ding, en de chemo stelde slechts het onvermijdelijke uit. De fanbase buitelde over zichzelf heen met steunbetuigingen. Er was iets dat me steeds weer raakte aan zijn lijdensweg, aan die legioenen hondstrouwe fans. Ik kon nog zo hard werken, geld doneren aan ontwikkelingslanden en persoonlijk waterpompen de grond in stampen op het duistere continent, maar mijn verscheiden zou nooit zoveel mensen aan het huilen krijgen als er tranen zouden vergieten bij de dood van Zanger Rob. Zanger Rob bleek een taaie. Liever dan al zijn tours af te zeggen en zijn resterende maanden, weken, dagen met zijn familie door te brengen, bleef hij hardnekkig doorzingen. Ik maakte een paar van zijn publieke optredens mee, verzette afspraken om erbij te kunnen zijn, op volle dorpspleinen, in afgeladen biertenten. In mijn meest joviale bloesje, tussen de gewone mensen. Ik schrok elke keer dat ik Rob in persoon zag. Zijn gezicht was immer meer ingevallen, tegen het eind zelfs skeletachtig. Hij werd steevast door twee nichtjes het podium op geholpen; het waren altijd twee andere nichtjes; kennelijk had hij een grote familie. Gewoonlijk zong hij met schorre stem een paar liedjes die dan op luid applaus konden rekenen. Natuurlijk klapte ik even hard mee, alsof ik hem met mijn applaus kon genezen. Onwillekeurig probeerde ik dichter bij het podium te komen. Ik weet niet wat ik wilde. Hem aanraken? Hem de hand schudden, nu het nog kon? Zijn ziekte op mij nemen? Zanger Rob, ik begrijp je, wilde ik zeggen. Ik begrijp je pijn.

MEI 2012 | Nummer 4

Ook aan die optredens kwam een eind. Een week nadat een concert in Boxtel onverwacht was gecanceld, maakte ik uit het geratel van zijn zwaar geschokte moeder op dat de dokter hem niet lang meer gaf, dat het een kwestie van weken zou zijn voor het over en uit was met Zanger Rob. Robbie gaat het nog proberen om bij het levensliedfestijn in Loon po Zand te zijn volgende week de ziekte krijgt hem niet klein. Hij doet het voor zijn fans maar dit is misschien wel DE LAATSTE KEER DAT HIJ HET DOET. Ik werd lid van de Zanger Rob-pagina op Hyves. ik wens jeu veels terkte. NIET DOODGAAN! X, en meer van dat soort boodschappen, veelal vergezeld door zwaar bedroefde emoticons. Aan de aankondiging dat Rob weldra aan de kanker zou sterven werd morbide genoeg door velen respect gegeven. Alle steunbetuigingen mochten niet baten. Rob slonk en slonk. Voor onze ogen teerde hij weg. Ik zou het wel weten, dacht ik vaak, ik zou een einde aan mijn leven maken. Zo ging het in die culturen niet. Je stapte niet uit. Je bleef zitten, tot het hoestende, proestende eind van de rit. Zelfs nu hij zich uit het openbare leven had teruggetrokken, kreeg Zanger Rob niet de rust om waardig te sterven. Elke dag weer beschreef zijn moeder uitgebreid hoezeer zijn toestand nu weer verslechterd was. Het gaat steeds slechter met Rob. Hij kan niet meer op eigen beweging naar het toilet en als we dan mee moeten dan komt er niks uit want hij zit potdicht. Het is vreeslijk ons zoon zo te zien leiden. Ik kon niet anders dan medelijden voelen om deze publieke martelgang. Dit was niet hoe ik hem wilde herinneren. Zijn fans bleven echter toestromen, vastbesloten hun plaatsen voor de eerste rang van zijn sterven te behouden. Ik was erbij toen Zanger Rob stierf. Er was dagelijks een bezoekuur voor de stervende zanger, waarin zijn fans in groepen van niet meer dan drie bij hem thuis op bezoek konden komen om afscheid te nemen. Ongetwijfeld goedbedoeld, maar ik kon me voorstellen dat Rob op dit moment wel andere dingen aan zijn hoofd had dan zijn fans. Kanker bijvoorbeeld. Uit Rob echter geen woord; hij onderging het proces zwijgzaam, zonder te klagen, als een martelaar, een Christus. Besefte hij dat hij als een dier tentoon werd gesteld? Toen ik acht jaar oud was, reed mijn vader op een kwade dag een kat aan. Het arme beest was zwaargewond, zijn bovenlichaam ongedeerd, het onderlichaam vastgeplakt op het asfalt. Ik weet nog hoe het me aankeek, in

MEI 2012 | Nummer 4

10

die momenten terwijl mijn vader naar een zwaar object zocht. Die grote smekende ogen. Het probleem was dat Rob niet stierf. Hij moet zo sterk zijn geweest. Als een drenkeling klampte hij zich aan het leven vast, ook al was het niet meer nodig, ook al was het beter om los te laten. Toen ik op zeker moment besefte dat de lijdensweg van Rob zich al maanden voortsleepte, begon ik me ernstige zorgen te maken. De prognoses werden keer op keer bijgesteld, zonder dat er enige tekenen van herstel waren. De kanker ging niet weg, maar won evenmin terrein. De bezoekuren bleven lopen en fans bleven toestromen om Robs slappe handje te schudden. Bij de zoveelste foto van Zanger Rob, omhoog gehouden door een stapel kussens, zich waarschijnlijk niet eens bewust van het feit dat hij gefotografeerd werd, werd het me te veel. In zijn ogen las ik slechts twee woorden: Help me. Na een nacht lang piekeren was ik er uit. Voor de spiegel oefende ik mijn verhaal. Mevrouw, Rob kent mij niet, maar ik ben zijn grootste fan, zijn beste vriend, en ik mt hem zien. Zijn verhaal is inspirerend voor kankerpatinten over de hele wereld. Het was niet nodig. Ik kwam gemakkelijk binnen op het bezoekuur, hoefde niet eens een afspraak te maken. Ik werd vreemd bekeken daar in dat Osse woonwagenkamp, in mijn nette pak, zonder enige gouden kettinkjes of tatoeages. Als ik mijn stropdas om had gehad waren ze er vast aan komen voelen. Hij is wakker, zei Robs moeder, die me in de kleine huiskamer van de camper ontving. Niet te snel praten, anders dan volgt ie het niet. Ik knikte, opende de deur en sloot deze zorgvuldig weer achter me. Het stonk in het kamertje; ik rook kots en urine. Rob lag op bed, stak zijn hand op toen hij me zag. Posters van Rob in concert sierden de muren van zijn slaapkamer. Ze hingen zij aan zij met fanmails, kaarten met plaatjes van dellerige elfen die Rob beterschap wensten. H-hallo, kraakte Rob met een getergde blik. Zijn stem was gebroken. Alles was gebroken. Ik zweeg, verzekerde me ervan dat de deur goed dicht was, sloot de gordijnen. Rob probeerde iets te zeggen, maar het kwam er niet uit. Hoe gaat het nu, Rob? Ga je beter worden? Ik word niet meer beter, zei Rob. Maar het Zijn gehoest verdronk de rest van de zin. Ik liep naar de cd-speler in het raamkozijn en zette een cd op, draaide de volumeknop omhoog. Zanger Rob. Life. stond er op de hoes. Vind je deze leuk?

MEI 2012 | Nummer 4

11

Ik liiig hier heeeel alleeen vannaaacht, klonk het, zonder iemands warme hart. Het horen van zijn eigen stem in betere tijden leek Rob goed te doen, want hij glimlachte en staakte zijn gekreun, sloot zijn ogen even. Ja, dat is beter, nietwaar? Ik keek nog eenmaal om, luisterde naar voetstappen of andere geluiden, pakte toen een kussen van de bank. Zijn ogen waren nog altijd dicht. Het was beter zo. Ik zou hem niet hoeven aankijken voor ik het deed. Vergeef me, Rob. Ik doe dit uit liefde. Ik drukte het kussen op zijn gezicht. Hij stribbelde tegen, verdomde hard ook voor een stervende. Balde zijn vuisten, mepte me tegen mijn borst, mijn nek. Ik bleef drukken. Tijdens de worsteling ontsnapte hem eenkorte kreet, luid genoeg om door zijn moeder gehoord te worden bleek een halve minuut later, toen ze de kamer binnenviel en me bij haar zoon wegsleurde. Tegen die tijd was mijn werk al gedaan. Zanger Rob was dan toch gestorven. Het is een wonder dat ik het heb overleefd. Als ik langer in dat woonwagenkamp was gebleven, hadden ze me gelyncht. Maar mevrouw Donders zat daar met haar dode zoon in haar armen, en op mij werd geen acht geslagen. Ik ben er vandoor gegaan, maar genoeg mensen hebben me zien vertrekken. Het duurde niet lang voordat de politie mij vond. Het was goed dat zj me vonden. Ik zit in voorlopige hechtenis. Er zijn stemmen die roepen dat ik de doodstraf verdien een meerstemmig koor maar die kennen we in Nederland niet. Ik weet niet wat er gaat gebeuren als ik het gevang in ga. Ik weet zeker dat Zanger Rob er zat fans heeft rondlopen, die zich herinneren hoeveel vreugde Rob hun heeft gebracht, niet begrijpen dat ik hem een gunst heb verleend. Ik heb geen spijt, wt mijn advocaat mij ook in de mond probeert te leggen. Ik deed een goede vriend een gunst. Doe met mij wat u wilt; veroordeel mij, sluit mij op, stop mij weg. Ik zit hier in mijn cel en laat het over mij heenkomen, zittend op mijn bed, luisterend naar de radio. Bedankt voor alle goede zorgen, zingt Zanger Rob, bedankt voor die fijne tijd. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

12

Roelof ten Napel

Notities
Bij alle dingen die ik zie denk ik: dit is van hem. Dit is zijn bureau. Dit is zijn pen. Dit is zijn huis. Niet was alsof je alleen levend iets zou kunnen bezitten, hoewel, levend lukt dat ook nooit helemaal. Zijn bureau ligt vol aantekeningen, soms een A4 vol, soms slechts een zin. Ik weet niet precies wat ik hier zoek. Niet alle tekst komt van hem zelf, ik zie hier en daar aantekeningen met namen eronder, soms ook de oorsprong. Ik probeer de dingen te sorteren, op tafel en in mijn hoofd. Eigenlijk is het er te vroeg voor, maar daar zijn stoffige lampen voor bedacht. Op een gegeven moment vind ik een stapel briefjes met zinnen van Kafka, bij elkaar gelegd. Ik lees. Zo stevig als een hand die een steen vasthoudt. Vastgehouden, echter, puur om hem des te verder te werpen. Maar ook naar die verte leidt de weg. Ik denk aan twee jongens die kiezels hebben verzameld. De steiger is minstens vijftig meter. Het is al koud, maar de wind, die al hun haren vangt, maakt het nog veel kouder. En voor n pakken ze een steentje, ze zetten zich schrap en gooien. Zwarte stippen vliegen en worden opgeslokt door golven. Uiteindelijk is de stapel weg. Hij wist dat ik het verst gegooid had, gaf me ook een hand, maar zei terwijl we terug naar het strand liepen: Eigenlijk weten we niet wie gewonnen heeft, het hangt er maar net van af waar de zee het diepst is. Ik denk aan kiezelstenen die door water naar beneden zakken. Leidt daar nog een weg? Licht begint door het raampje te vallen. Nog niet genoeg om de lamp uit te doen, maar wel om mijn handen te warmen. Even sluit ik mijn ogen, lang, langer dan normaal. Ik hoor mezelf ademhalen, zijn lucht. Hij kocht nooit luchtverfrissers. Ruiken is wat mensen niet kunnen voorkomen adem heb je nodig. Als het stonk deed hij een raampje open. Geur hoort bij een huis, zei hij eens. Zoiets. Ik leg het eerste briefje aan de kant en lees verder. De kraaien beweren dat n enkele kraai genoeg is om de hemel te vernietigen. Dit is ontegensprekelijk waar, maar zegt niets over de hemel, want de

MEI 2012 | Nummer 4

13

hemel is gewoon een andere manier om te zeggen: de onmogelijkheid van kraaien. Ik herinner. Ze zitten op een bankje, zonnebrillen, korte broeken, het is zomer. Beide hebben ze een bakje friet. De twee praten, zitten niet meer in dezelfde klas maar maken daar een voordeel van, nu hebben ze meer te vertellen. Af en toe gooien ze een stukje friet op straat, voor de duiven. En van de twee begint over een meisje. Het gevecht tussen willen en durven, de ander moedigt aan door al het praten verdwijnt steeds meer eten richting de vogels. Minstens n vergelijkt hen met vroeger. De duiven schrikken op, er komt een kauwtje, hij eet de restjes en verwacht meer. Zijn zwarte, bolle oogjes kijken hen aan. Maar het kauwtje geven ze niets, ze eten de bakjes leeg, staan op en lopen verder. Ik vraag me af waarom hij deze dingen opgeschreven heeft, maar de vraag blijft niet lang hangen. Honger. In mijn tas zit een trommel, ik heb mijn eigen brood meegenomen en maak zelf een aantekening dat ik het eten uit de koelkast weg moet gooien, als dat er nog ligt. De jongens, intussen eigenlijk mannen, lopen over een bospad. Hun gesprek is het enige geluid, de vogels lijken tijdelijk vertrokken. En van hen praat gefrustreerd, er is iets maar wat, dat komt niet ter sprake. De woorden werken als stootkussen. Ze komen aan bij een bankje langs het water, daar zijn ze stil. Het wordt later. Uiteindelijk moeten ze ook weer weg. Al uren hebben ze niets meer gezegd. Ze lopen het bos weer uit, wegenlang terug naar huis, tot ze op het punt komen waar huis in twee richtingen ligt. Ze wensen elkaar alvast een gelukkig Nieuwjaar. Daarna zien ze elkaar niet meer. De koelkast is al leeg. Hij staat niet eens meer aan. Wat doe ik hier eigenlijk? Gaat dit over achterhalen? Of achternarennen? Een laatste glimp opvangen van iets wat al niet meer schijnt. De aantekeningen laat ik even voor wat ze zijn en ik kijk naar buiten. Hij woonde hier mooi, ver van dorp of stad. Zelfs binnen kan ik de wind voelen, beeld ik me in. Voor het raam komt een kraai staan. Ik besef wel dat ik die papieren niet nodig heb, niet om te herinneren, en zie dat ik door te sorteren iets heb weggewerkt: aanwezigheid. Niemand werkt aan een bureau met rechte stapels. Misschien is dat het, wat ik hier doe. Ik zet zijn huis in de juiste staat. Ook dit gebouw moet rouwen. Met een armbeweging jaag ik de vogel weg. Ik haal diep adem, laat de geur binnendringen en begin alles op te ruimen. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

14

Jolanda Oudijk

Kamp
Met een klein roze borsteltje strijk ik over het haar van Barbie. Ze draagt een jurk met witte sterretjes. Dan houd ik Barbie met mijn rechterhand minutenlang vlak voor mijn brandende nachtlampje. Met mijn linkerhand voel ik in mijn broekzak. Twee gulden. Genoeg om een grote zak snoep te kopen, voor morgen als we met de klas op kamp gaan. Brenda zou me bellen om nog wat dingen te overleggen, maar dat heeft ze niet gedaan. Brenda. We trokken vaak dezelfde kleren aan, het liefst onze Pink Panthertrui. We tekenden Snoopy in onze vriendschapsboekjes. We giechelden als Sven langskwam. Als we een dictee hadden mocht Brenda bij mij afkijken en ik mocht haar uitkomsten van breuken overschrijven. Altijd samen, behalve op woensdagmiddag, dan had Brenda vioolles en ik tekenles. Toen maakte Brenda in korte tijd een groeispurt, zoals mijn moeder dat noemde. Brenda verruilde de Pink Panthertrui voor een strak shirt. De jongens in de klas keken om als ze langsliep. Dan glimlachte ze. Daarom wist ik niet of ik Brenda moest geloven toen ze me vertelde dat ze elke avond het Grote Sprookjesboek van de Lage Landen op haar borstkas legde, gewikkeld in een zwachtel, om haar borsten te laten stoppen met groeien. Ik doe het licht uit. De sterretjes van de Barbiejurk lichten witgroen op. De pinnen van het borsteltje druk ik tegen mijn wang, net boven de metalen rand van mijn buitenboordbeugel, steeds harder en harder. Ik haal het borsteltje weg, leg mijn hoofd op mijn kussen en voel met mijn vingers de kleine putjes in mijn huid. Als we de volgende dag na een urenlange fietstocht rond vier uur bij een verbouwde boerderij in Ermelo aankomen, rennen de jongens joelend naar een grote ruimte, die ze even later de Mannenzaal noemen. De meiden gaan naar de slaapzaal aan de andere kant van het terrein. Brenda kiest een stapelbed uit. Inge gaat boven liggen. Brenda onder. Ik in het bed ernaast. Maar we slapen toch naast elkaar? zegt Brenda tegen mij. Uit mijn rugtas haal ik een zak snoep. Ik geef Inge en Brenda een fireball.

MEI 2012 | Nummer 4

15

Brenda zuigt erop, dan trekt ze een zuur gezicht. Ze spuugt de bal uit en wikkelt hem weer in de plastic verpakking. Dan schraapt ze haar keel en zegt: Jakkes. Maarre, zullen we eigenlijk nog oefenen voor de Bonte Avond? Ik duw het snoepje met mijn tong naar de binnenkant van mijn linkerwang, open mijn mond, wil wat zeggen, maar sluit mijn mond weer. Brenda vraagt het aan Inge. Ja, ik wil wel dat het goed wordt. Ben jij Mel of Kim? vraagt Inge. Ach, maakt niet uit. Ze lijken toch op elkaar. Brenda grinnikt. Ik stop nog een fireball in mijn mond. Ik kauw hard. Het hete kaneel brandt op mijn tong. Tijdens de Bonte Avond worden liedjes van Madonna, Janet Jackson, Mel en Kim en George Michael geplaybackt. Daarna speelt Brenda een vrolijk liedje op haar viool. Ik zie Sven naar haar kijken. Hij houdt zijn hoofd schuin. Als laatste ben ik aan de beurt. Ik ratel een tekst van De La Soul op, maar na Always pushing that weve formed an image, theres no need to lie, raak ik de tekst kwijt en kan ik alleen nog maar Mirror, mirror on the wall rappen. Na afloop van de optredens komen alle meiden en jongens bij elkaar. We drinken Seven Up uit champagneglazen. Inge en Brenda krijgen schouderklopjes. Niemand zegt iets tegen mij. Ik ga naar buiten waar meester Reinoud bezig is een kampvuur aan te steken. Ik help hem. Nadat mijn klasgenoten naar buiten zijn gekomen, gaan ze in een cirkel rond het vuur zitten. We rijgen roze worstjes aan een stok en houden ze boven het vuur. Brenda heeft nog bruine schmink op haar gezicht. Zwijgend houdt ze de stok in haar hand en staart naar de vlammen. Ik zit naast meester Reinoud en knabbel op een stukje stokbrood. Brenda blijft naar het vuur staren. Dan ziet ze het. En ik zie dat ze het ziet. Haar onderlip begint te trillen. Ze schudt haar hoofd, laat de stok uit haar hand vallen en kijkt nog een keer naar de vlammen. Een traan trekt een baantje door de schmink op haar rechterwang. Ik glimlach als ik haar grote ogen zie en kijk naar de wigwam van brandende takken. In het midden van het vuur, daar ligt hij. Haar halfverkoolde viool. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

16

Pauline Genee

Zaal 305
Dinsdagochtend om negen uur kwam het bericht: ons museum kreeg toestemming om westerse impressionisten ten toon te stellen. Iedereen was euforisch we zijn in ons hart tenslotte allemaal Hermitazjniks. Hoe Anna Vassilievna het voor elkaar had gekregen begreep echter niemand. Connecties bij de Sovjetcommissie voor Volkskunst, werd gefluisterd. Ik wist dat dat niet waar kon zijn. Haar vader, een baron, was jaren geleden in de kampen verdwenen, net als haar broers. Anna Vassilievna wijdde er niet over uit. Ze vouwde het telegram na haar korte aankondiging in haar jaszak en keek zwijgend over de glinsterende Neva. Wij wachtten in de deuropening. Nu dan, zei ze na enig moment. Dit heeft lang genoeg geduurd. Ze draaide zich om. Aan het werk allemaal. Teleurgesteld maakten we aanstalten. Niet jij, Irina. Kom mee naar beneden. Ik snelde achter haar aan. Niemand van ons was ooit in de ondergrondse depots geweest het exclusieve domein van de Directeur, de Hoofdconservator en de Depotbeheerder. Alexeij Ivanov leek ons te verwachten. Zwijgend stak hij de sleutel in het goudbeslagen slot en stapte achteruit. Gaat uw gang, Anna Vassilievna. De deur knarste open. Een muffe lucht sloeg ons vanuit het duister tegemoet. Even wankelde ik op mijn benen; mijn pupillen hadden een paar seconden nodig om te wennen aan het halfduister en ik hoorde de stem van mijn oude professor: Impressionisme weerspiegelt het verval van de burgerlijke cultuur een van de vele definities uit zijn eigen Sovjet Encyclopedie. Anna Vassilievna stapte over de drempel. Het was alsof de jarenlang ongeziene werken haar naar zich toezogen. Haar rug was gekromd, haar tred was die van een jachtluipaard en haar blik kreeg iets waanzinnigs. Kijk, kijk, kijk, Irina. Dit gaat niet over objecten of voorstellingen. Stapje voor stapje verschoof ze langs de doeken. Dit gaat over licht, Irina. Licht. Ik stapte de gewelfde ruimte in. Nu pas durfde ik naar de collectie te kijken

MEI 2012 | Nummer 4

17

die in de lage kamer stond. Twee pianospelende zusjes in de meest wonderlijke pasteltinten. Een kleuter met de handen verzonken in klei, naast een moeder met het mooiste bruine haar dat ik ooit gezien had. Een bloementuin. Kleuren. Licht het spoelde van de doeken de ruimte in, de gang op. Dank U, God! dacht ik. Anna Vassilievna kwam bij me staan. Ze duwde me een paar nieuwe witte handschoenen in de hand. Aan het werk. Denk erom: we bouwen het rustig op. Rustig? Dat had ik haar nog nooit horen zeggen tegen een personeelslid. Kijk niet zo, Irina! Ik bedoel natuurlijk: voorzichtig! Stalin is nog niet zo heel lang dood, die verduivelde Serov is er ook nog je weet wat er kan gebeuren. Ik knikte. Ik wist van horen zeggen wat er met haar familie was gebeurd. Natuurlijk, Anna Vassilievna. Ik deed de handschoenen aan. Misschien kunnen we beginnen met wat onschuldige landschappen van Monet? Het was eruit voor ik er erg in had. Geschrokken hield ik mijn mond. Ongevraagd advies stelde Anna Vassilievna nooit op prijs. Ooit had ze me dringend verzocht mijn praatjes te bewaren voor als ik later zelf conservator was. Maar nu knikte ze instemmend. Monet, moet kunnen. Er zouden er zeven in depot moeten staan. Een half uur later staarden we samen naar zeven doeken. Wel wel, zei Anna Vassilievna terwijl ze erlangs liep. Haar hakken weerklonken in de gewelfde ruimte. Ik staarde in trance naar de schilderijen en dacht: straks hangt deze pracht na al die jaren duisternis weer op zijn plaats in het licht. Anna Vassilievna liep met kleine stapjes langs de doeken heen en weer. Af en toe mompelde ze iets. Toen deed ze opeens een stap terug en stelde zich op voor Hooibaal bij Giverny. Het werkende boerenleven, constateerde ze tevreden. Een onderwerp dat een Sovjetkunstenaar niet zou misstaan. Voor Waterloo Bridge klakte ze met haar tong. Zeer impressionistisch, dat wel, maar ik zie toch heel duidelijk fabriekspijpen op de achtergrond. Kade bij Le Havre kon ook op instemmend geknik rekenen. Werkzame levens. Ongevaarlijk. Ze gebaarde dat ik de werken op mijn lijst moest noteren. Ik hield mijn pen al in de aanslag voor nummer vier tot en met zeven, maar Anna Vassilievna zweeg. Ze stond daar maar, gebogen voor de resterende vier doeken en keek bezorgd. Ze gebaarde dat ik naast haar moest komen staan. Laten we hier nog eens goed naar kijken, Irina.

MEI 2012 | Nummer 4

18

Samen stonden we voor Vijver in Mongeron. Wat zien we hier? Ik hield mijn lippen op elkaar. De vragen van Anna Vassilievna kon je meestal beter niet beantwoorden. Deed je dat wel, dan bleken ze toch niet voor jou bedoeld, maar als inleiding voor haar eigen monoloog. Kijk eens Irina, je kunt op dit werk de mensen weliswaar niet goed onderscheiden, maar toch. Ze deed een stap opzij, wees nu naar Vrouw in tuin in Sainte Adresse. Het Paradijs, dacht ik, maar zei niets. Pas toen ze me indringend bleef aankijken en ik ervanuit kon gaan dat mijn antwoord gewenst en zelfs vereist was, liet ik me lafhartig redden door het jaartal rechtsonder in de hoek. Een vroeg werk. Irina! zei ze streng. Kijk goed naar die vrouw! Het is toch duidelijk. Ik zag alleen maar een paar verfstrepen. Ze keek me ongeduldig aan. Die jurk. Die hoed. Dat parasolletje. Ik hoorde haar snuiven. Toen boog ze naar me toe en zei bijna onhoorbaar: Zet je hart uit, Irina. Kijk met Sovjetogen. Paradijs, dacht ik weer. Maar nu zag ik toch ook iets anders. Vage contouren weliswaar, maar toch. Op elk van de doeken hoe verscholen ook leek iets te bewegen. Verfstreken van de achtergrond kwamen naar voren. De streperige witte jurken achter in de tuin, elegant en nauw in de taille, zweefden als spookgewaden naar voren. En het vage landgoed in de verte bezit van de rijke neef van Monet stond plots op de voorgrond, dreigend als een bastion. Anna Vassilievna velde het oordeel. Ze kwam voor me staan, dichterbij dan ik haar gezicht ooit had gezien. Toen zei ze zacht maar beslist: Te bourgeois. Dit is nu te gevaarlijk. Mijn mond voelde droog. Vrouw in tuin. Tuin. Vijver in Mongeron. Hoek van tuin in Mongeron. Ik voelde tranen opwellen. Niet omdat we ze niet zouden ophangen, maar omdat de landschappen, die me drie minuten geleden nog zo paradijselijk, ja zo vreedzaam en neutraal hadden toegeschenen, nu ook in mijn ogen iets vijandigs hadden gekregen, alleen door die paar woorden van mijn bazin. Anna Vassilievna gaf me een tikje op de schouder. Niet getreurd, Irina. Schoonheid vergaat niet. Ga je opfrissen en kom meteen terug. Toen ik een kwartier later de trap weer afdaalde, hoorde ik verderop in de gewelven Anna Vassilievnas stem. Ik hield stil op de derde trede en spitste mijn oren. Alexeij Ivanov, hoe komt u hieraan?

MEI 2012 | Nummer 4

19

Is het echt? Wie weten hiervan? Ik hoorde geritsel van papier, de schuifelende voetstappen van de Depotbeheerder die terugliep naar zijn ondergrondse kantoortje. Daarna werd de stilte alleen nog doorbroken door geschuif van objecten op de vloer, en de stem van Anna Vassilievna die een oud volksliedje zong. Ze klonk als een jong meisje dat op een zonnige dag de was ophangt tussen twee berkenboompjes. Aha, daar ben je weer. Ze had voor Tuin in Mongeron gestaan, met een dromerige blik. Dit schilderij, Irina, is precies de tuin van mijn jeugd. Ik zweeg. Ik keek naar de doeken. Ze had ze alle zeven bij elkaar gezet. Goed. Ze schraapte iets weg. Meisje, gun je ogen nog hun moment met deze doeken, en dan zwaaien we ze uit. Wat zei ze nou? Waren ze opeens alle zeven niet onschuldig genoeg? Ging ze nou alles afblazen? Maar Anna Vassilievna probeerde ik. En Hooibaal dan, en Waterloo, de fabriekspijpen in de mist? Die konden toch best, als eerste stap? Ze klopte het stof van haar kleding. Je begrijpt me helemaal verkeerd, Irinotsjka. We doen ze alle zeven. En we zoeken er nog flink wat bij. Aan de slag! Een uur later hadden we ook alle 37 werken van Matisse opzij gezet. Plus de late stukken! had ze op de haar bekende toon genstrueerd. En tegen de lunch stonden er zelfs kubistische Picassos op de lijst. Dat we gevaarlijk bezig waren stond voor mij buiten kijf. De uitspraken van Chroetsjov aangaande het impressionisme waren welbekend. Geklieder. Verdorven. En Serov, die had vorige maand het officile standpunt nog eens bevestigd: Impressionisme weerspiegelt het verval van de burgerlijke cultuur. Maar ik durfde geen vragen te stellen bij haar ommezwaai. Ik schreef alles netjes op en aan het eind van de middag instrueerde ik de sjouwers. Honderdvijftien werken, zei ik tegen de jongens. De karren stonden al klaar. Anna Vassilievna stond er naast en commandeerde de boel op haar gebruikelijke manier. Eerst optillen, dan draaien! Lager! Niet vloeken! De volgende dag nam ik de vroegste trolleybus. Het was nog donker buiten; het was die tijd van het jaar waarin het pas om half tien licht wordt. Ik kon niet wachten om te zien hoe de lege plekken op de muren, die plekken waar

MEI 2012 | Nummer 4

20

niemand ooit openlijk over had durven praten, straks weer bedekt zouden zijn. Ik snelde meteen naar ons kantoortje. Anna Vassilievna zat aan haar bureau over een tekst gebogen. Ze groette me niet. Irina Petrovna, zei ze zonder me aan te kijken. We krijgen vandaag bezoek van hooggeplaatsten. Ik verzoek je echter nadrukkelijk om dit keer niet deel te nemen aan de rondleiding en niet te vragen waarom. Ik keek naar haar grijze gezicht en probeerde mijn teleurstelling te verbergen. Ik wilde roepen: Maar Anna Vassilievna, ik kan het! Ik weet alles van elk kunstwerk Ik hoef alleen maar de vertrouwde route te wandelen en de woorden kan ik dromen! Elke vrije minuut had ik hier tijdens mijn studie doorgebracht, eerst als sjouwer op de afdeling van Olga, en later bij Anna Vassilievna. Tientallen delegaties had ik met haar door het museum geloodst, dus ook het protocol kende ik als geen ander. Alles was steeds hetzelfde, ook de wodka en de kaviaar aan het eind. Ik knikte beleefd en zei: Maar natuurlijk, Anna Vassilievna. Een uur later kwamen vier zwarte Wolgas over het plein voor het museum aanrijden. Ze hielden stil bij de rode loper en de deuren van de voorste auto zwaaiden open. De directeur kondigde het bezoek aan: Kameraad Voorzitter van de Staatscommissie voor Volkskunst Serov! Over de rode loper liep hij op ze toe. Anna Vassilievna stond naast de directeur. Wat de directeur zei, verstond ik niet, maar Kameraad Serov bulderde iets over dekselse Franse doeken. Anna Vassilievna keek strak toe hoe de laatste heren van de delegatie uitstapten. De groep ging op weg naar de Oostvleugel. Ik keek ze na, bad dat alle werken die we gisteren overmoedig hadden geselecteerd, nog op hun karren zouden staan. Ze liepen over de roodbeklede trappen richting de zalen van het Winterpaleis; daar hingen de minst aanstootgevende werken. Anna Vassilievna liep voorop. Ze stopte bij een zijvertrek met hoogtepunten uit de Sovjet Volkskunst veertig werken uit de school van het Socialistisch Realisme. Ik zag ze naar binnen gaan en wachtte. Er was aandacht geweest voor Kirchenkos afbeeldingen van arbeiders aan de maaltijd, voor Stalin tussen de soldaten, voor Lenin Volodja tussen de kinderen. Serov had wat bij een van zijn eigen werken gedraald. Lenin luistert oplettend naar een brief die soldaten uit hun eigen dorp ontvingen.

MEI 2012 | Nummer 4

21

Toen achtte de delegatie het wenselijk de nieuwste werken te bewonderen, die recentelijk aan de collectie waren toegevoegd. Het leek de delegatie verstandig dit te doen, voordat het volk hiermee in groten getale in aanraking zou komen. Anna Vassilievna had geknikt. Juist. Volgt u mij. Vanuit de verte zag ik ze gaan. Hun stappen galmden in de gang. Naarmate de groep de impressionisten naderde, werd Anna Vassilievnas sloffende tred een bijna statige pas. Haar kromme rug een kaarsrechte pilaar. En ik kon niets voor haar doen. Ik zag ons weer staan, de dag ervoor, in die kamer vol impressionisten, de kamer die decennia lang gesloten was geweest. Het was warm, laat in de middag, het laatste doek van onze lijst stond tegen de muur. Anna Vassilievna blies een grijze pluk haar uit haar gezicht. We namen de afbeelding in ons op. Twee vrouwen, de lichamen ineengestrengeld. Een vierkante wirwar van ledematen. Laat kubisme, misschien beter wachten? had ik gevraagd. Anna Vassilievna had even spookachtig geglimlacht, en toen strijdlustig gezegd: Niet meer wachten. Noteren: Vriendschap, Picasso, nummer 115. Toen kwam het moment waarop de delegatie zaal 305 binnenkwam. De mannen liepen regelrecht af op het laatste doek van onze lijst. Kameraad Serov, had Anna Vassilievna met vaste stem gezegd. Met de vroegere impressionisten zal ik u niet vermoeien. Maar kijkt u eens naar deze werken van Picasso. Ze worden kubistisch genoemd. Kijk eens hoe prachtig: in strakke lijnen wordt de vriendschap tussen twee mensen verbeeld. Serov stapte naar voren en riep verbolgen: Mevrouw Kameraad! U hoort als geen ander te weten dat kunst de arbeidersklasse dient te verlichten met positieve en realistische taferelen. U bent de marges van uw toestemming duidelijk te buiten gegaan. Hij pauzeerde even en siste: Maar gezien uw familiegeschiedenis zou mij dat niet moeten verbazen. Anna Vassilievna was even stil en speelde toen zacht haar troef uit. Maar Kameraad Serov, weet u dan niet dat dit een van de hoogtepunten betreft van de beeldende kunst? Ach wat, sneerde Serov, heeft uw vader u dat soms verteld? Of uw broers? Wat jammer toch dat we het ze niet meer kunnen vragen! Het noemen van haar familie deed Anna Vassilievna even met de ogen knipperen. Maar toen herstelde ze zich. Mag ik u herinneren aan uw grote ongelijk, kameraad Serov?

MEI 2012 | Nummer 4

22

Er viel een gevaarlijke stilte. Anna Vassilievna haalde een document uit haar zak en hield het omhoog. Ik heb hier een document. Het is ondertekend door Kameraad Lenin zelf. Ze overhandigde het papier, dat al die tijd in haar zak had gezeten. Serov bestudeerde het en verbleekte. Hij richtte zich tot de directeur. Ik neem aan dat u deze uitspraak van Vladimir Iljits ook niet kent? Met ingehouden woede wapperde hij met het papier heen en weer. De directeur verstarde. Niemand durfde elkaar aan te kijken en er viel een lange gespannen stilte. Iedereen staarde bewegingsloos naar het document waarin Lenin verklaarde dat de gehele collectie een goede basis was voor de verheffing van het volk. Ziezo, zouden de laatste triomfantelijke woorden van Anna Vassilievna zijn geweest. Maar de schilderijen zijn in ieder geval gered. Vanaf die woensdag kregen vrijwel alle impressionisten, van Monet tot Picasso, een vaste plek aan de muren van ons museum. Maar Anna Vassilievna hebben we nooit meer gezien. Ik heb gehoord dat ze de volgende avond per nachttrein naar Moskou zou zijn gereisd. Daar zou ze nog een paar jaar als schoonmaker in de Tretjakov Galerij hebben gewerkt. Anderen beweren dingen die ik liever niet had gehoord. Ik weet dat ze nu 115 jaar oud zou zijn geweest. En zo vaak als mijn drukke baan van Hoofdconservator het toestaat, zit ik in zaal 305, Picasso. Ik kijk naar Vriendschap, en denk aan haar. Dit verhaal is geschreven naar aanleiding van de documentaire van Aliona van der Horst Passie voor de Hermitage, aflevering 3: Stille sabotage. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

23

Derk Fangman

Spaanse frambozen
Sophia zette de schaal met frambozen op tafel. Die zijn zo lekker bij de wijn, zei ze. Ze had ze uit Spanje gehaald. Niet zelf natuurlijk, maar toch. Behalve frambozen had Sophia ook prachtig blond haar. Engelenhaar. Haar waar je je tanden mee zou willen flossen; nooit meer gaatjes. Misschien dacht Sophia: met frambozen en witte wijn is het nt zomer. Want buiten sneeuwde het al drie dagen onafgebroken. En Sophia hield niet van sneeuw. Ze had ons uitgenodigd bij haar thuis, voor een wijntje. Ik had er geen zin in gehad, maar Roel haalde me over. Je vindt Sophia toch zo leuk? Ik schep wel een beetje over je op en dan ben ik plotseling weg. Dit is je kans! Ik dacht: mijn kans op Sophia is al lang verkeken. Een jaar geleden had ze mij opgebeld om samen naar Artis te gaan. Apies kijken, had ze gezegd. Ik had niet geweten of we als vrienden of als iets anders naar apies gingen kijken. Ik hoopte op iets anders. Ik heb zin om te huppelen, zei ze toen we de apies gezien hadden. Ze huppelde. Als een konijntje door het hoge gras. Maar zelfs dat klinkt te complex, te potisch. Het was heel simpel: zij huppelde en ik werd daar geil van. Toen ze uitgehuppeld was gingen we op het bankje bij de olifanten zitten. Toen had het moeten gebeuren, maar ik deed niets. Roel dronk gulzig van de witte wijn, maar volgens mij hoorde je witte wijn zo helemaal niet te drinken. Naast wijn drinken maakte Roel ook kunst. Hele lelijke kunst, maar op de kunstacademie kreeg Roel nooit lager dan een acht. Gelukkig maakte Roel veel fouten met taal. Dan kon ik hem daarop wijzen. Dat maakt toch niet uit man. Roel is goed in tekenen, jij in taal. En ik ben goed in rekenen. Sophia lachte. Het leven was blijkbaar terug te brengen tot rekenen, taal en tekenen.

MEI 2012 | Nummer 4

25

Ik dacht: het stoort me dat hun kwaliteiten wel rijmen. Het leek Roel ook te storen, want plotseling begon hij hoog van de toren te blazen over zijn literaire kwaliteiten. Hij vertelde ons (Sophia) dat hij literair misschien nog wel meer in zijn mars had dan op het gebied van schilderen. Wij (ik) lachte(n) hem uit. Roel vertelde over een gedicht dat hij ooit had geschreven voor het keuzevak Woord & Beeld op de kunstacademie. Zijn gedicht werd uitgekozen om voor te dragen op een pozieavond in een caf in de stad. Hij had applaus gekregen; een staande ovatie. Onder het publiek was ook de stadsdichter. Die was later op de avond naar hem toegekomen, om zijn kaartje te geven. Stuur me meer van je werk, dit gedicht was veelbelovend. Sophia knikte gretig, ze wilde het graag horen. Roel speelde schuwheid, maar was uiteindelijk weinig bedeesd toen hij op zijn stoel stond: Solitaire liefde Zoals hij daar ligt Die mooie jongen Blauwe ogen schuldbewust Armen hangen slap Jonge strakke lid rustend op zijn buik Navel vol met druppels zweet Doelloos klevend zaad Solitaire liefde; net te laat Ik merkte dat ik vuurrood was geworden, maar niet door de wijn. Ik wilde niets zeggen, gewoon mijn jas pakken en naar huis gaan. Maar Sophia vond het z mooi, dat ik toch maar iets zei: Dat gedicht is niet van jou, het is van mij. Hij was een jaar geleden bij mij naar binnen gestormd. Ik moet over een half uur een gedicht inleveren voor mijn studie. Heb jij nog iets? Roel en Sophia leken niet erg onder de indruk van de ontmaskering. Roel zei: Inhoudelijk schort er een hoop aan, het ging meer om de voordracht. En Sophia zei dat ze pozie eigenlijk niets aan vond, dat ze het toch nooit echt begreep. Roel en Sophia voerden nu een discussie over kunst en bewustzijn. Leidde het bewustzijn tot kunst of was het precies andersom? Ik haalde mijn schouders op.

MEI 2012 | Nummer 4

26

Midden in een zin stopten ze met praten. Ze zoenden. Alsof ik niet midden tussen hen in op de bank zat. Sophia schrok toen ik opstond. Ze zei: Van sneeuw heb je drie keer last: als het valt, als het ligt en als het smelt. Roel keek me glazig aan. De stoep was te glad om naar huis te lopen. Ik liep over het gepekelde wegdek, midden op de straat. Een rode Peugeot 205 reed stapvoets achter mij, toeterde. Ik dacht: het lijkt wel of mensen met rode autos driftiger toeteren dan anderen. Harder, met kortere tussenpozen. Ik bedacht me ook dat ik niet geproefd had van de frambozen. Spaanse frambozen. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

27

Sophie Velthuizen

Wimpel vaarwel
Jij bent de wimpel en ik ben de vlag die een kleur mist. En samen wapperen we aan een paal. Maar ik heb het wel gezien hier. Het uitzicht is mooi en het is inderdaad gezellig, toch is het gras aan de voet niet zo groen als vorig jaar. De wind wordt kouder, de man die ons ophangt ouder. De vorstin die we vierden is dood. Ik ga zoeken naar rood, want het mijne is roze en het jouwe oranje. Het spijt me dat je niet mee kan. Maar wat moet jij elders? Jouw leven is hier en het mijne zal de wereld zien. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

28

Linda Mulders

Een dun laagje chroom


Het eerste ochtendlicht valt tussen de lamellen door en werpt strepen door mijn slaapkamer. Ze zijn hard, onvergevend, als tralies. Mijn kamer lijkt wel een gevangenis. Evas gezicht ligt van me afgewend op het andere kussen. Ik zie alleen haar verwarde rode haar en het roze randje van haar oorschelp. Koffie. Ze drinkt koffie in de ochtend. Met een beetje melk en suiker. Ik sta op en schiet in een joggingbroek en T-shirt. Tussen duim en wijsvinger trek ik het plakkerige condoom met een zuigend geluid los van de vloer. Ik hou het bij mijn gezicht; het ruikt naar rubber, niet naar haar. In de keuken laat ik het in de afvalbak glijden, op de bovenlaag van opgekrulde aardappelschillen en dikke, vochtige theezakjes die zijn weggegooid nadat de essentie eraan was onttrokken. Ik vul de percolator en plaats hem op het fornuis. Het gas sist boosaardig. Wat een avond. Het was lang geleden dat we voor het laatst met de hele vriendengroep waren gaan stappen. Echt stappen: nachtwerk met een bas die doordringt tot in je onderbuik en een stroboscoop die je gedachten in stukken flitst. De meisjes hadden hun haar gekruld en droegen lipgloss. Wij hadden onze oude schoenen aan, waarvan het niet erg is als er bier overheen gaat, en hadden ons geschoren. Behalve Jim, die denkt dat hij er het beste uitziet met een lichte stoppel. Wat ziet Eva er goed uit, riep hij me toe boven de muziek uit. Dat je gewoon vrienden kan zijn met zon wijf, man. Ze danste met de andere meisjes, haar bewegingen los en ritmisch. Ik zie haar niet op die manier. Jim wreef over zijn stoppels. Knap. Zij mij ook niet. Dat is dan weer logisch. Hij stootte me lachend aan met zijn elleboog. Bier klotste vanuit zijn glas op mijn schoenen. De percolator pruttelt en de geur van verse koffie vult de keuken. Ik schenk twee kopjes vol, doe melk en suiker in de hare en ga terug naar de slaapkamer. Eva heeft zich op haar andere zij gedraaid. Haar gezicht is ontspannen, haast kinderlijk, in haar slaap. Als ik het kopje onder haar neus hou, wordt ze wakker. Ze glimlacht breed.

MEI 2012 | Nummer 4

29

Goeiemorgen. Ze gaat rechtop zitten en pakt haar kopje aan. Oeh, hoofdpijn. Haar neusvleugels trillen zacht als ze aan haar koffie ruikt. Een lok haar zit tegen haar slaap geplakt. Met mijn vingers haal ik hem los. Niet zo gek, na wat er gebeurd is. Ik pak haar hand en knijp er zachtjes in. Haar vingers liggen fragiel in mijn palm. Ze kijkt me aan, haar ogen groot en vragend. Ik dacht eerst dat ik gewoon te veel drankjes had gehad, maar dit was stukken erger dan dronken. Ik heb me nog nooit zo beroerd gevoeld. Er zat echt iets in. Van zon trieste gast die niet op een normale manier een meisje kan scoren. Ik schud mijn hoofd. Gelukkig kwamen we er op tijd achter en is het niet uit de hand gelopen. Ik ben wel heel blij dat je meteen terugging met me en dat ik bij je mocht logeren. Heb ik je avond heel erg verpest? Tuurlijk niet, ik ben er graag voor je. We zijn toch vrienden? We drinken onze koffie in stilte. Het T-shirt dat ze gisteravond van me leende staat haar goed. Haar borsten komen er precies zo in uit als ik me herinner dat ze aanvoelden onder mijn handen. Stevig. Warm. Zal ik nieuwe zetten? stelt ze voor. Ze pakt mijn kopje aan en stapt uit bed. Haar rode slipje spant over haar ronde billen. Natuurlijk kijk ik haar na als ze de kamer uitloopt. Dan nestel ik me aan haar kant van het bed en snuif haar geur diep op. In de keuken rommelt Eva met de kopjes en schroeft de percolator open. Het is even stil, dan hoor ik dat ze het zeefje met oude koffie leegtikt tegen de rand van de vuilnisbak. En keer, twee keer. Stilte. Tom? Haar stem klinkt schril. De koffie staat op de bovenste plank! roep ik terug. Ze verschijnt in de deuropening, haar ene arm voor haar borst gekruist, de andere uitgestrekt. Tussen haar duim- en wijsvinger bungelt het condoom. Donkerbruine koffie kleeft aan het melkachtige rubber. Wat is dit ? Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

30

Peter Cnops

Weekend aan zee


Ook nu weer heb ik me door Lisa laten meeslepen in haar nieuwe avontuur. Ze blokkeert mijn vermogen tot helder denken, keer op keer. Dat is al zolang we vriendinnen zijn. Op de toneelschool deed ze het ook al, mij een rol toekennen in iets wat leek op een stuk dat zij regisseerde. Zonder te vertellen waarover het ging en wie mijn personage was. Ik kan Lisa niets weigeren en dat weet ze. De boten aan de steigers schitteren in de ochtendzon. Mensen in zomerse kledij hijsen bagage aan boord, maken trossen los, trekken zeilen op, lachen en zwaaien naar elkaar. Het is druk in de jachthaven en de gelegenheidsschippers laveren traag naar de vaargeul richting open zee. De meeuwen geven krijsend commentaar op de activiteiten, wandelaars kijken toe. Door het open raam van mijn flat adem ik de zeelucht tot diep in mijn longen. Mijn leven is even vlak als het water in de vaargeul. Af en toe rimpels, soms golfjes. Mijn enige opwinding zijn haar avonturen: wat zij beleeft, beleef ik mee. Ik ben haar schaduw en haar spiegelbeeld. Je bent mijn beste vriendin, zegt Lisa, en ze bedwelmt me met haar omarming, ze streelt mijn wankele ego en ze voedt mijn fantasie met hapklare brokjes. En ik ga mee. Ben ik te volgzaam? Ik had het er op de toneelschool ook al moeilijk mee om leiding te nemen. Lisa niet, bij haar ging het vanzelf. Kwam dat door haar imponerende schoonheid, haar stralende energie, haar geestdrift? Mijn toewijding aan haar begon klein, zoals alles klein begint. Onschuldig, niets buitengewoons. Een boekbespreking maken of een tekstanalyse, een lastig vriendje opvangen, dat soort dingen. Vervelend soms, maar betrekkelijk ongevaarlijk. Maar het ging steeds verder. Niet opnemen als hij belt, zei ze vanochtend, in een strakke, witte broek, een topje met veel bloot, zonnebril op de wilde, blonde haren, bruisend, verlekkerd op het avontuur. Als hij er later naar vraagt, ben ik het hele weekend bij jou geweest, lachte ze. En we hebben gepraat, in de zon gelegen, lekker gegeten en gedronken. Zoals vriendinnen dat doen. Je hebt een cadeautje te

MEI 2012 | Nummer 4

31

goed, zei ze terwijl ze me omhelsde en ik knikte. Voor ik kon antwoorden, was er enkel nog haar parfum. Ik wandel elke dag twee keer drie kilometer, de hele vaargeul langs tot aan de zee. Ook vandaag, terwijl de jachten mij vergezellen, en ik zoek aan de pier een plek in de schaduw. Mijn witte huid verbrandt in de zon, een tere bloem, zegt Lisa. De letters die ik wil lezen, kronkelen als wormen over het papier. De tequila sunrise drapeert een waas over mijn wroeging. Het helpt nauwelijks. Scherpe randen ritsen de tule, een golf van weemoed knijpt mijn keel dicht. De zee is getooid met witte driehoeken. Lisa drinkt champagne, eet toast met kaviaar, lacht haar gastheer welwillend toe. Zo zie ik het, van hier uit, op het einde van de pier die als de boeg van een schip in zee steekt. Ik doe alsof, zij beleeft het echt. Ik zie mijn hele leven als een wrange komedie, alles gespeeld, niet echt. Waarom cultiveer ik dit zelfbedrog? Was ik al zo voor ik Lisa leerde kennen? Was het al gezaaid en deed Lisa het ontkiemen? Hield ik daarom al van haar na onze eerste ontmoeting? Zelfs met een zonnebril prikt het harde licht in mijn ogen, lichtgrijze, transparante ogen, zegt Lisa. Ogen die te veel zien wat er niet is en te weinig wat wel bestaat. Maar wat ik zie, is er wl. Bedrog, bijvoorbeeld, want waarom moet ik liegen tegen de man waarmee ze nu samenleeft? Waartoe dient die maskerade, dat vermoeiende spel van intriges en illusies? Jij zit vast in jezelf, zegt Lisa. Dat zeiden ze op de toneelschool ook al. Laat je gaan, laat je in hemelsnaam een keer gaan, riep de docent, radeloos met de armen in de lucht. Ik deed wat hij vroeg, maar het overtuigde hem niet. Hij zinspeelde op mijn seksleven en ik klapte dicht. Sloeg hard met de deuren en huilde onder de rozelaar in de tuin. Zij troostte me, met veel warmte en genegenheid, met overgave. Lisa deed alles met overgave. Zo was het ook begonnen. Ik volgde de toneelschool om zelfvertrouwen te krijgen, Lisa om zich uit te leven. Zij speelde altijd, min of meer. Een wervelwind van emoties die iedereen meezoog, waartegen niemand zich wilde verzetten, want met Lisa gebeurde er altijd iets. Lisa ws een gebeurtenis. Zelfs als ze niets deed, kon je haar niet negeren. Dat zij mij haar vriendin noemde, tilde mij uit boven de grijze middelmaat. Ik zou alles gedaan hebben om dat zo te houden. En dat deed ik ook.

MEI 2012 | Nummer 4

32

De uitbater van de bistro maakt een compliment over mijn witte, katoenen jurk. Hij charmeert me telkens ik hier kom. Hij is knap, rond de dertig, elegant, Italiaans type. Hij praat vlot, maakt grapjes, vleit me, flirt. Ik antwoord, lach vriendelijk. Ik weet dat hij me mee uit zal vragen. Ik zal beleefd weigeren. Hij zal aandringen, speels. Ik zal me niet gewonnen geven. Zo gemakkelijk gaat het niet. Het is druk op de dijk, veel dagjesmensen, joelende kinderen, groepen bejaarden, families, verliefde koppeltjes. De zee trekt me aan, om haar uitgestrektheid, de onechte begrenzing van de horizon, de suggestie van reizen en avontuur, het tijdelijke verblijf, alsof je op doorreis bent en zo weer kunt vertrekken. Ik wil dat gevoel behouden: op elk moment de koffers kunnen pakken en weggaan om nooit terug te keren. Dat zou ik heel graag doen, weggaan, voorgoed. Maar waarvan zou ik weggaan? De enige van wie ik weg zou willen, ben ik zelf. En dat kan niet in dit leven. Ik heb het geprobeerd: te zijn als Lisa. Even onbekommerd, zorgeloos als een kind, geen angst, geen vooroordelen, onbesuisd in het leven duiken. Maar aan de rand van de springplank knikten mijn knien, staarde het water me aan als een open muil om me gretig op te slokken. Lisa kapte mijn rode haar, kleurde mijn bleke gezicht met subtiele wolkjes en veegjes, trok de rand van mijn topje wat lager en sprenkelde een passend parfum. Lisa stelde me op feestjes voor aan de mooiste en leukste jongens. Ik danste, ik lachte en dronk, ik wilde Lisa niet teleurstellen. Met Fred liep het helemaal fout. Ik had het kunnen weten. Lisa had me gevraagd of ik hem wilde afhalen van de vlieghaven. Ze had iets met hem voor hij vertrok. Tien dagen zonder aanbidder was voor haar een kwelling. Ik moest hem dus opvangen. Fred was een mooie, aangename man, een beetje ernstig, geen danstype. In de auto naar huis keek hij tijdens het praten naar mijn blote dijen. Ik liet mijn gedachten los, voelde zijn handen op mijn lichaam en zweefde op een aangename roes. Hij vroeg me bij hem binnen, ik was nieuwsgierig, bewust van de erotiek. Ik had het Lisa zo vaak horen vertellen, het fascinerende spel van verleiden en verleid worden, de trage opbouw naar de zaligmakende climax. Hij zei nadien dat het hem speet, dat hij zijn zelfbeheersing had verloren en ik walgde. Hij wees me de badkamer. Ik fatsoeneerde mijn jurk met een veiligheidsspeld. Mijn gescheurde slipje stopte ik in mijn handtas. Ik spoelde de tranen van mijn gezicht, kamde mijn haar. Hij zat op het bed

MEI 2012 | Nummer 4

33

en rookte. Hij zei het nog eens: Sorry. Ik had niets te zeggen, trok de deur achter me dicht. Vervloekte mijn dwaze droom, de illusie te kunnen zijn zoals Lisa. Thuis stond ik een half uur onder de douche. De schaamte liet zich maar moeizaam wegspoelen. Lisa maakte zich kwaad, verweet me mijn lichtzinnigheid. Voor het eerst overwoog ik om met Lisa te breken. Ik was gebruikt en misbruikt. Ik, niet zij. Maar ik wist dat ik haar niets kon verwijten. Wie klimt, moet kunnen vallen. Op je bek gaan, zei onze spelcoach, dt moet je kunnen. Dan weer opstaan maakt je sterker. Ik begreep het maar half, toen. Nu had ik er de grootste moeite mee, met opstaan. De uitwerking van de tweede tequila sunrise maakt me loom, even log en warm als de voorjaarszon, deinend op de trage golfslag van een diffuus bewustzijn. De zeebries is te zacht om de sierlijke vlaggen voor het terras te laten wapperen. Een familie komt voorbij, likkend aan een ijsje, met roodverbrande neus. Twee jonge mannen in spannend T-shirt, strakke jeans, zonnebril, speuren naar vrouwelijk schoon. Ze merken mij op, kijken uitdagend in mijn richting. Ik neem ostentatief mijn boek. Ze zeggen iets tegen elkaar, lachen, scannen verder. Een mooie, jonge vrouw met een boek is geen dankbaar objectief. Ik schrik op door mijn zoemende mobiel. Lisa vraagt via sms of alles ok is. Ik stel haar gerust, kort en bondig. Meer verwacht ze niet. Meer wil ik niet geven. Waarom zou ik? Een opgetutte vrouw met hoogblond, opgestoken haar, grote, donkere zonnebril, diep gedecolleteerd, kort rokje, hoge hakken, trekt een poedel achter zich aan. Het hondje heeft een roze strikje om zijn staart en is zorgvuldig in model geschoren. In dit lachwekkende beeld herken ik plots mezelf, aan een lijn achter Lisa aan. Ik wil niet leven als een kopie van iemand die ik eigenlijk niet wil zijn. Ik wil mezelf herkennen als ik in de spiegel kijk. Ik duizel lichtjes van de drank, net niet te veel om me dronken te voelen, en net voldoende om van het verzachtende effect te genieten. Ik drentel naar de pier, pluk zinnen uit conversaties: prachtig weer, druk maar net niet t, heerlijk aan het water, alles goed met de kinderen? Ik loop tot aan het uiterste punt, waar het harder waait, mijn strohoed in de hand. Een zilverkleurig jacht rondt met bolle zeilen het havenhoofd, helt mee met de wind. Een vrouw viert de vuurrode spinaker, alsof een enorm insect de boot

MEI 2012 | Nummer 4

34

voorttrekt. De schipper zwaait naar de landrotten. Ik draai me om, de wind tilt mijn jurk frivool op. Een man met een klein meisje op de arm kijkt naar mijn borsten. Ik negeer zijn blik. Ik negeer mijn lusten. Het moet stoppen. Ik moet los, weg uit de schaduw, weg uit de spiegel. Ik wil niet kwijnend achterblijven, niet buiten dit leven staan. Als ik er geen deel van uitmaak, kan ik beter dood zijn. Aan het einde van de pier trek ik mijn schoenen uit en loop met blote voeten in het hete zand. De geur van de zee, van het zand, van mijn huid waarop de zon brandt, vermengt zich met flarden herinnering. Ik slenter tot aan de vloedlijn, het koele water doet mijn huid tintelen, ik druk met een hand mijn hoed op het hoofd, met de ander houd ik mijn jurk samen en stap in het water. Als ik het voel klotsen halfweg mijn dijen, moet ik de neiging om door te gaan onderdrukken. Hoe heerlijk zou het zijn om door het koude water te worden omsloten en dan zacht meegevoerd te worden naar de diepte? Ik keer terug, leg me neer waar het zand droog is, sluit de ogen, luister naar het ruisen, de meeuwen, de mensen, de wind en daarachter, net hoorbaar, mijn adem. Waarom hoor ik mezelf nauwelijks? Waarom sta ik op de laatste rij? Waarom laat ik Lisa in alles voorgaan? Kan je niet van iemand houden zonder jezelf te verloochenen? Waar is al die bescheidenheid goed voor? De man aan de ijskraam op de dijk lijkt iets ouder dan ik. Behendig schept hij ijs op wafels en in hoorntjes, zonder de verveelde uitdrukking van de vermoeide middenstander. Werkstudent? vraag ik. Hij knikt. Net afgestudeerd, als ingenieur. Eerst een vakantiejob, dan enkele weken genieten voor het echte werken begint. Goed plan, zeg ik. Hij lacht, open en ongekunsteld. Je hebt de handen vol, ga ik verder. Liever zo, zegt hij, een ijsje? Ik knik, hij schept gul. Mooie hoed, zegt hij, staat je goed. Sta je hier morgen ook? vraag ik. Elke dag, tot het einde van de maand. Tot morgen, zeg ik. Ik kijk naar je uit, antwoordt hij. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

35

De Heer Bill

Batser met biceps


Duizenden joelende mensen. Ik hoor nog net het gepiep onder mijn gympen wanneer ik mijn voeten op schouderhoogte plaats. Ik concentreer me op de groene vloer vol lijnen waarvan ik niet weet tot welke sport ze behoren. Ik, ik, ik en even niemand anders. Krachtig kom ik overeind. Al mijn spieren op volle spanning. Ik kijk naar mezelf, hoe ik een geweldige show opvoer. Biceps, triceps, vastus, gluteus. Mijn spieren staan zo strak dat de blauwe aderen bijna door de gebronsde huid heen snijden. Spontaan gaat er een wave door de tot stadion geworden gymzaal. Iedereen doet mee. Bijna iedereen. De door mij vermoorde glimlach van mijn vrouw straalt me toe. De belichaming van liefde en trots zwaait me toe. Deftige mannen begeleiden me naar de hoogste tree van het podium. Mijn vrouw verdwijnt uit zicht. Zoenen van een Miss op beide wangen. Haar lippen voelen scherp en vinden nu mijn hele lijf. Pikkende lippen. Roekoe! Martin Luther King had een tekstschrijver. Ik had een droom. Een droom zonder einde. Een einde gepikt door een hongerige duif. Een duif oud en grijs en ogen zwart als de pyjama van de dood. Doodstil zit ik, bang dat de minste beweging de complete onaffe droom zal vervagen. Wegvagen. Duif, die net nog de kruimels en het vel van mijn lijf pikte, wijkt niet van mijn zijde. Een Gier in vermomming. Ondanks zijn knikkende kop blijven zijn ogen strak op me gericht staan. Het is alsof hij mijn gedachten leest en ze wil afnemen. Hoe strakker zijn blik, hoe stiller ik zit. Mijn ademhaling vlak. Niets doen, dat moet me lukken. Ik doe al jaren niets anders. Het is de reden dat ik hier zit, hier woon, mijn vrouw me het huis heeft uitgeschopt en de reden dat ik geen baan heb kunnen vinden voordat het geld om mijn hotelkamer te betalen op was, de reden dat ik zwerf en zonder vrienden ben. Ik houd de droom krampachtig vast. Mijn nieuwe thuis is nat en koud en drukt in mijn rug, maar toch, beter dan deze bank in het park wordt het voorlopig niet. Ik graai in de plastic boodschappentas naast me die alles in zich heeft wat ik nog bezit (veertien stukken gele hotelzeep in chemisch vanille, twee badhanddoeken, wat tijdschriften uit de hotellobby, zon vijf gram wiet, lange vloei, een trui en een

MEI 2012 | Nummer 4

36

shirt en twee blikken euroshopperbier) en haal er een tijdschrift uit. Zorgvuldig scheur ik een strip af van wat er nog over is van de cover van Mens Health. Ik bouw er een tip van, brokkel, verdeel, draai, lik, ontvlam, zuig aan de tepel van een gespierde mannenborst en inhaleer. Mijn voeten drummen tegen mijn kartonnen bedeldoos. Het doffe geluid van mijn inkomen klinkt. Voor op de doos staat in dikke zwarte letters GEELZUCHT. Ik schuif hem naar me toe en kijk wat de opbrengst is. De inhoud: twee euro en een papiertje dat er niet door mij is ingestopt. De score: min vijf euro. Bestolen. Alweer. Dat beest nadert, werkt me op mijn zenuwen. Dat is wat mijn vrouw ook vaak tegen me zei, dat het enige werk dat ik verrichtte, op haar zenuwen was. Ze verweet me dat ik nooit beslissingen nam en al jaren ronddwaalde op de rotonde van mijn leven, alsmaar rondjes rijdend, te bang om af te slaan. Ik sluit mijn ogen en neem een flinke trek van mijn bats. Er was een tijd dat blowen me kon laten giechelen als een klein meisje en hunkeren naar frikandellen met discodip. Nu legt het nog slechts mijn gevoelens plat en maakt het tijdelijk een eind aan het geratel van mijn gedachten. Ik open mijn ogen en blaas uit. Duif staart me in de groeiende pupillen. Zijn blik, of haar blik, ik weet niet hoe je dat ziet bij een duif, staat onveranderd. Mens Health vliegt vanuit mijn gebalde vuist richting zijn kop en mist op een veer na. Het model op de cover en Duif kijken elkaar aan. Duif kijkt van de musculus pectoralis major naar mij, naar de musculus tibialis anterior en weer naar mij en dan naar het stuk papier in de geelzuchtcollectedoos. Een flinke, flinke trek. THC licht de tekst Doe wat met je leven op van het stuk papier. Doe wat met je leven, het klinkt stom maar daar had ik niet aan gedacht, dat heb ik nooit overwogen. Dit papiertje, wauw, dit papiertje is een teken, net als het blad vol spierballen dat is, net als mijn droom. Een lelijke duif als boodschapper. Heftig. De ommekeer. Zoiets. De batser met biceps. Zoiets. Ik weet het, ik kan er beter helemaal mee stoppen. Dit is mijn laatste en ik rook hem op tot ik niets dan papieren tepel proef. Ik zal de rotonde verlaten. De wereld zal me bewonderen. Mijn vrouw zal me terug willen en ik zal haar gelukkig maken. Simpel. Nu nog even mijn eigen fitnessruimte creren. De snackbarhouder kijkt me wantrouwig aan maar geeft me uiteindelijk vier emmers met oud frituurvet mee. Multi-inzetbaar. De barman van De Bok geeft me een vijftig liter fust mee waar de datum 24-2-93 op staat. Alcoholvrij, drinkt geen mens, maar geweldig bij het squaten. Na enig wrikken vind ik wat losse stenen in een voortuin die ik kan gebruiken bij het

MEI 2012 | Nummer 4

37

opbouwen van een bankdrukbank. Trainen. De eerste keer voel ik me belachelijk. Mijn gezicht loopt rood aan nog voor ik kracht op de ijzeren staaf boven mijn gezicht uitoefen. De emmers met oud vet hangen bewegingloos naast mijn hoofd en toch ben ik de controle over mijn ademhaling al volledig kwijt. Mijn gedachten gaan van vijf gram wiet naar de trotse lach van mijn vrouw. Wiet binnen handbereik. Mijn vrouw sterrenstelsels ver. Ik denk aan hoe ik naar haar keek, naast me in bed. Haar gezicht bedekt met schaduw. Haar wimpers steken af tegen de heldere hemel, reikend naar de sterren. Een diepe teug lucht en een zucht. De emmers stijgen en bungelen nu naast mijn gezicht. Mijn spieren schreeuwen om hulp. Dit voelt goed. Au. Er is het geluid van geld dat landt op karton. Er is het geluid van geld op geld. Het geluid van waardering. Trainen, trainen, trainen. De eerste verandering is vooral zichtbaar op de gezichten van de mensen die langslopen; ze kijken niet meer weg, glimlachen af en toe en groeten soms zelf schaamteloos. De tweede verandering bolt op wanneer ik mijn arm buig. Ik heb een fan. Een lelijke, dat wel. Zijn ogen staan een vuist wijd uit elkaar. Zijn schedel is bedekt met glimmende stekels, hard genoeg om een egel op de vlucht te laten slaan. Zijn glimlach is zo breed als zijn gezicht. Het is niet correct om hem mongool noemen. Ik noem hem Bob. Bob, wil je ook proberen? Zijn glimlach snijdt zijn hoofd in tween. MJAA, JA! De woorden schieten eruit alsof ze al tijden op volle kracht tegen de binnenkant van zijn lippen duwden. Denk aan je ademhaling, Bob. Bob knikt alsof hij het begrijpt. Ik betwijfel het. Drukken Bob, drukken. Bob drukt, veertig liter frituurvet. Zijn gezicht loopt paars aan. Hij denkt niet aan zijn ademhaling maar flikt het toch maar even. Als het grauw weer in zijn gezicht is teruggekeerd roept hij: IK, STERK! Voor het eerst sinds tijden verschijnt er weer een glimlach op mijn gezicht die spontaan is. Vanaf nu is Bob mijn vaste trainingsmaat. Zwaar irritant is het als je al maanden keihard traint, je rekening houdt bij welke eettent je uit de vuilnisbak eet en je trainingsmaat dan naar je buik wijst en toetert: BABY! Gelukkig heeft een voorbijganger in een eng strakke broek me het geheim verteld: Hardlopen, de beste manier om vet te verbranden. Elke dag doe ik nu mijn rondje. Bob gaat niet mee, die rent als een peuter met een volle luier. NIE ZO SNELL!

MEI 2012 | Nummer 4

38

Van het geld dat mensen in mijn voormalige kreupeldoos storten ben ik toiletartikelen gaan kopen en wat extra kleren. Eindelijk niet meer aan de brokkelige gele hotelzeep. Vanille ruikt voor mij ondertussen net zo aantrekkelijk als gedoneerde maaginhoud brandend in de scherpe zomerzon. Ik moet wel uitkijken dat ik er niet te verzorgd uit ga zien. Mensen hebben het niet zo op zwervers maar hebben een grondige hekel aan mensen die zich als zwervers voordoen. Dat is mijn theorie in ieder geval. Van het kleingeld dat overblijft koop ik sportdrank voor Bob en mij. Na iedere training geef ik hem een flesje met die chemische, lichtgevende rommel en telkens begint zijn gezicht weer te stralen. Ik voed me op zijn enthousiasme. Denk niet dat ik anders zo ver was gekomen. De hardloper had gelijk, ik kijk naar mijn buik en zie blokjes. Ik prik mijn vinger erin en proef bijna de biefstuk, medium-well done, die mijn vrouw regelmatig voor me bakte. Wanneer je vergeet dat je benen aan het werk zijn en je gedachten afdwalen dan weet je dat het goed gaat. In mijn gedachten ben ik al vele malen Mister Universe geweest. In mijn gedachten heb ik mijn overwinningsspeech al uitgesproken. In mijn gedachten heeft mijn vrouw zich alweer in mijn armen gestort. In mijn gedachten komt Bob bij ons op de koffie en roept: LEKKERR! als ik vraag of hij er een koekje bij wil. Hoe positiever de gedachten, des te sneller mijn benen onder me bewegen. Het is een pamflet waar mijn oog op valt dat me dit keer uit mijn gedachten rukt en terug op aarde plaatst. ZONDAG 12-4: MISTER BOKKUM VERKIEZING Een half jaar geleden, ongeveer natuurlijk, droomde ik een aangezette versie van de werkelijkheid waarin ik me nu begeef. De groene vloer met al zijn lijnen waarover Bob en ik lopen lijkt een kopie. Misschien zien al die vloeren er hetzelfde uit. Misschien ben ik slecht in het onderscheid maken tussen verschillende vloeren. Zeker is dat ik vroeger al slecht was in spelletjes als zoek de tien verschillen. Zeker is dat ik nogal begin te zwetsen tegen mezelf wanneer ik zenuwachtig ben. Bob lijkt mijn mentale toestand aan te voelen, geeft me een schouderklop en schreeuwt me een nietszeggend maar geruststellend MJAA! toe. Ik beantwoord het met een schouderklop. Al vrij snel nadat ik het pamflet dat de Mister Bokkum-Verkiezing aankondigde gelezen had besloot ik het idee om Mister Universe te worden los te laten. Ik weet niet eens waar het gehouden wordt, of er misschien voorverkiezingen zijn, is er een Mister Bond waar ik me bij aan moet sluiten? Ne-

MEI 2012 | Nummer 4

39

men ze wel zwervers aan? Kortom, klote maar waar, kansloos. Heftig, maar ik zie dit toch als de ideale reservedroom. In tegenstelling tot in die droom zijn er geen tribunes opgetrokken tot aan het plafond. Deze zijn vervangen door lage houten bankjes die ik nog wel ken uit mijn gymtijd. Bankjes waar ik altijd net zo lang op zat tot iemand met tegenzin zei: Ok, ik kies jou... Er zitten ook geen duizenden mensen klaar om mijn naam te scanderen en de wave in te zetten. Het maakt niet uit, zij is er, met lach. Ze moet al die maanden geweten hebben waarmee ik bezig was. Ze pijnigt haar kont op een houten bank. Waarom? Voor mij, de nieuwe mij. Ze komt kijken of ik veranderd ben, of ik in staat ben iets te bereiken. Die lach betekent: Jij hoogste tree, jij mee naar huis. Mijn lippen kunnen niet wachten op dat moment en planten zich ongeduldig op Bob zijn wang. HEEJJ! Met wilde armzwaaien, alsof er een zwerm bijen op zijn gezicht geland is, veegt hij zijn gezicht schoon. Er is een probleem. Ik zie er fantastisch uit. Het probleem is dat de zaal zich gevuld heeft met mannen die eruitzien alsof ze gefotoshopt zijn. Wanneer ik een strakke broek draag kan ik de plooien rond het gebied van de bovenbenen gladstrijken door mijn benen aan te spannen. Zij hebben benen zo breed dat ze geen normale broek meer aan kunnen. Ik zie ze al lopen door de supermarkt, geolied en wel, in niets anders dan hun rode en paarse strings, poses aannemend bij elk product dat ze uit de schappen pakken. Bob moet gelijke beelden hebben, want hij grijnst onophoudelijk. Net als ik wil vragen waar hij aan denkt ontstaat er rumoer; geschuifel, gefluister, flesjes olie vallen op de grond, deelnemers vallen op de grond, er wordt gerend, deuren slaan open, lijven zo volgepompt dat ze alleen nog waggelend op de vlucht kunnen slaan bewegen zich naar buiten, de zon stormt naar binnen en doet de geoliede vloer glinsteren. De hal is nu zo leeg dat de fluister dopingcontrole luid echoot. Mijn voet glijdt weg, de vloed glibberig van angst en olie. Een man met een klembord en een naamplaatje waarschuwt: Pas op! en voegt eraan toe dat ik, hup hup, over vijftien minuten op moet en daarna onmiddellijk met het mannetje van de doping mee moet voor een plasje en een spuitje. Tegen Bob zegt hij dat hij de tweede en laatste kandidaat is, dat hij zich, hopla, lekker moet gaan insmeren en gezellig met hetzelfde mannetje mee mag als hij klaar is. Ik geef Bob een trillende en bezwete hand. Hij is mijn enige tegenstander. Vijftig procent kans om te winnen en een herstart te maken met mijn leven. Vijftig procent kans te verliezen en mijn laatste overgebleven droom verloren zien gaan. Heftig. Zenuwachtig knisper ik het zakje wiet tussen mijn vingers dat ik mee heb voor troost of om de overwinning mee te vieren.

MEI 2012 | Nummer 4

40

Op, dat moet ik. De gele sportbroek die ik voor de gelegenheid gekocht heb staat me, geloof ik. De man met het klembord geeft me een knikje. Muziek start, Eye of the Tiger, originaliteitsprijs kan ik nu al vergeten. Ik span mijn hele lichaam aan, draai het rond, zwier mijn armen. Van pose kramp ik naar pose naar pose. Alles staat op scheuren, ook mijn glimlach. Just a man and his will to survive. The eye of the tiger Buiging. Applaus blijft uit. Dopingman neemt me aan de arm mee richting het toilet. Ik gebaar hem rustig aan te doen. Alles doet zeer. Elke spier is twee centimeter ingekort en achter mijn ogen bonkt het: Was dit genoeg? Is dit de ommekeer? Wil ze me terug? Tussen deze twee lijntjes. Lukt dat denkt u? Ja, fluister ik terwijl ik de zaal in tuur. Bob is goed, heel goed. Hij zal zo naar me toekomen voor zijn drankje. Zenuwachtig speel ik met het zakje wiet in mijn broekzak. Ik draai een paar keer rond over de rotonde en besluit af te slaan. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

41

Jantina Eppinga

Terug naar de realiteit


Ik lig op mijn bed en staar naar de knuffels die aan het voeteneind liggen. Een groen konijn staart terug naar mij. Wat zit je te kijken? zeg ik gerriteerd. Het konijn blijft stocijns naar mij kijken; met een harde trap schop ik de knuffel op de grond. Ik voel me onrustig. Ik heb zin in avontuur, weg uit deze benauwende omgeving, maar de enige avonturen die ik beleef spelen zich af in de filmzaal van mijn hoofd. Ik sta op en loop naar de platenspeler op mijn bureautje. Ik duw de naald naar beneden en de rauwe gitaarklanken van Fleetwood Mac vullen mijn slaapkamer. I cant help about the shape Im in. I cant sing, I aintt pretty and my legs are thin. But dont ask me what I think of you, I might not give the answer that you want me to. Oh well. Op de hoes van de plaat staat een tekening van een naakte gespierde man op een wit paard. Ik kijk er aandachtig naar. Ik fantaseer dat ik in een paradijs sta met gekleurde bloemen en een grote appelboom met vuurrode appels. Even denk ik zelfs dat ik een slang zie. In de verte zie ik een stofwolk opwaaien, een witte schim rent mijn kant op. Ik merk nu pas dat ik op een reuzenschildpad zit, hij brengt mij verder, maar we gaan zo langzaam als een slak. Er zit een naakte man op dat paard. Wat? Er zit een naakte man op dat paard, zegt de schildpad nog een keer, maar nu iets langzamer. Ik knijp mijn ogen samen om goed te kunnen kijken in de felle zon want mijn fantasie heeft geen zonnebril voor mij klaargelegd. De stofwolk verandert in een herkenbaar plaatje, het is inderdaad een wit paard met daarop een naakte man. Hij komt steeds dichterbij en dichterbij. Mijn hart begint harder te werken en mijn handen voelen als twee bakstenen. Het paard mindert vaart en stopt bij mij en de schildpad. Een korte stilte doet het paradijs tot zijn recht komen. Waarom reis jij hier op een schildpad? vraagt de man.

MEI 2012 | Nummer 4

43

Eh dat weet ik niet. Ik probeer naar zijn hoofd te kijken maar mijn ogen worden onbedwingbaar naar zijn gespierde lichaam getrokken. Kom op, spring achterop! Hij wijst naar de lege plek achter hem. Ik zwijg. Waarom ben ik altijd zon mietje? Ik moet dat doorbreken. Spring achter op dat paard spring achter op dat paard spring achter op dat paard Er klinkt een mantra in mijn hoofd. Het werkt, ik loop met grote stappen naar het paard en klim achterop. Waar gaan we naartoe? vraag ik terwijl ik naar de zweetdruppels op zijn rug kijk. We gaan naar de realiteit, zegt hij. Maar hoe kunnen we naar de realiteit gaan? Ik bedoel hoe kunnen wij samen naar de realiteit gaan als de realiteit slechts voor n persoon echt kan zijn? Als jij wilt dat onze realiteit dezelfde is, dan is dat zo. Dat is jouw realiteit, zegt hij. Ik snap niet precies wat hij bedoelt, maar het klinkt aannemelijk. Kom op, we gaan, ik heb niet je hele fantasie de tijd! Hij spoort het paard aan, het beest hinnikt een paar keer en galoppeert richting de laagstaande zon. Ik sla mijn armen om de buik van de man en voel zijn spieren tegen mijn handpalmen drukken. Ik voel me groots met deze man, groter dan ik me ooit heb gevoeld. Ik schrik op van een rinkelende telefoon. Ik leg de platenhoes op mijn bureau, de man op het paard kijkt zoekend achterom. Ik loop naar de gang waar de telefoon hangt. Het zwart-wit geblokte zeil voelt lekker koel onder mijn blote voeten. Hallo, zeg ik. Hallo, met David, zegt zijn stem. O hallo. Hoi. Heb je zin om naar de steiger te gaan? Even zwemmen? vraagt David. Goed, zeg ik, ik ben er over tien minuten. Ok, tot straks. Klik. Tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut, tuut. Het geluid van de monotone ophangtoon maakt mij zenuwachtig. Ik ga David zien, vanmiddag, over tien minuten. Snel leg ik de hoorn op de haak en trek mijn zwemkleding aan. David is er al. Hij zit op de steiger in een blauwe zwembroek.

MEI 2012 | Nummer 4

44

Het water is heerlijk! schreeuwt hij. Zijn haar zit leuk. Ik denk dat hij er geen gel in heeft gedaan, maar dat wilde staat hem juist goed. David staat op, neemt een aanloop en plonst in het water. De opspattende druppels lijken net glitters door de felle zon. Kom op, springen! schreeuwt David. Zijn stem slaat over bij de eerste lettergreep van springen. Ik neem een aanloop en spring in het meer. Mijn lichaam wordt opgeslokt door het verkoelende water. Ik doe mijn ogen open, het water is troebel maar ik kan de benen van David zien. Ik zwem naar hem toe, grijp met mijn hand het linkerbeen van David en trek hem naar beneden. Als ik boven water kom prikken mijn ogen alsof er shampoo in zit. David is ook weer boven water, hij lacht en maakt met zijn handen spastische bewegingen om mij nat te spatten. Ik zwem naar de overkant en klim op de wal, het gras voelt lekker zacht aan mijn voeten. Ik ga liggen op een plek waar niet veel madeliefjes bloeien. De felle zon is heerlijk na dat koele water. Boven mijn hoofd vliegt een mug nerveus heen en weer. Als er andere mugjes bij hem in de buurt komen jaagt hij ze weg alsof hij de enige is die boven mijn lichaam mag vliegen. Een paar druppeltjes vallen op mijn benen, David is uit het water gekomen en gaat naast mij liggen. Ik kijk stiekem naar hem en zie dat hij zijn ogen dicht heeft. Zijn gezicht is veranderd de laatste maanden, stoer en volwassen geworden. Vroeger plaagde ik hem met het kuiltje in zijn kin, maar nu vind ik het juist mannelijk staan. David opent zijn ogen en draait zijn hoofd naar mij. Ik schrik. Zit je naar mij te kijken? Ja, dat mag toch wel? zeg ik zachtjes. David zegt niets en sluit zijn ogen weer. Ik doe hetzelfde en kijk naar de kleuren die verschijnen voor mijn oogleden. Rood en zwart met felle bewegende discolampjes. In de verte hoor ik een meerkoet. Dan voel ik iets zachts op mijn lippen, ik open mijn ogen en kijk recht in het gezicht van David. Zijn mond zit op mijn mond. Hij zoent mij en legt zijn hand op mijn buik. Ik doe mijn ogen weer dicht en de kleuren achter mijn ogen veranderen in siervuurwerk. Rood, groen, blauw, geel, een explosie aan schitterende kleuren.

MEI 2012 | Nummer 4

45

Plotseling verkrampt mijn lichaam, het siervuurwerk verdwijnt onmiddellijk achter gitzwarte wolken. Een gevoel van paniek stijgt op naar mijn hoofd. Stel dat iemand ons ziet zoenen? Ik duw David van me af en spring in het water. Met al mijn kracht maak ik de zwembeweging die David en ik ooit hebben geleerd toen we samen naar zwemles gingen. Beelden schieten door mijn hoofd, van vroeger, hoe we altijd samen waren, twee handen op n buik. Snel klim ik op de steiger, een scherpe pijn dringt door in mijn knie. Ik kijk achterom. David staat nog aan de overkant. Johan, wacht! Davids stem galmt geschrokken over het meer. Maar ik wacht niet. Ik ren weg, zo hard als ik kan. Meepraten over dit werk

MEI 2012 | Nummer 4

46

Over de auteurs
De Heer Bill (1978) Liefhebber, schrijver van curieuze fictie met een hekel aan omdat het zo hoort en een voorkeur voor onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk. Eerste roman Alles komt goed, soms te downloaden op www.deheerbill.blogspot.com. Tweede (e)boek volgt binnenkort. Peter Cnops (Antwerpen, 1953) debuteerde enkele jaren geleden als toneelauteur. Hij schreef zowel eenakters als volavondstukken, waarvan er verscheidene met succes zijn opgevoerd. Hij regisseert ook regelmatig voor het theater en is actief als schrijfcoach voor theaterauteurs. Recent debuteerde hij met korte verhalen. Peter werkt nu aan zijn eerste roman. Jantina Eppinga (1984) werd geboren in Sneek. Sinds 2009 woont zij in Groningen. Na omzwervingen op sociale studies studeert zij nu journalistiek en wil zich specialiseren in creatief schrijven. Ze schrijft gedichten en (Engelse) songteksten. Sinds een jaar richt zij zich meer op het schrijven van verhalen. Derk Fangman werd op 1 april 1986 geboren te Amsterdam. Na een jaar verhuisde hij met zijn ouders naar Oegstgeest, waar Marten Toonder de nieuwe overbuurman werd. Later woonde Derk in Bussum en vervolgens in Groningen. Al toen hij een klein jongetje was hield hij van lezen. Dat bleef zo. Schrijven deed hij bij vlagen. In 2007 werd hij door Wuacademia genomineerd voor de beste talentdichter van Nederland. Hij won niet. Ook De Gelderlander plaatste ooit een gedicht uit zijn pen. In 2012 deed Derk mee aan een schrijfwedstrijd van de universiteitskrant van de RUG. Zijn verhaal werd tot de beste tien verkozen. Uitgeverij Passage publiceerde de verhalen in een bundel. Pauline Genee (1968) studeerde Frans en Russisch, werkte onder meer bij Buitenlandse Zaken en studeert momenteel proza aan de Schrijversvakschool.

MEI 2012 | Nummer 4

47

Marcel de Laat, geboren in 1985 te Goirle, schrijft al sinds hij een pen kan vasthouden. Van zijn hand verschenen eerder toen nog onder het pseudoniem/anagram Alec Madeltar diverse weblogs. Op een dag hoopt hij een echt boek te schrijven. Tijdens werkuren is hij milieujurist. Linda Mulders (1984) schrijft verhalen voor jongeren en volwassenen. In 2001 debuteerde ze met haar jeugdboek Julian, Mijn Broer en sindsdien publiceert ze korte verhalen in tijdschriften, kranten en bundels. Op dit moment legt ze de laatste hand aan een literaire roman. Linda volgde een schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Zie ook: www.lindamulders.nl Roelof ten Napel (1993) schrijft proza, pozie en muziek, won in 2012 Kunstbende Taal, werd eerder tweede in een Write Now! voorronde, studeert wiskunde, aquarelleert, plaatst af en toe iets op inktinstinct.tumblr.com en houdt van chocolademelk en -milkshakes. Jolanda Oudijk (1976) schrijft o.a. gedichten, verhalen en (Engelstalige) liedjes. In 2009 verscheen het kinderboek Het Geheim van de Haspelnap, dat ze samen met Annette Verspoor en Karin Horst schreef. In 2011 won ze de eerste prijs van de verhalenwedstrijd van Amersfoort over Amersfoort met het verhaal Zelfbeeld in Bladspiegels. Sophie Velthuizen is student Nederlandse Taal en Cultuur en schrijft graag. In gedichten en korte verhalen merkt ze de wonderlijke en paradoxale aspecten van het leven op die door veel mensen als clichs worden afgedaan. In 2007 won ze de tweede prijs bij de H.J. Schepsprijsvraag met een kort verhaal.

MEI 2012 | Nummer 4

48

Literairwerk.nl werkt!
Reacties van schrijvers op commentaar op literairwerk.nl: Ik blijf nog wel denken hoe het verder te verbeteren. Leuk om te merken hoe feedback werkt. (Hadeke) Bedankt voor je kritiek (). Ik wil graag groeien en zonder kritiek wordt dat lastig. (Jantina Epje) @literairwerk: dank aan iedereen voor het mogelijk maken van zowel mijn winst bij doe maardicht maar als 2de prijs write now amsterdam! (David Bogaers, via twitter) Genoten van dit nummer? Help Literairwerk.nl dan de kosten van site en e-tijdschrift te blijven dragen. Donaties zijn van harte welkom en kunnen worden overgemaakt op: Triodos-bankrekening 390479594 ten name van Stichting [werk] te Amsterdam onder vermelding van donatie. Onder de donateurs verloten wij een gesigneerd exemplaar van Egidius Donker ra-ra boem-boem van David Veldman. (actie loopt tot 1 juli 2012).
*literairwerk.nl heeft geen winstoogmerk en draait volledig op vrijwilligers*

Colofon
Literair e-tijdschrift [werk] is een uitgave van Stichting [werk]. Redactieadres Bloys van Treslongstraat 44hs, 1056 XC Amsterdam; info@literairwerk.nl Literair e-tijdschrift [werk] verschijnt uitsluitend digitaal als ePub en PDF en is te downloaden via Literairwerk.nl. samenstelling: Stichting [werk] op de afzonderlijke verhalen en gedichten berust bij de auteurs Redactie Stefan Bijnen, Philomene Dewaide, Mechteld Jansen, Helen Jochems, Andries Wijnker Vormgeving en opmaak Pascal Maramis Vormgeving cover Stefan Bijnen De redactie heeft geprobeerd alle rechthebbenden op gebruikt beeld te achterhalen. Als u beeldmateriaal herkent waarvan u (mede)rechthebbende bent terwijl u niet als rechthebbende wordt genoemd, kunt u contact opnemen met Stichting [werk]. Kopij Korte literaire verhalen (max 12.000 woorden) en gedichten kunt u uploaden op www.literairwerk.nl of mailen aan info@literairwerk.nl. Literaire beeldverhalen kunt u nog niet uploaden, maar mailen als pdf of gif naar stefan@literairwerk.nl. Deadline nummer 5: 1 augustus 2012 ISSN: 2211-3622
MEI 2012 | Nummer 4 50

Centres d'intérêt liés