Vous êtes sur la page 1sur 12

Derrida, fenomenologie? Ja in de zin van Heidegger.

Veel denkbewegingen
ontleend aan Heidegger. Een diagnose van iets wat in de gehele traditie niet
gezegd kon worden. Onderdrukt stelselmatig. Emancipatoire filosofie. Recht doen
aan wat door specifieke manier van denken eigen is wat door die manier van
denken niet naar boven heeft willen komen. Dat onderdrukte. Wat is dan het
probleem met die traditie. Derrida noemt in navolging van Heidegger de
westerse filosofische traditie een metafysik de la prescance. Gegenstantlichkeit.
Zijn altijd al gedacht was vanuit aanwezigheid. Volgens derrida is precance het
startpunt van alle analysis en dat is kennelijk een beperkt gezichtspunt. Logos
staat centraal. Differance. Kan geen stem krijgen in metafysiek de la presence.
Omweg. Wat betekend het standpunt van derrida. 2 tradidies. Fenomenologie. En
structuralisme. Derrida wordt vaak poststructuralist genoemd. Invloed van
structuralisme wordt nog wel s overschat. Daar (literatuur) is die achtergrond
prevalenter dan in filosofie. Via die twee tradities langzaam naar derrida toe
praten. Belangrijk dat als derrida poststructuralist is dan is ie ook
postfenomenoloog. Wordt niet iets bepaalds mee bedoelt, structuralisme. In jaren
zestig van Frankrijk was het de grote tegenhanger van de fenomenologie.
Structuralistische analyses over opvatting van betekenis.
Over Husserl , was de notie van betekenis heel centraal werd in de filosofie. Gaat
niet over de betekenis van een uitspraak (logische betekenis) maar genomen
voor zover het als iets verschijnt voor me. semiologie is tekentheorie.
Structuralisme is een bepaalde benadering van tekensystemen. Saussure. Teken
is twee noodzakelijke aspecten betekende en het betekenaar. Structuralistische
analyse doet, het voordeel van de methode, is dat er mee tekens kunnen worden
beschouwt niet zozeer als een middel waarmee een betekenis wordt uitgedrukt,
maar andersom. In plaats van een middels een teken uitgedrukte betekenis, een
betekenis die er dus eerst al moet zijn. (Gedachte -> middels teken opschrijven)
Teken maakt iets duidelijk over d mogelijkheden en structuur van een
tekensysteem als zodanig. Relatie tussen tekens binnen een systeem. Meer
uitwendige manier van kijken. Geen communicatie middel.
Fenomenologie focust juist niet op materialiteit of uiterlijkheid van het teken.
Doet niets af aan betekenis. Voor structuralist. Constitutie van betekenis hangt
niet samen voor de zin die iets heeft voor een bewustzijn, ofwel de identiteit van
een teken, maar veeleer met de differentie van de verschillende tekens binnen
een bepaald systeem. (identiteit/differentie probleem) het teken wordt niet

opgevat als een drager van een betekenis. Maar de betekenis wordt opgevat
vanuit zn relatie tot andere tekens.
Of de veruitwendiging in een teken of de materialiteit van een teken essentieel is
of niet voor de betekenis van een teken. In de gehele traditie het veruitwendiging
van een teken altijd als niet essentieel is afgedaan.
Fenomenologie. Husserl was samen met Heiddegger derridas invloed. Het gaat
om de manier waarop derrida dat thema behandelt. Startpunt kiest is typisch. In
het begrip van wording liggen twee elementen besloten. Iets als
transcendente/creatie/oorspronkelijkheid/alteriteit, maar ook iets gelijk
blijven/identiteit. Ons begrip van een bepaald fenomeen impliceert twee
aspecten die eigenlijk moeilijk met elkaar te verzoenen is, maar in het begrip
ervan besloten liggen. Hegeliaans. Wetmatigheid in zijn werk. Twee contradictoire
elementen in het begrip van wording. It is always a question a originary
complication of the original. 1e originele en 2e differentie. Geen probleem die
secundair is , maar die van meet af aan een rol spelt. In iedere problematiek
aanwijzen dat er van meet af aan een complicatie meespeelt die niet weg te
denken is.
Richten op die aspecten die zich niet laten funderen, verhelderen of funderen.
The impossibility of al determination of a real beginning. Onmogelijk een
daadwerkelijk begin te bepalen in de filosofie. Maar ook geen fundament. Rede of
absolute subjectiviteit. Bewustzijnszin bij Husserl. Zuiver negative these. Alles is
inherent gecompliceerd. Conclusie is niet; betekenis bestaat niet. Of alles is
alleen maar fout. Geen relativist.
Remain faithfull to husserl. Onmogleijkheid van any real beginning. Maar wel
trouw zijn aan Husserl in zijn verwijzing naar originary absolute. Verwijzing naar
begin is wel degelijk noodzakelijk.
Noodzakelijk te wijzen naar metafysische oorsprong. Maar enige bepaling
daarvan is door en door problematisch. Nu is derridas taak om die dialectiek, de
noodzaak van een begin enerzijds, en tegelijkertijd de onmogelijkheid ervan, om
die dialectiek naar voren te brengen. Aporische situatie. Hoe wij een bepaald
fenomeen begrijpen, is het noodzakelijk dat wij het zo begrijpen, en dat we het
tegelijkertijd dat daar een wezenlijke onmogelijkheid inzit. Die kan de
fenomenologie niet beschrijven. Verder dan fenomenologie. Postfenomenologie.
Go being the interpretation of fenomenologie.

Vorm van de tegenstelling. Is inherent in bepaald fenomeen. Hoe wij over


vergeving denken. In hoe wij daar over denken. Ik heb geen methode. Vanuit ons
begrip te werken, niet te construeren. Begrip zit tegenstelling. Deconstructie is
tonen van de noodzaak om het zo te begrijpen, en een even sterke noodzaak om
het zo niet te kunnen begrijpen. Differance. Dubbele beweging. Zoeken naar
fundamenten, en tegelijkertijd stuiten we op grenzen van binnen uit. Hij wil de
taal of het denken van binnenuit op zijn eigen grenzen laten stuiten.
Initiele problemen. Vanaf begin. Niet lalalala -> probleem. Eigen methode is ook
niet ongecompliceerd. Fenomenologie is eenheidsdenken, alles is gefundeerd in
de positieve zin die betekenis heeft voor het bewustzijn. Het bewustzijn in zelf
intentioneel. Correlatieanalyse. Principe van alle principes. Dus alles heeft zijn zin
en betekenis voor me.
Een iets heeft dan een positieve zin voor het bewustzijn. Het bewustzijn is zijn
gerichtheid. Zelf afwezigheid heeft de positieve zin van afwezigheid voor het
bewustzijn. Bv het nu. Dat is het nut van de fenomenologische analyse. Het nu is
geflankeerd door protentie en retentie. Historie en verwachtingspatroon.
Dynamiek van beleving van nu, geen metafysich probleem maar
fenomenologische descriptie. Identiteit van het moment of van het nu. In de
discussie stond de structuralistische positie van; een teken heeft niet vanuit
zichzelf een positieve een betekenis, maar alleen in relatie tot andere tekens
binnen een systeem. Betekenis is niet een fenomeen dat je vanuit zijn positieve
identiteit voor een bewustzijn moet benaderen. De taal van dit en dat. Betekenis
systemen. Discours.
Derrida: beide noodzakelijk en toch onverzoenbaar. En het doordenken van die
oppositie is het niveau waarop derrida zich wil bewegen. Het onderscheid of het
verschil tussen identiteit en differentie zelf is een noodzakelijk verschil en dat is
nou net het verschil dat niet te funderen valt of filosofisch te verklaren. Hegel:
identiteit van identiteit en niet identiteit. Van iedere expliciete tegenstelling is het
bewustzijn de impliciete eenheid. En het bewustzijn is het vermogen zich als
tegenstelling te stellen. Ik ben bron van tegenstelling. Derrida probeert een
andere analyse uit te voeren. In ieder positief begrip dat wij hebben aan te wijzen
wat de tegenstelling is en zo door te voeren dat je op een verschil komt dat niet
meer te verzoenen is. Een absolute discrepantie. Het verschil tussen identiteit en
differentie is niet begrijpelijk.

Vreemd verschil. Het verschil tussen identiteit en verschil. Precies dat verschil
waar het denken tegen zijn eigen grenzen aan loopt. Een naam geven is de
identiteit van de zaak. De naamgeving. Neologismen.
Relatie met heidegger. De belangrijkste thematiek van derrida. Deconstructie
deze dubbele beweging is een benadering van de traditie, metafysiek de la
presance. Die diagnose neemt ie over van heiddegger. Bepaald zijnsverstaan.
Gegenstantlichkeit. Door te dringen tot wat fenomenologisch gesproken het
meest oorspronkelijk is. Onderdeel daarvan, was om stap voor stap en
terugwerkend een destruction der geschichte der ontologie te ondernemen. In
fenomenoloigsche zin moest het zijnsverstaan waar mee we opgescheept zitten
stap voor stap fenomenologisch gereconstrueerd worden om welke wijze dat
specifieke zijnsverstaan de onze is geworden en in welke zin dat een beperkt
zijnsverstaan is geweest. Deconstructie komt van destruction. Geen vernietiging,
maar een destructurering. Zijn wordt altijd op een bepaalde manier bedacht. We
hebben vanzelfsprekend gevonden. Maar het is juist om het te denken.
Oorspronkelijk zijn. contact maken met oorsprong. Contact maken met een
mogelijkheid te denken die steeds onderdrukt blijft omdat we in de traditie zitten.
Terug naar een bepaalde oorsprong. Oorspronkelijk denken. De filosofiesche
traditie heeft een specifiek zijnsverstaan gehad, gegenstantlichkeit. In de traditie
heerst een zijnsverstaan. Zijn als gegenstantlichtkeit, presance en heidegger
heeft het ook wel over het waarheidsbegrip. Voorbeeld: husserl: voor me is. Dat
wat is is altijd gedacht vanuit iets dergelijks. De betekenis is uiteindelijk
gefundeerd in de wijze waarop iets is. altijd zo gedacht, hypokeimenon. Dat wat
is, krijgt betekenis dat wat tegenwoordig is. er zijn betekent tegenwoordig zijn. of
tastbaar zijn. object voor me. bij die filosofen zie je dat iedere uitleg van zijn
gestoeld is op tegenwoordigheid. Heidegger zegt in tegenwoordigheid of in
anwesenheit klinkt precies tegenwoordigheid door, oftewel nu. Dat is eigenlijk
een tijdsbepaling. Wat niet naar voren wil komen is dat de bepaling van zijn van
dat wat voor me aanwezig is altijd ee prioriteit heeft gegeven aan het nu, dat wat
tegenwoordig is, ten opzichte van verleden en toekomst. Dat is een insteek
geweest.
Als tijd nu de horizon is voor ieder mogelijk zijnsverstaan. Dan moet het
zijnsbegrip dus eigenlijk vanuit de tijd begrepen worden. Maar kijk ik naar de
filosofische traditie, dan zie ik dat het tijdsbegrip in termen van zijn is begrepen.
En dus is het zaak een nieuw tijdsbegrip te ontwikkelen. Extatische openheid. En

vervolgens op basis van dat tijdsbegrip kan uiteindelijk de zijnsvraag aan de orde
komen.
Herinterpretatie van allerlei klassieke termen. Wesen is niet dat wat er echt is,
maar als werkwoord, als gebeuren. Ook waarheid is een gebeuren. Nieuwe
ontologie. Diagnose van heidegger over de metafysica van de tegenwoordigheid,
en de privalisering van een bepaalde dimensie. En onderprivalisering van
tijdelijke dimensies van zijn.
Derrida neemt dit voor een heeeel groot deel over. Aanwezigheid voor me is de
hoeksteen geweest van de uitleg. Hegel en Husserl. Hoe speelt nu die presance
nu een rol in het werk van derrida.
De vroege derrida verbindt dat aan spreken en schrijven. Het schrijven heeft het
moeten afleggen tegen de privalisering van het spreken. Die zegt dat betekenis
er is, dat je die kan uitspreken, dat daarmee niets verloren gaat, dat het de
meest onmiddelijkste manier is om betekenis over te gedragen en dat
opschrijven een afgeleide is. er is niet waardoor niets verloren zal gaan.
Betekenis is meteen gecompliceerd. Essentieel risico van verlies. Zelfs bij de
innerlijke dialoog.
Tweede is dat schrijven er toe zal dienen die norm van de zuiverheid van het
spreken moet compenseren. De structuur van differentie is niet alleen voor het
schrift, maar die structuur gaat overal voor op. Iedere vorm van deconstructie is
een norm van zuiverheid gepresenteerd. Spreken (norm) schrijven (afwijking)
man (norm) vrouw (afwijking) nu verleden, aanwezigheid afwezigheid.
Overal waar een norm is en een geweldadige onderdrukking van de afwijking is
deconstructie aan het werk. Husserl -> datgene wat er niet is. een zekere
emancipatoire dimensie. Wat als afwijking wordt gepresenteerd, zal in
deconstructie van worden getoond, nooit zomaar secundair kan worden gezien
ten opzichte van een norm die onproblematisch zou zijn. problematische geldt
ook voor de norm
Dus de metafysische traditie bestaat uit tegenstellingen. Tegenstelling is eigenlijk
nooit symmetrisch er is altijd een privilege voor de een boven de andere. De
jonge Derrida lokaliseert spanningen in fenomenologie. Midden: hoogtijddagen
67-73.
laatste stuk over hierarchy

tekstualiteit, polysemie en verschil met disseminatie. Risico in communicatie,


maar niet dat woorden toch verschillende betekenissen kunne hebben. Het is ook
een tekst, dus de tekst zelf staat ook op het spel. Maar ook binnen traditie.
Conclusies of het resultaat kan niet zelf een methode zijn die zelf niet
problematisch zou zijn. De gedachte dat je in de filosofie neutraal zou kunnen
verhouden tegenover een probleem. Deze tekst is door en door reflexief. En die is
strikt heideggeriaans. Twee punten waar je op moet letten. Complicatie die aan
het licht moet komen die vanaf meet af aan meespeelt. Niet dit dat dit en dan
een probleem. Overeenkomst met heidegger. 2. Vanwege initiele complicatie zit
je met een beginprobleem in de filosofie. Hoe gaat de filosofie dan van start?
Heideggers oplossing was bij de facticiteit beginnen. Deze twee elementen vind
je ook bij derrida.
Die initele complicatie bij heidegger is de paradox die vervat is in de zijnsvraag.
In het stellen van de zijns vraag. Hebben we een probleem om het woordje is te
gebruiken? Nee. Maar weten we wat het betekend? Nee. Vanzelfsprekendheid van
zijn dat zich niet expliciet laat maken. Die situatie uit zich in de zijnsvraag. Wat is
zijn. we moeten al een voorverstaan hebben van dat gene wat expliciet nog niet
begrepen is. je moet het al begrepen hebben voor dat je het kan begrijpen, die
paradox, die initiele complicatie. Die maakt dat het onderzoek een specifiek
karakter krijgt bij heidegger. Maakt ook dat de functie die het heeft, is om je juist
te focussen op de complicatie. Een complicatie die niet de vorm heeft van een
cirkelredenering. Maar juist iets essentieel uitdrukt. Een dergelijke circulariteit, de
hermeneutische circulariteit wil je juist bij je hebben als fenomenoloog. Tonen als
essentieel.
Dus, zegt heidegger, beginnen we bij dat alledaags implicite zijnsverstaan. Als
factum. Dat is het uitgangspunt, wat zit daar in. maar we compliceren niets.
Descriptief. Onze tekst zien we een paradoxale formuleren van hetzelfde soort in
zin n. De paradoxale formulering is analoog aan de zijnsquestie van
heiddegger. Twee vormen. Is it certain that there corresponds to the word
communication, a unique univocal concept, a concept that can be grasped,
communicated. Daarvoor moeten we al het woord communicatie
vooronderstellen als drager van betekenis. Analoog aan cirkulariteit van wat is de
zin van zijn.
Dan zegt ie: we hebben toch geen probleem met woord communicatie (zijn)
relatieve specificiteit. Jullie kijken me niet verbaasd aan. We bedoelen er iets

mee. Maar communicatie drukt iets uit wat breder is dan transprot van betekenis.
Vervolgens derrida meerdere dingen. Polysemie. Wat voor de hand ligt is om te
zeggen. Communicatie berhaupt dat betekend iets als transport en daar binnen
lingustische communicatie. Hij noemt dat een metafoor. More metaforica. Maar
dat zeggen we niet. Want taal is niet afgeleide van algemeen begrip van
communicatie.
Want (1) the value of literal or proper meaning appears more problematic than
ever. (2) paradox) because the value of displacement of transport is constitutive
of the very concept of metaphor by means of which one allegedly understands
the semantic displacement which is operated from communication as a nonsemiolinguistic fenomenon to communication as a semiolinguistic fenomenon.
Letterlijke betekenis is problematisch. Het kan niet zo zijn dat het noodzakelijk is
om betekenis als transport, communicatie als transport, in termen van transport
te verklaring.
Dit is een spel. Wat is hier nou mee gezegd. Deze hele dynamiek. Communicatie
in brede zin en afleiding daarvan, vormen van communicatie. Een Norm (dit
betekent het) en afleiding (dit betekent het om dat dit op een bepaalde manier
aan gerelateerd is) wil ie gaan problematisering. Dus betekenis in de vorm van
een letterlijke betekenis. We weten toch wat we bedoelen! Dat wordt
geproblematiseerd, een de afleiding wordt geproblematiseerd.
Het stellen van de vraag op deze manier, zoals de zijnsvraag, verplicht tot
reflexief denken. Het maakt dat de eigen methode niet meer zuiver kan zijn. We
moeten iets met dit probleem op een niet naeve manier ten opzichte van onze
eigen methode. Filosofen kunnen zomaar te werk gaan, maar de aard is dat de
activiteit van de filosoof gebruikt maakt van wat er op het spel staat (tekst,
betekenis enz) die wil ie onderzoeken. Dus geen neutraliteit. Wat heiddegger zag.
We kunnen niet op vanzelfsprekendheden terug vallen. Maar je stapt er middenin.
Hoe zou je betekenisvol kunnen schrijven over betekenis. Hoe zou je over
communicatie kunnen communiceren. Over het schrift communiseren. Dus op het
moment dat D zijn pen op het papier zet speelt de problematiek al.
Thema van de tekst. Differance. I note here between parentheses that in this
communication the issue will be, already is the problem of polysemia and
communication. Of dissemination which I will oppose to polysemia and
communication. In a moment a certain moment a certain concept of writing is

bound to intervene, in order to transform itself and perhabs transform the


problematic.
Het probleem is het probleem van polysemie en communicatie. een teken kan
meerdere betekenissen hebben, en toch is er iets als communicatie. of is er wel
iets als communicatie? uiteindelijk conclusie communicatie bestaat niet, is geen
zinvolle bepaling.
Nog 1 stap. Het lijkt erop alsof de meerduidigheid van begrippen. Voor zover het
problemen geeft. Dat je dat enorm kan ondervangen door te verwijzen naar
context. Je zegt dan, een woord kan verschillende dingen betekenen in een
bepaalde situatie. Dit woord betekend daar dit en daar dit. So what! Altijd in
context en betekenis is te verklaren door te verwijzen naar context waarin het
woord wordt gebruikt. De context verklaard uitputtend de betekenis van een
woord.
Derrida: de context kan niet uitputtend de betekenis van een woord bepalen. Is
dus niet de oplossing. Dat verklaren is het doel.
1e zin van de hoofdstuk. If one take the notion of writing in its usually accepted
sense, (not natural sense) one must see it as a means of communication. D lijkt
op 2 manier op heiddeger. 1. initile complicatie. 2e alledaagsheid. We hebben
al blijkbaar een antwoord op de (zijnsvraag) de vraag wat communicatie is. Gaat
om ons gewone begrip van. Dit is gewoon kijken, wat bedoelen we dan?
Uitgangspunt in het midden (ons gewonde begrip) Het normaalgesproken
geaccepeerde sense, is niet innocent primitive or natural.
Speech-writing is niet symmetrich is een hierarchy, een order of subordination.
Hoewel we een gewone betekenis hebben wat schrijven betekend. Is het niet
onschuldig. Laten zien hoe onze common sense onderscheidingen op dit punt, in
feite hierarcische onderscheidinge zijn die gemaakt zijn. een paalde macht is in
het spel. De ene interpretatie wordt verkozen boven het andere.
Initiele complicatie en dus een methodisch probleem. Verzameling onderwerpen.
Aanvatten bij het gewone begrip om mee aan de slag te gaan. Nu overzicht wat
derrida doet.
Writing and telecommunication. Gempliceerd is in het klassieke concept van
schrift is dat de conditie van de mogelijkheid daarvan gelegen is afwezigheid. Het
schrift en de afwezigheidsstructuur kan daarmee niet begrepen worden als

zomaar communicatie middel. Communicatie verondersteld dan iets naderbij


brengen, presance, praten, en schrift is dan hetzelfde maar dan op afstand.
Schrift is niet presance, maar afwezigheid. En dan staat op het spel schrift als
middel van communicatie.
Omdat austin een taalopvatting lijkt te hebben die lijkt aan te slutien bij derrida.
Potentiele medestander. Maar austin uiteindelijk niet goed. Wat op het spel staat
is verschil tussen polysemie en disseminatie. De polysemie betekend de
toevallige meerduidigheid van woorden ten opzichte van een normaal gebruik
ervan dat zelf onproblematisch is. woorden hebben grosso modo een normale
betekenis. In afgeleide setting misschien andere betekenis, maar dat is afgeleid.
Wijkt af.
De structurele disseminatie is niet toevallige polysemie. Maar daarbij wordt
duidelijk dat het probleem van die meerduidigheid niet op een toevallige manier
gebeurt ten opzichte van een norm die zelf onproblematisch zou zijn. SD maakt
duidelijk dat het hele probleem juist schuilt in het gestelt zijn van een norm en
het vaststellen van betekenis aan de hand van een norm en een afwijking
daarvan. Normaal- abnormaal Serieus grapjes. Dat onderscheid kan niet
rigoreus gemaakt worden. Daarmee dient het niet ter verklaring van betekenis en
het functioneren van taal, geen voldoende verklaring.
Juist als het onderscheid wordt gemaakt tussen normaal abnormaal, hier is austin
precies schuldig aan zon impositie van een hiearchische structuur. Norm stellen
(hele West Metaf) alsof ie uit de lucht valt maar is die in feite gesteld. Austin
whoe pretends to describe the facts and the events of ordinary language makes
us accept as ordinary a teleological and ethical determination. Doelgerichteid ipv
feit. Samenvatting van de tekst. Conclusie door D: hij wil breder begrip van
schrift en schrijven . niet als slechts middel van communicatie, maar juist als
structuur. Een differentile structuur aanwezigheid afwezigheid die constitutief
is voor , waar wij normaal gesproken zeggen waar betekenis om draait. The
whole system of speech consciousness, meaning truht. Daar gaat betekenis en
communicatie over volgens traditie. Maar dit is een effect van een in feite
constitutieve differentile structuur, geen fundament, maar van een niet
reduceerbare complicatie, constitutieve complicatie.
The semantic horizon which habitually governs the notion of communication, is
exceeded or punctured by the intervention of writing (in brede zin) universele

structuur. That is of a dissemintation that kan not be reduced to polysemie,


(meerduidigheid die niet gereduceerd kan worden tot toevallig afwijking van
normal begripsgebruik). Writing is in the last analysis does not give rise to a
hermeneutic deciphering, to the decoding of a meaning or truth. Orientatie op
waarheid: wat is de eigenlijke betekenis. Niks aan of aan tekst dwingt deze
beperking af.
Het klassieke begrip; ik kan spreken met iemand. Een gedachte van mij is zonder
rest vertegenwoordigd in mijn uitspraak. Dat representeerd mijn gedachte. Die is
daar en die kan gehoord worden en die kan overgedracht worden, transport.
Communicatie hangt op tegenwoordigheid. Presance. Schrijven is een middel,
communicatiemiddel, hulpmiddel, om tele-communicatie te kunnen
bewerkstelligen. Vertraagde tegenwoordigheid. We maken alsnog tegenworodig,
middels een kaartje. Structureel verandert er niks, van presance of dan pas, het
is vertraagde aanwezigheid. Schrift is middel van tegenwoordigmaken,
representatie.
It extends oral communication by representation, same field to a greater range,
whitin a homogenuous element across which the unity and integrity is not
affected in a essential way. (als het niet over komt is het toevallig)
Als we dan het als middel van communicatie opvatten, wat verschilt het dan van
spreken. Het kenmerk van schrijven in het normale begrip is afwezigheid. Het
vermogen van tekens om nog te kunnen functioneren als ik er zelf niet meer ben.
Die afwezigheid van allerlei omstandigheden zijn essentieel voor het schrift. Twee
aspecten tegenover elkaar uitspelen. Context afhankelijkheid en
contextonafhankelijkheid. Maar context en schrijven? Het schrift moet precies
kunnen functioneren in iedere context. 1 afwezigheid van geadresseerde: een
boodschap moet leesbaar zijn los van een specifieke gedetermineerde ontvanger.
Gecodeerd. No code is structurally secret. Het moet kunnen functioneren als
betekenisvol. Kan niet van te voren in besloten liggen voor wie het is. 2 aan de
andere kant moet het kunnen functioneren voorbij de dood van de auteur.
Schrijven is voor een deel een machine die je aanzet en dan zelstandig leven
gaat leiden. Je gaat speuren naar de intentie, maar is dat verloren? Lezen is het
traceren van de oorspronkelijke intentie? Nee, nee, er is niets aan het
tekstbegrip dat maakt dat dat de enige intentie moet zijn, niets dat maakt dat
dat de manier is waarop je met tekst zou moeten omgaan.

Afwezigheid van de verstuurder is Essential drifting. Writing orphan. Opschrijven,


cut off van mijn intentie die ik er mee had. Nu zien we iets. wat dan. Wat
constitutief is voor ons begrip van schrijven is dat het MOET kunnen breken met
een gedetermineerde context. Het hoofdkenmerk is niet tegenwoordig maken
van intentie, maar kunnen breken met welke context dan ook. In elke context
moet het kunnen functioneren. Dat is de conclusie. Die constitutive rol van het
kunnen breken met, force of rupture is due the spacing that contstitute it (the
text) Er is geen betekenisvol teken dat uit een context gehaald worden en niet in
een nieuwe context kan functioneren.
Lostaan van een gespecificeerde context. But also from all the forms of a present
referend in the past or to come , in the modified form. Subjective or objective.
Constitutief voor tekens als betekenisvol moet niet afhankelijk zijn van intentie of
gedetermineerde context.
This spacing is not the simple negativity of a lack. But the emergence of the
mark. Steeds iets anders kunnen beteken, steeds in een andere context kunnen
worden opgenomen. Dus niet: een risico van fout gaan. (normaal gaat het goed,
maar soms een lack) nee dat kenmerk is juist constitutief. Is niet simple
negativity of a lack. It is not the work of the negative in the service of meaning,
dus ten opzichte van een bepaalde norm van geslaagde communicatie. Wat ziet
hij dan al seen teken. Het maakt tegenwoordig een bepaalde positieve betekenis,
intentie. D noemt het een grapheen (kleinste betekenisvolle unit) non present
remaining of a differential mark cut off from its alleged production or origin. Wat
maakt een teken tot een teken? Niet dankzij de intentie, maar juist zijn
afgensneden zijn van oorsprong, de mogelijkheid te breken met context.
Iterabiliteit. Dit vermogen om te kunnen functioneren in verschillende contexten
is iterabiliteit. Iter komt van other alteriteit. Repetition to alterity.
Herhaalbaarheid en anders zijn. Het moet herhaald kunnen worden, maar
zodanig dat het ook steeds anders kan zijn, kan worden. Een teken is iterabel dat
er een contadrictoire eis is in ons begrip ervan. Iterabiliteit.
Austin gebruikt juist het begrip context om te verklaren dat er een normaal
taalgebruik is en dat er iets onder normale omstandigheden een bepaalde
betekenis heeft, en als iemand niet serieus is betekend het iets anders.
Ik beloof het je. Austin: natuurlijk , taalhandelingen kunnen niet slagen, maar in
normale omstandigheden zal het lukken. Dus niet in toneelstuk.

Austins analyse gaat ervanuit dat je zinvol taalhandelingen kunt analyseren door
te verwijzen naar een normaal gebruik een een afwijzing van die norm. Falicities,
context, randverschijnselen die maken dat een taalhandeling slaagt. Maar het
kan ook dat het niet lukt, acteur.