Vous êtes sur la page 1sur 30

Nusa Tenggara ACHTERGRONDINFORMATIE Voor deze eilanden maken wij gebruik van een agent gevestigd in Nusa Tenggara,

op het eiland Lombok. Zij zijn de partij die de autos verstrekken, gidsen verzorgen en hotels vastleggen. Tevens zijn zij in geval van nood beschikbaar om jullie snel en direct bij te staan (onderstaand en in document Guest information booking de nodige telefoonnummers). Mocht er tijdens de reis een probleem ontstaan dan worden wij (ook) graag direct gebeld op dit nummer en zullen wij (ook) contact met hen opnemen. Sunda Trails (Agent): office hours : +62 370 647 390 outside of office hours : +62 81 803 609 076 / +62 85 239 717 649 Budi Tours noodnummer: +62 81 227 412 418 (24/7 beschikbaar) Onderstaande informatie is samengesteld en bezit van onze partner in Nusa Tenggara reizen; Sunda Trails. INLEIDING Ten oosten van de Wallace-lijn, die de scheiding aangeeft tussen de Aziatische en de Australische regio ligt de eilandenreeks van Nusa Tenggara. Vroeger werd deze de kleine Sunda-eilanden genoemd die ook Bali omvatte. De grote Sunda-eilanden zijn Sumatra, Java, Kalimantan en Sulawesi. Thans behoren de kleine Sunda-eilanden, met uitzondering van Bali, tot de provincies Nusa Tenggara Barat (NTB, West: Lombok, Sumbawa) en Nusa Tenggara Timur (NTT, Oost: Sumba, Komodo, Flores, Sawu, Rote, West-Timor). De eilanden bieden een ongekende variatie in cultuur en natuurschoon. Ook hangt er op veel plaatsen een mysterieuze sfeer die samen met vreemde praktijken tot de verbeelding van de reiziger spreken. De natuur is, op enkele gebieden na, niet zo groen zoals men die op de andere meer westelijk gelegen eilanden tegen komt. Hoe verder men naar het oosten reist, hoe droger het landschap wordt. Dit geeft de eilandengroep zijn eigen en heel apart karakter. De manier van bestaan, de kleding, traditie en de architectuur staan in verband met de natuurlijke omgeving. Ondanks de vele overeenkomsten die de eilanden van Nusa Tenggara met elkaar gemeen hebben zijn er ook vele verschillen. GEOLOGIE Geologisch gezien vormt Nusa Tenggara (samen met het eiland Bali) een voortzetting van Sumatra en Java. Deze oostelijke eilandengroep ligt echter niet meer op het Sunda plat (de bodem van een ondiepe zee waar zich Maleisi, Thailand, Sumatra, Java, Kalimantan en Bali op bevinden). Lombok, Sumbawa, Flores, Sawu en Rote liggen op de vulkanische binnenboog, Sumba en Timor op de niet vulkanische buitenboog. De eilanden op de vulkanische binnenboog zijn veelal opgebouwd uit gesoleerde vulkaantoppen, met lage heuvellandschappen ertussen. De eilanden op de niet-vulkanische buitenboog bestaan uit heuvelachtige kalksteengebieden. FLORES Flores is een heuvelachtig eiland. Het binnenland is ruig, met diepe en steile dalen. Het is duidelijk te merken dat het in een actieve zone ligt, met vulkanisme en aardbevingen. Hiervan getuigt o.a. de uitbarsting van de Gunung Iya (Ende) in 1971 en de tragedie van Maumere. De tragedie van Maumere Op 12 december 1992 werd de oostelijke regio van Flores, voornamelijk de baai van Maumere opgeschrikt met een aardbeving van 6,5 op de schaal van Richter. Deze aardschok evenals de tsunami die erop volgde kostte vele mensen levens en berokkende aanzienlijke schade aan gebouwen evenals aan de koraalriffen in de baai van Maumere. De vloedgolf die aan kust van Maumere aanspoelde bereikte een hoogte van 4 meter terwijl het eiland Pulau Babi door een 7,3 meter hoge vloedgolf werd weggevaagd. Meer dan 1000 bewoners vonden hierbij het leven. De hoogste vloedgolf werd echter gemeten in het noordoosten van Flores ten hoogte van Rangkok, waar het opgezweepte water sporen achterliet tot op een hoogte van 26 meter boven zeeniveau. 137 mensen vonden hier de dood. De baai van Maumere, staat al jaren bekend om de uitstekende duikmogelijkheden en zijn ongelooflijke diversiteit aan koraalvissen en gerelateerde variteit aan rifsoorten. Het koraal ondervond echter aanzienlijke schade door de aardbeving en de vloedgolven. Maar de grootste schade echter werd bewerkstelligd door de cycloon Lena die op 23 januari 1993 de Maumere baai passeerde. Hevige regenval gedurende de storm en de periode daarna veroorzaakte extra schade. Een aanzienlijk deel van het (dode) rif werd bedekt onder een laag vulkanische zand en detritus. Vooral deze laag zorgt ervoor dat het rif zich op verschillende locaties maar moeizaam herstelt. LOMBOK Lombok kent drie landschapstypen: een vulkaanmassief in het noorden, een kalksteenplateau in het zuiden en een laagvlakte er tussenin. Het bestaat uit slechts n vulkaan, maar wel een hele hoge! Met 3726 meter is de Rinjani na de Kerinci op Sumatra de hoogste vulkaan van de archipel. De krater is deels opgevuld met een prachtig kratermeer, Segara Anak. In dit kratermeer is een kleinere vulkaankegel gevormd, die bij tijd en wijle nog steeds as en rook uitblaast. Het kalksteenplateau in het zuiden is een bar en droog gebied, met veel karstverschijnselen. Landbouw gaat hier zeer moeizaam en het is dan ook een arm en dunbevolkt gebied. In wezen is alleen het midden van Lombok geschikt voor landbouw. Dit midden is een smalle, maar vruchtbare riviervlakte. De meeste bewoning heeft zich dan ook in deze streek geconcentreerd. De combinatie van armere gronden en minder neerslag maakt dat Lombok in veel opzichten het armere broertje van Bali is. KLIMAAT Het klimaat van Nusa Tenggara wordt in sterke mate benvloed door de moesson- en passaatwinden. Moessonwinden worden gevormd door opwarming van de Aziatische en Australische luchtmassas gedurende hun respectievelijke zomers. Ze benvloeden de beweging van een lagedrukgebied, de Intertropical zone of Convergence (ITZC). In januari is de ITZC in het zuidelijk halfrond en ligt over de Indische Oceaan en Australi. In juli verplaatst de ITZC zich noordwaarts en bevindt zich boven het Aziatische vasteland. De rotatie van de aarde veroorzaakt passaatwinden die continue van gematigde gebieden naar de tropen waaien; op het noordelijk halfrond van het noordoosten en op het zuidelijke halfrond van het zuidoosten. De passaatwinden breiden zich uit en trekken samen als de ITZC zich van het zuidelijk halfrond naar het noordelijk halfrond verplaatst. In Nusa Tenggara, dat in zijn geheel op het zuidelijk halfrond ligt, beginnen de natte moessonwinden in december. Het lagedrukgebied boven Australi trekt dan lucht van het gebied rond de evenaar; de meeste regen valt in de maanden januari

en februari. Maart en april zijn onstabiel als de moessonwinden gaan liggen en de passaatwinden opkomen. Dit wordt veroorzaakt doordat het lagedrukgebied boven Australi zwakker wordt en het lagedrukgebied boven Azi sterker wordt. Hiermee wordt er een droge zuidoostelijke Australische wind aangetrokken die onderweg naar de Sunda-eilanden maar weinig vocht oppikt. Juli en augustus ervaren de sterkste en koelste droge winden, terwijl september tot november weer onstabiel zijn. Omdat de noordwestelijke moessonwinden eerst het westen van Indonesi passeren alvorens ze Nusa Tenggara bereiken, hebben de winden al veel vocht verloren. Het natte seizoen is daarom niet erg nat en hoe oostelijker men gaat, hoe minder regen er valt. Ook het droge seizoen wordt in oostelijker richting alsmaar uitgesprokener. Dit algemeen patroon wordt benvloed door de plaatselijke topografie. Op Lombok, Sumbawa en Flores zijn de westelijke gebieden iets natter dan de oostelijke. De noordwestelijke moesson begint hier eerder en eindigt later dan in het oosten. De noordelijke kusten zijn over het algemeen droger dan die in het zuiden. De droge Australische luchtmassas die het noorden eerst bereiken worden door de bergketens omhoog getild om uiteindelijk in het zuiden tot regenval over te gaan. Vanwege dit verschijnsel zullen vlakke eilanden relatief droger zijn omdat er geen hoge gebieden zijn die een opstijging van warme lucht veroorzaken. Kleine bergketens of individuele bergen benvloeden het weerspatroon op een complexe wijze. Sumba behoort tot de ruigere gebieden van Indonesi. Het is geen groot eiland. Sumba meet nauwelijks een derde van Nederland. Het is 210 km lang en 40 tot 70 km breed, maar het kent opvallende regionale verschillen. Het eiland is verdeeld in twee districten: Oost-Sumba dat 2/3 van het oppervlak beslaat maar slechts 1/3 van de bevolking omvat, en West-Sumba dat de meerderheid van de bevolking herbergt. De verschillen in landschap tussen Oost en West zijn opmerkelijk en vinden voornamelijk hun oorsprong in de jaarlijkse hoeveelheid regenval. Het rotsige en bergachtige oosten (hoogste piek de Wanga Meti 1225m) wordt doorsneden met ravijnen en is droog en kaal. Het westen is groener en vruchtbaarder. FLORES Op Flores zijn de westelijke gebieden iets natter dan de oostelijke. De noordwestelijke moesson begint hier eerder en eindigt later dan in het oosten. De noordelijke kusten zijn over het algemeen droger dan die in het zuiden. De droge Australische luchtmassas die het noorden eerst bereiken worden door de bergketens omhoog getild om uiteindelijk in het zuiden tot regenval over te gaan. Vanwege dit verschijnsel zullen vlakke eilanden relatief droger zijn omdat er geen hoge gebieden zijn die een opstijging van warme lucht veroorzaken. Kleine bergketens of individuele bergen benvloeden het weerspatroon op een complexe wijze. LOMBOK Op Lombok zijn de westelijke gebieden iets natter dan de oostelijke. De noordwestelijke moesson begint hier eerder en eindigt later dan in het oosten. De noordelijke kusten zijn over het algemeen droger dan die in het zuiden. De droge Australische luchtmassas die het noorden eerst bereiken worden door de bergketens omhoog getild om uiteindelijk in het zuiden tot regenval over te gaan. Vanwege dit verschijnsel zullen vlakke eilanden relatief droger zijn omdat er geen hoge gebieden zijn die een opstijging van warme lucht veroorzaken. Kleine bergketens of individuele bergen benvloeden het weerspatroon op een complexe wijze. Zoals op Lombok waar de Rinjani een regenschaduw over Zuid-Lombok veroorzaakt. De Rinjani ontvangt maar liefst 3500 mm per jaar terwijl het zuiden het gebied in de regenschaduw, slechts 700 mm krijgt. FLORA & FAUNA Een reiziger die na een bezoek aan het westelijke gedeelte van de Indonesische archipel in Nusa Tenggara terecht komt, zal verbaasd zijn over het droge en overwegend kale landschap op de meeste eilanden. Vooral in de droge maanden (april september) valt er met moeite iets groens te ontdekken. Uitzonderingen hierop zijn bepaalde gebieden op Flores, het westelijke en centrale gedeelte van het eiland Lombok en de plukjes bos, die op elk eiland in de hogere regionen te vinden zijn. Ondanks het schaarse groen bezit Nusa Tenggara echter een heel eigen schoonheid. Door de relatief grote afstand tot het Aziatische en Australische continent, het droge klimaat en het kleine oppervlak van de eilanden, zijn de flora- en faunasoorten in Nusa Tenggara niet ruim vertegenwoordigd. De eilandengroep valt in het overgangsgebied tussen de Aziatische en Australische flora en fauna, het zogenaamde Wallaceagebied. Lombok is het eerste eiland ten oosten van de zogenoemde Wallace-lijn. Ten westen van deze lijn komt alleen een Aziatische flora en fauna voor. Australische bomen zijn onder andere gombomen (Eucalyptus Alba en E. Urophylla). De acaciasoorten zijn van Aziatische afkomst. Heel typerend voor de flora van Nusa Tenggara zijn de palmbomen lontar en gebang. Lontar wordt in alle droge delen van Zuidoost-Azi en ook in Afrika, India en Australi aangetroffen. De boom is herkenbaar aan zijn dichte kroon van blauwgroene, waaiervormige bladeren, waarop in het tijdperk voor de uitvinding van papier werd geschreven. Ook het blad van de gebang werd gewaardeerd als papier. Gebang lijkt op lontar maar de bladeren, blad- en bloemstengels zijn groter en de vruchten zijn kleiner. De endemische sandelbomen leveren de aromatische sandelolie, die al eeuwenlang handelaren van heinde en verre heeft aangetrokken. De boom is vrij groot en groeit in betrekkelijk droge savannebossen. Jonge sandelhoutboompjes leven als parasiet op andere planten. Vooral op het eiland Timor zijn nog sandelhoutbossen te vinden. Twee (ingevoerde) boomsoorten, die het goed doen in het droge klimaat van Nusa Tenggara, zijn de tamarinde (asam) en de teakboom (jati). Tamarinde is een onmisbaar ingredint in de Indonesische keuken; heel wat vlees en vis wordt gemarineerd met asam. Van de teakboom wordt het kwalitatief uitstekende hout gebruikt voor de fabricage van meubels. Veel soorten grote(re) dieren zijn er in Nusa Tenggara niet te vinden. Er zijn apen, civetkatten, varkens en herten, die jaren geleden door de mens gentroduceerd werden. De vogelwereld vertoont sterke overeenkomsten met die van Australi, er zijn papegaaien, kaketoes, honingeters en lederkoppen. Endemische zoogdieren en reptielen zijn: een viertal vruchtenetende en twee insectenetende vleermuissoorten, een spitsmuis, de Flores - reuzenboomrat, de donkere Timorese python en natuurlijk de wereldberoemde, bloeddorstige Komodo varaan. In de bossen op Sumba vind je een grote verscheidenheid aan boomsoorten. Ze bieden een uitstekend leefklimaat voor endemische vogels, vlinders, kikkers en reptielen. In een onderzoek van Birdlife International werd Sumba uitgeroepen als een van de meest belangrijke endemische vogelgebieden. Er komen 8 inheemse vogelsoorten voor en 21 oorspronkelijke subsoorten. Een van de 4 sub soorten is de Sumba Cockatoo die alleen op Sumba voorkomt. Door bomenkap en commercile vogelhandel wordt dit soort helaas met uitsterven bedreigd. De Komodo varaan De Komodo-varaan (kortweg Komodo genoemd) of ora, zoals hij in het dialect heet, is een van s werelds oudste soorten en sterk verwant aan de prehistorische dinosaurirs van 100 miljoen jaar geleden. De ora is met zijn lengte tot 3 meter en een gewicht tot meer dan 50 kg de grootste onder de varanen. Zijn voorvaderen die een lengte van zeker 7 meter en een gewicht van tenminste 650 kg bereikten bewoonden zon 30.000 jaar geleden Australi. Hij komt voor op de eilanden Komodo en Rinca.

De Komodo heeft een gedrongen lichaamsbouw en een brede, spits toelopende kop. Zijn hals is lang en slank en hij is in het bezit van een met grijszwarte schubben bedekte huid. De krachtige kaken dragen de naar achter gerichte tanden. Met zijn vier poten kan hij hard lopen, zijn tenen bestaan uit lange, scherpe klauwen. De staart is een belangrijk orgaan, omdat de varaan hem gebruikt om mee te sturen en te roeien, maar ook om mee te grijpen of te slaan. Varanen zijn koudbloedige dagdieren. Ze hebben de zon nodig om op te warmen. Eenmaal opgewarmd komen ze in volle actie. Door de sterke kronkelende bewegingen van lichaam en staart komen ze snel vooruit in het water, dat een veilig toevluchtsoord voor de dieren is. Geluidloos kunnen ze zich in het water laten zakken. Ze zijn ook in staat om te duiken en over de bodem van de zee te lopen, waarbij ze lange tijd onder water kunnen blijven. De Komodo vlucht ook wel eens in zijn hol onder de grond. Als een varaan zich in het nauw gedreven voelt, kan hij een gevaarlijke tegenstander worden, die niet terugdeinst voor vijanden die groter zijn. Hij tracht zich dan zo indrukwekkend mogelijk te maken, waar hij ook bijzonder goed in slaagt. De varaan bedreigt zijn tegenstander door zijn bek open te sperren en luid te snuiven en te sissen. Zijn hals zwelt op en ook zijn lichaam wordt als het ware ritmisch opgeblazen om vervolgens aan de zijkanten weer plat te worden. Als hij werkelijk van plan is om aan te vallen, gaat hij op zijn achterpoten staan. Met zijn staart kan hij rake klappen uitdelen. Zijn gevaarlijkste wapen is echter zijn sterke kaken en zijn messcherpe klauwen. Als de Komodo echt opgewonden raakt, moet men niet verbaasd staan te kijken als hij plotseling zijn voedsel uitbraakt of zich luidruchtig begint te ontlasten. Bij de concurrentiestrijd tussen twee mannetjes gaat het er niet zo heftig aan toe. Beide varanen staan op hun achterpoten en trachten de tegenstander om te duwen. De Komodo voedt zich met dierlijk voedsel zoals eieren, kikkers, vogels, ratten en slangen. Maar hij vergrijpt zich ook graag aan geiten, herten en wilde zwijnen. Wanneer de Komodo zijn prooi te pakken heeft schudt hij haar tegen de grond. Vervolgens verscheurt hij zijn prooi en slokt gulzig grote stukken tegelijk met behulp van zijn poten naar binnen. Een varaan kan zijn onder en bovenkaak onafhankelijk van elkaar bewegen, zodat enorme brokken vlees zonder meer weggeslikt kunnen worden. Hieraan heeft het dier zijn reputatie van vraatzuchtig monster te danken. De eetlust is ook buitensporig groot; een hongerige Komodo-varaan kan per dag 80% procent van zijn eigen lichaamsgewicht aan voedsel eten. Zoals veel reptielen kunnen ze echter ook lange tijd zonder voedsel. Interessant is dat bijna alle grote prooidieren in vroegere tijden door de mens op de eilanden zijn gentroduceerd, zodat het niet duidelijk is wat de Komodo-varanen voor die tijd aten. Misschien de kleine Pleistocene olifanten die toen hier leefden. Een onmisbaar hulpmiddel voor de Komodo om zijn prooi (ook dode dieren) te vinden, is zijn lange gevorkte tong, waarmee hij net als een slang kan ruiken. Als de varaan met zijn maaltijd klaar is, likt hij zijn snuit met zijn tong af en wrijft zijn kop langs de grond. De tong heeft ook een functie in het voortplantingsgedrag. Een mannetje loopt achter een vrouwtje aan en zoekt contact door met zijn kop rukkend zigzagbewegingen ten maken. Hij bestijgt het vrouwtje en klampt zich met zijn achterpoten aan haar vast, terwijl hij met zijn tong haar nekstreek likt. Als het paartje flink opgewonden raakt, kan het mannetje haar zelfs een nekbeet geven, die een flinke huidverwonding kan veroorzaken. Het paarseizoen valt in de maanden mei tot juli. De sociale hirarchie, die erg belangrijk is, wordt hier versterkt door het vechten tussen dominante mannetjes om de vrouwtjes. Het vrouwtje begraaft haar eieren in de periode juli tot september in nesten onder de grond. De eieren hebben een lengte van 12 cm en wegen 200 gram per stuk. Het duurt zon 8 maanden voordat de eieren uitkomen. Er worden drie keer zo veel mannetjes als vrouwtjes geboren. De jonge reptielen zijn gemiddeld 40 cm lang, wegen nog geen 100 gram en hebben een groen en gelige gespikkelde huid. De eerste levensmaanden brengen ze door in de bomen. De Komodo-varaan is een beschermde diersoort. Dat is geen overbodige luxe. De enige grote vijand van de Komodo is de mens, hoewel wilde honden ook een bedreiging vormen voor met name de jonge individuen. Er wordt intensief jacht gemaakt op het hoofdvoedsel van de varaan, herten en wilde zwijnen. Hierdoor moeten de varanen steeds meer moeite doen om hun maag te vullen. Omdat de Komodo de grootste onder de varanen is, is hij nogal populair bij dierentuinen. Sommige exemplaren hebben naam gemaakt door de tamheid die ze in gevangenschap tentoonspreiden. Als ze goed verzorgd worden, kunnen de varanen zelfs hun verzorger herkennen en leren luisteren naar hun roepnaam. Verder zijn ze in het bezit van een uitstekend geheugen en orintatievermogen. De Komodovaraan is een zeer bijzonder dier, dat de aandacht en bescherming van de mens verdient. De lontarpalm Het leven van de bewoners van Nusa Tenggara, vooral die van de kleinere eilanden Sawu en Rote, draait grotendeels om een boom; de lontarpalm. Een boom die zich uitstekend weet te handhaven in gebieden die weinig regen ontvangen. Op de giftige wortels na worden alle delen van de lontarpalm gebruikt om in het dagelijkse levensonderhoud van de bevolking te voorzien. Van het hout worden huizen gebouwd, meubels gemaakt, tabakspijpen, doodkisten en nog veel meer. Van de bladeren, die een lengte van een meter kunnen bereiken, worden manden gevlochten, maar ook hoeden, hekken, kommen en muziekinstrumenten. Een voorbeeld van het laatste is de sasando, die vooral op West- Timor and Rote voorkomt. In vroegere tijden, nog voordat de Portugezen papier introduceerden, werden de bladeren gedroogd en beschreven met inkt, die gemaakt was van kemiri-noten en as. Gebruikt als mest houden de lontarbladeren in het droge seizoen het vocht in de bodem vast. Buiten deze praktische toepassingmogelijkheden is de lontarpalm van onschatbare waarde in de keuken. Het sap van de palm wordt door de mannen geoogst. Daartoe klimmen ze s ochtends vroeg de boom in en maken met een mes een inkeping in de bloemstelen bovenin de boom. Het sap dat eruit sijpelt, wordt opgevangen in manden (vaak ook weer gemaakt van lontarbladeren), die onder de inkepingen worden gehangen. s Avonds worden de manden weer uit de boom gehaald. Een palm begint met de productie van sap op een leeftijd van 10 15 jaar en zal gedurende zon 30 jaar 6 tot 7 liter sap per dag produceren. Het sap kan vers gedronken worden en is dan zoet en verfrissend. Indien men het sap laat gisten, wordt het palmwijn of tuak (laru). Door het sap te destilleren ontstaat een sterk alcoholische goedje sopi. Een andere mogelijkheid is het sap inkoken tot een lobbige siroop. Van de siroop wordt een voedzame soep gemaakt. Als de siroop nog verder wordt ingedikt, ontstaat er rood gekleurde suiker. Van het fruit van de lontarpalm wordt weinig gebruik gemaakt. Het vindt wel zijn weg als smaakmaker in eigengestookte gin. In sommige plaatsen op West-Timor en Flores worden de doorschijnende vruchten (met een kokosachtige smaak) als snack aangeboden. LANDGEBRUIK Op de Sunda-eilanden zijn rijstterrassen duidelijk minder dominant aanwezig dan op Java en Bali. Door het droge klimaat van de eilanden is de verbouw van rijst moeizaam. Alleen daar waar de velden gerrigeerd kunnen worden treft men rijst aan. Op Lombok is daarom intensieve rijstteelt nog wel mogelijk, maar op de overige eilanden vindt de rijstbouw slechts op kleine schaal plaats. Doordat rijst slechts een klein gedeelte van de bevolking in Nusa Tenggara kan voorzien in hun levensonderhoud verbouwen ze een tal van andere gewassen die beter bestand zijn tegen het droge klimaat.

Mas is een belangrijk landbouwproduct vooral in de oostelijke eilanden van Nusa Tenggara. Op Flores worden maskolven op een geordende manier aan gladde palen gebonden zodat de mas goed kan drogen en knaagdieren ze moeilijk kunnen bereiken. Cassave is een knolgewas dat in veel klimaten en in verschillende soorten bodems goed gedijt en dus ook in Nusa Tenggara. De verbouw vindt niet plaats in grote plantages maar meestal in eigen tuinen. Zowel het jonge blad als de wortel is na bereiding goed eetbaar. Kokospalmen (voor de productie van kokosolie) wuiven op elk eiland aan de meeste kustplaatsen. Zoete aardappelen en sojabonen op braakliggende rijstvelden zijn andere veelvuldige voorkomende landbouwgewassen. De tropische Amerikaanse cashew is een kleine en droogte resistente boom. Hij groeit goed in klimaten met een afwisseling van seizoenen en heeft geen probleem met nutrintarme gronden. Vooral op Flores treft men cashewplantages aan. Aangezien echter de verwerking van de noten arbeidsintensief is en de verkoop problemen opleverden, vond de verbouw in het verleden slechts op kleine schaal plaats. In de jaren 90 startte de regering met een programma om zowel de verbouw, de verwerking en de verkoop van cashewnoten in oostelijk Indonesi te bevorderen. Sindsdien is het aantal hectaren beplant met cashewbomen aanzienlijk toegenomen. De wereldwijd hoog gewaardeerde cashewnoot valt op door de manier waarop hij aan de boom groeit. De noot, die zich in een niervorming vruchtje bevindt, staat op een sterk gezwollen, roestbruinkleurig (indien rijp), vlezige vruchtsteel (schijnvrucht). Deze tot ongeveer acht cm grote schijnvrucht ziet er veel aantrekkelijker uit dan de eigenlijke, veel kleinere, groene vrucht. De schijnvrucht wordt jambu mede genoemd en heeft vooral vanwege zijn beperkte houdbaarheid (de vrucht is na 24 uur al rot) een geringere economische waarde dan het nootje. Deze sappige, maar zure en soms zelfs wrang smakende vrucht wordt dan ook vrijwel meteen na het plukken verwerkt tot jam, sap of azijn. Onbereid wordt hij weinig gegeten. De acajouboom (Anacardium occidentale), waar de cashew aan groeit, werd zon 430 jaar geleden door een Portugese zeeman uit Brazili naar India gebracht. Van hieruit verspreidde de boom zich naar andere Aziatische en Afrikaanse gebieden. De Nederlandse naam is een verbastering van het Indiase woord kajoe, dat in het Engels cashew is geworden. In het Indonesisch heet de boom pohon jambu mente, kacang mete, of kacang monyet. De boom, die onder gunstige omstandigheden tot 12 meter hoog kan worden, neemt genoegen met een arme, zurige zandgrond. Zelfs in de buurt van verlaten tinmijnen of kalkgronden gedijt de boom. Doordat het wortelstelsel tot diep in de aarde groeit, is de boom geschikt om erosie tegen te gaan. De enigszins langwerpige blaadjes hebben een ronde top, zijn lichtgroen en hebben een glad oppervlak. De vele kleine bloemen zijn rozerood en verspreiden een fijne, aangenaam zoete geur. De schijnvrucht en de echte worden tegelijkertijd geplukt (tegen het eind van het jaar) en zo snel mogelijk gescheiden om rotting te voorkomen. Het vruchtje wordt gewassen, gesorteerd en gedroogd. Vervolgens moeten de drie laagjes die de cashewnoot omgeven, worden verwijderd. Het tweede laagje, meslokarp, bevat een dikke olie, minyak laka of CNSL (cashew nut shell liquid), die gewonnen wordt door middel van stoomdistillatie. De olie wordt op verschillende manieren medicinaal toegepast. Zo gebruiken indianen het als trekpleister. Op hout gesmeerd kan de vloeistof, die polymeriseert tot een soort rubber, worden gebruikt als bescherming tegen termieten. Wordt de olie zo geconsumeerd, dan heeft dit een irriterende werking op de keel. Als de olie gewonnen is, wordt de vrucht met de hand geopend en het zaad, de cashewnoot, eruit genomen. De geroosterde noten, zijn zowel zoet als zout een gewaardeerde, maar prijzige lekkernij. Niet alleen de vrucht en de schijnvrucht vinden hun toepassingen. De bast bevat een bruinkleurige vloeistof, die bij blootstelling aan zuurstof zwart wordt en in die hoedanigheid als inkt of verfstof gebruikt kan worden. Met een aftreksel van de bast wordt gegorgeld, waardoor mondzweertjes verdwijnen. Uit de stam wordt hars gewonnen, waarmee zowel boeken worden gelijmd als motten worden afgeschrikt. Het jonge blad wordt in Java als lalap (rauwe groente die veelal visgerechten vergezeld) gegeten en het oude blad schijnt brandwonden te kunnen genezen. Ten slotte is er de wortel, waarvan een aftreksel de maag zuiver (lees: buikloop veroorzaakt). Vooral op OostSumba is de cashew noot te vinden die gemiddeld iets groter is. Oost-Sumba leeft vooral van de verkoop van karbouwen en (zout)watervissen, lontarproducten en mas. West-Sumba is veel dichter bevolkt en produceert kapok, pinang noten en tabak. Het westen heeft meer bronnen en rivieren en het land is dus geschikter voor de landbouw. Het basisvoedsel is rijst, mas en knollen. Producten als indigo en katoen gedijen goed in de warme, vochtige kustvlakten. Aan het eind van het droge seizoen, als er in de kustvlakten gebrek aan voedsel ontstaat, trekken de kustbewoners naar het binnenland om textiel, zout, kokosolie en vee te ruilen tegen rijst en mas. Zijn in het binnenland de voedselvoorraden op dan trekken zij op hun beurt naar de kust. Op Flores ziet men hier en daar vanilletuinen. Vanille is een vanuit Zuid-Amerika ingevoerde orchideensoort. Bevruchting van de bloemen vindt met de hand plaats omdat de natuurlijke bestuivers in Indonesi ontbreken. De zaadpeulen moeten eerst een langdurig fermentatieproces ondergaan alvorens het aromatische kristal vanilline zich afzet tegen de binnenwand. Koffietuinen komt men in Nusa Tenggara in de hogere en koelere bergstreken tegen zoals het gebied rond Ruteng, Flores. Kokospalmen (voor de productie van kokosolie) wuiven op elk eiland aan de meeste kustplaatsen. Zoete aardappelen en sojabonen op braakliggende rijstvelden zijn andere veelvuldige voorkomende landbouwgewassen. Veeteelt Naast bovenstaande landbouwproducten is er ook de veefokkerij. Het overgrote deel van de koeien die op de eilanden grazen is afkomstig uit Java en Bali en gentroduceerd in het begin van de twintigste eeuw. Dit zogenaamde Bali rundvee, Bos javanicus, is licht of donkerbruin. Het zijn antilopeachtige dieren en hebben het wilde vee, de banteng, als voorouders. Hierdoor is het Bali rundvee goed aangepast aan de warme klimaatomstandigheden en behoudt ook onder voedselstress een hoge reproductie snelheid (elk half jaar een kalf). De meeste koeien worden gexporteerd naar Java en Bali waar ze geslacht worden voor de vleesconsumptie, vooral tijdens religieuze islamitische feestdagen. Ook waterbuffels worden overal in Nusa Tenggara gehouden. De buffels worden als werkdieren gebruikt om onder andere land om te ploegen, met name Sumbawa bezit over een aanzienlijke veestapel. De buffels worden als werkdieren gebruikt om onder andere land om te ploegen. Paarden werden al vanaf 1500 gefokt en gexporteerd vanuit Sumbawa en Timor. Sinds de negentiende eeuw eist ook Sumba een belangrijk aandeel in deze export op. De werkpaardjes op Lombok, die voornamelijk voor een cidomo worden gezet komen uit Sumbawa. In toenemende mate worden de inheemse paardjes gekruist met gemporteerde Australische hengsten. De nakomelingen worden ingezet tijdens in populariteit toenemende paardenraces. Vlees wordt op Sumba alleen gegeten tijdens ceremonile aangelegenheden. In het westen zijn runderen en varkens te vinden. Waterbuffels zijn op Sumba zowel voor de droge als voor de natte rijstbouw van belang. In het oosten leggen ze zich meer toe op de handel dan op de landbouw en houden om die redenen meer paarden dan buffels. Over het hele eiland zijn de grootte van een kudde en de status van mensen en hun familie nauw met elkaar verbonden. In Oost-Sumba toont een man van adel zijn rijkdom door een groot aantal paarden. In West-Sumba wordt het aanzien van een man van vergelijkbare stand bepaald door een groot aantal buffels. Buffels en paarden, zo menen de Sumbanezen, delen bepaalde eigenschappen zoals bv moed en kracht met hun eigenaars.

TOEPASSING VAN NIET- HOUTPRODUCTEN Commercile houtkap vindt in geringe mate plaats en de opbrengsten komen ten goede van grote kapbedrijven. Voor de lokale bevolking zelf zijn de overige bosproducten, de zogenaamde niethoutproducten van groot belang. Honing en bijenwas zijn al sinds eeuwen bekende producten van de Sunda-eilanden. Tegenwoordig is de honing van Sumbawa alom populair. Kleinschalige projecten proberen het houden van bijen te stimuleren. Het collecteren van honing en was uit het bos is een moeizame taak, maar levert wel heerlijke honing op. Zowel bamboe en de scherpe alang-alang zijn leden van de grassenfamilie. De vele soorten bamboe vormen wellicht een van de belangrijkste niet houtproducten. De stevige holle stengels worden voor uiteenlopende zaken gebruikt zoals voor het bouwen van huizen, het vervaardigen van meubels, de jacht (met scherp gemaakte bamboestokken), kunstvoorwerpen, muziekinstrumenten, waterleidingsystemen etc. De Lio mensen van Flores gebruiken een bepaalde bamboesoort tijdens ceremonin die in verband staan met de levenscyclus. Deze bamboesoort groeit hoger dan andere soorten en men neemt aan dat de top tot de hemel reikt. Alang-alang is vrijwel onverwoestbaar scherp gras dat op arme, uitgeputte gronden groeit is een uitstekende dakbedekker). Rotan, stekelige klimmende palmen, groeien maar matig in de bossen van Nusa Tenggara, alleen de bossen van de Rinjani (Lombok) en het zuidwesten van Sumbawa leveren een beperkte hoeveelheid aan rotan op.Het wordt in eerste plaats gebruikt in de meubelindustrie. De kleine Sunda-eilanden produceren twee soorten geurend hout: gaharu en sandelhout. Gaharu is een soort hars dat gevormd wordt als de bast van bepaalde bomen is beschadigd en het hout gaat rotten. Verzamelaars kunnen aan de buitenkant van een boom niet zien of er gaharu in zit of niet, vele bomen worden dus voor niets omgekapt. Als een gevelde boom gaharu bevat moet het hout voorzichtig en langzaam worden gedroogd. Gaharu is een zeldzaam en kostbaar product. Op Sumbawa wordt mondjesmaat gaharu gezocht. De geurende sandelhoutboom komt van oorsprong voor in de droge open bossen tussen 300-1300 meter van Sumba, Timor, Flores, Wetar (Zuidoost Molukken) en omringende eilanden. Men dacht eerst dat de boom zijn oorsprong vond in India, maar nu neemt men algemeen aan dat de sandelhoutboom vanuit Indonesi naar India is gebracht. Het is een langzaamgroeiende boom die een hoogte van 15 meter kan bereiken met een maximum stamdiameter van 30 cm. De boom is een semi-parasiet en is afhankelijk van een gastplant voor zijn voeding totdat hij volwassen is. Deze groeiomstandigheden alsmede het feit dat de boom veel licht nodig heeft maakt het moeizaam om plantages op te zetten en te onderhouden. Toch steekt men veel energie in het aanleggen van plantages, omdat de opbrengst hoog is. Het sandelhout dat nu wordt gexporteerd komt dan ook grotendeels van plantages. Tegenwoordig blijft er veel sandelhout in Indonesi zelf, aangezien de vraag naar beeldjes gesneden uit dit hout toegenomen is. Kayuputih olie wordt onttrokken aan de boom Melaeuca cajuputi (dezelfde familie als de kruidnagel). De olie is sterk ruikend en heeft vooral medicinale toepassingen. Tegen de noordgrens van het Rinjani Nationaal Park op Lombok is in 1992 begonnen met de aanleg van kayuputihplantages. Een van de belangrijkste producten van het bos voor de lokale bevolking is brandhout. Het overgrote deel van de plattelandsbevolking is op hout aangewezen voor koken en verlichting, en zelfs van de stedelijke bevolking kookt een aanzienlijk aantal met hout. Kleine industrien zoals pottenbakkerijen, baksteenbakkerijen, kalkovens gebruiken ook aanzienlijke hoeveelheden brandhout. De populariteit van aardewerken potten, die met een houtvuur worden verhit, legt een grotere druk op de brandhoutvoorraden. Het verzamelen van brandhout is dan ook een verdienstelijke bezigheid. Herbebossingsprogrammas die hier en daar op touw worden gezet werken nu dan ook zoveel mogelijk met boomsoorten die bruikbaar zijn voor brandhout. SIRIH Het kauwen of pruimen van sirih is sinds lange tijd een algemeen gebruik. Al lopend op een markt of door een kampung zijn de oudere vrouwen met een rood gekleurde mond en zwart gekleurde tanden talrijk. Ook de vele bloedrode plekken op de grond, als gevolg van het uitspuwen van het door de sirih gekleurde speeksel, lopen in het oog. Sirih, een pruim bestaande uit slechts enkele plantaardige ingredinten is een probaat middel tegen een hongergevoel, een medicijn voor uiteenlopende ziekte maar bovenal een onmisbaar gebruik om de sociale banden te versterken. Het sirihkauwen Voor het kauwen of pruimen van sirih zijn diverse bestanddelen nodig: de arecanoot of pinang (vaak ten onrechte betelnoot genoemd), een of twee bladeren van de betelplant en kalk. Vaak wordt er nog een vierde ingredint aan toegevoegd namelijk gambir. Het toevoegen van (pruim) tabak komt wat minder vaak voor. De kalk wordt met water vermengd tot een pasta die op een betelblad gelegd of gesmeerd wordt. Daar weer bovenop komen stukjes of schaafsel van de arecanoot en van gambir. Het geheel wordt in een hapklaar pakje gevouwen en in de mond geduwd. In sommige gevallen wordt het betelblad vervangen door de vrucht van dezelfde plant. Deze is dun en langwerpig en lijkt op het vruchtbeginsel van de ons bekende hazelaar. In de volksmond wordt deze buah ( = vrucht) genoemd. Door het kauwen van de sirihingredinten, wordt de speekselaanmaak geactiveerd en de mondholte krijgt een donkerrode kleur. Het lijkt er dan op alsof iemands mond vol zit met bloed. Ook de klodders speeksel die men na het kauwen uitspuugt, doen aan bloed denken. De prachtige arecanootpalm (Areca catechu linn) heeft een dunne, zeg maar iele stam, die een hoogte tot 30 meter kan bereiken en een diameter van 30 cm. De palm gedijt, in de lagere kuststreken het beste. Als de temperatuurverschillen niet te hoog zijn, komt hij ook op grotere hoogten voor. Bovenaan bevindt zich het gebladerte dat de noten (in bosjes) herbergt. De noot, die wel wat van een eikel weg heeft, is rond tot ovaal van vorm en 5-7 cm lang. De kleur gaat van groen naar bruin. Het hart wordt gebruikt voor de pruim. In wezen is deze vrucht een miniatuur kokosnoot, waarbij een vezelrijke laag de noot omwikkelt. Een boom kan 300 1000 noten per jaar produceren. De kalk is afhankelijk van wat de natuurlijke omgeving te bieden heeft, afkomstig van kalkrotsen, zeeschelpen, slakkenhuisjes, koraal e.d. De ingredinten worden tot poeder gestampt of gemalen, gewassen om onzuiverheden er uit te halen en vervolgens gedroogd in de zon. Alvorens gebruik wordt de kalk vermengd met water tot een pasta (in deze vorm kun je het vaak ook op de markt kopen). Soms wordt kokosolie toegevoegd om de substantie lekker smeerbaar te maken. In theorie zijn deze twee ingredinten, de pinangnoot en de kalk al voldoende om de nodige gewenste effecten tijdens het kauwen te verkrijgen. Maar een sirihpruim wordt vrijwel altijd samen met een betelblad en/of de betelvrucht gekauwd. De bijbehorende plant is de Piper betle, ofwel familie van de peperplant. Het is een klimplant die een hoogte van 3-4 meter kan bereiken en een grote hoeveelheid scherpgepunte en enigszins geribbelde bladeren produceert. De nerf in het midden is vrij dik, vaak wordt deze weggehaald (door middel van de lange nagel van de rechterduim). De samengestelde vruchten lijken veel op die van de peper, alleen vormen zich geen besjes. Aangezien het betelblad vaak het meest zichtbare is van de pruim noemde de eerste Europeanen die met sirih in aanraking kwamen de noot naar het blad. En dit wordt tot heden toe nog vaak gedaan. Een vierde ingredint die vaak de hier boven beschreven drie andere onderdelen begeleidt

is een pale en grondachtig substantie die gambir genoemd wordt (gambier, pale catechu, of terra japonica). Dit product wordt verkregen door het koken van de bladeren van een tropische struik, Unicaria gambir (de naam gambir wordt ook gebruikt voor het aftreksel van de bladeren van de Acacia catechu, een groente die een donkere substantie produceert dat gebruikt wordt in de olie-industrie). Het extract wordt boven vuur ingedikt en in mallen gegoten waarna de hard geworden substantie in blokjes wordt gesneden. De sirihpruim als communicatiemiddel en als onderdeel van het sociale en religieuze leven Sirih is een communicatiemiddel en een uiting van gastvrijheid bij uitstek. Door het aanbieden van sirih geeft men aan dat er een sociale binding met de betreffende persoon bestaat of tot stand komt. Zo worden vreemdelingen er ook op onthaald. Door als bezoeker sirih aan te bieden aan de gastvrouw/heer is het gemakkelijk om het ijs te breken. Tijdens een vergadering van oudere komt ook vaak het zakje of het speciaal daarvoor bestemde kistje, dat vaak al generaties in de familie is, te voorschijn met de sirihingredinten overzichtelijk geordend. Ook de geesten van de voorouders die in vele gemeenschappen nog een belangrijke rol spelen worden verwelkomd met sirih. Dit is een onmisbaar gebaar om assistentie aan hen te vragen. Het sirihkauwen is een gewoonte die vooral door oudere vrouwen wordt nageleefd. Mannen nemen genoegen met een sigaret en als ze sirih kauwen, net als jongere mensen, dan poetsen ze snel hun tanden. Een rode mond en zwarte tanden passen niet bij het moderne image. Sirih als genotmiddel en medicijn In aanvulling op de sociale en religieuze gebruiken van sirih, kauwen mensen het goedje ook voor heel andere redenen. Het pruimen geeft een mild euforisch en ontspannen gevoel. Daarnaast zorgt sirih voor een verminderd hongergevoel, versterkt het tandvlees, neutraliseert het de maagzuren en heeft het een antiseptische werking. De arecanoot behoort voor sommige tot de (hete) afrodisiaca, terwijl het betelblad koud is. Het koele blad zorgt in combinatie met de noot ervoor dat hete ziektes als hoofdpijn en koorts opgeheven worden. Het blad en de noot complementeren elkaar als het ware, zorgen voor de harmonie en de balans in het lichaam. Als medicijn voldoen de ingredinten, apart of gecombineerd met elkaar ook uitstekend. De arecanoot wordt al eeuwen gebruikt als medicijn tegen wormen in de ingewanden. Het maakt de adem zoeter en versterkt het tandvlees en verbeterd de smaak. Gebrande en fijngestampte noten worden gebruikt als tandpasta. De noten worden ook gebruikt bij zweren, bloedend tandvlees en als een lotion voor de ogen. De medische werking van het betelblad, volgens lokale mensen, is uitgebreid. Het geneest geslachtsziektes, stopt een bloedneus, gaat nare lichaamsgeuren tegen en geneest sneden en brandwonden. Gambir wordt gebruikt bij de behandeling van diarree, brandwonden, spit, ischias en als gorgeldrank voor de keel. In de industrie wordt gambir tot kleurstof verwerkt (bruin en rode kleuren). Deze kleurstoffen ontwikkelen een intensere kleur als ze blootstaan aan de lucht (oxidatie). Gambir vindt zijn gebruik ook als materiaal om leer te looien. HET TROPISCHE RIF Een koraalrif is een oase in een blauwe woestijn. Een plek die bescherming en voedsel biedt in een oceaan waar de belangrijkste benodigdheden beperkt zijn. Het rif zelf is een levend, alsmaar groeiend organisme. Opgebouwd uit dieren die alle samen werken aan de grootste biologische structuur op aarde. Het is zo groot dat het het enige natuurmonument is dat zichtbaar is vanuit de ruimte. Het gehele tropische oceaan ecosysteem is afhankelijk van het rif voor zijn voortbestaan. Een koraalrif is voornamelijk een solide hoop van kalksteen. Opgebouwd uit de skeletten van enkele soorten koralen en aangevuld door kalksteenafzettende algen. Een proces dat al eeuwen aan de gang is en dat voor een stevige en onverwoestbare kalkbasis heeft gezorgd. Wanneer deze kalksteenafzetting omhoog wordt gedrukt door de krachten der aarde worden er eilanden gevormd. De talrijke levende koralen en andere rifdieren en -planten geeft aan dat het proces van kalksteenafzetting voortdurend aan de gang is. Verscholen in deze blijkbare dode kalksteenstructuur bevinden zich dieren en planten die graven en begraven. Wormen, sponzen, mosselen, bacterin en algen, elk van hen speelt een rol in de opbouw en afzetting van kalksteen. De talloze vissen zijn opgenomen in het ingewikkelde voedselweb van het rifecosysteem. Rifgemeenschappen van planten en dieren worden meestal verdeeld in de rifbouwers en de rifbewoners. De rifbouwers zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling en opbouw van het rif. De rifbewoners vormen een symbiotische relatie door het gebruik van afval van andere dieren en fotosynthese (vorming van voedsel uit koolzuur in groene planten, door inwerking van licht) geeft het koraal de voeding om te groeien. Het kristal heldere tropische water is nutrint arm. De vreemde en gevarieerde vormen van de leden van een koraalrifgemeenschap staan een ieder toe om een niche te vullen in een complexe nutrintencyclus. Aan het begin van de cyclus worden nutrinten via het proces van fotosynthese door algen en planten gevangen en vastgehouden. Aan het einde van de voedselketen staan de grote vissen zoals de barracuda die op scholen vissen jaagt. De uitwerpselen van deze predator worden teruggebracht in het rifecosysteem. Koraalgroei en de formatie van riffen De biologie van koralen Het grootste deel van de rifbouwende koraalsoorten behoren tot de orde van de Sleractinia, wiens leden harde kalkskeletten afscheiden. De eenvoudigste vorm van een koraaldier is een poliep die lijkt in structuur en functie op een zeeanemoon. De grootte van een individuele poliep varieert van minder dan een millimeter tot meer dan 50 cm. Samen met soortgenoten kunnen ze massieve kolonies vormen. Hun lichaamsbouw is eenvoudig; bestaande uit een cilindervormig of een zakvormig lichaam met zes tentakels of een meervoud van zes. De wand bestaat uit drie lagen. De binnenlaag wordt het endotherm genoemd en speelt een rol in de vorming van het kalkskelet, de buitenlaag of het ectoderm bevat cellen die de poliep moeten beschermen tegen aanvallers; de derde laag ten slotte bevindt zich tussen het ectoderm en endotherm en zorgt voor een soepele beweging van de poliep. Door de mond, die omringd wordt door de tentakels, wordt voedsel opgenomen en ook weer uitgescheiden. Rifbouwende koralen hebben grote hoeveelheden aan zonlicht nodig en groeien alleen in water met een temperatuur tussen 18 en 33 graden Celsius. Daarom treft men koralen alleen aan in tropische wateren. Naast deze externe factoren speelt een symbiotische relatie met een bruine alg een onmisbare rol in de ontwikkeling en voortbestaan van het koraal. Deze algen, zooxamthellae genoemd, bevinden zich in de buitenwand van een koraalpoliep (ectoderm) en zijn noodzakelijk voor ademhaling, opname van nutrinten en de afzetting van kalk. De producten, zuurstof, suikers en aminozuren die door middel van fotosynthese (voor dit proces is licht nodig) vrijkomen vormen een belangrijke energiebron voor het koraaldier. De bouwstenen voor dit proces zijn de

afvalproducten van het koraal; CO2, ammonia, nitraten en fosfaten. De onmisbare energetische stoffen (vooral suikers) maken het mogelijk dat het koraal het kalkion uit het zeewater kan opnemen. Hierdoor kan kalk worden afgezet (skelet van het koraal). De opname van CO2 door de algen bevordert een gunstig klimaat voor deze verkalking. Naast de nodige stoffen voor hun chemische processen profiteren de algen ook van de relatie met het koraal door de bescherming die het koraal de algen biedt. De buitenwand van het koraal waarin zij zich bevinden bevat ook zogenaamde nematocysten of netelcellen, gespecialiseerde cellen die door het gif dat ze uitscheiden in staat zijn prooidieren (o.a. plankton) te verlammen en koraalpredators op een afstandje te houden (denk aan vuurkoraal). Rifarchitectuur Koraalriffen kunnen volgens drie klassen worden getypeerd (Darwin, 1842): 1. randriffen, 2. barrire riffen en 3. atollen. 1. Randriffen zijn riffen die de kustlijn op korte afstand volgen. Ze bestaan uit koralen die dicht bij het strand groeien. Er bevinden zich smalle openingen tussen de riffen en de kustlijnen, waar zich meestal lagunes vormen. Dit type rif is het meest voorkomend in Indonesi. De riffen rond de Gili eilanden voor de kust van Lombok zijn een goed voorbeeld van dit type rif. 2. Barrire riffen zijn gelijk aan randriffen met het verschil dat er een veel grotere afstand tussen de riffen en de kustlijnen zit. Tussen rif en kustlijn bevindt zich ook een diepe geul. Het meeste bekende barrire rif is ongetwijfeld het Great Barrier Reef in Australi. In Indonesi vindt men dit type rif rond de Togianeilanden in Sulawesi en op bepaalde locaties in Kalimantan. 3. Atollen zijn randriffen in een ringvorm met in het midden een lagune. In een later stadium zijn aan bovenbeschreven typen nog enkele toegevoegd waarvan het patchrif of tafelrif de belangrijkste is. Dit type rif komt voor in open zee en mist het typische atol vorm. Rifformatie De Britse naturalist Charles Darwin publiceerde in 1842 voor het eerst zijn theorie over de formatie van riffen. Tot heden toe is deze theorie de belangrijkste. Darwin, die atollen in de Indische Oceaan onderzocht, suggereerde dat een rif aan de randen van een eiland uiteindelijk een barrire rif zou worden als het eiland zou zinken. Als het eiland volledig onder water zou verdwijnen dan zou alleen een atol overblijven. Pas rond 1950 werd deze theorie bevestigd. Men vermoedt echter dat het niet het zinkende eiland is die het riftype doet veranderen maar een stijgend water niveau. Naast deze theorie van Darwin bestaan er ook andere theorien. Een twee theorie stelt voor dat een gebied bestaande uit kalksteen door geologische krachten omhoog wordt gedrukt. Blootgesteld aan regen erodeert vervolgens de kalksteen (volgens dezelfde processen als dat karstgebieden ontstaan. Als het waterniveau stijgt dan verdwijnt het geheel onder water en koloniseren koralen de gerodeerde top van het kalksteengebied. Verschillende bewoners van het rif Algen Algen behoren tot het plantenrijk en bezitten een heel primitieve structuur. Ze bestaan meestal maar uit een cel en hebben geen bladeren, stammen of wortels, Doordat ze veel zonlicht nodig hebben treft men ze dicht bij de oppervlakte aan. Ze staan aan het begin van de voedselketen en vormen er een onmisbare schakel in. Algen kunnen grofweg worden ingedeeld in bruine, groene en rode algen. De rode soort draagt direct bij tot het afzetten van kalkkorsten op koraalrotsen en op schelpen van grote slakachtige. Een lid van de bruine algen, de zooxanthellae, kwam al eerder aan bod en vervult een onmisbare rol in de voedseltoevoer van koralen alsook de kalkafzetting. Zeegras Zeegrassen groeien weelderig op vlakke riffen dichtbij de kust. Ze fungeren als een weide onderwater voor zeekoeien en schildpadden en zijn ook een belangrijke broedplaats voor garnalen en zeepaardjes. Plankton Plankton zijn minuscuul kleine dieren of planten die vaak uit niet meer dan een cel bestaan en onzichtbaar voor het blote oog. Hoe klein deze organismen ook zijn ze zijn onmisbaar in het voedselweb van een koraalrif. Vele dieren hebben zich gespecialiseerd in de opname van plankton door het filteren van water. Zacht koraal, mosselen, oesters, anemonen, sponzen en zelfs enkele walvissoorten zijn van plankton afhankelijk voor hun voortbestaan. Sponzen Tot lange tijd dacht men dat sponzen slechts primitieve planten waren totdat er werkelijk met aandacht naar ze gekeken werd. Men ontdekte dat het actieve organismen waren, druk bezig water uit hun lichamen te pompen en filteren van plankton voor voedsel (n soort vangt zelfs garnalen). Een spons is de eenvoudigste, niet beweegbare vorm van meercellige dieren, die zich 550 miljoen jaar geleden onttrokken hebben aan de evolutie en dezelfde bouw en functie hebben gehouden. Een bouw die zich in allerlei vormen, grote en kleuren voordoet. Sponzen bestaan uit een eiwitrijk materiaal dat spongin genoemd wordt. Deze vezelige netvormige structuren zijn het bruikbare materiaal van badsponzen. Vele sponzen bezitten naast deze zachte spongin ook naalden van kiezel of calciumcarbonaat. Sponzen groeien erg langzaam en kunnen een aanzienlijke leeftijd bereiken. Geschat wordt dat een spons ongeveer een ton aan zeewater moet filteren wil het een gram in gewicht toenemen. De soms tot enkele meters hoge sponzen zijn dus honderden jaren oud. Als defensie scheidden ze slecht ruikende en toxische stoffen uit die de meeste predators op en afstandje weten te houden. Enkele van deze stoffen zijn nuttige gebleken in het bestrijden van kanker en verschillende virussen. Koralen en hun familieleden De familie van de koralen bestaat uit meer dan 10.000 soorten. Ze worden onderverdeeld in een viertal klasse gebaseerd op de aanwezigheid van poliepen en medusa (een dikke laag van stevige gel). In de klasse Scyphozoa is deze medusa dominant en zijn er bijna geen poliepen te ontdekken. Deze klasse bestaat dan ook voornamelijk uit kwallen. Dieren uit de klasse met de meeste vertegenwoordigers, Anthozoa, daarentegen bestaan voornamelijk uit poliepen. Tot de Anthozoa behoren dan ook alle harde koralen, zachte koralen en zeeanemonen. Hard en zacht koraal De harde koralen, waarvan vele soorten voor de opbouw van het koraal zorgen door de afscheiding van kalksteen aan de basis van elke poliep, zijn al uitgebreid aan bod gekomen. De opvallende hersenkoralen en paddestoelvormige koralen zijn typische voorbeelden van hard koraal. Zachte koralen onderscheiden zich van hun harde familieleden doordat zij in eerste plaats niet over een kalksteenskelet beschikken. In plaats van zes (of een meervoud van zes) hebben ze acht tentakels (of een meervoud van

acht). Deze tentakels zijn voorzien van rijen zijtakjes. Soorten die op ondiepe riffen leven zijn in staat hun vorm te veranderen door het samentrekken van de flexibele poliepen. Net als harde koralen bezitten ze netelcellen die met hun gif prooien kunnen vangen. Sommige soorten hebben ook een symbiotische relatie met zooxanthellae die het zachte koraalpoliepen van de nodige suikers voorzien. Blauw koraal (is onder andere te zien bij de Gili eilanden voor de kust van Lombok) is ondanks zijn harde uiterlijk een zacht type. Hydrozode De hydrozoden vormt een klasse met dieren waarvoor enige oplettendheid voor geboden is. Vuurkoraal en onschuldig uitziende zeevarens kunnen bij aanraking heel wat pijn veroorzaken. De talrijke netelcellen scheiden bij aanraking onmiddellijk een pijnlijk goedje uit, verantwoordelijk voor een brandend gevoel en vaak een blijvend litteken. Vuurkoraal lijkt verdacht veel op hard koraal, maar ze zijn echter meer verwant met dekwallen. De meeste soorten hebben korte kalkvertakkingen die eindigen in een witte punt, dienend als waarschuwing. Een andere gevaarlijk lid van de klasse der hydrozoden is het Portugees oorlogsschip. Ondanks dat dit dier veel op een kwal lijkt, bestaat hij vrijwel geheel uit poliepen. Het dier heeft een blauwachtige, paarse blaas tot 50 cm groot, die als een soort fles op het water dobbert. Daaronder hangen lange tentakels. Er zijn tentakels van meer dan tien meter waargenomen. De tentakels bevatten veel netelcellen en kunnen duizenden pijnlijke steken geven. Kwallen Kwallen zijn opgedeeld in twee delen; het lichaam of blaas en de tentakels . Ze bestaan voor 95% uit water, een beetje protene, vet en zout. Ze zijn in staat om zuurstof direct van het water op te nemen. Het lichaam of de blaas van de kwal kan allerlei vormen aannemen en bevat een mond een maag, zenuwen en voortplantingsorganen. Door samentrekking van het lichaam waarbij er water in en uitgeperst wordt kan een kwal zich voortbewegen. De weekste kwallen jagen door hun tentakels op en neer te laten gaan. Stuk voor stuk zijn de tentakels uitgerust met netelcellen vol met gif. Als een prooi in de buurt komt vuren ze duizenden dunne pijltjes af die het slachtoffer doen verlammen. Zelfs als kwallen dood zijn kan aanraking tot vervelende gevolgen leiden. De netelcellen werken namelijk zelfstandig en dus volkomen onafhankelijk van het zenuwstelsel. Zeewespen zijn schijfkwallen die over voldoende gif bezitten om drie volwassenen te kunnen doden. Ze zijn min of meer doosvorming waarbij tentakels met de netelcellen in clusters aan de hoeken hangen. Chironex fleckeri (zie tekening) is doorzichtig lichtblauw van kleur. De mantel is niet groter dan twintig centimeter in doorsnede. De tentakels kunnen tot een meter lang worden en bevatten netelcellen met een sterk gif. Zeeschildpadden, vooral de papegaaischildpad en de dikkopschildpad, zijn dol op een paar lekkere kwallen. Ook vissen zoals de barracuda en makreel lusten wel een kwalletje. Helaas zwemmen er in s werelds oceanen en zeen vele plastic zakken rond die zich vermomd hebben als kwal. Plastic zakken kunnen niet verteerd worden en zijn vaak de doodsoorzaak van vele dieren. Anemonen Zeeanemonen worden met hun kleurrijke, delicate en wuivende tentakels wel de bloemen van het rif genoemd. De netelcellen die zich bij sommige soorten in deze tentakels bevinden nodigen echter niet uit tot aanraken, laat staan tot plukken. Een anemoon is niet veel meer dan een holle tube van spierweefsel met een gesloten einde, waarmee het dier zich vasthecht aan een oppervlak. In deze holte bevinden zich cellen die de ademhaling, uitscheiding en vertering regelen. De top van de holle tube is gekroond met tentakels die kort, lang, dik, dun etc. kunnen zijn. De zeeanemonen voeden zich met plankton, soms zelfs kleine visjes en van een soort is bekend dat hij hele kwallen naar binnen werkt. Het zijn echter de zooxanthellae die de anemoon van het meeste voedsel voorzien. Net als bij de koralen bevinden deze bruine algen zich in de buitenwanden. Opvallend is de samenwerking van anemonen met andere zeedieren. De felgekleurde clownvisjes zoeken bescherming in een van de grote rifanemonen. Zeker 10 soorten anemonen zijn de aangewezen gastheren voor een of meerdere soorten clownvisjes. Het visje is blijkbaar immuun voor het gif dat de tentakels afscheiden. Ze plukken zelfs aan de tentakels waarbij ze het organische materiaal eten dat zich hier verzameld heeft. Bij nader onderzoek blijkt echter dat het visje niet immuun is maar dat het door zich tegen een tentakel aan te wrijven een bestanddeel uit het slijmlaagje van de tentakels overbrengt naar zijn eigen slijmlaag. De anemoon herkent dit als de zijne waardoor de netelcellen geen stoffen afscheiden. Wat het voordeel is voor de anemoon van de relatie met de clownvis is niet duidelijk, wellicht profiteert hij van de schoonmaak. Een anemoon wordt vaak zonder clownvisje gezien, het visje echter nooit zonder zijn anemoon. Ook enkele krabbe-, garnaal- en slakkensoorten vinden bescherming tussen de tentakels of in de holte van een anemoon. De relatie vice versa vindt ook plaats. De felgekleurde boxerkrabben dragen op hun scharen enkele kleine witte anemonen met een groot aantal netelcellen bevattende tentakels. Gewapend met deze witte bloempjes stapt de krab zelfverzekerd af op potentile aanvallers. De anemoon wordt bij deze relatie gratis vervoerd naar voedselrijke plekken. Dezelfde voordelen ondergaan enkele soorten hermietkreeften. De spinkrab bedekt zich volledig met anemonen zodat hij alleen opvalt als hij beweegt. Wormen De koraalriffen huizen meer dan 20.000 soorten wormen die door het afbreken en recycleren van dode planten en organisch materiaal hun omgeving bemesten. Ze kunnen in een range van habitatten gevonden worden. Hoewel de helft de vorm van een gewone regenworm heeft kan de lichaamsbouw van de overige 10.000 soorten allerlei vormen aannemen. Van kwallen en kerstbomen tot veerdusters, alles gekleurd in een wijd patroon van kleuren. Een wat saaier uitziende vorm maar met een interessant seksleven is de nyale worm. Een worm die het in Indonesi tot de hoofdrolspeler van een legende heeft gebracht. Lang geleden lag in het zuiden van Lombok een klein maar welvarend koninkrijkje, dat de naam Tanjung Beru droeg. De wijze koning had een dochter, prinses Mandalika, die in heel Lombok bekend was om haar schoonheid. Maar liefst zes prinsen van naburige koninkrijken dongen naar haar hand. Prinses Mandalika kon echter geen keuze maken, want ze wist dat de (vijf) niet uitverkorenen dan de oorlog zouden verklaren aan Tanjung Beru. Haar liefde voor haar rijk en zijn inwoners was zo groot dat zij zich ten einde raad in de golven wierp. Volgens de bevolking van Zuid-Lombok laat zij zich elk jaar op een bepaald tijdstip zien in de vorm van een Nyale-worm Deze gebeurtenis is aanleiding voor een jaarlijks terugkerend festival: Bau Nyale Elk jaar, vijf tot zeven dagen na de tweede volle maan (februari of maart) drijven s nachts de geslachtsrijpe delen (die zaad en eicellen bevatten) van de gelede zeewormen, Eunice viriclus, naar de oppervlakte. Hier vindt de bevruchting plaats. Deze geslachtsrijpe delen zijn de staartsegmenten van de mannelijke worm en scheidden zich van de worm af bij volle maan waarna ze zich eigenhandig naar de oppervlakte bewegen. Als de krioelende massa wordt gesignaleerd, opent de kepala desa adat de ceremonie. Van de hoeveelheid en activiteit van de wormvormige delen kan hij bepaalde voortekens aflezen, die verband houden met de oogst. Bij zonsopgang verzamelen jongens de wormen, die vervolgens worden opgegeten of bewaard in bamboekokers. De wormen zouden potentieverhogend werken. Het fenomeen van de zeewormen komt ook in andere plaatsen in Indonesi voor.

Weekdieren Weekdieren zijn dieren die zich kenmerken door een week lijf, een lijf zonder botten of beenderen. Sommige dragen een uitwendige schelp (schelpdieren of slakken), andere hebben een inwendige verharding (o.a. inktvissen) en een derde groep heeft door de eeuwen heen geleerd om het zonder een verharde bescherming te doen (naaktslakken). Deze vaak prachtige gekleurde en getekende naaktslakken hebben een eigen defensiesysteem, dat er bij sommige soorten uit bestaat om netelcellen en het in deze cellen zittende gif van hun prooien te bewaren en te gebruiken voor hun eigen verdediging. Wat alle weekdieren gemeen hebben is een gespierde kruipvoet die in de verschillende klasse voor verschillende doeleinde gebruikt worden, zoals beweging of om zich te verankeren. Hoewel enkele soorten weekdieren pijnlijke plekken kunnen veroorzaken bij aanraking kunnen er twee soorten werkelijk gevaar op leveren. Dit zijn de kegelslak en de kleine blauwgeringde octopus. Het slakkenhuis van een kegelslak is kegelvormig en grijzig of bruin van kleur. Soms heeft de schelp een opvallende kleur. De slakkenhuizen zijn geliefd bij schelpenverzamelaars. De slachtoffers zijn dan ook altijd volwassenen of kinderen die de kegels oprapen. De slakken zijn actieve jagers die een giftand bezitten. Deze giftand kunnen zij als een harpoen op hun prooi afschieten. Ze jagen op wormen, schelpdieren of vissen. De grote visvangende soorten, kegelslakken, bezitten een giftand van n cm in lengte. Deze soorten zijn het gevaarlijkste en kunnen tot de dood leiden. De steek van het overgrote deel van de soorten is echter onschuldig en voelt als een bijensteek. Kegelslakken kunnen bijna elke hand, die hun schelp vastpakt, raken. Hierbij steken ze dwars door dunne handschoenen of kleding heen. Echinodermen Iedereen kent de gewone zeesterren. Deze vormen slechts een groep van een totaal van vijf die samen de Echinodermen, of egelhuiddieren vormen. De andere zijn zeeegels, de brittle stervissen of breekbare stervissen, de gevederde stervissen en de zeekomkommers. De meeste Echinodermen bezitten een skelet van stekels. Zeesterren Zeesterren, ook wel stervissen genoemd, lijken voor velen, vriendelijke, niet al te slimme en onschuldige dieren. Maar dit is een ietwat verkeerd beeld. Zeesterren zijn duidelijk herkenbaar door hun symmetrisch lichaam bestaand uit vijf of meer armen rond een centrale schijf. Een duidelijke boven- en onderkant is onderscheidbaar, maar een linker en rechterkant niet. Elke arm bestaat uit precies dezelfde organen en cellen. De mond is in de centrale schijf aan de onderzijde geplaatst, de anus aan de bovenzijde. Zeesterren hebben honderden tot duizenden buisvormige poten uitgerust met zuignappen. Verplaatsen gebeurt op een bijzondere wijze door middel van een watervalsysteem. Water wordt aan de bovenzijde in het lichaam gepompt, verplaatst naar elke arm door interne kanalen en vervolgens geleid naar de buisvormige poten. De waterdruk zorgt voor een inflatie en deflatie waardoor het dier langzaam vooruit beweegt. De zuignappen zorgen voor een groot houvast waardoor deze dieren zich gemakkelijk vast kunnen houden aan een sterk bewegende prooi of muren verticaal kunnen beklimmen. Zeesterren zijn predators. Ze voeden zich met een variteit aan kleine bodemdiertjes maar ook sponzen, weekdieren en koralen behoren tot het menu. Met de armen grijpen ze een prooi vast en drukken vervolgens een gedeelte van de maag naar buiten over het slachtoffer heen. Deze wordt buiten het lichaam verteerd, waarna de maag weer in het lichaam verdwijnt. De meest beruchte zeester is de Kroon van Doornen zeester of stervis (Acanthaster planci, zie tekening). Dit stekelige dier voedt zich vrijwel geheel met koraalsteen. Hele riffen kunnen door kolonies van deze dieren het onderspit delven. Normaal komen ze in kleine hoeveelheden voor, maar populaties kunnen soms tot plagen uitgroeien. Deze regelmatige uitbarstingen van Acanthaster zijn het onderwerp geweest van een lang en verhit debat door rifwetenschappers. Vervuiling (eutrofie, pesticide gebruik, verzilting, etc), de vernietiging van de kalkbasis door het mijnen van koraal, overbevissing en verwijdering van de zeesterpredators (zoals de triggervis, de harlekijn garnaal, Napoleonvis en de tritonschelp) dragen alle duidelijk bij tot een aanzet van een Kroon van Doornen - plaag. Men is van mening dat er zoveel mogelijk moeten worden verwijderd en de natuurlijke populatie van potentile predators moet worden hersteld. Er zijn ook wetenschappers die suggereren dat de plagen een natuurlijk fenomeen zijn dat al sinds 10.000 jaar voorkomt (o.a. bij het Great Barrier Reef in Australi). Dominante koraalsoorten worden hierdoor verwijderd, een proces dat noodzakelijk zou zijn voor de toename in de soortendiversiteit van het rif. Het verwijderen van de zeester zou dus op lange termijn een averechts effect kunnen hebben. Brittle stervissen Britte stervissen, of breekbare stervissen, lijken op de zeesterren, maar ze hebben kleine flexibele armen die vaak dunne stekels bevatten. Deze armen breken snel af, vandaar de naam. Ze bewegen zich voort door bewegingen van de gehele arm en dus niet alleen van de buisvormige voeten. Aan deze voeten ontbreken de zuignappen maar ze scheidden kleverig slijm af dat gebruikt wordt om prooi te vangen. Geveerde stervissen Geveerde stervissen zijn wellicht de mooiste van alle Echinodermen. Ze bestaan uit een kleine centraal lichaam omgeven door 5 tot 200 (altijd een veelvoud van 5) armen, welke fijne vertakkingen hebben die ze een geveerd uiterlijk bezorg. Deze geveerde armen die in een variteit van kleuren en kleurencombinaties voorkomen wuiven delicaat met de stromingen van het water mee. Uit deze stromingen filteren ze met de mond, die zich aan de bovenzijde bevindt, plankton. Ze prefereren de hoogste punten van koralen of sponzen zodat ze bloot staan aan de sterke stromingen en zo een optimale kans hebben om voedsel te filteren. In tegenstelling tot de zeesterren gebruiken ze hu talrijke buisvormige voeten niet voor de voortbeweging. Dit gebeurt door het vastgrijpen van een volgend substraat door middel van een vogelklauwachtig uithangsel dat zich aan de onderzijde bevindt. Om verderop te geraken, laten ze los en zwemmen naar een ander substraat. Dit zwemmen is niet gericht, aangezien ze geen organen hebben om dit te bepalen. De verplaatsing resulteert in een random beweging. Als een vallende ster, dwaalt een gevederde stervis in het blauwe van de oceaan totdat het vaste ondergrond vindt. De buisvormige voeten worden door de gevederde stervis gebruikt om voedsel te vangen. De voeten werken per zes samen om een geschikt voedselpartikel als het ware naar binnen te schoppen. Zee-egels Zee-egels hebben eenzelfde lichaamsbouw als zeesterren, inclusief het watervatsysteem en een holle voet, maar zij hebben ook een hard chitine structuur met externe stekels die soms gifzakjes bevatten. Ze bewegen zich met behulp van kleine pinnen aan de onderkant met deze holle voet sneller dan zeesterren. Ze bezitten verder een zeer verfijnd voedingswerktuig, bestaande uit een goed ontwikkelde kaak en een set van vijf glazuurde tanden waarmee zij het reef afschrapen en het voedsel wordt gekauwd. Met het schrapen van het reef verdwijnen naast algen ook koraalsteen en hiermee kunnen zee-egels aanzienlijke schade toebrengen aan het rif. Op ondiepe, rustige en vooral verstoorde riffen treft men in Indonesi vaak de zwarte lang-stekelige zee-

egel (Diadema sp.) aan. Zo genoemd naar de cluster van glinsterende juwelen in het bovenlichaam. Ze komen vaak voor in aggregatie van honderden individuen. Hoewel ze het koraal niet opeten, schrapen ze, opzoek naar algen aanzienlijke hoeveelheden kalsteen af. Ook het vermogen tot het graven van holen en gangsystemen in het koraalsteen draagt bij tot koraalerosie. Onder normale condities wordt het aantal grazend zee-egels in stand gehouden door de competitie met grazende vissen en door predatie van verschillende rifvissen. Zeekomkommers Zeekomkommers, beche-de-mer of tripang (Indonesi) lijken volgens sommigen op worstenbroodjes, anderen zien er eerder langwerpige uitwerpselen in. Niet helemaal terecht want sommige zeekomkommersoorten laten een fraai uiterlijk zien met kleurrijke tentakels. Ze hebben een lang rond lichaam met een voor- en achterkant die vaak nauwelijks onderscheidbaar zijn. Met de voorkant zuigt het dier zand op en filtert er bruikbare organische stoffen uit. Wat onbruikbaar is wordt er via de anus weer uitgepompt. Als de anus even buitenwerking is wordt hij ook gebruikt voor de ademhaling. Sommige soorten houden er een unieke verdedigingstechniek op na; bij aanraking spuiten ze letterlijk hun darmen uit over de aanvaller. De kleverige draderige massa die snel hard wordt verstrikt de indringender die dood gaat of in het geval van grotere dieren in ieder geval even bewegingloos laat liggen. Zeekomkommers zijn vaste bewoners van zeegrasvelden, maar je vindt ze ook op ondiepe koraalriffen. Ze zijn daardoor makkelijk te vinden en te vangen (bewegen langzaam). Om ze te gereed te maken voor de verkoop worden ze eerst halfgaar gekookt, waarna de ingewanden eruit worden gehaald. Vervolgens worden de zeekomkommers verder gekookt totdat ze volledig gaar zijn. Ten slotte volgt nog een droog proces van 1-2 dagen. De meeste beche-de-mer belanden uiteindelijk in de Japanse of Chinese keuken. Het zijn voedzame dieren met een hoog protenegehalte (gemiddeld 43%). Natuurlijk heeft het feit dat de komkommers potentieverhogend zouden zijn ook een invloed op de populariteit. Zeeslangen Er worden ca. 30 soorten zeeslangen in de Indonesische wateren gevonden. Reptiel zijnde moeten ze voor hun ademhaling omhoog komen. Ze zijn echter ook in staat om door een erg grote long het uren achterelkaar vol te houden onder water. Net zoals de schildpadden drinken ze zeewater dat ze vervolgens destilleren. Het overtollige zout wordt uitgescheiden. Het gif van zeeslangen is erg giftig, de hoeveelheid gif die ze per beet maximaal kunnen injecteren is relatief klein. Ze zijn gelukkig verre van agressief en bijten alleen als ze grondig worden uitgelokt. De meest voorkomende soorten zijn die met grijs en witte banden en die met een gele buik. Haaien en roggen In tegenstelling tot de beenvissen hebben haaien en roggen een kraakbeen skelet. De vrouwelijke haai is f ovipaar (legt grote, goed ontwikkelde eieren die met zorg worden beschermd) f vivipaar (levenbarend: eieren komen in het lichaam van het vrouwtje eruit en de jonge worden volledig gevormd geboren). Bevruchting vindt inwendig plaats. De haai is een van de hoofdpredators van de zee. Hij jaagt op inktvissen, octopussen, kleinere vissen, zee-egels, en jongen schildpadden. Grotere haaien leven van volwassen schildpadden, dolfijnen en grote vissen. Hoewel de meeste soorten vleeseters zijn, zijn er ook enkele soorten die naast vlees ook plantaardig materiaal eten. Haaien groeien lan gza am en het duurt lang voordat ze volwassen zijn. Bij citroenhaaien duurt het 15 jaar voordat een individu volwassen is. De tanden van een haai zijn een belangrijke manier om soorten te identificeren. De tanden zijn goed ontwikkeld en bevinden zich in een buitenrij en enkele binnenrijen die zich in verschillende toestanden van ontwikkeling bevinden. Tanden worden het gehele haaienleven door geproduceerd en elke rij schuift elke paar weken op om de volgende te vervangen. De vangst van haaien komt voort uit de vraag van Chinezen naar vinnen om er de bekende haaienvinnensoep mee te maken. Ook in de wateren rond de Sunda-eilanden worden meestal alleen de haaienvinnen en staarten gebruikt, de rest wordt teruggegooid. De dieren worden op traditionele wijze gevist of verdwijnen in de netten van de tonijn en garnaalvisboten. Beide zorgen voor een afname van het totale aantal haaien. Het totale gewicht van gedroogde vinnen en de staart van een volgroeid dier bedraagt 3 tot 4 kg. Roggen hebben eveneens als de haaien een kalkbeenskelet. Andere typische kenmerken zijn het grote platte lichaam vaak in een schijfvorm en de aanwezigheid van vijf verticaal lopende kieuwen. De meeste roggen zijn levendbarend. Ze bezitten giftige stekels op de staartbasis die pijnlijke wonden kunnen veroorzaken. Roggen bewonen een variteit aan habitat, van oceaandieptes tot ondiepe riffen, riviermondingen en zelfs zoetwaterstromen. Ze kunnen tot 4 meter in diameter worden (mantan roggen). Schildpadden Zes verschillende schildpadsoorten komen voor in de Indonesische zeen, waarvan er drie in de wateren rond Nusa Tenggara gesignaleerd worden. Dit zijn de groene schildpad, de papegaaischildpad en de dikkopschildpad. Papegaaischildpadden, met hun mooie gevormde schild, zijn na de warana (Olive ridley) soort de kleinste van de zes. Een volwassen mannetje of vrouwtje weegt gemiddeld tussen de 35 en 75 kg, bewonen de koraalriffen en eten voornamelijk een type spons die door de meeste andere dieren oneetbaar gevonden wordt. De groene schildpad is heel wat zwaarder, de volwassen dieren kunnen 180 kg wegen. Als enige onder de schildpadden leeft de groene schildpad uitsluitend van plantaardig materiaal zoals zeegras en algen.De lederschildpad is de schildpad die onder andere in bouw het meeste afwijkt van de andere schildpadden. Het is de grootste soort en kan een gewicht van 550 kg bereiken (het zwaarste exemplaar ooit gevangen was een mannetje van 900 kg!). Hun schild is niet hard maar heeft een leerachtige structuur, hier dankt het dier ook zijn naam aan. In tegenstelling tot de groene- en papegaaischildpad zijn deze grote dieren vrij zeldzaam. Slechts op een plaats in Nusa Tenggara, aan de zuidkust van West Sumbawa komen ze aan land om hun eieren te leggen. Hoewel ze hun eieren altijd in het warme zand van tropische stranden leggen, brengen ze het grootste deel van hun leven door in gematigde en zelfs poolzeen, zich uitsluitend voedend met kwallen. Het zijn kampioenduikers en kunnen met gemak een diepte van 1000 meter bereiken. Een vierde schildpad, de flatbackschildpad, is inheems in de tropische zeen voor de kust van Australi. Hij zou ook ten zuiden van de Sunda-eilanden moeten voorkomen, maar data over nesten op het strand ontbreken tot vooralsnog. Schildpadden brengen het grootste deel van hun leven door in de zee. Alleen de volwassen vrouwtjes komen aan land om hun eieren te leggen. Na moeizaam het strand op gekropen te zijn vindt ze een geschikte plaats waar ze met haar achterflippers een gat graaft. Hierin legt ze 80 150 eieren (afhankelijk van de soort). Ze bedekt ze vervolgens met zand. Dit doet ze drie tot vier keer per jaar met een interval van ongeveer twee weken. De eieren komen na 50 tot 60 dagen uit. De sekse ratio is afhankelijk van de temperatuur van het zand: hoe warmer hoe meer vrouwtjes worden geboren. De kleine schildpadjes zoeken zo snel mogelijk een weg naar het water. Het duurt een lange tijd voordat ze de volwassen leeftijd bereiken. Bij groene schildpadden is dit 20 50 jaar. Alle zes schildpadsoorten behalve de groene schildpad zijn beschermd onder de wet. Een van de redenen waarom de groene schildpad dit predikaat niet verdient is omdat hij onmisbaar is tijdens bepaalde hindoestische ceremonien op Bali. Discussies zijn gaande om het aantal gebruikte schildpadden drastisch te verminderen, aangezien het totale aantal schildpadden onrustbarend afneemt.

Maar niet alleen deze groene schildpad wordt bejaagd ook op de andere vijf wordt gejaagd en eieren worden verzameld en opgegeten. Niet alleen door lokale bevolking maar veelal door jagers van buiten die het vlees en eieren voor een hoge prijs in het buitenland verkopen en van het schild sieraden maken. Walvissen, dolfijnen en dugong Walvissen en dolfijnen worden niet tot de familie van been- of kraakbeenvissen gerekend maat tot die van de zoogdieren. Het zijn warmbloedige dieren die hun poten en het meeste haar verloren hebben en daarvoor in de plaats vinnen en andere aanpassingen voor het leven in zee hebben ontwikkeld. Ze ademen echter nog steeds lucht, schenken het leven aan volledige gevormde jongen en zogen ze met melk. Als men niet goed oplet, bestaat de mogelijkheid om walvissen en dolfijnen voor haaien aan te zien. Maar een ademgat boven op het hoofd en een horizontale staartvin in plaats van verticaal moet het verschil duidelijk genoeg maken.De meeste walvissen eten schaaldieren, garnalen, octopus en kleine vissen, maar er zijn er ook die plankton uit het water filteren. Dolfijnen eten voornamelijk kleine vissen en garnalen. De dugong is een hele ander zoogdier, deze opvallende waterkoe graast in de zeegrasvelden dicht bij de stranden. In Nusa Tenggara foerageert hij alleen voor de kust van WestTimor. TEXTIEL VAN DE KLEINE SUNDA EILANDEN Tot de paradepaartjes van de kleine Sunda eilanden behoren de schitterende geweven sarongs en selimut (een doek ter grote van een deken). Hoewel men ook op andere plaatsen in de Indonesische archipel prachtige doeken aantreft, zijn de gekatte stoffen van Nusa Tenggara het bekendst en het populairst. Het weef- en ikatproces bestaat uit een aantal stappen dat op elk van de eilanden grotendeels op dezelfde wijze wordt uitgevoerd. Het basismateriaal is veelal katoen, een ongeveer n meter hoge plant, die goed gedijt in het gemiddeld genomen droge klimaat van Nusa Tenggara. Het wordt vaak geplant op het erf of tussen andere gewassen op de velden. De vezels, die het rijpe zaad omgeven, worden geplukt en enkele dagen te drogen gelegd. Om de resten van het zaad te verwijderen, draaien de vrouwen de plukjes katoen tussen twee nauw op elkaar aansluitende houten rollers, vergelijkbaar met een ouderwetse mangel. De katoenplukjes worden vervolgens wat pluiziger gemaakt met behulp van een op een boog gespannen draad. Het katoen kan nu gesponnen worden. Dit gebeurt in Nusa Tenggara namelijk met klossen. Aangezien het planten, plukken en spinnen van katoen een intensieve gebeurtenis is worden katoenen garens steeds meer kanten-klaar gekocht in de winkel, ook synthetische stoffen worden in toenemende mate gebruikt om te weven. Kleuren en patronen Een stofversieringstechniek (zoals batik), die veel wordt toegepast op de eilanden van Nusa Tenggara, is ikat. Het woord ikat komt van het werkwoord mengikat, dat afbinden betekent. Het ikatproces van links naar rechts:

Met een extra draad worden de draden geselecteerd die samengebonden moeten worden . De draden zijn in bundeltjes volgens motief afgebonden. De draden zijn geverfd. De omwindsels zijn losgemaakt en daar waar deze zich bevonden zijn de draden ongeverfd. De inslagdraad is aangebracht en het weefsel is klaar. Bij het ikatproces spant men de draad eerst op een raamwerk, dat een kleinere afmeting heeft dan het eigenlijke weefgetouw. De draden worden gerangschikt in kleine bundeltjes. Het aantal draden per bundel is afhankelijk van de weeftradities en het te maken patroon. De draden wordn volgens een patroon afgebonden met grassen, vezels, reepjes gebangbladeren of soms ook met plastic. Dan kan het verven beginnen. Als regel begint men met de donkerblauwe kleur, indigo, verkregen uit de blaadjes van een klein plantje, dat door de bevolking nila genoemd wordt. De blaadjes van dit plantje worden in het natte seizoen geplukt (in het droge seizoen is de hoeveelheid grondwater te gering voor het plantje om zich te kunnen herstellen na de pluk). Dan worden ze in een vijzel fijn gestampt en in een aardewerken pot met water vermengd. Pas als er fermentatie plaats vindt (chemisch proces dat optreedt bij een tekort aan zuurstof) laat de kleurstof zich mengen met water. In de warme en vochtige tropen ontstaat dit proces al na enkele dagen. De draden worden s nachts in het verfbad gedompeld en overdag in de zon te drogen gehangen. Voor de begeerde blauwzwarte kleur moet deze handeling tientallen keren worden herhaald. Het blootstellen van de garens aan de lucht brengt een oxidatieproces op gang, dat uiteindelijk resulteert in de donkerblauwe kleur. Door de indigo gekleurde motieven verschillende keren te verven met morinda (roestrode kleurstof) ontstaat een bijna zwarte kleur. Als de juiste kleur is bereikt, worden de draden weer gespannen. De delen die blauw moeten blijven, worden afgebonden. Dan gaat het geheel in het volgende verfbad, etc. Van oudsher worden er drie basiskleuren gebruikt: het al eerder genoemde indigo en (roest) rood en geel. De rode kleurstof wordt onttrokken aan de binnenbast van de wortels van de morindaboom. De bast wordt vermalen, vermengd met water en gekookt. Net zoals indigo is morinda een verfstof die meteen door de vezel wordt opgenomen. Voordat het verven kan beginnen moeten de draden dan ook eerst worden bewerkt. Voor de rode morinda kleur is een nogal ingewikkelde procedure nodig. Minimaal zijn olie, aluin (een zout) en een alkali (basische stof) nodig. In de Ende-Lio streek van Flores komt de olie vrij bij het persen van kemiri-noten. De alkali wordt gewonnen door water in een mand met as te gieten en dit op te vangen. De noodzakelijke aluin wordt gehaald uit de gedroogde en vermalen bladeren van een lobba boom. De drie ingredinten worden gekookt en de garens worden er ingeweekt. Na enkele weken zijn ze klaar om geverfd te worden. Om een goede tint te verkrijgen moet het verven tientallen keren herhaald worden. Aangezien er tussen de verfbaden een lange tijd van soms 10 maanden moet zitten om de garens de gelegenheid te geven de verfstof volledig op te nemen kan het jaren

duren voordat een met morinda geverfde doek klaar is. Sappan is het belangrijkste alternatief voor de rode morindakleur. Het is een houtige struik met gele bloemen. Om de verfstof te krijgen worden snippers hout gekookt. Het is minder kleurvast als morinda en produceert niet de rijke roodbruine kleur als morinda. In de Ngada en Manggarai gebieden wordt sappan gebruikt, weefsters in Ngada voegen aluin aan het verfbad toe waardoor diepere tinten verkregen worden. Geel wordt verkregen uit het hout van een doornige struik Cudrania javensis. Hiertoe worden schijfjes hout een nacht in water geweekt en vervolgens gekookt. Nadat het water is gezeefd, wordt er aluin aan toegevoegd en wordt het mengsel met de draden weer tot het kookpunt gebracht. Aan de wortels van de plant tumeriek wordt een gele kleurstof onttrokken, die vooral op Sumbawa wordt gebruikt. Aan de verfbaden wordt aluin, ongebluste kalk of as toegevoegd. De toevoeging van n van deze producten bevordert de intensiteit van de kleur en de snelheid waarmee deze door de draad wordt opgenomen. Voor een beter resultaat worden de draden ook vaak gedrenkt in een olieachtige substantie. Het ikatproces kan worden toegepast op de scheringdraden (Sumba, Timor, Flores, Sumbawa), de inslagdraden (Lombok) of op beide type draden (bijvoorbeeld in het Balinese dorp Tenganan). De patronen en kleuren zijn van vele factoren \ afhankelijk, zoals status, familie, woongebied en geschiedenis. Weefgetouw en weeftechniek Als het verf- en ikatproces beindigd is, worden de draden op een weefgetouw gespannen en kan het weven beginnen. Het soort weefgetouw dat gebruikt wordt verschilt per gebied en de mate van contact met andere culturen. Het meest voorkomende weefgetouw bestaat uit een roller, een ophaler een een schering. In gebieden waar het weven een echte huisindustrie geworden is, worden ook grote handweefgetouwen gebruikt. Het roller/ophaler getouw bestaat uit twee staven waartussen de scheringdraden zijn gespannen. De achterste staaf wordt in de regel aan een huispaal gebonden en heet scheringboom. De voorste bevindt zich voor de weefster en heet borstboom. Aan weerszijden van de borstboom is een koordje bevestigd dat op zijn beurt in het midden verbonden is met een gebogen lat of plankje (lendejuk) dat door de weefster in de rug wordt geplaatst, wanneer ze plaats neemt in de opening tussen de borstboom en lendejuk. Zo kan ze door naar voren of naar achteren te leunen de spanning van de scheringdraden regelen. Voor de scheringboom bevinden zich meestal twee kruislatten waar de scheringdraden afwisselend overheen en onderdoor lopen (even en oneven draden). Deze latten hebben verder tot taak de spanning tussen de scheringdraden onderling gelijk te houden, de scheringdraden te verdelen en de schering op de juiste breedte te houden. Een kam wordt ook vaak gebruikt om de scheringdraden gelijkmatig te verdelen. Om de inslagdraad door de schering te kunnen brengen, is tussen de scheringdraden een ronde staaf, de roller aangebracht en wel zo dat alle oneven draden onder de roller doorgaan, terwijl de even er overheen lopen. Voor deze roller is een tweede staaf, de ophaler, over alle scheringsdraden gelegd. Om deze ophaler is een draad geslagen die lussen vormt om de onder de roller doorgaande scheringsdraden naar boven te halen. Als de weefstel de roller naar zich toe trekt ontstaat een opening waarbij de even scheringdraden omhoog liggen. Een brede houten lat, het zwaard, steekt ze in deze opening en zet hem rechtop, waarna de inslag kan plaats vinden. Hierna wordt met het zwaard de inslag gelijkmatig aangeslagen. Het zwaard wordt uit het vak genomen en de weefster heft nu de ophaler omhoog, waardoor alle oneven scheringdraden naar boven komen. Het zwaard wordt nu weer in de ontstaande opening ingebracht, rechtop gezet en een inslag volgt. Dit herhaalt men steeds, tot de gehele rondgaande schering is volgeweven. Bij de laatste 20 cm, wanneer men de spoel niet meer door de opening krijgt, knipt men de schering door en worden de scheringsdraden tot franje afgewerkt. Deze manier van het spannen van de scheringdraden wordt de doorlopende schering genoemd. Er zijn ook weefgetouwen waarbij de scheringdraden niet in een doorlopende cirkel worden bevestigd maar rond de borstboom en de scheringboom worden gerold. Als de weefster een stuk geweven heeft rolt ze dit om de borstboom heen, de draden om de scheringboom worden dan afgerold. Dit laatste type weefgetouw wordt doorgaans geassocieerd met de meer dichtbevolkte laaglanden en kustgebieden die al lange tijd een wereldgodsdienst aanhangen en die onder enige vorm van centrale autoriteit hebben gestaan. De weefgetouwen met een doorlopende schering werden gebruikt door mensen in de afgelegen binnenlanden. Er zijn echter ook enkele gebieden, waaronder Noord-Lombok en Tenganan op Bali waar beide typen gebruikt worden. Het doorlopende type wordt dan gebruikt voor speciale heilige doeken. Bij deze doeken heeft het doorknippen van de schering een symbolische betekenis. De omvang van het weefgetouw beperkt de breedte van de te weven stof. Voor sarongs en selimut worden altijd twee lappen stof aan elkaar genaaid. Naast ikat maakt de weefster gebruik van verschillende andere technieken om patronen aan te brengen. Elke lap stof laat een combinatie van technieken zien. Populair zijn het aanbrengen van strepen, blokken of banden, tapisserie (gekleurde inslagdraden en een kleurige scheringdraad), songket of suppletoire inslag (weven met een extra inslagdraad, de draad heeft meestal een gouden of zilveren kleur) en borduurwerk. TEXTIEL VAN SUMBA Het oosten is bekend en beroemd om zijn kleurige weefsels. De dorpen op Oost-Sumba zijn nog steeds de aangewezen plaatsen om het weef- en ikatproces te zien. Kenmerkend is de felgekleurde sarong van de mannen die op zon manier is omgeslagen dat deze ongeveer een derde van de benen bedekt en het resterende (lange) stuk aan de voorkant tot over de knien hangt. Met een riem wordt de sarong op zijn plaats gehouden. Vrouwen dragen in hun dagelijkse leven geen kleurige geweven sarongs. Zij voeren hun dagelijkse werkzaamheden uit in een confectiesarong of in kleding van zwarte stof. Ikat en mythen Ikat en mythen zijn in de wereldbeschouwing van de Sumbanees sterk met elkaar verweven. Ideen en waarden worden verwoord in mythen en uitgedrukt in weefsels. Mythen spelen een nadrukkelijke rol in de taboes die het weefproces omringen. Zo is het verboden om te weven in het centrale gedeelte van Sumba. Alleen in de westelijke en oostelijke hoek van het eiland mag de ikattechniek worden toegepast. Voor delen van West-Sumba geldt dat kleurige draden niet gebruikt mogen worden, terwijl in het gebied rond Tanjung Sasar donkere kleuren weer taboe zijn. In het centrale gedeelte van West Sumba is een mythe in omloop die de taboes op het hele eiland verklaart. Sumba wordt daarbij voorgesteld als een lichaam met een geweven omhulsel, een 'huid die de regen doorlaat en die het grondwater en andere levenssappen beschermt. Om te voorkomen dat dit voedzame vocht wegvloeit naar zee, moeten de beide uiteinden worden afgebonden. De Kodinezen in het westen en de mensen uit delen van Kanatang, Kambera, Melolo, Rende, Mangili en Wejelo in het oosten doen dat door middel van het ikatweven (ikat betekent afbinden). De samenlevingen aan de West- en Oostpunt van Sumba zijn verplicht ikat doeken te maken. De mensen in de tussenliggende gebieden mogen wel weven maar niet met de ikattechniek. Het afbinden van de scheringdraden zou de vrije circulatie van de levensaderen belemmeren. In deze gebieden vervangen versieringstechnieken als luspatronen, kralenwerk en borduren de ikat.

Een andere mythe die de taboes in het centrale gedeelte van Sumba verklaart, verhaalt van een eiland dat door middel van een bundel scheringdraden is opgehangen aan de hemel en vastgebonden aan de bodem van de zee. De draden lopen door het midden van het eiland, zodat het land op het water kan blijven drijven. Weven, het op en neer halen van de hevels van het weefgetouw om de inslagdraden in te voeren, zou de scheringdraden van het kosmische weefgetouw kunnen beschadigen. Deze zouden kunnen knappen, waardoor het eiland met zijn bewoners in zee zou verdwijnen. Kleuren De traditionele kleuren van de ikatdoeken zijn wit (ongekleurd), zwart (mengsel van ijzerhoudende modder en kruiden), indigoblauw (het plantje nila) of roestrood (kombuboom). Voor het afbinden van de garenbundels worden de jonge bladeren van de gebang boom gebruikt. Witte doeken verwijzen naar het leven en naar het begin van een nieuwe levenscyclus. Zwart en donkere kleuren daarentegen worden geassocieerd met de dood. Een uitzondering hierop zijn witte doeken die in gebruik grauw geworden zijn en voor het gemak zwart geverfd worden. De associatie van zwart met dood verklaart waarschijnlijk waarom in Tanjung Sasar niet met donkere kleuren mag worden geverfd. Hier zetten de voorouders voor het eerst voet aan land en hierheen gaan ook de zielen van overledenen. Het verven met indigo is een proces dat verband houdt met de levenscyclus; dood, maar ook huwelijk, bevruchting en geboorte. Kleuren en kleurcontrasten staan voor vitaliteit, levensvatbaarheid en vruchtbaarheid. Dit geldt zelfs voor moderne kleding. Zo kiezen vrouwen bij hun blauwe rok het liefst een licht getinte blouse uit. Contrasterende kleuren brengen geluk en zijn bevorderlijk voor het leven. Het ontbreken van contrast tussen licht en donker verzwakt de drager en brengt ongeluk. Het vertrouwen van de Sumbanezen in de toekomst straalt af van de vrolijkheid van hun kleurige kleding. Motieven Een veel voorkomend ikatpatroon is het diagonale strepenmotief (zoals op de huid van een python). Een scheppingsmythe verklaart dit gebruik. Na de oerchaos, waarin de mensen zich als beesten hadden gedragen en het land bijna op was, maakte een van de weinige overlevenden, een python, van de laatste boom een weefgetouw. Hij begon te weven, om elke poel water en elke bron heen, totdat er genoeg land was voor mensen, dieren en planten. Hij herstelde de afwisseling tussen het droge en het natte seizoen en schiep zo een leefruimte waar een mens zich zou kunnen vestigen. De python, die regelmatig zijn huid kan vervangen en door deze gave in staat is nieuw leven te scheppen, is een terugkerend motief. Daarnaast werkt men op OostSumba vooral met slang- en garnaalmotieven. Er wordt gezegd dat voorouders de vorm kunnen aannemen van zoetwatergarnalen. Zij zwemmen in bronnen, zodat zij zich met water kunnen vullen en een nieuw leven beginnen. Het krijgen van een nieuwe huid en het zich vullen met water zijn verschijnselen die heel sterk geassocieerd worden met het idee van een voortzetting van het leven na de dood. Paarden symboliseren bezit, de schedelboom herinnert aan koppensneltijd. Hanen en kippen worden afgebeeld omdat priesters deze dieren voor het lezen van ingewanden gebruiken. Ook de mamuli (oorhanger van de vrouwen) is een populair motief. Herten mochten van oudsher alleen koningsdoeken sieren omdat alleen de vorsten op hertenjacht mochten gaan. West-Sumbanese weefsters werken voornamelijk met geometrische patronen. Chinese drakenmotieven en zelfs een Nederlandse leeuw of vlag wijzen op de invloed van andere landen. Mannen- en vrouwendoeken Het bekendst zijn de mannendoeken. Mannendoeken worden traditioneel in paren gedragen, n als lendendoek en n als schouderdoek. Ze zijn apart geweven, weelderig versierd met patronen die in spiegelbeeld aan elkaar worden genaaid. Tegelijk met de doek die om de heup geslagen wordt, hangt men een tweede over de schouders. Het ontbreken van de afwerking aan de randen maakt het weefsel slechts geschikt voor niet-besneden mannen. Vrouwendoeken bestaan in tegenstelling tot de mannendoeken uit n doek die doormidden wordt geknipt. Het weefsel wordt eerst in de breedte vastgenaaid zodat de franjes aan beide uiteinden van de doeken in dezelfde richting zitten. Vervolgens wordt het weefsel in de lengterichting aan elkaar genaaid waardoor een kokerrok ontstaat. Deze wordt met een overslag gedragen. Baren en weven zijn de belangrijkste taken van de vrouw. In beide gevallen creert zij leven, zij plakt adem en naam, katoen en geest aan elkaar. Hiermee vergroot zij niet alleen haar eigen naam maar ook die van haar man en het huis. Tegenwoordige weefsels Door de invloed van kerken, scholen en regeringsprogrammas verdwenen veel tradities en verloren taboes hun kracht. Weven, een bezigheid die vroeger alleen door adellijke vrouwen werd uitgevoerd, gebeurt nu door vrouwen uit alle lagen van de bevolking. Gekleurde en gemporteerde garens worden met veel trots gebruikt om nieuwe patronen te ontwerpen. Een populaire moderne techniek is lambelekko of labalekko, waarbij patronen worden ingeweven door met behulp van dunne stokjes de scheringdraden op te pikken, zonder dat hierbij extra draden worden toegevoegd. De patronen die zo ontstaan, vormen vaak een rand van een gekatte doek. Ondanks deze noviteiten in de weeftechniek, zijn er gebieden waar louter traditionele ikat wordt gedaan en waar toegepaste patronen en kleuren puur traditioneel zijn. De meeste weefactiviteiten vinden nog steeds plaats in de oostelijke kustgebieden van Oost-Sumba en in het Kodi-district op West-Sumba. Hoezeer de weefsels verschillen van uiterlijk met vroeger, hun taal blijft krachtig. Kwaliteit van weefsels De vrouwen weven soms speciaal voor de toeristen en proberen zo iets bij te verdienen. De weefsters hebben zo vaak hun eigen ideen wat de buitenlanders mooi vinden. De voorkeur van veel westerlingen voor het combineren van nuances van eenzelfde kleur is hun vreemd. Een dergelijk palet is in hun ogen dood. Sumbanese doeken tonen van oudsher een onregelmatige dikte in ribbels. Dit is het gevolg van (natuurlijke) onregelmatigheden in het met de hand gesponnen katoen en het gebruik van dikkere scheringdraden ten opzichte van de inslagdraden. Hoe dikker het weefsel hoe beter, vinden de Sumbanezen. Het weefsel is immers als een huid en die beschermt beter naarmate deze dikker is. Een stevig geweven stof wordt geassocieerd met een lang leven. Weefsels van goede kwaliteit, met authentieke motieven en met natuurlijke verf gekleurd, worden voornamelijk op OostSumba aangetroffen. Bekende dorpen zijn Melolo, Pau Mangili en Rende. Het gebruikte katoen wordt veelal gekocht en niet meer zelf geplukt en gesponnen. De prijs is afhankelijk van het patroon, de kleuren en de toegepaste weeftechniek. Felle kleuren duiden op chemische verfbaden en worden veel door West- Sumbanese weefsters toegepast.

Bezoek aan traditionele dorpjes In de textielproducerende Oost-Sumbanese dorpen zien de bewoners in alle buitenlandse bezoekers potentile kopers. Men zal met alle geduld de verschillende weef- en verfprocessen laten zien en de koopwaar voorleggen. Vooral op West-Sumba is men niet altijd vol begrip voor toeristen die alleen maar schijnen te willen rondkijken en fotograferen en bovendien blijk geven geen weet te hebben van de plaatselijke gebruiken en adat. Een gebaar dat helpt om de vriendelijkheid en gastvrijheid van de dorpelingen te stimuleren is het aannemen en/of geven van sirih-pinang. Weigeren van sirih-pinang wordt gegarandeerd opgevat als een belediging van de gastheer. Overigens betekent het aannemen van de sirih-pinang niet dat je de noot en het blad verplicht moet kauwen (de smaak wordt niet altijd gewaardeerd door westerlingen). Beleefd aannemen en in je zak steken is ook goed. Gooi niets weg waar je gastheer bij is! Pas na een donatie en toestemming van de gastheer, is het moment aangebroken om fotos te nemen. Door de tijd te nemen voor een praatje, zal de vriendelijke en warme aard van de mensen duidelijker naar voren komen en kun je met een prettig gevoel het dorp verlaten. TEXTIEL VAN FLORES De inwoners van Flores behoren tot verschillende etnische groepen elk met zijn eigen taal en gebruiken en ook elk met zijn eigen traditie in het produceren van textiel. In alle gemeenschappen spelen handgeweven doeken een centrale rol, niet alleen als kleding, maar ook als ingredinten in een web van sociale en economische transacties en ten slotte als een manier om kunst uit te beelden. Waar de techniek van het weven oorspronkelijk vandaan komt is onzeker. Pas vanaf het eerste millennium na Christus werd katoen gentroduceerd. Bestond de weeftechniek voor deze periode dan moet er gebruik zijn gemaakt van andere vezels. De oorsprong van ikat is eveneens verre van zeker. De complexe procedure van het verven met kleurstoffen die de toevoeging van bijtende stoffen nodig hebben om zich te binden aan de garens werd pas in een recent verleden geperfectioneerd in India en overgebracht via handelsroutes naar de Sunda-eilanden. Hier waren het de kustbewoners die als eerste in aanraking kwamen met de verschillende technieken van weven, verven en patronen. De bergbewoners droegen tot in de negentiende eeuw kledingstukken van geslagen bast. Hoewel boombastkleding niet meer gemaakt word, vertelt de oude bevolking er nog schertsend over. Patronen zijn beter terug te herleiden tot een bepaalde periode. Vele zijn afgeleid van de zogenaamde patola motieven, motieven die de prestigieuze dubbel gekatte zijden doeken uit India decoreerden. Niet in elk gebied van Flores wordt er geweven, er zijn duidelijke weef en niet weefgebieden aan te wijzen.Veelal liggen achter deze scheiding ecologische factoren. Katoen, bijvoorbeeld, is een plant die een lange droge periode nodig heeft en graag wortelt in zandgronden. Ook nila, het kleine plantje waaraan indigo onttrokken wordt stelt specifieke eisen aan zijn habitat. Toch verklaren ecologische factoren niet overal de scheiding in wel of niet weven. Bij een aantal gebieden is het weven een taboe. Vrouwen in niet weefgebieden in het Lio district (zoals het Detusoko subdistrict rond de Keli Mutu) zeggen dat hun dorp vernietigd zal worden door een noodlottige storm als ze gaan weven. In enkele gebieden van het Rembong subdistrict van Manggarai, wordt weven gezien als een vloek die werd uitgeroepen over de afstammelingen van een voorvader die schuldig was aan incest of overspel en moord. De niet weefgebieden kwamen in het bezit van sarongs en ander textiel door het ruilen met andere goederen, zoals buffels, rijst en mas. Hierdoor kregen de doeken, naast een sociale waarde ook een belangrijke economische waarde. Weefgetouwen Er zijn drie type weefgetouwen in gebruik op Flores (zie figuur A, B, C).

Ze verschillen voornamelijk in de wijze waarop de schering bevestigd wordt en extra hulpmiddelen. Het meest eenvoudige weefgetouw (A) heeft geen kam (een kam wordt gebruikt om de scheringdraden op gelijke afstand te houden ) en een doorlopende schering. Dit model wordt op alle Sunda-Eilanden gebruikt in de meer afgelegen gebieden. Op Flores kom je dit type overal tegen met uitzondering van de Manggarai en de noordkust van het Ngada - district. Doordat er geen kam wordt gebruikt liggen de scheringdraden dicht naast elkaar. Ze verbergen hierdoor de inslagdraden bij het geweven eindproduct. Deze techniek is dus ideaal voor textiel waarbij alleen de schering wordt voorzien van een patroon omdat de inslagdraden het patroon niet veranderen. Het tweede type (B) weefgetouw lijkt veel op het eerste behalve de toevoeging van een kam. Een rechthoekig instrument bestaande uit honderden fijne bamboesplinters. Door het gebruik van de kam zijn zowel de schering en de inslagdraden zichtbaar in het eindproduct. Een kam is daardoor onmisbaar als men de inslagdraden van een patroon voorziet of als er extra inslagdraden aan het grondweefsel worden toegevoegd. Dit type textiel komt echter niet veel voor op Flores. Het wordt gebruikt door de Lio-vrouwen (Ende district) als zij de gestreepte sarongs voor de mannen weven. Om de draden op dit weefgetouw te bevestigen moeten de scheringdraden door de openingen van de kam gehaald worden zonder dat de draden doorgeknip worden. Hier hebben de vrouwen een ingenieuze manier voor waarbij uiteindelijk een stokje het doorlopende effect weet te behouden.

Het derde type weefgetouw ( C ) heeft ook een kam (een kam is vermoedelijk door migranten uit Sulawesi ingevoerd) en laat een niet doorlopende schering zien waarbij de uiteinden aan respectievelijk de borstboom en de scheringboom zijn bevestigd. Dit type is meer verspreid als het tweede en komt voor door heel westelijk Indonesi, op Bali, Sulawesi en Sumbawa. Op Flores wordt het alleen gevonden in het Manggarai district en in de Riung en Mbaygebieden aan de noordkust van het Ngada-district. Al deze gebieden werden ooit geregeerd door Makassarezen of Bimanezen. Dit type weefgetouw wordt geassocieerd met het weven volgens de suppletoire techniek waarbij extra inslagdraden worden ingeweven. Ontwerpen en technieken in verschillende districten van Flores De variatie in ontwerpen en technieken verhult informatie over de weefster. Uit welk district zij komt en zelfs uit welk dorp zij van oorsprong is en vertelt de koper ook over de status van de weefster. Ondanks dat op Flores de weeftechnieken en patronen vele overeenkomsten vertonen zijn de verschillen zeker zo talrijk. Hieronder volgt een uitgebreidere beschrijving van de geweven doeken en weeftechnieken van de districten Manggarai, Ngada, Ende en Sikka. Manggarai, is het meest dichtbevolkte district van de vijf. Het eiland is hier op zijn breedste en een relatief groot gebied bestaat uit bevloeid hoogland. Dit verklaart Manggarais reputatie als zijnde het meeste productieve rijstproducerend district op Flores. Het landschap wordt gedomineerd door een uitgebreid vulkanisch massief met de 2400 meter hoge Renaka als hoogste punt. Ruteng, de hoofdstad, bevindt zich op 1300 meter hoogte aan de voet van het massief. Verderop breekt het land zich op in een chaotische wanboel vanbergen gescheiden door diepe rivierravijnen. Het meeste van deze streek is in de laatste decennia getransformeerd in een adembenemend landschap bestaande uit rijstterrassen. Na de Nederlandse overwinning op Gowa (Makassar, Zuid-Sulawesi) in 1669, ontwikkelde zich een langdurige strijd tussen de Makassarese vluchtelingen en de sultan van Bima over de rechten van het Manggarai-gebied. In 1722 trouwde een zoon van de sultan van Bima met een Makassarese prinses, maar deze poging om door middel van een huwelijk beide partijen te verzoenen mislukte. In het conflict dat hierop volgde, kreeg Bima uiteindelijk de zeggenschap over Manggarai. Het district werd verdeeld in talrijke eenheden die dalu genoemd werden. In het begin van de twintigste eeuw waren er 35 afzonderlijke dalu. De Nederlandse koloniale regering verhief de leider van Todo, in die tijd de machtigste dalu, tot de nieuw gecreerde positie van Radja (koning) van Manggarai. Na de Indonesische onafhankelijkheid werd het gebied opgedeeld in acht subdistricten en hiermee was het met de dalu-structuur gedaan. De namen van de verschillende dalus zijn echter nog steeds in gebruik en verwijzen naar bepaalde regios in een subdistrict. Ondanks de interessante geschiedenis en de grote etnische diversiteit van de Manggarai, zijn de textieltradities nogal beperkt in vergelijking met die in de andere districten van Flores. Slechts twee weefcentra kunnen worden aangewezen. Het gebruik van ikat wordt nergens toegepast. Het kleinste van dit gebied is gelokaliseerd rond de vroeger dalu van Todo, ten zuidwesten van Ruteng. Het meer uitgebreidere gebied begint ten noordoosten van Ruteng tot aan de grens met het Ngada district en omvat een vijftal vroeger dalus. Vooral uit dit laatste gebied, meer specifiek uit de dalu Lambaleda, komt de textiel dat karakteristiek Manggarais genoemd wordt. Een stijl die nu ook gedeeltelijk overgenomen is door de andere dalus omdat deze nu eenmaal een grotere aftrek vindt ten opzichte van de eigen ontwerpen die wat eenvoudiger on somberder zijn. Als ondergrond weven de vrouwen bij voorkeur zwarte doeken (geel als onderkleur komt ook voor). Door het weven met een extra inslagdraad worden motieven op het grondweefel aangebracht. Deze extra inslagdraad loopt gedeeltelijk aan de voor-en gedeeltelijk aan de achterzijde van het weefsel door. De openingen in de schering om de patroondraad door te halen worden door deweefster soms met de vingers gemaakt, maar vaker maakt men gebruik van een patroonophaler en patroonlatten (de meer bekwame weefsters maken geen gebruik van deze hulpmiddelen, hun patronen vormen meer onderlinge variatie en worden hoger gewaardeerd), die volgens het te weven patroon in de scheringdraden zijn aangebracht. Bij het aanbrengen van de kleine figuurtjes, wordt telkens het vereiste aantal scheringdraden met een stokje opgelicht en vervolgens de extra inslagdraad door de ontstane opening heen gehaald. De kleur van de inslagdraad is bij voorkeur rood, wit of geel. De motieven zijn geometrisch, bevatten veel ruiten, kruizen en gestileerde hagedis- en mensfiguren. Invloeden van Bima en Zuid-Sulawesi zijn zowel in de gebruiktetechnieken als in de motieven duidelijk herkenbaar. Daarnaast is het type weefgetouw hetzelfde als die van bovengenoemde islamitische streken, zijn de sarongs uniseks en worden dezelfde termen gebruikt om verschillende typen sarongs aan te duiden. De meeste geproduceerde sarong in Manggarai de lipa songke, is een sarong die zowel door mannen als vrouwen gedragen wordt. De sarong is verdeeld in twee secties, waarbij er een meer gedecoreerd is dan de andere. Dit is een normaal verschijnsel in Indonesi waarbij het grootste stuk van de sarong het lichaam (badan) wordt genoemd en het verticaal decoreerde stuk het hoofd (kepala). Meestal is het hoofd smaller dan het lichaam maar in het Manggarai-district zeggen de weefsters dat het hoofd minimaal de helft van een menselijk lichaam moet omvatten. Het lichaam wordt vaak geheel zwart gelaten of soms versierd met eenvoudige lijnen die aangebracht worden door middel van bovenbeschreven techniek. Het andere gedeelte van de stof wordt druk bewerkt met motieven in verschillende kleuren. Een karakteristiek kenmerk van een lipa songke is een kleurrijke rand van kleine driehoeken die jok genoemd wordt. Deze worden er met behulp van de tapisserie methode aangebracht. Een methode waarbij patronen worden gecreerd door verschillende gekleurde inslagdraden in de gekleurde scheringdraden te weven. De jokrand symboliseert de Manggarai versie van de zogenaamde driehoekige tumpal ontwerpen die op Bimanese textiel worden aangetroffen (komen oorspronkelijk uit India). De spectaculaire vulkaankegels van de Ine Rie en de Ebulobo domineren het landschap van het Ngada-district. Er kunnen twee grotere etnische groepen worden onderscheiden; de Ngada bevolking die het gebied rond de Ine Rie bewonen en de Nag-Keo in het gebied rond de Ebulobo. De etnische diversiteit is echter wat ingewikkelder als bovenstaande beschrijving doet geloven. Vooral in het gebied rond het islamitische plaatsje Riung is de diversiteit groot, een gebied overigens waar weinig over bekend is. De Nederlanders erkenden drie koningen; de Radja van Bajawa (Ngada), de Radja van Bowea (Nag-Keo) and de Radja van Riung. Textiel van het Ngada-district kan ook grofweg onder scheiden worden in drie stijlen; die van de Ngadabevolking wordt getypeerd door het toepassen van scherings-ikat met simpele vage witte motieven op een indigo ondergrond. De stoffen zijn zwaar en donker. Nag wevers produceren een stijl waarbij banden van indigo gekleurde ikat afgescheiden worden met banden van effen rood. In de (gemixte) islamitische kustgebieden overheerst de suppletoire inslagtechniek (zie Manggarai). De sarongs geweven door de Ngada en Nag worden soms opgetrokken tot onder de kin en met grove steken vastgenaaid boven de schouders zodat er een soort jurk ontstaat. Lokale verschillen in klimaat benvloedden de textielproductie in de Ngada dorpjes in belangrijke mate. Zeker in het tijdperk dat alle kleden gemaakt werden van zelf geplante katoen en geverfd met natuurlijke verfstoffen. Katoen werd gecultiveerd in lager gelegen gebieden, voornamelijk aan de zuidkust en in de Soavallei. Indigo werd geplant op grotere hoogte. De belangrijkste Ngada weefdorpjes bevonden zich daar waar zowel katoen en indigo geplant kon worden. Een zekere mate van export zorgde ervoor dat benodigde grondstoffen ook hun weg naar andere hooggelegen dorpjes vonden. Er waren drie belangrijke ikatproductie gebieden aan te wijzen; Jerebuu, Langa (beiden aan de oostflank van de Ine Rie ) en een gebied wat ghole genoemd word (betekend: achter de berg). Dit bestond uit enkele dorpjes zoals Lopijo en Teni. De genoemde dorpjes bestaan

nog steeds, maar het zijn vooral de twee laatste waar nog veel wordt geweven. De weefsters maken tot heden ten dagen gebruik van eigen geplante katoen en indigo en weven traditionele motieven in hun doeken. De patronen zoals die van oudsher werden aangebracht bepaalden de status en leeftijd van de drager. Een jongetje droeg een effen sarong. Als hij een teenager was en aangetoond had dat hij zijn eigen tuinen kon bewerken vormde hij een groep van leeftijdgenoten die een aantal initiatie riten en besnijdingsrituelen moesten ondergaan. Hiervoor werden zij onder andere voor een periode van drie maanden gesoleerd in het bos. Ze keerden terug in het dorp gekleed in nieuwe kledingstukken waaronder een sarong en een schouderkleed. Beiden waren geverfd met indigo en gedecoreerd met rijen van simpele ikat motieven. Deze kledingstukken wezen op de bereidheid tot huwen en na het huwelijk maakten ze deel uit van de dagelijkse kleding. Wanneer een man volwassen was en zich in een positie bevond dat hij een traditioneel feest kon veroorloven waarin een buffel geslacht werd, mocht hij zich kleden in nieuwe doeken. Deze kledingstukken werden gedecoreerd met smalle banden van eenvoudige paardenmotieven. Jonge meisjes droegen een indigogeverfde sarong met twee panelen die versierd waren met het zogenaamde kippenpoot motief. Als ze de volwassen status bereikten na de tandenveil- ceremonie te hebben doorstaan mochten ze een sarong met drie van deze panelen dragen. Met dit kledingstuk lieten ze zien dat ze huwbaar waren. Als een vrouw haar man bij stond in het geven van een groots feest was ze ook toegestaan de sarong met paardenmotieven te dragen. Tegen de tijd dat een getrouwd stel meerdere grotere feesten had gegeven, waren ze zo ver op de sociale ladder geklommen, dat ze sarongs konden dragen met motieven van een speer (tubba), het heft van een speer (lenge tubba), vlinders (nggake), bidsprinkhaan (faga), vissen (ika) en krabben (rogo) gerangschikt in relatief brede banden. In de Soa-vallei, ten noordoosten van Bajawa, werden andere motieven gebruikt met afwijkende functies. Sinds de vijftiger jaren wordt hier echter niet meer geweven. Een reden is dat de vrouwen onmisbaar zijn in de aanleg van rijst terrassen en de teelt van rijst die in die tijd gentroduceerd werd. In Nag dorpjes werden van oudsher drie typen vrouwensarongs gemaakt. Slechts n type, de hoba pojo wordt tegenwoordig nog steeds geweven. Deze hoba pojo heeft brede met indigo geverfde banden (twee of drie) die versierd zijn met gekatte patronen welke worden afgewisseld met banden van effen kleuren (traditioneel gezien is dit de rode morinda verfstof). De motieven zijn eenvoudig en laten weinig variatie zien. Enkele draden die feloranje geverfd zijn worden er met de suppletoire inslagtechniek aangebracht. Een belangrijk deel van de Nag doeken wordt geweven met handgesponnen draden, dit geeft ze een grof aanzien. Nag vrouwen dragen hun sarongs met blouses die nu gemaakt zijn van gemporteerd materiaal. Ze zijn vaak van embroiderie voorzien, een techniek die ze van de katholieke zusters geleerd hebben. Eens droegen de Nag mannen ook lokaal geproduceerde ikatdoeken. Vesten gemaakt van plantaardige vezels en beschilderd met het rood van het sappanhout en zwart van opgedroogd varkensbloed waren een teken van mannelijkheid. De sarongs zijn inmiddels vervangen door de hoog gewaardeerde doeken gemaakt door de islamitische Mbay die suppletoire inslagtechniek toepassen. Wat betreft de vesten zijn er nog maar enkele oude mannen die weten hoe ze te vervaardigen en worden ze alleen nog maar tevoorschijn gehaald tijdens belangrijke ceremonien. De Nag mannen dragen nog wel gekatte sjaals die nu versierd zijn met moderne kleuren en motieven. In de derde regio van het Ngada district ten slotte wordt geen gebruik gemaakt van ikat maar van de suppletoire inslagmethode. Toonaangevende gebieden zijn Mbay en Riung. Mbay is het meest beroemde weefcentrum in westelijk Flores, een reputatie die ze door de generaties heen opgebouwd hebben vanwege de hoge kwaliteit van hun geweven doeken. De motieven, traditioneel in geel en oranje, worden geweven op een zwarte achtergrond. Net zoals de Manggarai sarongs wordt er een deel nadrukkelijker gedecoreerd. De technieken die in Mbay gebruikt worden zijn dezelfde als die van de Manggarai, maar de doeken van de Mbay zijn direct herkenbaar aan de hand van de gebruikte kleuren. De zwarte achtergrond van de Mbaydoeken, geproduceerd door verven van het indigo grondweefsel met morinda en met de bast van de rengit boom (Acacia glauca), vervaagd niet tot blauw zoals dat de gewoonte is met de doeken van Manggarai. Tegenwoordig gebruiken de Mbayweefsters voor de motieven nieuwe kleuren, waaronder rood en geelgroen, maar ze zullen het wit en pastelkleuren van de Manggarai vermijden. Alleen de oudere vrouwen weven nog. Sinds in de vijftiger jaren een aangelegde dam de voorheen droge vlakte rond Mbay heeft veranderd in een landschap met gerrigeerde rijstvelden, heeft arbeid zich op de landbouw gericht. Alleen oudere, niet-werkende vrouwen produceren tot heden ten dagen de hoog gewaarde Mbay doeken. Ten westen van Mbay ligt het havenplaatsje Riung met een gemleerde bevolking bestaande uit afstammelingen van bevolkingsgroepen uit Sulawesi, Bima en de Molukken. De textiel die hier geproduceerd wordt combineert elementen van Mbay en Rembong (Manggarai). Dat juist deze eenvoudige doeken zo hoog in acht staan bewijst dat de techniek van suppletoire inslag pas recent in ingevoerd. Met deze techniek maken de wevers uit de Riung streek nu dezelfde sarongs als uit Mbay. Het district Ende wordt bewoond door Endenese en Lio etnische groepen, welke echter zo nauw verwant zijn dat de term EndeLio vaak gebruikt wordt. De belangrijkste stad is Ende aan de zuidkust van Flores. De bewoners zijnnakomelingen van relaties tussen islamitische zeelui en de lokale etnische bevolking. Hoewel de Portugezen veel moeite deden om een vaste voet te krijgen in het gebied, moesten ze uit eindelijk het onderspit delven aan de islamitische machten zoals die van Makassar. Ende werd een belangrijke zeehaven voor de oostelijke eilanden. Er is een precieze grens aan te geven die de Endenese etnische groep en de Lio van elkaar scheidt. De Endenese gebieden zijn naast de stad Ende, de onderdistricten Nangapanda en Ende. De Lio bevolking woont in de overgebleven vier onderdistricten; Ndona, Detusoko, Maurole en Wolowaru. Weven vindt echter alleen plaats in de dorpjes dicht bij de zuidkust. Er wordt niet geweven in de Maurole en Detusoko onderdistricten. Ecologische omstandigheden (de beperkte mogelijkheden tot de groei van katoen en indigo en de geschiktheid van het land voor landbouw) zijn hier de belangrijkste oorzaken van. Tegenwoordig concentreren Endenese weefsters zich voornamelijk op het maken van gekatte sarongs voor vrouwen. Deze sarongs laten een groot aantal combinaties van motieven zien, gerangschikt volgens een starre ontwerpstructuur. Er zijn altijd drie panelen herkenbaar, de twee eindpanelen zijn hetzelfde en bestaan uit smalle en brede gekatte banden met een vast patroon. Tussen de banden bevindt zich een effen zwarte band. Het centrale paneel is meer variabel en bestaat uit een veld van gecombineerde motieven soms onderbroken door zwarte effen strepen of banden. Motieven zijn o.a. olifanten en verschillende versies van het oorspronkelijke Indiase patola motief. De motieven hebben een witte en of rode kleur op een zwarte achtergrond. Elke ikat band heeft zijn eigen naam, genoemd naar de patronen die er op afgebeeld zijn. Van de Lio dorpen zijn het voornamelijk Ngella, Wolojita, Jopu, Mbuli waar heden ten dagen veel geweven wordt. Veelal wordt gebruik gemaakt van synthetisch garen en chemische kleuren, hoewel deze kleuren altijd lijken op de oorspronkelijke gebruikte natuurlijke verfstoffen. De Liodoeken zijn te onderscheiden van die van de Endenese door het ontbreken van een zwarte band in de eindpanelen. Het ontwerp is wat minder star en soms bestaan de sarongs uit vier panelen. Sarongs voor mannen zijn sinds de zestiger jaren effen zwart met smalle banden of strepen in wit, lichtblauw of gele kleur. Mannen dragen, vooral tijdens ceremonien, ook hoofddoeken, tassen en schouderkleden gemaakt van gekatte doeken. In het district Sikka speelt textiel een belangrijke rol in ceremonile uitwisselingen tussen gemeenschappen, vooral tijdens

huwelijken en begrafenissen. Elke groep heeft zijn eigen ontwerpen, zodat het mogelijk is bij het zien van een doek om de herkomst van de weefster te herleiden. De meest prominente gemeenschap in de geschiedenis van het Sikka-district isSikka Natar, aan de zuidkust. Lange tijd was dit de zetel van de succesvolle Koninklijke familie Da Silva. Onderwijzers, priesters en ambtenaren werden vanuit deze plaats over het gehele district geplaatst. Hiermee werd de Sikkanese cultuur, waaronder ook de weeftechnieken en motieven verspreid over de hele regio. Later ontwikkelde zich verschillende lokale variteiten. Doeken uit Sikka zijn druk bewerkt met vele, vaak vage motieven. De motieven zijn in banden gerangschikt waarvan er soms tientallen aanwezig kunnen zijn. Tussen clusters van banden bevinden zich smalle effen banden of strepen. Het geheel komt wat onoverzichtelijk en rommelig over maar de rangschikking van de gekatte banden en de effen strepen geeft de doek zijn sociale identiteit. De belangrijkste band van een sarong, dit hoeft niet altijd de breedste te zijn, is de ina gete, letterlijk grootse moeder. Deze vertoont een bepaald motief (kelang) welke samen met de volgorde waarin de banden gerangschikt zijn (hura) het kleed een afkomst geeft. De kelang geeft informatie over de groep waartoe de vrouw behoort, de hura identificeert het huis (lees; familie van de man) waarin de weester getrouwd is. De achtergrond kan zwart, rood of paars (combinatie van verven met indigo en morinda) zijn, de motieven worden met paars, rood, blauw of wit geverfd. Allen de rode doeken kunnen deel uit maken van een ceremonile uitwisseling. Het weven van textiel is dus een noodzaak voor de vrouwen van Sikka, zonder de doeken verliezen ze hun identiteit. Al op jonge leeftijd leren de meisjes hoe ze moeten weven. Omdat het onder de knie krijgen van de weeftechnieken en het verven lange tijd in beslag nemen duurt het vele jaren voordat een jonge vrouw haar eigen doeken kan gaan produceren. Het maken van een kwalitatief goede doek kan tot twintig jaar duren. Dit omdat de draden vele verfbaden nodig hebben en maanden droogtijd vereisen om de verf goed in de garens te laten trekken. De meest verfijnde rode doeken vergen meer dan een dozijn aparte verfbaden met een acht tot tien maanden droog- en rustperiode tussen elk verfbad. Vanwege dit feit hebben de meeste volwassen vrouwen tientallen doeken opgeborgen die slechts voor een gedeelte klaar zijn. In tegenstelling tot de hierboven beschreven traditionele doeken laten de zogenaamde kelang suster doeken, individuele variatie toe. Motieven die gebruikt worden zijn geleerd van de missiezusters of gekopieerd van doeken uit het buitenland. Zij bestaan uit onder andere afbeeldingen van bloemen, herten, vogels en andere dieren. Deze doeken maken geen deel uit van de textiel dat tijdens bruiloften en begrafenissen wordt uitgewisseld en hebben daarom voor de bevolking minder waarde. Dit zijn wel de doeken die te koop worden aangeboden aan toeristen. Textiel van Lombok In tegenstelling tot op de meeste andere eilanden van Nusa Tenggara worden in plaats van de scheringdraden de inslagdraden afgebonden. Deze techniek werd gentroduceerd door Indiase en Arabische handelaren en vond vooral aanhangers in de laaggelegen streken en kustgebieden. Sarongs bestonden vaak uit een combinatie van ikat en songkettechniek. Tegenwoordig zijn dit soort kostbare doeken nauwelijks meer te vinden en worden ze ook bijna niet gemaakt. In het oostelijke gedeelte van CentraalLombok is het streepmotief populair. Hiertoe worden de scheringdraden in het gewenste patroon gespannen. De weefdraad heeft meestal een uniforme kleur. Het streepmotief en een bepaalde kleur verlenen het weefsel kwaliteiten die gebruikt kunnen worden om ziekten te genezen. Wevers mogen slechts op geschikte, vooraf bepaalde dagen beginnen met hun werk en voor en tijdens het weefproces moeten er offerandes aangeboden worden. Net zoals op veel andere plaatsen in de archipel, hebben weefsels op Lombok een belangrijke functie bij de zogenaamde rites de passage. De Sasak bieden een nieuwgeborene doeken aan, die later gebruikt worden bij ceremonin die overgangsfasen in zijn leven markeren. De vroedvrouw krijgt haar loon gedeeltelijk uitbetaald in de vorm van doeken of kleden. Daarnaast moeten volgens de traditie de vrouwen eerst bepaalde kleden geweven hebben alvorens te kunnen trouwen. De kleur van Sasak-doeken is geassocieerd met leeftijd en sekse. Jonge mensen dragen lichte kleuren, oudere mensen donkere. Oudere mannen dragen veel zwarte kleding en oudere vrouwen veelal rood. De hierboven beschreven functies van weefsels zijn vooral onder de jeugd van Lombok al grotendeels verdwenen. Men weeft omdat dit een belangrijke bron van inkomsten betekent. Motieven en kleuren worden aangepast aan de smaak en de portemonnee van de toerist. Chemische kleurstoffen worden gebruikt en garens worden kant-en-klaar in de winkel gekocht. Men kan zo in minder tijd meer produceren. TRADITIONELE ARCHITECTUUR Elke bevolkingsgroep bezit van oudsher zijn eigen uitgesproken architectuur. Deze is onbetwist verbonden met het traditionele geloof, maar ook heel praktisch met de bouwmaterialen die gevonden worden in de nabije omgeving. Met de introductie van islam en het christendom verdween ook de animistische betekenis van traditionele huizen. Men koos voor meer comfortabelere huizen. Aangespoord en zelfs vaak gedwongen, door godsdienstverkondigers en gezondheidswerkers die de traditionele constructies als haarden van ziekten beschouwden. Toch verdwenen niet alle traditionele geloofsaspecten, maar werden enkele verwoven met de nieuwe godsdiensten. Met als gevolg dat er nog steeds traditionele huizen nodig waren om in ieder geval de belangrijkste ceremonin te kunnen uitvoeren. Deze situatie treft men nog steeds aan op de Sunda eilanden. Vaak bezit een clan n of enkele huizen die het middelpunt vormen van belangrijke gebeurtenissen en ceremonin. De clanleden geven in het dagelijkse leven echter de voorkeur aan comfortabele huizen. Uitzonderingen, waarbij vrijwel het hele dorp nog uit traditionele geconstrueerde huizen bestaat, zijn te vinden in gebieden die pas laat in contact kwamen met blanke kolonisten. Ook rijkdom speelt een rol. Als men nu eenmaal geen geld heeft voor zinken daken of voor zakken cement dan is men toegewezen op de bouwmaterialen uit de omgeving. Daar komt bij dat men alleen de kennis heeft om traditionele huizen te bouwen en dus blijft men die bouwen, hier en daar aangepast. Op de kleine Sunda-eilanden staan nog veel traditionele huizen. Architectuur op Sumba De indrukwekkende traditionele huizen met de hoge puntdaken (uma marapu), zijn nog altijd veel te vinden. De grotendeels lege ruimte die zich onder het dak bevindt, is het domein van de marapu (vooroudergeesten) en dient voor de opslag van heilige erfstukken als mamul (oorhangers) en stenen of houten voorouderbeelden. Een huis is dus niet alleen het gebouw waarin een man, zijn vrouw (of vrouwen) en kinderen wonen, het is ook sociale eenheid, bestaande uit alle afstammelingen van een stamvader en zijn vrouw. Het bouwen van een nieuw voorouderhuis (uma marapu) maakt de eigenaar tot de stichter van een nieuwe afstammingslijn. Aldus is hij ervan verzekerd dat hij na zijn dood zal worden vereerd als een marapu. Zelfs al zou het huis verdwijnen, zijn afstammelingen zullen zich hem blijven herinneren en uiteindelijk besluiten tot het wederopbouwen van het huis. Dit laatste gebeurt regelmatig. Als het huis zo slecht is dat het op instorten staat, of al ingestort is, worden de bruikbare onderdelen bewaard om er later een nieuw huis mee te bouwen. Vooral de steunpilaren die het dak ondersteunen zijn onmisbare onderdelen. Ze hebben een eigen betekenis binnen de symboliek van het geloof. De houten pilaren zijn alle voorzien van een

ronde schijf, het altaar, en moeten worden geplaatst in de juiste volgorde op de juiste manier. Zo moet de kant waar eerder de wortels van de boom zaten, ook met die kant in de bodem worden geplant. Gebeurt dit niet, dan heeft dat voor eventuele zwangere vrouwen in het huis vreselijke gevolgen, bijvoorbeeld een stuitbevalling in plaats van een normale bevalling. De eerste pilaar rechtsvoor is mannelijk en draagt een naam die synoniem is met voorspellen of uitvoeren van religieuze diensten. Dit is de plek waar geofferd wordt en de voorouders en andere geesten worden aangeroepen. Tijdens een ritueel neemt de rato marapu plaats naast deze post. De tweede pilaar die wordt opgericht is eveneens mannelijk en staat rechtsachter. Dit is de plek waar de offerdieren worden geslacht. De derde, linksachter heeft de naam de plaats die de varkens en kippen voedt. Dit is het vrouwelijke gedeelte van het huis want hier verzorgen vrouwen de dieren. Tot slot is er de vrouwelijke pilaar linksvoor. Op deze plek koken de vrouwen de offerrijst. Deze wordt vervolgens doorgegeven aan de priester die bij de mannelijke pilaar rechtsvoor zit. Het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk komt in meer cultuuruitingen naar voren. De huizen rusten op korte, stevige paaltjes en over de lengte van de voorkant bevindt zich een opgehoogde bamboeveranda, waar het bezoek wordt ontvangen. De achterwand van de veranda biedt plaats aan de allerlei soorten statussymbolen, zoals varkenskaken en hertenhoorns. Er zijn enkele huizen die twee grote karbouwhoorns (compleet met schedel) hebben geplaatst als opstapje naar de eigenlijke woonruimte. Vooral op Oost-Sumba werden de dorpen vroeger gebouwd op een heuvel, omringd met een muur of een heg met twee ingangen. De huizen stonden in rijen gegroepeerd rond een plein. Het plein wordt beheerst door de megalithische graftombes van de dorpsstichters, de altaren voor de beschermgoden en de gebleekte stam van de schedelboom (andung). In de dode takken werden de trofeen (de schedels van gedode vijanden) gehangen. Hoewel veel van deze dorpen nu grotendeels zijn verlaten, vervullen ze nog steeds een belangrijke rol in het rituele leven. Er komen hoe langer hoe meer gewone huizen. Aan de bouw van een traditioneel huis zijn namelijk hoge kosten verbonden. De lokale bestuurders willen echter zoveel mogelijk de bouw van uma marapu stimuleren. De wil is er, alleen de financiering vormt soms een probleem. Flores In de heuvels van het Lio district, tegen de hellingen van de Keli Mutu, worden vele huizen gebouwd met bamboe. De rijkere huizen hebben een met gras bedekt dak rustend op een stevige constructie van hardhouten of van kokospalmen gemaakte pilaren en zijbalken. Het geheel staat op een betonnen verhoging. De muren en een eventueel plafond zijn gemaakt van gevlochten platgeslagen bamboe. Ramen bestaan doorgaans uit opengewerkte bamboe. Bloemen, sterren en diamantvormen, geometrische motieven en gestileerde menselijke figuren zijn enkele voorbeelden waarmee de bamboewanden versierd worden. Slangen en hagedissen zijn favoriet; slangen zijn dieren waarvoor men ontzag heeft en hagedissen staan in verband met de voorouders. De armere bevolking leeft in hutjes die vrijwel geheel uit bamboe bestaan, inclusief de steunbalken en pilaren. Het lichte, stevige en flexibele bamboe is uitermate belangrijk in gebieden die gevoelig zijn voor aardbevingen en stormen. Na de aardbeving en de cycloon van 1992 1993 was het 150 jaar oude rumah adat (traditioneel huis) in Wolowaru blijven staan terwijl betonnen huizen in de omgeving volledig vernield werden. Rumah Adat, naast die in Wolowaru, worden nog steeds gevonden in het Lioonderdistrict hoewel niet in grote hoeveelheden meer. Deze prachtige huizen staan op korte houten pilaren en zijn gekroond met een zogenaamd hoge hoed - dakconstructie. Het dak rust op een systeem van twee of drie concentrische rechthoekige balken die op pilaren rusten welke in hoogte toenemen naarmate ze dichter bij het midden van het huis staan. De korte houten pilaren waar het huis op rust zijn gemaakt van kokospalmen die op stenen staan om zo rotting tegen te gaan en ze flexibiliteit te verlenen tijdens aardbevingen. De wanden zijn gemaakt van planken, de vloeren van hele bamboestokken en de binnenmuren en de niet-dragende buitenmuren van geweven bamboe- en kokosmatten. De keuken bevindt zich meestal aan de achterzijde. De voorkant van het dak overschaduwd een veranda die over de breedte van het huis loopt. Deze veranda is opgehoogd door bamboestammetjes. Een verhoging van bamboe bevindt zich aan de achterzijde van het huis. De belangrijkste huizen worden betreden door een houten trap die naar een prachtig uitgesneden houten deur leidt. Motieven zijn hanen, boten, vissen, wapens en floramotieven en figuren van knielende mannen en vrouwen . In traditionele dorpen staan de huizen in twee tegen over elkaar gelegen rijen. De open middenplaats bevat megalieten, tombes en tegenwoordig ook geconstrueerde grotten met een Mariabeeld. In het westen van Flores, gecentreerd rond de stad Ruteng, wonen de Manggarai. Deze bevolkingsgroep leefde ooit in grote gemeenschapshuizen die kegelvormig of elliptisch van vorm waren en gebouwd op korte pilaren. Het dak bedekt met grassen reikte bijna tot aan de grond. Het gebrek aan ramen en andere ventilatie zorgde ervoor dat het er binnen in rokerig en muf was. De rook was echter een probaat middel tegen insecten, het conserveerde het hout en zorgde voor een aangename temperatuur in het frisse bergklimaat. Deze huizen vormden de woningen voor vele families (de grootste boden onderdak aan ca. 400 mensen) en waren ook het middelpunt van ceremonin. Vrijwel alle traditionele Manggarai huizen werden vernietigd op bevel van zowel missionarissen als Nederlandse gezondheidsofficieren die bezorgd waren om de gezondheid van de bewoners vanwege de aanwezigheid van wormen, longziekten en dysenterie. Deze ziekten werden grotendeels veroorzaakt door de met rook gevulde interieurs en afvalhopen met uitwerpselen onder het huis. Vanaf de dertiger jaren, na een kort en niet succesvol experiment met vierkante huizen, bouwden de Manggarai eengezinswoningen met kegelvormige daken. Tegenwoordig leven de meeste in huizen gebouwd volgens Javaanse stijl. Todo, in middenzuid Manggarai is de woonplaats van een clan die al vanaf twee eeuwen voor de eerste invloed van de Nederlandse kolonialen controle had verworven over het grootste deel van zuidelijk Manggarai. Uit deze clan kozen de Nederlanders een koning om de Manggarai te regeren. Vanwege de bijzondere status van deze clan had de koloniale administratie het toegestaan om de traditionele kegelvormige clanhuizen te laten staan. Deze huizen bleven staan totdat ze in de zestiger jaren van de vorige eeuw volledig vervallen waren. In 1990 ontstond er het plan om een van deze huizen op nieuw op te bouwen en in de jaren die er opvolgde werd het grote clanhuis volgens oude tradities volledig opgebouwd. Ten oosten van de Manggarai ligt Ngada district. De Ngada en verwante groepen (zoals de Nag en Keo ten oosten van de Ngada) waren de laatste bevolkingsgroepen in Flores die in contact gebracht werden met de witte kolonisten en hun westerse invloeden. Met als gevolg dat in dit gebied de lokale religie nog steeds een belangrijke rol in het dagelijkse leven neemt. De voorouders zijn zich verzekerd van een centrale plaats in de samenleving. Elke clan erkent zijn eigen mannelijke en vrouwelijke voorvaderen. Ze worden gesymboliseerd door opvallende constructies die in het midden van het dorp te vinden zijn. De ngadhu symboliseert de mannelijke voorouders en is geconstrueerd in de vorm van een circa twee tot drie meter hoge parasol die bestaat uit een gedecoreerde houten vaak gevorkte offerpaal met daarop een met gras en vezels bedekt dak. Bovenop staat een figuur gemaakt van ijuk-vezel en uitgerust met armen die een parang (Indonesische kapmes) en een speer vasthouden. De vrouwelijke tegenpool wordt bhaga genoemd en is een miniatuurhuisje, dat eveneens met houtsnijwerk versierd is. In een lijn met de ngadhu en bhaga staat de peo, een opgerichte steen van ongeveer een meter hoog, die dient als offerpaal. Hier worden de buffels aan vastgebonden die

tijdens clanceremonin moeten worden geofferd. De peo, samen met de ngadhu en bhaga vormen een ceremonile eenheid voor de betreffende clan. Een vergelijkbare functie heeft de peo voor de naburige bevolkingsgroep de Nag. Hier is de peo een meer uitgesprokener voorwerp (meestal een gevorkt houten gedecoreerde paal) en vormt de belangrijkste constructie die een clan kenmerkt. De peo hier herenigt zowel het vrouwelijke als het mannelijke hoewel het mannelijke meestal benadrukt wordt. De ia, een opgerichte steen of een houten bewerkte pilaar, en de bo heda, een kleine opslagruimte in de vorm van een huis benadrukt het vrouwelijke. De constructie van peo ngadhu bhaga eenheid is gebonden aan verschillende adatregels. Men begint pas met de bouw als een van de clanleden een teken heeft gekregen van de voorouders (meestal in een droom). De paal van de ngadhu wordt gemaakt van een speciale boom met hard rood hout, de zogenaamde hebu - of shebuboom (Cassia fistula, familie leguminosa die zich kenmerkt door stikstofbindende werking van de wortels en het produceren van zaden in peulen). Deze boom wordt met (intacte) wortel en al uit de grond gehaald en daarna met de nodige ceremonile handelingen naar het dorp gebracht. Een stenen paal wordt dicht bij de stam geplaatst en dient als bewaker voor de ngadhu in wording. Als de stam klaar is, wordt hij opgericht en krijgt een dak. Rondom het bouwwerk komt een cirkel van stenen, die de vergaderruimte is voor de clanleden. Voordat men aan de ngadhu begint moet de bhaga zo goed als klaar zijn. De peo wordt als laatste geplaatst. De decoraties op de paal en het dak van de ngadhu hebben een symbolische betekenis. De paal wordt verdeeld in drie segmenten. Elk deel wordt bewerkt op een dag, waarbij de top als eerste aan de beurt komt. Een bijl en cassave symboliseren de offeranden aan de geesten van de voorouders. Het middelste deel toont een draak met vier poten en een kop als een bloem, die de beschermer van de geesten moet verbeelden. Het onderste deel van de stam is gedecoreerd met geometrische motieven, die het fysieke en geestelijke leven van de generaties uitbeelden. De hebuboom bezit een geest die kwaad kan doen, hij kan zich voordoen als een dier of zelfs een mens die de dorpsbewoners aanvalt, gewassen opeet en de vrouwen verleidt. Pas als de nodige ceremonile handelingen in acht genomen zijn en de paal gedecoreerd, is de geest handelbaar en kan dan ten dienste zijn voor de betreffende clan. Als de paal oud is en de decoraties vervaagd zijn is het tijd om de paal te vervangen, immers de veroudering van het hout duidt op het onrustig worden van de geest. Als er nare gebeurtenissen voorvallen in het dorp die door de geest van de ngadhu kunnen worden verklaard dan is het de hoogste tijd om een nieuwe ngadhu te bouwen. De figuur, met een been en twee armen, bovenop een ngadhu symboliseert de beeltenis van de hebugeest als deze zich als mens belichaamt. Ook de bhaga en de peo, net zoals vele andere (levende) voorwerpen belichamen geesten en moeten met zorg behandeld worden. Huizen in Ngadadorpjes zijn gerangschikt in parallellen rijen tegen over elkaar. In het midden bevinden zich de hierboven voorouderlijke constructies. In een dorp dat op een niveau gebouwd is zullen deze in een nette rij gerangschikt worden, maar in bergdorpjes, zoals Bena, zijn de voorouderlijke bouwwerken op pleintjes neergezet, elk met zijn eigen stenen muren. Op het hoogste punt van dit dorp is een grot gebouwd die een beeld van de maagd Maria bezit. De combinatie van het christelijke geloof en de voorouderverering is voor de Ngada de gewoonste zaak van de wereld. De Ngadahuizen staan op lage houten pilaren. Deze geven steun aan een netwerk van vierkante kokospalm balken, waarop zich een vloer van platgeslagen bamboe bevindt. De wanden zijn gemaakt van houten planken (teakhout of nangkahout) en zijn bevestigd tussen twee gegleufde vierkanten kokosboombalken. Er zijn twee achterelkaar liggende kamers en een veranda. Hier zitten de vrouwen sirih te kauwen of te weven. De veranda is bereikbaar door enkele treden in het midden. Boven de opening die toegang geeft tot de eerste kamer zijn soms decoraties aangebracht, het paneel boven de deur naar de tweede kamer is veel vaker gedecoreerd. Deze tweede kamer is door middel van bamboeschotten verdeeld in enkele ruimtes waar zich een keuken en een opslagruimte bevindt. Het onderscheiden van klassen is in een Ngada gemeenschap nog steeds vrij algemeen. Hoewel mannen van de hoogste klasse een vrouw uit lagere klassen kunnen trouwen, kunnen mannen uit een lagere klasse alleen trouwen binnen hun eigen klasse. Klassenaanduiding wordt onder andere zichtbaar gemaakt door het plaatsen van een miniatuurhuisje op de dakrichel van een hoger klasse huis. Een huis van een lager geplaatste clan is herkenbaar aan een mannelijk figuur boven op de dakrichel die in de ene hand een parang vasthoudt en in de andere een speer (men verklaart deze constructies boven op het dak ook aan de hand van de oorsprong van het huis; een huis uit de vrouwelijke lijn heeft het huisje bovenop, die uit de mannelijke lijn de figuur met wapens in zijn handen). Klassenonderscheiding wordt ook duidelijk aan de plaats die men inneemt in een traditioneel huis tijdens ceremonin, waarbij de laagste klasse in het laagste gedeelte van het huis zit. TRADITIONELE ARCHITECTUUR OP LOMBOK Elke bevolkingsgroep bezit van oudsher zijn eigen uitgesproken architectuur. Deze is onbetwist verbonden met het traditionele geloof, maar ook heel praktisch met de bouwmaterialen die gevonden worden in de nabije omgeving. Met de introductie van islam en het christendom verdween ook de animistische betekenis van traditionele huizen. Men koos voor meer comfortabelere huizen. Aangespoord en zelfs vaak gedwongen, door godsdienstverkondigers en gezondheidswerkers die de traditionele constructies als haarden van ziekten beschouwden. Toch verdwenen niet alle traditionele geloofsaspecten, maar werden enkele verwoven met de nieuwe godsdiensten. Met als gevolg dat er nog steeds traditionele huizen nodig waren om in ieder geval de belangrijkste ceremonin te kunnen uitvoeren. Deze situatie treft men nog steeds aan op de Sunda eilanden. Vaak bezit een clan n of enkele huizen die het middelpunt vormen van belangrijke gebeurtenissen en ceremonin. De clanleden geven in het dagelijkse leven echter de voorkeur aan comfortabele huizen. Uitzonderingen, waarbij vrijwel het hele dorp nog uit traditionele geconstrueerde huizen bestaat, zijn te vinden in gebieden die pas laat in contact kwamen met blanke kolonisten. Ook rijkdom speelt een rol. Als men nu eenmaal geen geld heeft voor zinken daken of voor zakken cement dan is men toegewezen op de bouwmaterialen uit de omgeving. Daar komt bij dat men alleen de kennis heeft om traditionele huizen te bouwen en dus blijft men die bouwen, hier en daar aangepast. Op de kleine Sunda-eilanden staan nog veel traditionele huizen. Opvallend op Lombok zijn de apart gevormde rijstschuren, een architecttonische stijl die nu veel terug te vinden is in het bouwplan van hotels. Lombok De trots van de Sasak architectuur is de lumbung, een op palen gebouwde rijstschuur met een typische hoedvormig dak. De enige ingang is een hoog raam waarin de rijst naar binnen wordt gedragen. De schuur wordt twee keer per jaar gevuld (de traditionele rijst heeft een groeiperiode van 5 maanden). Elke lumbung van verschillende families worden naast elkaar gezet. De vier anderhalve meter hoge steunpilaren worden op een hoopje van gedroogde klei en mest gezet. Schijven, jelepreng, worden bevestigd bovenaan elke pilaar om het binnendringen van knaagdieren tegen te gaan. De pilaren dragen zijbalken waarop het hoedvormige dak rust. De dakbedekking wordt gemaakt van alang-alang grassen. Indien goed gedroogd en op de juiste manier bevestigd kan dit dak het tot 20 jaar uithouden zonder dat het vervangen hoeft te worden. De schaduwrijke ruimte onder de rijstopslagplaats wordt voor sociale doeleinden gebruikt en vrouwen weven hier hun doeken. Voor geluk, brengen de

bewoners oude Chinese munten aan in een schijf van gevlochten ijuk-vezel ( zwart vezel afkomstig van de stam van een suikerpalm) en hangen het geheel onder aan elke pilaar. Traditionele huizen, bale, zijn opgedeeld in twee delen elk op een verschillende hoogte. Het hogere gedeelte wordt gebouwd op een platform van klei en mest met een hoogte van ruim een meter. Pilaren van anderhalve meter worden op elke hoek van het platform neergezet. Deze pilaren steunen balken die op hun beurt het hoge hoed vormige en met gras bedekte dak dragen. De ruimte tussen de steunpilaren, de muren, worden van gevlochten bamboe gemaakt. Er bevinden zich traditioneel gezien geen ramen. Een hardhouten deur is de afsluitbare ingang. Deze ruimte is een veilige slaapplaats en opslagplaats. Aan drie zijden reikt het dak tot bijna op de grond. Aan de voorkant is het dak naar voren doorgetrokken waardoor er een tweede ruimte wordt overschaduwd. De vloer van deze ruimte wordt opgehoogd en verhard met hetzelfde mengsel van klei en mest. Een open bamboe hek sluit deze ruimte, die gebruikt wordt voor sociale gelegenheden, af. Ten slotte omvat de Sasak-architectuur nog een derde type, de zogenaamde berugaq. Deze gemeenschapshuizen staan tussen de woonhuizen in. Het zijn rechthoekige constructies, die gedragen worden door zes houten pilaren en rusten op een platform op een meter boven de grond. Een groot deel van het sociale leven speelt zich af in de berugaq. Ze speelt ook een belangrijke rol tijdens ceremonin en is de laatste rustplaats voor een overledene, alvorens deze begraven wordt. Rijstschuren, woonhuizen en gemeenschapshuizen worden coperatief gebouwd. BALINEZEN EN SASAK OP LOMBOK: DE LINGSARTEMPEL Het merendeel van de bevolking op Lombok bestaat uit Sasak, de oorspronkelijke bewoners van lombok. Van de overige etnische groepen zijn de Balinezen de grootste en de belangrijkste. De Sasak zijn voor het overgrote deel moslim. Een kleine groep, Wektu Telu, heeft naast enkele islamitische invloeden zijn animistische geloof behouden. De hindoestische godsdienst van de Balinezen en het islamitischanimistische geloof van de Sasak (Wektu Telu) worden, hoe verschillend ze ook zijn, verenigd in de tempel Pura Lingsar die zich in het westen van Lombok bevindt. Hier vereren zowel de Sasak als de Hindoes hun goden en voorouders en vragen om een goede rijstoogst. Lombokse Balinezen Tegen het einde van de zeventiende eeuw, nadat zich eerder al kleine groepjes Balinezen gevestigd hadden in West-Lombok, versloegen Balinese troepen Sasak en Makassarezen troepen over heel het eiland. Het zou echter tot 1740 duren voordat ze ook politieke controle over de Sasak kregen. Er hadden zich intussen vier verschillende Balinese rijken gevestigd met onduidelijke grenzen. De Balinezen bleven de baas totdat de Nederlanders in 1894, na opstanden van de orthodoxe Sasak, besloten het eiland te verdelen. Een westelijk gedeelte voor de 30.000 Balinezen en de rest van het eiland voor de 500.000 Sasak. Deze verdeling betekende het einde van de Balinese macht op Lombok. Nog eenmaal in augustus 1894 vond een Balinese opstand plaats, waarbij de westelijk gelegen havenplaats Ampenan op de Nederlanders werd heroverd en er 900 slachtoffers vielen aan de kant van de Nederlanders. In september dat jaar besloot Nederland tot een tegen aanval en veroverde Mataram. Nadat ze deze stad in puin hadden gelegd, begonnen de bombardementen op Cakranegara, het laatste Balinese bolwerk. In de ochtend van 22 november bereikte de oorlog zijn macabere finale. Gekleed in het wit en met korte lansen in hun handen, stormden ongeveer 400 Balinese mannen, vrouwen en kinderen met ware doodsverachting in op de Nederlandse troepen. Geen van hen bereikte de Nederlandse soldaten, alle werden neergeschoten. Sinds die tijd zijn de Balinezen een politieke minderheid. Ze hebben hun Balinese identiteit tot heden ten dagen echter behouden maar hebben zich tegelijkertijd leren aanpassen aan de gewoonten en gebruiken van de islamitische Sasak. In plaats van zich in eerste plaats te richten op de Gunung Agung op Bali (voor de Balinezen is deze berg een deel van de heilige berg Mahameru en de verblijfplaats van de belangrijkste Hindoegoden) vormt de Gunung Rinjani, (de hoogste berg op Lombok en verblijfplaats van de hoge God Batara Gunung Rinjani en de heilige voorvaderen van Lombok), het focuspunt voor de Lombokse Balinezen. De Rinjani blijft weliswaar ondergeschikt aan de Gunung Agung. Deze herorintatie van de wereldvisie wordt ook gedemonstreerd door de toevoeging van altaren voor Batara Gunung Rinjani en Batara Gede Lingsar. (godheid van Lingsar) in elke belangrijke tempel op Lombok. De betekenis van tempels en festivals zijn hetzelfde als op Bali. Optochten zijn echter minder opzienbarend en uitbundig om etnische confrontaties te vermijden. Door gebeurtenissen in het verleden, zoals het vernietigen van tempels en huizen van regerende edelen en de late vestiging van de Balinezen heeft zich op Lombok niet hetzelfde complex aan tempels kunnen ontwikkelen. De eenheid van drie tempels, pura puseh (naveltempel, hier worden de vergoddelijkte stichters van het dorp vereerd), pura desa (dorpstempel) en pura dalem (tempel van de doden) zoals die in vrijwel elk Balinees dorp te vinden is komt niet voor op lombok. Er zijn op heel Lombok slechts een vijftal pura dalem te vinden. Er is maar n tempel opgedragen aan de goden van de zee. Tempels waar de rijstgodin Dewi Sri wordt vereerd ontbreken. Pura Lingsar is de tempel die de Lombokse Balinezen verenigt als een etnische gemeenschap en fungeert tevens als rijst tempel. Hiermee is de Lingsar tempel de belangrijkste tempel voor de Lombokse Balinezen. Sasak Tot de zestiende eeuw moeten de religieuze praktijken op Bali en Lombok vergelijkbaar geweest zijn. Zowel het Balinese als Sasak geloofssysteem bevatte animisme en voorouderverering met sporen van hindoesme en boeddhisme. Hierbij was in Bali het hindoestische element waarschijnlijk sterker aanwezig vanwege de nabijheid van het hindoestische Java. In de zestiende eeuw, viel het Javaanse rijk Majapahit. De artiesten en de adel vluchtten naar Bali en introduceerden hier een dieper niveau van hindoesme, terwijl op Lombok Javaanse evangelisten een vorm van islam introduceerden. Vanaf dit punt werden de Balinezen steeds meer hindoe en de Sasak meer moslim. Terwijl de Balinezen hun eerder geloof hebben verweven met het hindoesme, hebben de meeste Sasak vrijwel alle eerdere geloofsovertuigingen verloren om zo tot een meer pure vorm van islam te komen. Voorouders hebben echter nog steeds een belangrijke plaats in de gemeenschap. Ze worden beschouwd als dorpsgenoten en delen in alles wat er in een dorp gebeurt. Door middel van rituele voedselofferanden delen ze mee in de voedselproductie van het dorp. Er zijn twee belangrijke stromingen in de Sasakgemeenschap; de kleinere Wetu Telu (Drie Maal) en de veel grotere groep Wetu Lima (Vijf Maal). Deze groepen zijn te onderscheiden door hun religieuze orintatie: de Wetu Telu zijn nominale islamieten en hun godsdienst combineert elementen uit het islamitische, hindoestische en animistische geloof. Respect voor de natuur en de voorvaderen staan hoog in het vaandel. De volgelingen van Wetu Lima echter zijn orthodoxe islamieten onder leiding van zogenaamde Tuan Guru. De oorsprong van deze termen lijkt verbonden te zijn aan hun religieuze praktijken. De Wetu Lima accepteert de vijf leerstellingen van de islam en ze bidden vijf keer per dag. De Wetu Telu accepteert alleen de eerste van de vijf leerstellingen (geloof in Allah en Mohammed als zijn profeet) en bidt drie keer per dag. De aanhangers volgen drie verschillende soorten rituelen:

1) Ceremonien van de levenscyclus zoals geboorte, haren knippen, besnijdenis, het veilen van de tanden, huwelijk en sterven 2) Ceremonien, die Syareat genoemd worden, en geassocieerd zijn met de Islam 3) Ceremonien die verbonden zijn met landbouw en vruchtbaarheid. De Wetu Telu bewonen van oudsher voornamelijk de bergachtige gebieden in het noorden en het platteland in het westen van Lombok. De Wetu Lima hebben zich verspreid over heel het eiland, inclusief de steden, maar woonden vroeger vooral in het oosten en in het midden van Lombok. Wetu Telu dorpjes zijn klein en enigszins gesoleerd. De adatregels van de Wetu Telu ontraden een economie gebaseerd op contant geld alsmede de verkoop van de meeste landbouwproducten. De Wetu Lima daarentegen hebben de handel gemonopoliseerd. In 1967, weren alle Indonesirs gedwongen om n van de vijf staatsgodsdiensten te volgen. De Wetu Telu zagen zich genoodzaakt om voor de islam te kiezen. Hun praktijken werden vanaf dat moment in de gaten gehouden door Wetu Lima ambtenaren en werden onzuiver en heidens bevonden. Door middel van politieke druk en zelfs gewelddadigheid, besloten de meeste aanhangers van de Wetu Telu de orthodoxe islamitische principes aan te nemen en hun eerdere syncretische praktijken vaarwel te zeggen. Er is nu nog maar een klein groepje van werkelijke Wetu Telu Sasak over. Ze zijn echter bang om zich te veel te profileren door bijvoorbeeld grootste rituelen te houden. Toch vinden er nog steeds op kleine schaal ceremonien plaats. Sommige worden voortgezet door een derde kleine groep van de Sasak: Bodha. Een groep die de rituelen praktijken, die eens zo gebruikelijk waren bij de Wetu Telu, hebben gehouden. Hun geloofsovertuiging neigt het meest naar het boeddhisme. De Lingsartempel De Lingsartempel maakt onderdeel uit van een uitgesproken tempelcomplex in het westen van Lombok. Dit complex bestaat uit twee op elkaar lijkende tempels: Pura Ulon en de op 100 meter afstand gelegen Pura Lingsar. De Pura Ulon, de kleinste van de twee, is vermoedelijk in 1714 gebouwd. Pura Lingsar werd in een veel later stadium gebouwd, waarschijnlijk rond 1870. Het is met name deze tempel waar de belangrijkste ceremonin plaatsvinden. Pura Ulon is meer een familie tempel voor edele Balinezen, terwijl Pura Lingsar de functie als landbouw (rijst) tempel heeft. Het unieke aan de tempel is dat binnen haar muren twee verschillende godsdienstige groepen, de Balinezen en de Wetu Telu, bidden om voorspoed en vruchtbaarheid. Het Balinese gedeelte, gadoh, bevindt zich hoger dan de kemaliq, een hof bestaande uit verschillende paviljoenen die door zowel de Balinezen als de Sasak wordt gedeeld. De gadoh heeft vier altaren. n in de richting van de Gunung Agung, zetel van de Balinese goden (op Bali), en n in de richting van de Rinjani, de zetel van de Lombokse goden. Tussen deze hoofdaltaren bevind zich een dubbel altaar dat de verbondenheid van de Wetu Telu en het Balinese hindoesme symboliseert. Tevens eert het de Balinese mythe die verbonden is met het Lingsarcomplex. Hier worden Batara Alit Sakti (de godheid die de Balinezen de zegen geeft voor een missie naar Lombok, waardoor uiteindelijk de Lingsar locatie gevonden worden) en zijn sterfelijke moeder Ni Gusti Ayu Karang vereerd. Dit zijn de directe voorouders van de Lombok Karangasem edelen. Lombok Karangasem was een Balinees koninkrijk op Lombok. In de kemaliq bevinden zich verschillende altaren, die met verschillende opstaande stenen worden gedeeld voor beide groepen. De binnenplaats bevat vijvers met water uit heilige bronnen. Deze waterbronnen zijn belangrijk voor de irrigatie van in de wijde omtrek Deze kemaliq worden daarom geassocieerd met irrigatiewater en met vruchtbaarheid. Pura Lingsar is de moedertempel van Lombok voor de Balinezen, in zekere zin vergelijkbaar met de moedertempel Besakih op Bali. Lingsar is de plaats waar de hogere goden van zowel Bali als Lombok worden aanbeden. Voor de Wetu Telu is de kemaliq binnen de Pura Lingsar de enige beschermde traditionele altaren, een plaats van aanbidding van de hoge voorvaderlijke goden die vruchtbaarheid controleren alsmede een monument voor bepaalde culturele helden. Het Lingsar Pujawali festival Het Pujawali festival is het hoogtepunt van de gebeurtenissen in de tempel. Het vindt een keer per jaar plaats volgens de Balinese saka-kalender bij de zesde volle maan en volgens de Sasak wariga-kalender tijdens de zevende volle maan. In de praktijk komt dit neer op de maand oktober, net voordat de regentijd begint. Voor de Balinezen is dit jaarlijkse festival de belangrijkste religieuze gebeurtenis van het jaar. De betekenis voor de Wetu Telu is in de loop der jaren afgenomen door de toenemende druk van de orthodoxe Wetu Lima aanhangers die de verering ten zeerste afkeuren. De laatste jaren wil de lokale regering het festival promoten bij toeristen alsmede de Sasak identiteit vergroten. Sindsdien is de belangstelling en deelname van Wetu Telu aanhangers toegenomen. Hoe dan ook, de meeste boeren, Balinees of Sasak volgen nog steeds de eeuwenoude traditie om de rijst pas na het festival te planten. Pas dan zijn ze gegarandeerd van een goede oogst. Orthodoxe islamieten nemen tegenwoordig ook deel aan de ceremonie hoewel zij zich richten op de gebeurtenis die Perang Topat genoemd wordt. Deze vereert de Javaanse islamiet Datu Wali Milir, die volgens een mythe verbonden is met de tempel en de islam heeft verspreid op Lombok. De topat of ketopat, gestoomde rijst in pakketjes, gevlochten van palmbladeren, worden bereid door de Balinese en Sasakboeren. De Perang Topat (perang betekent oorlog) omvat twee groepen mensen die elkaar, gedurende vijftien tot dertig minuten van de twee niveaus van de tempel topat toewerpen. Hierbij ontstaat een chaos waarbij iedereen naar iedereen gooit en het is een moment van grote hilariteit. Voor de boeren echter genereert het gebeuren de heilige kwaliteiten van de topat als offerenden. De topat moet gegooid worden zodat deze getransformeerd kunnen worden in ontvangen en gezegende offeranden voor de goden van de tempel. Na de Perang Topat, verzamelen de boeren de topat en plaatsen ze in hun rijstvelden en irrigatatiekanalen waarbij de topat vruchtbaarheid garanderen. Aangezien dit gebeuren niet op Bali voorkomt neemt men aan dat het een echte Sasak contributie is aan het festival. In de kemaliq worden de plechtigheden, waaraan de meeste alleen door Sasak kunnen worden deel genomen, geleid door een Sasakpriester, die in de gadoh door een Balinese priester. Het Lingsar Pujawali festival activeert de betekenis van de tempel en de mythen die de ontdekking van de tempel verklaren. Het prijst de tempel, de voorvaderen en de hoge goden. De mythen van Lingsar Zowel de Balinezen als de Sasak hebben hun eigen mythen die het ontstaan van de Lingsar tempel verklaren en de eigendomsrechten ervan opeisen. De sleutel tot de ontdekking van Lingsar zowel in de Balinese als Sasak mythen is de aanwezigheid van enkele waterbronnen. In een Balinese mythe wordt I Gusti Ketut Karangasem, de leider van een leger te hulp geroepen door de Lombokse koning Datu Pejanggik om te vechten tegen een gemeenschappelijke vijand. Nadat hij advies gekregen heeft van de god Batara Alit Sakti vertrekt hij met een leger van 200 man. Dwalend over het eiland wordt hij op een gegeven moment aangetrokken door het geluid van spuitend water. I Gusti Ketut Karangasem richt zijn gebed tot de godheid van de bron, Batara Gede Lingsar (Lingsar betekent letterlijk het spuitende water) die hem hierop bijstaat in wijsheid en hem een leger geeft van 200 geesten, in de hoedanigheid van strijders gehuld in gele gewaden. Hiermee verslaat I Gusti Ketut

Karangasem de vijand. Na terugkeer op Bali vertrekt hij voor een tweede maal naar Lombok. Hij bouwt op de plaats van de eerste bron een tempel. Pura Ulon, vele jaren later wordt de tweede tempel op de locatie van de tweede belangrijke bron, Lingsar gebouwd. De stenen die gevonden worden bij de altaren in de Kemaliq zijn voor de aanbidding van Batara Wishnu, de Hindoe god die geassocieerd wordt met water en gerrigeerde rijst. Hiermee wordt de Pura Lingsar de enige rijsttempel voor de Balinezen op Lombok. De Pura Ulon werd een familietempel en de Pura Lingsar een plaats waar Balinezen en Sasak beiden de goden van Lombok konden eren als mede goddelijke hulp vragen om vruchtbaarheid en irrigatie van de rijstvelden. Het belangrijkste altaar in de kemaliq van Pura Lingsar is opgedragen aan Batara Gede Lingsar. De Sasak mythe vertelt een heel ander verhaal. Hier is de zoon van een Lombokse koning, Datu Wali Milir de hoofdpersoon (in sommige versies is hij een Javaanse edele die naar Lombok komt om de islam te verspreiden, waardoor het verhaal een islamitische draai krijgt). Deze wil het gebied rond Lingsar in schoonheid en vruchtbaarheid verrijken en klopt daarom enkele keren met zijn stok op de grond totdat er uit het ontstane gat water opborrelt. De bron wordt groter en groter en uiteindelijk verdwijnt. Datu Wali Milir al mediterend in de bron (verenigt met god). Iedereen die Datu Wali en dit wonder willen aanschouwen worden opgedragen om ketopat mee te nemen. Als alle gegadigden gekomen zijn verdwijnt Datu Wali Milir voor hun ogen voor de tweede keer in de bron, dit keer voorgoed. Alle aanwezigen gooien ketopat, bloemen en fruit in het water (en zo is de Perang Ketopat begonnen). Door opoffering van de koningszoon wordt het gebied rond Lingsar een van de vruchtbaarste gebieden. Hiermee verwerft Datu Wali Milir de status van godheid. Een altaar wordt voor hem gebouwen. In een later stadium komen de Balinezen, onder leiding van anak Agung Karangasem, en bouwen op de zelfde plaats de Lingsar tempel. Het altaar van Datu Wali Milir komt hiermee in de kemaliq van de tempel te staan. Volgens deze mythe stond het kemaliq altaar van de Pura Lingsar al voordat de Balinezen het gebied rond Lingsar ontdekten. De Sasak beschouwen het gebied dat tot het Lingsar complex behoort als van hun en zien de Balinezen als gasten. In Balinese mythe blijkt dat onder leiding van Anak Agung Karangasem de Lingsartempel gebouwd is en dat toegestaan werd dat er altaren in de kemaliq werden geconstrueerd die door zowel de Balinezen als de Sasak gebruikt konden worden. Hiermee werd een verbondenheid van twee godsdiensten onderstreept. Ook islamieten bezoeken de heilige tempel. Zij eren Datu Wali Milir, de verspreider van de islam uit de meer islamitische versies van de Sasak mythe, die zich opofferde waardoor het gebied vruchtbaar werd, maar ook waardoor de islam verspreid werd. Beide groepen, de Lombokse Balinezen en de Sasak beschouwen de tempel en de omringende gronden als hun eigendom. Er bestaat dus enige spanning tussen beide groeperingen. De regering heeft de laatste jaren ingegrepen in de organisatie van het festival. Ze wil aan de ene kant de identiteit van de Sasak versterken aan de andere kant wil zij de Balinezen de gelegenheid geven om hun onmisbare ceremonien uit te voeren. Maar het festival moet hoe dan ook een vredevolle gebeurtenis blijven die wellicht ook toeristen in toenemende mate naar het festival kan trekken. Voor de boeren die hun irrigatiewater van de tempels onttrekken is de vraag tot wie de tempel behoort van minder belang. Zij zullen hoe dan ook de ceremonie traditievol bijwonen zodat zij zich kunnen verzekeren van een goede oogst.

NARMADA Het park, 10 km ten oosten van Cakranegara, is een replica van de Gunung Rinjani en het kratermeer Anak Segara. Het werd in 1805 aangelegd, toen de oude vorst Anak Gede Karang Asem niet meer in staat was de echte Rinjani te beklimmen om offeranden te brengen en het met een namaakberg moest doen. In het park ligt het tempeltje van de eeuwige jeugd. Gewijd water (afkomstig van de echte Rinjani) stroomt het gebouwtje in en geeft diegene, die er zijn gezicht 3x mee wast en er 3 slokken van neemt, de eeuwige jeugd. Aan de buitenkant van het park zijn de restanten van een aquaduct te zien, dat door de Nederlanders voor irrigatiedoeleinden werd aangelegd. Dans: Peresehan, Berempuk: dit zijn traditionele gevechten. De opvoering stopt pas als er bloed heeft gevloeid. Ze worden opgevoerd bij besnijdenissen (meestal in de maand van de geboortedag van Mohammed; de jongens worden dan op een houten paard rondgedragen), huwelijken (vaak na het oogsten; het paar wordt op een houten paard rondgedragen), nationale en lokale feestdagen en soms bij een agrarisch ritueel om regen te vragen. Sumba Algemeen GESCHIEDENIS VAN SUMBA De verschillen tussen Oost- en West- Sumba zijn groot. Toch beschouwen de Sumbanezen zich als een volk met een gezamenlijke geschiedenis, waarin wordt verteld hoe ooit een mythische voorouder, een python, het eiland heeft geweven. Ook het eiland zelf wordt wel eens met een python vergeleken, de oostpunt is de kop, de westpunt de staart. In het jaar 1512 voer de eerste Europeaan, de Portugees Antonio de Abreu, met zijn schip langs Sumba zonder het op te merken. Het droge land nodigde niet bepaald uit tot aanmeren. De Portugezen waren veel meer genteresseerd in de sandelhoutbomen van Timor. Aan het einde van de 17e eeuw begon langzaam de handel in sandelhout op gang te komen. Sumba bezat naast dit geurende hout nog een ander gewild product: slaven. Omdat de koningen en edelen zoveel slaven bezaten was het voor hen geen enkel probleem in 1756 een verdrag te sluiten met de VOC. Zij ontpopten zich als de grootste leverancier van slaven. Tegen het einde van de 18e eeuw verdrong de export van paarden de slavenhandel van de eerste plaats. Vooral het oostelijke deel van Sumba profiteerde van de toenemende rijkdom door de paardenhandel. De verfijnde sieraden van zilver en goud die uit deze tijd stammen, zijn stille getuigen van deze rijkdom. Slaven, sandelhout, paarden en textiel werden geruild tegen goud en wapens. De Oost-Sumbanezen konden meer goud krijgen dan hun westelijke buren doordat zij in ruil paarden konden aanbieden, maar ook kwamen zij eerder in aanraking met de kunst van smeden zoals dat op de omliggende eilanden werd beoefend. In 1866 vestigde de eerste Nederlanders zich op Sumba. Zij ondernamen poging op poging om de Sumbanezen koningen te onderwerpen. Zes jaar later werd er een effectief koloniaal bestuur geplaatst. Het grootste gedeelte van het eiland was moeilijk bereikbaar, waardoor de cultuur en de tradities onaangetast bleven. RELIGIE VAN SUMBA Qua cultuur is dit eiland n van de interessantste van Oost-Indonesi. De marapu religie bestaat tot op de dag van vandaag. Hoewel de Sumbanezen officieel als christen zijn geregistreerd, hangt ruim de helft van de bevolking dit aloude geloof aan. De helft van de West-Sumbanese bevolking hangt het marapu geloof aan, op Oost-Sumba is dat een derde deel. De marapu worden beschouwd als intermediair tussen de gewone mens en God. God heeft na het creren van een mannelijke hemel en een

vrouwelijke aarde de directe verantwoordelijkheid voor de mens overgedragen aan de voorouders. Elke clan heeft zijn eigen marapu en enkele andere (onzichtbare) geesten. De marapu wordt aangeroepen bij ziekte, een mislukte oogst, oorlog en familieproblemen. De onzichtbare geesten daarentegen zullen worden geraadpleegd voordat men op reis gaat of op het veld gaat werken. Bij kleinere problemen wordt ook vaak de hoogpriester (rato marapu) geconsulteerd. Rato zijn religieuze specialisten, tussenpersonen tussen de levenden, de doden en alle onzichtbare geesten. Zij kennen de rituele taal waarin de voorouders moeten worden aangesproken en de manier waarop zij voedsel behoren te krijgen aangeboden. Door bijvoorbeeld het lezen van de ingewanden van een kip of de lever van een varken zal het hem duidelijk worden welke stappen hij moet ondernemen. De rato marapu is de aangewezen persoon om oplossingen te vinden voor problemen binnen de gemeenschap. Geven de ingewanden van een kip geen of onvoldoende uitsluitsel, dan wordt een varken ceremonieel geslacht, de lever verwijderd en vervolgens bestudeerd. De rato onderscheidt vijf verschillende lobben, die elk hun eigen voorspellende waarde hebben. Een van de lobben stelt de sponsor of gastheer van de ceremonie voor. Is er iets mis met deze lob, dan zullen hij of zijn familieleden in korte tijd grote problemen ondervinden. Een tweede lob verteld over de wetten in een huwelijk. Als de derde lob scheurtjes of deukjes heeft, dan zullen de verwanten van de gastheer, die tijdens de ceremonie ziek zijn, binnen aanzienlijke tijd sterven. De vierde lob voorspelt natuurrampen zoals overstromingen en langdurige droogte. De vijfde lob ten slotte legt ernstige zonden bloot. Naast het oplossen van verschillende problemen, gebruikt de rato de kunst van het ingewanden lezen ook om een geschikte datum voor een ceremonie en het verloop ervan te bepalen. MEGALITHISCHE CULTUUR EN BEGRAFENISRITUELEN De dood wordt op Sumba gezien als de belangrijkste gebeurtenis in het leven van een mens. Zijn ziel zal zich immers verenigen met de zielen van de voorouders. Een persoon kan zich al ver voor zijn dood verzekeren van een prestigieus graf en blijvende roem als gulle feestsponsor. Een grafsteen is pas mooi wanneer hij van witte mergelsteen is gemaakt. Als het even kan worden de stenen zo dicht mogelijk bij het dorp uitgehakt. Vaker echter moeten ze ettelijke kilometers verderop gehaald worden. Het uithakken en verslepen van de enorme brokken steen is n van de meest spectaculaire ceremonies. Het sjouwen van de enorme stenen afdekplaten, die het gebeente van de voorouders moeten beschermen, getuigen voor eeuwig de faam van de betreffende familie. Alle mankracht van een dorp wordt gemobiliseerd. De toekomstige grafsteen begint zijn reis als een jonge bruid, geprijsd om haar schoonheid en kalkwitte huid, maar gedurende de vaak moeilijke weg door riviermondingen of heuvels op, verandert de jonge bruid in de dode ziel. Als de steen uiteindelijk het dorp wordt binnengesleept, krijgt deze een groots onthaal als een zegevierende krijger. Op de meest traditionele stenen zijn relifs aangebracht de rijkdom van de eigenaar aangeven, zoals afbeeldingen van paarden en huizen. Aan het vervoeren en trekken van de steen (tarik batu) komen vaak honderden mensen te pas. Zij slepen de overleden ziel voort op een platform gemaakt van twee kokosstammen, die aan stevige gevlochten touwen vastzitten, en begeleiden de zware tocht met aanmoedigend gezang. Het touw wordt gemaakt van de bast van een sterk op lontarlijkende boom (gebang). Een tocht kan verschillende dagen, soms weken, in beslag nemen en in die tijd moeten de werkers worden voorzien van voldoende voedsel . Hoe meer voedsel (mn vlees) hoe meer de eigenaar van de steen in aanzien stijgt. Vroeger werden er honderden buffels, paarden en varkens gedood om de geest van de steen te voeden (om de geest van de overledene te vergezellen naar het hiernamaals) en de lange reis mogelijk te maken. De ceremonie moet zonder fouten verlopen, immers als een persoon niet in staat is zijn grafsteen veilig te vervoeren naar zijn toekomstige, laatste rustplaats, zal hij moeten rekenen op dezelfde problemen na zijn overlijden. Fouten kunnen gelukkig wel worden hersteld, maar kosten meer ceremonin en dus veel meer geld. Zo viel er eens een grote grafsteen, bestemd voor een belangrijke man, per ongeluk in het water. Het kostte hem 10 jaar om financile bronnen aan te boren die nodig waren voor het verslepen van twee grote stenen, ter compensatie van die ene die in de golven was verdwenen. Wanneer de sponsor sterft, wordt zijn lichaam gewassen met kokosmelk, gekleed in de beste geweven sarong en omhangen met sieraden. Men breekt vaak de armen en benen van de dode, zodat deze een zittende positie kan aannemen. Daarna wordt het zittende lichaam in doeken gewikkeld. Niemand mag huilen voordat alle familieleden bij elkaar zitten. Het lijk krijgt sirih-pinang, rijst en water aangeboden. Op de dag van de begrafenis wordt het lichaam van de dode op de rug van een paard, samen met voorwerpen die hij in het hiernamaals nodig heeft, naar de tombe gereden en in zittende positie in de tombe geplaatst. Het paard wordt geslacht en het vlees wordt verdeeld over de gasten. Drie tot zes dagen hierna sluit een laatste ceremonie de rouwperiode af. Door het slachten van grote hoeveelheden dieren (=het vernietigen van de rijkdom) zijn de wedergeboorte van een nieuw mens mogelijk. De regering heeft een verbod ingesteld om tijdens ceremonile evenementen meer dan vijf grote dieren te slachten. Dit om families tegen faillissement te beschermen. NIEUW LANDBOUWSEIZOEN Wula Podu De Wula Podu is een festival dat het begin van een nieuw landbouwseizoen aanduidt. Gedurende het festival vindt er een opmerkelijke ceremonie plaats. In het traditionele dorp Montedao staat een heilig huis waar alle kokosnoten van het dorp op een hoop worden gelegd. Na de inzegeningen van de dorpsratu grijpen de dorpelingen zoveel mogelijk kokosnoten. Het aantal verkregen kokosnoten duidt op de voorspoed in het nieuwe jaar. Een rotte kokosnoot is een slecht teken. Zeewormen en de Pasola De nyale worm speelt de hoofdrol in een legende van Indonesi. Elk jaar, vijf tot zeven dagen na de tweede volle maan (februari of maart) drijven s nachts de geslachtsrijpe delen (die zaad en eicellen bevatten) van de gelede zeewormen, Eunice viriclus, naar de oppervlakte. Hier vindt de bevruchting plaats. Deze geslachtsrijpe delen zijn de staartsegmenten van de mannelijke worm en scheidden zich van de worm af bij volle maan waarna ze zich eigenhandig naar de oppervlakte bewegen. De wormen worden gezien als een teken van God. Vette wormen zijn een voorteken voor een goede oogst, dunne wormpjes voorspellen honger en overstromingen. Als de krioelende massa wordt gesignaleerd, lopen priesters de zee in om de worm te onderzoeken. Van de hoeveelheid en activiteit van de wormvormige delen kan hij bepaalde voortekens aflezen, die verband houden met de oogst. Bij zonsopgang verzamelen jongens de wormen, die vervolgens worden opgegeten of bewaard in bamboekokers. De wormen zouden potentieverhogend werken. Het fenomeen van de zeewormen komt ook in andere plaatsen in Indonesi voor. Zoals op Sumba. Tijdens de nyale periode is het in West-Sumba verboden om naar enige vorm van gewelddadige dood te refereren. Ook vreugde kreten, bel gerinkel en het dragen van opvallende kleding is verboden. De bonte kleuren van de wormen zijn voor de Sumbanezen een teken van vruchtbaarheid en overvloed. Nyale betekent voor de West-Sumbanezen het begin van het nieuwe landbouwseizoen. Jagen en vissen zijn verboden omdat, naar men zegt, de jonge planten niet sterk genoeg zijn om

het zicht van het bloed te verdragen. Het is ook de tijd van het jaar om te verven met indigo. Er is genoeg water en de indigostruiken, uitgedroogd na het droge seizoen, krijgen opnieuw bladeren. Hoogtepunt van nyale is de Pasola, n van de meest extravagante agrarische festivals van Azi. Het tijdstip wordt bepaald door de priesters die bij zonsondergang in traditionele kledij de zee inlopen om de worm te onderzoeken. Het gevecht begint dan op het strand. De Pasola is een ritueel sperengevecht (sola betekend speer) dat wordt uitgevoerd door honderden moedige ruiters in volle galop. Het vindt plaats in verschillende Westsumbanese samenlevingen langs de zuidkust. Mannen uit het heuvelachtige binnenland strijden tegen mannen van de kustvlakten. De rijders gooien houten stokken naar elkaar. Vroeger was de Pasola een krijgshaftig evenement waarbij doden vielen. Het was niet zo zeer de twist, er zal geen winnaar of verliezer zijn, maar de noodzaak om menselijk bloed te zien vloeien om de geesten gunstig te stemmen zodat ze een goede oogst brengen. De Pasola gaat uren achter elkaar door zonder pauzes. Na de Pasola keren de ruiters terug naar huis waar ze worden ontvangen als helden. De grootste eer is om het leven te geven in de Pasola. De overheid heeft daaraan nu paal en perk gesteld, slechts botte stokken zijn toegestaan. De speciaal ingestelde Pasola politie houdt toezicht. Toch lopen mensen zware verwondingen op en valt er af en toe nog wel eens een dode. Er zijn strikte regels voor de Pasola. Zo mogen de aanvallen alleen uitgevoerd worden in teams. Een gevallen ruiter mag niet worden aangevallen en de verwondingen opgelopen tijdens het gevecht moeten worden geaccepteerd zonder wroeging. Veel Kodinese en Laboya mannen dragen in deze periode hun pythondoeken. De motieven verbeelden de vernieuwing, verwijzend naar het vermogen van de slang zijn huid te vernieuwen. Nyale staat in het teken van het leven. In tegenstelling tot de voorgaande periode, het einde van het droge seizoen, dat geassocieerd wordt met oorlog en gewelddadige dood, is dit een tijd van verzoening en overvloed. Algemeen Flores Flores In de heuvels van het Lio district, tegen de hellingen van de Keli Mutu, worden vele huizen gebouwd met bamboe. De rijkere huizen hebben een met gras bedekt dak rustend op een stevige constructie van hardhouten of van kokospalmen gemaakte pilaren en zijbalken. Het geheel staat op een betonnen verhoging. De muren en een eventueel plafond zijn gemaakt van gevlochten platgeslagen bamboe. Ramen bestaan doorgaans uit opengewerkte bamboe. Bloemen, sterren en diamantvormen, geometrische motieven en gestileerde menselijke figuren zijn enkele voorbeelden waarmee de bamboewanden versierd worden. Slangen en hagedissen zijn favoriet; slangen zijn dieren waarvoor men ontzag heeft en hagedissen staan in verband met de voorouders. De armere bevolking leeft in hutjes die vrijwel geheel uit bamboe bestaan, inclusief de steunbalken en pilaren. Het lichte, stevige en flexibele bamboe is uitermate belangrijk in gebieden die gevoelig zijn voor aardbevingen en stormen. Na de aardbeving en de cycloon van 1992 1993 was het 150 jaar oude rumah adat (traditioneel huis) in Wolowaru blijven staan terwijl betonnen huizen in de omgeving volledig vernield werden. Rumah Adat, naast die in Wolowaru, worden nog steeds gevonden in het Lioonderdistrict hoewel niet in grote hoeveelheden meer. Deze prachtige huizen staan op korte houten pilaren en zijn gekroond met een zogenaamd hoge hoed - dakconstructie. Het dak rust op een systeem van twee of drie concentrische rechthoekige balken die op pilaren rusten welke in hoogte toenemen naarmate ze dichter bij het midden van het huis staan. De korte houten pilaren waar het huis op rust zijn gemaakt van kokospalmen die op stenen staan om zo rotting tegen te gaan en ze flexibiliteit te verlenen tijdens aardbevingen. De wanden zijn gemaakt van planken, de vloeren van hele bamboestokken en de binnenmuren en de niet-dragende buitenmuren van geweven bamboe- en kokosmatten. De keuken bevindt zich meestal aan de achterzijde. De voorkant van het dak overschaduwd een veranda die over de breedte van het huis loopt. Deze veranda is opgehoogd door bamboestammetjes. Een verhoging van bamboe bevindt zich aan de achterzijde van het huis. De belangrijkste huizen worden betreden door een houten trap die naar een prachtig uitgesneden houten deur leidt. Motieven zijn hanen, boten, vissen, wapens en floramotieven en figuren van knielende mannen en vrouwen . In traditionele dorpen staan de huizen in twee tegen over elkaar gelegen rijen. De open middenplaats bevat megalieten, tombes en tegenwoordig ook geconstrueerde grotten met een Mariabeeld. In het westen van Flores, gecentreerd rond de stad Ruteng, wonen de Manggarai. Deze bevolkingsgroep leefde ooit in grote gemeenschapshuizen die kegelvormig of elliptisch van vorm waren en gebouwd op korte pilaren. Het dak bedekt met grassen reikte bijna tot aan de grond. Het gebrek aan ramen en andere ventilatie zorgde ervoor dat het er binnen in rokerig en muf was. De rook was echter een probaat middel tegen insecten, het conserveerde het hout en zorgde voor een aangename temperatuur in het frisse bergklimaat. Deze huizen vormden de woningen voor vele families (de grootste boden onderdak aan ca. 400 mensen) en waren ook het middelpunt van ceremonin. Vrijwel alle traditionele Manggarai huizen werden vernietigd op bevel van zowel missionarissen als Nederlandse gezondheidsofficieren die bezorgd waren om de gezondheid van de bewoners vanwege de aanwezigheid van wormen, longziekten en dysenterie. Deze ziekten werden grotendeels veroorzaakt door de met rook gevulde interieurs en afvalhopen met uitwerpselen onder het huis. Vanaf de dertiger jaren, na een kort en niet succesvol experiment met vierkante huizen, bouwden de Manggarai eengezinswoningen met kegelvormige daken. Tegenwoordig leven de meeste in huizen gebouwd volgens Javaanse stijl. Todo, in middenzuid Manggarai is de woonplaats van een clan die al vanaf twee eeuwen voor de eerste invloed van de Nederlandse kolonialen controle had verworven over het grootste deel van zuidelijk Manggarai. Uit deze clan kozen de Nederlanders een koning om de Manggarai te regeren. Vanwege de bijzondere status van deze clan had de koloniale administratie het toegestaan om de traditionele kegelvormige clanhuizen te laten staan. Deze huizen bleven staan totdat ze in de zestiger jaren van de vorige eeuw volledig vervallen waren. In 1990 ontstond er het plan om een van deze huizen opnieuw op te bouwen en in de jaren die er opvolgde werd het grote clanhuis volgens oude tradities volledig opgebouwd. Ten oosten van de Manggarai ligt Ngada district. De Ngada en verwante groepen (zoals de Nag en Keo ten oosten van de Ngada) waren de laatste bevolkingsgroepen in Flores die in contact gebracht werden met de witte kolonisten en hun westerse invloeden. Met als gevolg dat in dit gebied de lokale religie nog steeds een belangrijke rol in het dagelijkse leven neemt. De voorouders zijn zich verzekerd van een centrale plaats in de samenleving. Elke clan erkent zijn eigen mannelijke en vrouwelijke voorvaderen. Ze worden gesymboliseerd door opvallende constructies die in het midden van het dorp te vinden zijn. De ngadhu symboliseert de mannelijke voorouders en is geconstrueerd in de vorm van een circa twee tot drie meter hoge parasol die bestaat uit een gedecoreerde houten vaak gevorkte offerpaal met daarop een met gras en vezels bedekt dak. Bovenop staat een figuur gemaakt van ijuk-vezel en uitgerust met armen die een parang (Indonesische kapmes) en een speer vasthouden. De vrouwelijke tegenpool wordt bhaga genoemd en is een miniatuurhuisje, dat eveneens met houtsnijwerk versierd is. In een lijn met de ngadhu en bhaga staat de peo, een opgerichte steen van ongeveer een meter hoog, die dient als offerpaal. Hier worden de buffels aan vastgebonden die tijdens clanceremonin moeten worden geofferd. De peo, samen met de ngadhu en bhaga vormen een ceremonile eenheid voor de betreffende clan. Een vergelijkbare functie heeft de peo voor de naburige bevolkingsgroep de Nag. Hier is de peo een meer uitgesprokener voorwerp (meestal een gevorkt houten

gedecoreerde paal) en vormt de belangrijkste constructie die een clan kenmerkt. De peo hier herenigt zowel het vrouwelijke als het mannelijke hoewel het mannelijke meestal benadrukt wordt. De ia, een opgerichte steen of een houten bewerkte pilaar, en de bo heda, een kleine opslagruimte in de vorm van een huis benadrukt het vrouwelijke. De constructie van peo ngadhu bhaga eenheid is gebonden aan verschillende adatregels. Men begint pas met de bouw als een van de clanleden een teken heeft gekregen van de voorouders (meestal in een droom). De paal van de ngadhu wordt gemaakt van een speciale boom met hard rood hout, de zogenaamde hebu - of shebuboom (Cassia fistula, familie leguminosa die zich kenmerkt door stikstofbindende werking van de wortels en het produceren van zaden in peulen). Deze boom wordt met (intacte) wortel en al uit de grond gehaald en daarna met de nodige ceremonile handelingen naar het dorp gebracht. Een stenen paal wordt dicht bij de stam geplaatst en dient als bewaker voor de ngadhu in wording. Als de stam klaar is, wordt hij opgericht en krijgt een dak. Rondom het bouwwerk komt een cirkel van stenen, die de vergaderruimte is voor de clanleden. Voordat men aan de ngadhu begint moet de bhaga zo goed als klaar zijn. De peo wordt als laatste geplaatst. De decoraties op de paal en het dak van de ngadhu hebben een symbolische betekenis. De paal wordt verdeeld in drie segmenten. Elk deel wordt bewerkt op een dag, waarbij de top als eerste aan de beurt komt. Een bijl en cassave symboliseren de offeranden aan de geesten van de voorouders. Het middelste deel toont een draak met vier poten en een kop als een bloem, die de beschermer van de geesten moet verbeelden. Het onderste deel van de stam is gedecoreerd met geometrische motieven, die het fysieke en geestelijke leven van de generaties uitbeelden. De hebuboom bezit een geest die kwaad kan doen, hij kan zich voordoen als een dier of zelfs een mens die de dorpsbewoners aanvalt, gewassen opeet en de vrouwen verleidt. Pas als de nodige ceremonile handelingen in acht genomen zijn en de paal gedecoreerd, is de geest handelbaar en kan dan ten dienste zijn voor de betreffende clan. Als de paal oud is en de decoraties vervaagd zijn is het tijd om de paal te vervangen, immers de veroudering van het hout duidt op het onrustig worden van de geest. Als er nare gebeurtenissen voorvallen in het dorp die door de geest van de ngadhu kunnen worden verklaard dan is het de hoogste tijd om een nieuwe ngadhu te bouwen. De figuur, met een been en twee armen, bovenop een ngadhu symboliseert de beeltenis van de hebugeest als deze zich als mens belichaamt. Ook de bhaga en de peo, net zoals vele andere (levende) voorwerpen belichamen geesten en moeten met zorg behandeld worden. Huizen in Ngadadorpjes zijn gerangschikt in parallellen rijen tegen over elkaar. In het midden bevinden zich de hierboven voorouderlijke constructies. In een dorp dat op een niveau gebouwd is zullen deze in een nette rij gerangschikt worden, maar in bergdorpjes, zoals Bena, zijn de voorouderlijke bouwwerken op pleintjes neergezet, elk met zijn eigen stenen muren. Op het hoogste punt van dit dorp is een grot gebouwd die een beeld van de maagd Maria bezit. De combinatie van het christelijke geloof en de voorouderverering is voor de Ngada de gewoonste zaak van de wereld. De Ngadahuizen staan op lage houten pilaren. Deze geven steun aan een netwerk van vierkante kokospalm balken, waarop zich een vloer van platgeslagen bamboe bevindt. De wanden zijn gemaakt van houten planken (teakhout of nangkahout) en zijn bevestigd tussen twee gegleufde vierkanten kokosboombalken. Er zijn twee achterelkaar liggende kamers en een veranda. Hier zitten de vrouwen sirih te kauwen of te weven. De veranda is bereikbaar door enkele treden in het midden. Boven de opening die toegang geeft tot de eerste kamer zijn soms decoraties aangebracht, het paneel boven de deur naar de tweede kamer is veel vaker gedecoreerd. Deze tweede kamer is door middel van bamboeschotten verdeeld in enkele ruimtes waar zich een keuken en een opslagruimte bevindt. Het onderscheiden van klassen is in een Ngada gemeenschap nog steeds vrij algemeen. Hoewel mannen van de hoogste klasse een vrouw uit lagere klassen kunnen trouwen, kunnen mannen uit een lagere klasse alleen trouwen binnen hun eigen klasse. Klassenaanduiding wordt onder andere zichtbaar gemaakt door het plaatsen van een miniatuurhuisje op de dakrichel van een hoger klasse huis. Een huis van een lager geplaatste clan is herkenbaar aan een mannelijk figuur boven op de dakrichel die in de ene hand een parang vasthoudt en in de andere een speer (men verklaart deze constructies boven op het dak ook aan de hand van de oorsprong van het huis; een huis uit de vrouwelijke lijn heeft het huisje bovenop, die uit de mannelijke lijn de figuur met wapens in zijn handen). Klassenonderscheiding wordt ook duidelijk aan de plaats die men inneemt in een traditioneel huis tijdens ceremonin, waarbij de laagste klasse in het laagste gedeelte van het huis zit. DE MANGGARAI Het gelijknamige land van de Manggarai beslaat ongeveer eenderde van de totale lengte van het eiland Flores. Hier, in het westen van Flores, is het eiland op zijn breedst en bergachtig. Dit moeilijk toegankelijke gebied heeft er voor gezorgd dat in de loop van de geschiedenis zich hier verschillende subculturen met hun eigen taal en gewoontes hebben ontwikkeld. Er wordt geschat dat er zes of zeven talen worden gesproken. Het grootste deel van de Manggarai is nu christelijk hoewel men er trots op is dat de eerste Manggarai van islamitische Minangkabau (West-Sumatra) af stammen en wel van een prinselijke lijn. Met de komst van de Nederlanders in het begin van de twintigste eeuw werd het christendom gentroduceerd. Ondanks een grote culturele variteit zijn er ook veel overeenkomsten onder de Manggarai bevolking te vinden o.a. in de manier waarop de Manggarai het ontstaan van de wereld zien. Een algemeen geaccepteerde versie verhaald over hoe de stralen van de zon (de vader boven) op aarde (de moeder beneden) een bamboebos hoog op een berg verwarmden. Uit de zonnewarmte ontstonden de eerste vrouw en man. Ze leefden van wat het bos om zich heen te bieden had: wortels, schimmels en bladeren. Door het op elkaar wrijven van twee bamboestukken konden ze vuur produceren. Uiteindelijk werd er een zoon geboren. Toen het kind vijf jaar oud was droomde de man van de vader boven die hem gebood een rond veld (lingko) te openen met behulp van stukken gespleten steen als bijl. Vervolgens gebood hij hem zijn zoon te doden met een scherp stuk teno hout en de stukjes van het lichaam te begraven in het nieuwe veld. En zo geschiedde. Na drie dagen begonnen er planten te groeien. Terwijl de vader probeerde ze te plukken hoorde hij de stem van zijn zoon: vader, ik ben hier. De man begreep nu dat dit zijn zoon was die in verschillende planten was ontsproten. Die nacht droomde hij weer en de vader boven vertelde hem dat die planten die niet riepen rijp waren om geplukt en gegeten te worden. De planten die hij zou aantreffen waren: komkommer, pompoen, gierst, rijst en mas. In aanvulling op de planten ontsproten er ook verschillende dieren zoals paarden, buffels, geiten en kippen. Leven is onderling verbonden. Mensen kwamen voort uit planten, en later werden planten en dieren geboren uit het vlees van de mensen. Maar de offering van bloed is nodig voor een succesvol en voorspoedig leven. Daarom is het offeren van dieren nog steeds een gewoonte tijdens belangrijke rituelen. Ronde velden, de lingkos Vooral rond het gebied van Ruteng kom je grote ronde sawas tegen in de vorm van een spinnenweb en opgedeeld in punten. Bij sommige van die ronde velden bevindt zich in het midden een ronde open heilige vlakte. Hier bevindt zich een steen en een teno houten staak. Deze ronde landbouwgronden, lingko genaamd, zijn van oudsher het bezit van een bepaalde clan. De lingko's met een centraal midden, lodok, worden lingko randang genoemd. Hier vinden tijdens belangrijke momenten rituele

offeringen plaats. De teno staak en de steen symboliseren de eenheid vader boven en de moeder beneden. Dit zijn dezelfde instrumenten gebruikt tijdens de eerste offering van een kind volgens de legende die hierboven werd beschreven. De lodok symboliseert de baarmoeder.

Elk dorp of clan heeft enkele ronde velden die worden bewerkt door de clanleden. De punten worden door de tua teno (leider van het land) verdeeld. Dit vindt plaats in de lodok. Elk hoofd van een huishouding plaatst een aantal vingers op de grond en vanuit hier wordt een lijn getrokken tot aan de rand van de lingko. Het aantal vingers is afhankelijk van de grote van de familie en hoe meer vingers, hoe groter zijn deel van een lingko wordt. Elke punt wordt dan ook moso (hand) genoemd. Als het aantal clanleden in de loop der tijd toeneemt en het dorp uit zijn voegen groeit dan worden er op andere plaatsen nieuwe dorpen gesticht. De leden van deze nieuwe vestigingen zullen zelf geen nieuwe lingko randang aanleggen en het dorp zal ook niet in dezelfde traditionele wijze worden aangelegd. Voor belangrijke rituelen gaat men terug naar het dorp en lingko radang van afkomst. Pas als een nieuw gesticht dorp heel groot wordt kan de bevolking toestemming vragen om onafhankelijk te worden van het oorspronkelijke dorp en kan een lingko randang worden aangelegd. Het feit dat voedselplanten ontstaan zijn uit het lichaam van een menselijk kind betekent dat deze planten de kinderen zijn van de mensen. Vele voorzorgsmaatregelen moeten er getroffen worden om deze kinderen niet bang te maken. Vooral gedurende de oogsttijd zijn er vele verboden op gedrag en taal. Zo kunnen bijvoorbeeld de echte namen voor dieren en planten niet gebruikt worden maar moet er een pseudoniem worden gegeven. Zo worden buffels in plaats van kaba iko ghorik (korte staart) genoemd en paarden worden in plaats van jarang iko bombor (lange staart) genoemd. Het is daarnaast ook strikt verboden om grof gedrag te vertonen, te vechten of te schelden. Grof gedrag kan de plantkinderen afschrikken waardoor hun ziel de plant zal verlaten en er geen vruchten te vinden zijn. Vaak worden er dan een aantal bosjes planten met een koortje vast gebonden zodat de plantkinderen niet zullen weglopen. Tijdens de oogst worden er kinderliedjes gezongen om de plantkinderen blij te maken. In sommige dorpjes wordt van de eerste rijsthalmen een kroon gemaakt die op het hoofd van de dochter van de rituele leider wordt geplaatst. Zij danst met de kroon in het dorpsmidden. Zweepgevechten De zweepgevechten of caci vormen een belangrijk ritueel onderdeel van oogst- en plantceremonin. Als ook op feesten zoals het bruiloftsfeest. Pas na de welkomstceremonin en de onderhandelingen over de bruidsprijs, deze vergen soms veel tijd, gaat men over tot de caci. Er zijn twee teams, van de bruid en van de bruidegom, met elk zijn eigen supporters. In een witte broek, met daaroverheen een sarong met slendang of riem, en ontbloot bovenlijf staan de mannen klaar om elkaar te lijf te gaan. Hun hoofdtooi heeft wat weg van de hoorns van een karbouw. De aanvaller is gewapend met een zware zweep, gemaakt van rotan en buffelhuid. De verdediger beschermt zich met een schild van buffelhuid. Als hij echter wordt geraakt en bloed wordt dit gezien als zegening voor het bruidspaar en in geval het gevecht plaats vind voor het plantseizoen als teken van een goede oogst. Het vloeien van bloed symboliseert de eerste offering van een menselijk kind in het begin van het leven. Voor de mannen die gewond raken tijdens het gevecht is dit een bewijs van mannelijkheid. Hun machogedrag oogst vrouwelijke bewondering en hoe meer striemen en littekens, hoe beter. In Manggarai heeft iedere man een vechtnaam, die hij van stal haalt wanneer hij aan een caci-evenement deelneemt. De namen doen denken aan die van Noordamerikaanse indianen, bijvoorbeeld: Steigerend Paard en Wild Zwijn Mensen en geesten Voor de Manggarai is de wereld in een ver verleden uiteengevallen in twee delen: een voor de mensen en een voor de geesten. In de loop der tijd wilden de oudere clanleden de levensregels (de adat) die gemaakt waren door Mori agu Narang (de eigenaar en bewaker) en Jari Dedek (de maker en creator) niet meer opvolgen. De jongere clanleden meldden dit aan Mori. Mori besloot om beide groepen te scheiden. Degene die in hun onrecht stonden werden weggestuurd. Toen ze verdeeld waren plaatste Mori een stuk gras op de grond en zei: Als de jongere clanleden naar het oosten gaan, en de oudere leden naar het westen, zullen ze uiteindelijk elkaar weer ontmoeten. Ze zullen weer samen leven, maar ze zullen elkaar niet kunnen zien. Het is dit gras dat ze scheidt. Ook de rijkdom van de wereld werd verdeeld. De jongere clanleden ontvingen alle gedomesticeerde dieren en planten, terwijl de oudere clanleden alles ontvingen wat wild was: al de wilde dieren en planten die in het bos voorkwamen. Mori vertelde beide groepen naar het gras te kijken en hun ogen te sluiten. Toen ze hun ogen openden konden ze elkaar niet meer zien. De oudere clanleden werden de ata pele sina (die aan de andere kant), zij werden geesten van het bos. Terwijl de jongere clanleden de ata manga raja (die die in hun recht stonden) werden. Dit is het woord dat gebruikt wordt voor een mens. De manier van leven aan de andere kant is het tegenovergestelde van het leven aan deze kant. De geesten verplaatsen zich gedurende de nacht, terwijl de mens dit overdag doet. Hun hakken zitten aan de voorkant van de voet, terwijl die van de mens achter geplaatst zijn. Ze dragen hun kleren buitenstevoren. Wat veel is voor de mens, is weinig voor de geesten en omgekeerd. Een andere belangrijke onderscheiding is dat de geesten geen vuur gebruiken en de mensen wel. Hierdoor is het gebruik van rook een goed middel om zich te beschermen tegen de geesten. Tijdens de bouw van een huis wordt er voordat het dak gesloten wordt een vuur gestookt. De rook moet ervoor zorgen dat alle geesten het huis uit worden

gerookt. Weidegras wordt sindsdien ook gebruikt om zich te weren tegen kwaadaardige geesten. Immers het gras vormt een onoverschreidelijke barrire tussen beide werelden. Het gras wordt in de broekzak gestopt tijdens langen reizen of op de grond gelegd. Mensen die overlijden komen uiteindelijk terecht in de wereld van de geesten. Deze geesten van de voorvaderen zijn de mensheid goed gezind en zullen over de welvaart en de gezondheid van hun nakomelingen waken. De manier om met hen te communiceren is door te bidden en hen wat voedsel aan te bieden. Niet te veel want wat veel is voor de mens is weinig voor de geesten. Het delen van voedsel vooral op momenten van rituele slachtingen zorgt ervoor dat de geesten goed gestemd blijven. Ziekte is vrijwel altijd het gevolg van een gestoorde relatie. Tijdens belangerijke rituele slachtingen wordt er een bord in het midden van het veld, huis of dorp geplaatst met daarop wat eten voor de voorouderen. Een beetje wordt van het bord op de grond gegooid, dit is bestemd voor de bosgeesten die niet uitgenodigd zijn maar wellicht de ceremonie toch bijwonen. De voorouders echter sturen hun raad en antwoorden naar hun menselijke nakomelingen via de ingewanden van de geofferde dieren. Nadat een dier geslacht is worden de ingewanden eruit gehaald en nauwkeurig bestudeerd. Hieruit kan de adatleider opmaken of wat er gevraagd wordt, zoals een goede oogst, ook inderdaad zal plaatsvinden of dat er wellicht nog andere ceremonin moeten plaatsvinden. Manggarai dorp en huis Het traditionele Manggarai dorp is opgebouwd zoals het lingko randang is ingedeeld: in het midden bevindt zich een opstapeling van stenen met middenin een waringinboom. Deze zogenaamde compang is rond van vorm. Hier vinden rituele slachtingen plaats en worden belangrijke clanleden begraven. In een cirkel er om heen liggen de huizen van de verschillende families. Het huis dat het verst naar achter is gelegen (in een lijn met de ingang van het dorp) is van de clanoudste (tua teno). De compang wordt vergeleken met de haard van een huis die in het midden gelegen is, de boom met de centrale huispilaar en de positie van de huizen is zoals de positie van de slaapkamers in een huis. Hiermee zijn het veld, het dorp en het huis met elkaar verbonden en reflecteren ze elkaar in opbouw en functie. ALGEMEEN FLORES Geografie: Van de 24 vulkanen die Nusa Tenggara telt, staan er maar liefst 14 op het grondgebied van Flores. De belangrijkste zijn (van west naar oost): Rato (1800 m), Ranaka (2400 m), Inerie (2245 m), Ebulobo (2149 m), Ipi (659 m), Kelimutu (1690 m) en Lewotobi (1704 m). Bevolking: Er wonen ca. 1.400.000 inwoners op Flores (inclusief de eilandengroepen Solor en Alor), dat de volgende afmetingen kent: van oost naar west: 360 km; van noord naar zuid: 12 tot 70 km. Het grootste deel (85 %) is katholiek. In het westelijke deel van Flores, met name aan de kusten zijn de veel inwoners islamiet. Het uiterlijk van deze mensen uit West-Flores verschilt aanzienlijk met die van de rest van het eiland waar de mensen een Papoea- en Melanische invloeden laten zien. Geschiedenis In 1544 zetten de Portugezen voet aan wal op een eiland dat een goede strategische ligging had op de handelsroute tussen Timor en Malakka. De Portugese expeditie kwam aan op het oostelijke schiereiland en gaf dit de naam Cabo das Flores (bloemenkaap). Een enigszins eigenaardige naam, aangezien dit gedeelte van Flores, zoals het hele eiland nu heet, uitermate droog is en bloemen er nauwelijks voorkomen. Javaanse zeelieden noemden Flores zelfs het `eiland van steen'. In Javaanse kronieken uit de 14de en 15de eeuw wordt gemeld dat Flores tot het Hindoejavaanse koninkrijk Majapahit behoorde. Deze vermelding is waarschijnlijk eerder gebaseerd op de bestaande (summiere) handelscontacten dan op werkelijke heerschappij over het eiland. In de 15e en 16e eeuw was het westelijke en centrale deel van Flores in handen van Makassarezen uit het koninkrijk Gowa (Zuid-Sulawesi) en Buginezen (Sulawesi). Zij ruilden kostbare voorwerpen zoals goud, porselein, ivoor en koper tegen natuurlijke producten als zeekomkommers, kaneel en katoen. Op Oost- Flores had het sultanaat van Ternate (Noord-Molukken) het voor het zeggen. De Portugezen, die zich concentreerden op de sandelhout-handel met Timor, bouwden in de tweede helft van de 16e eeuw een fort op het eiland Solor (ten oosten van Flores). Ende, in het centrale gedeelte van Flores, had zich inmiddels ontwikkeld tot een belangrijke haven voor sandelhout en slaven. Hier hadden de handelaren van Chinese, Arabische en Maleise afkomst zich gevestigd. In het kielzog van de Portugese handelaren kwamen priesters van de orde der Dominicanen en stichtten een missiepost op Solor. Hun bekeringswerk was succesvol: in 1570 was er al een missieschool in Larantuka en tegen het eind van 1575 waren de Dominicanen erin geslaagd meer dan 20 missieposten op te zetten. In 1613 lieten de (protestante) Nederlanders zich voor het eerst zien. Zij waren erop gebrand om de katholieke Portugezen te verjagen en de handel over te nemen. Onder leiding van Apollonius Scotte werd er een succesvolle aanval op fort Solor gelanceerd. De Portugezen trokken zich terug in enkele plaatsen die nog niet in Nederlandse handen waren gevallen, zoals Larantuka, Sikka en Paga (alle op Oost-Flores). De vorsten van Gowa en Ternate hadden inmiddels al hun rechten afgestaan aan de Nederlanders. De nieuwe bezetter liet in eerste instantie het eiland links liggen. Het lag te gesoleerd en er was weinig interessante handelswaar te vinden. Toen de Nederlanders er niet in slaagden een einde te maken aan de slavenhandel, die was geconcentreerd in Ende, besloten ze een expeditie te sturen. Deze verwoestte tientallen Endenese handelsschepen. In 1890, nadat geruchten zich hadden verspreid dat er tin te vinden was op Flores, werd een onderzoeksteam naar het eiland gestuurd. Ze kwamen met lege handen terug, maar hadden wel enkele honderden lijken achtergelaten. Opstanden kwamen in de daaropvolgende jaren meer voor, vooral vanuit Larantuka, maar deze waren nooit groot van omvang. In het voetspoor van de koloniale regering kwamen de Nederlandse Jezueten, die geleidelijk het bekeringswerk van de Portugese Dominicanen overnamen. In 1917 werd de eerste missiepost in Ruteng geopend. Vanuit deze plaats wisten de missionarissen in korte tijd vrijwel geheel West-Flores tot het christendom te bekeren. Hun succes is wellicht te danken aan hun `tolerante' houding. Ze lieten in de geloofsbeleving van de bevolking verschillende aspecten van het animisme toe en namen als het ware genoegen met `bekeerde heidenen' Kelimutu (1690 m) De drie gekleurde meren van de Kelimutu (keli = berg, mutu = zielengroep), die in diepe kraters liggen op 1600 meter hoogte, behoren zonder twijfel tot de hoogtepunten van een bezoek aan Nusa Tenggara Timur. Twee meren worden van elkaar gescheiden door een dunne steile rotswand; het meest zuidelijke meer (Ata Polo) heeft een groenige kleur, het andere (Ata Muri) een ietwat turkooizen kleur. Het kleurverschil is overigens niet erg groot. Aan de randen van de beide meren is afzetting van zwavel (geel) zichtbaar. Het meer dat noordelijker en apart ligt (Ata Mbupu) heeft een donkere, bijna zwarte kleur. De meren zijn vooral bekend geworden door hun neiging op gezette tijden van kleur te veranderen. Jaren geleden was het groene meer rood, het turkooizen meer blauw en het zwarte meer wit. De laatste jaren is het enkele keren gebeurd dat het groene meer gedurende enkele dagen zijn vroegere rode kleur weer aannam. Het kan niet anders of deze zo opmerkelijke meren zijn op een of andere manier onderwerp van plaatselijke legenden. Zo zouden de zielen van de goede mensen uiteindelijk terugkeren naar

het witte (nu zwarte) meer, de zielen van de slechteriken naar het rode (nu groene) meer. Het blauwe meer (thans turkoois) is voor de karakters die tussen slecht en goed in zitten. Een andere versie is dat in het groene meer de zielen van de jonge mensen zich verzamelen, in het turkooizen meer de zielen van de ouderen en in het zwarte meer die van de zondaars. PROJECTEN OP FLORES Stichting Nativitas, hulp aan kinderen in Flores Mama Belgi In 1973 kwam de Belgische ontwikkelingswerkster Marie Jeanne Colson op dit eiland terecht. Zij trok zich het lot aan van de vele kansloze, zieke en ongewenste kinderen en stichtte in Watublapi, op de missiepost van pater Schouten haar eerste kindertehuis. In de loop van de tijd kwamen er 5 kindertehuizen, waarvan n speciaal voor gehandicapten. Mevrouw Colson stichtte ook een internaat voor meisjes die naar het voortgezet onderwijs willen gaan, een kleuterschooltje en een centrum voor fysiotherapie. Soms lijkt het echer vechten tegen de bierkaai: aardbevingen, vloedgolven, ulkaanuitbarstingen en mislukt oogsten komen regelmatig voor. Zijn de mensen de gevolgen van tsunami van 1992, waarbij op het oostelijk deel van Flores meer dan 3000 doden vielen, weer net te boven, dan komt in 1995 een mislukte oogst vanwege overvloedige regenval en in 2005 een mislukt oogst vanwege extreme droogte. De grote zorg van mevrouw Colson, die op Flores liefdevol mama Belgi wordt genoemd, is: Waar haal ik het geld vandaan voor het eten van morgen? Welke hulp biedt mama Belgi? Mama Belgi vangt hulpbehoevende kinderen op d.m.v. een uniek systeem metvrijwillige plaatselijke pleegmoeders. Haar streven is de kinderen weer zo snel mogelijk naar hun eigen woongebeid terug te laten gaan. Zieken en gehandicapten vinden er vanzelf sprekend ook een tehuis. Maar dat niet alleen, niemand met sociale of gezondheidsproblemen klopt er tevergeefs aan. Mama Belgi vult zo meen lacune op waardoor een groot deel van de bevolking voor zichzelf leert te zorgen en dus kan overleven. Stichting Nativitas In 1992 werden de kindertehuizen zwaar beschadigd door een tsunami. Een tehuis werd geheel weggevaagd. Op 12 februari 1993 werd in Horst de stichting Nativitas opgericht om de kindertehuizen te herbouwen. Thans zorgt de stichting voor het onderhoud van de gebouwen en probeert geld te verzamelen voor voedsel, onderwijs, medicijnen en kleding voor de 300 kinderen van mama Belgi. De stichting probeert vooral voorzieningen te treffen om de tehuizen zo veel mogelijk selfsupporting te maken, zoals de bouw van kippen- en varkens stallen, een timmerwerkplaats voor het onderhoud aan de eigen gebouwen en voor derden, een drinkwater bedrijfje, enz. Voor meer informatie over de stichting en over het werk van mama Belgi kunt u terecht op www.kinderenvanflores.nl AYO MANDIRI FOUNDATION Massage Training Centre Ontwikkeling door ontspanning De gecertificeerde en ervaren masseurs zijn de drijvende kracht achter dit massagecentrum. Zij zijn het die u een ontspannen ervaring schenken, maar u bent het, terwijl u tot rust komt en geniet van een massage, die hen een volwaardige toekomst schenkt. De masseurs in dit centrum hebben namelijk allemaal een handicap. Zo zijn de vrouwen die momenteel hier werken doof of slechthorend en zijn de mannen blind of slechtziend; eigenschappen die in de huidige Indonesische maatschappij vaak nog leiden tot afhankelijkheid en afzondering. Dat denkbeeld proberen wij dan ook met alle macht te veranderen door het tegendeel te bewijzen. Zo laten ze zien en ervaren dat dove of blinde mensen perfect kunnen meedraaien in de maatschappij en op die wijze goed hun eigen boterham kunnen verdienen. Yayasan Ayo Mandiri is meer dan een massagecentrum. Naast het geven van massages en het runnen van een eigen centrum, leren de masseurs ook hun vak over te dragen aan nieuwe masseurs. Het is dus ook een trainingscentrum door en voor mensen met een handicap. Het belangrijkste doel is de acceptatie en zelfstandigheid van mensen met een handicap te bevorderen op een duurzame manier, onafhankelijk van externe geldschieters. Hierdoor ontstaat een zelfstandig netwerk dat helpt de vooroordelen over mensen met een handicap te bestrijden en dat u en de mensen in afgelegen kampungs helpt aan een heilzame massage. Yayasan Ayo Mandiri betekent dan ook: Stichting kom op, zelfstandig! Maar het is niet alleen de maatschappelijke functie die een massage in ons massagecentrum een meerwaarde geeft. Het is vooral ook de massage zelf die u een onvergetelijke ervaring rijker maakt. Juist door hun handicap weten onze masseurs het lichaam feilloos te lezen waardoor zij eventuele spanningen en blokkades goed kunnen lokaliseren en behandelen. Iedere massage is dan ook maatwerk en onderhevig aan uw wensen en de professionele inschatting van de masseur. De behandelingen Er zijn twee soorten massages in ons massagecentrum: een Balinese full bodymassage en Reflexologie van voeten, handen, rug en hoofd. Beide massagevormen werken met zonepunten en acupressuurpunten, om zo de bloedsomloop en de spierversoepeling te bevorderen. Ook worden op deze manier energieblokkades opgeheven en afvalstoffen uit de spieren verwijderd waardoor u zich fitter gaat voelen. De Reflexologie heeft daarnaast een ondersteunende en helende werking op de organen. Bij de Balinese full body massage maken we gebruik van aromatherapeutische olie, de reflexologie behandelingen worden uitgevoerd met een voedende en verzachtende massagecrme. Naast deze massagevormen kunt u bij ons ook een facial/gezichtsbehandeling krijgen. Hiervoor gebruiken we de natuurlijke producten van Oriflame. Mocht u nog vragen hebben dan kunt u altijd contact opnemen met Rosalien Rutten, oprichter en manager van het massagecentrum Yayasan Ayo Mandiri, altijd bereid om met u mee te denken over de mogelijkheden van onze massages binnen uw reisschema. Rosalien Rutten Labuan Bajo Flores, Indonesi Email: yayasanayomandiri@gmail.com NB. Massage- en opleidingscentrum Yayasan Ayo Mandiri wordt mede gesteund door Stichting Kita Juga in Nederland. Voor meer informatie zie www.kitajuga.com. Lombok Algemeen Oppervlakte: 4.739 km2, N-Z: 80 km, W-O: 70 km. Inwoners: Lombok telt ca. 2.3 miljoen inwoners, waarvan 85.000 Balinezen die met name het westen van Lombok bevolken. Hun invloed is kenbaar in de verschillende tempels die in het westelijk deel te vinden zijn. De oorspronkelijke bevolking zijn de Sasak. Zij ontlenen hun naam aan een soort bamboevlot (sesek), waarmee ze in de 16e eeuw vanuit Oost-Java overstaken. Hun oorsprongsgebied wordt gedacht in India of Birma te liggen.

Naam: van een rode peper. De Sasak noemen hun eiland Bumi Gora wat betekent `het droge boerenland'. Motto: Patut, Patuh, Patju, vrij vertaald: rechtvaardigheid, gelijkheid en arbeidsvreugde. Deze kreet vind je bijv. veel op daken geschreven. Geschiedenis: Volgens enkele geschiedschrijvers werd de eerste belangrijke Sasakstad, Lombok Mirah, gevestigd aan de monding van de rivier Lokoq Puteq (deze stroomt uit het Segara Anak-meer naar de noordkust). De stad was verdeeld in een oostelijk `heilig' gebied en een westelijk `heidens' gebied. Door herhaaldelijke aanvallen van Javaanse koninkrijken verlieten vele mensen de stad. Sommigen vluchtten naar het oosten en stichtten daar het later beroemd geworden vorstendom Selaparang, anderen weken uit naar het westen en werden de grondleggers van het vorstendom Batudendeng. Een derde groep bleef in de stad, waar zij hun rijk opbouwden, dat later bekend werd als Bayan. De islam deed zijn intrede op Lombok in het begin van de 16e eeuw. Waarschijnlijk geschiedde dit door de bemoeienissen van het Bayan-vorstendom, waar de held Sunan Giri de godsdienst vanaf 1545 predikte. Pangeran Sangopati (bekend in Bali onder de naam Pedande Bau Rau) is een andere held aan wie de introductie van de islam wordt toegeschreven. In de islam die door deze helden c.q. leraren werd gepreekt, waren hindoestische elementen en elementen uit het oude, animistische geloof opgenomen. Een legende verhaalt van de oude moskee in Bayan als de eerste, heilige gebedsplaats van deze nieuwe religie, Wetu Telu genaamd. Tijdens de eeuwen volgend op de islamisering, was Lombok frequent het strijdperk van twee koninkrijken, die beide hun invloed op Lombok wilden doen gelden. Deze twee rijken waren Klungkung (Bali) en het sultanaat van Makassar (Sulawesi). De onbeduidende rijkjes op Lombok fungeerden vaak als speelbal in deze strijd, waarbij onduidelijk was voor wie zij partij kozen. In de periode voor de komst van de islam, had Klungkung grote invloed gehad op Lombok, in de 17e eeuw echter kwamen de Makassarezen als winnaar uit de strijd. De Balinezen zaten ook niet stil en in de eerste decennia van de 18e eeuw kregen zij de macht opnieuw in handen. Aan het begin van de 19e eeuw hadden vier Balinese rijken zich gevestigd op West-Lombok: Karangasem-Lombok (ook genoemd: Cakranegara), Mataram, Pagesangan en Pagutan. Deze vier mini- staatjes hadden geen duidelijk gedefinieerde grenzen. Een raja stond aan het hoofd van elk rijk. De invloed van de rijkjes strekte zich uit tot de Balinese dorpen op West-Lombok en de Sasakdorpen op West- en Oost-Lombok. Van deze mini-rijkjes was Karangasem-Lombok verreweg het machtigste. Het had het grootste gedeelte van het land in bezit en de controle over de export. De drie belangrijke havens, Ampenan en Tanjong Karang aan de westkust en Piju aan de oostkust, behoorden tot zijn grondgebied. Ondanks de grote macht van Karangasem, slaagde Mataram (afkomstig van Java) er in 1836 in om de haven Ampenan te veroveren. Voor Mataram betekende deze overwinning het einde van de geografische isolatie, waarin het rijk lange tijd had verkeerd. Handel met snelgroeiende plaatsen als Singapore werd mogelijk. Rijst was het exportproduct nummer n en met de toenemende vraag namen ook de inkomsten toe. In 1840 was de export gestegen tot 19.000-22.000 ton rijst per jaar. De opbrengst werd gestoken in de aanschaf van wapens, waarmee een einde gemaakt kon worden aan het rijk Karangasem-Lombok, maar ook in de aanschaf van opium en luxe goederen. Verder werd het areaal met rijstvelden uitgebreid en het irrigatiesysteem verbeterd. Er werd ook genvesteerd in het wegennet en in de stadsplanning. Europese bezoekers aan Lombok spraken hun bewondering uit over de geplaveide en overschaduwde weg (ongeveer 25 km) van Ampenan naar Mataram, Cakranegara en Narmada. Zij waren verbaasd een dergelijke weg aan te treffen in een `inheems' koninkrijk, een weg die zelfs over verschillende stenen bruggen leidde en waar om de zoveel kilometers fonteintjes waren geplaatst, waar de dorstige voorbijganger zijn waterfles kon vullen. De straten in Mataram en Cakranegara waren verlicht door lantaarns, die geplaatst waren op bamboepalen. Omdat t veel geld werd gestoken in luxe artikelen en de bevolking snel groeide, zorgden deze extra inkomsten niet voor een gezonde, economische groei. Hoewel de Nederlands Indische regering in 1880 al aarzelend had geprobeerd om zijn politieke invloed op Lombok te vergroten, begonnen de problemen tussen Mataram en Batavia pas goed in 1891, toen er een opstand uitbrak van de fundamentalistische Sasak-moslims (Waktu Lima) op Oost-Lombok. De onstabiele toestand die hierdoor ontstond, was voor de Nederlanders een gelegenheid om `te vissen in troebel water'. Het rijk Mataram was in staat geweest de Sasak-opstanden in 1855 en 1871 de kop in te drukken, maar in 1891 schoten de financile middelen en de militaire uitrusting tekort en kon er geen einde gemaakt worden aan de rebellie. In 1893 stuurden de Nederlanders een bataljon soldaten. De raja, die een conflictsituatie met de Nederlanders wilde voorkomen, was bereid van alles te tekenen wat hij onder ogen kreeg. Zo stemde hij in met de soevereiniteit van Nederlands-Indi. De vorst hoopte dat de Nederlanders zijn zoon, Anak Agung Ketut, aan zouden stellen als koning en de orde op Oost-Lombok zouden herstellen. De Nederlanders wisten echter dat de fundamentalistische moslims geen haarbreed zouden toegeven en verwachtten nog een aantal fikse gevechten. In 1894 besloten ze om het eiland op te splitsen in twee etnische woongebieden. En ervan was bestemd voor de 30.000 hindoestische Balinezen, met als leider Anak Agung Ketut; het andere voor de 500.000 islamitische Sasak, die meerdere fundamentalistische leiders hadden. Deze verdeling betekende het einde van de Balinese macht op Lombok. Nog nmaal, in augustus 1894, vond een Balinese opstand plaats, waarbij Ampenan op de Nederlanders werd heroverd en er 900 slachtoffers vielen aan de kant van de Nederlanders. In september dat jaar besloot Nederland tot een tegenaanval en veroverde Mataram. Nadat ze deze stad in puin hadden gelegd, begonnen de bombardementen op Cakranegara, het laatste Balinese bolwerk. In de ochtend van 22 november bereikte de oorlog zijn macabere finale. Gekleed in het wit en met korte lansen in hun handen, stormden ongeveer 400 Balinese mannen, vrouwen en kinderen met ware doodsverachting in op de Nederlandse troepen. Geen van hen bereikte de Nederlandse soldaten, alle werden neergeschoten. Met de Nederlands-Indische overheersing begon de plundering van de Lombokse rijkdommen. Allereerst werden de vorstelijke schatkamers geleegd. Een deel van de schatten werd in bruikleen gegeven aan het Bataviaasche Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, die ze tentoonstelde. De rest werd naar Nederland gebracht. Daar rees de vraag wat te doen met de schatten: ze veilen en de opbrengst gebruiken voor oorlogsverliezen of de verzameling vanwege grote historische waarde bij elkaar houden. Men koos voor de tweede optie en maar liefst 243 voorwerpen werden tentoongesteld, met name in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. In 1977 werd een deel aan Indonesi teruggegeven en is nu te bezichtigen in het Museum Nationaal in Jakarta. De Nederlanders stalen niet alleen de kostbare schatten, ze introduceerden ook een belastingstelsel, dat een zware druk op de bevolking legde. De algemene ontwikkeling van Lombok sinds de onafhankelijkheid in 1945 kenmerkt zich door een afnemende invloed van de aristocratie en het toenemende gezag van een groep orthodoxe moslimleraren, bekend als Tuan Guru. In vele gebieden oefent deze groep meer invloed uit dan de lokale regering. In de vijfjaarlijkse verkiezingen krijgt de islamitische partij (PPP) hier een opvallend grote aanhang. Geografie Geografisch gezien kan Lombok grofweg worden ingedeeld in vier gebieden. Het eerste gebied wordt gevormd door het vulkaanmassief in het noorden. Dit vormt een schakel in de keten van nog steeds actieve vulkanen op Nusa Tenggara. Centraal in deze bergen ligt een indrukwekkende krater met een diameter van 8x5 km (oost-west en noord-zuid). In de krater ligt het niervormige meer Segara Anak. Het water van dit meer bevat een hoge concentratie zwavel en andere mineralen. Aan de oostelijke rand van de krater staat de machtige Gunung Rinjani, die met zijn 3726 m na de Kerinci op Sumatra de hoogste vulkaan Indonesi is. De vulkaan is in de laatste twee eeuwen niet uitgebarsten. Wel had men in 1815 op

Lombok te maken met een dikke as laag, afkomstig van de Tambora op het naburige Sumbawa. In het bergachtige gebied van Lombok zijn nog grote stukken te vinden, bedekt met regenwoud. Het tweede gebied bevindt zich ten noorden van het gebergte. Het is een smalle strook land, dat een savanneachtig landschap vertoont en een extreem lage, seizoensgebonden regenval kent. In het midden van Lombok, ten zuiden van het gebergte, ligt het derde gebied: een uitzonderlijk vruchtbare laagvlakte, waar het water dat van de berghellingen afstroomt, gebruikt wordt voor het irrigeren van de rijstvelden. Het vierde gebied ten slotte is het uitgestrekte kalksteenplateau in het zuiden. Hier is het landschap heuvelachtig (karst), dor en droog. Er is nauwelijks stromend water en het is dan ook een arm en dunbevolkt gebied. Economie: Agrarische producten van enige economische waarde zijn teakhout, bananen, koffie, tabak, palmbomen en bamboe. De parelindustrie is in opkomst; er zijn joint ventures met Japan. Koffie en tabak zijn met rijst belangrijke exportproducten. Puimsteen wordt naar Hongkong uitgevoerd. Zeewier is een belangrijk product waarvan agar gemaakt wordt (vindt veelal zijn toepassing in de cosmeticawereld). Zeekomkommers worden naar Singapore, Hongkong en Taiwan uitgevoerd. Lombok kent geen moderne industrien. Tegenwoordig is Lombok zelfvoorzienend wat betreft zijn rijst. Irrigatie is ingevoerd door de Balinezen. Door de invoer van nieuwe gewassen zijn er jaarlijks meerdere oogsten mogelijk (in grote mate afhankelijk van het gebied). Tussen de rijstoogsten in worden er veelal pinda's en sojaboontjes (kedelai; gebruikt in tahoe, temp) verbouwd. Een bekend agrarisch product is kangkung, waterspinazie die wordt verbouwd in rivierenbeddingen. Het groentegerecht pelicing kangkung bevat deze spinazie. Sasak-religie In een oud boek, bestaande uit bewerkte bladeren van de lontarpalm, wordt een verhaal verteld over een moslim- missionaris, genaamd Pangeran Sangopati. Door zijn lessen werden de Sasak bekeerd tot de islam. Het manuscript vertelt verder dat Pangeran Sangopati twee zoons had, Nurcahya en Nursada. De oudste zoon was de grondlegger van de Waktu Lima, de jongste zoon van de Wetu Telu. Waktu Lima wordt gekarakteriseerd als `orthodox' en Wetu Telu als `traditioneel en syncretisch'. De volgelingen van de Waktu Lima werden geplaagd door ziekte en ongeluk, terwijl de Wetu Telu-aanhangers alleen maar werden gezegend met geluk. Men verklaarde daarom dat het Waktu Lima-geloof niet geschikt was voor de Sasak-bevolking en sloot de religie op in een ijzeren kist, die daarna in zee werd gegooid. Blijkbaar heeft niet iedereen het advies opgevolgd om de Waktu Limagodsdienst te verbannen. Tegenwoordig hangt het grootste deel van de islamitische Sasak-bevolking de orthodoxe vorm van de islam aan. Het wordt ze wat dit betreft gemakkelijk gemaakt door de regering, die officieel de Wetu Telu niet als aparte godsdienst accepteert. Deze (syncretische) godsdienst combineert elementen uit het islamitische, hindoestische en animistische geloof. Respect voor de natuur en voor dorpsvoorvaderen staan hoog in het vaandel. Alle belangrijke aspecten van het leven worden beheerst door de drieeenheid van zon, maan en sterren, die respectievelijk de hemel, aarde en water vertegenwoordigen. Ook Allah, Mohammed en Adam vormen een drie-eenheid. De eerste symboliseert de enige echte God, Mohammed vormt de link tussen deze God en de mensen en Adam ten slotte vertegenwoordigt een persoon, die op zoek is naar een ziel. Er zijn ook drie essentile levensfasen: geboorte, leven en dood. Daarnaast volgen de Telu in het dagelijkse leven drie principes: cipta, rasa en karya ofwel `scheppen', `voelen' en `werken'. De Wetu Telu-volgelingen erkennen weliswaar de vijf moslimplichten, maar leven ze niet strikt na. Bidden en naar de moskee gaan beschouwen ze als een publiek gebaar. Het gaat er volgens hen vooral om of de mens in zijn binnenste ook daadwerkelijk gelooft. Het islamitische verbod op het eten van varkensvlees is in hun ogen eveneens uiterlijk vertoon. Het is geen wonder, dat het niet zo goed botert tussen de aanhangers van Wetu Telu en Waktu Lima. De laatsten vinden dat de Wetu Telu-volgelingen eindelijk eens een respectabele vorm van de islam moeten accepteren. Toch blijkt bij nader onderzoek dat beide vormen van de islam minder van elkaar verschillen dan men op het eerste gezicht denkt. Naast de Waktu Lima en Wetu Telu is er nog een derde kleine gemeenschap: Sasak Bodha. Het woord bodha is een verbastering van het Maleise woord bodoh, dat `onwetend' of `dom' betekent. Ook jonge mannen op Oost Java, die nog niet zijn besneden en dus `nog niet volledig moslim', worden bodoh genoemd. De term Sasak Bodha verwijst naar de afkeer die de aanhangers hebben ten aanzien van de islam. Zij houden vast aan hun eigen volksgeloof en laten geen islamitische invloeden toe. Wel zijn er in hun geloofsopvatting nog enkele hindoestische elementen te herkennen. Een belangrijk element in het geloof is de verering van de berg Rinjani. De Sasak Bodha wonen vooral in het westen van Lombok, de Wetu Telu in het zuiden en de Waktu Lima hebben zich verspreid over het hele eiland. De Sasak Bodha hebben onder dwang van de regering, die slechts vijf hoofdgodsdiensten erkent, gekozen voor het hindoe-boeddhisme. Hiermee is het vertrouwde geloof in geesten en goden en de oude adat niet verdwenen. Ampenan, Mataram, Cakranegara en Sweta zijn vier steden die tot n grote agglomeratie versmolten zijn en waarvan niemand precies de grenzen weet aan tegeven. Officieel is Mataram de hoofdstad van Lombok en van de provincie Nusa Tenggara Barat (westelijk gelegen Sunda-eilanden), maar in de praktijk eist elk van de vier steden een eigen aandeel op. Van de vier steden is Ampenan de havenplaats, hoewel er tegenwoordig niet veel meer over is dan een kleine aanlegsteiger voor vissersboten. De huizen in Ampenan zien er enigszins verwaarloosd uit, maar de stad is de meest levendige en gezelligste van de vier. Mataram heeft van de vier de meeste regeringsgebouwen en een schone en rustige (voor zover mogelijk) uitstraling. Cakranegara (meestal afgekort tot Cakra) is het commercile centrum van Lombok. Mensen die van winkelen houden, kunnen in de moderne supermarkten en winkelplaza's hun geld kwijt. Sweta ten slotte, op 7 km van Ampenan en 2 km van het centrum van Cakra, is de stad van waaruit bussen in alle richtingen van het eiland vertrekken. Cidomo (paardenkarretje) maakt deel uit van het transportsysteem op Lombok. Het woord `cidomo' is ontleent aan cikar = sasak voor een met de hand getrokken kar; dokar = een met paard getrokken koetsje; mobil = 2 autobanden die gebruikt worden.