Vous êtes sur la page 1sur 11

N* A* O* S

L E Z I N G

BLOEM
S T U K

&

BAKKES

WIJKPLAATS VOOR ANDERMANS OBSESSIES

ENIG BLOEMLEZER

: DE NAAMLOZE ACHTER ONS

141

NUMMER

12

kunnen veroorzaken. Om dit onderzoek een wetenschappelijk statuut te verlenen, moet het sine ira et studio gebeuren: men moet geen voorafgaande vooroordelen hebben betreffende het al dan niet positieve of negatieve karakter van nationalisme en identiteit of voor het al dan niet voortbestaan van bepaalde staten. Etienne Vermeersch was in 2012 de zomergast op de rando-lo, een wandel- en losoeweek in de Provence, jaarlijks georganiseerd door Leaudelure in de vallei van de Jabron. De Naamloze Achter Ons was erbij! - 1.1. Heimatgevoel Zoals Aristoteles het al ten dele formuleerde, is de mens van nature uit een sociaal en cultureel wezen. Van geboorte tot dood kan hij zich slechts met de hulp van zijn medemensen in stand houden, en dankzij hen kan hij een culturele ontwikkeling verwerven. Maar ook om een beeld van zichzelf te krijgen, om een identiteit te vinden, moet hij zich als lid van een groep situeren En hoewel alle mensen biologisch gezien grosso modo gelijk zijn - zogenaamd raciale kenmerken spelen geen echt relevante rol - blijkt het moeilijk om zich in een eerste benadering als een lid van die totale mensheid te ervaren. Vermoedelijk heeft dat te maken met het feit dat we, doorheen onze persoonlijke ontwikkeling, slechts met een beperkt aantal mensen echte face-to-facecontacten hebben. En ook de cultuurelementen die we ons eigen maken, zijn die van een groep en kunnen dus als zodanig niet naar de gehele mensheid verwijzen. Verder hebben we van kindsbeen af

De Belgische staatshervorming
Etienne Vermeersch

- 1. Identiteit Om een dieper inzicht te krijgen in de problemen waarmee Belgi momenteel wordt geconfronteerd, en die tot een splitsing zouden kunnen leiden, is het nuttig een theoretisch onderzoek te doen naar de factoren die natievorming en nationalisme benvloeden en dus eventueel ook de teloorgang ervan

een sterke neiging tot het exploreren van de directe omgeving, zowel de natuurlijke als de door mensen omvormde. Die zoektocht, die ons van de ene naar de andere ontdekking brengt, leidt veelal tot een bijzondere band met de eigen stad of streek. Die binding met de mensen, de taal, het natuurlijke en culturele milieu van onze jeugd kan men het best als heimatgevoel omschrijven. Sommigen beschouwen dat als een uitvinding van de romantiek, maar in de antieke teksten vinden we al het thema van heimwee naar de geboortegrond: zowel Daedalus bij Ovidius als Meliboeus bij Vergilius leden eronder. Verder ontstaan vanaf de elfde eeuw ook in WestEuropa allerlei uitingen van de gehechtheid aan eigen land en volk. Denk aan de mooie formule suavis Suevorum Suevia (lieijk Zwabenland van de Zwaben) en aan de beschrijving van de dood van de held in het Chanson de Roland: de plusors choses a remembrer li prist... de dolce France... e des Franceis dont il est si cheriz (aan vele dingen kwam bij hem de herinnering op... aan het lieijke Frankrijk... en aan de Fransen door wie hij zo werd bemind). We kennen uiteraard ook du Bellay (Heureux qui comme Ulysse...): Plus me plat le sjour quont bti mes aeux, Que des palais Romains le front audacieux, Plus que le marbre dur me plat lardoise ne: Plus mon Loir gaulois, que le Tibre latin, Plus mon petit Lir, que le mont Palatin, Et plus que lair marin la doulceur

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

angevine (ca 1550). 1 Maar bij ons was er al vroeger De laude Flandriae (Lof van Vlaanderen) van Petrus Pictor, even voor 1100. Het gedicht begint met het volgende vers: Flandria dulce solum, super omnes terra beata (Vlaanderen lieijke grond, land boven alle andere zalig) en zoals verder zal blijken, eindigt het met een verwijzing naar de bewoners. Er is niets mis met dat heimatgevoel, die afniteit met de mensen en het land waar men geboren en getogen is en er zit ook een positieve waarde in de drang tot identicatie met een groep: de neiging om zich n te voelen met andere mensen; het zich engageren voor een gemeenschap en het besef dat men op die groep rekenen kan. - 1.2. Bredere identiteit In de recente discussies wordt de term identiteit in een iets bredere betekenis gebruikt, waarbij de vraag vaak opkomt of iets als een identiteit wel bestaat. Identiek zijn betekent dezelfde of hetzelfde zijn. In die betekenis is iedereen alleen identiek met zichzelf. Eeneiige tweelingen kunnen bij de geboorte enigszins identiek zijn, maar na enkele dagen hebben ze uiteenlopende belevingen en groeien ze uit elkaar. Praktisch gezien gebruikt men het woord identiteit in verband met meerdere individuen om aan te duiden dat ze in een zekere mate of tot op zekere hoogte dezelfde zijn en daarmee verwijst men natuurlijk naar wat ze gemeenschappelijk hebben en wat hen tevens van anderen onderscheidt (de anderen zijn, bij denitie, degenen die dat gemeenschappelijke niet hebben). Dat bredere begrip identiteit is dus gemakkelijk te deniren.
1

Wat is deFranse identiteit? Datgene wat de gemeenschappelijk hebben. Fransen

Ik som op. Taal, bewonen van het Franse territorium, Frans staatsburgerschap (dat impliceert: actief en passief stemrecht in Frankrijk), onderworpen zijn aan dezelfde wetgeving en rechtsprocedures, dezelfde schoolopleiding, toegang tot dezelfde informatie via media (boeken, periodieke pers, radio, tv, cds, dvds, internetsites, blogs, Facebook enz.), n a d e re vertrouwdheid met een deel van het Franse territorium als heimat, vakantieoord of als tweede woonplaats. Al die gemeenschappelijke factoren hebben tot gevolg dat men een aantal wereld- en mensvisies gemeen heeft, ofwel omdat men die kent, ofwel omdat men die zelf ook aanhangt. Hier valt wel onmiddellijk op dat niet alle Fransen alle componenten van dit geheel gemeenschappelijk hebben, maar wel gedeelten ervan, die elkaar overlappen (zoals families bij Wittgenstein). Een

Parisien die slechts lagere school gevolgd heeft, alleen Parijs en omgeving kent, enkel populaire tijdschriften leest, alleen TF1 volgt (inclusief de reclame), alleen een fan is van rugby... heeft toch nog veel gemeen met een universitair geschoolde Marseillais die Le Monde leest, op tv Arte bekijkt, geen sportwedstrijden volgt en alleen klassieke muziek beluistert. Maar beiden verschillen op belangrijke punten (o.m. qua kennis en mentaliteit) van een Engelsman uit de equivalente sociale en intellectuele klasse. De Vlaamse identiteit verschilt aanzienlijk van de Nederlandse, hoewel de taal en een deel van de cultuur gemeenschappelijk zijn. Zowel kranten, tijdschriften als de andere media die in Vlaanderen een familie vormen, verschillen totaal van de Nederlandse, zoals ook de traditioneel uitsluitend katholieke achtergrond. Hetzelfde geldt voor staatsburgerschap en alles wat er aan wetgeving en administratie mee gepaard gaat, inclusief kennis van het eigen verleden. De Vlaamse identiteit heeft met de Waalse wel gemeenschappelijk: staatsburgerschap en een groot

Angevine betekent: van Anjou.

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

gedeelte van de wetgeving en administratie, een gemeenschappelijke geograsche en historische kennis (tot op zekere hoogte). De taal, de communicatie en gewestelijke wetgeving en administratie, en vooral de informatiestroom via de diverse media zijn echter totaal verschillend. Dat heeft, samen met enkele historische feiten, ook uiteenlopende mentaliteiten, denkbeelden en publieke opinies tot gevolg, inclusief de politieke meerderheden die daarmee samenhangen. Er is een Belgische identiteit in de mate waarin wetgeving, administratie, wegenstructuur, en een zeker historisch besef nog aanwezig zijn, maar volgens objectieve normen bekeken bestaat er geen Belgische identiteit meer in de mate waarin er een Nederlandse of een Franse identiteit bestaat. - 1.3. Identiteit als keuze De vraag met wie je jezelf identiek voelt, met wie je een gemeenschap wilt vormen, of nog breder met wie je solidair wenst te zijn, is niet alleen een kwestie van feiten maar ook van wensen, van begeerte (begeerte heeft ons aangeraakt zingt men in de Internationale). Kinderen en jongeren die een identiteit zoeken, hebben eigenlijk twee behoeften. (1) Ze zoeken denkkaders en aanvoelingspatronen, om zichzelf in de wereld een plaats te geven, zich te situeren. (2) Ze zoeken voorbeelden: personen of gedachtestromingen waaraan ze zich kunnen conformeren. De meeste jongeren zijn niet in staat autonoom een wereldbeeld, een mensvisie en handelingsmodel (een moraal) te ontwerpen. Daarom zoeken ze voorbeelden en die vinden ze meestal in enkele componenten van hun objectieve identiteitenfamilie. Zo

kan het behoren tot een straatbende een uitzonderlijk aspect van de identiteit worden, of het vereren en navolgen van een sportguur, een zanger, enz. In een milieu waarin de sociale strijd in het middelpunt van de belangstelling staat, kan die de identiteit sterk bepalen; waar het allochtoon zijn naar voren komt, kan het besef Turk of Marokkaan te zijn, de identiteitsvorming gaan overheersen, maar in steeds meer gevallen neemt het moslim zijn die plaats in. Kortom: naast objectieve aspecten speelt ook een keuze een belangrijke rol in het identiteitsbesef.

- 2. Natie - 2.1. Ontstaan van het natiebesef Hoewel heimatgevoel en identiteitsvorming een rol kunnen spelen in het natiebesef, zijn ze niet met elkaar te verwarren. De dynamiek van staatsvorming heeft de mensen tot een verruiming en versterking van hun oorspronkelijke gehechtheden aangezet. Vr de achttiende eeuw was het eerder uitzondering dan regel dat een staat - een domein waarbinnen een unieke soevereine macht wordt uitgeoefend samenviel met een volk. Vanaf het

begin van de zestiende eeuw echter smeedden in een aantal landen sterke dynastien de feodale vorstendommen tot een hecht geheel samen. Dat had tot gevolg dat gebieden en volkeren die aanvankelijk veel van elkaar verschilden, met een centrale administratie werden verbonden. Zo ontstond ook een netwerk van relaties op administratief, gerechtelijk en commercieel vlak, dat door een wegeninfrastructuur werd versterkt en gaandeweg ook door een dominante bestuurstaal. Uit die feitelijke eenmaking, en de afbakening tegenover de anderen, groeide een zo sterk besef van interacties en gemeenschappelijke belangen dat toen in Frankrijk het koningschap - de oorspronkelijke unicerende factor - wegviel la Nation de plaats in kon nemen als grondslag van eenheid en soevereiniteit. Terwijl de soevereiniteit vroeger geen enkele band had met gevoelens voor het eigen volk - de macht lag immers bij de vorst - heeft het uitbouwen van dat complexe relatienetwerk een nieuwe hechte gemeenschap tot stand gebracht die de rol van die vorst zelf op de helling kon zetten. Het ontstaan van de autonome soevereiniteit van een natie door de breuk met een vorst vinden we al in het Nederlandse Plakkaat van Verlatinghe van 1581. Dat werd in 1776 gevolgd door de Amerikaanse Declaration of Independance en geradicaliseerd in de opeenvolgende stadia van de Franse Revolutie. De lososche formulering van dat natiegevoel, dat besef dat de grondslag van de soevereine staatsmacht niet meer bij de vorst maar bij de de natie lag, was vooral te danken aan Rousseau en werd door de Jacobijnen, met Robespierre aan het hoofd, in brede

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

kring verspreid. Zon natie was echter onmiskenbaar een omschreven, begrensd geheel. Voor Frankrijk (en ten dele voor het Verenigd Koninkrijk) stelde dat geen probleem: de opeenvolgende vorsten hadden de nationale eenheid in voldoende mate gerealiseerd. Door administratieve, economische en andere netwerken tot stand te brengen, hadden ze de grenzen tegenover de buitenwereld afgebakend en intern een samenhorigheidsbesef tot stand gebracht.

In landen waar zon politieke eenheid niet bestond maar toch enig besef van gemeenschappelijkheid leefde, zoals Duitsland en Itali, kwam er een zoektocht op gang naar de aard en de fundering van de natie en het criterium voor de afbakening ervan. Hetzelfde probleem stelde zich bij meer beperkte volkeren die zich om de een of andere reden door vreemde machten onderdrukt voelden. - 2.2. Criteria voor natiebesef Ernest Renan zag de natie - in zijn bekende artikel uit 1882 Quest-ce quune nation? - dan ook als een spirituele entiteit die steunt op het besef van een gemeenschappelijke geschiedenis en een

gemeenschappelijk project voor de toekomst. In Duitsland en Itali kon men geen beroep doen op zon gemeenschappelijk administratief verleden; dus zocht men andere criteria om het soevereine volk te omschrijven. In zijn Reden an die deutsche Nation (Achte Rede, 1808) betoogde Johan Gottlieb Fichte dat het volk (vooral het Duitse) een oorspronkelijke, diepe, zelfs goddelijke eenheid vormt, die in de taal en de vaderlandsliefde tot uiting komt. Johan Gottfried Herder (Briefe, 1792), die minder eenzijdig Duits en zelfs e e rd e r kosmopolitisch dacht, vond toch eveneens dat een v o l k e e n oorspronkelijk gegeven is, dat wordt bepaald d o o r h e t territorium met zijn natuurlijke kenmerken, en dat een gemeenschappelijke uiting vindt in de taal. Hij beklemtoonde echter de gelijkwaardigheid van de diverse volkeren. Noch de denitie van Renan, noch die van Herder en Fichte kunnen echter de uiteenlopende types van natievorming in de negentiende en twintigste eeuw voldoende verklaren. Een natie is immers een grote groep mensen die hun identiteit zoeken in een gemeenschap die ze, om diverse redenen, als de hunne beschouwen. Door die gemeenschappelijke identiteit zouden ze als natie recht hebben op een eigen soevereine politieke structuur (nationalisme-beginsel). We moeten echter vaststellen dat de criteria om zich als n natie te

ervaren, heel uiteenlopend kunnen zijn. Veelal is het territorium het uitgangspunt, maar de beslissende factor voor verdere afbakening was in Ierland de katholieke godsdienst, in Vlaanderen de taal (de taal is gansch het volk), in Griekenland de verwijzing naar eigen geschiedenis, godsdienst, taal en cultuur. Bij de overige Balkanvolkeren gaf nu eens de taal, dan weer godsdienst de doorslag. In het joodse nationalisme (zionisme) was het territorium aanvankelijk slechts een doelstelling, terwijl de joodse godsdienst, een idee van biologische afstamming (joodse moeder) en tevens het Europese antisemitisme de stuwende factoren waren. Bij de naties in andere werelddelen, die in de negentiende en twintigste eeuw ontstonden, bleef men bij het territorium dat door de kolonisatoren was bepaald, zonder rekening te houden met de oude tribale eenheden. Wat ook het rele uitgangspunt moge zijn, zodra een voldoende aantal mensen zich als natie ervaart, wil men met een arsenaal van middelen de speciciteit ervan aantonen om de leden tot identicatie en tot engagement te motiveren. Verwijzingen naar gemeenschappelijke geschiedenis, eenheid van cultuur, solidariteit van belangen en samen geleden onrecht, worden dan met vlijt gezocht, ontdekt, en eventueel gefabriceerd. Het besef van volkse of nationale identiteit (afhankelijk van de situatie op het vlak van soevereiniteit) heeft een enorme motiverende kracht. Het doet een beroep op de schijnbaar onstilbare hunker van de mens om zich via een groep in de wereld te situeren. Zowel in de propaganda als in de zelfwaardering lijkt het nauw verbonden met hoogstaande ethische houdingen: trouw en onbaatzuchtige inzet voor de

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

volksgenoten. Door mythische en historische elementen op subtiele wijze door elkaar te weven, slaagt men erin het volk of de natie voor te stellen als een autonome eenheid die de eeuwen trotseert: zo worden alle heldendaden en culturele prestaties een beetje het eigendom van allen. Zolang de natiestaat niet is gevormd, voelt men zich samen verdrukt of belaagd, en zodra die er is, kan de gemeenschap van belangen die een moderne staat kenmerkt, een belangrijke rol spelen naast de meer emotionele vormen van samenhorigheid. Deze wonderlijke vervlechting van realiteiten met imaginaire en mythische elementen, vormt de diepe grondslag van de dynamiek van het nationalisme. We weten echter dat het geen onschuldige dynamiek is. Het benadrukken van de solidariteit met de in-group kan gepaard gaan met vijandschap of superioriteitsgevoel tegenover de out-group. Terwijl in de zestiende en zeventiende eeuw ons continent nog werd geteisterd door godsdienst als groepswaan, zette in de negentiende en twintigste eeuw het nationalisme Europa in vuur en vlam, en alle leed is nog niet geleden. Maar uit die ontsporingen kunnen we niet zomaar besluiten dat het natiebesef alleen maar een gevaar is: zo zouden we de positieve en hoe dan ook onvermijdelijke aspecten ervan miskennen. Heel w a t r e c h t m a t i g e emancipatiebewegingen in de negentiende en twintigste eeuw konden slechts slagen door de nationalistische dynamiek. De vraag is dus welke aspecten van het natiebesef een solide basis hebben om een legitieme bron van samenhorigheid en solidariteit te kunnen vormen. Hierbij moeten we beklemtonen dat eerder vermelde complexe netwerken die momenteel

de hele wereld overspannen, impliceren dat elke gesloten vorm van nationalisme - ook die welke tot n continent beperkt is - geen toekomst heeft. We evolueren naar een universele solidariteit. Zon wereldburgerschap sluit echter meer beperkte vormen van identicatie en samenwerking niet uit, al kunnen ook die gediversieerd worden: regio, staat, (sub-)continent, wereld. - 2.3. Objectieve grondslagen van natiebesef Bij de zoektocht naar legitieme vormen van nationaal gevoel biedt de analyse van Benedict Anderson, Imagined Communities Reections on the Origins and Spread of Nationalism (herziene uitgave 1991), een goede handleiding. Volgens Anderson is een natie een imagined political community - and imagined as both inherently limited and sovereign. Deze bijzonder rijke denitie betekent het volgende. De natie i s e e n gemeenschap die enkel in de voorstelling of verbeelding bestaat: geen enkel lid van die gemeenschap zal ooit rechtstreeks contact hebben met de meeste andere leden ervan: men heeft er alleen een beeld of voorstelling van (geen inbeelding want de gemeenschap zelf is reel, in tegenstelling tot wat bv. Ernest Gellner (1983) suggereert). Die gemeenschap is beperkt: ze valt niet samen met de mensheid, maar wordt gekenmerkt door grenzen die haar afbakenen tegenover andere naties.

Het is een politieke gemeenschap, die een machtsmonopolie heeft in het vastleggen van de regels van het samenleven, en die macht is soeverein: ze ligt in de natie zelf en is dus vrij en onafhankelijk van een vorst of van vreemde machten. Dat het een gemeenschap is, houdt in dat er over alle ongelijkheden heen een solidariteit en kameraadschap wordt beleefd die zo diep gaat dat miljoenen bereid waren ervoor te doden maar ook gedood te worden: Dulce et decorum est pro patria mori (het is jn en voortreffelijk voor het vaderland te sterven). Ongetwijfeld kan een eeuwenlange gemeenschappelijke administratieve structuur en dus een gemeenschappelijke geschiedenis bijdragen tot het proces van natievorming (zie Frankrijk, het

Verenigd Koninkrijk, Spanje, Portugal...). Deze factor werkte niet in Duitsland en Itali: daar speelde de gemeenschappelijke taal blijkbaar een rol, terwijl elders weer de godsdienst centraal stond (Ierland, Servi, Kroati...). Maar het probleem is nog ingewikkelder. Anderson wijst erop dat bij de vorming van de Middenen Zuid-Amerikaanse staten al deze criteria verstek laten gaan. Deze staten (behalve Brazili) hingen tijdens de kolonisatie af van dezelf-

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

de vorst, die dezelfde wetten en administratieve organisatie oplegde; ze spraken dezelfde taal en beleden dezelfde godsdienst en hun onafhankelijkheidsstrijd was door dezelfde ervaring van verdrukking gemotiveerd. Toch vormden ze van bij het begin van de afscheiding van het Spaanse moederland afzonderlijke staten met een eigen natiebesef en een bereidheid voor die specieke natie te sterven. Ook enkele - idealistisch opgevatte grotere eenheden konden geen stand houden: Gran Colombia bv. viel vlug uiteen in Venezuela, Colombia en Ecuador. De nieuwe staten vielen samen met de traditionele koloniale entiteiten die een eigen vicekoning hadden met zijn plaatselijke administratie. De evolutie van deze regios tot naties kwam als volgt tot stand. De inrichting van de afzonderlijke deelkolonies was gebaseerd op specieke geograsche factoren die een vrij vlotte interne administratieve en socioeconomische communicatie mogelijk maakten, terwijl het verkeer met de andere deelkolonies heel moeilijk was. Dit zou suggereren dat natievorming essentieel door administratieve netwerken wordt bepaald, maar dat kan dan weer de eenwording van Duitsland en Itali niet verklaren. Een diepere gemeenschappelijke factor ligt volgens Anderson in de wijze van functioneren van wat hij het print capitalism noemt. De commercile boekdrukkunst - niet gestuurd door de burgerlijke of kerkelijke overheid - richtte zich op de directe noden van een zo breed mogelijk geletterd publiek. Dat stimuleerde het publiceren in de volkstaal (weinigen beheersten het renaissance-Latijn). Maar toch werd de versplintering in een veelheid van dialecten vermeden door de behoefte aan ruime oplagen, die

mogelijk werden door het ontstaan van een literatuur in een dominerend dialect, dankzij de invloed van een reeks eminente schrijvers. De rol die de bijbelvertaling van Luther in Duitsland speelde, is overduidelijk, net als het gebruik van de volkstaal in de eredienst. In Itali werd de toon gezet door Dante, Petrarca en Boccaccio en later Ariosto en Torquato Tasso. Vergelijkbare invloeden vinden we overigens in Spanje (Cantar de mio Cid, Cervantes, Lope de Vega, Calderon), in Portugal was er Cames, in Frankrijk en Engeland droegen een hele reeks grote auteurs bij tot de eenwording van de taal. In Latijns-Amerika daarentegen kwam een plaatselijke boekliteratuur slechts laat op gang. Daar stond dan weer tegenover dat sinds de tweede helft van de

achttiende eeuw de krantendrukpers een aanzienlijk succes kende. Wegens de verkeersproblemen e n h e t actualiteitskarakter van kranten, bleef de verspreiding ervan in essentie beperkt tot het specieke gebied van de deelkolonies. Het nieuws dat ze brachten, had vooral betrekking op plaatselijke personen, groepen en hun belangen. Die gesloten informatiegemeenschap entte zich op de administratieve en socioeconomische geslotenheid van de netwerken zodat een imagined community ontstond, die samen gebeurtenissen beleefde, gezamenlijke belangen en allerlei onderlinge interacties had. Een gemeenschappelijke verre vorst en ook taal en godsdienst volstonden niet voor natievorming, omdat de beperkingen van echte communicatie op socio-economisch en informatievlak, zowel in de feiten als in de verbeelding, grenzen tot stand brachten. In de onafhankelijkheidsstrijd hadden alle deelkolonies ongetwijfeld analoge aspiraties (denk aan de rol van Bolivar), maar een echt natiebesef kon slechts ontstaan op basis van de interactienetwerken. Ook Andersons onderzoek van de natievorming in de twintigste eeuw in Afrika en Azi bevestigt de noodzaak van een rele interactie- en communicatiegrondslag.

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

- 3. Van Belgisch naar Vlaams natiegevoel - 3.1. Belgische institutionele problemen Deze vaststellingen zijn voor de analyse van de Belgische institutionele problemen van kapitaal belang. Sinds de Bourgondische hertogen waren de vorstendommen van de Nederlanden stilaan tot de Zeventien Provincin verenigd. Maar in dezelfde eeuw waarin een gezamenlijke administratie begon te fungeren, scheurde het noordelijke deel zich af. De zuidelijke provincies gingen dan samen hun eigen weg. Ook hier ontstond een gemeenschappelijke administratie en dus een zekere natievorming, maar de realiteit van twee taalgebieden bemoeilijkte het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur van het gedrukte woord en dus van een volwaardig natiebesef. Dat veranderde toen bij het ontstaan van de soevereine Belgische staat een situatie gegroeid was waarbij de socio-economische en intellectuele elite in de beide deelgebieden bij voorkeur Frans sprak en schreef. Het cijnskiesrecht zorgde ervoor dat ook de politieke macht volledig Franstalig was en die elite kon - zich tevens baserend

op de aanwezigheid van een sterk centraliserend netwerk op socioeconomisch en verkeersvlak - een Belgisch natiebesef tot stand brengen. Door de eerste taalwetten, door de ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog en vooral door de vernederlandsing van het secundair en hoger onderwijs (ca. 1930), werd de grondslag gelegd van een geleidelijke ommekeer in die situatie. De opeenvolgende staatshervormingen (sinds de jaren 60) in federaliserende richting vormden in de deelgebieden eigen administratieve netwerken en tevens ontstond in Vlaanderen een socioeconomische en intellectuele elite die het Nederlands als gemeenschappelijke taal had. Wat Anderson print capitalism noemt, speelde hier uiteraard ook een rol, maar intussen is met de moderne media een nog veel sterker gemeenschapsvormend mechanisme ontstaan. Dagelijks hebben radio en tv een urenlange impact op de mensen, en die is in Vlaanderen hoofdzakelijk beperkt tot de Vlaamse media. Die media zelf staan in interactie met de dagbladpers en vooral ook met een reeks succesvolle weekbladen die inspelen op wat de Vlaamse radio en tv aanbieden. De impact van al die media samen is meer dan het tienvoudige van wat de pers teweeg kon brengen in de naties die

Anderson onderzocht. Uiteraard strekt dit Vlaanderen als communicatieve gemeenschap zich uit van De Panne tot Maaseik en heeft het al heel lang niets meer met het middeleeuwse Vlaanderen te maken. Om het heel simpel uit te drukken, VTM en VRT (met hun nieuws en soaps), samen met Dag Allemaal, Humo, Story, enz. hebben (zonder dat te bedoelen) veel meer bijgedragen tot een feitelijke gemeenschappelijke Vlaamse identiteit dan alle propaganda van Volksunie, Vlaams Blok, N-VA enz. samen. Het heeft geen enkele zin deze objectieve feiten te loochenen. Het heeft geen enkele zin te doen alsof een Belgisch natiegevoel, zoals dat bv. in de jaren 50 bestond, nog altijd in dezelfde mate leeft. Om maar n voorbeeld te geven: meer dan 80% van de aangiften over euthanasie zijn in het Nederlands opgesteld. Dergelijke vormen van grondige verschillen in aanvoelen, zelfs in belangrijke kwesties, zoals de houding tegenover de monarchie, zijn legio. Belgi heeft geen gemeenschap meer die eenzelfde taal spreekt, leest en schrijft, of die met dezelfde rele nieuwsfeiten, commentaren en media-evenementen geconfronteerd wordt. Onderwijs, wetenschap, cultuur, sport, ruimtelijke ordening, milieu en ook enkele economische sectoren in de deelstaten hebben hun eigen netwerken gevormd en daarnaast zijn een aantal nationale bevoegdheden aan Europa overgedragen. De Belgische staat heeft dus heel wat van zijn feitelijke unicerende, natievormende mechanismen verloren, terwijl de informatienetwerken in Vlaanderen nagenoeg exclusief Vlaams zijn (in sommige high brow conferenties vervangen door het Engels). Bij toepassing van de analyse van

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

Anderson spreekt het dus vanzelf dat het Belgische natiebesef stilaan plaatsmaakt voor een Vlaamse imagined community, kortom, een Vlaamse natie. De betekenis hiervan aan Franstalige kant, die complexer is, kan ik hier niet bespreken. Deze langzame verdamping van de Belgische natie is geen ideologische inbeelding maar een feitelijk onomkeerbaar gegeven. - 3.2. Beginnend Vlaams natiegevoel Bij het vaststellen van het rele karakter van een beginnend Vlaams natiegevoel is het van kapitaal belang een duidelijk onderscheid te maken tussen een waardevolle vorm van gemeenschapsbeleving en een misvormd nationalisme waarvan we de immorele aspecten moeten uitbannen. De Vlaamse identiteit van elk van ons als individu is geen uniek alles overkoepelend gegeven. Wij vormen een knooppunt in een netwerk van relaties, met een geograsche locatie in dit land (grondwettelijk ondersteund door het terrotorialiteitsbeginsel), maar tevens met vertakkingen in Belgi, Europa en wereldwijd. Daarnaast hebben we afniteiten met anderen, b v. beroepsgenoten of medegelovigen in andere landen, maar tevens zijn we ons bewust van een gemeenschappelijke taal, opvoeding en een reeks gemeenschappelijke belevenissen. De ervaring van zon identiteit legt ons, zolang we lid van die gemeenschap blijven, een aantal verantwoordelijkheden en vormen van solidariteit op, die noodzakelijk zijn om deze samenleving goed te laten functioneren. Daartoe behoren, naast het bevorderen van het welzijn van iedereen, ook de zorg voor het behoud en de uitbreiding van alle culturele

creaties en het behoud van een waardevol leefmilieu. Zodra we kenmerken die betrekking hebben op ras of afstamming uit de discussie rond volk, staat en cultuur hebben verbannen, kunnen we een aantal verwarringen de wereld uit helpen. De vraag of iemand bv. tot het Vlaamse volk behoort, hangt dan essentieel af van de mate waarin hij zich de Vlaamse cultuur eigen heeft gemaakt en in het Vlaamse maatschappelijke leven functioneert. Wie zich op het vlak van taalgebruik, denkbeelden, waardeschalen, toetreden tot instituties, enz. als een doorsnee Vlaming voordoet, is ook een Vlaming. - 3.3. Heeft Belgi nog een kans? Dat bestaan van een Vlaamse identiteit en een natiegevoel hoeft niet noodzakelijk te leiden tot het opheffen van de Belgische staat: er zijn ook nog rele Belgische netwerken (de verkeersstructuur bv. lijkt nog altijd op Brussel gericht). Unicerende tendenzen moeten overigens niet meer noodzakelijk steunen op een traditioneel natiebesef (bv. het Verenigd Europa bestaat ook zonder zon besef). Een afgeslankte Belgische staat zou dus zonder horten en stoten als (con)federatie kunnen functioneren, ware het niet dat enkele diepgaande conicthaarden een harmonisch samenleven onmogelijk dreigen te maken. a. Een eerste probleem is dat van de taalgrens. In 1932 hebben de Franstaligen het

principe van de algemene tweetaligheid afgewezen. Dat leidde tot de aanvaarding van twee eentalige gebieden en het tweetalige Brussel. Men stelde na de Tweede Wereldoorlog vast dat door de uitbreiding van Brussel eentalig Vlaamse gemeenten stilaan Franstalig werden en de taalgrens dus ten nadele van Vlaanderen verplaatst werd. Na veel twisten werd in 1962-1963 de taalgrens denitief vastgelegd en in 1970 in de grondwet ingevoerd. Daaruit volgt dat mensen die zich in Vlaanderen of Walloni vestigen, bereid moeten zijn zich aan de taal van het gebied aan te passen voor alles wat met openbare diensten te maken heeft. Vlamingen in Walloni doen dat probleemloos, Franstaligen in de rand rond Brussel doen dat meestal niet en hopen, als zij de

meerderheid zullen vormen, de taalgrens weer te wijzigen. Dat diepe meningsverschil, namelijk het grondwettelijk v a s t g e l e g d e territorialiteitsbeginsel (droit du sol) tegenover het personaliteitsbeginsel (droit des gens), vormt de basis van

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

b.

c.

de problemen in VlaamsBrabant. Deze conictstof is sterk vergelijkbaar met het Engels-Franse taalprobleem in Montreal. De vraag is of de momenteel in de steigers staande staatshervorming o o k a a n d e meningsverschillen inzake territorialiteit iets zal veranderen. Een tweede probleem heeft te maken met de economische achterstand van Walloni en de dramatische werkloosheid en armoede die daaruit voortvloeien. De sociale voorzieningen kunnen in Walloni slechts blijven bestaan dankzij aanzienlijke nancile transfers van Noord naar Zuid. Die solidariteit op sociaal vlak zou normaal geen probleem moeten stellen, maar ze wordt in het gedrang gebracht door het besef bij de V l a mi n g e n dat de Franstaligen geen politieke solidariteit in omgekeerde richting wensen op te brengen in verband met het respect voor het territorialiteitsbeginsel. Daar komt nog bij dat in veel p o l i t i e k e , wereldbeschouwelijke en economische dossiers een meerderheid van de Franstaligen systematisch andere standpunten inneemt dan een meerderheid van de Vlamingen. Die interpreteren de Waalse achterstand overigens ook als een gevolg van achterhaalde ideologische visies (naast partijclintelisme) en wensen een grotere autonomie om de eigen regio efcinter te kunnen besturen. Dat wordt dan weer door de Walen

d.

ervaren als een afwijzen van de interpersoonlijke sociale solidariteit . Het Vlaams Parlement heeft in 1999 met een grote meerderheid een reeks eisen geformuleerd en socialisten, liberalen en christendemocraten hebben die in de Vlaamse regeringsverklaring (2004) opgenomen. Tijdens de verkiezingsstrijd van 2007 h e b b e n d e christendemocraten die heel scherp geformuleerd en dat leidde tot een electoraal succes. De Franstalige, begrijpelijk polariserende, reactie hierop heeft de onderlinge tegenstellingen tussen Noord en Zuid aanzienlijk doen toenemen. Om uit de impasse te geraken is het onmisbaar dat alle partijen tot een minimale objectieve analyse van de realiteit komen. Een neutrale toepassing van de benaderingswijze van Anderson leert ons dat het Belgisch natiebesef zoals dat tot rond de jaren 50 in beide landsdelen nog bij een meerderheid gangbaar was, in Vlaanderen nog nauwelijks bestaat. De imagined community is daar, niet door ideologische propaganda maar door ontwikkelingen in de feiten zelf, in de eerste plaats de Vlaamse gemeenschap. Dat veranderde natiebesef in Vlaanderen heeft het Belgische niet volledig opgeheven, maar wel reel verzwakt. Het minimum aan inzicht dat men daaruit kan aeiden is

dat de Belgische eenheid niet bestand zal blijven tegen het voortduren van een conictsituatie. Een eerste voorwaarde om in de t o e k o m s t b i j onderhandelingen een kans op succes te hebben, bestaat erin dat men rekening houdt met deze feitelijke gegevens. Beide partijen moeten inzien dat de Belgische natie weliswaar haar vanzelfsprekende karakter verloren heeft, maar eventueel toch nog een project kan zijn van mensen die, met inachtneming van hun gezamenlijk verleden, ook in de toekomst een zekere eenheid willen bewaren. Zelfs de sociale solidariteit - die wereldwijd, waar ze bestaat, natiegebonden is - is geen evidentie meer, maar kan wel blijven bestaan als men ook op andere gebieden, zoals het territorialiteitsbeginsel en de scale verantwoordelijkheid van de deelstaten, tot een overeenkomst kan komen. Als men geen enkel Belgisch gegeven nog als evidentie beschouwt, maar het oog richt op een toekomst waarbij vanuit een tabula rasa nieuwe, eventueel verregaande toenadering wordt gezocht, kan een project ontstaan waarbij geen verliezers en

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

alleen maar winnaars voorschijn komen.

te

- 4. Discussie staatshervorming -

Vraag1 (V1): Dat elk volk een eigen staat opeist, is toch een groot gevaar? Etienne Vermeersch (EV): De partijdige houding in ons eerdere voorbeeld van het eigen zoontje dat men uit het water redt vr dat van de buurman, wordt algemeen aanvaard. Dat spontane aanvoelen heeft mede tot gevolg dat de leuze van het Vlaams Blok eigen volk eerst bij veel mensen als aannemelijk overkomt. Alle oorlogen in de wereldgeschiedenis die op nationalistische gronden gevoerd werden (inclusief de antikoloniale bevrijdingsoorlogen) en ook de revoluties en godsdienstoorlogen steunden op het principe dat het een hoge waarde is voor de eigen godsdienst, het eigen volk, de eigen staat, de eigen klasse, te sterven en ook te doden; kortom eigen volk eerst. Het misleidende karakter van het gebruik van die leuze door het

Vlaams Blok ligt (a) in het feit dat de notie eigen volk op een heel bijzondere wijze wordt ingevuld alsof mensen die hier al een generatie leven daar niet toe zouden behoren - en (b) dat de steeds verder uitdijende solidariteit die we boven beschreven met een kunstmatige grens wordt afgebakend, wat juist in strijd is met onze analyse van toenemende eenmaking. Zowel een al te sterk beklemtonen van een bepaalde particulariteit (het Vlaamse volk) als een verabsoluteren van het universele, zijn extremen die we moeten vermijden. Toch moeten we met beide aspecten rekening houden. a. Velen beschouwen het als een hoge waarde dat op ecologisch vlak de biodiversiteit in stand gehouden wordt, zodat de komende generaties deel kunnen hebben aan de talloze waarden die we hierin kunnen beleven. In verband met de diverse culturen en de talen die daarmee samengaan, kunnen we analoge bedenkingen maken. Wie houdt van alles wat des mensen is, zal ook toejuichen dat alles wat mensen ooit aan schoonheid en intellectuele rijkdom hebben voortgebracht, maximaal voor het nageslacht wordt bewaard. We zijn er allen in een zekere mate voor verantwoordelijk dat de Bijbel, de Ilias, de Divina Commedia en de Mahabharata in hun volle rijkdom - ook in hun eigen taal - voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermen van de Taj Mahal, het Alhambra van Granada, de kathedraal van Chartres, het Gezicht op Delft

b.

c.

van Vermeer en La Tempesta van Giorgione. To e g e p a s t op de problematiek die we hier behandelen, moeten we evenwel onze beperktheid erkennen. Vanuit een zeker partijdigheidsbeginsel ligt het dus voor de hand dat we in de eerste plaats voor dat segment van de cultuur verantwoordelijk zijn dat we het best beheersen en dat ons dan ook het meest nabij is. In dat opzicht is het dus legitiem en zelfs noodzakelijk dat we een zekere voorkeur vertonen voor de eigen taal en voor de scheppingen binnen de eigen cultuurkring. Niet om ze als superieur voor te stellen, maar om er garant voor te staan dat ze voldoende verdedigers hebben opdat hun bijdrage aan de diversiteit van de menselijke scheppingen niet verloren zou gaan. Ook op het vlak van socioeconomische belangen en de p o l i t i e k e e n wereldbeschouwelijke opvattingen die ermee gepaard gaan, is een zekere niet onvoorwaardelijke voorkeur voor die van de eigen gemeenschap zinvol. Zon delicate afweging van het belang van de eigen cultuur tegenover externe invloeden krijgt een bijzonder prangend karakter wanneer we beseffen dat de overweldigende druk van de W T K - b e s c h a v i n g [wetenschappelijk-technischkapitalistisch], in haar Angelsaksische vorm, een aantal kleine culturen aan het uitroeien is en zelfs grote zoals de Indische en Chinese in hun authenticiteit bedreigt.

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !

V2: Is de taal dan d cruciale factor voor een nationaal gevoel? EV: Taal is een gemakkelijk aanwijsbare factor, maar is helemaal niet noodzakelijk. Denk aan India met honderden verschillende talen en zelfs totaal verschillende taalfamilies: Hindi en Begali in het Noorden en Tamiltalen in het Zuiden. Ook Zwitserland functioneert met verschillende talen. Dat is mede te danken aan een zeer strikte taalwetgeving: de taalgrens verleggen is er absoluut verboden, het hooggerechtshof waakt daar heel streng over. In Graubnden heeft het RetoRomaans alle rechten, terwijl het kanton Fribourg tweetalig is. Welke lessen trekken wij nu als Gravensteengroep uit de feitelijke situatie voor Vlaanderen? Wij ijveren voor het implementeren van twee principes, namelijk het territorialiteitsbeginsel en solidariteit. De taalgrens mag onder geen beding verschuiven, omdat de soevereiniteit feitelijk verdeeld is onder de gemeenschappen en/of gewesten, en daardoor onder meer de onderwijswetgeving verschillend is geworden aan beide kanten van de taalgrens. Het feit dat rijke mensen naar de Brusselse randgemeenten verhuizen, mag niet tot gevolg hebben dat de autochtonen een andere taal moeten gaan spreken. Solidariteit ja, ook met Walloni dat het historisch moeilijk heeft door de teleurgang van de staalindustrie, maar op voorwaarde dat deze solidariteit democratisch geordend is. Als de regering belastinggeld uitgeeft, moet die daarop door de eigen kiezers kunnen aangesproken worden. Daarom zijn dotaties uit het federale niveau uit den boze: de deelregering kan dan niet door de eigen bevolking worden afgestraft. Om terug te keren naar de

oorspronkelijke vraag: is het geen groot gevaar dat elk volk een staat opeist? Dat was het nationalismebeginsel van de negentiende eeuw. Het is moeilijk daar een algemeen antwoord op te geven. De ideale situatie zou erin bestaan dat grote delen van wat tot de soevereiniteit behoort, worden overgedragen naar grotere gehelen, zoals de Europese Unie. Vooral op het socio-economische vlak lijkt dat op den duur onvermijdelijk. Aan de andere kant zijn er nog zoveel verschillen tussen de staten en regios binnen Europa dat vormen van federalisme noodzakelijk zijn. Zolang de eenwording op het vlak van welstand en op het vlak van de ideologien niet gerealiseerd is, komt een echte democratie in gevaar door te veel centralisatie. In een volledig verenigd Europa bv. zou onze euthanasiewet er nooit gekomen zijn. Binnen bepaalde historisch gegroeide staten zijn de tegenstellingen soms nog zo groot dat verdere vormen van verdeling van bevoegdheden onvermijdelijk zijn. Als bv. Vlaanderen verder in een (centrum)rechtse richting evolueert en Walloni in een linkse, dan wordt een gemeenschappelijk socio-economisch beleid onmogelijk. Mijn besluit zou zijn dat het nationalismebeginsel principieel voorbijgestreefd is, maar dat er nog voldoende redenen zijn om diverse niveaus van soevereiniteit in stand te houden. Zelfs als er ooit een overkoepelende vorm v a n solidariteit wordt bereikt op het socio-

economische vlak, zullen plaatselijke specieke bevoegdheden op bepaalde gebieden nuttig blijven. Een specieke notie staat voor een van die bevoegdheidsdomeinen zal dan langzamerhand uitdoven. V3: Waar eindigt de onbeperkte vrijheid, waar begint de solidariteit? Wat of wie bepaalt die grenzen? EV: Als centraal uitgangspunt om hierop te antwoorden, verwijs ik naar de uitspraak van Lacordaire: Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le matre en te serviteur, cest la libert qui opprime et la loi qui affranchit. Zolang er domeinen bestaan waarin individuen of groepen over anderen macht kunnen uitoefenen, of omgekeerd, hun solidariteit op willekeurige wijze beperken, zal er een soevereine macht nodig zijn die via wetten die macht inperkt en die solidariteit organiseert. Die soevereine macht moet uiteraard op democratische wijze tot stand komen en zich houden aan krationele [kennisrationaliteit i.t.t. handelingsof instrumentele rationaliteit] inzichten over de werkelijkheid (rekening houdend met de eerder vermelde gradaties [van logico-mathematische structuren (0) tot vooral culturele producten (7)]).

N*A* * !!

DE NAAMLOZE ACHTER ONS !