Vous êtes sur la page 1sur 92

*UOTHEEK

-

B,

\yZ

383

«••rtandse sport federatie
IIIMII'IIII

li i

• lil

in i

ii • i ,

d

e

n

h a a

.

g

~

,

e

i

e

f

o

o

n

c

o

7

o

)

6

3

2

9

6

3

HANDLEIDING VOOR HET ROKSRN

HANDLEIDING VOOR
HET BOKSEN
DOOR

J.STUY
LEERAAR AAN DE GYMNASTIEK- EN
SPORTSCHOOL DER KONINKL. MARINE

M E T E E N INLEIDING V A N
W . P. H U B E R T V A N BLIJENBURGH
E N M E T 38 A F B E E L D I N G E N
N A A R FOTOGRAFIEËN

R O T T E R D A M J919
W . L . <S J. BRUSSE'S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ

INHOUD.
Bladz.

INLEIDING . . . "

9

L BOKSEN

1 5

Vecht- en spelboksen
Het trefvlak
Destelling
De beenbewegingen (voetwerk)
De rompbewegingen
De armbewegingen
De afstand

1*
1 5
1 6

17
19
19
20

Algemeen overzicht der bewegingen: aanvalsbewegingen,
verdedigingsbewegingen
De aanvalsbewegingen
De rechte stooten
De halfarmstooten
De zwaaistooten
De dubbele stooten
De vuisthouding

21
23
24
25
26
26

De verdedigingsbewegingen
Dekken
Blokken
Weren: slaan en schuiven
Ontwijken en ontduiken
Dubbeldekkingen

27
27
27
28
29
29

Devooraanval
De tegenaanval
Na-aanvallen
Invechten
Vastgrijpen
Losbreken
Schijnaanvallen
Lokken

30
30
31
33
34
34
35
36

."'

7

Bladz.

0. VECHT- EN WEDSTRIJDBOKSEN

37

Wedstrijdreglement Ned. Boksbond
Practische en taktische aanwijzingen
Training

38
50
52

III. HET ONDERWIJS

54

Algemeene beginselen
Hulpmiddelen bij het onderwijs
Opstelling der klasse
Wenken voor den onderwijzer
Lesprogramma's
Lijst van Engelsche uitdrukkingen

54
55
56
56
57
62

38 AFBEELDINGEN NAAR FOTOGRAFIEËN.

8

INLEIDING.
Evenals de andere zoogenaamde verdedigingssporten, zooals
schermen en worstelen, is ook boksen ontstaan uit vechten.
Evenals het schermen oorspronkelijk uitsluitend beteekenis had
als voorbereiding voor het tweegevecht met het blanke wapen*
zoo had ook boksen aanvankelijk slechts beteekenis als vooroefening voor het vuistgevecht.
Doch al spoedig bleek, dat beide oefeningen, behalve dat zij
dus van practisch nut waren, tevens een aangenaam tijdverdrijf
vormden; het wedijveren der beide tegenstanders in vlugheid,
in behendigheid, in het juist beoordeelen van den steeds veranderenden toestand, het daarbij ten toon spreiden van verschillende lichamelijke en geestelijke eigenschappen, dat alles gaf
den beoefenaars een zoodanige voldoening, dat het schermen,
het boksen, enz., al spoedig beoefend werd door velen, die niet
van plan waren zich ooit van het blanke wapen of van de vuisten
te bedienen voor minder onschuldige doeleinden.
Maar bovendien zal het duidelijk zijn, dat, waar het lichaam
bij dergelijke oefeningen zoo sterk in actie komt, waar zooveel
spierarbeid vereischt wordt,ook de organen voor bloedsomloop,
ademhaling en spijsvertering en het zenuwstelsel den invloed
van die oefeningen moeten ondergaan en tot verhoogde werking
worden gebracht. Een aanzienlijke verbetering van den voedingstoestand van het geheele lichaam is daarvan het gevolg.
Aan deze omstandigheid ontleenen schermen, boksen en worstelen hunne beteekenis als lichaamsoefening. Zoo verkregen
dus deze oefeningen een plaats onder die vormen van lichaamsoefening, die men tegenwoordig als sport aanduidt.
Er zij hier dan ook uitdrukkelijk op gewezen, dat het schermen, het boksen en het worstelen hier te lande niet zijn ingevoerd
als voorbereiding voor het tweegevecht in welken vorm dan ook*
doch uitsluitend als sport, als oefening dus, die, terwijl zij bij
gematigde oefening een gunstigen invloed kan hebben op de
lichaamsontwikkeling,den beoefenaars voldoening en genoegen
schenkt; eene voldoening en een genoegen, welke steeds het
deel zijn van hen, die zich met anderen meten in eerlijken
strijd.
9

Onder die vormen van tweegevecht is het boksen — met het
worstelen — een der meest natuurlijke. Wordt bij het schermen
nog gebruik gemaakt van een hulpmiddel, het blanke stoot-,
steek- of houwwapen, bij het boksen tracht men den tegenstanstander buiten gevecht te stellen en zich zelf te verdedigen met
het natuurlijke wapen, de vuist. Met opzet wordt hier gezegd
„den tegenstander buiten gevecht te stellen en zich zelf te verdedigen." Immers het komt ons voor dat de naam „ verdedigingssport"ongelukkig is gekozen. Het moge zeeridealistisch klinken,
dat men zijne lichamelijke behendigheid eventueel alléén zou
willen gebruiken ten einde zich zelf te verdedigen en nooit
iemand anders aan te vallen, men moet niet vergeten — en dit
geldt evengoed bij de beoefening van sport als bij het gevecht—
dat verdediging op den duur moet leiden tot de nederlaag. En
het is ons toch, ook bij sportbeoefening, om de overwinning te
doen! Daartoe moeten we aanvallen en tot dien aanval zullen
we des te eerder besluiten, naarmate wij meer vertrouwen kunnen
op onze vuisten, op onze beenen, kortom op ons zelf, zoowel in
den aanval, als, zoo noodig, bij de verdediging. Het boksen bevordert dan ook juist dat zelfvertrouwen, dat ons te pas kan
komen daar, waar men, zonder over eenig ander hulpmiddel te
beschikken, tegenstanders onschadelijk moet maken. In dit opzicht is het boksen een bij uitstek practische sport en overtreft
het als zoodanig het schermen.
In dit verband zij nog eens herinnerd aan de verhalen van Engelsche soldaten, goede boksers, die, in de nauwe loopgraven
belemmerd in het gebruik van hun geweer als steekwapen, dit
wegwierpen en met hunne tegenstanders een partijtje gingen
boksen met de bloote vuist, nu niet meer als sport, doch op leven
en dood.
Het spreekt wel vanzelf, dat het beoefenen van vechtoefeningen als sport moest leiden tot het toepassen van hulpmiddelen,
die het gevaar voor ernstige verwondingen moesten uitsluiten.
Terwijl bij het schermen daartoe maskers en handschoenen
worden gebruikt en steekwapens van een dopje zijn voorzien,
gebruikt men bij het boksen sterk opgevulde handschoenen.
Het gebruik van groote, dik-opgevulde handschoenen breekt
de kracht van den stoot, zoodat deze veel minder of in het geheel
10

niet pijnlijk is en geen verwondingen worden veroorzaakt. Een
tweede gevolg van het streven om bij het boksen verwondingen
te voorkomen was het stellen van regels, welke bij de beoefening moeten worden gevolgd.
Wat de beteekenis van het boksen als lichaamsoef eningbetreft
zij op den voorgrond gesteld, dat, evenals alle andere sporten,
ook het boksen in de eerste plaats een amusement is. Het zal ook
het meeste worden beoefend door hen, die daarvoor lichamelijk
en geestelijk het beste geschikt zijn en aan wie dus deze sport het
meeste voldoening en het meeste genoegen schenkt
Voorts vergt het boksen in zeer sterke mate verhoogde werking
van de organen voor bloedsomloop en ademhaling door de zeer
groote hoeveelheid arbeid, zoowel lichamelijk als geestelijk, die
dikwijls langen tijd achtereen wordt gepresteerd, zoodat het uithoudingsvermogen zeer sterk wordt ontwikkeld. Hierin is, naar
het ons voorkomt, een der belangrijkste voordeden gelegen uit
een militair oogpunt
Wat de spierontwikkeling betreft, ondergaan vooral de beenspieren, de strekspieren van de armen en de groote borstspieren
den invloed van het boksen, terwijl ook de rompspieren niet
werkeloos blijven en zoowel bij het toebrengen van de stooten
als bij het ontwijken en ontduiken van stooten in actie komen.
Eene speciale training voor de buikspieren is voorts noodzakelijk
teneinde zich minder gevoelig te maken voor stooten in den
maagkuil en den buik.
Het boksen echter vormt geen middel voor stelselmatige li chamelijke opvoeding, zooals m. i. volkomen ten onrechte zoo dikwijls wordt beweerd door al te groote enthousiasten voor deze
sport. Deze omstandigheid komt intusschen geenszins ten nadeele van zijn waarde als sport. Immers zij is inherent aan het
begrip sport. Bij eiken tak van sport treft men in meerdere of
mindere mate het bezwaar aan, dat zij het lichaam slechts eenzijdig oefent, dat verschillende lichaamsdeelen voortdurend op
dezelfde wijze worden bewogen en dus slechts speciale bewegingen worden aangeleerd, bewegingen, die meestentijds in het
dagelijksch leven weinig voorkomen. En zoo zal ook het boksen
slechts kunnen leiden tot eenzijdige lichaamsontwikkeling. Van
11

eene stelselmatige, harmonische lichaamsoefening is geen
sprake. Niet alleen, dat het boksen niet kan bijdragen tot een
volkomen doelmatige lichaamsontwikkeling, vooral watdespieren betreft, een veelvuldige beoefening van het boksen heeft in
dit opzicht zelfs een nadeeligen invloed en het is volkomen onjuist te beweren, dat het boksen ons een schoon, welgevormd
lichaam zou geven.
Teneinde zooveel mogelijk tegen een kaakstoot gedekt te zijn,
moet de voorste schouder (gewoonlijk de linker) omhoog gebracht worden, terwijl de wervelkolom in het borstgedeelte voorwaarts is gebogen, zoodat de rug rond wordt; beide schouders
worden voorts in sterke mate voorwaarts gebracht om de ellebogen voor het lichaam te kunnen brengen, een enanderteneinde
den maagkuil en de ribben te dekken. Ten slotte worden de
groote borstspieren in sterke mate en krachtig samengetrokken,
zoowel in de stelling, als bij het toebrengen en het afweren van
stooten, terwijl de schouderbladen eveneens voortdurend buitenwaarts — dus niet gefixeerd — zijn geplaatst. Een en ander veroorzaakt dan ook op den duur naar voren geplaatste schouders,
ronden rug en smalle ingedrukte borstkas.
Maar er is meer; door de groote inspanning, die deze tak van
sport van het lichaam vergt, kan zij alleen zonder nadeel worden
beoefend door hen, wier inwendige organen, waaronder vooral
het hart, volkomen gezond en bijzonder sterk zijn. Het boksen
is dan ook volkomen ongeschikt voor een algemeene beoefening
door jeugdige personen, bijv. op de scholen, iets wat het gemeen
heeft met andere sporten als worstelen, oefeningen aan rek,
ringen en brug, gewichtheffen, enz., te meer, waar gevaar voor
overdrijving en dus voor overinspanning niet is uitgesloten; ook
dit gevaar is, nog zonder dat sprake behoeft te zijn van wedstrijden, inherent aan sportbeoefening.
Moeten nu de genoemde bezwaren een reden vormen om het
boksen in het algemeen te ontraden ? Moet men met vage en
bovendien onjuiste argumenten de propaganda voor het boksen
bestrijden? Geenszins; maar ik wenschte wel voor de gevaren
te waarschuwen omdat het ook hier struisvogelpolitiek zou zijn
die nadeelen niet te willen zien of zelfs te ontkennen. Un homme
averti en vaut deux! Voor velen zullen de voordeelen, welke
12

ontegenzeggelijk aan het boksen zijn verbonden, tegen de nadeden opwegen en dit zal in het bijzonder het geval zijn voor
hen, die deel uitmaken van de Weermacht. Zoolang we nog niet
in een ideaal-wereld leven zullen er geschillen zijn tusschen verschillende volkeren, rassen, enz. en zullen die geschillen in
hoogste instantie moeten worden beslecht, doordat een der partijen zijne zienswijze desnoods met den sterken arm kan doordrijven. Is ook niet in de plannen voor een Volkerenbond sprake
van een Weermacht, die desnoods de eventueel onwilligen zal
dwingen, zich aan de uitspraak van de gedachte internationale
rechtbank te onderwerpen ? En juist voor Leger en Vloot is het
boksen, als sport, van groote beteekenis, omdat het eigenschappen ontwikkelt welke den militair juist als zoodanig te pas
komen. Reeds merkten wij op, dat het uithoudingsvermogen,
voor zoover dit berust op het goed functioneeren van het hart
en de longen, in sterke mate wordt ontwikkeld. En het zal wel
geen betoog meer behoeven dat dit een der voornaamste eigenschappen van een goed militair, hij zij soldaat of generaal, is.
Ook werd reeds vermeld, dat het zelfvertrouwen wordt ontwikkeld, juist in die omstandigheden, waarin de militair zich
door den aard van zijn beroep zoo dikwijls zal bevinden. En dit
bewustzijn, zich den vijand met de vuisten van het lijf te kunnen
houden, zal oorzaak zijn, dat hij in het gevecht van man tegen
man kalmer blijft; hij zal zijn tegenwoordigheid van geest behouden. En dit zal hem weer in staat stellen den toestand, waarin
hij zich bevindt, juist te beoordeelen en dienovereenkomstig te
handelen. Bij de beoefening van het boksen zal hij herhaaldelijk
hebben verkeerd in omstandigheden, waarin hij in het handgemeen zal kunnen komen; hij zal zoodoende bij ondervinding
weten, op welke wijze hij het beste zal kunnen weren; kortom,
zijn besluitvaardigheid in het handgemeen zal door de beoefening van het boksen worden vermeerderd.
Voor wat de Marine betreft komt hier nog de bijzondere omstandigheid bij, dat deze sport zich, door de betrekkelijk geringe
ruimte, die er voor noodig is, evenals het worstelen, in het bijzonder leent voor de beoefening aan boord. Ook het feit, dat twee
paar stevige bokshandschoenen voldoende zijn is een gunstige
factor.
13

Moge dit boekje dan ook krachtig bijdragen tot eene meerdere
beoefening van het boksen in ons land en in het bijzonder in
Leger en Vloot.
Maart 1919.

W. P. HUBERT VAN BLIJENBURGH.
Hoofd van Onderwijs bij de Gymnastiek' en
Sportschool der Kon. Marine.

14

I.

BOKSEN.

Boksen is een strijdwijze, waarbij men gebruik maakt van de
vuisten (Engelsch boksen) of van vuisten en voeten (Fransch
boksen) als wapens.
Deze handleiding behandelt het Engelsche boksen.
VECHT- E N SPELBOKSEN.
Men kan op twee wijzen boksen:
l . Met het doel den tegenstander zoo spoedig mogelijk buiten gevecht te stellen;
2 . Met het doel elkander nuttig en aangenaam bezig te houden, doch elk pijnlijk treffen te vermijden.
Het eerste is het eigenlijke vechtboksen, waarbij men er in
hoofdzaak op bedacht is, den tegenstander op de meest kwetsbare plaatsen (v.n.1. de kinzijden en de maagstreek) zoo hard
mogelijk te treffen en te beletten, dat hij die punten treft.
De tweede wijze van boksen is veel meer een spel, waarbij
het doel is den tegenstander zooveel mogelijk te treffen zonder
hem te kwetsen en zelf zoo weinig mogelijk getroffen te worden.
Vergelijken we het boksen met het sabelschermen, dan komt
het vechtboksen overeen met het strijden met den scherpen
vechtsabel, het spelboksen met het schermen met den lichten
sportsabel. In de eerste wijze van boksen zijn de handen dan ook
niet of dun bekleed, bij het spelboksen zijn ze zóó bekleed, dat
de kans op een pijnlijk treffen tot een minimum wordt beperkt.
Als zuiver sportieve oefening komt het spel-, voor wedstrijden
het vechtboksen meer in aanmerking.
Deze handleiding bedoelt in de eerste plaats te zijn een handleiding voor den spelbokser. In de tweede afdeeling zal nader
over het vechtboksen worden gehandeld.
e

e

HET TREFVLAK.
Trefvlak is het lichaam boven den gordel en het hoofd, uitgezonderd rug, nek en achterhoofd.
15

DE STELLING.
De stelling moet zoodanig zijn, dat ze een vasten stand, een
goed evenwicht, waarborgt en den tegenstander een zoo klein
mogelijk doel biedt, zonder de bewegelijkheid van het geheele
lichaam en van de armen in het bijzonder te verminderen.
Overigens is zij zoo los en vrij mogelijk en bij geoefende boksers zal de stelling dan ook afhangen van bouw en inzichten van
den bokser.
De meest algemeene stelling en daarom die, waarvan in deze
handleiding steeds zal worden uitgegaan is de volgende (zie
fig. 1 en 2):
Het linkerbeen voor, lichtgebogen, de punt van den voet in
de richting van den tegenstander, de hiel gewoonlijk op den
grond, doch ook wel geheven.
Het rechterbeen achter en iets buitenwaarts ten opzichte
van het linkerbeen en sterker gebogen. De hiel is gewoonlijk
geheven.
De hoek tusschen de beide voeten is eene natuurlijke, als in
den gewonen gang; de afstand, afhankelijk van de lengte der
beenen, gemiddeld ongeveer 40 c.M.
De romp is wat naar rechts gedraaid, zoodat de linkerschouder naar voren komt en helt iets naar voren. Het lichaamsgewicht rust meestal wat meer op den linker-, dan op den rechtervoet; dit verandert echter door rompbewegingen steeds.
De linkerschouder is opgetrokken, ter dekking van de kin,
de linkerarm wijst in de richting van den tegenstander, is flauw
gebogen, de elleboog ongedwongen naar binnen gebracht en
ter hoogte van den linkerborst of iets lager.
De rechterarm ligt los en bewegelijk tegen den borstwand,
de elleboog ter hoogte van de maagstreek, de rechtervuist voor
de kin of de linkerborst
De rugzijde van de vuist is naar buiten gekeerd. Bij de nietof dunbekleede vuist zijn de vingers stijf in de hand gesloten en
ligt de duim er overheen, bij de bekleede vuist is de duim zooveel mogelijk aan of in de handschoen gesloten om verstuikingen te voorkomen.
16

Het hoofd wordt eenigszins naar voren gebogen om de kin
achter den opgetrokken linkerschouder te dekken.
Intusschen van een stelling, die voor iedereen en steeds
dezelfde is kan geen sprake zijn. Reeds werd gezegd, dat zij afhangt van bouw en inzichten van den bokser (een leerling bedenke dat hij nog geen bokser is) doch ook gedurende den strijd
wijzigt zij zich, door voortdurende bewegingen van armen en
beenen, van het geheele lichaam, onophoudelijk. Men moet geheel los staan, in deze houding moeten alle spieren zooveel
mogelijk ontspannen zijn, zij mogen nooit krampachtig gespannen zijn en het geheele lichaam en elk lichaamsdeel afzonderlijk
moeten van uit de stelling op elk moment tot elke mogelijke
beweging in staat zijn.
Deze, voor het boksen gunstige, houding is voor een vrije
ademhaling gedurende het boksen ongunstig en zal op den duur
op den lichaamsvorm een nadeeligen invloed kunnen hebben.
Het eerste voorkome men door gedurende het boksen, zooveel
de partij dit toelaat (dus op een veiligen afstand van den tegenstander) de borst naar voren, de schouders naar achteren en
omlaag te brengen, het tweede door aan het einde van eene
boksoefening eenige rug-, schouderblad- en buikspieroefeningen te doen.
Men oefene nu en dan ook in de stelling met het rechterbeen, voor.
DE BEENBEWEGINGEN.
Van uiterst belang voor den bokser is de beweging der beenen,
het zoogenaamde voetwerk. Zoowel bij aanval als bij verdediging hangt van de beenen zeer veel af. Van de juiste plaatsing
der beenen zijn de standen debewegingvandenrompafhankelijk
en deze bepalen weervobr een grootgedeelte juistheid en kracht
van den stoot of zekerheid en afdoendheid van de wering of de
ontwijking. De bewegingen moeten steeds licht en vlug zijn
zonder ooit de vastheid van den stand of het evenwicht te benadeelen. De voeten moeten elk moment verplaatst kunnen
worden, mogen niet als 't ware aan den grond kleven, doch nooit
langer dan een oogenblik en nooit meer dan absoluut noodzakeis mag één voet den grond geheel verlaten. Tegelijk of beur2

17

telings moeten de beenen steeds gestrekt of gebogen kunnen
worden; de beenspieren moeten dus steeds bewegelijk, alleen
itt zeer bepaalde gevallen (b.v. bij het toebrengen van een stoot)
en dan slechts een oogenblik, sterk gespannen zijn.
Men onderscheidt de bewegingen der beenen in hoofdzaak in:
1. Passen voorwaarts en achterwaarts.
Bij de pas voorwaarts (of achterwaarts) verplaatst men eerst
den voorsten (achtersten) voet en trekt onmiddellijk daarop den
anderen tot op normalen stelling-afstand bij. De voetballen
bewegen rakelings langs den grond.
2. Sprong achterwaarts.
Bij den sprong achterwaarts zetmenkrachtigmetdenvoorsten
voet af, zoodat de beide voeten heel even van den grond gelicht
worden en het lichaam een korten afstand achterwaarts schuift
3. Passen zijwaarts.
Een pas naar links (of rechts) wordt gemaakt door eerst den
linker- (of rechter) voet naar links (of rechts) te verplaatsen en
onmiddellijk daarop de andere weer op den normale stellingafstand er voor of achter te brengen. Nooit mogen bij een pas
zijwaarts de beenen gekruist worden, daar dit ten nadeele van
de vastheid van den stand komt
4. De uitvallen voorwaarts of schuin voorwaarts.
Links voor staande zal men in 't algemeen links uitvallen. De
uitval bestaat dan uit een krachtig strekken van het rechterbeen
en den rechtervoet, waarbij de voorste voet even wordt opgelicht
en dichtlangs den grondnaarvoren schuift,terwijl het linkerbeen
iets, doch niet veel, meer gebogen wordt. Gewoonlijk komt men
in de stelling terug door den achtersten voet op den normalen
afstand bij te trekken; dus niet door weer op den rechtervoet in
de stelling te komen door afzetten met het linkerbeen.
Een beweging, die, wanneer goed uitgevoerd, met succes
toepassing kan vinden is het zoogenaamde „overstappen",hierin
bestaande, dat men het rechterbeen naar voren brengt (een rechtschen uitval maakt) tot naast de buitenzijde van het linkerbeen
van den tegenstander (zie bldz. 32).
18

Het voetwerk bestaat nu uit een voortdurende toepassing van
al deze bewegingen, waardoor het lichaam in voor- of achterwaartsche richting, naar links of rechts, langs den grond schuift
en men het den tegenstander moeilijk maakt zijn plannen uit te
voeren of eigen plannen te doorzien.
Nogmaals zij er hier op gewezen, dat de vastheid van den
stand, het evenwicht van het lichaam afhangt van de plaatsing
der beenen. Deze mogen nooit gekruist worden, zooveel mogelijk
moeten de voeten aan den grond blijven en op den normalen
afstand, omdat verkorting van dien afstand de vastheid van den
stand vermindert en vergrooting van dien afstand verplaatsing
van het lichaam bemoeilijkt, beide omstandigheden, die ten voordeele van den tegenstander komen.
DE ROMPBEWEGINGEN.
Ook de romp is voortdurend in beweging. Door voor- en
achterwaartsche en zijwaartsche buigingen in de lendenen krijgt
de romp een deinende beweging, die den tegenstander het juist
treffen bemoeilijkt, den indruk, dien men door een schijnbeweging wenscht te maken zeer kan versterken en een eventueel
ontwijken vergemakkelijkt.
Deze, zoowel als andere bewegingen, in sterke mate uitgevoerd, vergen echter veel arbeid, terwijl men bij het boksen zijn
arbeidsvermogen zoo zuinig mogelijk moet gebruiken. De bewegingen moeten dus los en lenig worden uitgevoerd en niet
overdreven groot zijn.
DE ARMBEWEGINGEN.
Steeds zijn beide armen in beweging, om het ook hierdoor den
tegenstander moeilijk te maken onze plannen te doorzien en om
ze voortdurend los en klaar voor elke beweging te houden, terwijl ze minder snel vermoeid raken.
De linkervuist maakt hierbij steeds kringvormige bewegingen
naar den vijand toe en op en neer, terwijl de rechter kringen beschrijft voor de borst.
Men overwinne ook in deze bewegingen alle stijfheid, houde
19

steeds de armspieren los. Is men van plan te stooten, dan staakt
men de bewegingen niet; dit zou den tegenstander waarschuwen.
Men stoote van uit deze bewegingen.
DE AFSTAND.
De afstand bij het boksen is steeds veranderlijk. De gemiddelde afstand is die, waarbij men den tegenstander, dooreen uitval
of een pas voorwaarts te maken (het z.n. instappen), nog juist
kan treffen. Het is duidelijk, dat de afstand, dien de bokser kiest,
overigens afhankelijk is van zijn lengte en van zijn techniek en
van de lengte en de techniek van den tegenstander. Iemand,, die
zich door middel van zijn beenen snel kan verplaatsen, zal bij
voorkeur een grooten afstand bewaren, vooral tegenover een
langen tegenstander, iemand, die snel is in wering of ontwijking
bij voorkeur een korteren afstand, vooral tegen een kleinen tegenstander. Elke nieuwe partij stelt andere eischen en alleen na veel
oefening met verschillende tegenstanders krijgt men een goed
begrip van het kiezen en van het bewaren van den goeden afstand (ziefig.4).
ALGEMEEN OVERZICHT DER BEWEGINGEN.
Men onderscheidt aanvals- en verdedigingsbewegingen.
De aanvalsbewegingen worden weer onderscheiden in schijnaanvalien, de eigenlijke aanvallen, voor- en tegenaanvallen en
na-aanvallen.
Zeer zelden zal tusschen geoefende boksers een aanval zonder
eenige voorbereiding uitgevoerd worden. Zoodra zij tegenover
elkaar staan zullen zij trachten uit te vinden op welke wijze de
tegenstander bij voorkeur aanvalt en zich verdedigt en daarbij
nauwkeurig waarnemen hoe zijn stelling en zijn voetwerk is en
wel door met schijnaanvallen verdedigingsbewegingen en door
opzettelijk-zich-bloot-geven aanvalsbewegingen van den tegenstander uit te lokken.
Zoodra een van beide voldoende is ingelicht, zal hij zich met
die gegevens een aanvalsplan vormen en dat plan zoo spoedig
mogelijk uitvoeren. Op een schijnaanval volgt dan de eigenlijke
aanval en het is aan den tegenstander om, door een vooraan val,
20

een tegenaanval of een verdedigingsbeweging te beletten, dat
die aanval gelukt. Is hij hierin geslaagd, dan zal hij trachten door
een na-aanval gebruik te maken van de voordeelige positie,
waarin hij door zijn geslaagde verdedigingsbeweging kwam.
Aanvalsbewegingen
zijn bewegingen, die dienen om den tegenstander een stoot te
brengen.
De verschillende vormen van stooten zijn:
1. Enkelvoudige stooten.
a. Rechte stooten;
b. Halfarmstooten;
c. Zwaaistooten;
elk van welke links en rechts en naar hoofd of lichaam kan worden toegebracht
2. Dubbele stooten, opeenvolgingen van twee stooten met
denzelfden arm (dus b.v. twee rechtsche stooten, één naar het
hoofd, één naar het lichaam) of wel met verschillenden arm
(b.v. één rechtsche stoot naar het hoofd en een linksche naar
het lichaam).
Verdedigingsbewegingen.
zijn bewegingen, die dienen om te voorkomen of te beletten, dat
een stoot van den tegenstander treft Ze zijn in drie hoofdgroepen
te onderscheiden:
f. Dekken en blokken, waarbij het bedreigde kwetsbare
lichaamsdeel door een niet-kwetsbaar lichaamsdeel wordt bedekt of gedekt (dekken) of de dreigende vuist bij den aanvang
vanofgedurendehaarbewegingwordttegengehouden(blokken).
2. De eigenlijke weringen, waarbij de aanvallende arm uit de
richting wordt geslagen of geschoven.
3. De ontwijkingen en ontduikingen, waarbij men door bewegingen van hoofd, romp en beenen het bedreigde lichaamsdeel
buiten gevaar brengt
DE AANVALSBEWEGINGEN.
De eigenlijke aanvalsbeweging is de stoot in zijn verschillende vormen. Een stoot is pas volmaakt wanneer de armbe21

weging in volkomen harmonie is met de romp- en beenbewegingen. Het eischt zeer veel oefening om de voor een bepaalden
stoot noodige samenwerking van alle spieren te verkrijgen.
Een stoot moet juist zijn, d. w. z., wanneer bij het stooten de
bedoeling voorzit een bepaalde plaats te treffen, moet die plaats
ook getroffen worden. Men stoote niet in het wilde weg, alleen
maar met het doel om te stooten, dus in de lucht of naar gedekte
plaatsen van den tegenstander. Dit is nutteloos en kan zelfs
nadeelig zijn.
Een juiste stoot moet snel zijn. Een tegenstander zal, door de
beweging van zijn armen, hoofd en romp, meermalen, doch
slechts een oogenblik, op een of andere plaats ongedekt zijn.
Wil men daarvan gebruik maken, dan moet de aanval ook met
alle snelheid, waarover men beschikt worden doorgezet. Alleen
dan is er kans, dat de tegenstander geen tijd meer heeft zich te
verdedigen en getroffen wordt. Langzame, aarzelend uitgevoerde
aanvallen zijn voor den aanvaller het gevaarlijkst.
In de wijze van treffen treedt een verschil tusschen vecht- en
spelboksen op. Bij het vechtboksen moet de stoot niet alleen
juist en snel doch ook krachtig zijn. Een stoot in het algemeen
bestaat uit een arm-, schouder-, romp- (heup-) en beenbeweging. Arm- en schouderbeweging geven in hoofdzaak richting
aan den stoot, de snelheid ontstaat door de combinatie van de
vier genoemde bewegingen. De kracht van den stoot bij het
vechtboksen ontstaat nu hierdoor, dat men, door op het oogenblik van treffen van stootarm en -schouder een stijf geheel te
maken, het geheele door romp- en beenbewegingen aan het
lichaam meegedeelde arbeidsvermogen in den stoot tot uiting
doet komen. De stoot kan dan een kracht krijgen, die in staat is
den aanvaller neer te werpen, hem het bewustzijn te doen verliezen of ernstig te kwetsen.
Dit is bij het spelboksen niet de bedoeling. De stoot moet wel
juist en snel zijn, doch op het oogenblik van treffen wordt zij
ingehouden, zoodat de vuist ten slotte den tegenstander alleen
raakt, niet kwetst. Overigens verminderen de dikbekleede handschoenen de kans op kwetsen reeds belangrijk en behoeft men
dus niet te bang te zijn voor een flinken stoot.
Is het na een stoot mogelijk een tweeden toe te brengen, dan
22

voert men dien onmiddellijk na den eersten uit. Daarna of, zoo
het niet meer mogelijk is, na den eersten stoot, neemt men dadelijk weer de stelling aan, zoo noodig met een pas of sprong
achterwaarts om buiten het bereik van den tegenstander te komen.
Terwijl men met één vuist stoot moet de andere hoofd en
lichaam dekken en klaar zijn om een tegenaanval te weren. Men
brengt daartoe bij een linkschen stoot den rechterarm wat hooger, naar de linkerkaakzijde, met de palm van de hand naar buiten, bij een rechtschen stoot, waarbij de linkerkant van lichaam
en hoofd het meest zijn blootgesteld, brengt men de linkerhand
links voor het hoofd, zoodat onder- en bovenarm het lichaam
dekken.
Bij het toebrengen van een stoot draaie men den overeenkomstigen hiel een weinig naar buiten, waardoor de draaiing van den
romp wordt bevorderd. Vooral wake men tegen het van den
grond lichten van den achtersten voet, een fout, die door beginnelingen zeer veel wordt gemaakt.
Verder make men zich een goede beweging van de vuist
eigen (zie blz. 26). Een met een foutief gehouden vuist toegebrachte stoot kan voor den stooter onaangename gevolgen
hebben.
De rechte stooten.
Bij de rechte stooten beweegt de vuist zich, door het krachtig
strekken van den arm, in een rechte lijn naar dat punt van het
tref vlak, dat men raken wil. Hierbij kan men de vuist bewegen
vanaf de plaats, waar 'zij zich op het oogenblik bevindt (korte
stooten) of wel haar eerst terughalen en vanaf den schouder uitstooten (lange stooten).
De korte rechte stooten zijn de snelste stooten, omdat zij een
rechte lijn naar het doel volgen en onder deze is de linksche
stoot de allersnelste, omdat de linkervuist zich het dichtst bij
het lichaam van den tegenstander bevindt. De laatste zal dan
ook verreweg het meest worden toegepast en gedurende een
partij zij men er steeds op bedacht. Tevens volgt hieruit, dat
het van veel belang is in de eerste plaats het stooten met den,
aanvankelijk ongeoefenden, linkerarm te beoefenen, voor men
daarnaast den rechter voor aanvallen gebruikt.
23

1. De rechte stoot links naar het hoofd. — Met een voorwaartschen uitval (waarbij dus rechterbeen en voet krachtig worden
gestrekt, zie bldz. 18) den linkerschouder naar voren brengen,
door den romp naar voren te brengen en naar rechts te draaien
en den linkerarm krachtig strekken in de richting van het hoofd
van den tegenstander (zie fig. 3 en 4). Bij het treffen den rechtervoet met de punt vlak langs den grond bijtrekken.
2. De rechte stoot links naar het lichaam. — Wordt uitgevoerd
als de voorgaande. Men kan bij dezen stoot wat doorbuigen in de
knieën om zoo den weg naar het lager gelegen doel te verkorten
(ziefig.5).
3. De rechte stoot rechts naar het hoofd. — De romp wordt
door krachtig strekken van rechtervoet en rechterbeen naar voren
gebracht en tevens naar links gedraaid, zoodat de rechterschouder naar voren komt. Tegelijkertijd wordt de rechterarm snel in de
richting van het hoofd van den tegenstander gestrekt (ziefig.6).
Bij het treffen komt de rechtervoet weer dicht langs den grond
naar voren.
4. De rechte stoot rechts naar het lichaam. — Als de voorgaande. Ook hierbij kan men weer wat doorbuigen in de knieën.
De halfarmstooten.
Wordt gedurende het gevecht de afstand tot den tegenstander
kleiner (door instappen b.v.) dan gebruikt men de halfarmstooten. Het kenmerk van deze stooten is, dat de armen gebogen
blijven bij het toebrengen. De snelheid van den stoot moet verkregen worden door beweging van den gebogen arm en door
draaiing van romp en beenen.
Bijzondere vormen van halfarmstooten zijn de hoek- en opstooten.
1. De llnksche halfarmstooten.
Den bovenarm vanuit de houding in de stelling naar het
lichaam toetrekken en den onderarm er zóóveel op buigen, dat
de vuist, zonder verdere beweging van den onderarm t.o.v. den
bovenarm, het doel kan treffen door draaiing van romp en beenen
en eenige beweging van den bovenarm in het schoudergewricht.
Hierbij wordt de bovenarm meer of minder geheven en worden
24

de beenen meer of minder gestrekt al naarmate het doel hooger
(het hoofd) of lager (het lichaam) gelegen is (ziefig.7).
Is de hoek tusschen onder- en bovenarm hierbij ongeveer 90°
dan spreekt men van een Ünkschen hoekstoot (ziefig.8).
Wordt de arm aanvankelijk bewogen als voor den linkschen
halfarmstoot, doch stoot men hem daarna in opwaartsche richting
uit, dan brengt men een linkschen opstoot toe (zie fig. 9). De
snelheid van de armbeweging wordt hierbij vergroot door heffen
en strekken van romp en beenen.
2. De rechtsche halfarmstooten.
Worden toegebracht als de linksche halfarmstooten, doch bij
het draaien van den romp wordt de rechtervoet langs den grond
naar voren geschoven. Hetzelfde geschiedt bij het toebrengen
van een rechtschen opstoot (zie fig. 10 en 11).
De zwaaistooten.
Deze worden toegebracht door een zwaaiende beweging van
den bijna (doch niet volkomen) gestrekten arm. Ze volgen een
langen weg en het is voor den tegenstander gemakkelijk ze te
zien aankomen en er aan te ontkomen, van daar dat ze weinig
toepassing vinden, vooral tegen een nog ongeschokten tegenstander.
De linksche zwaaistoot wordt toegebracht, door den linkerarm
zijwaarts te strekken, den rug van de hand naar het doel gekeerd
en de vuist dan, door beweging van den arm in het schoudergewricht en door draaiing van den romp, naar het doel te zwaaien
(fig. 12). Al naar de plaats, die men treffen wil, zwaait men hooger
of lager en strekt de beenen meer of minder.
Men zorge ervoor den stoot niet zoodanig toe te brengen, dat
men het evenwicht verliest of door de eigen beweging wordt
meegesleept Het is dan nog mogelijk om, wanneer de tegenstander b.v. den rechtschen zwaaistoot ontdoken heeft, hem,
door de vuist een halven slag te draaien en terug te zwaaien een
teruggaanden stoot tegen de rechterzijde van het hoofd toe te
brengen.
De zwaaistoot kan ook van beneden naar boven worden toegebracht, door den arm omlaag te strekken en vervolgens op te
25

zwaaien, waarbij de uitwerking weer vergroot wordt door een
overeenkomstige beweging van romp en beenen als bij den
opstoot.
Bij de rechtsche zwaaistooten komt met het draaien van den
romp de rechtervoet weer naar voren.
De dubbele stooten.
Een snelle opeenvolging van twee stooten is een dubbele
stoot. Hij bestaat uit een samenstelling van twee willekeurige
stooten b.v.
rechte stoot links n. h. lichaam
rechte stoot links

„ rechts „ hoofd
naar het hoofd
n
n
»
» lichaam
.,. ,
t rechte stoot rechts naar hoofd
rechte stoot links
\
. . .
,. .
i zwaaistoot „


naar lichaam
{ halfarmstoot r. naar hoofd of lichaam
Zij kunnen zeer nuttig zijn tegen een langzaam of zorgeloos
tegenstander. Het is veilig met een linkschen stoot te beginnen,
omdat men dan met den linkerschouder het hoofd dekt tegen een
rechtschen stoot.
De vuisthouding.
Men moet trachten alle stooten toe te brengen met de knokkels
tusschen middenhandsbeentjes en eerste vingerkootjes of met
de voorvlakte van de vuist, gevormd door de eerste vingerkootjes.
Bij de rechte stooten is hiertoe geen bijzondere beweging van
de vuist noodig, alleen kan men haar een weinig op den onderarm buigen.
Bij de halfarmstooten (uitgezonderd de opstooten) draait men
de vuist zoodanig, dat de handrug naar boven wijst; bij de opstooten is de handrug naar den tegenstander gekeerd en de
vuist een weinig op den onderarm gebogen. Bij de zwaaistooten
tenslotte is de handrug gedraaid in de richting van den tegenstander en de vuist eenigszins overstrekt (de handrug gebogen
naar den onderarm).
Zorgvuldig make men zich bij de beoefening der stooten
26

deze vuisthouding eigen, daar fouten daarin bij het toebrengen
van een stoot ernstig letsel van het handgewricht kunnen veroorzaken.
Opmerking: Hier zijn alleen de stooten inhuneenvoudigsten
vorm behandeld. Er bestaan natuurlijk tal van grootere en kleinere afwijkingen, stooten, die, in hoofdzaak aan de beschrevene
gelijk, erin onderdeden van verschillen. Ieder bokser vormt zich
op den duur voor zich zelf een of meer speciale stooten, waarvan
enkele blijken wel voordeelen te hebben, doch die hier niet alle
beschreven kunnen worden.
DE VERDEDIGINGSBEWEGINGEN.
Ia. Dekken.
Bij deze wijze van verdediging wordt het bedreigde lichaamsdeel eenvoudig gedekt door arm of handschoen, zoodat de stoot
op dien arm of handschoen wordt opgevangen. Tegen rechte en
halfarmstooten (uitgezonderd opstooten) naar het hoofd, dekt
men zich door de rechter- of linkerhand met de palm naar buiten
iets vóór (niet tegen) het gelaat te brengen (is de linkerzijde de
bedreigde dan de rechterhand en omgekeerd) en den arm stijf te
spannen of den stoot iets te gemoet te gaan. Tegen opstooten
door een hand (bij voorkeur de rechter) met de handpalm omlaag ter hoogte van de kin te brengen.
Tegen een zwaaistoot brengt men den arm met de rugzijde
naar buiten even naast de bedreigde zijde, tegen een linkschen
zwaaistoot den rechter-, tegen een rechtschen zwaaistoot den
linkerarm (ziefig.12).
Stooten naar het lichaam ontvangt men op de over de bedreigde plaats gelegde hand of onderarm.
Ib. Blokken (fig. 13).
Hierbij wacht men den stoot van den tegenstander niet af en
vangt hem op, doch men gaat den stoot tegemoet en voorkomt
hem en wel door de aanvallende vuist (of de vuist, waarvan men
een aanval verwacht) tegen te houden en zelfs terug te duwen.
Dit heeft het voordeel, dat men niet wordt getroffen en vaak den
tegenstander het evenwicht doet verliezen, doch het blokken
eischt veel juistheid en snelheid, dus veel oefening.
27

II. Weren.
a. doorslaan.
De aanvallende arm wordt uit de richting geslagen met linkerof rechterhand of onderarm naar links of rechts, soms tevens
iets naar boven of beneden.
Zoo kan men een linkschen rechten stoot naar het hoofd
weren door:
P. den linkerarm van den tegenstander met den rechterarm
naar buiten (rechts) te slaan. Dit is de snelste wering (fig. 14);
2 . dien arm met den rechterarm naar links te slaan; wanneer
deze wering voldoende krachtig wordt uitgevoerd brengt zij den
aanvaller in een gunstige positie voor een na-aanval;
3 . dien arm met den linkerarm naar links te slaan. De linkerarm is gewoonlijk niet in een gunstige positie voor deze
wering;
4". dien arm met den linkerarm naar rechts te slaan. Deze is
de ongunstigste, omdat men in een voor een rechtschen aanval
van den tegenstander gunstige positie komt en zelf moeilijk kan
nastooten (fig. 16).
e

e

De wering van de linksche rechte stooten naar het lichaam en
van de rechtsche rechte stooten volgt hieruit vanzelf. De overige
stooten zijn veel moeilijker te weren; tegen deze zal men dus
liever dekken of blokken of een van de volgende verdedigingswijzen (ontwijken of ontduiken) toepassen.
b. doorschuiven.
Dit gelijkt zeer veel op het weren, alleen slaat men niet, doch
schuift, drukt men den aanvallenden arm uit de richting door den
buitenrand van de hand of het vleezige gedeelte van den onderarm er tegen te plaatsen en den arm naar buiten en naar boven
te drukken. Hierdoor kan men den tegenstander dwingen in een
voor den nastoot gunstige positie (zie fig. 17).
Er zijn vele andere vormen van verdediging, die veel op deze
gelijken. Zoo kan men de aanvallende vuist in de geopende hand
opvangen en in een bepaalde richting duwen (als het ware
blokken en schuiven tegelijk), een stoot, in plaats van er tegen
te dekken, opvangen op schedel of schouder (zie fig. 18), in het
algemeen op weinig kwetsbare plaatsen, enz.
28

III. Ontwijken en ontduiken.
Hierbij onttrekken we door bewegingen van hoofd, romp en
beenen het bedreigde deel van het lichaam aan den aanval. Men
kan dit daartoe zijwaarts, naar achteren, naar beneden (ontduiken) en (het hoofd b.v. tegen een hoekstoot, fig. 21) naar voren
verplaatsen, hetzij door een enkele hoofdbeweging, dan wel door
buigen van den romp of door zijwaarts, in- of achterwaarts te
stappen en tenslotte door combinatie's van deze bewegingen.
Tegen een linkschen rechten stoot naar het hoofd b.v. kan
men:
P. Het hoofd iets naar links buigen of door een rompbeweging
brengen (slippen).
2 . Het hoofd naar rechts buigen of brengen (fig. 5 en 7).
3°. Naar achteren ontwijken (fig. 19).
4 . Een zijstap naar rechts maken (fig 20).
5 . Ontduiken door hoofd of romp of beide naar beneden te
brengen door buigen, zoo noodig ook in de knieën (fig. 10).
Men kan deze bewegingen ook weer combineeren met passen
zijwaarts, voorwaarts of schuinvoorwaarts.
Men zij er in het algemeen bij ontwijkingen op bedacht, ze in
een voorwaartsche richting uit te voeren, omdat men daardoor
in een gunstiger positie komt voor een na-aanval. Ontwijkt men
b.v. een rechtschen zwaaistoot door den romp te buigen en
tevens een pas schuinlinks voorwaarts te maken, dan krijgt men
een goede gelegenheid den tegenstander een rechtschen halfarmstoot naar de ribben of een rechtschen opstoot toe te brengen
(ziefig.11).
Dubbeldekkingen.
In bijzondere gevallen maakt men gebruik van zoogenaamde
«dubbeldekkingen" en wel voornamelijk bij het „ invechten" (zie
bldz. 33) en tegen een onstuimigen aanval van den tegenstander.
In beide gevallen is het doel, dicht bij den tegenstander, tusschen
zijn armen, te komen en hem dan een serie halfarmstooten toe
te brengen. Men dekt zich dan met beide armen op een der volgende wijzen:
1". door de bovenarmen tegen het lichaam te drukken en de
onderarmen hierop sterk gebogen te houden, zoodat de handschoenen het gelaat dekken (ziefig.22);
e

e

e

29

2 . door met opgetrokken schouders in elkaar te kruipen, de
bovenarmen naar voren te steken en de onderarmen horizontaal
voor het gelaat te houden (fig. 23);
3 . door den linkerarm over den maagkuil te leggen en met
de rechterhandschoen het gelaat te dekken; de linkerarm wijst
dus schuin naar beneden, de rechter schuin naar boven (fig. 24).
e

e

DE VOÖRAANVAL.
De bedoeling van den vooraanval isdentegenstandereenstoot
toe te brengen op het oogenblik, dat hij een begin van uitvoering
gaat geven aan een aanval. Daartoe is noodig, datmenwetectof,
hoe en waar de tegenstander zal trachten zijn stoot toe te brengen,
dat men snel kan beraden hoe en waar men den voor- (stop-) stoot
zal plaatsen en dat deze stoot doeltreft vóór dien van den tegenstander. Voor beraad en uitvoering van den stoot is slechts
weinig tijd beschikbaar en snel waarnemen, snel denken, snel
besluiten en snel handelen zijn dan ook vereischten. Van hem,
die deze eigenschappen niet van nature bezit, vergt de stopstoot
zeer veel oefening.
De stopstoot bij uitnemendheid is de linksche rechte (korte)
stoot naar het hoofd, waarbij men den linkerschouder sterk
naar voren brengt, het onderlichaam eenigszins intrekt (tegen
lage stooten) en met den vrijen rechterarm het hoofd dekt (tegen
hooge stooten) (ziefig.25 en 38).
Men kan den stopstoot ook toebrengen op bovenarm of
schouder van den aanvallenden arm. Zoo toegepast kan de
stopstoot, die anders vooral voor langere boksers voordeelig is,
ook door kleinere te gebruiken zijn.
DE TEGENAANVAL.
Bij een tegenaanval (tijdstoot) weert of ontwijkt men den stoot
van den aanvaller en stoot tegelijkertijd, is men dus op hetzelfde
oogenblik verdediger en aanvaller.
Brengt men tegen een linkschen rechten stoot naar het hoofd
het hoofd een weinig naar rechts en stoot men tegelijkertijd links
30

naar het hoofd van den tegenstander, dan heeft men een tijdstoot
toegebracht (fig. 26) *)•
Een bijzondere vorm van tijdstooten zijn de kruisstooten. Men
onderscheidt binnen- en buitenkruisstooten.
Brengt men, tegen een hoogen aanval met een linkschen
rechten stoot het hoofd een weinig naar links, zoodat de aanvallende arm juist over den rechter schouder en naast het hoofd
voorbijschiet en brengt men den aanvaller met de rechtervuist
buiten zijn arm om een stoot naar het hoofd toe, dan noemt men
dit een rechtschen buitenkruisstoot (fig. 27). Fig. 30 laat zien, dat
het goed optrekken van den linkerschouder bij een aanval met
een linkschen rechten stoot het toebrengen van den buitenkruisstoot onmogelijk maakt.
Brengt men het hoofd wat verder naar linksen stoot men rechts,
zóó, dat de rechterarm tegelijkertijd den aanvallenden arm naar
buiten drukt, dan heeft men een rechtschen binnenkruisstoot toegebracht (fig. 28). Bij den laatsten zij men er op bedacht, dat men
in een gunstige positie komt voor een stoot met de rechtervuist
van den tegenstander, waartegen men zich dan ook met de vrije
linkervuist moet dekken.
Op een rechtschen stoot is de beste tegenaanval de linksche
btnnen-krulsstoot, waarbij men er weer om denke tegen de
linkervuist van den tegenstander te dekken.
NA-AANVALLEN.
De verdediger zal het bij een eenvoudige verdediging zelden
laten, omdat verdediging alleen nooit kan leiden tot de overwinning en hij door een goede verdedigingsbeweging gewoonlijk in een gunstige positie komt om aan te vallen.
De vorm van den na-aanval hangt grootendeels af van den
vorm van den aanval en van dien van de verdediging tegen dien
aanval. Heeft men, ter verdediging, een grooten sprong achterwaarts gemaakt, dan zal het niet mogelijk zijn den aanvaller
onmiddellijk daarna een stoot toe te brengen. Overigens kan op
elke verdediging een nastoot volgen.
') Om het verschil te demonstreeren tusschen een tijdstoot en een gewone wering met nastoot isfig.29 opgenomen, waarop de aangevallene
de linksche rechte stoot naar het hoofd eerst weerde en thans nastoot.

31

Aanval: Linksche rechte stoot naar het hoofd.
Verdediging.

Na-aanval.

P. Dekken of blokken.

Linksche rechte stoot naar
hoofd of lichaam.
2 . Weren met den linkerarm Rechts naar het lichaam.
naar links.
3 . Weren met den rechterarm Links naar het lichaam, c.q. genaar links.
volgd door rechts n. h. hoofd.
4'. Weren met den linkerarm Rechts naar het lichaam.
naar rechts.
5 . Weren met den rechterarm Links naar het hoofd of naar
naar rechts.
het lichaam.
6 . Ontwijken naar rechts.
Linksche of rechtsche (of beide)
nastoot naar het lichaam of
linksche opstoot n. h. hoofd.
N.B. Bij deze verdediging kan
men „overstappen" (zie blz.
18)voor den linkschen halfarmstoot, vervolgens een kwartdraai naar links maken en
rechts naar het hoofd stooten
(zie fig. 31).
7'. Ontwijken naar links.
Rechts naar het lichaam, zich
met den linker dekkend of
den rechter van den tegenstander blokkend.
e

e

e

e

Aanval: Rechtsche rechte stoot naar het hoofd.
V. Dekken of blokken.

Rechts of links naar het hoofd
(zwaai- of hoekstoot).
2'. Weren naar links met lin- Rechts naar hoofd of lichaam.
kerarm.
3 . Weren naar rechts met Links naar het lichaam. (Het
rechterarm.
hoofd van den tegenstander
is gedekt door den aanvallenden arm).
4 . Ontwijken naar links enz. Rechts naar het lichaam enz.
e

e

32

Op deze wijze is een ontelbaar aantal combinaties tusschen
aanvallen, verdedigingen en na-aanvallen te bedenken. In het
algemeen verdienen die verdedigingsbewegingen het meeste
aanbeveling, die ons brengen aan de buitenzijde van den aanvallenden arm. Men behoeft zich dan niet te dekken tegen een
aanval van den anderen arm en heeft beide armen vrij voor den
na-aanval, komt dus in de gelegenheid een dubbelen nastoot
toe te brengen.
Een geoefend tegenstander zal in de meeste gevallen na een
aanval trachten dicht op te sluiten. Nastooten zullen dan ook
gewoonlijk halfarmstooten zijn.
INVECHTEN.
Hieronder verstaat men elk gevecht op korten afstand, waarbij
dus halfarmstooten alleen te gebruiken zijn. De grootste moeilijkheid van invechtenisden tegenstander op dien korten afstand
te naderen. De eenvoudigste methode is lukraak in te loopen,
doch, vooral tegen een frisch en krachtig tegenstander, is deze
niet aan te bevelen.
Beter is het af te wachten tot men door een geslaagde verdedigingsbeweging in een gunstige positie ten opzichte van hem
komt, hetzij door een wering, die hem een oogenblik het evenwicht doet verliezen, hetzij door een ontwijking in een schuinvoorwaartsche richting.
Men kan ook trachten hem vanaf den normalen afstand een
flinken treffer te bezorgen om dan onmiddellijk daarna in te
stappen en hem een serie halfarmstooten (hoek- en opstooten)
toe te brengen.
Dan kan men nog — en dit is vooral zeer bruikbaar tegen een
tegenstander, die een wilden aanval met zwaai- en hoekstooten
waagt — een der dubbeldekkingen (zie bldz. 29) aannemen en
het einde van zijn aanval afwachten om dan onmiddellijk aan te
vallen met een serie halfarmstooten. Vooral de op bldz. 29 sub l
genoemde dekking is zeer nuttig in deze gevallen. De laatste
wijze van invechten heeft het voordeel, dat men in ieder geval
tusschen de armen van den tegenstander komt, zoodat men, door
eenvoudig de schouders op te trekken voldoende gedekt is tegen
e

3

33

zijn aanvallen en de armen vrij houdt voor de stooten. Zie ook
figuur 32.
Ten slotte kan men natuurlijk op een der genoemde manieren
gedekt op den tegenstander inloopen en hem, zoodra de afstand
dit toelaat, zooveel mogelijk stooten toebrengen.
Om weer weg te komen kan men den tegenstander vastgrijpen
of zich met het lichaam tegen hem aandrukken op een der in de
volgende paragraaf te behandelen wijzen en vervolgens van
hem losbreken en dadelijk de stelling weer aannemen.
VASTGRIJPEN.
Dit is een verdedigingsbeweging, die in het spelboksen weinig
toepassing zal vinden. Het doel ervan is om, na 'n mislukten aanval of een mislukte verdediging den tegenstander te beletten na
te stooten; men voert dit gewoonlijk op de navolgende wijze uit.
Zoo noodig instappen. Is men tusschen de armen van den
tegenstander, dan worden deze tegengehouden door de eigen
onderarmen in zijn zijde te leggen en zijn armen met de bovenarmen naar buiten te drukken. Door de schouders op te trekken
en het hoofd zoo dicht mogelijk bij het lichaam van den tegenstander te brengen, zoo mogelijk op een van zijn schouders te
leggen, is men tegen aanvallen beveiligd (zie fig. 33).
Is de positie juist andersom (d.w.z. is de tegenstander tusschen
onze armen ingevochten) dan brengt men het hoofd zoo dicht
mogelijk naar een van de schouders van den tegenstander en
drukt intusschen, door de polsen in zijn ellebogen te plaatsen
zijn armen naar beneden en tegen zijn lichaam (zie fig. 34).
Het is den tegenstander wél geoorloofd, zoo hij dit kan, te
stooten, dengeen die vastgrijpt echter niet. Reglementen van
boksbonden schrijven voor in welke gevallen bij het vastgrijpen
stooten wel geoorloofd is. Zie hiervoor later. In ieder geval
echter komt het er bij het vastgrijpen vooral op aan goed gedekt
te zijn. Zie ookfig.35.
LOSBREKEN.
Men zij dan ook niet zorgeloos in zijn bewegingen om weer
aan deze positie te ontkomen. De beste manier is een flinken
34

sprong achterwaarts te maken en tegelijkertijd den tegenstander
eenigszins van zich af te duwen. Zorg vooral ook bij het losbreken goed gedekt te zijn.
SCHIJNAANVALLEN.
Schijnbewegingen dienen om den tegenstander in den waan
te brengen dat hij wordt aangevallen, zoodoende een bepaalde
verdedigingsbeweging van den tegenstander uit te lokken en
hem dan op de daardoor ontstaande ongedekte plaats aan te
vallen.
Een schijnstoot heeft alleen dan succes, wanneer hij met allen
schijn van een echten aanval wordt uitgevoerd. Voert men een
schijnstoot naar het lichaam uit door den arm snel (doch niet
geheet) te strekken, den voet iets (niet over den vollen uitvalsafstand) naar voren te verplaatsen, den romp wat voorover te
buigen en tevens plotseling sterk naar het onderlichaam van den
tegenstander te kijken, dan zal hij niet kunnen nalaten hierop
met een verdedigingsbeweging te antwoorden en in ieder geval
zijn aandacht even aan den schijnbaar aangevallen plaats te
wijden, waarop men een goede kans heeft hem met een rechten
rechtschen stoot naar het hoofd met uitval te treffen (zie ook
fig. 36 en 37).
Een slap, langzaam uitgevoerde schijnstoot zal niet den gewenschten indruk maken, zelfs zal de tegenstander er gebruik
van kunnen maken voor tegenaanvallen. Alleen door oefening
kan men komen tot goed uitgevoerde schijnaanvallen, terwijl
men daardoor bovendien verkrijgt, dat zij geen overdreven arbeid
vorderen en daardoor zeer vermoeiend werken. Het is mogelijk
het zoover te brengen, dat men, zonder zichzelf veel in te spannen, den tegenstander, die op die schijnbewegingen steeds moet
antwoorden, afmat.
Doch dit is niet het eenige gebruik, dat men van schijnbewegingen maakt. Bij den aanvang van een partij worden schijnbewegingen uitgevoerd om te ontdekken, op welke wijze daarop
door den tegenstander gereageerd wordt Op een juiste beoordeeling van de eischen, die elke partij stelt een goeden kijk op
been- en arm werk van den tegenstander en een verstandig ge35

bruik maken van diens fouten en eigenaardigheden komt het bij
het boksen in hoofdzaak aan en het zijn vooral de schijnbewegingen, die het juiste beoordeelen en op de juiste wijze gebruik
maken van die fouten en eigenaardigheden mogelijk maken.
In de schijnbewegingen met de daaraan verbonden aanvallen
komt zeer duidelijk uit, dat bij het boksen het werk van den geest
evenveel gewicht in de schaal legt als dat van het lichaam, dat
een bokser die zijn verstand gebruikt, vrij veel in kracht, vlugheid en uithoudingsvermogen kan achterstaan bij een minder
verstandelijk ontwikkeld bokser en toch nog van hem winnen.
LOKKEN.
Neemt men de dekking van een of ander deel van het lichaam
weg om den tegenstander als het ware uit te noodigen een stoot
toe te brengen op dat gedeelte, dan noemt men dit lokken. De
bedoeling is natuurlijk op een of andere wijze (door een stopstoot, een tijdstoot of een verdedigingsbeweging met nastooten)
voordeel te halen uit dien uitgelokten aanval.
Men kan b.v. het lichaam ontblooten en, zoodra men een begin van uitvoering ziet geven aan den rechten stoot naar het
lichaam, dien de tegenstander misschien zal willen toebrengen,
hem voorkomen met een stopstoot naar het hoofd. Of het hoofd
ver naar voren steken en op den linkschen rechten stoot, die te
verwachten is, een kruisstoot toepassen, enz.
Natuurlijk moet ook het lokken niet al te doorzichtig geschieden, opdat de tegenstander de bedoeling niet voorzien zal
en er niet of op een andere, onverwachte wijze op ingaan.

36

II. VECHT- EN WEDSTRIJDBOKSEN.
Aan het begin van dit werkje werd reeds gezegd, dat het verschil tusschen spel- en vechtboksen hierin bestaat, dat men bij
het laatste tracht den tegenstander zoodanig te treffen of uit te
putten, dat hij op een gegeven oogenblik niet meer in staat is
den strijd voort te zetten.
Dit bereikt men onder anderen door de handen niet of dun te
bekleeden. Verder brengt men bij het vechtboksen de stooten
ook zoo krachtig mogelijk toe en bereikt dit door het lichaamsgewicht in den stoot te doen meewerken. Door strekken van
beenen en romp of door draaien heeft het lichaam een zeker
arbeidsvermogen gekregen, dat, wanneer de stootarm op het
moment van treffen in schouder- en ellebooggewricht wordt vastgezet, in den stoot tot uiting gebracht wordt en op zichzelf reeds
voldoende kan zijn om den tegenstander buiten gevecht te stellen.
Doch bovendien tracht men nog, dien stoot toe te brengen op
bepaalde, zeer kwetsbare plaatsen van het trefvlak. Deze zijn
de zoogenaamde „Knock-outs" (eindstooten) en zij treffen den
tegenstander tegen de hoeken van de kin (waardoor een geringe hersenschudding ontstaat, die den tegenstander eenige
oogenblikken het bewustzijn doet verliezen) of in de maagstreek
(waar een bepaald gedeelte van het zenuwstelsel wordt getroffen
met tijdelijken hartstilstand en bewusteloosheid tengevolge).
Ook de zijden (korte ribben), de keel en de neus zijn plaatsen,
die een zekeren voorkeur genieten. Een stoot op een van die
plaatsen beneemt den tegenstander den adem of belemmert zijn
ademhaling, benadeelt hem dus in een van de voor het boksen
belangrijkste functies. •
Het wedstrijdboksen houdt het midden tusschen spelboksen
en het eigenlijke vechtboksen. Waar bij het vechtboksen (in een
straatgevecht, uit zelfverdediging) het buiten gevechtstellen het
eenige doel is, spreekt wel van zelf, dat men niet méér let op
bepaalde regels, dan de volkszede voorschrijft. In Holland kan
men, zonder veel kans op afkeurende uitingen of bestraffend
optreden van de omstanders, een verboden stoot of greep toepassen. In het meer sportieve Engeland b.v. is die kans heel
wat grooter.

37

Bij het wedstrijdboksen is men aan zeer bepaalde regels gebonden en heeft ook de eindstoot minder, hebben de overige
stooten en het spel in het algemeen meer waarde dan bij het
vechtboksen. De regels, die den bokser in wedstrijden in Nederland binden, zijn vastgelegd in het hierna volgende reglement
van den Nederlandschen Boksbond.
WEDSTRIJDREGLEMENT.
Artikel 1. — Alle wedstrijden en demonstraties in boksen, uitgeschreven door clubs, vereenigingen, bonden, exploitanten,
particulieren of wie ook, moeten worden gehouden volgens de
voorschriften en onder goedkeuring van den N. B. B.
Art. 2. — Het is leden van den N . B . B . en leden van bij hem
aangesloten vereenigingen verboden uit te komen in, of mede
te werken aan wedstrijden of demonstraties, welke gehouden
worden buiten toestemming van den N. B. B. op straffe van een
schorsing van ten hoogste 12 maanden.
Art. 3. — Leden van den bond of leden bij hem aangesloten
vereenigingen mogen geen wedstrijden uitschrijven zonder
goedkeuring van den bond, op straffe van een schorsing van
ten hoogste 12 maanden.
Art. 4. — Het bestuur stelt juryleden en tijdwaarnemers aan,
uit welke bij wedstrijden referees en tijdwaarnemers worden
gekozen. Zij alleen hebben het recht als zoodanig in Nederland
op te treden.
Om tot jurylid te worden toegelaten, moet men lid zijn van
den N. B.B. en voor een commissie van ten minste drie bondsjuryleden bewijs hebben gegeven het wedstrijdreglement en zijn
uitlegging te kennen en te kunnen toepassen, ook bij het constateeren van verboden handelingen. De eerste drie commissieleden worden door het bestuur benoemd.
Een leeraar, welke benoemd wordt tot referee, mag deze
functie niet uitoefenen in een wedstrijd waar een of meer zijner
leerlingen uitkomen.
Het bestuur stelt bedoelde commissie samen, wanneer het
zulks noodig acht.
38

De juryleden worden voor onbepaalden tijd benoemd; het
bestuur heeft evenwel het recht, juryleden — met omschrijving
van redenen — te schorsen of af te zetten, een en ander met beroep van den betrokkene op de algemeene vergadering.
Art. 5. — Amateur is hij, die nooit om een geldprijs, inzet of
weddenschap gebokst heeft, nooit met of tegen beroepsboksers
is uitgekomen, tenzij met toestemming van den N. B. B., nooit
les heeft gegeven, of heeft helpen geven, noch op eenigerlei
wijze in de bokssport is werkzaam geweest tegen geldelijke belooning, kortom nooit de bokssport heeft beoefend om daaruit
onmiddellijk of middellijk stoffelijk of geldelijk voordeel te
genieten.
Door het verkoopen, beleenen enz. van gewonnen prijzen,
houdt men op amateur te zijn.
In tegenstelling op de eerste alinea van dit artikel, kan de beroepsbokser, die in vijf achtereenvolgende jaren zich gehouden
heeft aan de bepalingen omtrent het amateurschap, weder als
amateur worden beschouwd.
Art. 6. — Geroyeerde of geschorste leden van den N. B. B.
mogen niet deelnemen aan wedstrijden of demonstraties.
Art. 7. — Bij wedstrijden om medailles of kunstvoorwerpen
zullen deze, voorzien van inscripties, op den wedstrijd moeten
aanwezig zijn. Is dit niet het geval, dan vervalt de uitschrijver(ster) in een boete van ƒ 10 voor eiken ontbrekenden prijs en
kan de referee den wedstrijd verbieden. Het is den winners niet
geoorloofd in plaats van medailles of kunstvoorwerpen geld aan
te nemen op straffe van levenslange disqualificatie als amateur.
Uiterlijk acht dagen na een wedstrijd moet de uitschrijver(ster)
daarvan den secretaris van den N.B.B.de namen der winners
opgeven. Bij verzuim hiervan vervalt de nalatige in een boete
van ƒ 1 voor elke ingegane week van verzuim.
Art. 8. — Bij eiken bokswedstrijd moet een geneeskundige
aanwezig zijn, die onmiddellijk voor den aanvang der wedstrijden de boksers onderzoekt. Indien hij een bokser de mededinging ontzegt, zal deze niet mogen uitkomen.
Indien bij een wedstrijd geen geneeskundige aanwezig is, of
39

niet meer aanwezig is, verbiedt de referee den door- of voortgang van de wedstrijden, terwijl het bestuur van den N. B. B. de
uitschrijver(ster) een boete kan opleggen van ten hoogste ƒ50.
Het boksen in aldus verboden wedstrijden of met door den
geneeskundige geweigerde boksers wordt gestraft met de boete
en disqualificatie genoemd in art. 10 (wedstrijdreglement).
Dezelfde straffen en boeten gelden voor boksers, die weigeren
zich te laten onderzoeken of wegen.
Art. 9. — Bij wedstrijden gehouden onder goedkeuring van
den N.B.B. is alle wedden verboden. Bezoekers — niet-leden
van den N. B. B. — welke wedden, worden uit de zaal verwijderd, leden eveneens en bovendien voor een maand geschorst
als lid. Amateurs, welke wedden, houden op amateur te zijn.
Beroepsboksers, welke in verband met hun eigen match weddenschappen hebbenloopen of sluiten.wordengedisqualificeerd
van 1 jaar tot levenslang.
Art. 10. — Boksen op wedstrijden tusschen beroeps- en amateurboksers is verboden, tenzij het geschiedt met toestemming
van den N. B. B., op straffe van disqualificatie voor den tijd van
ten hoogste 12 maanden, wat betreft den amateur, en een boete
van ten hoogste ƒ 25.— wat betreft den beroepsbokser.
Art. 11, — Het voeren van schuilnamen is verboden, zoowel
voor amateurs als voor beroepsboksers, tenzij de naam aan den
bond wordt opgegeven en door hem wordt goedgekeurd. De
drager moet dan in het loopende seizoen in wedstrijden steeds
dienzelfden naam voeren, tenzij hij weder bokst onder eigen
naam en afstand doet van het pseudoniem.
Art 12. — Bij niet openbare wedstrijden van bij den bond
aangesloten vereenigingen kan de referee ontheffing verleenen
van verschillende bepalingen van het wedstrijdreglement
Art 13. — De bond erkent kampioenschappen en wel:
a. plaatselijke kampioenschappen.
b. districtskampioenschappen.
c. kampioenschappen van Nederland.
Een en ander in verschillende gewichten, welke elders in dit
reglement worden genoemd.
40

Art 14. — De plaatselijke kampioenschappen worden verwerkt onder de bewoners van elke plaats (postdistrict).
Art. 15. —Voor de districtskampioenschappen wordt het land
verdeeld in twee districten: District A, omvattende deprovinciés
Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en
Gelderland en district B, omvattende de provincies Zuid-Holland, Utrecht, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.
Art. 16. — De wedstrijden om de kampioenschappen van
Nederland zijn open voor alle Nederlanders en voor vreemdelingen, die minstens zes maanden, onmiddellijk aan de wedstrijden voorafgaande, in Nederland hebben gewoond.
Art. 17. — Ieder, die in een wedstrijd uitkomt, moet lid van
den N. B. B. wezen.
Art. 18. — Elk jaar zal om het kampioenschap van Nederland
worden gebokst.
Art. 19. — Wanneer de bond zelf geen wedstrijd uitschrijft
waaraan een kampioenschap is verbonden, kan dit geschieden
door een vereeniging, een persoon of een combinatie.
Deze doet daartoe — onder nadere aanduiding van den aard
van het kampioenschap — schriftelijk aanvrage bij den l
secretaris van den bond. Zoo noodig in overleg met het bestuur
van andere vereenigingen — en de belangen van den bond niet
uit het oog verliezend — zal hierover worden beslist.
8 t e n

Art. 20. — De bond ontvangt 50 pCt. van de inleggelden, welke
bij een wedstrijd worden geheven, met als minimum 50 cents
per deelnemer. Deze gelden moeten worden gestort door den
uitschrijver(ster) van den wedstrijd.
Wanneer bij onderlinge wedstrijden geen inleggelden worden
geheven, is die uitschrijvende club vrijgesteld ook van genoemd
minimum.
Art. 21. — De vereeniging, persoon, combinatie, of wie ook,
door wie(n) een wedstrijd wordt uitgeschreven, is verplicht
10 pCt. van de bruto ontvangen entree-gelden of programmaopbrengsten te storten in de kas van den bond, direct na den
wedstrijd.
41

Art. 22. — De partijen in amateurkampioenschappen bestaan
uit hoogstens 5 ronden van 3 minuten meteen rust van 1 minuut
tusschen elke twee ronden. Wedstrijden zonder kampioenschappen bestaan uit hoogstens 5 ronden van hoogstens 3 minuten
met 1 minuut rust tusschen 2 ronden.
Art 23. — Bij amateur-competities en kampioenschappen geschiedt de indeeling door loting, welke door het bestuur wordt
gehouden. De winner der eerste partij bokst met dien van de
tweede; die der derde met dien der vierde enz.
Boksers voor wie — door oneven aantal — geen tegenpartij
is, boksen met een door het bestuur aan te wijzen bokser van
hun gewicht de wedstrijdronden. Wanneer voor de beslissing
3 boksers overblijven, wordt geloot. Degenen, die niet zijn vrijgeloot, boksen tegen elkander. Vervolgens bokst hij, die vrijgeloot is, tegen den verliezer. Wanneer de vrijgeloote verliest heeft
hij de derde plaats, terwijl de beide andere boksers de eerste en
tweede plaats bezetten volgens den uitslag van hun partij.
Wint hij, die vrijgeloot was (tegen den verliezer van de eerste
partij) dan bezet deze verliezer de derde plaats en wordt tusschen
de beide overigen gebokst om den l
en 2 prijs.
s t e n

den

Art. 24.—De N. B. B. regelt de wedstrijden tusschen beroepsboksers in Nederland. Alle daaraan deelnemende boksers worden
geacht de reglementen van den N. B. B. te kennen en moeten zich
eraan onderwerpen. Zij zijn — voor zoo verre Hollander — verplicht bondslid te wezen.
Art. 25. — Vereenigingen, maatschappijen,firma'sof particulieren, die wedstrijden uitschrijven en daarvoor toestemming
van den bond verlangen, zenden aan den l
secretaris van
den bond:
a. Ingeval de wedstrijden worden uitgeschreven door een
handelsvennootschap: naam, nummer van de Staatscourant,
waarin akte van oprichting en koninklijke goedkeuring, verder
namen en adressen van directie en commissarissen.
6. Ingeval de wedstrijden worden uitgeschreven door een
vereeniging, een exemplaar van statuten en huishoudelijk reglement alsmede namen en adressen der bestuursleden.
s t e n

42

c. Ingeval de wedstrijden worden uitgeschreven door een
particulier: naam en woonplaats.
Art. 26. — Voor elke uitvoeringafzonderlijkmoetde exploitant
een verlofbewijs bezitten van den bond, aan te vragen 30 dagen
te voren. Om dit bewijs te verkrijgen, worden minstens twee
exemplaren van het wedstrijdplan aan den secretaris gezonden.
Uit dit plan moet blijken, dat de wedstrijden niet in strijd zullen
zijn met de bondsreglementen.
Het moet bevatten omschrijvi ng van:
de juiste bedragen der prijzen, de volledige voorwaarden der
wedstrijden, aantal en duur der ronden, rusten, gewicht handschoenen enz. Verder de adressen, waar inschrijvingen worden
aangenomen, termijn van sluiting, welke referee en verdere officials gekozen zijn, enz.
De plannen moeten uiterlijk 14 dagen voor den aanvang
van den wedstrijd bij den secretaris zijn ingediend. Uiterlijk
3 X 24 uur voor den aanvang van den wedstrijd moetende namen
van de deelnemers bij den l
secretaris zijn ingediend. Op
de programma's moet op de l pag. worden vermeld, dat gebokst wordt onder de reglementen van den N. B. B. Bij verzuim
wordt de betrokkene gestraft met een boete van ƒ5.—.
De kosten van een verlofbewijs bedragen ƒ5.—, welk bedrag
de uitschrijver(ster) van de wedstrijden moet opzenden aan den
lsten secretaris tegelijk met de aanvragen om genoemd bewijs.
Art. 27. — Indien om geld wordt gebokst, moet de uitschrijver(s) bewijs overleggen, dat dit bedrag werkelijk aanwezig is,
24 uur voor de wedstrijden.
Art. 28. — Welke waarborgsommen of schadeloosstellingen
een bokser ook zijn uitbetaald, hij heeft bovendien recht op den
geheelen uitgeloofden prijs.
Art. 29. — Deskundigen en tijdwaarnemers ontvangen van de
uitschrijvers der wedstrijden vergoeding der te maken kosten.
Art. 30. — De vereenigingen, personen of ondernemingen,
welke een wedstrijd uitschrijven, zijn verplicht aan de bestuursleden van den bond vrijen toegang te verleenen tot de wedstrijden. Bij overtreding kan het bondsbestuur den schuldige een
boete van ƒ 25 opleggen.
8 t e n
8 t e

43

Art. 31. — De bond kan straffen door:
l . waarschuwing;
2 . berisping;
3'. boete;
4 . disqualificatie;
5 . tijdelijke disqualificatie;
6 . levenslange

Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, worden
de straffen voorwaardelijk opgelegd, d. w. z. dat zij voorloopig
niet worden toegepast. Treedt de schuldige echter in herhaling
of pleegt hij een nieuw verzuim, dan geldt behalve de eventueele
nieuwe, ook terstond de voorwaardelijk opgelegde straf.
e

e

e

e

e

Art. 32. — De referee heeft het recht een boete tot een maximum van ƒ25 en een schorsing van hoogstens 8 dagen op te
leggen. Reclames moeten uiterlijk binnen drie dagen na oplegging bij het bondsbestuur zijn ingebracht.
Art. 33. — De ring moet zijn vierkant, minstens groot 6 X 6 M.,
hoogstens 7.50 M . X 7.50 M . en worden afgesloten, indien hij
gelijk is met den gewonen vloer door twee stijfgespannen koorden van minstens 2 cM. doorsnee elk en geplaatst, het laagste
op 60, het hoogste op 120 cM. van den grond, bevestigd aan
vier palen van 1.30 M . hoogte elk. Indien de ring boven den
gewonen vloer ligt, door drie stijfgespannen koorden, het laagste
op 40 cM., het middelste op 80 cM. en het hoogste op 120 cM.
van den grond, bevestigd aan 8 palen van 1.30 M. hoogte elk.
De ringvloer moet gemaakt zijn van goed gevoegd, goed geschaafd hout, zooveel mogelijk stroef gemaakt en mag geen
ijzeren ringen, bevestigingen, holten of wat ook bevatten. Hij
mag niet zwiepen en als de ring hooger dan de gewone vloer
ligt, moet hij aan alle zijden minstens 50 cM. buiten de koorden
uitsteken. Voldoet de ring niet, dan verleent de bond geen goedkeuring tot den wedstrijd en verbeurt de uitschrijver(ster) eene
boete van ƒ 100. In bizondere gevallen kan door het bestuur van
den bond geheele of gedeeltelijke ontheffing van deze bepalingen
worden verleend.
Voor de beide boksers moeten stoelen aanwezig zijn.
44

Art. 34. — De kleeding mag geen aanstoot verwekken en moet
zindelijk zijn. Een donker tricot is verplichtend voor amateurs.
De broek moet reiken minstens tot halverwege kruis en knie.
Handschoenen, welke in goeden staat moeten zijn, van goede
kwaliteit en voorgeschreven gewicht, alsmede handverbanden
en schoenen moeten door den referee worden goedgekeurd.
De handschoenen voor wedstrijden tusschen beroepsboksers
moeten wegen minstens 8 Eng. ons (225 gram) per stuk.
De handschoenen, te gebruiken in amateurwedstrijden, moeten minstens wegen 10 Eng. ons (280 gram) per stuk. Zij moeten
regelmatig met paardenhaar zijn opgevuld, met de grootste dikte
op de knokkels en van beschermende duimen voorzien. Sluiting
naar verkiezing. De „greep" in de handschoen mag in halven
omtrek der dikte niet grooter zijn dan 2 cM.
De veters der handschoenen mogen niet zijn voorzien van
metalen nestels.
De handverbanden mogen niet met gips, of een dergelijke
zelfstandigheid zijn versterkt.
Het is verboden eenig voorwerp in of om de hand te hebben
dan een handverband.
Het is boksers verboden handschoenen te gebruiken, welke
op de knokkels eenigszins verdund zijn opgevuld. Onbruikbaar
geworden handschoenen worden ten spoedigste ten genoegen
van den referee vervangen.
Art. 35. — De boksers worden verdeeld naar hun gewicht:
a. extra licht: elk gewicht tot en met 53 Kg.
b. licht:
„ „ „ 57V» ,
c. licht-midden:
„ „ „ 64
|
d. midden:
„ „ ,, 71 /» »
e. midden-zwaar:
„ „ „ 80

ƒ. zwaar: elk gewicht daarboven.
De wedstrijd gevende persoon, vereeniging of onderneming,
is gehouden te zorgen voor een zuiver wegende bascule.
De weginggeschiedtinbokstenuezonder handschoenen onder
toezicht van door den bond aangestelde personen, onmiddellijk
voor den aanvang van de wedstrijden.
1

45

Art. 36. — Elke bokser mag zich doen verzorgen door hoogstens twee helpers, welke bondslid moeten wezen. De helpers
moeten den ring verlaten op het teeken van den tijdwaarnemer,
10 seconden voor den aanvang van de volgende ronde (commando : „Helpers weg!") en mogen niet weer in den ring treden
voor het einde van de ronde. Zij moeten zorgen voor het tijdig
wegnemen en plaatsen van de stoel van hun bokser. Het is hun
verboden door teekens, raad, inlichtingen, aanwijzingen, aanmoedigingen of wat ook, te trachten invloed uit te oefenen op
den wedstrijd of met water of andere verfrisschende middelen
naar hun principalen te werpen gedurende de ronden of de handschoenen te vervormen. Helpers, die zich niet overeenkomstig
de voorschriften gedragen, kunnen door den referee worden gewaarschuwd en daarna verwijderd.
Art. 37. — Op het teeken, dat de ronde is afgeloopen, moeten
de boksers terstond het boksen staken en naar de hun aangewezen hoeken teruggaan. Op het teeken, dat de ronde aanvangt,
moeten zij terstond hunne plaatsen verlaten en boksen.
Art. 38. — De tijden worden opgenomen door een tijdwaarnemer.
Hij neemt op:
P. het uit den ring gaan van de helpers.
2*. de ronden.
3 . het buiten gevecht zijn van de deelnemers.
4 . de rusten.
5 . de eventueele onderbrekingen.
e

e

e

Art. 39. — Het is den boksers verboden in denringmet elkaar
of met toeschouwers of gedurende de ronden met hunne helpers
te spreken of een voorschrift, order of beslissing van den referee
te bespreken, op straffe van disqualificatie.
Art. 40. — Vastgrijpen (clinching) is verboden, tenzij 't geschiedt om een nederlaag te ontgaan. Bij vastgrijpen mag door
geen van beiden gestooten worden, ook niet bij het loslaten. Op
het eerste bevel „los" moeten de boksers tot op normalen boksaf stand van elkaar gaan staan.
Nierstooten en alle andere stooten tegen rug of achterhoofd
zijn verboden.
46

't Gebruik van opwekkende middelen als: zuurstof, kola,
cafeïne, alkoholische dranken, is verboden, eveneens alle inspuitingen.
Art. 41. — Bij amateur-competities geschiedt de beoordeeling
door één referee en twee rechters. De referee bevindt zich in den
ring, de rechters elk aan een tegenovergestelde zijde. De rechters
kennen na de eerste ronden 5 en na de laatste ronde 7 punten
toe aan den winner en aan den verliezer een aan diens werk in
verhouding tot dat van den winner evenredig aantal punten.
Staat een ronde gelijk, dan ontvangen beiden het maximum. Na
het eindigen van de partij haalt een daartoe aangewezene de
lijstjes van de rechters op. Zijn de rechters van gelijk oordeel,
dan deelt de ophaler mede wie gewonnen heeft. Verschillen de
uitspraken der rechters, dan meldt hij dit den referee.
Stemt de referee overeen met een van beide rechters, dan is
de uitspraak overeenkomstig zijn oordeel. Verschilt hij met beiden*, dan gelast hij extra-ronden van twee minuten. Dit geschiedt
ook als de partijen gelijk staan. De uitspraken zijn onherroepelijk.
Art. 42. — De punten zullen worden gegeven voor:
a. aanval: rechtstreeksche en volkomen stooten en slagen
toegebracht met de knokkels van de gesloten rechter- of linkervuist op eenig deel van de voorzijde of zijkanten van het hoofd
of van den romp boven den gordel. Uitgezonderd zijn de stooten op het hart, waarvoor geen punten worden gegeven en die
ongewenscht zijn.
b. verdediging: met handschoen of arm afweren, slippen, ter
zijde stappen, duiken, terugstooten op aanval van den tegenstander, of zich op eenigerlei tactvolle wijze buiten het bereik
van een aanval brengen.
Staan de partijen overigens gelijk, dan wint hij, die het meest
heeft aangevallen, is ook dit gelijk, dan hij, die den besten stijl
getoond heeft.
Wanneer in een ronde een der boksers den „knock out" ontvangt, kent de referee aan den toebrenger hiervanhetmaximum
aantal punten, aan den andere 0 punten toe. Na deze ronde
wordt de partij als geëindigd beschouwd. Winner is hij, die in
totaal de meeste punten heeft behaald.
47

Art. 43. — Bij het begin der eerste en laatste ronde en na de
laatste ronde, geven de tegenstanders elkaar een hand enkeeren
zich rond, alvorens te gaan boksen.
Het is verboden te boksen tijdens het handgeven of het omdraaien, alsmede nadat de tijdwaarnemer het einde van de ronde
heeft aangekondigd.
Art. 44. — Bij gevechten tusschen beroepsboksers oordeelt
slechts de referee, wiens uitspraak onherroepelijk is.
Art. 45. — De referee kan een deelnemer disqualificeeren
voor een der volgende handelingen:
a. Stooten beneden den gordel.
b. Slaan met open handschoen of binnenkant van de hand.
c. Stooten met het onderste deel van de muis van de hand.
d. Stooten of slaan met duimen, pols, voorarm of elleboog.
e. Stooten met den schouder.
ƒ. Stooten met het hoofd.
g. Trappen of schoppen.
h. Bijten.
/. Herhaaldelijk vastgrijpen van het lichaam van den tegenstander (clinching).
k. Vasthouden van hoofd, arm of handschoen van den tegenstander (holding), stooten bij vastgrijping van hoofd, arm of
handschoen, of vastgrijpen en opzettelijk zwaar leunen op tegenstander (hanging).
/. Stooten naar een tegenstander, die neerligt of over de
touwen hangt met minstens een voet van den grond.
m. Opzettelijk vallen.
n. Stooten of slaan op nieren of eenig ander deel van rug of
achterhoofd.
o. Toebrengen van den cirkelstoot (pivotblow).
p. Ruw, unsportsmanlike boksen.
q. Het niet opvolgen van bevelen hem door den referee gegeven.
En verder voor alle handelingen, die hij ongeoorloofd acht.
Art. 46. — Ingeval een bokser valt, moet zijn tegenstander tot
op normalen boksafstand teruggaan en daar blijven, totdat de
48

referee hem het teeken geeft het boksen te hervatten. Een man
wordt geacht te liggen, ook al staat hij met één of beide voeten
op den grond, indien tevens eenig ander lichaamsdeel den grond
aanraakt. Zoodra een bokser valt, begint de referee luid tot tien
te tellen, zorgdragend ongeveer één seconde te laten verloopen
tusschen den aanvang van elke twee tellen. Is, na 't afroepen
van de laatste tel, de gevallene nog niet geheel overeind en
gereed het gevecht te hernemen, dan is de partij geëindigd. De
gevallene ontvangt dan 0, z'n tegenstander 5, of, als 't in de
laatste ronde geschiedt, 7 punten voor die ronde.
Is een ronde ten einde, terwijl een bokser neerligt, dan wacht
de tijdwaarnemer met het geven van het eindteeken totdat óf de
gevallene weer overeind, of de tiende tel afgeroepen is. Is de
laatste ronde ten einde terwijl een bokser neerligt, dan wordt
gewoon op het juiste oogenblik het einde aangekondigd.
Boksers, die niet binnen tien seconden na het afroepen van
het begin van de ronde hun hoek verlaten en den strijd hervat
hebben, worden geacht de partij te hebben verloren. In het algemeen worden boksers, die gedurende een wedstrijd 10 seconden
achtereen onttrokken zijn geweest aan den strijd, behandeld alsof zij gedurende dien tijd buiten gevecht gesteld waren geweest.
Art. 47. — De referee kan een wedstrijd doen staken als hij de
partijen te ongelijk acht, onvoldoende getraind, of nietvoldoende
op de hoogte van de sport.
Hij is tot staking verplicht, wanneer een der partijen een zoo
groot voordeel heeft behaald, dat de andere dit niet meer kan
inhalen of als, naar het oordeel van den referee, voortzetting van
den strijd te afmattend of om andere reden gevaarlijk zou worden
voor een der partijen. De andere partij is dan overwinnaar.
Art 48. — Indien om een of andere reden de referee tijdens
een ronde de partij tijdelijk doet staken, wordt na zijn bevel tot
voortzetting nog zoolang gebokst, totdat de volle tijd van de
ronde verstreken is. Daarna gaat de partij gewoon door.
Bij onvermijdelijke inmenging, leidend tot staking eener partij,
wordt deze zoo spoedig mogelijk voleindigd.

4

49

PRACTISCHE EN TACTISCHE AANWIJZINGEN.
In de vorige afdeeling werd reeds gewezen op het groote
belang van het bewaren van den goeden afstand tusschen de
voeten en het gevaar van het kruisen der beenen met het oog op
het evenwicht. Waak er in verband hiermede ook wel tegen de
bewegingen, hetzij voor aanval of verdediging zóó groot te
maken, dat er gevaar bestaat het evenwicht te verliezen.
De krachten moeten zooveel mogelijk gespaard worden en
dus alle onnoodige spier-inspanning vermeden. Laat wanneer
de partij dit toelaat, den rechterhiel en de armen even zakken.
Elke, zij het korte rust is winst. Tracht een stoot liever te ontwijken of te ontduiken, dan er tegen te dekken of hem te weren.
De eerste bewegingen kosten minder arbeid en brengen vaker
in een gunstige positie voor een nastoot.
Houdt den mond steeds gesloten; ditvoorkomt beschadiging
van den tong. Klem in schermutseling met den tegenstander de
kaken goed op elkaar; dit vermindert de kans op verlies van
tanden en op een eindstoot
Houdt de oogen goed open en op den tegenstander gericht
Bespiedt als een kat al zijn bewegingen en wees steeds klaar
hem aan te vallen, wanneer hij zich ook maar even bloot geeft
of om een plotselingen aanval te ontwijken. Dit vereischt voortdurend een groote mate van zenuwspanning, een van de belangrijkste oorzaken van vermoeidheid, doch is noodzakelijk en
het eenige, dat men doen kan, is er zorgvuldig tegen te waken,
dat die zenuwspannig niet ontaardt in zenuwachtige spanning,
in verlies van zelf beheersching ten slotte. Men moet even nauwlettend het geestelijk als het lichamelijk evenwicht bewaren,
elke opwinding of zenuwachtige opwelling beheerschen, kalm
en rustig blijven. De bokser, die zijn hoofd kwijt raakt verliest
de partij.
Het is van veel belang het eigen uithoudingsvermogen goed
te kennen en de krachten zorgvuldig over den beschikbaren tijd
te verdeelen. Er is anders veel gevaar, dat men in de eerste
ronden te veel van zijn krachten vergt en in de laatste ronden
uitgeput is.
Doch laat den tegenstander geen moment rust. Houdt hem
50

door schijnbewegingen in actie, tracht hem tot groote bewegingen te dwingen. Een voorname zorg in verband hiermee moet
zijn, dat men het midden van den ring houdt. De tegenstander
moet dan bij zijn bewegingen den grootsten weg afleggen.
Bij het bewegen om den tegenstander heen bewege men zich
bij voorkeur naar rechts, omdat men, naar links gaande, hem
het stooten met den rechterarm gemakkelijker maakt en zich
zelf meer bloot geeft.
Op blz. 36 werd reeds gezegd, dat een goed geoefend, snel,
krachtig en taai bokser den wedstrijd nog niet behoeft te winnen,
wanneer hij zijn hersens niet gebruikt. Bijna elke nieuwe tegenstander vergt een andere wijze van aanpakken en het nauwkeurig
waarnemen van zijn bewegingen (zoo mogelijk vóór, doch
anders in het begin van den strijd) en zorgvuldig verwerken tot
een plan van het waargenomene is zuiver verstandswerk. Tracht
bij het begin van de tweede ronde een aanvalsplan klaar te
hebben, zoowel wat de bewegingen zelf, als wat de leiding van
van den geheelen strijd gedurende de ronden betreft.
In verband hiermede zij men niet zorgeloos in het kiezen van
zijn helpers. Zij toch zijn, vaak beter dan de bokser zelf, in de
gelegenheid gedurende de ronden het spel van zijn tegenstander,
zijn fouten en eigenaardigheden te bestudeeren en kunnen hem
in de pauzen tusschen de ronden in verband daarmede voor hem
belangrijke aanwijzingen geven.
Art. 42 van het wedstrijdreglement laat bij overigens gelijke
partijen dengene winnen, die het meeste aanviel, een voordeel
dus boven het moreele overwicht, dat de aanvaller reeds heeft.
Men wachte dus niet te lang met den aanval en trachte zoo mogelijk reeds in de eerste helft van de eerste ronde voldoende op
de hoogte van de techniek van den tegenstander te komen om in
de tweede helft den aanval te kunnen openen. Tracht hem door
lokken en schijnbewegingen te verleiden tot het verraden van
zijn tactiek en blijkt hij al even voorzichtig te zijn, wacht geduldig af, maak zoo noodig de schijnaanvallen wat dreigender of val
voorzichtig aan. Doe in het begin geen heftige aanvallen, laat ze
aan den tegenstander over, vertrouwend op de eigen snelheid
om er aan te ontkomen.
Uit art. 42 blijkt bovendien, dat voor een eindstoot aan den51

geen, die hem toebrengt het maximum aantal punten, aan den
verslagene voor die ronde 0 wordt gegeven. Wie dus belangrijk
voor is in punten zal trachten dat voordeel te behouden en niet
te veel wagen, degeen, die achter is, moet trachten door een
eindstoot zijn aantal punten te vergrooten.
In verband met de verhouding der lichaamslengten zij er op
gewezen, dat men tegen een langer tegenstander hoofdzakelijk
stooten naar het lichaam moet toebrengen, hem door ontwijkingen en nastooten uitputten en veel invechten.Tegen een korteren
tegenstander stop- en tijdstooten toepassen, op grooten afstand
veel gebruik maken van stooten naar het hoofd en in het algemeen
van zijn grootere reik-wijdte profiteeren.
In verband met het karakter spreekt wel vanzelf dat men tegenover een voorzichtig tegenstander anders moet optreden dan
tegen een heethoofdige, tegen een wat angstige anders dan tegen
een stoutmoedige. De omvang van dit werkje laat niet toe hierop
nader in te gaan.
Stap na een geslaagden aanval niet terug, doch tracht het
succes te vergrooten door in te stappen en eenige halfarmstooten
toe te brengen. Vergeet ook niet, dat stooten op het lichaam
(maag enribben)op den duur meer uitputten dan stooten op het
hoofd, terwijl het trefvlak grooter is. Heeft men in de eerste
ronden het lichaam van den tegenstander bewerkt, dan wordt
in de laatste ronden de kans op het toebrengen van een eindstoot
tegen den kaak grooter.
TRAINING.
De algemeene regels voor training, wat betreft de speciale
zorgen voor het lichaam, reinheid, voeding en rust mogen we bekend veronderstellen.
De training van den bokser stelt eenige bijzondere eischen.
In de eerste plaats moet hij goed bekend zijn met en geoefend
zijn in de verschillende bewegingen die bij het boksen voorkomen. In zijn trainingstijd zal hij dus veel moeten spelboksen
en zoo nu en dan wedstrijdboksen met verschillende tegenstanders, dit zoo lang mogelijk volhoudend, terwijl de tegenstanders elkaar aflossen, zoodat steeds een maximum van inspanning
vereischt wordt
52

Dit isreeds een goede oefening voor het uithoudingsvermogen,
dat men bovendien nog kan oefenen door over korte afstanden
snel te wandelen, afgewisseld met loopen en nu en dan snel
loopen. Ook zwemmen is hiervoor zeer geschikt, mits met mate
en over korte afstanden om te sterke vermagering te voorkomen.
Snelle armspieren verkrijgt men door oefening op stootballen,
welke oefeningen men kan afwisselen met stooten op zware
stootzakken om een krachtigen stoot te krijgen. Het is fout te
trachten dit te krijgen door het werken met zware halters. Dit
maakt de spieren wel krachtig, doch stijf en minder bewegelijk.
De spieren moeten soepel en los zijn, omdat snelheid in de eerste,
kracht eerst in de tweede plaats vereischt wordt.
De beenspieren krijgen hun vlugheid en veerkracht het best
door springen en dansen en door het z.n. schaduw-vechten, het
uitvoeren van allerlei bij het boksen gebruikelijke beenbewegingen tegen een denkbeeldig tegenstander.
Ten slotte gymnastische oefeningen voor rug-, schouderbladen buikspieren en voor de ademhalingsorganen.
Men zorge zooveel mogelijk eiken dag eenige oefeningen van
eiken groep uit te voeren, dus niet vandaag stoot-oefeningen en
morgen loop-oefeningen, doch eiken dag oefeningen van elke
soort.
Niet dooroefenen tot vlak voor den wedstrijd, doch de laatste
twee of drie dagen absolute rust, zoodat men frisch en opgewekt
in denringkomt.

53

geen, die hem toebrengt het maximum aantal punten, aan den
verslagene voor die ronde 0 wordt gegeven. Wie dus belangrijk
voor is in punten zal trachten dat voordeel te behouden en niet
te veel wagen, degeen, die achter is, moet trachten door een
eindstoot zijn aantal punten te vergrooten.
In verband met de verhouding der lichaamslengten zij er op
gewezen, dat men tegen een langer tegenstander hoofdzakelijk
stooten naar het lichaam moet toebrengen, hem door ontwijkingen en nastooten uitputten en veel invechten. Tegen een korteren
tegenstander stop- en tijdstooten toepassen, op grooten afstand
veel gebruik maken van stooten naar het hoofden in het algemeen
van zijn grootere reik-wijdte profiteeren.
In verband met het karakter spreekt wel vanzelf dat men tegenover een voorzichtig tegenstander anders moet optreden dan
tegen een heethoofdige, tegen een wat angstige anders dan tegen
een stoutmoedige. De omvang van dit werkje laat niet toe hierop
nader in te gaan.
Stap na een geslaagden aanval niet terug, doch tracht het
succes te vergrooten door in te stappen en eenige halfarmstooten
toe te brengen. Vergeet ook niet, dat stooten op het lichaam
(maag en ribben) op den duur meer uitputten dan stooten op het
hoofd, terwijl het trefvlak grooter is. Heeft men in de eerste
ronden het lichaam van den tegenstander bewerkt, dan wordt
in de laatste ronden de kans op het toebrengen van een eindstoot
tegen den kaak grooter.
TRAINING.
De algemeene regels voor training, wat betreft de speciale
zorgen voor het lichaam, reinheid, voeding en rust mogen we bekend veronderstellen.
De training van den bokser stelt eenige bijzondere eischen.
In de eerste plaats moet hij goed bekend zijn met en geoefend
zijn in de verschillende bewegingen die bij het boksen voorkomen. In zijn trainingstijd zal hij dus veel moeten spelboksen
en zoo nu en dan wedstrijdboksen met verschillende tegenstanders, dit zoo lang mogelijk volhoudend,terwijl de tegenstanders elkaar aflossen, zoodat steeds een maximum van inspanning
vereischt wordt.
52

Dit is reeds een goede oefening voor het uithoudingsvermogen,
dat men bovendien nog kan oefenen door over korte afstanden
snel te wandelen, afgewisseld met loopen en nu en dan snel
loopen. Ook zwemmen is hiervoor zeer geschikt, mits met mate
en over korte afstanden om te sterke vermagering te voorkomen.
Snelle armspieren verkrijgt men door oefening op stootballen,
welke oefeningen men kan afwisselen met stooten op zware
stootzakken om een krachtigen stoot te krijgen. Het is fout te
trachten dit te krijgen door het werken met zware halters. Dit
maakt de spieren wel krachtig, doch stijf en minder bewegelijk.
De spieren moeten soepel en los zijn, omdat snelheid in de eerste,
kracht eerst in de tweede plaats vereischt wordt.
De beenspieren krijgen hun vlugheid en veerkracht het best
door springen en dansen en door het z.n. schaduw-vechten, het
uitvoeren van allerlei bij het boksen gebruikelijke beenbewegingen tegen een denkbeeldig tegenstander.
Ten slotte gymnastische oefeningen voor rug-, schouderbladen buikspieren en voor de ademhalingsorganen.
Men zorge zooveel mogelijk eiken dag eenige oefeningen van
eiken groep uit te voeren, dus niet vandaag stoot-oefeningen en
morgen loop-oefeningen, doch eiken dag oefeningen van elke
soort.
Niet dooroefenen tot vlak voor den wedstrijd, doch de laatste
twee of drie dagen absolute rust, zoodat men frisch en opgewekt
in den ring komt.

53

IA. H E T ONDERWIJS.
ALGEMEENE BEGINSELEN.
Aanvals- en verdedigingsbewegingen zijn reactie's op de
houdingen of bewegingen van den tegenstander, die men met de
oogen heeft waargenomen of op een gegeven oogenblik waarneemt.
Wat het onderwijs in boksen betreft volgt hieruit onmiddellijk,
dat de onderwijzer niet op het gehoor, door middel van commando's moet laten werken, doch op het gezicht. De leerlingen
leeren daardoor waarnemen en, op aanwijzing van den onderwijzer, op hetgeen zij waarnemen op de juiste wijze reageeren.
Waarneming en reactie beide zijn gevolgen van zenuwwerking.
De indruk van een beweging van den tegenstander komt door
middel van de oogen, via de oogzenuwen op een bepaalde plaats
in de hersenen. Vandaar moet een prikkel langs bepaalde banen
naar een andere plaats in de hersenen geleid worden, van
waaruit de spieren, die de reactie-beweging tot stand brengen,
worden aangezet
Het zijn die banen in de hersenen, die in de bokslessen voor
elke specifieke beweging gevormd moeten worden. Worden ze
niet van den aanvang af op de juiste wijze aangelegd, dan heeft
dit foutieve bewegingen tengevolge, die later zeer moeilijk te
corrigeeren zijn.
Hieruit volgt een tweede, voor den onderwijzer belangrijke
conclusie en wel, dat elke nieuwe beweging eerst langzaam en
correct moet worden uitgevoerd. De banen worden dan juist
aangelegd en, door herhaling, zóó vastgelegd, dat ook bij snellere
uitvoering de beweging correct blijft. Zijn de bewegingen eenmaal bekend, dan is het eenvoudig een kwestie van herhaalde
uitvoering, om ze ook met een maximum van snelheid te leeren
volbrengen, doch tot een snelle beweging worde nietovergegaan,
voordat zij, langzaam, geheel correct wordt uitgevoerd.
Ten derde beginne de onderwijzer met enkelvoudige bewegingen, voor hij zijn leerlingen de samengestelde laat uitvoeren.
Hebben de leerlingen zich de grondvormen van aanvals- en verdedigingsbewegingen goed eigen gemaakt, dan leeren zij de
54

samenstelling van die bewegingen vanzelf. Elke samengestelde
beweging worde dan in een eerste les in hare onderdeden gesplitst onderwezen, voordat zij als geheel wordt uitgevoerd.
Wil de onderwijzer b.v. de volgende oefening laten uitvoeren:
Een linksche rechte stoot naar het hoofd met den linkerarm
naar links weren en rechts nastooten dan zal hij:
1. langzaam links stooten en links doen weren;
2. vlugger links stooten, op dezelfde wijze doen weren en
daarbij den stootarm eenigszins omhoog laten drukken;
3. zoo snel mogelijk stooten en doen weren en daarna rechts
na laten stooten.
Voor de oefening:
Linker schijnstoot naar het lichaam, gevolgd door rechte
rechtsche stoot naar het hoofd zal hij:
1. den leerling voorwaarts laten gaan op den goeden afstand
voor de schijnbeweging;
2. hetzelfde met gedeeltelijk strekken van den linkerarm en
sterk kijken naar het onderlichaam;
3. hem met schijnbeweging een pas voorwaarts laten maken
en onmiddellijk daarna met een uitval, rechts naar het hoofd
laten stooten.
DE HULPMIDDELEN BIJ HET ONDERWIJS.
Voor de oefeningen in het stooten gebruikt men stootballen
en stootzakken van verschillenden vorm.
De stootballen zijn met lucht gevulde ballen, die opgehangen
zijn aan een platform (platformballen) op een veerenden staaf
staan (staaf ballen), of door twee veerende einden zijn opgehangen tusschen zoldering en vloer (dubbel eindballen).
De stootzakken zijn met zand of lichtere stoffen gevulde
zakken van zeildoek of leder, die opgehangen zijn aan een korter
of langer eind of eenvoudig voorzien zijn van twee handvatten
en door den onderwijzer op een of andere plaats, voor of zijwaarts van zijn lichaam, worden vastgehouden, terwijl de leerling order heeft er op te stooten, waarbij van de houding van
den stootzak afhangt hoe hij stooten moet.
De lichte stootballen dienen overigens meer om snel en juist,
de zwaardere om juist en met kracht te leeren stooten.
55

De beste oefenhandschoen is die van 8 Eng. onsen (± 225
gram) met veter- of elastiek-sluiting, Men kleede zich overigens
zoo licht mogelijk. Een kort sportbroekje en een paar gymnastiekschoenen zijn voor de boksoefeningen voldoende»
OPSTELLING DER KLASSE.
Voor de beenbewegingen, waarbij klassikale uitvoering mogelijk is, worden de leerlingen zoo ruim mogelijk opgesteld.
Nadat hen de stelling geleerd is, begint de onderwijzer hen de
verschillende beenbewegingen voor te doen en te verklaren,
laat ze daarna de leerlingen vrij beoefenen, om vervolgens zelf
voor de klasse te gaan staan en hen te zeggen hem te volgen
door een pas voorwaarts te maken, wanneer hij een pas achterwaarts, een pas naar links te maken, wanneer hij een pas naar
rechts maakt, enz. Hij regelt daarbij het tempo en corrigeert de
fouten. Ten slotte kan hij de leerlingen tegenover elkander hetzelfde laten doen, terwijl hij zelf weer de fouten verbetert.
Voor stootoefeningen stelt hij de leerlingen op bij de beschikbare toestellen en voor de oefening in aanval en verdediging
twee aan twee tegenover elkaar.
Aan de op deze wijze opgestelde leerlingen doet hij eerst met
behulp van een der leerlingen een stoot voor; vervolgens laat
hij dien eerst door de leerlingen van het eerste gelid, daarna door
die van het andere gelid op den man tegenover hen uitvoeren,
zelf weer aanwijzingen gevend en fouten verbeterend.
Na eenige lessen reeds zal kunnen blijken dat de eene leerling
sneller vordert, bevattelijker is, dan de andere. Hij zette dan de
slechtere leerlingen tegenover de betere, waardoor de eersten
sneller worden vooruitgebracht.
WENKEN VOOR DEN ONDERWIJZER.
Getrouw aan de algemeene beginselen, waarmee dit hoofdstuk begon, moet de onderwijzer geen bewegingen op commando laten uitvoeren. Den leerling wordt gezegd een stoot uit
te voeren, zoodra hij een ongedekte plaats ziet; te weren, wanneer hij wordt aangevallen en met de wering, die hem van te
56

voren is opgegeven en verklaard; afhankelijk van den afstand
en den toe te brengen stoot zal hij instappen of uitvallen, enz. enz.
Den leerlingen worde niet toegestaan partij te boksen, vóór
ze alle enkelvoudige bewegingen grondig kennen en ze eenige
samengestelde hebben uitgevoerd. Zelf kan de onderwijzer zoo
nu en dan met enkele leerlingen spelboksen; hij moet daarbij op
hunne fouten letten en zeonmiddellijkcorrigeeren. Inditverband
zij er den onderwijzer op gewezen, dat hij er wél tegen wake,
zijn leerlingen te ontmoedigen, door te toonen wat hij kan, door
b.v. steeds te snel te stooten voor den graad van geoefendheid
in verdediging van den leerling. Vooral op eenigszins bang aangelegde personen heeft dit een slechten invloed. Het is juist van
veel belang hen zelfvertrouwen te geven door kalm en rustig
uitgevoerde aanvallen, waartegen zij zich verdedigen kunnen.
Wordt langzamerhand de snelheid van den aanval opgevoerd,
dan zal ook die van de verdediging toenemen.
Men beginne, na de eerste lessen, elke les met 5 a 10 minuten
beenwerk. Als voorbereidende oefeningen zijn deze zeer geschikt.
Daarna volgt de eigenlijke les, die eindigt met 5 a 10 minuten
stootoefeningen, waarbij de stooten bedaard en correct uitgevoerd worden. Zorgt men ook dat de les zelf geen overdreven
zware eischen stelt, dan voorkomt men op deze wijze oververmoeidheid en overspanning aan het einde van de lessen.
Op bldz. 17 werd reeds opgemerkt, dat eenige oefeningen voor
rug-, schouderblad- en buikspieren van veel nut kunnen zijn;
eenige ademhalingsoefeningen aan het einde van een les zullen
een zeer weldoenden, kalmeerenden invloed hebben.
LESPROGRAMMA'S.
De hier gegeven lesprogramma's verdeelen de oefenstof over
een tijdvak van ongeveer drie maanden, zoodat bij dagelijksche
oefening elk programma ongeveer een week kan worden beoefend, voor tot een volgend wordt overgegaan.
Ze beoogen slechts eenige algemeene leiding te geven. De
beoordeeling van de snelheid van voortgang moet geheel bij den
onderwijzer blijven; deze toch ziet welke eischen zijn klasse
stelt en welke eischen aan zijn klasse gesteld kunnen worden.
57

De hier gegeven serie van programma's moet dan ook alleen
beschouwd worden als een voorbeeld, hoe, over een zeker tijdvak de oefenstof verdeeld kan worden, terwijl gewaakt is tegen
de algemeene fout, dat in één les te veel wordt samengepakt,
tengevolge waarvan de leerling er te weinig van behoudt, of reeds
begonnen wordt met de meer samengestelde bewegingen, wanneer de leerlingen de enkelvoudige nog niet grondig kennen.
Het is niet de bedoeling, dat alle in een programma nieuwe
bewegingen reeds in de eerste les met dat nieuwe programma
worden uitgevoerd. De onderwijzer bedenke, dat hij een geheele
week beschikbaar heeft om de nieuwe bewegingen in een programma aan zijn leerlingen bij te brengen. Hij beginne in de
eerste les de (of eenige der) bewegingen, in hare onderdeelen
gesplitst (zie bldz. 55) en in een der daarnavolgende lessen de
beweging in haar geheel, doch aanvankelijk langzaam, te onderwijzen, om eerst tegen den laatsten dag met dat programma de
vereischte snelheid voor zoo'n beweging te gaan eischen.
EERSTE PROGRAMMA.
a. De stelling.
Na te hebben aangegeven aan welke eischen de stelling
moet voldoen en den leerlingen deze te hebben voorgedaan,
doet de onderwijzer de klasse zoo vrij mogelijk de stellingen
aannemen en verbetert ze voor zoover noodig.
b. Been-, arm- en rompbewegingen in de stelling. Passen
voorwaarts, achterwaarts, links en rechts zij waarts, sprongen
achterwaarts. Uitval met linkerarm strekken.
c. Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
TWEEDE PROGRAMMA.
a.

10 min. voetwerk. Romp- en armbewegingen (klassikaal).
| De afstand.
b. 1 Linksche rechte stoot naar hoofd en lichaam.
I Dekken tegen dien stoot.
c. Blokken en weringen tegen linkschen stoot naar hoofd en
lichaam.
58

d. Linksche rechte stooten op stootballen en stootzakken
(klassikaal).
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
In de eerste lessen met dit programma worde vooral aandacht
gewijd aan het leeren zien van den afstand. Een goede methode
is den leerlingen den linkschen rechten stoot te laten uitvoeren
van een kleineren afstand en die geleidelijk tot den maximum
afstand te laten vergrooten. Geef hen daarna tegenpartijen van
verschillende lengte, zoodat zij ook in die gevallen eenig begrip
van den afstand krijgen.
DERDE PROGRAMMA.
a.
b.
c.
d.

10 min. voetwerk.
Als 2b en c.
Ontwijken van den linkschen rechten stoot
Stootoefeningen met linkerarm.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
VIERDE PROGRAMMA.

a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 36 en c.
c. Zwaaistoot links naar hoofd en lichaam.
Dekken, weren en ontwijken van dien stoot.
d. Stootoefeningen met linkerarm.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
VIJFDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 4b en c.
Linksche hoekstoot naar hoofd en lichaam.
Verdediging tegen die stooten.
d. Stootoefeningen met linkerarm.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.

{

ZESDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 56 en c.
59

(Rechtsche stooten naar het hoofd.
(Verdediging tegen die stooten.
d. Stootoefeningen met beide armen.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
ZEVENDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 66 en c.
| Rechtsche stooten naar het lichaam.
\ Verdediging tegen die stooten.
d. Stootoefeningen.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
ACHTSTE PROGRAMMA.
a. 5 è 10 min. voetwerk.
b. Als 3 met nastooten. Opstoot. Voorstooten.
c. Herhaling van 7b en c.
Schijnbewegingen.
d. Stootoefeningen.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
NEGENDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 4 en nastooten. Schijnbewegingen.
Tijdstooten.
c. Ronde boksen met onderwijzer.
d. Stootoefeningen.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
TIENDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 5 met nastooten. Invechten, vastgrijpen en losbreken.
c. Herhaling van 9. Ronde boksen met onderwijzer of onder
zijn toezicht.
d. Stootoefeningen.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
60

ELFDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Als 6 en nastooten.
c. Onderling of met onderwijzer boksen (3 ronden van 2 min;).
d. Stootoefeningen.
Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.
TWAALFDE PROGRAMMA.
a. 5 a 10 min. voetwerk.
b. Partijboksen onderling en met onderwijzer (3 ronden van
2 minuten).
•c. Rug- en buikspieroefeningen. Ademhalingsoefeningen.

61

LIJST VAN ENGELSCHE UITDRUKKINGEN.
attack

— aanval.

ball-punching
blocking
breaking

— bal-stooten.
— blokken,
— losbreken.

checking
clinching
counter(ing)
covering
cross-counter
crouch(ing)

— stoppen (tegen schouder, enz.).
— vastgrijpen.
— tegen- (na-) stoot(en).
— dekken.
— kruisstoot.
— vorm van stelling (in elkaar kruip

defence
drawing
duck(ing)

— verdediging,
— lokken.
— ontduiken.

feint-(ing)
fighting
f ootwork
fouls

— schijnaanval.
— vechtboksen.
— voetwerk,
— verboden stooten.

glove
guard

— handschoen,
—wering.

halfarmhits
hook

— halfarmstooten.
— hoekstoot.

in fighting

— invechten.

jumping (back)

— sprong achterwaarts.

knock-out

— eindstoot.

lead
lunge

— rechte stoot,
— uitval.

position

— stelling.

safety-block
shoving
side-step(ping)

— dubbeldekking.
— schuiven.
—zijwaarts stappen.

62

slipping
— ontwijken.
stepping in (— back) — in- (terug-) stappen.
stop(ping)
— stopstoot.
straight to point(to jaw)— rechte stoot (naar de kaak).
— tobody(tomark)— „
„ naar het lichaam, de maag.
swing
— zwaaistoot.
tim(ing)

— tijdstoot.

uppercut

— opstoot.

63

A C H T E N D E R T I G AFRF.tPfMyyftfc
BEHOORENDE BIJ

HANDLEIDING

VOOR

HET BOKSEN
DOOR J. STUY

. R O T T E R D A M 1919
W . L. & j . B R U S S E ' S

UITGEVERSMAATSCHAPPIJ

Fig. 1. Stelling van voren
Fig. 2. Stelling van terzijde gezien,
gezien.*)
*) Hoofd en linkerschouder worden in deze stelling wat laag gehouden. De rechtervoet, wijst, in afwijking van de beschrijving
recht naar voren.

Fig. 3. Linksche rechte stoot naar het hoofd.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
2

Fig- 4. Het gevolg van het onderschatten van den afstand.
De aanvaller valt naar voren en heft den rechtervoet

Fig. 5. Linksche rechte stoot naar het lichaam. Ontwijking van een linkschen rechten stoot naar het hoofd.
HANDLEIDING V O O R H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y
3

Fig. 6. De rechte stoot rechts naar het hoofd.

Fig. 7. Linksche halfarmstoot naar het lichaam.
Ontwijking van een linkschen rechten stoot.
H A N D L E I D I N G V O O R H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y
4

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 8. Linksche hoekstoot naar het hoofd.

Fig. 9. Linksche opstoot naar het hoofd.
Rechtsche hoekstoot naar het lichaam.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
5

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 10. Ontduiking linkschen rechten stoot.
Rechtsche hoekstoot naar het lichaam.

Fig. 11. Ontduiking rechtschen zwaaistoot naar links.
Rechtsche halfarmstoot naar het lichaam.
HANDLEIDING VOOR
6

H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 13. Aanvaller blokt linkerarm van tegenstander.
Tegenstander dekt tegen linkschen rechten stoot.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
7

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig-14. Wering van den linkschen rechten stoot
met den rechter arm naar rechts.

Fig. 15. Wering van den linkschen rechten stoot
met den rechter arm naar links.
H A N D L E I D I N G VOOR H E T B O K S E N D O O R J. S T U T
8

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 16. Wering van den linkschen rechten stoot
met den linker arm naar rechts.

Fig. 17. Het schuiven van een linkschen rechten
stoot naar het hoofd naar linksboven.
Nastoot rechts naar de ribben.
H A N D L E I D I N G V O O R H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y
9

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 18. Het vangen van een rechtschen hoekstoot
op den schouder.

Fig. 19. Ontwijking naar achteren.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
10

ACHT E N DERTIG

A F B E E L D I N G E N B E H O O R E N D E BIJ

Fig. 20. Zijstap naar rechts.

Fig. 21. Ontwijking van een hoekstoot naar het hoofd.

HANDLEIDING

VOOR

H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y
11

A C H T E N D E R T I G A F B E E L D I N G E N B E H O O R E N D E BIJ

Fig. 22. Dubbeldekking.]

Fig. 23. Dubbeldekking.

HANDLEIDING
12

VOOR

H E T B O K S E N D O O R J. S T U T

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 24. Dubbeldekking.

Fig. 25. Stopstoot tegen linkschen rechten stoot
naar het lichaam.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U T
13

A C H T E N D E R T I G A F B E E L D I N G E N B E H O O R E N D E BIJ

Fig. 26. Tijdstoot.

Fig. 27. Rechtsche buitenkruisstoot.

HANDLEIDING VOOR
14

H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 28. Rechtsche binnenkruisstoot

Fig. 29. Na rechtsche wering van den linkschen rechten stoot
nastoot rechts naar het hoofd.

HANDLEIDING V O O R H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
15

ACHT EN DERTIG

AFBEELDINGEN

BEHOORENDE

BIJ

Fig. 30. Het mislukken van den rechtschen buiten-krulsstoot
door optrekken van den schouder bij het toebrengen van den
linkschen rechten stoot naar het hoofd.

Fig. 31. Ontwijking met overstappen.
Linksche halfarmstoot naar het lichaam.
HANDLEIDING VOOR
16

HET BOKSEN

D O O R J. S T U Y

ACHT E N DERTIG

A F B E E L D I N G E N B E H O O R E N D E BIJ

Fig. 32. Het gebruik van arm en schouder
voor invechten.

Fig. 33. Vastgrijpen.

HANDLEIDING VOOR

H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y
17

ACHT E N DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 34. Vastgrijpen.

Fig. 35. Het zoogenaamde hangen,
waarbij beide partijen mogen stooten.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
18

ACHT EN DERTIG AFBEELDINGEN BEHOORENDE BIJ

Fig. 37.
Fig. 36 en 37. Schijnstoot rechts naar het lichaam
gevolgd door linkschen rechten stoot naar het hoofd.

HANDLEIDING VOOR H E T B O K S E N DOOR J. S T U Y
19

ACHT E N DERTIG

A F B E E L D I N G E N B E H O O R E N D E BIJ

Fig. 38. Stopstoot tengevolge van schijnbeweging
op te korten afstand.

HANDLEIDING
20

V O O R H E T B O K S E N D O O R J. S T U Y