Vous êtes sur la page 1sur 57

DE HE TERO GENITEIT VAN R EGIONALE BEDR IJFSR EL ATIES

Inleiding Centraal in dit hoofdstuk staan de regionale inbedding van bedrijven en de rol die de structuurelementen, zoals sectoren en de aard van relaties, hierin spelen. Deze aspecten hebben we onderzocht middels een enqute die is uitgezet in de zes onderscheiden regios. In deze enqute is gevraagd naar het belang dat bedrijfsvestigingen hechten aan de aanwezigheid van toeleveranciers, afnemers en kennisinstellingen in de eigen regio.1 De huidige theorie van kennisspillovers (zie hoofdstuk Ruimtelijkeconomische ontwikkeling en netwerken) gaat ervan uit dat de uitwisseling van gespecialiseerde kennis in regios (clusters) door nabijheid wordt vergemakkelijkt. Om dit te toetsen is de bedrijven gevraagd welk aandeel van de totale inkopen, verkopen en gemeenschappelijke ontwikkeling van nieuwe producten daadwerkelijk aan de eigen regio is verbonden. Om een goed begrip te krijgen van de bedrijven die aan de enqute deelnemen, geven we in de volgende paragraaf een overzicht van de belangrijkste sectorale en regionale dimensies (bijlage A geeft een meer uitgebreide verantwoording). De paragraaf Waardering van vestigingsplaatsfactoren in de eigen regio gaat vervolgens in op het belang van vestigingsplaatsfactoren in de eigen regio waaronder de aanwezigheid van toeleveranciers, uitbesteders en universiteiten; we kijken daarbij naar bedrijfsvestigingen in de sectoren zakelijke dienstverlening, groothandel en industrie. In de paragraaf De aard van relaties in sectorspecifieke netwerken analyseren we welke invloed de aard van de in- en verkopen standaard, specifieke of gemeenschappelijk ontwikkelde producten of diensten heeft op de netwerkrelaties. In de literatuur wordt benadrukt dat naarmate een bedrijf kennisintensiever is en het ontwikkelde en verhandelde product specifieker, nabijheid vanwege de noodzakelijke afstemming een nadrukkelijker rol speelt (Malecki & Oinas 1999; Scott 2001).2 Dit toetsen we in deze paragraaf. We zullen daarbij ook bezien in hoeverre de indeling in sectoren (industrie, groothandel en zakelijke dienstverlening) in netwerktermen overlapt met de indeling in de aard van de relaties. Tot slot staan de verschillen en de overeenkomsten tussen de zes regios centraal in de paragraaf Verschillen tussen de onderzoeksregios. Vanuit de profielen voor economische structuur en ligging binnen Nederland (zie voorgaande hoofdstuk) analyseren we of de regios in de Randstad (Amsterdam en Rotterdam) verschillen van de regios in de intermediaire zone (Eindhoven, knooppunt ArnhemNijmegen, Stedendriehoek) of de perifeer gelegen regio Groningen. Specifiek gaat het over regionale verschillen in de
1. Het ruimtelijke perspectief in dit hoofdstuk verschilt van dat in het volgende hoofdstuk. Waar we in dit hoofdstuk uitgaan van een straal van 15 kilometer rond elke individuele bedrijfsvestiging in de onderzoeksgebieden, staat in het volgende hoofdstuk het onderzoeksgebied zelf centraal, met een onderscheid naar individuele gemeenten binnen de onderzoeksgebieden en daarbuiten. 2. Kennisintensieve bedrijven kunnen ook hoogwaardige regionale relaties onderhouden die zijn gestandaardiseerd, zoals met zakelijke dienstverleners (Bennet & Smith 2002). Industrile en groothandelsrelaties met betrekking tot gestandaardiseerde transacties van grondstoffen en halffabrikaten daarentegen worden in het algemeen over grotere afstand ingekocht of verkocht (Hayter 1997).

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

60 61

waardering van aanwezigheid van vestigingsplaatsfactoren in de eigen regio en het aandeel van de inkoop en verkoop naar herkomst en bestemming. We gaan daarbij in op de vragen of meer gesoleerd gelegen regios sterker regionaal zijn ingebed en of de grootstedelijke regios het sterkst internationaal zijn georinteerd. De laatste paragraaf van dit hoofdstuk geeft een synthese. Dit hoofdstuk biedt zo een beschrijvende analyse van de belangrijkste factoren (de aard en de reikwijdte van relaties, de sector en de regio van bronen doelbestemmingen) die samenhangen met de bedrijfsrelaties. Hiermee willen we inzicht krijgen in de heterogeniteit van de bedrijfs- en relatiekenmerken waarmee we in het volgende hoofdstuk (en in later onderzoek) rekening moeten houden. We gaan daarbij uit van het belang van de genoemde aspecten dat de bedrijven zelf voor hun bedrijfsrelaties hebben aangeven. Kortom: in dit hoofdstuk maken we netwerkanalyses van de stated preferences van bedrijven. In de volgende twee hoofdstukken doen we dat voor de revealed preferences: de netwerkstructuren van de tien belangrijkste relaties die de bedrijven daadwerkelijk hebben.3 Regio en sectorstructuur in de enqute In het onderzoek naar bedrijfsnetwerken staan bedrijfsvestigingen en hun inkoop-, verkoop- en kennisrelaties centraal. Om deze netwerken in kaart te brengen zijn stroomgegevens (de herkomst en bestemming van de relaties) nodig op het niveau van de bedrijfsvestigingen. Hiertoe hebben we een schriftelijke enqute (zie bijlage B) uitgezet bij bedrijfsvestigingen in de in het vorige hoofdstuk geselecteerde zes regios: Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Eindhoven, Stedendriehoek en knooppunt ArnhemNijmegen (KAN); daarbij is rond de centrale stad (of steden) tevens de omliggende regio meegenomen. Deze bedrijven zijn middels een steekproef geselecteerd. Deze steekproef is gestratificeerd naar regio, naar economische sector en naar grootte van de bedrijfsvestigingen. Zo kunnen we in het onderzoek rekening houden met de nuances die uitgaan van economische activiteiten. We hebben ervoor gekozen geen bevolkingsvolgende of verzorgende economische activiteiten, zoals detailhandel of persoonlijke dienstverlening, in het onderzoek te betrekken, maar uit te gaan van zogenaamde stuwende economische activiteiten: economische activiteiten waarvoor de vestigingsplaatskeuze niet hoofdzakelijk afhankelijk is van het regionale bevolkingsdraagvlak. Verder geldt dat in de populatiebepaling eenmanszaken zijn uitgesloten. In bijlage A is een uitgebreide steekproefverantwoording opgenomen. De populatie betreft ruim 49.000 bedrijfsvestigingen, waarvan er ruim 26.000 middels de enqute zijn benaderd. Na opschoning van de respons bleven 2.381 vestigingen over, waarvan de gegevens voor de meest cruciale vragen bruikbaar waren. Dit betreft een respons van 9,1 procent.

3. Omdat ook deze tien relaties door de bedrijven in de enqute zelf zijn ingevuld, is dit eigenlijk een andere, meer verfijnde, vorm van stated preferences. 4. Wanneer in de enqute niet van toepassing is ingevuld, wordt deze tot onbelangrijk gerekend.

Tabel 2. Aantal vestigingen per regio voor de populatie, steekproef en respons (%) Steekproef Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Totaal 0,27 0,22 0,10 0,17 0,10 0,15 100 Respons 0,24 0,22 0,10 0,18 0,10 0,16 100 100 100 IND GH ZDV Steekproef 0,30 0,22 0,48 Respons 0,26 0,22 0,53

Tabel 3. Aantal respondenten naar kenmerken van de kenniseconomie: kenniswerkers en research & development Kenniswerkers Extensief Research & Development Extensief Intensief Totaal 708 323 1.031 Intensief 1.233 117 1.350 Totaal 1.941 440 2.381

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

62 63

Tabel 2 geeft een overzicht van de procentuele verdeling van de steekproef (ruim 26.000 vestigingen) en de nettorespons (2.381 vestigingen) naar de zes regios en naar drie economische hoofdsectoren. De respons wijkt over de zes regios en naar de sectoren niet sterk af van de steekproef; ze vormt derhalve een representatieve afspiegeling van de steekproef. Bij het bepalen van de populatie en de steekproef zijn we uitgegaan van een gedetailleerde sectorale indeling van 27 verschillende economische sectoren (SBI 93 indeling). Omwille van de representativiteit is dit onderscheid in de analyses niet aangehouden (zie bijlage A, tabel 1), maar zijn de sectoren geaggregeerd naar drie hoofdgroepen: industrie, zakelijke diensten en groothandel. In het onderzoek onderscheiden we naast de drie typen economische sectoren tevens een indeling in kennisintensieve bedrijven en kennisextensieve bedrijven. Dit onderscheid is van belang, aangezien een aantal van onze onderzoeksvragen ingaat op planconcepten die specifiek van dit onderscheid uitgaan. Zo wordt bijvoorbeeld verondersteld dat kennis in belangrijke mate mobiel is in kenniseconomische netwerken; in die netwerken zullen zich dus meer samenwerkingsverbanden op grotere afstand voordoen, al dan niet gefaciliteerd door de informatie- en communicatietechnologie, dan in de oude, fysieke economie (zie ook hoofdstuk Ruimtelijkeconomische ontwikkeling en netwerken). Er is dus een tegenstelling tussen de kennisintensiteit van sectoren en de complexiteit van transacties (aard) enerzijds en de rol van lokalisering van bedrijfsrelaties anderzijds. We gaan daar in de volgende paragrafen verder op in. Alle respondenten in het onderzoek zijn op basis van hun karakteristieken gelabeld als kennisintensief of kennisextensief. Hierbij hanteren we een relatief brede definitie van de kenniseconomie, waarin we het begrip kennis zien als het geheel van vaardigheden nodig om problemen te onderkennen en ze op te lossen onder meer door informatie te verzamelen en te selecteren. Daarbij is het voorbereiden, begeleiden en interpreteren van veranderingen een essentile karakteristiek. De kenniseconomie kan zo worden gedefinieerd als het gebruik van kennis in interactieve relaties tussen marktpartijen bij het voortbrengen en gebruiken van goederen en diensten, vanaf het eerste idee tot en met het gebruik van eindproducten (Raspe e.a. 2004). Deze brede definitie gaat er vanuit dat naast investeringen in technologische vernieuwing (R&D) in onze kenniseconomie ook andere aspecten bijdragen aan de productiviteits- en de werkgelegenheidgroei van het bedrijfsleven. Deze zachtere kant bestaat uit het opleidingsniveau van werknemers, het gebruik van ICT, en communicatieve vaardigheden de economie van kenniswerkers (zie hoofdstuk Ruimtelijkeconomische ontwikkelingen en netwerken). R&D en kenniswerkers zijn de twee dimensies die we in dit onderzoek hanteren om bedrijven te typeren als kennisintensief of kennisextensief. De bedrijfsspecifieke mate van kennisintensiteit is gebaseerd op informatie over R&D en de werkzaamheden die het bedrijf zelf in de vestiging uitvoert,

aangevuld met en gecontroleerd door sector- en regiospecifieke indicatoren uit eerdere studies (Raspe e.a. 2004). Respondenten met een bovengemiddelde score op kenniswerkers of R&D (of beide) worden bestempeld als kennisintensief; respondenten met een benedengemiddelde score op kenniswerkers n op R&D zijn bestempeld als kennisextensief. Tabel 3 laat zien hoe de 2.381 respondenten verdeeld zijn naar kennisintensiteit. In de analyses zijn in totaal 708 respondenten gekenmerkt als kennisextensief en 1.673 als kennisintensief (vetgedrukt): deze laatste hebben op ten minste n van de twee kenmerken van de kenniseconomie een bovengemiddelde score. Waardering van vestigingsplaatsfactoren in de eigen regio De afgelopen decennia hebben globalisering en internationalisering van de economie een impact gehad op de geografische spreiding van economische activiteiten en de functionele relaties daartussen. Bedrijven investeren over de grenzen van de nationale staten heen, waardoor activiteiten ruimtelijk verspreid raken. Maar ook de functionele integratie tussen ruimtelijk verspreide economische activiteiten is hechter geworden. Terwijl de bedrijfsnetwerken ruimtelijk gezien zijn opgerekt naar het internationale niveau, zijn tegelijkertijd ook het lokale en het regionale niveau belangrijker geworden. Een paradox die in de literatuur ook wel bekend staat als de global-localparadox (Castells 1996). Binnen deze paradox geldt dat juist het regionale vestigingsklimaat van belang is in een internationale netwerkeconomie. Bedrijven zoeken in de regionale omgeving naar relaties die essentieel zijn voor hun belangrijkste bedrijfsprocessen. Die liggen veelal in de sfeer van toeleveren en uitbesteden, en vooral ook in de sfeer van samenwerking op het vlak van innovatie en kennisontwikkeling. Juist in een kennisintensieve economie wordt de regionale aanwezigheid van toeleveranciers, kennisinstellingen en onderwijsinstellingen een steeds belangrijker vestigingsplaatsfactor. In de enqute hebben we ondernemingen gevraagd naar het belang dat zij hechten aan de regionale aanwezigheid van toeleveranciers, afnemers, onderzoeksinstellingen en universiteiten en aan de aanwezigheid van geschikt en gekwalificeerd personeel. In figuur 12 wordt het beeld van de antwoorden samengevat. Over het algemeen vindt meer dan de helft van de bedrijven de aanwezigheid van toeleveranciers in de eigen regio belangrijk. Tussen de sectoren zijn er echter verschillen. Als enige waarderen industrile bedrijven de nabijheid van toeleveranciers als belangrijker dan de nabijheid van afnemers. Bedrijven in de groothandelssector daarentegen achten de regionale aanwezigheid van toeleveranciers van veel minder belang. Vanuit de rol van een spin in het web van handel & distributie functioneert de groothandel in een netwerk dat niet puur uit lokale toeleveranciers bestaat. De industrie die veelal fysieke producten (grondstoffen of halffabrikaten) toegeleverd krijgt, waarbij transportkosten een grotere rol spelen, hecht juist veel belang aan de nabije aanwezigheid van toeleveranciers; dit geldt voor ruim 62 procent van de bedrijven in deze sector. We zien verder dat

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

64 65

kennisintensieve bedrijven (gedefinieerd als bedrijven met een nadruk op research & development, kenniswerkers of beide) de nabijheid van inkooprelaties slechts marginaal meer waarderen dan kennisextensieve bedrijven. Figuur 12 laat tevens zien dat de waardering voor afnemers in de eigen regio in het algemeen aanzienlijk groter is dan die voor toeleveranciers. In totaal geeft ruim 60 procent van de bedrijven aan de aanwezigheid van afnemers in de eigen regio belangrijk te vinden. Ook hier zien we sectorale verschillen. In de zakelijke dienstverlening vindt 67 procent van de bedrijven de aanwezigheid van afnemers in de regio van belang, terwijl dit percentage voor de groothandelaren veel geringer is. Kennisintensieve bedrijven tot slot waarderen de aanwezigheid van afnemers in de eigen regio slechts marginaal hoger dan kennisextensieve bedrijven. Naast de aanwezigheid van toeleveranciers en afnemers hebben we de bedrijven bij de waardering van vestigingsplaatsfactoren tevens gevraagd naar het belang dat zij hechten aan onderzoeksinstituten en universiteiten in de eigen regio. Uit figuur 12 blijkt dat de aanwezigheid van deze onderzoeksinstellingen voor bedrijven in het algemeen en voor industrile en groothandelsbedrijven in het bijzonder, niet bijzonder belangrijk is. Zakelijke dienstverleners hechten het grootste belang aan de aanwezigheid van kennisinstellingen in de regio (44%). Kennisintensieve bedrijven waarderen, zoals verwacht, de aanwezigheid van kennisinstellingen in de eigen regio aanzienlijk meer dan kennisextensieve bedrijven. Ten opzichte van de aanwezigheid van toeleveranciers, afnemers of kennisinstellingen blijkt de aanwezigheid van geschikt en gekwalificeerd personeel in de eigen regio veel belangrijker te zijn: 85 procent van de bedrijven geeft hiervoor op een vijfpuntsschaal de twee belangrijkste klassen aan. De verschillen tussen de sectoren zijn daarbij erg klein; dat geldt ook voor de verschillen tussen kennisintensieve en -extensieve bedrijven. Omdat het schaalniveau waarop bedrijven operationeel zijn in deze studie centraal staat, hebben we bedrijven op een tweede manier gevraagd naar het belang van de aanwezigheid van toeleveranciers en afnemers in de eigen regio. Hen werd verzocht aan te geven welk deel van de totale inkopen afkomstig is uit de eigen regio en welk deel wordt betrokken van buiten de regio; dezelfde vraag werd gesteld voor de totale verkopen. In figuur 13 laten we zien de totale inkopen zijn verdeeld naar aandeel van de eigen regio, de rest van Nederland en het buitenland. Hierbij is een onderscheid gemaakt naar de drie sectoren. Zakelijke dienstverleners betrekken ongeveer de helft van hun inkopen uit de eigen regio en kennen daarmee van de drie hoofdsectoren de sterkste regionale inbedding. De groothandel daarentegen betrekt het kleinste aandeel inkopen uit de eigen regio (35%), deze sector is voor haar inkooprelaties veel sterker verbonden aan het buitenland (19%). De industrie spant de kroon als het gaat om inkopen van buiten de eigen regio, maar binnen Nederland.

Figuur 12. Het aandeel bedrijven dat vestigingsplaatsfactoren in de eigen regio relatief belangrijk vindt* 90 80 70 60 50 40 30 20 10 Totaal Industrie Zakelijke Diensten Groothandel Kennisextensief Kennisintensief Toeleveranciers Afnemers Onderzoeksinstituten & universiteiten Gekwalificeerd personeel

*Relatief belangrijk bestaat uit de klassen belangrijk en zeer belangrijk; zie bijlage B voor de vragenlijst. Vetgedrukte waarden zijn significant verschillend (p<0,05) van het gemiddelde (chi2-toets).

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

66 67

Het onderscheid naar kennisintensiteit van bedrijven leert ten slotte dat kennisintensieve bedrijven veel nadrukkelijker hun inkopen uit de eigen regio betrekken. Kennisextensieve bedrijven daarentegen hebben in ruimtelijke zin de meest grootschalige netwerken: hun inkopen hebben voor een belangrijk deel betrekking op relaties buiten de eigen regio. Eenzelfde vraag hebben we de bedrijven voorgelegd met betrekking tot de verkooprelaties (figuur 14). Ten opzichte van de inkooprelaties valt op dat het aandeel van de eigen regio in het totaal van de verkopen lager is dan het regio-aandeel in de totale inkopen: voor inkopen blijken bedrijven lokaler te zijn ingebed dan voor verkopen. Wel geldt dat het belang van de eigen regio voor zakelijke diensten, in vergelijking met de industrie en de groothandel, wederom het grootste is (39%). Voor alle bedrijven geldt echter dat de meeste verkopen buiten de regio maar binnen Nederlandplaatsvinden: ongeveer 50 procent. Opvallend is verder dat de groothandel, net als voor de inkoop, voor de verkooprelaties het sterkst verbonden is met het internationale niveau, en tevens het minst lokaal is ingebed. Tot slot zien we dat kennisintensieve bedrijven meer de eigen regio als afzetgebied hebben terwijl het buitenland voor hen een bescheiden positie inneemt. De overdracht van kennis in de vorm van verkopen van kennisintensieve bedrijven speelt met andere woorden op een kleinere geografische schaalniveau dan de verkopen van kennisextensieve bedrijven. Dit is in lijn met de internationale literatuur (Acs 2002; Van Oort 2003). Samenvattend In deze paragraaf hebben we voor bedrijven in de zakelijke dienstverlening, de groothandel en de industrie geanalyseerd hoe belangrijk het is dat toeleveranciers, afnemers, onderzoeksinstituten en universiteiten en gekwalificeerd personeel in de eigen regio aanwezig zijn. Opmerkelijk is dat over het algemeen de aanwezigheid van geschikt of gekwalificeerd personeel voor bedrijven de belangrijkste factor is waarover zij in de eigen regio willen beschikken. Kennelijk wordt arbeid voor bedrijfsprocessen ervaren als belangrijke, en tegelijkertijd weinig mobiele, input. De aanwezigheid van kennisinstellingen wordt het minst van belang geacht. De inkoop- en verkooprelaties van de zakelijke dienstverleners en de kennisintensieve bedrijven zijn ten opzichte van de industrie, de groothandel en de kennisextensieve bedrijven het meest regionaal ingebed. In alle sectoren is het belang van de eigen regio voor de inkooprelaties groter dan voor de verkooprelaties. Ten opzichte van de waardering die ondernemers uitspreken voor de aanwezigheid van toeleveranciers en afnemers, is dit opmerkelijk: zij hechten een groter belang aan de aanwezigheid van een regionale afzetmarkt, maar zetten daar niet het grootste deel van hun verkopen af. In het volgende hoofdstuk gaan we hier verder op in, door specifiek te kijken naar de herkomst en de bestemming van de belangrijkste inkoop- en verkooprelaties tussen gemeenten in de onderzoeksregios.

Figuur 13. Herkomst van totale inkopen naar sectoren* 60%

50%

40%

30%

20%

10%

Eigen regio Overig NL Buiten NL Zakelijke Diensten Industrie Groothandel Kennisintensief Kennisextensief

0%

* Alle sectoren zijn significant verschillend (p<0,05) van elkaar (chi2-toets).

Figuur 14. Bestemming van totale verkopen naar sector* 60%

50%

40%

30%

20%

10%

Eigen regio Overig NL Buiten NL Zakelijke Diensten Industrie Groothandel Kennisintensief Kennisextensief

0%

* Alle sectoren zijn significant verschillend (p<0,05) van elkaar (chi2-toets).

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

68 69

De aard van relaties in sectorspecifieke netwerken Aan het begin van dit hoofdstuk gaven we aan dat de regionale inbedding van bedrijfsrelaties betrekking kan hebben op twee tegenovergestelde typen inkopen en verkopen: gestandaardiseerde producten en diensten die makkelijk lokaal verkrijgbaar zijn tegenover gemeenschappelijk ontwikkelde (complexe) producten waarbij nabijheid leidt tot risicoreductie en innovatieve kennisuitwisseling. Hoe intensiever de afstemming over de specificaties van producten, hoe belangrijker de nabijheid tot de toeleverancier of afnemer (Nijkamp 2003; Weterings 2005). In deze paragraaf bekijken we in hoeverre deze aard van de relaties samenhangt met de reikwijdte van de in sectoren opererende bedrijven. In de enqute is de bedrijven gevraagd om van hun inkopen en verkopen tevens de daadwerkelijke aard van het product of dienst aan te geven. Het betreft hier een onderscheid naar de mate van contact die gepaard gaat met de inkoop dan wel verkoop. Bij standaardproducten is relatief weinig contact nodig over de specificaties van het product, terwijl bij specifieke producten en diensten intensief contact wordt gepleegd over de specificaties en de toepassing. Bij gemeenschappelijke producten ten slotte geldt dat zeer intensief contact over vorm, inhoud en specificatie van het product nodig is, waarbij zowel de inkopende als de verkopende partijen risico dragen bij de productontwikkeling. Figuur 15 toont hoe de totale inkopen naar aard zijn verdeeld naar herkomst. Standaardproducten blijken met name in de eigen regio te worden ingekocht (54%), terwijl zon 41 procent uit overig Nederland komt; het aandeel standaardproducten met een buitenlandse herkomst is relatief gering (5%). Opvallend is dat wanneer bij de inkoop van producten het gedeelde risico groter is, het buitenland als partner aan belang wint: 21 procent van de gemeenschappelijk ontwikkelde producten wordt uit het buitenland ingekocht. Desalniettemin zijn de nationale en regionale aandelen nog steeds groter (respectievelijk 45% en 33%). De eigen regio is zowel belangrijk voor standaardproducten en (in mindere mate) voor gemeenschappelijk ontwikkelde producten. De beide hypothesen hierover worden dus bevestigd. Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat, in het totaal van de inkopen, de producten die gemeenschappelijk zijn ontwikkeld klein in aantal zijn: slechts negen procent van de inkopen betreft producten waar deze vergaande vorm van risicodeling centraal staat. Ruim de helft (55%) van de producten die bedrijven inkopen, betreft daarentegen standaardproducten. Om de relatie tussen de aard van relaties, de reikwijdte van relaties en de verbondenheid aan sectoren te duiden, zijn deze drie aspecten weergegeven in figuur 16 (per sector telt de aard van het product hierbij op tot 100%). Voor zowel de zakelijke dienstverleners als de industrie geldt dat regionale inkooprelaties betrekking hebben op zowel gestandaardiseerde producten als op producten die in gemeenschappelijk risico zijn ontwikkeld.

Figuur 15. De verdeling van de aard van de inkopen naar regio (aard =100%)* 60%

50%

40%

30%

20%

10%

Eigen regio Overig NL Buiten NL Standaard Speciek Gemeenschappelijk

0%

* Alle categorien zijn significant verschillend (p<0,05) van elkaar (chi2-toets).

Figuur 16. Inkopen per sector naar aard en reikwijdte 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Standaard Specifiek Gemeenschappelijk Overig nl Buiten nl Overig nl Buiten nl Overig nl Buiten nl Overig nl Buiten nl Overig nl Eigen regio Eigen regio Eigen regio Eigen regio Eigen regio Buiten nl

Zakelijke diensten

Industrie

Groothandel

Kennisintensief

Kennisextensief

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

70 71

De gestandaardiseerde producten hebben evenwel de overhand. Zakelijke dienstverleners zijn voor de inkoop van hun standaardproducten het sterkst ingebed in de eigen regio (60%). Voor alle sectoren geldt dat de specifieke relaties met de rest van Nederland, dat wil zeggen buiten de eigen regio, zijn oververtegenwoordigd. Dit geldt het sterkst voor de industrile bedrijven. De groothandel daarentegen is het meest genternationaliseerd (25%). Het onderscheid naar kennisintensieve en kennisextensieve bedrijven laat zien dat de eerste categorie voor alle typen producten meer op de eigen regio is gericht. Ook voor gemeenschappelijk ontwikkelde producten knopen zij met name regionale relaties aan, terwijl kennisextensieve bedrijven deze samenwerkingsrelaties juist aangaan met verder weg gelegen partners. De figuren 17 en 18 tonen, in analogie met de figuren 15 en 16, hoe de aard van de totale verkopen is verdeeld naar bestemming en naar sector. In tegenstelling tot de inkopen, waarvoor geldt dat de eigen regio het belangrijkste herkomstgebied is, blijkt voor de verkoop van producten niet de eigen regio maar overig Nederland het belangrijkste afzetgebied te zijn. De aard van de producten doet er hierbij niet veel toe; de nadruk op overig Nederland geldt voor alle typen producten. In het totaal van de verkopen maken producten die in gemeenschappelijkheid zijn ontwikkeld, ongeveer dertig procent uit van het totaal. Een aandeel dat veel hoger is ten opzichte van de inkooprelaties. Voor verkopen zijn de aandelen naar aard van de producten veel gelijkmatiger verdeeld over de categorien standaard, specifiek en gemeenschappelijk. Hier geldt dat ze, na de waardetoevoeging in het bedrijfsproces, specifieker en daarmee in intensiever contact met de afnemer worden afgezet. Slechts een relatief gering aandeel gaat naar het buitenland, namelijk tien procent (tegenover twintig procent van de inkooprelaties in gemeenschappelijke productie). Vervolgens hebben we een onderscheid gemaakt naar de brede sectoren industrie, zakelijke diensten en groothandel (figuur 18). Voor alle drie de sectoren geldt dat de standaardproducten voor het grootste deel buiten de eigen regio, maar wel binnen Nederland, worden afgezet. Standaardproducten wijken daarbij niet af van het patroon van de verkoop van specifieke of gemeenschappelijke producten. De groothandel kent de sterkste internationale orintatie, ongeacht de aard van de relaties. Kennisintensieve bedrijven blijken gemeenschappelijk ontwikkelde producten veel minder vaak in het buitenland af te zetten, terwijl kennisextensieve bedrijven, juist voor specifieke producten, het buitenland wl als afzetgebied kennen. Samenvattend In deze paragraaf onderzochten we niet alleen de sector van de bedrijfsvestiging maar ook de aard van de toeleverings- of uitleveringsrelatie. Voor standaardproducten en -diensten is relatief weinig contact nodig over de specificaties. Dergelijke producten en diensten worden met name in de eigen

Figuur 17. Verdeling van de aard van de verkopen naar regio (aard =100%) * 60%

50%

40%

30%

20%

10%

Eigen regio Overig NL Buiten NL Standaard Speciek Gemeenschappelijk

0%

* Alle categorien zijn niet significant verschillend (p<0,05) van elkaar (chi2-toets).

Figuur 18. Verkopen per sector naar aard en reikwijdte 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Standaard Specifiek Gemeenschappelijk Overig nl Buiten nl Overig nl Buiten nl Overig nl Buiten nl Overig nl Buiten nl Overig nl Eigen regio Eigen regio Eigen regio Eigen regio Eigen regio Buiten nl

Zakelijke diensten

Industrie

Groothandel

Kennisintensief

Kennisextensief

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

72 73

regio ingekocht. Het buitenland heeft een zeer kleine rol (5%) in het totaal van de inkopen van standaardproducten. Naarmate de inkoop specifieker is of er meer gedeeld risico bij betrokken is, wordt het aandeel inkopen uit het buitenland belangrijker. Voor de inkoop van gemeenschappelijk ontwikkelde producten en diensten is de rol van de eigen regio weer wel belangrijker, vooral bij zakelijke dienstverleners. Voor de verkoop van standaardproducten is de eigen regio niet het belangrijkste afzetgebied. Hier geldt: hoe complexer de aard van het product, hoe belangrijker het buitenland als handelsrelatie (tot een aandeel van 10%). Het zijn vooral de kennisextensieve en de groothandelsrelaties die een grote reikwijdte kennen, groter dan die van de kennisintensieve relaties en de relaties in de zakelijke dienstverlening. Verschillen tussen de onderzoeksregios In deze paragraaf bespreken we de belangrijkste verschillen tussen de zes onderzoeksregios te weten: Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Eindhoven, de Stedendriehoek en knooppunt ArnhemNijmegen als het gaat om de waardering van vestigingsplaatsfactoren en de sectorale verschillen in reikwijdtes van de verschillende relaties van verschillende aard (standaard, specifiek, gemeenschappelijk). Tabel 4 geeft de verschillen in waardering voor de verschillende vestigingsplaatsfactoren. Opmerkelijk is dat het bedrijfsleven in Amsterdam en in het knooppunt ArnhemNijmegen de aanwezigheid van een universiteit significant minder belangrijk vindt, terwijl Groningse en Eindhovense ondernemers de aanwezigheid van een universiteit in de eigen regio juist significant belangrijker vinden. Voor Eindhoven is dit in het kader van de brainportstrategie een belangrijke constatering, die kansen biedt om universitaire en bedrijfsmatige kennis te koppelen. Opmerkelijk is echter wel dat de aanwezigheid van de twee Amsterdamse universiteiten in de eigen regio niet leidt tot een hoge waardering. Eerder zagen we al dat de aanwezigheid van geschikt en gekwalificeerd personeel voor bedrijven veruit de belangrijkste vestigingsplaatsfactor is. In de Stedendriehoek en in het knooppunt ArnhemNijmegen wordt deze factor echter significant minder belangrijk gevonden dan in de andere regios, hoewel hij nog steeds voor ongeveer tachtig procent van de bedrijven van belang is. De Eindhovense bedrijven hechten significant meer belang aan de aanwezigheid van toeleveranciers in de eigen regio dan de bedrijven in de andere regios. Ook bedrijven in de regio Groningen-Assen hechten hier een groot belang aan. Voor deze perifere regio geldt bovendien dat de bedrijven die er gevestigd zijn, de aanwezigheid van afnemers in de eigen regio zeer waardeert; dat komt doordat zij relatief ver van andere economische kerngebieden is gelegen en daardoor voor een belangrijk deel is aangewezen op de nabijheid van een eigen afzetgebied. De meerkernige regios Arnhem Nijmegen en Stedendriehoek hechten juist minder belang aan de aanwezigheid van afnemers in de regio.

Tabel 4. Waardering van vestigingsplaatsfactoren naar regio % bedrijven dat de vestigingsplaatsfactor belangrijk vindt Amsterdam Rotterdam Groningen Vestigingsplaatsfactor Universiteit Geschikt personeel Toeleveranciers Afnemers 30 86 54 61 34 88 55 67 53 90 52 72 44 88 60 67 34 79 46 56 28 80 45 39 36 86 53 63 Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Groningen

Toelichting: De tabel geeft het aantal bedrijven weer dat een vestigingsplaatsfactor belangrijk vindt (belangrijk plus zeer belangrijk). 4 In rood staan de significante verschillen tussen de zes regios (significantieniveau 95%, Chi2-toets).

4. Wanneer in de enqute niet van toepassing is ingevuld, wordt deze tot onbelangrijk gerekend.

Figuur 19. Totale inkopen naar regio (index, gewogen gemiddelde regios is 100) 130 120 110 100 90 80 70 60 50 40 Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek Arnhem Nijmegen Eigen regio Overig NL Buiten NL Buiten NL Overig NL

Eigen regio

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

74 75

Vervolgens hebben we in analogie aan de vorige paragraaf geanalyseerd of de herkomst en de bestemming van de inkoop- en verkooprelaties in de zes regios anders is. Figuur 19 toont de reikwijdte van de inkopen naar regio. Niet voor alle regios blijkt de eigen regio het belangrijkste herkomstgebied van de inkopen te zijn. Dit is wel het geval in gebieden in de intermediaire zone (Eindhoven, Stedendriehoek) en in de periferie (Groningen). De Randstedelijke regios rond Amsterdam en Rotterdam daarentegen hebben relatief de sterkste orintatie op overig Nederland, hoewel de verschillen tussen de regios niet groot zijn. Het knooppunt ArnhemNijmegen en de Amsterdamse regio betrekken het grootste deel van hun inkopen uit het buitenland, terwijl Groningen hierop het laagst scoort (Groningen grenst aan de Duitse periferie, waar ook voor Groningen weinig ontwikkelingskansen liggen). De ligging nabij de grens lijkt voor het knooppunt ArnhemNijmegen te resulteren in een relatief sterkere grensoverstijgende orintatie (in het totaal toch nog begrensd tot 13%). Ook de verkooprelaties in de zes regios zijn onderzocht op bestemming. Figuur 20 toont de verdeling van de reikwijdte van de verkooprelaties van de genquteerde bedrijven. Van alle deelgebieden zijn de relaties in de eigen regio het grootst in Groningen. Een gebrek aan afzetmogelijkheden buiten de Groningse regio maakt dat het gebied vooral is aangewezen op zelfvoorziening. De Stedendriehoek en het knooppunt Armhem-Nijmegen hebben een relatief sterke orintatie op overig Nederland. Het knooppunt ArnhemNijmegen en de Eindhovense regio kenmerken zich door het grootste aandeel aan buitenlandse verkooprelaties (beide ongeveer 13% van de totale afzet). Net als bij de inkopen valt echter op dat het buitenland in absolute termen een klein aandeel in de verkooprelaties heeft: slechts elf procent van alle verkopen gaat gemiddeld genomen de grens over. Uit onze analyses blijkt dat sommige regios relatief gesloten entiteiten vormen (Groningen, Stedendriehoek) terwijl andere meer open zijn (Amsterdam, ArnhemNijmegen). De regios rond Rotterdam en Eindhoven zijn nog het meest vergelijkbaar met het nationale beeld. In hoeverre netwerkstructuren binnen de regios dit faciliteren, staat centraal in het volgende hoofdstuk, waar de belangrijkste inkoop- en verkooprelaties van bedrijven en hun gemeentelijke inbedding worden onderzocht. Synthese In dit hoofdstuk stonden de ruimtelijke inbedding van bedrijfsnetwerken en het belang van de eigen regio centraal. In de literatuur wordt verondersteld dat er een global-localparadox optreedt: netwerken worden steeds internationaler en ruimtelijk grootschaliger, terwijl tegelijkertijd bedrijven in de regionale omgeving zoeken naar relaties die essentieel zijn voor hun kritische bedrijfsprocessen, zoals toeleverancies, uitbestedingen en kennisrelaties. Juist in een steeds kennisintensiever wordende economie is de regionale aanwezigheid van deze factoren een steeds belangrijker vestigingsplaatsfactor.

Figuur 20. Totale verkopen naar regio (index, gewogen gemiddelde regios is 100) 140 130 120 110 100 90 80 70 60 50 40 Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek Arnhem Nijmegen Eigen regio Overig NL Buiten NL

Buite

Ove

Eige

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

76 77

De belangrijkste conclusie uit onze analyse is dat het hierbij gaat om de bedoelde complexe en specifieke uitwisselingen, waarbij nabijheid van belang is voor in samenwerking ontwikkelde productvernieuwing, n om gestandaardiseerde producten en diensten, die relatief makkelijk in de eigen omgeving verkrijgbaar zijn. Het lijkt er dus op dat regionalisering van bedrijfsrelaties betrekking heeft op beide typen producten. De bedrijven in alle drie de sectoren geven aan dat de regionale beschikbaarheid (inkoop) en afzetmogelijkheid (verkoop) van gestandaardiseerde producten minstens zo belangrijk, of zelfs belangrijker, is voor het functioneren van bedrijven als de aanwezigheid van andere kennisintensieve bedrijven of specifieke producten en relaties. Met andere woorden: de stedelijke (netwerk)economie is niet alleen een gonzende bijenkorf van hightech- en dienstverlenende groeisectoren. De aard van alle typen bedrijfsrelaties (op een schaal van complexiteit oplopend van standaard naar specifiek naar gemeenschappelijk ontwikkeld) is, dwars door sectoren heen, van groot belang. Alle typen bedrijven (naar sector onderscheiden) vinden de aanwezigheid van geschikt of gekwalificeerd personeel in de regio van belang. In de eigen regio dient, naar hun mening, het arbeidspotentieel op orde te zijn opdat zij hun bedrijfsprocessen goed kunnen uitvoeren. Voor de kennisintensieve bedrijven is daarnaast de aanwezigheid van kennisinstellingen over het algemeen een belangrijke factor. Verder wordt de aanwezigheid van afnemers in de eigen regio belangrijker geacht dan de aanwezigheid van toeleveranciers (alleen industrile bedrijven scoren gelijkwaardig op deze aspecten). Hier zien we een contrast met de daadwerkelijke inkoop- en verkooprelaties van bedrijven. Het aandeel van de eigen regio blijkt juist voor de inkopen groter te zijn dan voor de verkopen. Het buitenland speelt een relatief geringe rol voor de inkooprelaties van bedrijven, met uitzondering van de groothandel. We zagen al dat de eigen regio belangrijk is voor zowel gestandaardiseerde als gemeenschappelijk ontwikkelde (kennisintensieve) producten. Voor de inkoop en verkoop van specifieke producten en diensten (de middelste categorie in de hirarchie van complexiteit) is niet zozeer de eigen regio het belangrijkste doel- of herkomstgebied als wel overig Nederland. Er zijn verschillen tussen de onderzoeksregios. Zo vindt men in de regios rond Groningen en Eindhoven de aanwezigheid van een universiteit een relatief belangrijke vestigingsplaatsfactor. Voor Eindhoven is dit een belangrijke constatering in het kader van de brainportstrategie. Van de zes regios kennen de regios Amsterdam en ArnhemNijmegen de sterkste internationale orintatie, hoewel deze over het algemeen genomen gering is. Op het gebied van de reikwijdte van relaties over sectoren en de aard van relaties in hun inkoop- en verkoopprofiel lijken de regios Rotterdam en Eindhoven het meest op het gemiddelde van alle regios. Groningen valt op door de relatief sterke regionale inbedding van het bedrijfsleven: het relatieve aandeel en de waardering van de eigen regio in de totale inkoop- en verkooprelaties

is hier hoog. De perifere ligging van Groningen draagt daar in belangrijke mate aan bij. De vestigingsplaatsanalyse wijst verder uit dat bedrijven in de Stedendriehoek en in het knooppunt ArnhemNijmegen de eigen regio van minder dominant belang achten als het gaat om inkoop- en verkooprelaties. Mogelijk maakt de polynucleaire structuur van deze stedelijke regios dat het bedrijfsleven minder is ingebed. Dit onderzoeken we in het volgende hoofdstuk, waarin we dieper ingaan op de ruimtelijke specificaties van de bedrijfsnetwerken. We zullen daarbij een onderscheid blijven maken in sectoren en in de mate van kennisintensiteit van het bedrijfsleven, omdat die dimensies de meeste heterogeniteit van de bedrijfsrelaties in zich herbergen. De aard van de relaties is wel belangrijk, maar deze werkt voor alle sectoren hetzelfde uit. De sectorale dimensie is ook beleidsmatig de dimensie die op de meeste uitwerking kan rekenen.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

De heterogeniteit van regionale bedrijfsrelaties

78 79

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hoofdstuktitel

80 81

NE T WER K S TRUC TUUR EN SCHA ALNIVE AUS VAN BEDR IJFSR EL ATIES

Inleiding Stonden in het vorige hoofdstuk de stated preferences van bedrijven centraal de inschatting van de bedrijven ten aanzien van de reikwijdte van hun relaties , in dit hoofdstuk gaat het om de revealed preferences en analyseren we de daadwerkelijke netwerkkenmerken van de tien belangrijkste relaties van bedrijven. Hoewel het denken in termen van netwerken wijd verspreid is in de economische geografie, is behalve voor woon-werkrelaties nooit serieus getest in welke mate er nu echt sprake is van een allesomvattende netwerkeconomie. Doet de stedelijke hirarchie met haar centrale steden er nog wel toe? En de regionale inbedding van die steden? Om dit te onderzoeken zetten we in dit hoofdstuk, en het volgende, de ruimtelijke kenmerken van het centraleplaatsenmodel af tegen een netwerkmodel. Het meer traditionele centraleplaatsenmodel gaat uit van een stedelijke hirarchie waarbij stromen met name zijn gericht op de hoofdkern en waarbij steden met dezelfde omvang en functies eenzelfde ruimtelijk bereik hebben (Buursink 1971). Er zijn echter enkele belangrijke onderdelen van het model die vaak worden veronachtzaamd (Borchert 2001). Ten eerste wordt er in het model vanuit gegaan dat relaties gepaard gaan met de fysieke verplaatsingen van goederen, mensen of diensten. Deze fysieke en functionele relaties nemen wij in onze analyse wl mee, door te vragen naar de tien belangrijkste handelsrelaties van bedrijven. Ten tweede spelen centrale plaatsen niet voor alle functies dezelfde centrale rol. Zo is Amsterdam wel een centrale plaats op financieel gebied, maar niet zozeer als het gaat om groothandels- of industrile relaties. De uitsplitsing naar sectoren is derhalve belangrijk (zie ook het voorgaande hoofdstuk). Een uitsplitsing die we in onze analyses aanhouden. Ten derde is hirarchie niet gelijk aan (een rangorde van) grootte. Het is vrij eenvoudig om op basis van bepaalde indicatoren een rangorde van steden op te stellen, maar of dat een hirarchische rangorde is, is een andere zaak. Al scoort Assen op veel indicatoren lager dan Eindhoven, het is maar de vraag of hier een functionele hirarchische (complementaire) relatie in het geding is. In ons onderzoek kijken we expliciet naar toeleverings- en uitleveringsrelaties van bedrijfsvestigingen, kortom: naar functionele relaties. Steden die centraal liggen in het geheel van relaties in de zes regios, hebben zeggingskracht in termen van functionele netwerken. Het netwerkmodel daarentegen gaat, althans volgens de literatuur, veel nadrukkelijker uit van een diffuse stroomstructuur en kriskrasrelaties tussen

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

82 83

steden en buiten de stad om, ook als ze een andere fysieke of functionele omvang hebben. Relaties richten zich niet altijd op de grotere steden, maar kunnen zich ook richten op hirarchisch gelijkwaardige of laagwaardiger steden. Centraal in de analyse in dit hoofdstuk staat daarom ten eerste de vraag op welk schaalniveau economische activiteiten plaatsvinden, en ten tweede de vraag in welke mate de regios monocentrisch danwel multinodaal zijn en kriskrasrelaties vertonen. Bij het bestuderen van de netwerkrelaties binnen de regios moet vooraf worden bedacht dat de onderzochte relaties per definitie asymmetrisch over gemeenten zijn verdeeld. Dichter bij elkaar gelegen en/of grotere gemeenten kennen een groter aantal bedrijven, en derhalve ook meer potentile relaties. Net als bij de woon-werkdynamiek is het dus zaak om relatieve aantallen relaties (gecorrigeerd voor de omvang van herkomst- en bestemmingsgemeenten en de afstanden daartussen) te onderscheiden van absolute aantallen relaties. En hoewel hirarchie niet identiek is aan grootte, zoals we hierboven zagen, heeft de grootte van gemeenten een relatie met zowel hirarchie als met netwerkstructuur. In dit hoofdstuk visualiseren en onderzoeken we vooral absolute aantallen bedrijfsrelaties, en houden we nog geen rekening met de omvang en de afstanden van en tussen gemeenten. In het volgende hoofdstuk zullen we bezien in hoeverre lokale structuurkenmerken (waaronder omvang en afstanden van en tussen gemeenten) de aantallen relaties mede verklaren, en wat, gecorrigeerd daarvoor, nog relevante structuren binnen de netwerken zijn. In dit hoofdstuk analyseren we de netwerken van de zes onderscheiden regios. Een dergelijke netwerkanalyse is met betrekking tot ruimtelijkeconomische vraagstukken nog maar zelden toegepast. Daarom introduceren we hieronder eerst de technieken die we bij de netwerkanalyse hanteren en duiden we de relatie ervan met onze vraagstelling. We gaan hierbij tevens in op de in dit hoofdstuk te onderzoeken relaties. In de daarna volgende paragraaf visualiseren we de netwerkstructuren van de absolute aantallen bedrijfsrelaties in de zes regios. Vervolgens gaan we in op de reikwijdte van de bedrijfsnetwerken. In de paragraaf De openheid en geslotenheid van regios analyseren we de structuur en de reikwijdte van de netwerken, en hun mate van openheid dan wel geslotenheid, voor sectoren en voor de mate van kennisintensiteit. In de voorlaatste paragraaf gaan we vervolgens in op de mate van centraliteit en het bestaan van kriskrasrelaties en monocentrisme binnen de netwerken. We sluiten af met een synthese en enkele conclusies. Netwerkanalyse in ruimtelijkeconomisch perspectief In navolging van Castells (1996) worden netwerken vaak benaderd vanuit een structuralistisch oogpunt: het handelen van actoren wordt in grote mate bepaald door de mogelijkheden en beperkingen die worden gecreerd door de wijze waarop die actoren zijn ingebed in een groter web van relaties.

Dit patroon van relaties kan bijvoorbeeld van invloed zijn op het presteren van bedrijven of op de economische positie van een geografisch gebied (zie het hoofdstuk Structuuranalyse van de onderzoeksgebieden). Bedrijfsnetwerken kunnen op deze manier worden gezien als het collectieve sociale kapitaal of de competitive advantage van bedrijven, regios en zelfs landen (Porter 1990). Er bestaat een omvangrijke literatuur over het goed presteren van regios waarin bijvoorbeeld het succes van Silicon Valley, de Japanse economie in de jaren tachtig, en het Third Italy toegeschreven worden aan de hand van hun specifieke economische structuur en de hoge mate van netwerkvorming. Waar Castells (1996) eerder een algemeen beeld schetst van het begrip netwerken dan dat hij het concreet gebruikt, geeft een netwerkanalyse de mogelijkheid deze ideen empirisch in te vullen (Wasserman & Faust 1994). Binnen de netwerkanalyse worden netwerken niet alleen nadrukkelijk benaderd als een structuralistisch concept maar tevens als een handelingstheoretisch of functioneel concept waarin de onderlinge relaties meer inhoud krijgen en hypothesen omtrent de eigenschappen van netwerken getest kunnen worden. De netwerkanalyse maakt hierbij veelal gebruik van de grafentheorie (Frenken & Neffke 2005): een theorie die de actoren in een netwerk als punten beschouwt en de relatie tussen deze actoren als lijnen. Zo ontstaat een simplistische weergave van een netwerk waarin met behulp van (relatief eenvoudige) wiskundige bewerkingen de eigenschappen van dit netwerk en zijn actoren kunnen worden gekwantificeerd. Hierbij valt te denken aan zaken als de mate van centralisatie en monocentrisme, de mate van openheid en geslotenheid, de reikwijdte, en de mate van kriskrasrelaties. De eigenschappen, kortom, die we voor onze bedrijfsnetwerken ook graag willen weten. Hoewel veel netwerken een sterk geografisch karakter hebben en de ruimtelijke wetenschappen begrippen als (regionale) inbedding (Polanyi 1957; Granovetter 1985) en clustering (Porter 1990) hebben genternaliseerd, komt dit tot op heden zelden tot uitdrukking in het gebruik van de netwerkanalyse door ruimtelijke economen en geografen (Grabher 2004). Binnen deze disciplines zijn eerdere onderzoeken voornamelijk beschrijvend, formalistisch, en structuralistisch van aard geweest (zie bijvoorbeeld Beije e.a. 1993 en Boekema & Kamann 1989).1 Maar ook binnen de netwerkanalyse zelf werd weinig aandacht besteed aan de rol van geografische afstand. Netwerkanalyse gebaseerd op geografische data is echter steeds meer in opkomst; er is in toenemende mate ook behoefte aan empirische uitwerkingen van het ruimtelijk perspectief van netwerken (Criciti e.a. 2005). Met ons onderzoek sluiten we bij die behoefte aan. In dit hoofdstuk wijken we op enkele punten af van het vorige hoofdstuk. In de eerste plaats analyseren we hier de tien belangrijkste relaties de vijf belangrijkste inkooprelaties en de vijf belangrijkste verkooprelaties voor

1. Hess (2004), maar ook Grabher (2004) menen dat dit onder andere komt doordat de studie van netwerken binnen de ruimtelijke wetenschappen veel te lijden heeft gehad onder lokaal fetishism, door expliciet te focussen op fenomenen zoals industrile districten, regionale innovatiesystemen, en innovatieve milieus. Hiermee ontstond een overterritorialized view op economisch handelen. Recente onderzoeken, zoals die van Uzzi (1996), lijken te breken met deze traditie, doordat zij naast regionale inbedding ook reikwijdte en schaalniveau van de netwerken centraal stellen. Vroege invullingen hiervan zien we al in de verzameling artikelen in Bourne & Simmons (1979).

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

84 85

een bedrijf, waar we in het vorige hoofdstuk vooral keken naar de mate waarin een bedrijf aangaf de totale inkopen en de totale verkopen in de eigen regio te doen of daarbuiten (de stated preferences). Op deze manier kennen we de exacte locatie van de inkoop- en verkooprelaties en ontstaat in ruimtelijke zin een veel gedetailleerder beeld van een mogelijk ruimtelijk netwerk (revealed preferences).2 Door de gegevens over de tien belangrijkste relaties te aggregeren naar gemeenteniveau kunnen alle verbindingen vanuit en naar een gemeente in kaart worden gebracht. Door netwerken tussen gemeenten in kaart te brengen aan de hand van verschillende indicatoren doen we uitspraken over de positie en structuur van de verschillende gemeenten binnen een mogelijk regionaal netwerk en het functioneren van dat netwerk als geheel. In totaal onderzoeken we in dit hoofdstuk 6.913 aangegeven bedrijfsrelaties op regio, sector en bedrijfsgrootte. Een tweede punt waarop we in dit hoofdstuk afwijken van het vorige, is de definitie van de eigen regio. Stonden in het vorige hoofdstuk de individuele vestigingen centraal met een straal van 15 kilometer daaromheen als eigen regio, hier aggregeren we de definitie: de eigen regio betreft alle gemeenten waarvan het punt met de grootste dichtheid binnen 15 kilometer rond de centrale stad ligt (zie ook het hoofdstuk Structuuranalyse van de onderzoeksgebieden). Door alleen binnen deze regio te kijken kan worden bezien of (in gemeenten aanwezige) bedrijven veel interactie hebben met de in de eigen regio gelegen gebieden en, geaggregeerd, wat het aandeel met overig Nederland en het buitenland is. Visualisatie van de netwerkstructuren in de zes regios In deze paragraaf visualiseren en beschrijven we de stromen van netwerkrelaties (in absolute aantallen) tussen gemeenten; we doen dat voor de zes regios apart. De reikwijdte van de bedrijfsnetwerken is gebaseerd op de geografische ligging van de door een bedrijf aangegeven vijf belangrijkste inkooprelaties en de vijf belangrijkste verkooprelaties. Om de geografische netwerken, en niet de individuele netwerken, in beeld te brengen, worden alle bedrijven binnen een gemeente geaggregeerd. Relaties of ze nu betrekking hebben op de inkoop of verkoop van strategische diensten, van halfproducten of van grondstoffen zijn gevraagd als percentage van de bedrijfsomzet die ermee gemoeid is. De netwerken zijn ongewogen: elke individuele relatie telt in de aggregatie even zwaar mee. Verder maken we in deze paragraaf geen onderscheid naar sectoren, grootte en kennisintensiteit, al houden we bij de statistische analyses in latere paragrafen wel rekening met deze differentiatie en met een weging. In deze paragraaf kunnen we alleen uitspraken doen over de structuur van het totale netwerk in de regio, zoals dat naar voren komt wanneer we de door de bedrijven opgegeven relaties letterlijk op de kaart zetten. Door deze bedrijfsnetwerken te visualiseren kunnen we een algemeen beeld krijgen van de reikwijdte en de structuur van de netwerken.3 De bedrijfsnetwerken binnen de zes verschillende regios zijn zowel op nationale als op regionale

2. Dit beeld raakt vertekend indien bedrijven systematisch meer dan tien relaties onderhouden die belangrijk zijn voor de omzet. Bij grote bedrijven is dit vaak het geval. Ook is het niet geheel zuiver om bij de analyse van de tien belangrijkste relaties te spreken over revealed preferences, omdat ook de informatie van die tien relaties afkomstig is van de bedrijven zelf. Het onderscheid geldt dus strikt genomen alleen voor de mate van netwerkvorming in ruimtelijk perspectief. 3. Aan de visualisatie van de bedrijfsnetwerken liggen de tien belangrijkste relaties van de bedrijven in de zes deelregios ten grondslag. Omdat het aantal bedrijven in de deelgebieden uiteenloopt (zie bijlage A), verschilt ook het aantal bedrijfsrelaties. De afzonderlijke netwerken van de deelgebieden kunnen hierdoor niet goed met elkaar worden vergeleken. Conclusies dienen zich toe te spitsen op de afzonderlijke deelregios en niet daartussen als het gaat om grootteafhankelijke kengetallen. In het vervolg van het hoofdstuk zullen de verhoudingen binnen de regios veel meer centraal staan waardoor de gebieden wel te vergelijken zijn.

schaal in beeld gebracht. Op nationale schaal ontstaat dan een beeld van de reikwijdte van de bedrijfsrelaties van een regio in relatie tot alle andere regios in Nederland en daarbuiten. Het patroon op regionale schaal geeft de relaties weer tussen gemeenten die de regio opbouwen. Regio Amsterdam In figuur 21 zijn de bedrijfsrelaties weergegeven voor het netwerk in de regio Amsterdam. Deze regio is sterk georinteerd op de regios binnen de Randstad: er is een sterke relatie met Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Buiten de Randstad heeft de regio Amsterdam met name een zuidelijke en oostelijke orintatie, terwijl de binding met Noord-Nederland zwak is. Aangezien de meeste relaties in relatieve nabijheid worden onderhouden, kunnen we constateren dat de regio Amsterdam relatief sterk zelfvoorzienend is; in ieder geval geldt dit voor de Noordvleugel van de Randstad. Figuur 22 zoomt vervolgens in op de stedelijke regio Amsterdam. Daarbinnen ligt een groot aantal gemeenten waarbinnen veel relaties worden onderhouden. De stad Amsterdam heeft de meeste interne relaties (314), maar ook de gemeenten Diemen, Amstelveen, Haarlemmermeer, Almere en Haarlem kennen veel bedrijfsrelaties binnen de eigen gemeente. De relaties tussen de gemeenten zijn vooral erg sterk gericht op Amsterdam, dat nadrukkelijk een magneetwerking (hubfunctie) heeft op de omliggende gebieden. Daarnaast zijn er wel veel kriskrasrelaties zichtbaar tussen gemeenten buiten Amsterdam, maar deze relaties zijn beduidend minder in aantal dan de relaties waarbij Amsterdam betrokken is. Regio Rotterdam Figuur 23 toont het totale netwerk van Rotterdam. Net zoals het bedrijfsnetwerk van de regio Amsterdam, is dat van de regio Rotterdam sterk gericht op de andere grote steden van de Randstad. Niet alleen zijn de grote stromen sterk geconcentreerd in de Randstad maar ook de minder grote stromen blijven voornamelijk binnen dit gebied. Kijken we naar het bedrijfsnetwerk binnen de regio Rotterdam (figuur 24), dan valt het grote aantal verbindingen op tussen de gemeenten binnen de regio. De meeste relaties zijn niet zeer sterk, maar er zijn binnen het netwerk weinig gesoleerde gemeenten, dat wil zeggen: gemeenten die geen relaties hebben met de rest van de gemeenten binnen de regio en die hierdoor niet deelnemen aan het regionale netwerk. Opvallend is de sterke relatie tussen Rotterdam en Capelle aan den IJssel, terwijl Capelle aan den IJssel zelf geen echt sterke interne relatie kent. Deze gemeente is dus vooral naar buiten toe gericht. Daarnaast lijkt de gemeente Rotterdam wel een sterke relatie te hebben met Schiedam en Zoetermeer. Dit laatste is opmerkelijk omdat vaak wordt verondersteld dat Zoetermeer vooral op Den Haag is gericht en in mindere mate op Rotterdam.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

86 87

Regio Groningen Het bedrijfsnetwerk van de regio Groningen kent een grote reikwijdte (figuur 25). De perifere ligging in Nederland zorgt ervoor dat Groningse bedrijven die hun inkoop- en verkooprelaties niet in de eigen regio kunnen vinden, per definitie ver moeten zoeken. Bovendien zien we hier geen concentratie van relaties net buiten de regio, zoals bij het bedrijfsnetwerk van de regios Amsterdam en Rotterdam (namelijk in de Randstad). Opvallend is wel de sterke relatie richting de gemeente Amsterdam. De aantrekkingkracht van Amsterdam heeft kennelijk ook een aanzienlijke invloed op de Groningse bedrijven. Het bedrijfsnetwerk binnen de regio Groningen (figuur 26) laat zien dat met name de stad Groningen veel interne relaties kent, maar ook de gemeenten Assen, Tynaarlo en Leek. De relaties tussen de verschillende gemeenten in de regio Groningen zijn niet sterk. Deze zijn alleen duidelijk zichtbaar tussen Groningen en Assen en tussen Groningen en Tynaarlo. Afgaande op de aantallen weergeven relaties, vervult de stad Groningen in het regionale netwerk nadrukkelijk een functie als centrale plaats. Regio Eindhoven Het bedrijfsnetwerk van de regio Eindhoven is sterk op de eigen provincie gericht en daarnaast op de Randstad (figuur 27). Er is een sterke relatie tussen het regionale bedrijfsnetwerk van Eindhoven en de stad Amsterdam. Doordat de regio Eindhoven dicht bij de Belgische grens ligt, zou een sterke relatie met de zuiderburen te verwachten zijn. Dit is echter niet het geval; de relatie met enkele andere grensoverschrijdende gebieden Duitsland, overig EU en buiten de EU lijkt zelfs nog sterker te zijn. Binnen het bedrijfsnetwerk van de regio Eindhoven (figuur 28) kenmerken veel gemeenten zich door een relatief groot aantal interne relaties; vooral binnen de stad Eindhoven, maar ook in de gemeente Helmond is het aantal interne relaties groot. Het geheel van verbindingen tussen de verschillende gemeenten in de regio lijkt sterk met elkaar verweven. Er is een sterke relatie tussen Eindhoven en Helmond maar ook tussen Eindhoven en Veldhoven. Opvallend is wel dat ook in deze regio het bedrijvennetwerk zeer sterk is gericht op de centrale stad (Eindhoven). Regio Stedendriehoek Het netwerk in de regio Stedendriehoek is vooral gericht op middenNederland (figuur 29), met een sterke oost-westorintatie langs de snelweg A1. Daarbij is vooral een sterke relatie zichtbaar met de gemeente Amsterdam. Van de relaties buiten Nederland is die met het relatief dichtbij gelegen Duitsland het sterkst. Kijken we naar de relaties binnen de regio, dan komt vooral de gemeente Apeldoorn sterk naar voren (figuur 30). Daarnaast kennen ook Zutphen, Deventer en, in mindere mate, Epe veel interne relaties. De bedrijfsrelaties binnen de regio lijken zwak vergeleken met die in de andere regios; ook de relaties tussen de drie centrale steden in de regio Stedendriehoek zijn

niet duidelijk oververtegenwoordigd. Wat dat betreft functioneert de regio Stedendriehoek dus eerder als een regio met drie kernen, dan als een netwerk. In dit opzicht wijkt zij af van de andere regios. Regio ArnhemNijmegen Ook de regio ArnhemNijmegen (KAN) wordt getypeerd door de aanwezigheid van twee centrale steden. Deze regio kent een netwerk van geaggregeerde bedrijfsrelaties die buiten de regio vooral zijn gericht op midden-Nederland (figuur 31). Er is een sterke relatie vanuit de regio naar de steden Amsterdam en Den Haag, en zoals te verwachten met Duitsland. Zoomen we in op het regionale netwerk van het knooppunt Arnhem Nijmegen (figuur 32), dan blijkt dat met name Nijmegen veel interne relaties kent. De relatie tussen Arnhem en Nijmegen is weliswaar sterk, maar er zijn (in absolute termen) ook andere sterke relaties binnen het regionale bedrijfsnetwerk, zoals die tussen Nijmegen en Wijchen en tussen Nijmegen en Beuningen.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

88 89

Figuur 21. Totaal netwerk regio Amsterdam

Figuur 22. Regionaal netwerk regio Amsterdam Overig Nederland

Duitsland

Overig EU Duitsland Belgi Buiten EU

Overig EU

Belgi

Buiten EU

Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 Aantal relaties tussen gemeenten 1 2-10 >= 10 3-4 5-9 10-49 > 50

Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

90 91

1 2 - 10 >= 10
Figuur 23. Totaal netwerk regio Rotterdam Figuur 24. Regionaal netwerk regio Rotterdam Overig Nederland

Duitsland

Overig EU

Duitsland

Belgi

Buiten EU

O
Overig EU

Belgi

Buiten EU

Belgi
Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

Buiten EU

Aantal relaties tussen gemeenten 1 2-10 >= 10

3-4 5-9 10-49 > 50

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

92 93

Figuur 25. Totaal netwerk regio Groningen

Figuur 26. Regionaal netwerk regio Groningen Overig Nederland

Duitsland

Duitsland Overig EU Belgi Buiten EU Overig EU

Belgi

Buiten EU

Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 Aantal relaties tussen gemeenten 1 2-10 >= 10 3-4 5-9 10-49 > 50

Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hoofdstuktitel

94 95

Figuur 27. Totaal netwerk regio Eindhoven

Figuur 28. Regionaal netwerk regio Eindhoven Overig Nederland

Duitsland

Overig EU

Belgi

Duitsland

Buiten EU

Overig EU

Belgi

Buiten EU

Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 Aantal relaties tussen gemeenten 1 2-10 >= 10 3-4 5-9 10-49 > 50

Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

96 97

1 2 - 10 >= 10
Figuur 29. Totaal netwerk regio Stedendriehoek Figuur 30. Regionaal netwerk regio Stedendriehoek

Overig Nederland

Duitsland Belgi Duitsland

Overig EU Buiten EU

O
Overig EU

Belgi

Buiten EU

Belgi

Buiten EU

Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 Aantal relaties tussen gemeenten 1 2-10 >= 10 3-4 5-9 10-49 > 50

Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

98 99

1 2 - 10 >= 10
Figuur 31. Totaal netwerk regio ArnhemNijmegen Figuur 32. Regionaal netwerk regio ArnhemNijmegen Overig Nederland

Duitsland

Overig EU

Duitsland

Belgi

Buiten EU

O
Overig EU

Belgi

Buiten EU

Belgi
Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

Buiten EU

Aantal relaties tussen gemeenten 1 2-10 >= 10

3-4 5-9 10-49 > 50

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

100 101

Samenvattend In deze paragraaf hebben we de bedrijfsnetwerken binnen de zes regios en daarbuiten gevisualiseerd, geaggregeerd naar gemeenten. In de volgende paragrafen analyseren we deze netwerken verder. In het algemeen blijken alle grote steden in de regios een centrale spilfunctie (hub) te vervullen in het netwerk. Binnen de centrale steden vinden verreweg de meeste interne relaties plaats, en deze steden zijn ook overmatig betrokken bij relaties met (bedrijven in) andere gemeenten. Het systeem van de regios wordt in absolute termen dus overheerst door de centrale steden. De Randstedelijke regios (Amsterdam en Rotterdam) kennen een overloopgebied van bedrijfsrelaties in de rest van de Randstad, met een groot en divers aanbod van goederen en diensten. Andere regios hebben een dergelijk overloopgebied in hun omgeving niet. De regio Groningen kenmerkt zich door een geslotenheid (veel relaties vinden plaats binnen de stad Groningen), waarschijnlijk omdat zij juist weinig kansen buiten de eigen stad of regio heeft. Alle regios hebben een aanzienlijke relatie (in absolute aantallen connecties) met Amsterdam. Deze stad heeft dus een bovenregionale functie in het nationale netwerk. De buitenlandse orintatie lijkt over het algemeen gering. 4 Infrastructuurnetwerken lijken vaak van belang voor de ruimtelijke netwerkvorming van bedrijven, zoals de oost-westorintatie van Apeldoorn en Deventer (A1) en ArnhemNijmegen (A12, A15) suggereren. In de volgende paragrafen verbijzonderen we de in de figuren 21-32 gevisualiseerde absolute aantallen relaties tussen gemeenten niet alleen naar regio maar ook naar grootte van (zendende en ontvangende) bedrijven, naar de sectoren waarvan zij onderdeel vormen en naar hun mate van kennisintensiteit. We bezien daarbij zoveel mogelijk indicatoren naar ruimtelijke en netwerkstructuren (reikwijdte van relaties, mate van centraliteit van gemeenten en mate van kriskras relaties) in relatieve zin, zodat ze over de regios vergelijkbaar worden. Reikwijdte van relaties Op basis van de figuren 21-32 kunnen we globale conclusies trekken over de reikwijdte van de netwerken. Het is echter ook mogelijk om specifiek de gemiddelde afstand van de bedrijfsrelaties te bepalen; tabel 5 geeft deze weer. Merk op dat het in deze tabel alleen gaat om de nationale bedrijfsrelaties; de buitenlandse bedrijfsrelaties zijn buiten beschouwing gelaten. Is de gemiddelde afstand zeer laag, dan is er in grotere mate sprake van een regionaal netwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de Randstedelijke regios die relatief veel concentraties van bedrijven in hun nabijheid hebben. In het geval van het perifeer gelegen Groningen zagen we hiervoor al dat het ruimtelijke schaalniveau van de relaties buiten de eigen regio relatief groot is. Beide conclusies komen ook in tabel 5 naar voren. De gemiddelde afstand van de tien belangrijkste bedrijfsrelaties is in Groningen bijna twee keer zo groot als in Amsterdam.

4. De weergegeven patronen betreffen aantallen relaties, ongewogen voor de omvang van bedrijven of de omzet die ermee gemoeid is. De verwachting is dat bij wegingen hiermee het belang van het buitenland toeneemt hiervoor testen we in de paragraaf Reikwijdte van relaties

Splitsen we de totale relaties uit in relaties die binnen de regio worden onderhouden en relaties buiten de regio, dan verwachten we dat, gecorrigeerd voor de interne relaties, de gemiddelde afstand van handelsrelaties buiten de regio relatief groter wordt. Het meest uitgesproken zien we dat in Groningen, waar de gemiddelde afstand naar een bedrijf buiten de regio ruim twee keer zo groot is als voor een bedrijf in Amsterdam. Amsterdamse bedrijven onderhouden hun contacten, ook als ze buiten de eigen regio handelen, meer in hun nabijheid dan bedrijven in de andere regios. De gemiddelde afstand binnen de regio ArnhemNijmegen is relatief groot, omdat de regiobegrenzende straal van 15 kilometer in deze regio rond de twee centrale kernen zijn getrokken (en de afstand tussen hen ook ongeveer 15 kilometer bedraagt).5 Hiernaast hebben we het aandeel van de bedrijfsrelaties uitgesplitst naar: binnen de centrale steden, de rest van de regio, overig Nederland en het buitenland. Op deze manier is voor de zes regios het belang van de verschillende reikwijdtes te vergelijken. Tabel 6 laat zien dat gemiddeld dertien procent van de bedrijfsrelaties tussen bedrijven plaatsvindt in de centrale stad. Dit verschilt echter aanzienlijk per regio (in alle regios, met uitzondering van de regio Stedendriehoek, wijken de centrale steden significant af van dit gemiddelde). In de regios ArnhemNijmegen en Eindhoven hebben bedrijven een relatief klein aandeel relaties dat binnen de eigen centrale stad blijft.6 Dit in tegenstelling tot het bedrijfsnetwerk in de regio Groningen: daar blijft 27 procent van alle relaties binnen de stad Groningen. Deze sterke interne verwevenheid geeft nog eens aan hoe sterk gesoleerd de stad Groningen ligt. Opvallend is ook dat de regios Stedendriehoek en het knooppunt ArnhemNijmegen als grensregios een significant sterke orintatie op onze oosterburen hebben, terwijl Eindhoven een dergelijke orintatie op Belgi niet waar maakt. Wat dat betreft, is het accent dat in de nota Pieken in Delta van het ministerie van EZ op de brainportregio (Eindhoven, Leuven, Aken) wordt gelegd, niet gestoeld op een dwarsdoorsnede van de bedrijfsrelaties in de Eindhovense regio. Verder blijkt uit tabel 6 nog dat de orintatie van Amsterdam op overig Nederland significant achterblijft.7 Na weging van de aantallen bedrijfsrelaties met de omvang van bedrijven (in werkzame personen) en het onderlinge belang dat bedrijven zelf aan de verschillende relaties geven in termen van omzet, resulteert tabel 7. Zoals verwacht, neemt het belang van het buitenland (vooral Duitsland en de categorie buiten EU) als relevant schaalniveau toe wanneer we de bedrijfsrelaties wegen. Dit gaat vooral ten koste van het relatieve belang van de categorie overig regio. De regio Amsterdam laat bij weging een aanzienlijke toename zien van het aandeel relaties in de categorie overig EU en de regios Eindhoven en knooppunt ArnhemNijmegen in de categorie buiten EU. In gewogen vorm neemt het aandeel van de centrale stad in het totaal van de relaties licht toe. De afname van het aandeel in de categorie overig regio betekent dat de relaties die deze regio als bestemming hebben relatief klein

5. Ook de Stedendriehoek kenmerkt zich in principe hierdoor, maar deze regio scoort in tabel 5weliswaar hoog doch niet extreem op de afstanden binnen de regio. 6. Dit ondanks de visuele interpretatie dat Eindhoven in absolute termen een centrale intra- en intergemeentelijke rol binnen de regio vervult (figuur 28). 7. We analyseren in een apart, later te verschijnen, onderzoek specifiek de relaties binnen de Randstad.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

102 103

Tabel 5. Gemiddelde afstand per bedrijfsrelatie in kilometers (aantal ongewogen relaties) Regio Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde N (aantal relaties) Totaal 25,1 29,7 49,1 36,5 42,5 38,4 34,3 6.913 Binnen de regio 5,4 4,0 3,0 4,6 4,0 7,8 4,9 2.549 Buiten de regio 37,2 59,9 125 73,7 75,5 66,9 65,6

Tabel 7. Bestemming bedrijfsrelaties per regio (gewogen aantal) % CS Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde 21 9 29 10 8 14 15 % OV Regio 18 24 13 18 9 18 18 % OV NL 35 50 46 46 63 37 44 % DLD 7 6 3 6 9 6 6 % BEL 1 2 3 5 4 5 3 % OV EU 13 4 2 4 6 8 7 % BU EU 5 5 4 11 1 11 7

4.364 Afkortingen: CS= centrale stad, OV Regio = overig regio, OV NL= overig Nederland, DLD = Duitsland, BEL=Belgi, OV EU= overig Europese Unie,BU EU= Buiten Europese Unie.

Tabel 6. Bestemming bedrijfsrelaties per regio (aantal ongewogen relaties) % CS Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde 19 10 27 8 15 7 13 % OV Regio 23 28 18 27 13 24 24 % OV NL 41 48 46 45 53 49 46 % DLD 3 3 2 5 8 6 4 % BEL 2 3 2 4 3 4 3 % OV EU 7 5 3 5 6 6 6 % BU EU 5 3 2 6 2 4 4

Centrale steden: resp. Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Eindhoven, ApDevZut, en ArnhemNijmegen Aantal Cases: 6913, waarvan Amsterdam (1651), Rotterdam (1526), Groningen (612), Eindhoven (1292), Stedendriehoek (652) en knooppunt ArnhemNijmegen (1180) Chi-kwadraattoets: uitgevoerd per cel op basis van absolute aantallen; waarden in rood zijn statistisch significant verschillend van het gemiddelde (p<0,01)

Afkortingen: CS= centrale stad, OV Regio = overig regio, OV NL= overig Nederland, DLD = Duitsland, BEL=Belgi, OV EU= overig Europese Unie,BU EU= Buiten Europese Unie. Centrale steden: resp. Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Eindhoven, ApDevZut, en ArnhemNijmegen Aantal Cases: 6913, waarvan Amsterdam (1651), Rotterdam (1526), Groningen (612), Eindhoven (1292), Stedendriehoek (652) en knooppunt ArnhemNijmegen (1180) Chi-kwadraattoets: uitgevoerd per cel op basis van absolute aantallen relaties; waarden in rood zijn statistisch significant verschillend van het gemiddelde (p<0,01)

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

104 105

zijn als ze worden gewogen naar omvang en omzetafhankelijkheid van bedrijfsvestigingen. De openheid en geslotenheid van regios Zoals in de vorige paragraaf reeds duidelijk werd, verschillen de zes regios in de reikwijdte van de bedrijfsrelaties. Deze verschillen worden in veel gevallen waarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid (en bekendheid) van toeleveranciers en afnemers in de directe nabijheid. Op het moment dat er weinig geschikte toeleveranciers en afnemers in de directe omgeving aanwezig zijn (bijvoorbeeld doordat producten relatief specifiek zijn), neemt de gemiddelde afstand van een bedrijfsrelatie toe. Op het moment dat er weinig relaties zijn binnen het regionale netwerk, verwachten we dat het om een open netwerk gaat. Dergelijke meer open bedrijfsnetwerken zijn voor hun functioneren afhankelijk van andere gebieden. Een omvangrijk en divers aanbod van mogelijke relaties in de nabijheid kan daarentegen een regionaal meer gesloten netwerk van bedrijfsrelaties tot gevolg hebben. In een dergelijke regio zal naar verwachting de relatie van het bedrijfsnetwerk met de rest van Nederland minder sterk aanwezig zijn, doordat het regionale netwerk goed in staat is in de eigen behoefte te voorzien. De inbedding van een netwerk in de regio kan derhalve ook worden uitgedrukt door middel van een index voor de mate van openheid dan wel geslotenheid. Bij deze index wordt het aantal relaties van het bedrijfsnetwerk binnen de regio gedeeld door het aantal relaties buiten de regio. Op het moment dat de uitkomst een waarde 1 heeft, betekent dit dat het aantal relaties binnen de regio gelijk is aan het aantal relaties buiten de regio. Een waarde boven de 1 geeft een relatieve geslotenheid weer: het aantal relaties binnen de regio is groter dan erbuiten. Een waarde onder de 1 geeft openheid weer: het aantal relaties buiten de regio is dan groter dan daarbinnen. De index maakt het mogelijk de regios te vergelijken. De mate van openheid/geslotenheid analyseren we in deze paragraaf voor verschillende soorten bedrijfsnetwerken. Ten eerste kijken we naar de afzonderlijke deelregios. Ten tweede is de index berekend voor industrile bedrijven, zakelijke dienstverleners en groothandelaren. Specifiek analyseren we de netwerken van kennisintensieve bedrijven in vergelijking met kennisextensieve bedrijven. Tot slot staat het verschil tussen kleine en (middel)grote bedrijven centraal. Hierbij maken we een onderscheid in bedrijven met minder dan 15 werkzame personen, die we als klein(er) bestempelen, en bedrijven met meer dan 15 werkzame personen, die we als groter bestempelen.8 De index voor openheid/geslotenheid is berekend aan de hand van de vijf belangrijkste inkooprelaties en de vijf belangrijkste verkooprelaties van een bedrijf. Uit tabel 8 blijkt dat het netwerk van de inkooprelaties in het algemeen minder gesloten is dan het netwerk van verkopen (in elke regio zijn de indexwaarden lager). De verschillen in de mate van openheid en geslotenheid

8. Omwille van de statistische representativiteit ligt het onderscheid bij 15 werkzame personen. Dit wijkt af van gangbare indelingen als kleinbedrijf (minder dan 10 werkzame personen), middelgroot bedrijf (tot 100 werkzame personen) en grootbedrijf (meer dan 100 werkzame personen). Het gaat in onze vraagstelling echter om verschillen in omvang in relatie tot netwerken: hoe groter een bedrijf, hoe ruimtelijk grootschaliger de netwerken potentieel zijn. De gemiddelde bedrijfsgrootte van de groep bedrijven onder de 15 werkzame personen is ongeveer 7 en daarboven betreft het 103. De groep bedrijven met meer dan 15 werkzame personen is scheef verdeeld conform de populatie, waarvoor dat ook geldt.

rondom de totaalwaarde van een regio zijn echter relatief gering. We zien weliswaar dat de regios Eindhoven, Stedendriehoek en knooppunt Arnhem Nijmegen een meer open netwerk van bedrijfsrelaties kennen in vergelijking met de regios Amsterdam, Rotterdam en Groningen, maar dat geldt voor de inkoop- en verkooprelaties in gelijke mate. In het Groningse geval hangt dit waarschijnlijk samen met een gebrek aan mogelijkheden voor relaties buiten de eigen regio (en stad), terwijl de Randstedelijke regios juist een overvloed aan mogelijkheden kennen. Omdat de indices voor openheid en geslotenheid over de inkoop- en verkooprelaties zo weinig structureel verschillen, zullen we daar in het verdere onderzoek geen rekening mee houden. Een onderscheid naar sector is van belang als het gaat om inkoop- en verkooprelaties. Zo bleek in het vorige hoofdstuk dat de zakelijke dienstverlening het meest regionaal is ingebed terwijl de groothandel de meeste inkoop- en verkooprelaties met het buitenland heeft. Tabel 9 toont de mate van openheid en geslotenheid naar sectoren. We zien dat het netwerk van de zakelijke dienstverlening inderdaad het meest gesloten is, en het netwerk van de groothandel relatief open. Vooral in de regio Amsterdam is het netwerk voor de bedrijfsvestigingen uit de zakelijke dienstverlening zeer gesloten. In het hoofdstuk Structuuranalyse van de onderzoeksgebieden zagen we al dat Amsterdam en de Noordvleugel van de Randstad de sterkste specialisaties in de zakelijke diensten hebben. Blijkbaar profiteert Nederland als geheel van het complex aan zakelijke dienstverleners in en rond Amsterdam: uit kaartbeelden voor de nationale netwerken van de regios (figuren 23, 25, 27, 29 en 33) bleek dat zelfs de meest verafgelegen regios mede georinteerd zijn op Amsterdam. Amsterdam lijkt hiermee een bijzondere positie in te nemen, met zowel een grote lokale markt als ook interregionale verbanden van relaties. Ook de regio Groningen laat een zeer gesloten netwerk zien voor vooral de zakelijke dienstverlening, waarschijnlijk vanwege de weinige klantrelaties in de omgeving. Het gevaar hiervan kan zijn dat dit netwerk gesoleerd raakt, niet open staat voor vernieuwing en innovaties (belangrijke concepten in de netwerkeconomie) en achterop raakt in het economische systeem. In de literatuur wordt dit verschijnsel vaak lock-in genoemd (Boschma e.a. 2002). Uit het vorige hoofdstuk bleek tevens dat kennisintensieve bedrijven, in tegenstelling tot de hypothese dat zij kennis over grotere afstanden kunnen betrekken, hun in- en verkopen voor het grootste deel binnen de regio betrekken. We constateerden dat bedrijfsnetwerken van bedrijven in kennisintensieve sectoren veel meer gesloten zijn dan die van bedrijven in relatief kennisextensieve sectoren. Dit heeft te maken met het nadrukkelijkere belang van face-to-face contacten bij de overdracht van met name persoonsgebonden kennis: kennis waarvoor, door de complexiteit van de specificaties of doordat producten en diensten gemeenschappelijk worden ontwikkeld, veel direct contact nodig is. Juist voor kennisintensieve bedrijven is nabijheid tot deze relaties dan van belang. Dat de kennisintensieve bedrijven ruimtelijk

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

106 107

Tabel 8. Mate van openheid en geslotenheid naar regio (aantal ongewogen relaties) Inkooprelaties Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde N (relaties) 0,68 0,53 0,82 0,54 0,35 0,42 0,56 3.642 Verkooprelaties 0,75 0,69 0,80 0,58 0,42 0,47 0,63 3.271 Totaal 0,71 0,60 0,81 0,55 0,38 0,44 0,59 6.913

Tabel 11. Mate van openheid en geslotenheid naar regio en grootteklasse (ongewogen aantal relaties) Klein (<15 werknemers) Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde N (relaties) 0,81 0,66 0,92 0,67 0,42 0,52 0,68 4.579 Middelgroot en groot (>15 werknemers) 0,56 0,5 0,53 0,39 0,32 0,31 0,45 2.334

Tabel 9. Mate van openheid en geslotenheid naar regio en sector (aantal ongewogen relaties) Industrie Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde N (relaties) 0,56 0,51 0,61 0,56 0,39 0,33 0,50 1.987 Dienstverlening 1,15 0,75 1 0,85 0,55 0,68 0,85 3.232 Groothandel 0,35 0,33 0,27 0,20 0,15 0,20 0,26 1.683

Tabel 10. Mate van openheid en geslotenheid naar regio en kennisintensiteit (ongewogen aantal relaties) Kennisextensief Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde N (relaties) 0,42 0,38 0,36 0,34 0,16 0,23 0,32 2.334 Kennisintensief 0,86 0,7 0,95 0,68 0,52 0,56 0,71 4.575

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

108 109

meer gesloten netwerkrelaties hebben, blijkt ook uit tabel 10. Vooral in de regios Amsterdam en Groningen is het netwerk van de aanwezige kennisintensieve bedrijen in vergelijking tot de andere regios gesloten. Tot slot hebben we het onderscheid tussen grotere en kleinere bedrijven getoetst in relatie tot de reikwijdte van bedrijfsrelaties. Tabel 11 toont de mate van openheid en geslotenheid van het netwerk van de kleine, middelgrote en grote bedrijven voor de zes verschillende regios. In de literatuur overheerst de verwachting dat kleinere bedrijven juist relaties aangaan in hun nabije omgeving om hun risicos en hun beperktere financile mogelijkheden te spreiden. Uit onze gegevens blijkt dit inderdaad opgeld te doen, vooral in de Groningse regio. Centralisatie, monocentrisme, en kriskrasrelaties Naast reikwijdte en mate van openheid en geslotenheid van regios vormt de netwerkstructuur van regios een derde ijkpunt in de ruimtelijke analyse van stedelijke netwerken. Het is te verwachten dat regios in de Randstad in grotere mate voldoen aan het netwerkmodel dan regios in de intermediaire zone en in de periferie (vergelijk Van der Laan 1998). De structuur van het netwerk wordt bepaald door het aantal kriskrasrelaties en, daarmee samenhangend, ook door de mate van centraliteit van de verschillende gemeenten in het netwerk. We richten ons hierbij in eerste instantie primair op de mate van centralisatie of groepscentraliteit in de zes regionale netwerkstructuren. Ten eerste vragen we ons af of in de onderzoeksregios bedrijfsnetwerken zich concentreren rond n specifieke stad of dat er meerdere dominante kernen in het netwerk zijn (in de literatuur respectievelijk monocentrisme en multinodaliteit genoemd). Ten tweede vragen we ons af in hoeverre er binnen de regio kriskrasrelaties (dwarsverbanden tussen relatief perifere gebieden) bestaan. De regionale visualisaties (met name de figuren 22, 24, 28 en 32) suggereren dit laatste toch ook. Binnen de netwerkanalyse bestaan er verschillende methoden om de centraliteit van actoren en de mate van centralisatie te bepalen (voor een overzicht zie Scott 2000; Borgatti & Everett 2005; Hanneman & Riddle 2005). Zo kan centraliteit zijn gebaseerd op het aantal relaties dat een actor heeft met andere actoren binnen het netwerk waarin hij of zij actief is (degree), op de kortste functionele afstand tot alle andere actoren (closeness), of op de mate waarin een actor andere actoren met elkaar verbindt (betweenness). Dit betekent echter niet dat elke waarde vanuit methodologisch en conceptueel oogpunt in elk onderzoek even bruikbaar is (Freeman 1979). Waar sommige indices voor centralisatie louter geschikt zijn voor binaire en/of symmetrische data (zoals de graad en nabijheid), bekijken andere maatstaven (groeps)centraliteit vanuit een te specifiek of beperkend oogpunt. Het gebruik van asymmetrische, gewogen data en het feit dat we stroomrelaties tussen steden en nodaliteit in stedelijke netwerken onderzoe-

ken, heeft ons er toe bewogen voor n analysemethode te kiezen, namelijk het protype kern-periferiemodel (Borgatti & Everett 1999). Deze maat lichten we toe aan de hand van figuur 33. Bij het prototype kern-periferiemodel gaat het alleen om de relaties tussen gemeenten. Onder de veronderstelling dat de centraliteit van een gemeente in een regionaal netwerk puur afhankelijk is van de relaties die de gemeente heeft met andere steden, worden relaties binnen de gemeente buiten beschouwing gelaten.9 Om de mate van centralisatie en monocentrisme te bepalen, wordt dan gekeken in hoeverre de regionale netwerkstructuur overeenkomt met die van een ideale kern-periferiestructuur met n of meerdere steden als centrale actor(en). Deze stervormige structuur (figuur 33a) wordt ten eerste gekenmerkt door de aanwezigheid van relaties tussen de kern en de perifere gemeenten en ten tweede door de afwezigheid van dwarsverbanden tussen perifere gemeenten. Vormen meerdere gemeenten de kern van een regio (figuur 33b), zoals we verwachten in het geval van het knooppunt ArnhemNijmegen en de Stedendriehoek, dan wordt een kern-periferiestructuur ook gekenmerkt door de aanwezigheid van relaties tussen deze centraal gelegen steden. Het correlatiecriterium10 (met een waarde tussen 0 en 1) geeft hierbij aan in hoeverre het stedelijke netwerk voldoet aan de bovenstaande beschrijving: hoe hoger deze waarde, des te groter de overeenkomsten tussen het prototype en het onderzochte model. De correlatie met het ideale kern-periferiemodel kijkt dus naar (verschillen in) het aantal relaties en de kortste functionele afstand tot alle andere actoren. Tevens komt uit deze kern-periferieanalyse een aanbevolen kerngrootte naar voren, hetgeen een indruk geeft van het aantal centrale gemeenten (en dus de mate van monocentrisme) in het netwerk. Tabel 12 geeft een overzicht van de centralisatiewaarden voor de zes regios. Uit deze tabel blijkt dat de regios Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Eindhoven relatief gecentraliseerde en monocentrische gebieden zijn, terwijl de Stedendriehoek en het knooppunt ArnhemNijmegen in mindere mate aan deze beschrijving voldoen. Opvallend is verder dat het knooppunt ArnhemNijmegen uit de kern-periferieanalyse naar voren komt als een monocentrisch netwerk met Nijmegen als centrale actor. Toch is de regio minder gecentraliseerd dan de regios rond Groningen en Eindhoven. De ambivalente rol die Arnhem in het netwerk speelt, ligt hier mogelijk aan ten grondslag. Enerzijds staat de stad in termen van nabijheid en aantal relaties niet centraal genoeg om tot de kern van de regio te worden gerekend, anderzijds trekt zij toch zoveel relaties aan dat het netwerk in mindere mate rondom de centrale stad (Nijmegen) is gecentraliseerd dan in de andere monocentrische regios het geval is. De Stedendriehoek voldoet daarentegen aan alle verwachtingen, namelijk dat deze regio met drie gedentificeerde kernen (Apeldoorn, Deventer en Zutphen) het minst gecentraliseerde netwerk is.

9. Voor de analyse van de indices voor centralisatie hebben we gebruik gemaakt van de softwarepakketten UCINET en NetMiner. 10. Bij berekening is gebruik gemaakt van het continue kernperiferiemodel en het correlatiealgoritme (Borgatti e.a., 2002)

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

110 111

Nu uit de kern-periferieanalyse blijkt dat regios relatief monocentristisch zijn (een beeld dat in absolute termen ook ontstond uit de regionale kaartbeelden 22, 24, 26, 28, 30 en 32), is het interessant om te kijken of zich desondanks kriskrasrelaties in de regios voordoen. Gebeurt er nog wat buiten de centrale stad om? Onder kriskrasrelaties verstaan we het aantal relaties tussen perifere gemeenten in de regio gedeeld door het aantal relaties dat bestaat tussen de perifere gemeenten en de (reeds gedentificeerde) centrale stad.11 Een waarde boven de 1 duidt op de aanwezigheid van relatief veel kriskrasrelaties: het aantal relaties tussen de perifere gemeenten onderling is groter dan het aantal relaties tussen de perifere gemeenten en de centrale stad. Een waarde onder de 1 duidt juist op een relatieve afwezigheid van kriskrasrelaties in de regio: het aantal relaties tussen de perifere gemeenten en de centrale stad is groter dan tussen de perifere gemeenten onderling. Tabel 13 toont voor de zes regios de aanwezigheid van kriskrasrelaties in het netwerk. Over het algemeen blijken de monocentrische netwerken naar verwachting te worden gekenmerkt door een afwezigheid van kriskrasrelaties: in de regios Amsterdam en Groningen is in slechts drie op de tien interstedelijke relaties de centrale stad niet betrokken. In de brainportregio Eindhoven ligt deze waarde iets hoger (0,63) met vier op de tien relaties. Alleen in de regio ArnhemNijmegen ligt deze waarde voor de kern-periferieanalyse boven de 1, hetgeen grotendeels verklaard kan worden uit de (aanzienlijke) rol van Arnhem in het netwerk, ondanks het feit dat de stad in de analyse niet als kernstad is gedentificeerd. Een kritiek op deze indicator is dat hij niet werkelijk meet in welke mate de perifere steden met elkaar zijn verbonden. Immers, n omvangrijke relatie tussen twee perifere steden (bijvoorbeeld EdeWageningen en Arnhem) kan al een zeer hoge waarde voor het aantal kriskrasrelaties tot gevolg hebben. Om deze reden is het goed ook te kijken naar de mate waarin de gemeenten in de regionale periferie met elkaar verbonden zijn (de dichtheid) en naar de reikwijdte van interperifere relaties. De dichtheid van een netwerk kan worden gedefinieerd als het aantal relaties gedeeld door het maximale aantal mogelijke relaties. Door alleen te kijken naar de aanwezigheid van een relatie tussen twee perifere gemeenten is de absolute dichtheidsindex voor de periferie berekend; deze corrigeert voor de grootte van het netwerk (Scott 2000). Waar een hoge waarde duidt op een dicht netwerk waarin veel perifere gemeenten een relatie met elkaar hebben, duidt een lage waarde juist op de afwezigheid van veel verschillende kriskrasrelaties. Uit deze berekeningen blijkt dat de absolute dichtheid van het Amsterdamse (1,52) en het Eindhovense (2,59) perifere netwerk zeer groot is; dat betekent dat alle niet-centrale gemeenten in deze regios met elkaar verbonden zijn. De regios rond Rotterdam (0,70) en Groningen (0,74) blijven hierbij duidelijk achter. Opvallend is ook de relatief lage score voor het knooppunt ArnhemNijmegen (0,98). Alhoewel deze regio relatief het

11. Ook bij deze analyse doen de intragemeentelijke relaties dus niet mee.

Figuur 33. Prototypen kern-periferiestructuren 2 2

6 1 7 9

5 a

8 b

Bron: Borgatti & Everett (1999).

Tabel 12. Mate van centralisatie en monocentrisme naar regio (ongewogen aantal relaties) Correlatiecriterium Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Gemiddelde N (aantal relaties) 0,95 0,92 0,90 0,92 0,71 0,79 0,88 2.549 Aanbevolen kerngrootte 1 1 1 1 3 1 Amsterdam Rotterdam b Groningen Eindhoven A/D/Z Nijmegen Centrale stad

Tabel 13. Mate van kriskrasrelaties naar regio (ongewogen aantal relaties) Kriskrasrelaties Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven ArnhemNijmegen Gemiddelde 0,39 0,54 0,40 0,63 1,12 0,59 Absolute dichtheid periferie 1,52 0,70 0,74 2,59 0,98 1,09 Reikwijdte interperifere relaties (km) 17,1 13,4 14,7 14,7 15,1 15,1

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

112 113

grootste aantal kriskrasrelaties heeft, zijn deze in zeer hoge mate geconcentreerd rond slechts enkele interstedelijke perifere relaties. Daarentegen geldt voor de regio Amsterdam het omgekeerde: ondanks het feit dat er relatief weinig relaties zijn tussen perifere gemeenten vergeleken met het aantal relaties tussen de centrale stad en perifere gemeenten, vertonen de interperifere relaties die er wel zijn, een diffuus (dicht) patroon. Synthese Door netwerken tussen gemeenten in kaart te brengen en aan de hand van verschillende indicatoren te analyseren (netwerkanalyse), kunnen we in dit hoofdstuk uitspraken doen over de positie en de structuur van de regionale netwerken en hun functioneren. De netwerkanalyse is tot op heden nog maar weinig gebruikt in ruimtelijkeconomisch onderzoek. Wij gebruiken het in deze studie om de centrale plaatsen uit het netwerk van bedrijfsrelaties te destilleren, en we geven aan hoe open of gesloten dit netwerk is in ruimtelijke zin: handelen bedrijven vooral regionaal of juist op een groter ruimtelijk schaalniveau? In totaal werden 6.913 aangegeven bedrijfsrelaties onderzocht middels de ingangen regio, sector en bedrijfsgrootte. De daadwerkelijke reikwijdte van de bedrijfsrelaties staat dus centraal (revealed preferences). Op dit punt wijkt dit hoofdstuk af van het vorige, waarin analyses over de mate van regionale inbedding van de in- en verkopen van bedrijven was gebaseerd op een algemene inschatting van de bedrijven (stated preferences). Het voordeel van de 6.913 daadwerkelijke (gemeentelijk geaggregeerde) relaties is dat hun exacte locatie bekend is, zodat in ruimtelijke zin een veel gedetailleerder beeld van het netwerk kan ontstaan. Door de gegevens over individuele relaties te aggregeren naar gemeenteniveau kunnen alle verbindingen vanuit en naar een gemeente in kaart worden gebracht. De belangrijkste vraag hierbij is of er ook stedelijke netwerken, gekarakteriseerd door kriskrasrelaties en door het verlaten van het centraleplaatsenmodel, uit de patronen naar voren komen. Allereerst hebben we de bedrijfsnetwerken (in absolute termen, in ongewogen aantallen) van de zes regios gevisualiseerd. Hieruit zijn de eerste verschillen tussen de regios te destilleren. De kaartbeelden (figuren 2132) maken duidelijk dat alle grote steden in de regios een centrale spilfunctie (hub) in het netwerk vervullen. Deze centrale steden herbergen verreweg de meeste regio-interne relaties, en zijn overmatig betrokken bij relaties met (bedrijven in) andere gemeenten. De buitenlandse orintatie daarentegen is over het algemeen gering. De Randstedelijke regios (Amsterdam en Rotterdam) lijken, zoals we kunnen opmaken uit de kaartbeelden, bovendien een overloopgebied van bedrijfsrelaties in de rest van de Randstad te hebben. Deze regios kenmerken zich door de vele mogelijkheden voor bedrijfsrelaties. Het kan goed zijn dat bedrijven door de aanwezigheid van deze aangrenzende regio voor de mees-

te (standaard of meer specifieke) benodigde producten of diensten niet ver van huis hoeven te zoeken. Andere regios hebben een dergelijk overloopgebied in hun omgeving niet. Ook de regio Groningen kenmerkt zich door geslotenheid (veel relaties binnen de stad Groningen); in dit geval komt dat waarschijnlijk juist doordat er weinig kansen aanwezig zijn op relaties buiten de eigen stad of regio. Infrastructuurnetwerken lijken vaak van belang voor de ruimtelijke netwerkvorming van bedrijven. De oost-westorintatie van Apeldoorn, Deventer, Arnhem en Nijmegen langs de snelwegassen suggereert dit. Amsterdam lijkt, naast een regionale, ook een sterk bovenregionale functie te hebben op het gebied van de zakelijke dienstverlening; alle andere regios hebben op dit vlak een aanzienlijke relatie met die stad. Al lijkt het regionale systeem in absolute termen overal te worden overheerst door de centrale steden, toch lijken er ook veel (kriskras)relaties tussen niet-centrumgemeenten in de kaartbeelden naar voren te komen. Om dit vergelijkbaar te maken tussen de regios hebben we de reikwijdten van de relaties in verband gebracht met de relatieve openheid en geslotenheid (centraliteit) van bedrijfsnetwerken en de mate van aanwezige kriskrasrelaties (relaties tussen gemeenten anders dan de centrale stad). De regios Eindhoven, Stedendriehoek en ArnhemNijmegen zijn te karakteriseren als relatief open netwerken. Voor de regios ArnhemNijmegen en Eindhoven is dat bijzonder, omdat er binnen deze regios een voldoende grote en gediversifieerde massa aanwezig lijkt te zijn voor een bepaalde mate van zelfvoorzienendheid. De openheid richt zich overigens meer op de verkoop- dan op de inkooprelaties van bedrijven. De uitsplitsing naar sectoren, kennisintensiteit en grootte van bedrijven levert als inzicht dat zakelijke dienstverleners, kennisintensieve bedrijven en kleine bedrijven de meest gesloten (gelokaliseerde) netwerken onderhouden. Kleine bedrijven zoeken partners dicht bij huis om risicos van transacties over lange afstanden te minimaliseren. Zakelijke dienstverleners zijn over het algemeen dienstbaar aan de regionaal gevestigde productie- en handelsbedrijven. Dat Nederlandse kennisintensieve bedrijven sterk regionaal georinteerd zijn, bevestigt n kant van de global-localparadox (zie het voorgaande hoofdstuk). Al spreekt de literatuur in het geval van over kennisintensieve bedrijven vooral over internationalisering en een grotere reikwijdte van deze bedrijven, omdat informatie steeds gemakkelijker en van verder weg betrokken kan worden, voor kennisintensieve sectoren geldt per saldo evenwel dat krachten van lokalisering blijkbaar opwegen tegen die van internationalisering. Wanneer we alle regionale netwerkstructuren nduidig met elkaar vergelijken, blijken ze vrijwel allemaal relatief monocentrisch te zijn, met als centrale kernen Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Nijmegen, en Groningen. De Stedendriehoek, met drie kernen, wijkt hier zoals verwacht vanaf.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties

114 115

Over het algemeen worden deze monocentrische netwerken naar verwachting gekenmerkt door een afwezigheid van kriskrasrelaties: in de regios Amsterdam en Groningen is in slechts drie op de tien interstedelijke relaties de centrale stad niet betrokken. In andere regios is dit patroon minder extreem maar wel duidelijk herkenbaar. Ondanks de in absolute termen minderwaardige positie van kriskrasrelaties, blijken deze in de Amsterdamse en Eindhovense regios toch over veel gemeenten in een dicht en diffuus patroon gespreid voor te komen. De niet-centrale gemeenten in deze regios zijn dus wel degelijk met elkaar verbonden. De regios rond Rotterdam en Groningen blijven hierbij duidelijk achter. De ambivalente score van het knooppunt ArnhemNijmegen verklaart zich door de positie van Arnhem: geen centrale kern maar wel een kern die veel relaties aantrekt en genereert. In termen van monocentrisme (een eerste toets van het centraleplaatsenmodel versus het netwerkmodel) komt naar voren dat in absolute termen, gemeten naar aantallen relaties het monocentrische patroon in vrijwel alle regios nog steeds de boventoon voert. De regios Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Eindhoven zijn allemaal te karakteriseren als relatief gecentraliseerd; de Stedendriehoek is, niet verwonderlijk, de uitzondering op de regel. We kunnen echter op basis van de in dit hoofdstuk gepresenteerde analyses nog niet met zekerheid zeggen of de netwerkpatronen van bedrijven meer of minder aansluiten bij de centraleplaatsenpatronen of bij de stedelijkenetwerkengedachte van regionale meerkernigheid. De grootte van gemeenten drukt namelijk op beide een belangrijk stempel; grotere gemeenten staan vaak centraler in de functionele hirarchie (hoewel grootte niet per definitie een goede indicator is van complementariteit en afhankelijkheid) en kleuren ook de werkelijkheid van een regionaal en (inter)nationaal netwerk van bedrijfsrelaties. In het volgende hoofdstuk gaan we daarom nader in op de structurerende rol van de omvang en de economische specialisaties van gemeenten en de afstanden tussen gemeenten als attracties of drempels voor het aantal bedrijfsrelaties. Hierbij moet ten slotte nog wel worden bedacht dat onze analyse over regionaal monocentrisme en regionale kriskrasrelaties slechts in beperkte mate recht doet aan de totale relatiestructuur. In het algemeen geldt dat 13 procent van alle relaties binnen gemeenten blijft en additioneel 24 procent van de relaties binnen de onderzochte regios. 63 procent van de relaties heeft dus betrekking op delen van Nederland buiten de eigen regio of op het buitenland. De conclusie dat tweederde van de bedrijfsrelaties niet pers gebonden is aan het regionale schaalniveau en dat andere schaalniveaus minstens zo belangrijk zijn, is een les voor het gebiedsgerichte regionale beleid.

Hirarchie versus netwerk

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hoofdstuktitel

116 117

HIR ARCHIE VER SUS NE T WER K

Inleiding De uitkomsten van het vorige hoofdstuk suggereren dat de onderzochte regios over het algemeen gecentraliseerd en monocentrisch van aard zijn, weinig kriskrasrelaties kennen, dat veel van de relaties zich binnen de centrale steden afspelen en dat tegelijkertijd een aanzienlijk deel van de relaties plaatsvindt met bedrijven buiten de regio. Met andere woorden: terwijl in de literatuur en de beleidsnotas (vergelijk het hoofdstuk Ruimtelijkeconomisch onderzoek en netwerken) sterk op de aanwezigheid van een regionaaleconomisch netwerkmodel wordt geanticipeerd, lijkt op regionaal niveau het centraleplaatsenmodel nog weinig terrein te hebben prijsgegeven. Een kritiek op de analyse in het vorige hoofdstuk is echter dat deze (vooral) kijkt naar het aantal relaties zonder daarbij rekening te houden met de absolute grootteverschillen binnen en tussen de regios. Zo zou het grote aantal relaties dat binnen de centrale stad blijft, wellicht kunnen worden verklaard door de omvang van de stad ten opzichte van haar (directe) omgeving. Met andere woorden: de kans op een relatie met een grote stad is groter dan de kans op een relatie met een kleine stad. En een kleine afstand tot dichterbij gelegen centra van economische activiteiten kan een tekort aan eigen omvang en potentieel verder verzachten. Doordat we deze aspecten in onze analyse tot nu toe niet in acht hebben genomen, zou het beeld dat we in de zes onderzochte regios vonden van monocentrisme en afwezigheid van kriskrasrelaties, een vertekend beeld kunnen zijn. Zo zou in de regio Amsterdam bijvoorbeeld relatief veel economische interactie kunnen plaatsvinden tussen de gemeenten Uithoorn en Weesp, terwijl dit in de analyses in grote mate onopgemerkt blijft door de (in absolute termen) kleine omvang van beide gemeenten en hun geringe afstand tot Amsterdam. Daarom willen we in dit hoofdstuk onze bevindingen met betrekking tot de relaties binnen een regio 1, nuanceren. We doen dat door te kijken naar verschillen tussen de aanwezige en de verwachte stroomfrequentie van bedrijfsrelaties tussen en binnen gemeenten in de regio. Of relaties in aantal groter of kleiner zijn dan verwacht onderzoeken we door in de analyses te controleren voor: het aandeel van een gemeente in de totale stroom van relaties binnen een regio, en de afstanden tussen stedelijke concentraties.
1. We gaan niet verder in op de vele relaties die buiten de regio een bron of doel kennen, maar onderzoeken de ruimtelijke structuur van de relaties (37%) die binnen de regio blijven.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

118 119

Tegelijk met deze controlevariabelen relateren we ruimtelijke bijzonderheden (regimes of contexten) aan de netwerkstructuren van bedrijfsrelaties. Zo onderzoeken we of er binnen de zes regios specifieke omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de regios op het aantal en de richting van de netwerkrelaties afwijken van het gemiddelde. Vervolgens testen we of de gemeentelijke relaties in de mainport- en grensregios meer of minder met elkaar zijn verbonden dan die in andere regios. En we richten ons op de vraag of de gemeenten met zakelijke dienstverlening als specialisatie, meer relaties onderhouden met andere gemeenten dan de gemeenten die een andere specialisatie hebben. Deze vragen (hypothesen) komen direct voort uit de nationale beleidsnotas en uit de literatuur. Tot slot kunnen (of willen) ook beleidsinitiatieven in de regios het aantal en de richting van de relaties benvloeden. Om deze vragen te onderzoeken gebruiken we verschillende analysetechnieken: achtereenvolgens een uit de informatietheorie afkomstige indicator voor de gemeentelijke relaties binnen alle regios gezamenlijk en een regressieanalyse voor de absolute aantallen relaties tussen gemeenten. In deze regressiemodellen voor aantallen relaties wordt naast de omvang van herkomst- en bestemmingsgemeenten en de afstand ertussen, ook de mogelijk bijzondere status van gemeenten geanalyseerd, zoals die van mainport, centrale kern of sectorale specialisatie. Zo kunnen we zien welke ruimtelijke context binnen de regios samenhangt met het netwerk van regiointerne bedrijfsrelaties. Vervolgens analyseren we de beleidsinitiatieven die betrekking hebben op de economische netwerken in de regio. Hiertoe hebben in iedere regio beleidsmakers genterviewd. We ronden het hoofdstuk af met een synthese van de belangrijkste bevindingen. Verwachte versus daadwerkelijke netwerkrelaties In deze paragraaf onderzoeken we of de geaggregeerde bedrijfsrelaties tussen gemeenten binnen de regio samenhangen met de omvang van die gemeenten. Deze relaties kunnen we weergeven in zogenaamde relatiematrices. We onderscheiden daarbij vier typen relaties die voor de conceptualisering van de stedelijke netwerken van belang zijn. We lichten ze toe aan de hand van figuur 34. Voor de regio Amsterdam zijn relaties mogelijk tussen alle 16 gemeenten die in die regio liggen: Almere, Abcoude, Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlem, Haarlemmerliede, Haarlemmermeer, Landsmeer, Ouder-Amstel, Uithoorn, Weesp, Zaandam, Waterland en Wormerland. Een aantal van deze relaties (in ongewogen vorm, in aantallen relaties dus) is opgenomen in de relatiematrix van figuur 34. In de eerste plaats onderscheiden we intrakernrelaties: relaties die binnen de grootste kern blijven, in dit geval de stad Amsterdam. Deze zijn in rood aangegeven in de matrix: het betreft maar n cel in de totale interactiematrix.

Het tweede type relaties, de intraperifere relaties, betreft ook relaties die binnen een gemeente blijven, maar die niet de centrale kern betreffen: de relatie Almere-Almere, Diemen-Diemen, enzovoort. In figuur 34 zijn deze cellen met een oranje kleur aangegeven. Intranodale relaties betreffen alle binnengemeentelijke relaties, en zijn dus de optelling en (gewogen) middeling van de intrakern- en intraperifere relaties: de gehele diagonaal van de matrix, dus de rode en oranje cellen samen. Het derde type relaties, de kern-periferierelaties, houdt n keer verband met de centrale kern (Amsterdam), als herkomst- of als bestemmingsgemeente van de relatie. In figuur 34 zijn de kern-periferierelaties met blauw weergegeven. De relaties tussen gemeenten die niet te maken hebben met de centrale stad (Amsterdam) of de eigen gemeenten, zijn de interperifere relaties; deze vierde categorie is wit in figuur 34. Gezamenlijk vormen de kern-periferieen de interperifere relaties de internodale relaties: dit zijn alle relaties buiten de diagonaal van de interactiematrix. Grotere gemeenten trekken automatisch meer relaties aan. Tussen Amsterdam en Haarlemmermeer (Schiphol) worden, gezien de omvang van deze gemeenten, bijvoorbeeld meer relaties verwacht dan tussen Amsterdam en Waterland. Met behulp van de zogenaamde t-index (Theil 1967; Theil 1972) kunnen we, in navolging van Frenken (2002), corrigeren voor de grootte van de herkomst- dan wel bestemmingsgemeenten. De uit de informatietheorie afkomstige t-index kan worden gezien als een indicator voor de mate waarin een gemeente in de regio is gentegreerd. Voor een uitleg van deze indicator, met daarbij een numeriek voorbeeld, verwijzen we naar bijlage C. Indien de daadwerkelijke frequentie van de relaties tussen twee gemeenten i en j gelijk is aan de verwachte frequentie, dan is de Tij -waarde gelijk aan nul. Indien de gevonden interactie tussen de gemeenten i en j groter is dan verwacht (positieve bias), dan is de waarde van Tij groter dan nul; is de interactie kleiner dan verwacht (negatieve bias), dan is de waarde van Tij kleiner dan nul. De t-index voor de mate van gemeentelijke integratie in de gehele regio is de gewogen som van alle intra- en intergemeentelijke Tij -waarden. Voor de regionale t-index geldt dat een hogere score duidt op een lagere mate van integratie van de deelnemende gemeenten. Kortom: hoe hoger de waarde, hoe minder de regio een geheel vormt, dat wil zeggen: een gesloten netwerk of systeem. In figuur 35 zijn de t-waarden weergegeven voor alle mogelijke relaties in de interactiematrix. We kunnen hier duidelijk zien dat de t-index van de intranodale relaties altijd positief is. Binnen de gemeenten zijn de aanwezige relaties dus altijd groter in aantal dan verwacht. Buiten de diagonaal zijn de kern-periferierelaties in de Amsterdamse regio vrijwel altijd minder in aantal dan verwacht (figuur 35). Alleen de relaties tussen Abcoude en Amsterdam en tussen Haarlemmerliede en Amsterdam kleuren (met relatief kleine afwijkingen) rood op het intranodale kruis (de horizontale en verticale assen in de

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

120 121

Figuur 34. Gemeentelijke netwerkrelaties in (een deel van) de regio Amsterdam (ongewogen, aantallen relaties) a A ANTAL RELATIES gemeente: Almere Abcoude Aalsmeer Amstelveen van Amsterdam Diemen Haarlem Haarlemmerliede Haarlemmermeer TOTA AL intranodaal: internodaal: intrakern intraperifeer kernperiferie interperifeer Almere 22 1 2 2 15 0 0 0 1 43 Abcoude 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 Aalsmeer 0 0 9 0 1 0 0 0 2 12 Amstelveen 1 0 1 10 10 0 1 0 3 26 naar Amsterdam 9 3 0 17 314 7 15 1 15 381 Diemen 1 0 0 4 6 11 0 0 1 23 Haarlem 1 0 0 1 12 0 30 1 3 48 Haarlemmerliede 0 0 0 0 1 0 0 0 0 1 Haarlemmermeer 1 0 0 1 11 0 4 0 22 39 T0TA AL 35 4 12 35 370 18 50 2 47 573

Figuur 35. t-index van gemeentelijke netwerkrelaties in (een deel van) de regio Amsterdam (ongewogen, aantallen relaties) b T-INDEX Gemeente: Almere Abcoude Aalsmeer Amstelveen van Amsterdam Diemen Haarlem Haarlemmerliede Haarlemmermeer -1,2 0,6 0,4 -0,9 Almere 2,1 1,3 0,5 -0,2 -0,6 -2,2 3,2 0,3 1,9 -0,5 -0,2 0,3 -0,5 -0,8 -0,2 -0,7 -0,6 1,1 -0,9 2,8 2,0 1,9 -0,2 2,1 0,2 -0,9 -0,9 0,5 -0,7 -0,7 Abcoude Aalsmeer Amstelveen -0,4 naar Amsterdam -0,9 0,2 Diemen -0,3 Haarlem -1,0 Haarlemmerliede Haarlemmermeer -0,7

T < 0: minder relaties dan verwacht T > 0: meer relaties dan verwacht

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

122 123

interactiematrix met Amsterdam op de kruising). De overige kern-periferierelaties kleuren blauw; hier is het aantal relaties dus minder groot dan op basis van de omvang van de gemeenten zou worden verwacht. De interperifere relaties in figuur 35 laten een mengeling zien van gemeentelijke interactiescores die groter (rood) zijn of lager (blauw) dan verwacht. Als laatste aggregatie geldt ten slotte dat intranodale en internodale relaties (gewogen) samen optellen tot de totale t-index. In tabel 14 is in de eerste kolom de regionale t-index voor de mate van integratie van gemeenten in elk van de zes regios weergegeven. Deze t-index blijkt het grootst te zijn in de regios Rotterdam en ArnhemNijmegen. Binnen deze regios zijn dus minder gemeenten met elkaar gentegreerd dan vooraf zou worden verwacht. De regio die het meest als een gesloten systeem opereert, is Groningen; dit sluit aan bij de bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken. De regios Amsterdam en Eindhoven nemen een middenpositie in: zij wijken minder af van het verwachte patroon dan de regios Rotterdam en ArnhemNijmegen. Vervolgens zijn voor de zes regios de gemiddelde t-waarden uitgerekend voor de vier categorien inter- en intranodale en de totale aantallen relaties.2 Een aantal opvallende kenmerken van de regionale bedrijfsnetwerken komt hieruit naar voren. Intrakern- (binnen de grootste kern) en intranodale (binnen alle kernen) relaties zijn altijd groter dan vooraf verwacht. We zagen dit al in het Amsterdamse voorbeeld van figuur 35, maar dit blijkt dus een universeel fenomeen te zijn (vergelijk ook Frenken 2002). In alle gevallen blijken binnen gemeenten meer relaties tussen bedrijven te bestaan dan op voorhand op basis van de omvang van de gemeente zou worden verwacht. Relaties binnen de eigen gemeenten zijn het veelvuldigst aanwezig in de regios ArnhemNijmegen, Rotterdam en Eindhoven. In de regios Rotterdam en ArnhemNijmegen gaan de hoge binnengemeentelijke scores overigens niet samen met hoge scores in de grootste kern. De aanwezigheid van Arnhem in de Nijmeegse regio en Delft, Zoetermeer en Schiedam in de Rotterdamse regio drukken het aandeel interacties dat binnen de grootste kern (Rotterdam en Nijmegen) blijft. Ook internodale (tussen gemeenten) netwerkrelaties, met uitzondering van die in de regio Amsterdam, zijn gemiddeld genomen veelal groter dan verwacht, zij het in veel mindere mate dan de intranodale (binnen gemeenten) relaties. Deze internodale relaties zijn altijd opgebouwd uit negatieve t-waarden voor kern-periferierelaties (er spelen altijd minder relaties tussen de grootste kern en de overige gemeenten dan verwacht) en positieve waarden voor de relaties tussen perifere gemeenten (deze zijn groter dan verwacht). Ook dit zijn dus universele patronen, die in alle regios voorkomen. Amsterdam en Groningen kennen een sterker negatief kern-periferieeffect dan de andere regios. De t-score voor kern-periferierelaties tussen Amsterdam en haar omringende gemeenten, die gemiddeld genomen

2. In de regio ArnhemNijmegen is Nijmegen als centrale kern beschouwd (zie tabel 12) en voor de regio Stedendriehoek de drie kernen ApeldoornDeventerZutphen gezamenlijk.

Tabel 14. t-waarden in de zes regios en bias in t-waarden (ongewogen, aantal relaties) Regio Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Integratie T 0,48 0,75 0,30 0,57 0,67 0,98 Intranodale bias (afwijking van T) Intranodaal 0,86 1,19 0,40 1,17 1,05 1,66 Intrakern 0,29 0,10 0,17 0,38 -0,34* 0,10 Intraperifeer 2,25 2,16 1,99 2,01 2,02 Internodale bias (afwijking van T) Internodaal -0,23 0,32 0,08 0,07 0,10 0,42 Kern-periferie Interperifeer -0,55 -0,23 -0,53 -0,24 -0,02 0,57 1,36 1,59 0,56 0,81

* Intrakernrelaties zijn gedefinieerd tussen ApeldoornDeventerZutphen.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

124 125

negatief is, heeft een dermate zwaar gewicht dat het de totale internodale score voor de regio drukt. Voortbordurend op figuur 35 kunnen we, op basis van de volledige interactiematrices en matrices met t-waarden, voor alle relaties tussen gemeenten (maar binnen de regios) visualiseren of het aantal relaties tussen gemeenten in werkelijkheid groter of kleiner is dan op basis van de omvang van de herkomst- en de bestemmingsgemeenten zou worden verwacht. In de figuren 3641 zijn voor de zes regios de relaties die groter in aantal zijn dan verwacht weergegeven in rood, terwijl de relaties die kleiner in aantal zijn dan verwacht, in blauw zijn weergegeven. In alle figuren komen de universele elementen uit tabel 14 naar voren: alle intrakern- en intraperifere relaties (weergegeven door de bolletjes in de figuren) hebben een rode kleur, wat betekent dat er binnen gemeenten meer bedrijfsrelaties plaatsvinden dan op basis van de omvang van die gemeente mag worden verwacht. Figuur 36 toont het regionale netwerk van de regio Amsterdam. Hier komt, vergeleken met de andere figuren, het meest helder naar voren dat de twaarde van kern-periferierelaties (dus: de relaties tussen de stad Amsterdam en de omliggende gemeenten) relatief gezien kleiner in aantal zijn dan verwacht. Constateerden we in het vorige hoofdstuk dat er in absolute termen veel relaties bestaan tussen Amsterdam en Haarlemmermeer (Schiphol), Amsterdam en Amstelveen, Amsterdam en Haarlem, Amsterdam en Almere en Amsterdam en Zaanstad, nu blijkt dat, om te kunnen spreken van een evenwichtig regionaal systeem waarbij iedere gemeente het deel relaties krijgt dat past bij zijn interactieomvang, die stromen nog groter hadden moeten zijn. Vooral aan de randen van het regionale netwerk doen zich meer interperifere relaties voor dan verwacht: in de regio Amsterdam zijn dat de bedrijfsrelaties tussen bijvoorbeeld Haarlem en Haarlemmermeer, en tussen Diemen en Amstelveen. Constateerden we in het voorgaande hoofdstuk op basis van de kaartanalyse dat in de Amsterdamse regio de positie van de centrale stad in het netwerk in absolute termen ongenaakbaar lijkt, figuur 36 laat zien dat dit in relatieve termen alleen zo is voor de relaties binnen Amsterdam en veel minder voor de kern-periferierelaties die Amsterdam heeft met andere gemeenten. In het netwerkmodel doen zich dus wel degelijk kriskrasrelaties voor tussen gemeenten buiten de grote kern, en zelfs meer dan verwacht. Figuur 37 laat voor de Rotterdamse regio zien dat de structuur van de relaties in termen van verwachting en realisatie complexer ligt. Relaties tussen Rotterdam en een relatief grote gemeente als Delft zijn er minder vaak dan verwacht, maar relaties tussen Rotterdam en respectievelijk Zoetermeer, Capelle (dat vrijwel geen binnengemeentelijke relaties kent) en Schiedam zijn zowel in absolute als in relatieve termen groot. De interperifere relaties in de Rotterdamse regio kennen een relatief grote bias in afwijking van het

totale systeem (zie tabel 14). Dit lijkt erop te duiden dat kriskrasrelaties niet alleen binnen de gemeente maar ook in deze regio veelvuldig aanwezig zijn. Het beeld dat figuur 38 oplevert voor de Groningse regio, is vergelijkbaar met dat van Amsterdam. De bedrijfsrelaties binnen de stad Groningen zijn veel groter dan verwacht. Het aantal kern-periferierelaties daarentegen is, hoewel niet onaanzienlijk in absolute omvang, minder dan verwacht, terwijl het aantal relaties tussen de perifere gemeenten, hoewel in absolute omvang zeer gering, groter is dan verwacht. Eenzelfde beeld is zichtbaar in de regio Eindhoven (figuur 39), waar van alle kern-periferierelaties alleen die tussen Eindhoven en Veldhoven een rode kleur krijgt: deze zijn dus groter in aantal dan verwacht. De bundel relaties met het naburige Helmond echter is blauw gekleurd: er zijn minder relaties tussen Eindhoven en Helmond dan op basis van hun omvang zou worden verwacht. In het netwerkpatroon van de regio Stedendriehoek (figuur 40) valt de relatief gesoleerde ligging van Apeldoorn op, dat in absolute termen gesproken veruit de grootste kern in de regio is. Het aantal relaties binnen Apeldoorn is disproportioneel groot, maar de relaties naar buiten zijn alle disproportioneel klein. Figuur 41 tot slot laat zien dat er in de regio ArnhemNijmegen in relatieve termen sprake is van twee deelsystemen: n rond Nijmegen en n rond Arnhem. Hoewel in absolute termen aanzienlijk, is de relatie tussen Arnhem en Nijmegen niet geheel volgens verwachting.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

126 127

figuur 5.2 en 6.3 Regio Amsterdam

Figuur 36. De frequentie van relaties tussen gemeenten in de regio Amsterdam, meer (rood) of minder (blauw) dan verwacht

Figuur 37. De frequentie van relaties tussen gemeenten in de regio Rotterdam, meer (rood) of minder (blauw) dan verwacht

Overig Nederland

Overig EU Belgi Buiten EU

Aantal relaties binnen een gemeente


1-2 3-4 5-9 10 - 49 >= 50
Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 3-4 5-9 10-49 > 50 Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500 Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 3-4 5-9 10-49 > 50 Aantal relaties tussen gemeenten Aantal relaties tussen gemeenten

1-2 3 - 10 11 - 20 21 - 500

1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

> 500

128 129

Ten opzichte van verwacht aantal relaties

figuur 5.6 en 6.5 Regio Groningen


Figuur 38. De frequentie van relaties tussen gemeenten in de regio Groningen, meer (rood) of minder (blauw) dan verwacht Figuur 39. De frequentie van relaties tussen gemeenten in de regio Eindhoven, meer (rood) of minder (blauw) dan verwacht

Overig Nederland

Belgi

Buiten EU

Overig EU

Aantal relaties binnen een gemeente


1-2
Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 3-4 5-9 10-49 > 50 Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500 Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 3-4 5-9 10-49 > 50

3-4

Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500

5-9 10 - 49 >= 50 1-2 3 - 10

Aantal relaties tussen gemeenten


eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o Hirarchie versus netwerk 130 131

figuur 5.10 en 6.7 Regio Stedendriehoek


Figuur 40. De frequentie van relaties tussen gemeenten in de regio Stedendriehoek, meer (rood) of minder (blauw) dan verwacht Figuur 41. De frequentie van relaties tussen gemeenten in de regio ArnhemNijmegen, meer (rood) of minder (blauw) dan verwacht

Ove

Belgi

Buiten EU

Overig EU

Aantal relaties binnen een gemeente


1-2 3-4
Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 3-4 5-9 10-49 > 50 Aantal relaties tussen gemeenten 1-2 3-10 11-20 21-500 > 500 Aantal relaties binnen een gemeente 1-2 3-4 5-9 10-49 > 50 Aantal relaties tussen 5 - gemeenten 9 1-2

10 - 49 3-10
11-20 > 500 Aantal relaties tussen gemeenten 21-500

>= 50

1-2
eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o Hirarchie versus netwerk

3 - 10 11 - 20

132 133

Samenvattend De aanvullende informatie uit de analyses in deze paragraaf maakt duidelijk dat we het in het vorige hoofdstuk gesuggereerde beeld moeten nuanceren dat monocentrisme, centrale plaatsen en hirarchie binnen de regios zouden overheersen. Ondanks het feit dat het aantal kriskrasbedrijfsrelaties tussen gemeenten in absolute termen klein is, komen deze, afgaande op de scores van de interperifere Tij -waarden, in alle regios in relatieve zin wel vaker voor dan verwacht. Kern-periferierelaties daarentegen komen over het algemeen minder vaak voor dan verwacht. Dit betekent dat zowel het centraleplaatsenmodel als het netwerkmodel een stempel drukken op de regionale structuur van bedrijfsrelaties. Het onderscheid naar absolute en relatieve aantallen bedrijfsrelaties is hierbij van het grootste belang 3. Afstandsgevoeligheid en ruimtelijke context van netwerkrelaties In de vorige paragraaf maakten we gebruik van de informatietheorie om te bepalen in hoeverre de omvang van herkomst- en bestemmingsgemeenten samenhangt met de netwerkrelaties die tussen die gemeenten plaatsvinden. Met de (fysieke) afstand tussen gemeenten, die een barrire kan vormen voor het aangaan van relaties, houdt deze t-index echter geen rekening. Bovendien wordt in de analyse in de vorige paragraaf ook geen rekening gehouden met ruimtelijke bijzonderheden (regimes of contexten) van de netwerkstructuren van bedrijfsrelaties. In deze paragraaf integreren we de aspecten afstand en ruimtelijke context met de omvang van herkomst- en bestemmingsgemeenten in zwaartekrachtmodellen, waarbij tegelijkertijd de samenhang van die aspecten met de tussen gemeenten geaggregeerde bedrijfsrelaties wordt bezien. Het zwaartekrachtmodel gaat ervan uit dat de kracht (in dit onderzoek: de interactie tussen bedrijven, geaggregeerd in gemeenten) tussen twee objecten afhankelijk is van de massas van de objecten en hun onderlinge afstand. Hoe groter de massa en hoe kleiner de afstand, hoe groter de onderlinge kracht, zo luidt de hypothese. In formulevorm: Mi Mj dj i
b

3. Het onderscheid naar absolute en relatieve stromen is ook bij studies naar pendelstromen en woon-werkdynamiek van het grootste belang. In absolute termen is de centrale stad daarin nog steeds de overheersende magneet als het gaat om het aantrekken van werkrelaties, in relatieve termen echter zijn kriskrasrelaties van belang (Van der Laan 1998). 4. Middels een likelihood ratio test is gekeken of de data een Poissondistributie volgen en derhalve met Poisson-regressie kunnen worden geschat. Dit bleek niet het geval, en daarom is de schattingsmethodiek van een negatief binominale verdeling toegepast.

Iij = K

Het absolute aantal interacties (geaggregeerd naar gemeenten) wordt hierbij afhankelijk gesteld van de absolute omvang van) de herkomst- en bestemmingsgemeenten, de afstand tussen die gemeenten en overige factoren. Binnengemeentelijke relaties zijn opgenomen in de analyse met een afstand van nul. Aan de hand van deze formule kunnen multipele regressieanalyses worden uitgevoerd (Maggioni & Uberti 2005; Dalgin e.a. 2004; Sen & Smith 1995). Alle aantallen relaties tussen gemeenten zijn als te verklaren variabele bijeen genomen, ongeacht de regio waar die relaties spelen. In totaal resulteert dit in 1.063 interacties van verschillende omvang tussen gemeenten. De massagrootheden zijn de per gemeenten getelde aantallen totale relaties in het netwerk. In termen van figuur 34 (rijtotalen en kolomtotalen): de massa van Almere voor uitgaande relaties is 35 en voor ingaande relaties 43. De variabelen die in absolute omvang worden gemeten, zoals het aantal relaties en de massagrootheden, zijn statistisch niet normaal verdeeld. Logaritmische transformatie biedt hierin slechts beperkt uitkomst. Omdat deze variabelen over gemeentegrootte automatisch scheef zijn verdeeld, worden de regressies uitgevoerd middels negative binominal regression schattingsprocedures voor modellen waarbij de te verklaren variabele bestaat uit absolute aantallen relaties in ons geval (Cameron & Trivedi 1998;, Long 1997). 4 Verder is het vooral interessant of meer of minder interactie tussen gemeenten ontstaat door een van de volgende variabelen, die de ruimtelijke context van gemeenten uitdrukken: 1. ligging in n van de zes onderzoeksregios (dummy voor relaties binnen de individuele regios), 2. ligging in de mainportregios (dummy voor relaties binnen de regios Amsterdam en Rotterdam), 3. ligging binnen grensregios (dummy voor relaties in de regios Eindhoven en ArnhemNijmegen), 4. relaties die binnen de centrale stad blijven (dummy voor intrakernrelaties), 5. relaties die binnen de gemeente blijven afgezien van de centrale stad (dummy voor intraperifere relaties), 6. relaties die plaatsvinden tussen gemeenten die gespecialiseerd zijn in zakelijke dienstverlening, industrie of combinaties daarvan (dummys op basis van figuur 6).

waarbij I staat voor interactie of onderlinge kracht tussen de gemeenten i en j, M staat voor massa en d voor de afstand tussen de gemeenten i en j. K is een constante. Deze formule kan worden herleid tot de volgende, toetsbare vergelijking: (log)Iij = K + a1 (log)Mi + a2 (log)Mj a3 (log)dij + a4 (kenmerkeni) + a5 (kenmerkenj) + E

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

134 135

Tabel 15. Zwaartekrachtmodellen van bedrijfsrelaties tussen gemeenten (n=1.063), ongewogen, aantallen relaties MODEL 1 Constante Massa herkomst (log) Massa bestemming (log) Afstand (kilometers) Amsterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Mainport regio Grensregio Intrakern relaties Intraperifere relaties Intra-ZDV gemeenten Intra-industrie gemeenten Intra-hybride gemeenten Randstad*afstand Grensregio*afstand -2 Log likelihood Vrijheidsgraden Pseudo R 2 -1.161,53 3 0,295 -1.117,12 8 0,322 -1.124,2 5 0,318 -1.127,88 5 0,318 -1.157,41 6 0,297 -1.079,06 13 0,345 -1.089,04 10 0,339 -4,35 (,193)** 1,99 (,079)** 1,95 (,084)** -0,09 (,005)** Model 2 -4,85 (,197)** 1,96 (,074)** 2,05 (,079)** -0,09 (,044)** 0,29 (,113)* 0,91 (,152)** 0,32 (,105)** 1,21 (,144)** 0,56 (,103)** -0,96(,110)** -0,63(,192)** 1,04 (,128)** 0,68 (,174)** -0,05(,103) 0,24 (,100)* -0,06 (,098) 0,91 (,115)** -0,14 (,158) 0,07 (,093) 0,17 (,096) 0,00 (0,08) Model 3 -3,80 (,193)** 1,99 (,073)** 2,05 (,080)** -0,09 (,004)** Model 4 -5,03 (,214)** 2,03 (,075)** 1,94 (,080)** -0,05 (,006)** Model 5 -4,52 (,207)** 2,03 (,084)** 1,98 (,087)** -0,09 (,005)** Model 6 -5,81 (,224)** 2,13 (,075)** 2,15 (,078)** -0,06 (,006)** 0,07 (,114) 0,84 (,142)** 0,15 (,112) 1,30 (,141)** 0,56 (,101)** -1,01 (,115)** -0,65 (,105)** 0,96 (,120)** 0,09 (,161) 0,06 (,090) 0,05 (,092) 0,04 (,083) -0,79 (,165)** -0,41 (,157)** 0,93 (,120)** 0,12 (,162) 0,06 (,090) 0,05 (,092) 0,06 (,084) -0,02 (,011)* -0,02 (,011)* -1.086,72 12 0,341 Model 7 -3,59 (,216)** 2,06 (,075)** 2,10 (,080)** -0,05 (,006)** Model 8 -4,75 (,228)** 2,04 (,75)** 2,09 (,80)** -0,04 (,010)**

* p<0,05, ** p<0,01, standaard fout tussen haakjes.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

136 137

Relaties tussen gemeenten, waarvan de ene is gespecialiseerd in zakelijke dienstverlening en de andere in industrie, zijn in tabel 15 gelabeld als hybride. De massas van herkomst- en bestemmingsgemeenten worden, mede op basis van het voorgaande hoofdstuk, verondersteld positief samen te hangen met het absolute aantal relaties tussen die gemeenten. Afstand wordt verondersteld negatief samen te hangen met de interactie-intensiteit: hoe verder twee kernen van elkaar verwijderd zijn, hoe minder kans op interactie. Dat interactie plaatsvindt in n van de zes onderzoeksregios, is duidelijk; of dit gegeven ook leidt tot andere interactievolumes, toetsen we middels de regiodummys in het model. De regiodummys kunnen niet samen worden getoetst met de dummys (regimes) voor mainportregios en voor grensregios. De zes regios bouwen namelijk voor een groot deel deze regimes op. Wel kan het interactie-effect tussen mainport- en grensregios worden onderzocht met de afstandsvariabele. Op basis van de vorige paragraaf verwachten we verder dat intrakernen intraperifere dummys voor relaties sterk positief significant zullen zijn: gemeenten doen als universele regel meer binnen hun eigen grenzen dan zou worden verwacht op basis van hun omvang. In het hoofdstuk Ruimtelijkeconomische ontwikkeling en netwerken bleek dat gemeenten die zijn gespecialiseerd in zakelijke dienstverlening, vaker worden verondersteld interactie middels bedrijfsrelaties met elkaar te hebben dan gemeenten met andere specialisaties. Maar ook nabije gemeenten die zijn gespecialiseerd in industrile bedrijfssectoren, kunnen een vliegwieleffect (agglomeratie) in de interactie bewerkstelligen, zoals in het industrial district (zie Ruimtelijkeconomische ontwikkeling en netwerken). We toetsen in het model daarom ook voor deze specialisatiehypothesen.5 Tabel 15 geeft de specificaties van de zeven verschillende modellen. Model 1 relateert de massas van de herkomst- en bestemmingsgemeenten en de afstand tussen de gemeenten aan het aantal interacties (over gemeenten gesommeerde bedrijfsrelaties).6 De beide massagrootheden blijken sterk positief en de afstand (als verwacht) sterk negatief significant. In model 2 wordt gekeken of deze verbanden stand houden nadat is gecontroleerd voor de regio waarin de interacties tussen gemeenten plaatsvinden.7 Dit blijkt zo te zijn. Alle regionale dummyvariabelen hebben wel een sterk significant verband met het aantal intergemeentelijke relaties (iedere regio kent dus specifieke omstandigheden die leiden tot significant hogere aantallen relaties binnen die regio; alle regios zijn dus relevante systemen). De verklaringsgraad van dit model neemt aanzienlijk toe bij vergelijking van de teststatistiek voor de log likelihood. Of het aantal netwerkrelaties tussen gemeenten in de mainportregios of in de grensregios verschilt van relaties buiten die regios, wordt getoetst in model 3. Het blijkt dat situering in de mainportregios niet leidt tot meer relaties binnen de regio, maar juist tot minder. Ook voor grensregios is het

5. De correlatie tussen de variabelen is nooit groter dan 0,45 (n-1.063). 6. De andere modellen worden tegen model 1 afgezet om te bezien of de modelfit toeneemt. 7. Niet alle zes de regiodummies kunnen worden opgenomen in het model; dat komt door perfecte collineariteit. De regio Rotterdam wordt eruit gelaten omdat de structuur van de relaties in die regio het meeste lijkt op het totale gemiddelde. De scores op de overige regionale dummies zijn dan steeds in afwijking van die van de regio Rotterdam.

verband met aantallen relaties negatief. Relaties zijn in deze regimes dus in sterkere mate gericht op slechts een aantal kernen, wat leidt tot minder netwerkrelaties met andere gemeenten in de regio. Ook kennen deze regios veel relaties met locaties buiten de regio (zie hoofdstuk Netwerkstructuur en schaalniveaus van bedrijfsrelaties); deze worden in deze analyse niet onderzocht. Voortbouwend op model 1, test model 4 of dummyvariabelen voor intrakern- en intraperifere relaties additioneel positief samenhangen met het absolute aantal netwerkrelaties tussen gemeenten. Dit blijkt voor beide variabelen zo te zijn, zoals we op basis van de analyses in de vorige paragaaf ook verwachtten. Model 5 toetst additioneel op model 1 of gemeenten die zijn gespecialiseerd in de sectoren zakelijke dienstverlening, industrie en groothandel, meer relaties met elkaar onderhouden. Voor industrile gemeenten blijkt dit in geringe mate zo te zijn; voor relaties tussen dienstensteden onderling en tussen diensten- en industriesteden is geen verband met relatie-intensiteit aan te tonen. Model 6 en 7 tot slot combineren de uitkomsten van de modellen 1-5. De variabelen massa (herkomst en bestemming), afstand (negatief), regio en intrakernrelaties blijven in alle gevallen significant verbonden met de aantallen bedrijfsrelaties tussen gemeenten, zelfs indien apart wordt gecontroleerd voor intrakernrelaties. Wanneer we in model 6 zowel de regionale dummyvariabelen opnemen als die voor intrakernrelaties, blijkt dat het significante intrakerneffect vooral de significantie van de dummys voor de regios Amsterdam en Eindhoven, de grootste regios in de analyse, vervangt. Voor afstand geldt dat (in model 7) elke kilometer tussen twee gemeenten, het verwachte aantal relaties met 5,1 procent8 doet afnemen, wanneer alle andere variabelen constant worden gehouden. De relatie tussen afstand en het aantal bedrijfsrelaties tussen gemeenten is minder sterk dan de relatie tussen de massagrootheden en het aantal relaties. Binnen mainportregios en grensregios blijkt het interactie-effect met afstand negatief significant (model 8). In deze twee typen regios zitten relaties dichter op elkaar; ze kennen een grotere afstandsgevoeligheid en spreiden zich uit over een minder grote oppervlakte. Bij grensregios kan dit worden veroorzaakt door de barrirewerking van landsgrenzen. Bij de mainportregios lijkt de verklaring meer te liggen in de grotere zelfvoorzienendheid van deze regios voor veel relaties. Economische netwerken en regionaal beleid Tot dusver ging het in dit hoofdstuk over de factoren die invloed zouden kunnen hebben op de netwerken van bedrijfsrelaties, zoals de omvang van economische concentraties en de afstanden daartussen. Ook het beleid kan deze netwerken benvloeden, bijvoorbeeld door bepaalde concepten te introduceren en door de kaders voor investeringsinitiatieven neer te leggen. Zo zagen we in het eerste hoofdstuk dat binnen het recente planologische

8. 100[exp[0,05]-1]

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

138 139

en ruimtelijkeconomische beleid het concept stedelijke netwerken centraal staat; een directe aanleiding voor deze studie. In deze paragraaf stellen we daarom de regio centraal vanuit het beleidsperspectief. Om te kunnen analyseren wat de rol is van het regionale en lokale beleid in de economischenetwerkvorming hebben we gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten en regionale instanties. In elk van de zes regios die in dit onderzoek centraal staan, vroegen we hen naar het beleid dat de regio voert ten aanzien van het begrip stedelijke netwerken, specifiek ten aanzien van bedrijfsrelaties. Hieronder bespreken we de belangrijkste, meer generieke bevindingen. Zowel op regionaal als op lokaal niveau wordt de transitie richting een netwerksamenleving gezien als een belangrijk structurerend element, dat invloed heeft op het functioneren van de regio. Hierbij valt echter op dat concepten van netwerken in de regio n op n ruimtelijk worden ingevuld, terwijl het idee van netwerken in de eerste plaats een functionele kant heeft (het gaat immers over relaties). Twee zaken krijgen veel aandacht. Ten eerste is dat de prioritering van infrastructuur.9 Zo wordt de A1 tussen Apeldoorn en Deventer gezien als de ontwikkelingsas van de regio Stedendriehoek, terwijl de snelwegen rond Groningen een denkbeeldig kruis (t) vormen waarlangs alle toekomstige economische ontwikkelingen worden gedacht. Bereikbaarheid is immers voor veel bedrijven vestigingsplaatsfactor nummer n, en verbetering van de bereikbaarheid leidt tot aanzienlijke groei-effecten (Thissen 2005). Ten tweede zien alle regionale overheden voor zichzelf een taak als het gaat om de afstemming van locaties voor bedrijven, kantoren, woningen, winkels en andere voorzieningen.10 In het regionale en lokale beleid is het concept stedelijk netwerk dus niet primair gestoeld op het idee van een economisch netwerk van bedrijfsrelaties. Dit in tegenstelling tot wat in de nationale beleidsnotas vaak wordt gesuggereerd (zie de tekstbox van de Inleiding). Aan de afstemming van deze ruimtelijke ontwikkelingen lijkt dus nauwelijks een specifieke economische doelstelling ten grondslag te liggen, althans niet in termen van een verbetering van de economische relaties tussen bedrijven onderling of tussen bedrijven en kennisinstellingen. Het concept netwerken komt in de economische doelstellingen slechts impliciet terug, doordat in de regionaaleconomische ontwikkelingsvisies met name het clusterbeleid aandacht krijgt. Dit vanuit het idee dat bedrijven binnen een beperkt ruimtelijk gebied onderling sterk met elkaar zijn verweven (het industrial district; zie het tweede hoofdstuk, Ruimtelijkeconomische ontwikkeling en netwerken). Binnen het clusterbeleid wordt vaak een doelgroep benoemd die als handvat kan dienen voor acquisitiebeleid. Denk bijvoorbeeld aan de aandacht voor de medische sector en de gezondheidszorg binnen een concept als Health Valley: een netwerk dat ondernemers en kennisinstituten faciliteert om samen te innoveren of gezamenlijke kansrijke zakelijke initiatieven te ontwikkelen, dat is gesitueerd in de driehoek van Nijmegen-Wageningen-

9. Het themanummer van Nova Terra van december 2005, dat zich richt op connected cities, werkt het begrip netwerkstructuur volledig en minutieus uit via het netwerk van infrastructuur (Zandbelt 2005). 10. In de kaderwetgebieden is dit feitelijk ook een wettelijke taak. Deze afstemming van functies en het tijdig beschikbaar stellen van de daarvoor benodigde ruimte krijgt gestalte in tal van regiovisies, zoals het Regionaal Plan ArnhemNijmegen 2005-2010 (concept, 2005), Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 (voorontwerp, 2005) of de nota Groeien in de ruimte van de regio Groningen-Assen (2005).

Twente. Ook in de Innovatieagenda 2010 voor de regio Zuidoost-Nederland11 worden de pijlen gericht op drie gespecialiseerde bedrijfstakken, waar men het liefst ook hele clusters tegelijk van ziet: medische technologie/life sciences, food/nutrition en hightech-systemen/-apparaten/-materialen. In het clusterbeleid staat dus met name specialisatie centraal: dezelfde soorten bedrijven zoeken elkaars nabijheid. Naar de functionele samenhang tussen verschillende soorten bedrijven kijkt men in het beleid veel minder, terwijl daar toch een veel moderner begrip van netwerkvorming tussen bedrijven bij past: namelijk de economies of scope en de economies of expertise als aanvulling op de economies of scale. Dat economische netwerken van bedrijven op lokaal en regionaal niveau geen al te sterke belangstelling krijgen, is wellicht terug te voeren op het feit dat de economische relaties tussen bedrijven in de eerste plaats door de bedrijven zelf worden ingevuld. Een lokale overheid of een regionaal samenwerkingsverband van lokale overheden kan trachten de juiste voorwaarden voor bedrijven te scheppen, zoals de goede infrastructuur en een aanbod van geschikte bedrijfslocaties. In de onderzochte regios vinden we dergelijke uitwerkingen bij de ontwikkeling van Technopolis in Delft, het businesspark Schieveen bij Rotterdam, het innovatiecentrum bij Philips in Nijmegen (FiftyTwoDegrees) en de Philips Campus in Eindhoven. Beleid waarin wordt getracht bedrijven beter met elkaar in contact te brengen de rol van de overheid als kennismakelaar staat nog in de kinderschoenen. Voorbeelden van dergelijk beleid zijn er echter wel, zoals Health Valley en Brainport in de regio Eindhoven. Ook de regionale innovatieplatforms spelen hierbij in een aantal gevallen een rol. Een andere belangrijke constatering uit de interviews is dat de beeldvorming rond het bestaan van netwerken van invloed is op het gevoerde beleid. Vanuit het idee van complementariteit en het bestaan van een infrastructureel netwerk tussen steden en grotere plaatsen, worden in uiteenlopende regionale notas tussen bepaalde steden nogal eens lijnen verondersteld, zonder dat daar empirische inzichten aan ten grondslag liggen (zie ook Zonneveld & Verwest 2005). Op grond van die ideen wordt samenwerking en afstemming tussen steden en plaatsen voorgestaan. Deze beeldvorming blijkt veelal gebaseerd op andere redenen dan functionele bedrijfsrelaties; het zijn vooral politieke en bestuurskundige redenen die hieraan ten grondslag liggen. Als er al vanuit een bedrijfseconomisch perspectief wordt geredeneerd, dan sporen de beelden niet altijd met de empirisch waargenomen relaties: veelal worden de relaties sterker verondersteld dan ze in werkelijkheid zijn. Maar wat mist de regio aan ontwikkelingspotentie, als netwerken van bedrijven niet als onderlegger worden gebruikt voor de invulling van stedelijke netwerken? En wat betekent het als een bepaalde relatie in werkelijkheid zwakker uitvalt dan gedacht? Op beide vragen is het lastig een antwoord te

11. Van Kennis naar kunde naar kassa. Innovatieagenda 2010 voor Zuidoost-Nederland (2005), Regiegroep TTR-ZON.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

140 141

geven. Regionale beleidsmakers willen de regionale ontwikkelingspotentie in eerste instantie stimuleren door fysieke en institutionele belemmeringen weg te nemen. Zo vormen het ontbreken van een goede infrastructuur evenals de administratieve grenzen tussen provincies en gemeenten forse barrires, die evenwel door gericht beleid zijn te overkomen. Voor de regios is het verder in de eerste plaats van belang dat ze worden aangewezen als een stedelijk netwerk, opdat zij kunnen profiteren van de (financile) rijksmiddelen die daarmee gepaard gaan. Zelfs als die financile middelen van een beperkte omvang zijn, dan nog is een bepaalde status van belang voor het imago van de stad of de regio, en kan dat gevolgen hebben voor het aantrekken van investeringen. Daarmee is het begrip stedelijke netwerken inderdaad de planologisch modieuze pendant geworden van begrippen als de netwerkeconomie en netwerksamenleving, zonder dat daadwerkelijke netwerken van bedrijven door beleid sterk worden gefaciliteerd of ondersteund. Synthese In dit hoofdstuk hebben we verschillende analysemethoden gebruikt om te onderzoeken welke regionale omstandigheden van invloed zijn op het aantal bedrijfsrelaties tussen de kernen binnen regios. Door in de analyses te controleren voor (a) het aandeel van een gemeente in de totale stroom van relaties binnen een regio, (b) de afstanden tussen stedelijke concentraties en (c) ruimtelijke bijzonderheden (regimes of contexten) van de gemeentelijke netwerkstructuren, kregen we gedetailleerde informatie over het werkelijke aantal relaties tussen gemeenten ten opzichte van het verwachte aantal. De analyses geven aanleiding om het in het vorige hoofdstuk gesuggereerde beeld van monocentrisme, centrale plaatsen en hirarchie te nuanceren. Ondanks het feit dat er in absolute aantallen slechts een klein aantal bedrijfsrelaties tussen gemeenten als zodanig te bestempelen is, doen kriskrasrelaties zich, afgaande op de analyses in dit hoofdstuk, in alle regios in relatieve zin vaker voor dan verwacht. Kern-periferierelaties daarentegen, een belangrijk onderdeel van het centraleplaatsenmodel, zijn over het algemeen minder talrijk dan verwacht. Binnengemeentelijke relaties blijken altijd in grotere mate voor te komen dan op basis van de gemeentegrootte te verwachten valt. Verder blijkt afstand (sterk) negatief verbonden te zijn met de kans op interactie tussen gemeenten. Dit is zelfs het geval na controle van de zes regionale systemen en intrakernrelaties: ook in het zwaartekrachtmodel blijken deze alle sterk significant te zijn. De zes regionale systemen blijken bovendien uniek te zijn. De mainporten grensregios blijken binnen de regio meer compacte relatiepatronen te kennen, met relatief minder relaties op kortere afstanden van elkaar. Stedelijke en regionale specialisaties hangen niet samen met het aantal relaties tussen gemeenten. Gemeentelijke en regionale beleidsinitiatieven hebben tot nu toe geen aanwijsbare impact gehad op de formatie en diffusie van bedrijfsnetwerken in de regios. Het is de vraag of regionale overheden

dat wel kunnen of willen. Immers: hun instrumentarium is vooral ruimtelijk gericht en niet functioneel en het zijn vooral de bedrijven zelf die de relaties aangaan en deze door de tijd laten uitgroeien tot regionale relaties. Uit het vorige hoofdstuk kwam naar voren dat in absolute termen de regio een enorm aantal bedrijfsrelaties herbergt. In relatieve termen blijken deze oververtegenwoordigd te zijn binnen de meer centrale gemeenten en tussen de gemeenten buiten de centrale kernen om. Bezien door de oogharen heen, wordt in relatieve termen de regio met de kern-periferierelaties als spaken in het wiel overgeslagen als schaalniveau: de as (de kern) en de band (de periferie) van het wiel lijken het belangrijkst. Maar zonder sterke spaken functioneert een wiel niet. Het centraleplaatsenmodel en het netwerkmodel drukken zo gezamenlijk een stempel op de regionale structuur van bedrijfsrelaties; het is nog veel te prematuur te denken dat het ene model het andere vervangt of zelfs maar zou kunnen vervangen. Het onderscheid naar absolute en relatieve aantallen bedrijfsrelaties is hierbij van cruciaal belang. Twee suggesties zijn verder nog op hun plaats. De regionale netwerken zijn gemeten op slechts n punt in de tijd. Of bepaalde onderdelen van het netwerk door de tijd aan absoluut of relatief belang winnen of verliezen, is een interessante evolutionaire vraag die de verhouding tussen de twee typen modellen (centrale plaatsen en/of netwerk) meer dynamisch kan duiden. Ten tweede suggereren de beleidsnotas dat vooral in de Randstad het schaalniveau van een regionaal netwerk groter is dan dat van een straal van 15 kilometer om de centrale steden. De analyses in dit hoofdstuk gingen uit van alle relaties die (gemiddeld) binnen de gedefinieerde regios bleven (37 procent van het totaal aantal relaties). Wordt het analyseniveau opgerekt naar dat van de Randstad, dan zal een groot deel van de relaties buiten Amsterdam of Rotterdam (63 procent) ook daadwerkelijk in de ruimte kunnen worden vastgepind, en kunnen we analyseren of de Deltametropool inderdaad een economisch complementair geheel vormt.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hirarchie versus netwerk

142 143

Slotbeschouwing

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Hoofdstuktitel

144 145

SLOTBESCHOU WING

De centrale vraag die we in deze studie willen beantwoorden, is in welke mate bedrijfseconomische netwerken vooral hun weerslag vinden op lokaal, regionaal dan wel (inter)nationaal niveau, en in hoeverre dit binnen en tussen regios aansluit bij het overheersende regionale schaalniveau van het huidige gebiedsgerichte ruimtelijkeconomische beleid. Hieronder vatten we de belangrijkste conclusies ten aanzien van deze vraag samen. Vervolgens zoomen we in op de bestuurlijke effectiviteit van beleid gericht op de regionale netwerkvorming en komen we tot enkele suggesties voor verder onderzoek. De ruimtelijke inbedding van bedrijfsnetwerken in de regio De regionale aanwezigheid van relaties is een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor bedrijven, zoals we op basis van de literatuur in een kennisintensieve economie zouden verwachten. Dat is ook een van de belangrijke bevindingen van ons onderzoek. Bedrijfsrelaties vormen, naast de aanwezigheid van geschoold personeel, de bereikbaarheid van werklocaties en de nabijheid van kennisinstellingen, belangrijke lokale en regionale locatiefactoren. Nabijheid van toeleveranciers en uitbesteders blijkt echter niet alleen van belang te zijn als het gaat om de complexe en specifieke uitwisselingen die nodig zijn voor in samenwerking ontwikkelde productvernieuwing, maar juist ook voor gestandaardiseerde producten en diensten die relatief makkelijk in de eigen omgeving verkrijgbaar zijn. De stedelijke (netwerk)economie is met andere woorden niet alleen een gonzende bijenkorf van hightech en dienstverlenende groeisectoren. Het lijkt er dus op dat regionalisering van bedrijfsrelaties betrekking heeft op alle typen producten. Tweederde van de bedrijfsrelaties buiten de regio Brengen we de netwerken in kaart, dan zien we in het algemeen dat 13 procent van alle relaties binnen de gemeenten blijft en nog eens 24 procent van de relaties binnen de onderzochte regios. 63 procent van de relaties heeft dus betrekking op andere delen van Nederland buiten de eigen regio of het buitenland. De conclusie dat tweederde van de bedrijfsrelaties niet pers gebonden is aan het regionale schaalniveau en dat andere schaalniveaus minstens zo belangrijk zijn, is op zich ook een les voor het gebiedsgerichte regionale beleid. Centrale plaatsen n netwerken Verdere analyse laat zien dat het regionale systeem overal in absolute termen wordt overheerst door de centrale steden. Alle grote steden in de regios blijken een centrale spilfunctie (hub) in het netwerk te vervullen.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Slotbeschouwing

146 147

Deze centrale steden herbergen verreweg de meeste interne relaties, en zijn ook overmatig betrokken bij relaties met (bedrijven in) andere gemeenten. Al doen kriskrasrelaties zich in absolute termen bijna niet voor, toch blijken de niet-centrale gemeenten in de onderzochte regios wel degelijk met elkaar verbonden. Kijken we echter naar het relatieve belang van kriskrasrelaties, dan blijkt dat we het hierboven gesuggereerde beeld van monocentrisme, centrale plaatsen en hirarchie moeten nuanceren. In alle regios doet dit soort relaties zich in relatieve zin wel meer voor dan verwacht. Kern-periferierelaties daarentegen, een belangrijk onderdeel van het centraleplaatsenmodel, zijn over het algemeen geringer in aantal dan verwacht. Binnengemeentelijke relaties blijken altijd in grotere mate voor te komen dan op basis van de gemeentegrootte te verwachten valt. We moeten dus constateren dat het centraleplaatsenmodel en het netwerkmodel gezamenlijk een stempel drukken op de regionale structuur van bedrijfsrelaties. Het is nog te prematuur te denken dat het ene model het andere vervangt of zelfs maar zou kunnen vervangen. Het onderscheid naar absolute en relatieve aantallen bedrijfsrelaties is hierbij echter van cruciaal belang. Een centrale stad zonder omliggend netwerk van kleinere kernen heeft bestaansrecht, terwijl een netwerk van kleinere kernen zonder centrale stad dat niet heeft. Bestuurlijke effectiviteit van beleid gericht op regionale netwerkvorming Het recente nationale, gebiedsgerichte beleid voor regionaaleconomische ontwikkeling baseert zich prominent op veronderstelde netwerkverbanden tussen bedrijven in de regio. Gemeentelijke en regionale beleidsinitiatieven hebben tot nu toe echter geen aanwijsbare impact gehad op de formatie en diffusie van bedrijfsnetwerken in de regios. Het is daarbij de vraag of regionale overheden dat wel kunnen of willen. Immers: hun instrumentarium is vooral ruimtelijk gericht in plaats van functioneel en het zijn vooral de bedrijven zelf die de relaties aangaan en deze door de tijd laten uitgroeien tot regionale relaties. Dat regionale beleidsmakers weinig concreet beleid kunnen maken op een regionaal netwerk van bedrijfsrelaties echter: wel als het gaat om fysieke investeringen en bestemmingsplannen , wekt dan ook geen verwondering. Pas als rekening kan worden gehouden met de sectorale en ruimtelijke differentiatie, die zoals uit deze studie blijkt van belang is, kan het beleid concrete handvaten bieden voor effectief beleid voor bedrijfsnetwerken. Voorals nog lijkt een faciliterend ruimtelijk beleid gericht op infrastructuur, bedrijventerreinenplanning en bestuurlijke afstemming het hoogst haalbare. Ook hierin gaan een centraleplaatsen- en een netwerkstructuur samen. Verder onderzoek Tot slot doen we hier drie suggesties voor verder onderzoek, die uit de voorliggende studie naar voren kwamen:

1. De regionale netwerken zijn gemeten op slechts n punt in de tijd. Of bepaalde onderdelen van het netwerk door de tijd aan absoluut of relatief belang winnen of verliezen, is een interessante evolutionaire vraag die de verhouding tussen de twee typen modellen (centraleplaatsenmodel en/of netwerkmodel) meer dynamisch kan duiden. 2. Relaties spelen primair tussen bedrijfsvestigingen en niet tussen gemeenten. De aggregatie naar gemeenten hebben we in deze studie gemaakt, omdat dit beleidsmatig interessant is. Hoewel we hierbij, middels het onderscheid naar sector en bedrijfsgrootte, in deelpopulaties een belangrijk deel van de bedrijfsmatige heterogeniteit afdekken, laat het onderzoeksmateriaal op bedrijfsniveau geavanceerdere analyses toe. In de toekomst zullen daarom ook multilevel analyses naar de relaties tussen bedrijfsprestaties, de netwerkomgeving en de kenniseconomische omgeving moeten worden gedaan. 3. De beleidsnotas suggereren dat vooral in de Randstad het schaalniveau van een regionaal netwerk groter is dan dat van een straal van 15 kilometer om centrale steden, zoals we in deze studie de eigen regio definieerden. Onze analyses lieten zien dat 37 procent van alle relaties (gemiddeld) binnen de zo gedefinieerde regios blijven. Rekken we het analyseniveau op naar dat van de Randstad, dan zal een groot deel van de relaties buiten Amsterdam of Rotterdam (63 procent van alle relaties) ook daadwerkelijk in de ruimte kunnen worden vastgepind. Zo kunnen we analyseren of de Deltametropool inderdaad een economisch complementair geheel vormt. In een binnenkort te verschijnen studie wordt dit vraagstuk nader uitgewerkt.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Slotbeschouwing

148 149

BIJL AGE A S TEEK PROEF VER ANT WOOR DING

Algemeen In het onderzoek naar bedrijfsnetwerken staan bedrijfsvestigingen en hun inkoop-, verkoop- en kennisrelaties centraal. Om deze netwerken in kaart te brengen zijn stroomgegevens (de herkomst en bestemming van de relaties) nodig op het niveau van de bedrijfsvestigingen, die we vervolgens aggregeren naar gemeenten en stadsgewesten. Op het niveau van gemeentelijk afgebakende stedelijke regios wordt onderzocht wat de mate van centraliteit is van de plaatsen binnen dit gebied en wat de karakteristiek is van op regionaal niveau functionerende netwerken. Op grond hiervan kan worden vastgesteld welke plaatsen in de regio centraler in het netwerk zijn gepositioneerd. Aangezien dergelijke gegevens niet uit standaardstatistieken zijn te verkrijgen, is een schriftelijke, via internet in te vullen, enqute opgezet (zie bijlage B voor de vragenlijst). Het onderzoek is uitgezet bij individuele bedrijfsvestigingen. Om de benodigde omvang van het aantal respondenten, binnen de criteria van representativiteit, te bepalen, zijn drie zaken van belang. Ten eerste zijn zes stedelijke regios (centrale steden met hun omliggende gemeenten) in de analyse opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met de regio-indeling in de vigerende regionale beleidsnotas, en met het uitgangspunt dat hierbij een afstand van 15km is gehanteerd vanuit de hoofdkern. Deze afstand is een empirische indicatie voor het met een zekere regelmaat voorkomen van lokale communicatie. Daarnaast is als uitgangspunt gehanteerd dat de heterogeniteit van deze stedelijke gebieden staat voor de mogelijke verschillen in economische specialisatie, diversiteit en ligging binnen Nederland voor zover dit van invloed kan zijn op de ruimtelijke inbedding en het functioneren in netwerken. Er is gekozen voor gebieden die wat economische en of stedelijke structuur betreft ruimtelijk met elkaar contrasteren. Deze gebieden liggen zowel binnen als buiten de Randstad, tevens is in dit verband rekening gehouden met het ruimtelijke onderscheid tussen gebieden in de intermediaire zone en in de nationale periferie van Nederland. Daarnaast zijn gebieden opgenomen die functioneren rond een centrale stad of die juist polynucleair zijn (zoals knooppunt ArnhemNijmegen of de Stedendriehoek). Ten tweede wordt, aansluitend bij de deelvragen, een onderscheid gemaakt naar verschillende typen economische activiteiten. De verwachting is dat industrile netwerken anders zijn van aard en type, in orintatie en ruimtelijke schaal van functioneren, dan de netwerken van zakelijke dienstverleners. Ook de groothandel zal mogelijk op een ander ruimtelijk schaalniveau functioneren. Het onderzoek houdt rekening met mogelijke verschillen in ruimtelijke configuraties die van deze economische activiteiten

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage a

150 151

uitgaan. Er is bovendien voor gekozen om geen bevolkingsvolgende of verzorgende economische activiteiten, zoals detailhandel of persoonlijke dienstverlening, in het onderzoek te betrekken, maar uit te gaan van zogenaamde stuwende economische activiteiten: die economische activiteiten waarvoor de vestigingsplaatskeuze niet in belangrijke mate afhankelijk is van het regionale bevolkingsdraagvlak. Ten derde wordt rekening gehouden met het onderscheid tussen grote en kleine bedrijven. Ook dit onderscheid komt in de literatuur naar voren als belangrijk voor het functioneren van bedrijven in netwerken. Grote bedrijven nemen vaak een andere positie in een netwerk in dan kleine bedrijven. Ook lijken ze eerder op meer dan n ruimtelijk schaalniveau tegelijk te functioneren dan kleine bedrijven, die afhankelijker zijn van de lokale en regionale toelevering en afzet van producten. De steekproef dient naar grootteklassen representatief te zijn. In het onderzoek nemen we overigens alleen bedrijfsvestigingen van meer dan n werkzame persoon meer. Eenmanszaken zijn uitgesloten van het onderzoek. Populatie en steekproefomvang Gegeven de drie criteria betreft onze populatie alle bedrijfsvestigingen met meer dan n werkzame persoon, in stuwende economische sectoren in zes regios. De steekproef betreft dat deel van de populatie die is benaderd voor het onderzoek. Uitgangspunt is dat de steekproef representatief is naar de economische sectoren, de omvang van de vestiging en de regio waarin de vestiging ligt. De steekproef is daarom gestratificeerd: de onderzoekspopulatie is in een aantal elkaar uitsluitende deelpopulaties verdeeld (strata), waarbij voor elk van deze strata een steekproef wordt getrokken. De omvang van de deelsteekproeven is evenredig met de omvang van de strata. Als steekproefkader is gebruik gemaakt van het LISA-bestand (Landelijk Informatiesysteem Arbeidsplaatsen): een landsdekkend vestigingsbestand waarin adressen en kenmerken zijn opgenomen van bedrijven verdeeld naar economische sector en naar aantal werkzame personen. De steekproef is aselect (zonder teruglegging) getrokken. De omvang van de steekproef wordt bepaald door twee factoren. Ten eerste door de heterogeniteit van de populatie en ten tweede door de vereiste nauwkeurigheid. We zijn voor de steekproeftrekking uitgegaan van de volgende formule, die bij een zekerheid van 95% procent en een van te voren vastgestelde foutenmarge (b) een benadering geeft van de steekproefomvang (gebaseerd op Baarda & De Goede 1993: 103): 4s
2 2

s = variatie van het kenmerk van de populatie N = grootte populatie b = toegestane afwijking De 4 (eigenlijk 3,96) in de formule correspondeert met een zekerheid van 95 procent. De omvang van de steekproef is gestratificeerd voor het aantal vestigingen naar economische sectoren (es), regio (r) en grootteklasse ( g). Waarbij in tabel 1 de kenmerken van deze criteria zijn weergegeven. Aangezien in het onderzoek naar bedrijfsnetwerken voor een belangrijk deel de beschrijving van de netwerken centraal staat, en niet gemiddelden van ratiovariabelen (bijvoorbeeld de omvang van de productiviteitsstijging die bepaalde typen bedrijven hebben gegenereerd), wordt er bij het bepalen van de steekproefomvang uitgegaan van dichotome kenmerken. Dat maakt formule [1] eenvoudiger, aangezien dan geldt dat: 4pq 4pq 2 +b Nes, r, g

1. Om gegevens van 10.463 vestigingen te verkrijgen moet een veelvoud worden aangeschreven. We gingen op basis van eerder onderzoek uit van een respons van 20 procent. Dat wil zeggen dat vijf keer zoveel vestigingen dienen te worden benaderd als het vereiste aantal respondenten. Deze eis geldt echter per stratum. Het komt voor dat voor bepaalde strata de totale (deel)populatie is benaderd, maar dat dit niet strookt met de eis van 20 procent. We hebben er in die gevallen voor gekozen de totale (deel)populatie te benaderen en geen compensatie toe te passen in de strata waar de 20 procent nog niet aan het plafond zat. Geaggregeerd naar totalen is de eis van vijf maal zo veel aanschrijven, dus 2,5 keer geworden (26.076 / 10.463).

[2] nes, r, g =

p = de proportie (percentage gedeeld door 100) actoren dat iets doet q = (1 - p); de proportie actoren dat iets niet doet Op voorhand is de variantie s2 van de betreffende variabelen die we in het onderzoek verzamelen, ongekend. Er wordt daarom uitgegaan van de proporties [2] en voor de maximale variantie: wanneer p en q gelijk zijn aan 0,5 (Baarda & De Goede 1993: 105). Voor de betrouwbaarheidsmarge is 10 procent gekozen. In het onderzoek is uitgegaan van een steekproeftrekking die alle nuances van tabel 16 in zich heeft: 27 sectoren, 6 regios en 6 grootteklassen. Op deze criteria is formule [2] toegepast. Het resultaat is dat de vereiste omvang van het aantal respondenten 10.463 (de n) betreft, en het aantal aan te schrijven vestigingen 26.076: dit is het aantal vestigingen dat in het onderzoek is bena1 derd (er is in eerste instantie uitgegaan van een respons van 20 procent ). De daadwerkelijke nettorespons van het onderzoek blijkt uiteindelijk lager te zijn, namelijk 2.381 (de nettorespons betreft het totaal aantal respondenten die de belangrijkste vragen goed en betrouwbaar hebben ingevuld). Deze nettorespons is dus te laag om naar alle 27 sectoren, alle 6 regios en alle 6 grootteklassen uitspraken te doen. Er is daarom voor gekozen om sectoren en grootteklassen te clusteren. Het criterium hierbij is dat formule [2] een representatieve omvang en verdeling van de respondenten moet geven: gegeven de respons van 2.381. Wanneer wordt uitgegaan van een samen-

[1] nes, r, g =

4s 2 +b Nes, r, g

n = grootte steekproef

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage a

152 153

voeging tot drie hoofdsectoren (industrie, groothandel en zakelijke diensten) en twee grootteklassen (meer en minder dan 15 werkzame personen), dan kan met behulp van formule 2 uitgerekend worden dat voor representativiteit 2.154 respondenten vereist zijn. De nettorespons voldoet dan aan deze eis. In het onderzoek is dan ook uitgegaan van een representativiteit die uitgaat van de drie hoofdsectoren en twee grootteklassen, waarbij geldt dat door de manier van steekproeftrekken de heterogeniteit binnen de sectoren en binnen de grootteklassen zo veel mogelijk is meegenomen. Tabel 17 toont de uiteindelijke verdeling van de respondenten, de omvang van de populatie en de steekproefomvang. De netto respons komt overeen met 9,1 procent. Tabel 17 leert dat in groot aantal strata de steekproefomvang net zo groot is als de populatie. In dat geval hebben we de totale populatie per stratum aangeschreven. Tabel 18 geeft tot slot de populatie, steekproefomvang en respons naar de zes regios en naar de drie hoofdsectoren weer.

Tabel 16. Uitsplitsing naar sectoren, regios en grootteklassen Sectoren (es); naar SBI klassen* Industrie 15 Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken 16 Verwerking van tabak 17 Vervaardiging van textiel 18 Vervaardiging van kleding 19 Vervaardiging van leer en lederwaren 20 Houtindustrie 21 Vervaardiging van papier, karton 23 Aardolie- en steenkoolverwerkende industrie 24 Verv. van chemische producten 25 Verv. van producten van rubber en kunststof 26 Verv. van glas, aardewerk, cement-, kalk- en gipsproducten 27 Verv. van metalen in primaire vorm 28 Verv. van producten van metaal 29 Verv. van machines en apparaten 30 Verv. van kantoormachines en computers 31 Verv. van overige elektr. machines, apparaten 32 Verv. van audio-, video- en telecom.apparaten 33 Verv. van medische app. en instrumenten, enz 34 Verv. van autos, aanhangwagens en opleggers 35 Verv. van transportmiddelen 36 Verv. van meubels Groothandel 51 Groothandel Zakelijke diensten 22 Uitgeverijen, drukkerijen 642 Telecommunicatie 72 Computerservice- en informatietech.bureaus e.d. 73 Speur- en ontwikkelingswerk 74 Overige zakelijke dienstverlening Regio (r)** 1. Amsterdam 2. Rotterdam 3. Eindhoven 4. ArnhemNijmegen 5. Stedendriehoek (ApeldoornDeventerZutphen) 6. Groningen 6. Meer dan 200 wp Grootteklasse (g), naar werkzame personen (wp) 1. 1 t/m 4 wp 2. 5 t/m 9 wp 3. 10 t/m 14 wp 4. 15 t/m 19 wp 5. 20 t/m 199 wp

* Zie CBS Standaard Bedrijfsindeling (SBI93), ** Zie voor de afbakening van de regio figuur 1. Hierin is weergegeven welke omliggende gemeenten tot het stadsgewest rond de centrale stad zijn gerekend.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage a

154 155

Tabel 17. Aantal vestigingen naar grootteklasse, regio en sector voor de populatie, steekproef en respons Populatie Regio Amsterdam Hoofdcategorie IND GH ZDV Rotterdam IND GH ZDV Groningen IND GH ZDV Eindhoven IND GH ZDV Stedendriehoek IND GH ZDV ArnhemNijmegen IND GH ZDV Totaal <15 wp 1.603 4.304 10.214 1.205 2.484 4.809 396 537 1.460 1.167 1.435 3.246 429 775 1.662 755 1.166 3.013 >15 wp 504 742 1.678 538 663 1.090 199 94 336 494 226 417 253 151 290 319 200 462 Totaal 2.107 5.046 11.892 1.743 3.147 5.899 595 631 1.796 1.661 1.661 3.663 682 926 1.952 1.074 1.366 3.475 49.316 Steekproef <15 wp 1.603 928 2.482 1.205 907 1.811 396 479 1.000 1.166 718 1.407 429 517 968 755 643 1.456 >15 wp 503 451 1.068 538 454 752 199 94 336 493 226 417 253 151 290 319 200 461 Totaal 2.106 1.379 3.550 1.743 1.361 2.563 595 573 1.336 1.659 944 1.824 682 668 1.258 1.074 843 1.917 26.076 Respons <15 wp 89 75 194 75 68 172 27 30 111 74 65 143 29 42 90 58 53 137 >15 wp 54 43 119 60 49 90 16 10 50 53 34 55 27 18 35 52 25 59 Totaal 143 118 313 135 117 262 43 40 161 127 99 198 56 60 125 110 78 196 2.381 % van totaal respons % 6,80% 8,60% 8,80% 7,70% 8,60% 10,20% 7,20% 7,00% 12,00% 7,70% 10,50% 10,90% 8,20% 9,00% 9,90% 10,20% 9,20% 10,20% 9,10%

Tabel 18. Aantal vestigingen naar per regio voor de populatie, steekproef en respons Populatie Amsterdam Rotterdam Groningen Eindhoven Stedendriehoek ArnhemNijmegen Totaal 19.045 10.789 3.022 6.985 3.560 5.915 49 . 316 Steekproef 7.035 5.668 2.504 4.427 2.608 3.835 26. 076 Respons 574 514 244 424 241 384 2. 381 Respons % 8,20% 9,10% 9,70% 9,60% 9,20% 10,00% 9,10% Totaal 49.316 26.076 2.381 9,10% IND GH ZDV Populatie 7.862 12.777 28.677 Steekproef 7.859 5.768 12.449 Respons 614 512 1.255 % 7,80% 8,90% 10,10%

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage a

156 157

BIJL AGE B VR AGENLIJS T

Deze bijlage bevat een selectie van de enqutevragen die zijn gebruikt in de analyses in de verschillende hoofdstukken. 1. Wat was de omvang van uw vestiging op 31-12-2004 in termen van:
A. Werkzame personen (mensen die meer dan 12 uur per week in loondienst zijn) B. Bruto-omzet (in euro) c. Jaarlijkse inkopen (in euro)

2. Hoe belangrijk vindt u de aanwezigheid van onderstaande vestigingsplaatsfactoren in uw regio (is het gebied rondom uw vestiging met een straal van ongeveer 15 km)?
Zeer onbelangrijk Onderzoeksinstituten/universiteit Geschikt en gekwalificeerd personeel Zakelijke dienstverlening Toeleveranciers Afnemers Onbelangrijk Belangrijk Zeer belangrijk n.v.t.

3. Kunt u in onderstaande tabel aangeven in welk gebied u het grootste gedeelte van onderstaande producten of diensten a tot en met g inkoopt?
Uw regio* a. Management, organisatie & verkoop b. Onderzoek en advies c. Facilitaire diensten d. Bedrijfsmiddelen e. Logistieke diensten f. Grondstoffen en halffabrikaten g. Eindproducten Overig Nederland Belgi Duitsland Overige Landen n.v.t.

EU-landen buiten de EU

* 15 kilometer rond uw eigen vestiging

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage b

158 159

4. Kunt u aangeven wat bij de inkoop van onderstaande producten of diensten A tot en met G de meest voorkomende vorm is? Standaardinkopen: Er is weinig contact nodig over de specificaties van het product en/of dienst tussen uw vestiging en de verkopende partij Specifieke inkopen: Er is intensief contact nodig over de specificaties van het product en/of dienst tussen uw vestiging en de verkopende partij Gemeenschappelijke productie/ontwikkeling: Er is zeer intensief contact nodig over de specificaties van het product en/of dienst tussen uw vestiging en de verkopende partij. Belangrijk is dat u bij deze vorm van inkoop ook zelf risico draagt.
Standaard inkopen a. Management, organisatie & verkoop b. Onderzoek en advies c. Facilitaire diensten d. Bedrijfsmiddelen e. Logistieke diensten f. Grondstoffen en halffabrikaten g. Eindproducten Specifieke inkopen Gemeenschappelijke productie/ontwikkeling n.v.t.

Toeleverancier 1 2 3 4 5

Plaats

% van de totale inkoop % % % % %

Strategische diensten (i.)

Ondersteunende diensten (ii.)

Fysieke producten (iii.)

6. Kunt u in onderstaande tabel aangeven in welk gebied u het grootste gedeelte van onderstaande producten of diensten A tot en met G verkoopt?
Uw regio* a. Management, organisatie & verkoop b. Onderzoek en advies c. Facilitaire diensten d. Bedrijfsmiddelen e. Logistieke diensten f. Grondstoffen en halffabrikaten g. Eindproducten n.v.t n.v.t n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Overig Nederland Belgi Duitsland Overige Landen n.v.t.

EU-landen buiten de EU

* 15 kilometer rond uw eigen vestiging

5. Deze vraag gaat over de vijf voor uw vestiging belangrijkste toeleveranciers in termen van bestede inkoopbedragen per jaar. Dit kunnen ook leveranciers van meerdere vestigingen binnen uw of een ander moederbedrijf zijn. Hiervan willen we graag drie dingen weten: a) In welke plaats zijn zij gevestigd? (Indien buiten Nederland: plaats + land invullen) b) Hoe groot is het betreffende aandeel in de totale jaarlijkse inkoop van uw vestiging? c) Wat wordt ingekocht: i. Strategische diensten Diensten met betrekking tot management, organisatie & verkoop (A) of onderzoek en advies (B) ii. Ondersteunende diensten en producten Facilitaire diensten (C), aanschaf van bedrijfsmiddelen (D) of logistieke diensten (E) iii. Fysieke producten voor de bedrijfsvoering Grondstoffen en halffabrikaten (F) of eindproducten (G)

7. Kunt u aangeven wat de verhouding is van uw verkopen, opgesplitst in standaard, specifiek en gemeenschappelijk? De totale verkopen tellen op tot 100%. Standaardverkopen: Er is weinig contact nodig over de specificaties van het product en/of dienst tussen uw vestiging en de verkopende partij Specifieke verkopen: Er is intensief contact nodig over de specificaties van het product en/of dienst tussen uw vestiging en de verkopende partij Gemeenschappelijke productie/ontwikkeling: Er is zeer intensief contact nodig over de specificaties van het product en/of dienst tussen uw vestiging en de verkopende partij. Belangrijk is dat u bij deze vorm van inkoop ook zelf risico draagt.
Standaard Specifiek Gemeenschappelijk % % % 100%

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage b

160 161

8. Deze vraag gaat over de vijf voor uw vestiging belangrijkste afnemers in termen van uw omzet per jaar. Dit kunnen ook meerdere vestigingen zijn binnen uw of een ander moederbedrijf. Hiervan willen we graag drie dingen weten: a) In welke plaats zijn zij gevestigd? (Indien buiten Nederland: plaats + land invullen) b) Hoe groot is het betreffende aandeel in de totale jaarlijkse omzet van uw vestiging? c) Wat wordt verkocht: i. Strategische diensten Diensten met betrekking tot management, organisatie & verkoop (A) of onderzoek en advies (B) ii Ondersteunende diensten en producten Facilitaire diensten (C) of logistieke diensten (E) iii Fysieke producten Grondstoffen en halffabrikaten (F) of eindproducten (G)
Afnemer 1 2 3 4 5 Plaats % van de totale inkoop % % % % % Strategische diensten (i.) Ondersteunende diensten (ii.) Fysieke producten (iii.)

BIJL AGE C EEN M A AT VOOR RUIMTELIJK E INTEGR ATIE (T)

In Frenken (2002: 348-350) wordt een op de informatietheorie gebaseerde maat voor integratie in netwerken gepresenteerd, die is toegepast in het hoofdstuk Hirarchie versus netwerk van dit rapport. In deze bijlage leggen we deze maat uit, waarbij het oorspronkelijke onderzoek van Frenken als voorbeeld dient, waarin interacties tussen 15 landen in de Europese Unie op het gebied van wetenschappelijke samenwerking worden geanalyseerd. Het aantal interacties tussen twee Europese landen i (i =1,,15) en j ( j =1,,15) als aandeel van het totaal aantal mogelijke interacties is aangeduid als qij; dit resulteert in een 15 x 15 matrix van 225 qij waarden. Nationale interacties zijn aangegeven op de diagonaal waarvoor geldt i = j. Het aandeel van elk land in het totaal aantal interacties is gegeven door 1: qi = qij
j=1 15

1. Merk op dat in het geval van samenwerking tussen landen de matrix symmetrisch is (qij = qij). Dit is in het onderzoek naar regionale bedrijfsnetwerken niet het geval. De verder besproken rekenregels blijven wel gelden.

De mate van integratie van land i met land j is nu gemeten als het verschil tussen het geobserveerde aandeel in de interacties qij en het aandeel dat wordt verwacht van het product van de landelijke aandelen qi en qj (dit heet random interactie). Het verschil tussen het geobserveerde aandeel en het verwachte aandeel is gemeten als de natuurlijk logaritme van de deling van qij door de producten van qi en qj: qij Tij = In qi qj * De Tij -waarde is een maat voor bias. De waarde is positief als land i meer dan verwacht samenwerkt met land j, waarbij de verwachting wordt bepaald door het product van de output in beide individuele landen. De Tij -waarde is negatief als de samenwerking tussen de landen minder is dan verwacht op basis van hun beider individuele aandelen (omvang). Het gebruik van een logaritme maakt de maat symmetrisch als het gaat om x maal zoveel meer of x maal zoveel minder samenwerking tussen landen. Bijvoorbeeld, als twee landen twee maal zoveel met elkaar samenwerken als verwacht, neemt Tij de waarde ln2 = 0,693 aan. Als twee landen twee maal minder dan verwacht met elkaar samenwerken, neemt Tij de waarde ln = -0,693 aan. De mate van integratie van het gehele netwerk van 15 landen wordt gemeten door t: de som van alle individuele Tij -waarden, gewogen voor het totale aantal interacties qij. In de informatietheorie staat t bekend als de wederzijdse informatiewaarde, die afhankelijkheid in frequentiematrices meet (Theil 1967, 1972, Leyensdorff 1991):

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Bijlage c

162 163

15 15 qij T = qij In qi qj * i=1 j=1

LITER ATUUR

Het is bewezen dat deze indicator positieve waarden kent, ongeacht welke frequentieverdeling wordt toegepast (Theil 1972). Als alle landen exact evenveel interactie hebben als verwacht van hun individuele aandelen, geldt dat qij = qi x qj. In dit geval zijn alle onderlinge Tij -waarden en de totale t-waarde nul (totale onafhankelijkheid). In het geval van samenwerking duidt een t-waarde van nul op een perfecte integratie van alle 15 landen in de Europese samenwerkingssysteem. Bij een bias in de geneigdheid tot samenwerking tussen landen, wordt de wederzijdse informatie positiever. Hoe hoger de t-waarde, hoe minder de landen in een gentegreerd systeem opereren (grotere afhankelijkheid). In de context van samenwerking tussen landen (maar ook in bedrijfseconomische relaties tussen gemeenten) is het van belang dat zowel intranationale (i = j) als internationale interacties (i # j) worden meegewogen. Hiermee wordt de mate van integratie gecorrigeerd voor verschillen in de omvang van landen (gemeenten) zoals gemeten via het aantal interacties waarin een land (gemeente) deelneemt ten opzichte van het totale aantal interacties. Van een groot land (bijvoorbeeld Duitsland) wordt verwacht dat zij vaker op nationaal niveau samenwerkt dan een klein land (bijvoorbeeld Luxemburg), omdat er in het grote land meer intranationale potentile samenwerkingspartners zijn. Zoals aangegeven, is de integratiemaat de gewogen som van alle intranationale en internationale Tij -waarden, gewogen voor hun aandeel in de totale populatie (van interacties). Voor het voorbeeld van samenwerking tussen 15 EU-landen, zijn er 15 2 = 225 Tij -waarden. Door sommatie over elkaar nietoverlappende deelverzamelingen van de 225 Tij -waarden, en deling door de som van de aandelen in de deelverzameling, kan worden ingegaan op de mate van intergratie in een deel van de totale matrix. Verbijzondering van intra- en internationale subsets is een voor de hand liggende opdeling. Maar ook interacties die met n bepaald land te maken hebben, of een groep van landen die een bepaalde gezamenlijke karakteristiek hebben (taal, rechtssysteem, bereikbaarheid), zijn te verbijzonderen en te interpreteren. In ons onderzoek is de indicator toegepast op toeleverings- en uitleveringsrelaties tussen gemeenten, waarbij opdelingen van intra- en intergemeentelijke relaties hebben plaatsgevonden.

Acs, Z.J. (2002), Innovation and the growth of cities, Cheltenham: Edward Elgar. Asbeek Brusse, W., H van Dalen & B. Wissink (2002), Stad en land in een nieuwe geografie. Maatschappelijke veranderingen en ruimtelijke dynamiek, WRR Voorstudies en achtergronden nr. 112, Den Haag: Sdu Uitgeverij. Amin, A. & N. Thrift (1992), Neo-Marshallian nodes in global networks, International Journal of Urban and Regional Research 16: 175-182. Atzema, O. (1999), Netwerksteden: net van werksteden, pp. 121-139 in: F.M. Dieleman & S. Musterd, eds., Voorbij de compacte stad, Assen: Van Gorcum. Atzema, O. & E. Wever (1999), De Nederlandse Industrie: ontwikkeling, spreiding en uitdaging, Assen: Van Gorcum. Baarda, D.B. & M.P.M. de Goede (1993), Werkboek methoden en technieken: sociale wetenschappen, Houten: Stenfert Kroese. Barabasi, A.L. (2002), Linked. How everything is connected to everything else and what it means for business, science and everyday life, London: Plume Books. Batten, D. (1995), Network cities: creative urban agglomerations for the 21st Century, Urban Studies 32: 313-327. Beije, P., J. Groenewegen & O. Nuys (1993), Networking in Dutch industries, Apeldoorn: Garant. Bennett, R.J. & C. Smith (2002), The influence of location and distance on the supply of business advice, Regional Studies 34: 251-270. Bertram, H & E. Schamp (1991), Flexible production and linkages in the German machine tool industry, pp. 69-80 in: M. de Smidt & E. Wever (red.), Complexes, Formations and Networks, Utrecht: Nederlandse Geografische Studies 132. Boekema, F.W.M. & D.J.F. Kamann (1989), Sociaal-economische netwerken, Groningen: Wolters-Noordhoff. Boelens, L. (2000), red., Nederland netwerkenland. Een inventarisatie van de nieuwe condities van planologie en stedebouw, Rotterdam: NAi-uitgevers. Boelens, L. (2005), Van planologie naar fluviologie? Queste naar een nieuwe benadering van de ruimtelijke ordening, Utrecht: Universiteit Utrecht. Bogatti, S. en M. Everett (2005), Extending Centrality, pp. 57-76 in: P. Carrington, J. Scott & S. Wasserman (red.), Models and Methods in Social Network Analysis, Cambridge: University Press. Borchert, J.G. (2001), De positie van wereldsteden. Over Peter Halls aanpassing van de theorie van Christaller, pp.54-58 in: J. Hauer & B. de Pater (red.), De charmes van het vak. Sociaal-geografische opstellen voor Hans van Ginkel, Utrecht: FRW. Boschma, R., K. Frenken & J.G. Lambooy (2002), Evolutionaire economie. Een inleiding, Muiderberg: Coutinho. Bourne, L.S. & J.W. Simmons (1979), red., Systems of cities. Readings on structure, growth and policy, Oxford: University Press.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Literatuur

164 165

Brand, A. (2002), Het stedelijk veld in opkomst. De transformatie van de stad in Nederland gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw, dissertatie, Amsterdam: UvA. Van der Burg, A. (2001), Vormgeven aan de netwerksamenleving: ontwikkeling stedelijke netwerken, rom-Magazine 19: 18-20. Van der Burg, A.J. & F.M. Dieleman (2004), Dutch urbanisation policies: from compact city to urban network, Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 95(1) 108-116. Van der Burg, A. & F. van Oort (2001), Stedelijke netwerken en de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening, pp.5-18 in: F. Boekema & E. Kuijpers (red.), Stedelijke netwerken; theoretische en empirische reflecties, Maastricht: Shaker. Buursink, J. (1971), Centraliteit en hirarchie: de theorie der centrale plaatsen in enkele Nederlandse industriegebieden, Assen: Van Gorcum. Cabus,P. & W. Vanhaverbeke (2006), The territoriality of the urban network economy and urban networks: evidence from Flanders, Entrepreneurship & Regional Development 18: 25-53. Cairncross, F. (1997), The death of distance; how the communications revolution will change |our lives, Boston: Harvard Business School Press. Camagni, R. & R. Capello (2004), The city network paradigm: theory and empirical evidence, pp.495-529 in: R. Capello & P. Nijkamp (eds .), Urban dynamics and growth, Amsterdam: Elsevier. Cameron, A.C. & P.K. Trivedi (1998), Regression analysis of count data, Cambridge: Cambridge University Press. Van der Cammen, H. & L. de Klerk (2003), Ruimtelijke ordening. Van grachtengordel tot vinex-wijk, Utrecht: Het Spectrum. Campbell, J. (1975), Application of graph theoretic analysis to interindustry relationships, Regional Science and Urban Economics 5: 91-106. Castells, M. (1996), The rise of the network society, Oxford: Blackwell. Castells, M. (2002), Local and global: cities in the network society, Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 93(5): 548-558. Clark, W.A.V. (2000), Monocentric to polycentric; new urban forms and old paradigms, pp.141-154 in: G. Bridge & S. Watson (eds.), A companion to the city, Oxford: Blackwell. Cohendet, P., P. llerena, H. Stahn & G. Umbhauer (1998), eds., The economics of networks. Interaction and behaviours, Berlin: Springer. Cooke, P. and K. Morgan (1998), The associational economy. Firms, regions and innovation, Oxford: University Press. CPB, MNP, RPD en SCP (2001), Stedelijke netwerken, pp.39-56 in: t OETs: ex-ante evaluatie van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, Den Haag: CPB. Cricitti, P, V. Latora & S. Porta (2005), Centrality measures in urban networks, Arxiv.org pre-print physics/0504163. Dalgin, M., D. Mitra & V. Trindade (2004), Inequality, nonhomothetic preferences and trade: a gravity approach, NBER Working Paper Series 10800, Cambridge Mass. Derudder, B. & P. Taylor (2005), The cliquishness of cities, Global Networks 5: 1470-2266. Dicken, P. (1992), Global shift: The internationalization of economic activity, London: Paul Chapman. Van Dinteren, J.H.J., P. Janssens, J.M.M.J. Goris & C.A.M.J. Grijzen (1995), Brabantse steden: geen rij, geen ring, Stedebouw en Volkshuisvesting 7: 4-9.

Drennan, M.P. (2002), The information economy and American cities, Baltimore: The Johns Hopkins University Press. Ebers, M. (1999), Explaining inter-organizational network formation, pp. 3-40 in: M. Ebers (ed.), The formation of inter-organizational networks, Oxford: University Press. Evers, D., A. van Hoorn & F.G. van Oort (2005), Winkelen in Megaland, Rotterdam/ Den Haag: NAi Uitgevers/Ruimtelijk Planbureau. Fagiolo, G. (1998), Spatial interactions in dynamic decentralised economies: a review, pp.53-91 in: P. Cohendet, P. llerena, H. Stahn & G. Umbhauer (eds.), The economics of networks. Interaction and behaviours Berlin: Springer,. Freeman (1997) Centrality in social networks: conceptual clarification, Social Networks 1: 215-239. Frenken, K. (2002), A new indicator of European integration and an application to collaboration in scientific research, Economic Systems Research 14(4) 345-361. Frenken, K. & F. Neffke (2005), Its a small world: over netwerken en geografie, Utrecht: Universiteit Utrecht. Frenken, K., F.G. van Oort & Th. Verburg (2005), Het gelijk van variteit, Economisch Statistische Berichten 90: 247-249. Friedman, J. (1986), The world city hypothesis, Development and Change 17: 69-84. Florida, R. (2002), The rise of the creative clas, New York: Basic Books. Van Geenhuizen, M.S. (1993), A longitudinal analysis of the growth of firms. The case of the Netherlands, Dissertatie, Rotterdam: Erasmus Universiteit. Gereffi, G. & M. Korzeniewicz (1994), Commodity Chains and Global Capitalism, London: Praeger. Glas, G.F. (1996), Industrile netwerken. Ruimte, regios, cultuur en beleid, Groningen: NGSstudie 201. Grabher, G. (2006), Trading routes, bypasses, and risky Intersections: mapping the migration of networks between economic sociology and economic geography, forthcoming in Progress in Human Geography. Graham, S. & S. Marvin (2001), Splintering urbanism. Networked infrastructures, technological mobilities and the urban condition, London: Routledge. Granovetter, M. (1985), Economic action and social structure: the problem of embeddedness, American Journal of Sociology 81: 481-510. Guerrieri, P. & C. Pietrobelli (2000), Models of industrial districts evolution and changes in technological regimes, pPaper presented at the DRUID Summer Conference, Aalborg. Hajer, M. & W. Zonneveld (2000), Spatial planning in the network society rethinking principles of planning in the Netherlands, European Planning Studies 8: 337-355. Hall, P. (2001), Christaller for a global age: redrawing the urban hierarchy, in: Verhandlungsband des 53. Deutschen Geographentags, Stuttgart: Frans Steiner Verlag. Hanneman, R. & M. Riddle (2005), Introduction to social network methods, Riverside, CA: University of California, Riverside. Hayter, R. (1997), The dynamics of industrial location. The factory, the firm and the production system, Chichester: Wiley. Hemel, Z. (2001), Nieuwe vormen van complementariteit binnen stedelijke netwerken, Den Haag: RPD/Forum. Hess, M. (2004), Spatial relationships? Towards a reconceptualization of embeddedness, Progress in Human Geography 28: 165-186.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Literatuur

166 167

Hessels, M. (1992), Locational dynamics of business services. An intrametropolitan study on the Randstad Holland, Utrecht: Nederlandse Geografische Studies 147. Isard, W. (1956), Location and space-economy, Boston: MIT Press. Jacobs, J. (1969), The Economy of Cities, New York: Vintage. Jgers, H, W. Jansen & W. Steenbakkers (1998), Trust and control in virtual organizations, Universiteit van Amsterdam, Primavera Working Paper 98-07. Johansson, B, C. Karlsson & L. Westin (1994), Patterns of a network economy, Berlin: Springer. Johansson, B. & J. Quigley (2004), Agglomeration and networks in spatial economies, Papers in Regional Science 83: 165-176. Jones, A. (2005), Truly global corporations? Theorizing organizational globalization in advanced business-services, Journal of Economic Geography 5: 177-200. Kamann, D. (1989), Actoren binnen Netwerken, in: F. Boekema & D. Kamann, Sociaaleconomische netwerken, Groningen: Wolters-Noordhoff. Kansky, K.J. (1963), Structure of transportation networks. Relations between network geometry and regional characteristics, Chicago: University of Chicago Press. Katz, M.L. & C. Shapiro (1985), Network externalities, competition, and compatibility, American Economic Review 75: 424-440. Van der Knaap, G.A. (2002), Stedelijke bewegingsruimte. Over veranderingen in stad en land, WRR Voorstudies en achtergronden nr. V112, Den Haag:Sdu Uitgevers. Van der Knaap, G.A. & B.J.L. Tortike (1991), Regionale interactiesystemen in het Noorden, Rotterdam: Economisch Geografisch Instituut, Erasmus Universiteit. Van der Knaap, G.A. & R. Wall (2002), Linking scales and urban network development, Proceedings of the Centre of Comparative European History, Berlin. Knol, H. & W. Manshanden (1990), Functionele samenhang in de noordvleugel van de Randstad, Amsterdam: Nederlandse Geografische Studies 109. Kogut, B. (2000), The network as knowledge: generative rules and the emergence of structure, Strategic Management Journal 21: 405-421. Kresl, P.K. (1995), The determinants of urban competitiveness: a survey, pp.45-68 in: P.K. Kresl & G. Gappert (eds.), North American cities and the global economy, London: Sage. Van der Laan, L. (1998), Changing urban systems: an empirical analysis at two spatial levels, Regional Studies 32(3): 235-247. Lambooy, J.G. (1974), Stad en stadsgewest in het perspectief van hirarchie en complementariteit, pp.270-291 in: A. Bours & J.G. Lambooy (eds.), Stad en stadsgewest in de ruimtelijke orde, Assen: Van Gorcum. Lambooy, J. (2003), Kennisstad = grote stad, ROM-Magazine, mei 2003. Leydessorff, L. (1991), The static and dynamic analysis of network data using information theory, Social Networks 13: 301-345. Long, J.S. (1997), Regression models for categorical and limited dependent variables, Thousand Oaks: Sage. Maggioni, M.A. & T.E. Uberti (2005), Knowledge Flows and Regional Disparities in Europe: geographic, functional and sectoral distance, Paper gepresenteerd op de Final Open Conference on Knowledge and Regional Economic Development, Barcelona. Malecki, E.J. & P. Oinas (1999), red., Making connections. Technological learning and regional economic change, Aldershot: Ashgate.

Malone, T. & R. Laubacher (1998), Are big companies becoming obsolete? The dawn of the E-lance economy, Harvard Business Review, Sep-Oct: 145-152. Manshanden, W. (1996), Zakelijke diensten en regionaal-economische ontwikkeling; de economie van nabijheid, Amsterdam: Nederlandse Geografische Studies 205. Markusen, A. (1996), Sticky Places in Slippery Space: A Typology of Industrial Districts, Economic Geography 72: 293-313. Marlet, G. & C. van Woerkens (2004), Skills and creativity in a cross-section of Dutch cities, Tjalling C. Koopmans Research Institute, Universiteit van Utrecht. Marshall, A. (1890), Principles of Economics, New York: Prometheus Books. Mathur, V.K. (1999), Human-capital-based strategy for regional economic development, Economic Development Quarterly XIII: 203216. Ministerie van EZ (2004), Pieken in de Delta. Gebiedsgerichte economische perspectieven, Den Haag: Ministerie van Economische Zaken. Ministerie van VROM (2004), Nota Ruimte, Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ministerie van VROM (1991), Stedelijke Netwerken in Europa, Rijksplanologische Dienst. Ministerie van V&W (2004), Nota Mobiliteit, Den Haag: Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Nijkamp, P. (2003), Entrepreneurship in a modern network economy, Regional St udies 37: 395-505. Van Nuffel, N. & P. Saey (2005), Commuting, hierarchy and networking: the case of Flanders, Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie 96(3): 313-327. Oerlemans, L.A.G., M.T.H. Meeus & F.W.M. Boekema, F.W.M. (1998) Do networks matter for innovation? The usefulness of the economic network approach in analyzing innovation, Journal of Economic and Social Geography (TESG) 89: 298-309. Oort, F.G. van (2004), Urban growth and innovation. Spatially bounded externalities in the Netherlands, Aldershot: Ashgate. Oort, F.G. van, O. Raspe & D. Snellen (2003), De ruimtelijke effecten van ICT, Rotterdam/ Den Haag: NAi Uitgevers/Ruimtelijk Planbureau. Parr, J. (2002), Agglomeration economies: ambiguities and confusions, Environment and Planning A 34: 717-731. Piore, M. & C. Sabel (1984), The Second Industrial Divide, New York: Basic Books. Polanyi, K. (1957), The economy as instituted process, pp. 243-269 in: K. Polanyi, C. Arensberg & K. Pearson (red.), Trade and markets in the early empires, Glencoe: Free Press. Ponds, R., F.G. van Oort & K. Frenken (2005), Internationalization and regional embedding of scientific research in The Netherlands, paper gepresenteerd tijdens de workshop Universities and regional development, Pecs. Porter, M. (1990), The Competative Advantage of Nations, London: Macmillan. Porter, M. (2000), Location, competition and economic development: local clusters in a global economy, Economic Research Quarterly 14: 15-34. Pred, A. (1977), City-systems in advanced economies, London: Hutchinson. Priemus, H. (2005), Naar een systeeminnovatie voor ruimtelijke ontwikkeling, Nova Terra 5(3): 9-13. Rama, R., D. Ferguson & A. Melero (2003), Subcontracting networks in industrial districts: the electronics industries of Madrid, Regional Studies 37: 71-88.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Literatuur

168 169

Raspe, O., F.G. van Oort & P.J.M. de Bruijn (2004), Kennis op de kaart. Ruimtelijke patronen in de Nederlandse kenniseconomie, Rotterdam/Den Haag: NAi Uitgevers/Ruimtelijk Planbureau. Riemers, C. (1999), Functionele en ruimtelijke dynamiek in de groothandel, Groningen: Nederlandse Geografische Studies 254. Schmitz, P. & J. Heijs (2001), Stedelijke netwerken en de kenniseconomie, pp.161-175 in: F. Boekema & E. Kuijpers (red.), Stedelijke netwerken; theoretische en empirische reflecties, Maastricht: Shaker. Scott, A.J. (1997) The cultural economy of cities, Oxford: Blackwell Publishers. Scott, A.J. (2001), red., Global city-regions: trends, theories, policies, Oxford: University Press. Scott, J. (2000), Social Network Analysis, London: Sage. Sen, A. & T.E. Smith (1995), Gravity models of spatial interaction behaviour, Heidelberg: Springer. SER (2001), Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, SER-advies 20, Den Haag. Simmie, J. (2003), Innovation and urban regions as national nodes for the transfer and sharing of knowledge, Regional Studies 37: 607-620. Smith-Doerr, L. & W. Powell (2005), Networks and economic life, in: N. Smelser & R. Swedberg, Handbook of Economic Sociology, New York: Russell Sage Foundation. Taylor, P.J. (2004), World city network. A global urban analysis, London: Routledge. Theil, H. (1967), Economics and information theory, Amsterdam: North-Holland. Theil, H. (1972), Statistical decomposition analysis, Amsterdam: North-Holland. Tordoir, P.P. (1993), The professional knowledge economy. The management and integration of professional services in business organizations, proefschrift, Amsterdam. Uzzi, B. (1996), The sources and consequences of embeddedness for the economic performance of organizations: the network effect, American Sociological Review 61: 674-698. Venkatraman, N. & M. Subramaniam (2002), Theorizing the future of strategy: questions for shaping strategy research in the knowledge economy, pp. 461-474 in: A. Pettigrew, H. Thomas & R. Whittington, The Handbook of Strategy and Management, London: Sage. Wasserman, S. & K. Faust (1994), Social network analysis. Methods and applications, Cambridge: University Press. Watts, D.J. (2003), Six degrees. The science of a connected age, New York: Norton. Wernerheim, C.M. & C.A. Sharpe (2003), High order producer services in metropolitan Canada: how footloose are they?, Regional Studies 37: 469-490. Weterings, A. (2005), Do firms benefit from spatial proximity? Testing the relation between spatial proximity and the performance of small software firms in the Netherlands, Utrecht: NGS-studies 336. Zandbelt, D. (2005), Emerging network for the Randstad metropolis, Nova Terra: 25-29. Zonneveld, W. & F. Verwest (2005), Tussen droom en retoriek. De conceptualisering van ruimte in de Nederlandse planning, Rotterdam/Den Haag: NAi Uitgevers/Ruimtelijk Planbureau.

OVER DE AUTEUR S

Frank van Oort studeerde Ruimtelijke Economie en Bedrijfseconomie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij vervolgens in 2002 promoveerde op een proefschrift over ruimtelijk-economische groei en regionale innovatie in Nederland. Sinds 2002 werkt hij bij het Ruimtelijk Planbureau. Daarnaast is hij hoogleraar Stedelijke Economie en Ruimtelijke Planning aan de Universiteit Utrecht. Bij het RPB doet hij onderzoek naar de vestigingsdynamiek van bedrijvigheid in relatie tot regionaaleconomische groei. Judith van Brussel studeerde Algemene Economie aan de Universiteit van Tilburg met als afstudeerrichting regionale economie. Tijdens haar studie liep ze stage bij ER AC (European Regional Affairs Consultants). Daar deed ze onderzoek naar de effecten van 25 jaar EFRO-beleid. Sinds augustus 2004 is zij als onderzoeker werkzaam bij het RPB. Otto Raspe studeerde Economie aan de Universiteit van Tilburg, met als specialisatie Regionale Economie en Economische Geografie. Sinds medio 2002 werkt hij als onderzoeker bij het Ruimtelijk Planbureau. Hij doet vooral onderzoek naar regionaaleconomische ontwikkelingen in relatie tot ICT, de kenniseconomie en netwerken. Hij werkt aan een proefschrift over dit onderwerp. Martijn Burger studeerde Sociale Wetenschappen aan het University College Utrecht en Sociale en Ruimtelijke Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is momenteel werkzaam als Assistent in Opleiding bij de capaciteitsgroep Toegepaste Economie aan de Erasmus Universiteit, en doet onderzoek naar de (ruimtelijke) dynamiek van competitie en coperatie in bedrijfsnetwerken. Jacques van Dinteren is productmanager Economie en Ruimtelijke Investering bij Royal Haskoning in Nijmegen. Hij promoveerde in 1989 op een proefschrift over zakelijke dienstverleners in middelgrote steden in Nederland. Hij is gespecialiseerd in regionaaleconomische vraagstukken. Bert van der Knaap is hoogleraar Economische en Sociale Geografie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij is tevens directeur van het Economisch-Geografisch Instituut en research fellow van het Tinbergen Instituut. Sinds 1991 is hij lid van de KNAW en voorzitter van de NWO-gebiedsraad Gedrags- en Maatschappijwetenschappen. Van der Knaap was eerder onder andere lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Hij is gespecialiseerd in ruimtelijke economie.

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o

Over de auteurs

170 171

COLOFON

Onderzoek Frank van Oort (projectleider) Judith van Brussel Otto Raspe Martijn Burger (Erasmus Universiteit Rotterdam) Jacques van Dinteren (Royal Haskoning, Nijmegen) Bert van der Knaap (Erasmus Universiteit Rotterdam) Kaartbeelden Hans van Amsterdam Marnix Breeveld Judith van Brussel in samenwerking met Typography Interiority & Other Serious Matters Met dank aan Oedzge Atzema (Universiteit Utrecht) Holger Boswijk (Gemeente Deventer) Harry van der Burgt (Gemeente Nijmegen) Stephaan Declerck (RPB) Wim Eijkelenburg (Gemeente Delft) Evelien Fick (RPB) Koen Frenken (Universiteit Utrecht) Nathal da Graa (Gemeente Rotterdam) Roelof Grit (Gemeente Assen) Rob Harbers (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) Danil Harssema (Gemeente Groningen) Jan Lambooy (Universiteit Utrecht) Edgar van Leest (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) Erik Lubbers (Gemeente Eindhoven) Martijn van Nie (Gemeente Arnhem)

Rob van der Noll (Gemeente Haarlemmermeer) Roderik Ponds (RPB) Jos de Ree (CBS, Voorburg) Roel Rutten (Universiteit van Tilburg) Wim Vehmeyer (Gemeente Amsterdam) Jan van t Verlaat (0 BR Rotterdam) Jeroen Weesie (Universiteit Utrecht) Anet Weterings (RPB) Henk Wijnsma (Gemeente Apeldoorn) Het hoofdstuk Ruimtelijkeconomische Ontwikkelingen en netwerken is grotendeels gebaseerd op de scriptie van Martijn Burger (2005), Ruimtelijke Organisatie van Kennisintensieve Dienstverlening-Determinanten van Vestigingsplaatskeuze in de Netwerkeconomie, Erasmus Universiteit Rotterdam. Eindredactie Simone Langeweg Ontwerp en productie Typography Interiority & Other Serious Matters, Den Haag Druk Veenman Drukkers, Rotterdam NAi Uitgevers, Rotterdam/Ruimtelijk Planbureau, Den Haag/2005. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopien, opnamen, of enige andere

manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken vankopien uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912jo het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 882, 1180 AW Amstelveen). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. NAi Uitgevers is een internationaal georinteerde uitgever, gespecialiseerd in het ontwikkelen, produceren en distribueren van boeken over architectuur, beeldende kunst en verwante disciplines. www.naipublishers.nl ISBN 90 5662 477 6 ISBN 97 890 5662 477 4

eco n o m i s ch e n e t w er k en i n d e r eg i o