Laten we ferm nee zeggen...

Foucaultiaanse analyse van het artikel Leven in eeuwige angst van Jolande Withuis

Postmoderne theorievorming over sekse. Vrouwenstudies, Universiteit van Amsterdam docent: Saskia Poldervaart

contractstudent: Grietje Keller Van Oldenbarneveldtstraat 13-a-1 1052 JP Amsterdam 020 6868 385 fax 688 5056 grietje@xs4all.nl

juli 2000

1

Persoonlijke inleiding
Als doelgroep van de "Marie wordt wijzer"-campagne maakte ik (dierenartsdochter met hippieouders) op het gymnasium begin jaren 80 kennis met het witte, Nederlandse feministisch discours: "Meisje, zorg ervoor dat je een opleiding afmaakt en zet niet al je kaarten op man en kinderen". Nadat ik keurig mijn filmopleiding afmaakte en ik bij een laatste praktische workshop over mijn toekomstige beroepspraktijk leerde dat ik zo snel mogelijk een sociale dienst uitkering moest aanvragen, voelde ik me enigszins bekocht: ik had netjes mijn diploma gehaald en mijn opdrachten vervuld, maar het was absoluut geen garantie voor betaald werk. Ik maakte (onbetaald) een film over mijn toenmalige schoonmoeder in communistisch Hongarije en ik zag dat zij beschikte over de verworvenheden waar Nederlandse feministen voor streden: economische zelfstandigheid en veel crèches. Toch was ze er niet blij mee. Langzamerhand werd het me steeds onduidelijker hoe de wereld in elkaar zat, de "waarheid van de vrouwenemancipatie" bleek niet te kloppen en ik begon me af te vragen hoe het dan wel in elkaar stak. Sekseverhoudingen bleken een ingewikkelder puzzel te zijn dan de campagnes "Marie wordt wijzer" en "Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid" suggereerden. Ik probeerde antwoorden te krijgen door het lezen van boeken van Gerda Lerner, Mieke de Waal, Anna Aalten, Ulla Jansz
1

en Jungiaanse zelfhulpboeken. En de
2

puzzel werd steeds ingewikkelder en interessanter. Op zoek naar een vrouwelijke essentie kwam ik bij Clarissa Pinkola Estés en Williamson terecht. Het was voor mij een ontdekking dat deze boeken vrouwelijkheid verbond aan positieve begrippen en niet alleen aan slachtofferschap, passiviteit en andere traditionele en/of negatieve stereotyperingen. Tot dan toe waardeerde ik voornamelijk mannelijke waarden en probeerde me te distantiëren van allerlei zaken die met vrouwelijkheid te maken hadden. Toen ik een paar jaar geleden het artikel Gewoon hetzelfde of nu eenmaal anders van Mieke Aertsz las, werd me meer duidelijk over verschil en gelijkheid. Ik heb geen idee hoe ik in mijn zoektocht het idee van een vrouwelijke essentie heb losgelaten, ik denk dat het ergens gebeurd is tijdens het corrigeren van teksten met foucaultiaanse analyses van mijn niet-Nederlandstalige vriendje voor zijn studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. In dit essay analyseer ik een artikel van Jolande Withuis uit de Opzij van maart 2000 met behulp van de ideeën van Foucault. Ik geef eerst een kort overzicht van het denken van Foucault en de toepassing van zijn denken binnen vrouwenstudies. Vervolgens bepaal ik tot welk discours het korte artikel van Jolande Withuis behoort. Ik stel me

1

Gerda Lerner, Creation of Patriarchy, 1986; Mieke de Waal, Meisjes, een wereld apart; Ulla Jansz, Denken over sekse in de eerste feministische golf, Sara/ Van Gennep, Amsterdam, 1990, 2 Clarissa Pinkola Estés, Women who run with the wolves, contacting the power of the wild woman, 1992; Marianne Williamson, In vrouwelijkheid.

2

daarbij de vraag: wie worden in dit discours uitgesloten en wat zijn de gevolgen daarvan?

3

Foucault en feminisme
Foucault Feministen hebben sinds de jaren 70 kritiek op de traditionele wetenschap die zegt te spreken vanuit een waardevrije positie en daarmee beweert universele waarheden op het spoor te komen. De zogenaamde onpartijdige wetenschappelijke kennis ontmaskerden feministen als een witte en mannelijke kijk op de wereld, die niet overeenkwam met de ervaring van vrouwen. Maar vanaf het moment dat feministen probeerden zelf ‘betere’ kennis te produceren stuitten ze onvermijdelijk op de vraag: bestaat er zoiets als onpartijdigheid en waarheid. Foucault omschrijft zijn werk als “critical histories of Western thought” . Hij bekeek daarbij hoe waarheden en kennis tot stand kwamen. Foucault was niet geïnteresseerd in de antwoorden op vragen, maar in waarom we de vraag stellen. Hij ging niet met collega-denkers in discussie met argumenten en tegenargumenten, in plaats daarvan bekeek hij van buitenaf naar de innerlijke logica van de argumenten en het betoog; hij beschreef hoe manieren van denken hebben kunnen ontstaan in de geschiedenis en ontdeed ze daarmee van hun vanzelfsprekendheid. Hij ontmaskerde ‘eeuwige waarheden’ als tijd- en plaatsgebonden. Gebaseerd op de taaltheorie van De Saussure zag Foucault de verbinding tussen woorden en dingen (tussen betekenis en betekenaar) als arbitrair. Betekenissen ontstaan door het gebruik van de woorden onderling, niet door hun relatie met een werkelijkheid buiten de taal. De taal waarvan mensen gebruik maken, is volgens Foucault een entiteit op zichzelf, hij noemt dit het discours. Het discours (of: vertoog) definieert Brouns als volgt: "Een vertoog is een netwerk van gesproken of geschreven teksten die gezamenlijk een terrein/object creëren, met een eigen onderscheid tussen waar en onwaar. Je kunt het zien als een soort collectief verhaal over de werkelijkheid." (Brouns 1995, 69) Foucault schreef ‘genealogieën’, geschiedenisonderzoeken waarbij hij niet op zoek gaat naar diepere betekenissen, essenties, een oorsprong of vooruitgangsverhalen. Hij blijft op de oppervlakte kijken naar het discours en accentueert toevallige details en gebeurtenissen. Door terug te gaan in de tijd wil hij niet terug naar de basis, maar wil hij die zogenaamde basis omverwerpen en laten zien dat wat wij als vaststaand beschouwen niet eenduidig is. In zijn genealogie van de waanzin laat Foucault bijvoorbeeld zien dat ‘normaal’ en ‘pathologisch’ geen essenties zijn die voorafgaan aan de taal, maar dat deze waarden geconstrueerd zijn door een discours. Dit discours creëert een rationeel subject (identiteit) door een scheidslijn te maken tussen ‘gekken’ en ‘normalen’. Het discours geeft vorm aan ons leven van alledag: wij zien de wereld om ons heen door de ogen van het dominante discours en wijzelf en onze omgeving gaat
1 1

Tenzij anders aangegeven, is deze samenvatting over het denken van Foucault gebaseerd op Prins 1997.

4

zich er in onze ogen naar gedragen, wat zich niet gedraagt volgens het discours is ‘abnormaal’. Binnen de grenzen van het discours ziet wat waar en 'onwaar' is eruit als logisch en redelijk. Foucault probeert een stap terug te doen en het discours van buiten af te bekijken en ziet dan het ontstaan van waarheden als resultaat van uitsluiting, disciplinering en controle. Hij laat zien dat onze wereld, subjectiviteit en lichamen historische producten zijn en geconstrueerd zijn in de taal. Dat betekent niet dat we niet ‘echt’ zijn, maar we hebben alleen toegang tot de wereld om ons heen door taal, we kunnen de 'realiteit' (het lichamelijke of de materie, datgene wat we aan kunnen raken) niet zien, maar alleen zien als. Alles wat we zien is tegelijkertijd een interpretatie, een zien als. (Laqueur 1990, 15) Geen enkel discours is ‘onschuldig’, wij leggen onze wil op aan de dingen door het gebruik van het discours. Macht, discours en kennis zijn onderling met elkaar verbonden. Foucault ziet macht als een netwerk, aanwezig in alle relaties tussen mensen. Hij ziet macht niet als het bezit van een bepaalde groep of klasse of als afhankelijk van instituties. Foucault ziet macht als een onontkoombare realiteit waar alle mensen mee te maken hebben: tegelijkertijd voeren we macht uit, zijn we onderworpen aan andermans macht en, last but not least, zijn we onderworpen aan de macht van het discours. Foucault ziet macht niet als repressief, maar als produktief. Door machtspraktijken komen naast het moderne subject, ook 'waarheden' tot stand. “Impartial legitimations are nothing else than another strategical-tactical move. With our claims to truth we give not more, but also no less, than "a situated response to a particular political and epistemic configuration.” (Prins 1997, 21) Het subject (het individu) komt tot stand door zich te onderwerpen aan het discours. Men heeft pas recht van spreken als men de regels van het discours volgt. De ideeën die mensen verzinnen krijgen pas vorm, betekenis en zin binnen het discours, of liever: die ideeën kunnen pas ontstaan bij de gratie van het bestaande discours. "Subjectiviteit en identiteit, zelfstandigheid en de plaats die ingenomen wordt in de wereld, zijn slecht mogelijk krachtens een reeds bestaand discours." (IJsseling 1981, 77) Foucault verwerpt het idee dat er een positie is van waaruit men universele en transcendente waarheden kan beweren. Alhoewel het subject van Foucault niet aan het discours en aan disciplinerende macht kan ontkomen, spreekt Foucault toch over een ethiek van het subject dat kennis produceert. Het kennis producerende subject moet zich rekenschap geven van zijn punt van vertrek, Foucault noemt: "housing, the hospital, the asylum, the laboratory, the university, family and sexual relations." (Foucault 1980 in Prins 1997:22) Volgens Prins pleit Foucault voor een kennisproduktie die belichaamd, partijdig en verantwoordelijk is en zich verzet. Foucault en feminisme Foucaultiaanse discoursanalyse is op verschillende manieren van belang voor het feminisme. Ten eerste om het dominante discours onder de loep te nemen en te kijken in hoeverre dat vrouwen uitsluit, marginaliseert en disciplineert. Ten tweede om het
5

feministisch discours kritisch te bekijken. Sawicki noemt dit negatieve vrijheid, gebaseerd op het idee van vrijheid van Foucault: "a constant attempt at selfdisengagement and self-invention" (Sawicki, 353). Deze negatieve vrijheid kan volgens Sawicki gebruikt worden om allerlei vooronderstellingen van ‘ons feministen’‚ los te laten. Zoals politieke identiteiten, veronderstellingen over sekseverschillen en afbakeningen waaruit het feminisme bestaat. Sawicki vindt dat het belangrijk is dat feministen kritisch kijken naar hun eigen discours, omdat het ontstaan is als verzet tegen het patriarchaat, maar er tegelijkertijd een product van is. Begrippen zoals 'de rede'‚ of 'het vrouwelijke'‚ zijn gebruikt om vrouwen te onderdrukken, daarom is het volgens Sawicki een goed idee om kritisch te kijken of deze zelfde begrippen wel bevrijdend kunnen zijn. Volgens Sawicki heeft het feminisme in het verleden geen oog gehad voor het feit dat ze is ingebed in de dominante theorieën van dat moment, waardoor ze mee zijn gevoerd door de stroom, terwijl ze niet goed in de gaten hadden of dat de feministische zaak goed deed. Ten derde kan men met een foucaultiaanse analyse zien wie of wat het feministisch discours uitsluit, zoals bijvoorbeeld homoseksualiteit en etniciteit. Er is ook kritiek van feministen op een foucaultiaanse manier van analyse van sekse . Ik zou die kritiek willen samenvatten met de angst vaste grond onder de voeten kwijt te raken. In Nicholson (1990, 8) komt aan de orde dat Nancy Hartsock en Susan Bordo vinden dat er ergens een stopping point moet zijn aan de gedachte dat begrippen contingent zijn en historisch en cultureel bepaald. Dit stopping point zou gender moeten zijn. Hoe kan je tenslotte een feministische beweging creëren als je mensen niet onder de noemer vrouw kunt samenvoegen? Mijns insziens laat Nicholson overtuigend zien in haar artikel Interpreting Gender (1994) dat de 'radicale deconstructie' van het begrip gender meer oplevert, dan wanneer feministische theoretici krampachtig vasthouden aan universele dichotomiën over gender en sekse. Nicholson gaat in dit artikel inderdaad zo ver dat ze laat zien dat vrouwen niet onder één noemer te vangen zijn, dat er geen enkele algemene generalisatie te maken is over vrouwen of hun positie wereldwijd en door de tijden heen. Aan de hand van voorbeelden uit verschillende culturen waarbij er sprake is van meer dan twee genderposities, en aan de hand van Laqueur die aantoont dat het idee dat er twee sexen zijn ontstaan is in de 18e eeuw, deconstrueert Nicholson het begrip gender. Volgens Nicholson worden subtiele, maar belangrijke verschillen in opvattingen over sekse en gender onzichtbaar wanneer de theorie vasthoudt aan de het idee dat er twee seksen en genders zijn en dat vrouwen op één of andere manier fundamenteel anders zijn dan mannen. (Nicholson 1994, 97) Nicholson is tegelijkertijd van mening dat het mogelijk blijft feministische politiek te bedrijven, terwijl het woord vrouw niet te definiëren is. Zij meent dat het idee van alliantie-politiek niet alleen van toepassing is op feministen die tijdelijke allianties aangaan met groepen buiten het feminisme op basis van een gezamenlijk belang, maar Nicholson pleit dat alliantie6

politiek ook van toepassing is binnen de vrouwenbeweging: feministen met verschillende achtergronden komen tijdelijk bijeen voor gezamenlijke belangen.

Nee tegen de islam!
Het artikel van Jolande Withuis In maart 2000 publiceerde het tijdschrift Opzij drie reacties op de vraag: Feminisme en islam: is dat een onmogelijke combinatie?, als opstap voor een discussie op 8 maart in De Rode Hoed. Fouzia Kassi, Sawitri Saharso en Jolande Withuis schreven ieder een korte reactie van één pagina op deze vraag. Alhoewel ik het met een gedeelte van de meningen van Withuis eens ben, stuitte het artikel me erg tegen de borst. Aan de hand van een foucaultiaanse discoursanalyse zal ik proberen duidelijk te maken wat me dwars zit bij haar artikel. Het stuk van Withuis is geschreven in felle bewoordingen, vol vuur en felheid, als een pamflet. Ze zet godsdienst in het algemeen en "de islam" in het bijzonder, neer als vijanden van de vrouwenemancipatie. Withuis: "De islam is even vrouwvijandig als het christendom; moge hij even hard vergaan." Withuis spreekt over erewraak, vrouwenbesnijdenis, taalachterstand van allochtone kinderen, allochtone vrouwen en meisje die onderwijs onthouden wordt, fundamentalisten die een Nederlandse vrouwelijke ambtenaar geen hand willen geven en islamitisch familierecht. Withuis richt in eerste instantie haar kritiek op "cultuurrelativisten" en "progressief en feministisch Nederland", die al deze praktijken goedkeuren onder het argument: "culturele minderheden mogen leven zoals zij willen." Withuis creëert een werkelijkheid waarbij allochtone vrouwen door de invloed van cultuurrelativisten geen steun ontvangen van de westerse democratie. Withuis pleit krachtig voor het secularisme en de "westerse democratie die de gelijkheid der seksen in de grondwet heeft staan." Nieuw realistische discours In plaats van in te gaan op het betoog van Withuis en met haar in discussie te treden met argumenten voor en tegen haar uitspraken, bekijk ik haar tekst vanaf de buitenkant: welke toon en stijl gebruikt ze, waar zwijgt ze over, wie representeert ze en hoe? Oftewel, ik bekijk tot welke discoursgemeenschap Withuis behoort. Naar mijn mening voegt Withuis zich met dit artikel in in het huidige dominante discours in Nederland met betrekking tot 'het minderhedenprobleem'. Baukje Prins analyseerde dit discours in een artikel in Lover (1998/3, 48-53) en in haar dissertatie The standpoint in question (1997). Ze laat zien hoe deelnemers aan het minderhedendebat begin jaren negentig zoals Bolkestein en Vuijsje (Prins noemt ze "nieuw realisten") hun identiteit vormen door beelden van 'de ander'‚ in dit geval minderheden, te creëren. De nieuw realisten belijden een emancipatorische overtuiging, terwijl deze mannen tot dan
7

toe weinig blijk hebben gegeven van sympathieën met het feminisme. Prins laat zien dat het de voorzetting van een patroon is uit de negentiende eeuw waarbij de koloniale overheersers de rechtmatigheid van hun dominante positie aantoonden door de achterstand en afhankelijkheid van 'oosterse' vrouwen aan de kaak te stellen en daarmee de achterlijkheid van 'de oosterse' cultuur te benadrukken. Het strijdperk is nu verplaatst binnen de natie zelf. De nieuw realisten aan het einde van de twintigste eeuw zien in de slechte positie van 'de allochtone vrouw' bevestigd dat de westerse, witte Nederlandse cultuur superieur is. Daarnaast wijst Prins op de manier hoe sekse vorm krijgt in het debat. Nieuw realisten spreken de allochtone mannen aan om hun mannelijke privileges in te leveren en zich aan te passen aan 'de Nederlandse cultuur', allochtone vrouwen zijn slachtoffers van 'hun' eigen cultuur en hebben vanzelfsprekend baat bij assimilatie in de zogeheten Nederlandse cultuur. De nieuw realisten bevestigen hun eigen mannelijkheid door de manier ze het minderhedendebat voeren: "Met zijn moedige verdediging van de westerse beschaving maakt de nieuw realist niet alleen indruk op zijn medeburgers. Door van (mannelijke) moslims te eisen dat zij zich aanpassen aan de Nederlandse regels en normen, bewijst hij ook hen dat hij 'lef' heeft, dat er met hem niet valt te spotten. Met deze eis geeft hij bovendien aan ('hun') vrouwen tegen hen te zullen beschermen - waarmee hij de deugd van burgermoed combineert met de deugd van ridderlijkheid." (Prins 1998, 52)
1

De overeenkomsten in de stijl en manier van denken tussen Withuis en de nieuw realisten is opvallend. De nieuw realisten zeggen de minderheden serieuzer te nemen dan welzijnswerkers. Bolkestein: "We zijn grote mensen en dat zijn zij ook. (...) We beschouwen hen als volwassen mens, waar wij een volwassen en robuust gesprek mee voeren." (Prins 98, 53) Withuis schrijft: "Respect impliceert tegenspraak en kritiek. Als volwassen wereldburgers onder elkaar." Prins vindt dat de manier waarop nieuw realisten de snelle gevolgtrekking maken "Ik neem ze serieus, dus maak ik ruzie" vooral illustreert dat de nieuw realist een 'manmoedige' houding aanneemt en als een 'echte' man de ander als een waardig tegenstander respecteert. Prins merkt op dat de manier waarop de nieuw realisten respect interpreteren, "geen rekening houdt met de mogelijkheid dat men door de ander overtuigd zou kunnen worden." (Prins 1998, 53) Alhoewel Jolande Withuis geen man is, breekt zij ook moedig een lans voor de westerse democratie: "Laten we ferm nee zeggen tegen geloofsdwang; tegen aantasting van het recht op vrije meningsuiting; (...) en tegen elke vorm van meisjesverminking, eergeweld, seksediscriminatie en -ongelijkheid." Withuis verkrijgt door het gebruik van het discours van de nieuw realisten een subject-positie die aan witte Nederlandse feministen laat zien dat zij aan de 'goede' kant‚ staat. Ze heeft de moed zich uit te

1

Alhoewel Prins het minderhedendebat uit het begin van de jaren negentig analyseert, heeft het minderhedendebat dat begin dit jaar losbarstte naar aanleiding van het artikel van Scheffer in het NRC Het multiculturele drama dezelfde kenmerken.

8

spreken tegen "het kwaad van de 'eigen cultuur', [dat] de afgelopen twintig jaar wortel heeft geschoten en is voortgewoekerd." 'Wij' tegenover 'zij' Door de scheidslijnen die Withuis trekt, zet ze stevig haar identiteit neer: 'wij', seculiere Nederlanders verbonden aan begrippen als vooruitgang, realiteit, rechtvaardigheid tegenover 'zij, islamieten'‚ verbonden aan begrippen als vrouwonvriendelijkheid, achterstand, seksediscriminatie, meisjesverminking en machtsmisbruik. Withuis bevestigt door haar betoog tegen 'de islam'‚ een beeld van een Nederlandse democratie die rechtvaardig is tegenover vrouwen, dankzij het gevecht van de westerse feministische beweging. Heleen Crul schreef in 1996 in Trouw naar aanleiding van een islamitisch fundamentalistisch schoolbestuur dat vanuit geloofsovertuiging de vrouwelijke wethouder geen hand wilde geven, dat de afgelopen vijfentwintig jaar de discriminatie van vrouwen "via de voordeur" weggewerkt is, maar "dankzij het fundamentalisme van moslims dreigt deze discriminatie door de achterdeur terug te komen". Withuis en Crul wekken de indruk dat hier de vrouwenemancipatiestrijd succesvol gestreden is en gaan uit van een vooruitgangsgedachte waarbij het pad van de vrouwenbevrijding eenduidig en duidelijk is. Allochtonen wiens ideeën niet overeen komen zijn met die van Withuis en Crul lopen achter. Withuis: "Met het bevorderen van de 'eigen taal en cultuur'‚ heeft Nederland zijn nieuwkomers op achterstand gezet." Opvallend is de overeenkomst met Scheffer die in zijn artikel Het multiculturele drama J.A.A. van Doorn citeert: "de aanwezigheid van de allochtonen [heeft], evolutionair gezien, de klok van de Nederlandse geschiedenis een halve eeuw of langer (...) teruggezet". Zowel het recente minderhedendebat in de eerste helft van dit jaar als het minderhedendebat geanalyseerd door Prins is er een tussen witte Nederlanders. Prins: "As they address the question what kind of a society 'we' actually want to be, they further social cohesion." (Prins 1997, 126) Alhoewel representanten van minderhedengroepen wel hun mening laten horen, blijven minderheden het object in de bijdragen van de nieuw realisten aan de discussie. (Prins 1997, 127) Ook Withuis praat over in plaats van met of tegen minderheden. Ze blijven, in Zygmunt Baumans terminologie, undecidables: geen vrienden, geen vijanden, niet binnen of buiten, maar vreemd, niet te categoriseren en niet te controleren. (Prins 1997, 127) 'Allochtone' vrouwen Allochtone vrouwen komen op twee manieren aan bod in het betoog van Withuis. Ten eerste als slachtoffers van 'hun eigen cultuur'. Withuis schrijft over "Turkse vrouwen 'in de wurggreep van de angst'". Ten tweede als dappere verzetsstrijders tegen de 'eigen cultuur' en tegen de cultuurrelativisten: "Ik kreeg (...) kippevel van de moed (...) van
9

deze [Turkse] vriendinnen én van het besef dat zij met hun stap niet allen een deel van de Turkse gemeenschap trotseerden (...) maar ook van progressief en feministisch Nederland". Withuis creëert hiermee voor de 'verzetsstrijders', in de woorden van Donna Haraway, een vijandige omgeving (antagonistic environment) (Prins 1997, 127). Juist degenen die het dichtst bij de 'allochtone' vrouwen staan en een vertrouwde omgeving kunnen zijn (zoals de naaste familie en vrienden, de islam) worden tot een vijand gemaakt in het discours van Withuis. De mening van allochtone vrouwen komt bij Withuis en de nieuw realisten niet aan bod. Prins haalt bijvoorbeeld Farida Pattisahusiwa aan die zich niet prettig voelt bij de slachtofferrol die ze door Bolkestein krijgt opgedrongen en er geen behoefte aan heeft aan die door niemand 'gered' te worden: "Ik voel me niet door de islam of moslims onder druk gezet, maar de druk van Jan Piet en Klaas en van Stien en Mien, die wordt me wel eens te veel." (Prins 1998, 51) Ook Fouzia Kassi geeft in haar artikel in dezelfde Opzij aan dat ze zichzelf als geëmancipeerd beschouwt en dat ze zich ergert aan mensen die menen dat vrouwen zoals zij met hoofddoeken ongeëmancipeerd zouden zijn en het feminisme geen goed doen. Ze vindt ze kortzichtig. Withuis = nieuw realist? Het betoog van Withuis komt naar mijn mening niet totaal overeen met de nieuw realisten, er zijn ook verschillen. Bolkestein en de nieuw realisten spreken namens, oftewel representeren de witte onderklasse, die in de oude wijken samenleeft met 'de allochtonen'. Withuis representeert niet de witte onderklasse, maar 'de allochtone' vrouw. Withuis gebruikt soms elementen van het huidige postmoderne antiessentialistische discours. In dit discours gebruikt men aanhalingstekens om aan te geven dat de schrijver de essentie niet onderschrijft die het woord tussen aanhalingstekens suggereert. Withuis gebruikt ook de aanhalingstekens om kritiek te hebben op de essentialisering van een begrip: "het is stereotypering om mensen te reduceren tot dragers van 'hun' cultuur'." Withuis gebruikt de aanhalingstekens daarnaast om termen belachelijk te maken: "gelukkig verliest het onwaarachtige 'cultuurrelativisme' aan invloed." Daarnaast worden de aanhalingstekens gebruikt om mensen te citeren: "Door rekening te houden met de 'culturele achtergrond', schreven zij, worden 'het onderdrukkende gedrag en het verdedigen van de familie-eer' in stand gehouden". De scheidslijn tussen deze drie vormen van het gebruik van de aanhalingsteken is niet altijd duidelijk, vaak is het een combinatie. Withuis ruimt een alinea in voor het begrip 'cultuur', waarbij ze benadrukt dat "het stereotypering is om mensen te reduceren tot dragers van 'hun‚ cultuur. (...) Religies

10

noch culturen verdienen respect; dat komt hooguit individuen toe."

1

Withuis wekt even

de indruk met deze korte anti-essentialistische beschrijving van het begrip cultuur een genuanceerd beeld te hebben over het begrip, maar aan het einde van de alinea schakelt ze religie gelijk aan cultuur en wenst ze de islam een even snelle dood toe als het christendom. De kern van de alinea is: culturen zijn veranderlijk, dus ze moeten veranderen. De 'andere' culturen moeten veranderen, wel te verstaan. De Nederlandse maatschappij heeft in het artikel van Withuis geen godsdienst (het christendom is volgens Withuis hard aan het "vergaan") en wanneer Withuis over cultuur spreekt gaat het alleen over 'andere' culturen; 'de Nederlandse cultuur' is onzichtbaar, een unmarked category. Prins "This representation of Dutch identity as a non-identity can be seen as a particular example of Western or white discourse that constrast its unmarked (but actually Western, Ducth, white, etc.) self with its culturally and racially marked 'others'. (...)The hierarchy tacitly inscribed in the subject's identification with an unmarked category precludes the mutuality which at the same time is praised as the necessary precondition for intercultural dialogue." (Prins 1997, 126) Zowel de nieuw realisten als Withuis praten vanuit de waarden van 'de Westerse beschaving' met de fundamentele begrippen als secularisatie, vrijheid van meningsuiting, tolerantie en gelijkheid. Het liberalisme acht deze waarden universeel en beschouwt beschavingen die deze fundamentele principes aanhangen als beter, 'andere culturen' lopen achter. Withuis vindt net als Bolkestein dat aan de bovengenoemde liberale principes niet getornd mag worden. Als een compromis onmogelijk is, is het antwoord daarop van Bolkestein: "we have to defend the achievements of our own culture" (Prins 1997, 119) Dat is wat Crul en Withuis allebei doen: "Laten we ferm nee zeggen tegen...". Macht en onschuld De nieuw realisten spreken zoveel Nederlanders aan, omdat dit discours de indruk wekt een heldere weergave te zijn van de wereld, zonder 'politieke correctheid' durft men te zeggen waar het op staat en de realiteit onder ogen te zien. De nieuw realisten zien hun discours als onschuldig. (Prins 1998, 53) Withuis komt hierin overeen met het nieuw realisme. Wanneer Withuis schrijft: "Machthebbers [benutten] 'de' cultuur om hun positie te handhaven" impliceert dat dat er een realiteit buiten het discours zou zijn die te kennen is zonder aangetast te worden door machtswerking. Withuis legt zich geen rekenschap af dat zij ook 'machthebber' is en in haar discours met ideeën over culturen zichzelf positioneert. Volgens Foucault sluit ieder discours uit en is ieder discours een machtsspel. Het feit dat het discours van Withuis mensen uitsluit is op zich geen reden om haar discours te diskwalificeren. Er zijn echter twee redenen waarom ik wel grote
1

Ik zie hier opvallende overeenkomsten met wat Mariwan Kanie schrijft over cultuur naar aanleiding van de eerdergenoemde handdrukaffaire in reactie op Heleen Crul. Hij schrijft "De affaire wordt gezien (...) als een botsing tussen culturen, maar naar mijn mening botsen culturen niet met elkaar, mensen wel. Het idee dat culturen met elkaar botsen betekent dat cultuur gezien wordt als een autonome essentie. (...) cultuur wordt gepresenteerd als de maker van de mens en niet als een product van de mens." (Kanie 1998, 8-9) Kanie, die kritiek geeft op het "cultureel nationalisme" van Crul, gebruikt het anti-essentialistische idee over cultuur om aan te tonen dat de islam deel uitmaakt van de Nederlandse samenleving en hij pleit voor een staat die niet uit naam van 'de Nederlandse cultuur' spreekt, maar handelt vanuit een 'politieke cultuur' gebaseerd op de grondwet. (Kanie 1998, 8-9).

11

kritiek op het discours van Withuis heb. De eerste betreft het geloof van Withuis in haar onschuld en de tweede het verdoezelen van het feit dat zij zich aan de kant van de 'machthebbers' bevindt. In het begin van haar artikel komt duidelijk naar voren dat Withuis meent dat ze een 'onschuldig' betoog heeft. In reactie op een tv-programma over 'verzetsstrijder' Nurdan Cakiroglu, die de rechter vraagt om bij de moord van haar vriendin de culturele achtergrond niet als verzachtende omstandigheid te zien, beschrijft Withuis haar gevoelens en emoties met de woorden: "indrukwekkend", "Ik kreeg er kippevel van". Hiermee geeft Withuis een 'authentieke' ervaring weer: het kippevel van Withuis is 'echt' en 'goed', vanuit de 'onschuld' van haar lichamelijke ervaring, pretendeert zij weer te geven wat er verkeerd zou zijn in Nederland en hoe Nederland verziekt zou zijn door 'cultuurrelativisten' die niet meer op de signalen van hun gevoel van rechtvaardigheid afgaan. Vooral het idee van onschuld is bedenkelijk, omdat alles wat wij zien, weten en voelen een interpretatie is en daarmee afhankelijk van de positie die wij innemen in de wereld en dus geen onweerlegbare waarheid is. (zie ook Prins 1998, 53) Dit geloof van onschuld vind ik temeer onrustbarend, omdat Withuis spreekt vanuit het dominante discours van de nieuw realisten, terwijl ze de indruk wekt dat ze een een visie 'van onderop' vertegenwoordigt. Zij presenteert zichzelf als feminist en publiceerde dit artikel in een blad dat zichzelf omschrijft als feministisch maandblad. Kritiekpunten op foucaultiaanse benadering van Leven in eeuwige angst Als kritiek op mijn analyse van het artikel van Withuis zou men kunnen inbrengen, waarom ik zo'n punt maak van allerlei oppervlakkige kenmerken van het betoog van Withuis en waarom ga ik niet in op belangrijke kwesties als vrouwenbesnijdenis, onderwijsachterstand en seksediscriminatie? Ik denk dat niet alleen de kwestie zelf, maar ook de manier waarop het gebracht wordt, er toe doet. Nadje al-Ali beschrijft bijvoorbeeld hoe Egyptische vrouwenactivisten in hun ontmoetingen met westerse feministen in tweestrijd raken door de manier waarop westerse feministen hun waarheden poneren: "Abroad, in an international forum, when certain western feminists are outraged about "the barbarism" practised in Egypt, [Egyptian women's activists] often feel offended by the tone and its implicit racism. So it could happen that a woman, extremely outspoken against Female Genital Mutilation within Egypt, might find herself defending the practice during a confrontation with some western feminists." (Al-Ali 2000, 18) Een ander mogelijk kritiekpunt op mijn analyse zou kunnen zijn dat het artikel van Withuis geen academisch artikel is, maar een pamflet. Daar horen ongenuanceerdheid en krachtige uitspraken bij. Het onderscheid tussen een pamflet en academische artikel, maakt volgens Foucault in zoverre verschil dat er gesproken wordt vanuit verschillende subjectposities, waarbij aan die van de academicus meer 'waarheid' wordt toegedicht dan die van de pamflettist. Maar Withuis spreekt vanuit 'de westerse democratie' en 'wij feministen'. De ontleende
12

autoriteit daarvan is groot en het schrijven van Withuis krijgt daardoor een hoge waarde toegekend. 'Betere' betogen Eén van de kritiekpunten op Foucault is dat hij geen duidelijke basis levert waarop je politiek kunt bedrijven. Foucault had inderdaad geen mening en oplossing voor alles, hij was wars van totaaltheorieën. Maar hij heeft wel een aantal aanzetten gedaan van waaruit men verzet kan plegen. Eén van zijn ideeën is dat door het verstoren van het discours, men daarmee verzet pleegt. (Brouns 1995, 71) Naast het artikel van Withuis staat in de Opzij ook een reactie van Fouzia Kassi op dezelfde vraag: Feminisme en islam: is dat een onmogelijke combinatie? Zij spreekt vanuit haar eigen ervaring en maakt duidelijk dat ze de vraag onzinnig vindt. Kassi presenteert zichzelf als het levende bewijs dat de combinatie islam en vrouwenemancipatie mogelijk is: zij vertegenwoordigt ze allebei in haar eigen persoon. Kassi verstoort met haar zelfverzekerde aanwezigheid het discours van Withuis. In de woorden van Haraway is Kassi hiermee een monster, zij laat zien (demonstreert) dat ze afwijkt van de norm (de Nederlandse normvrouw is geëmancipeerd en seculier in het dominante discours van Withuis en de nieuwe realisten). Het is een positie die Haraway aanmoedigt in te nemen aan alle grensgevallen (zoals machines, dieren, vrouwen): door te poseren als een "hybride wezen" tonen zij dat de norm arbitrair en geconstrueerd is. (Prins 1994, 71) De derde reactie in Opzij is van Saharso; zij heeft een voorzichtig betoog waarbij ze zich afvraagt of je als feminist tolerant kunt staan tegenover de islam en ze concentreert zich vooral op het hoofddoekje. Het idee van 'negatieve vrijheid' van Foucault is bij haar terug te vinden in de manier waarop ze afstand neemt van vanzelfsprekendheden die terug te vinden zijn bij Withuis. Haar betoog is echter zo voorzichtig geworden, dat alle passie verdwenen is en het mij niet meer overtuigt. Voor veel feministen is het verstoren van het discours en 'negatieve vrijheid' niet voldoende en iets waar zij mee uit de voeten kunnen op politiek vlak. (Brouns 1995, 71) Ik ben van mening, samen met Sawicki, dat niets hen in de weg staat om ook op 'moderne' manieren tegelijkertijd politiek te bedrijven (Sawicki, 353?), zoals aanspraak maken op 'moderne' begrippen als integriteit van het lichaam, gelijkheid, vrijheid en non-discriminatie. Donna Haraway is van mening dat feministen nieuwe verhalen en nieuwe werkelijkheden moeten construeren. Daarbij pleit ze voor heterogeniteit: verschillende stemmen spreken door elkaar heen en de stem van het subject zowel als het object komen aan bod. Met het begrip 'situated knowledges' geeft Haraway handgrepen voor een 'beter' discours. Haraway wil dat feministische kennis niet alleen maar een kritiek is op het dominante discours, maar dat met deze 'situated knowledges' er nieuwe realiteiten geschapen worden die positief uitvallen voor de 'inappropriated other'. (machines, planten, dieren, science-fiction personages). Ze gebruikt hierbij het idee van visie, wat letterlijk kan betekenen: kijken door de ogen van. Deze ogen kunnen bijvoorbeeld die zijn van iemand met een
13

marginale positie (zwart of vrouw), maar ook die van een hond, of een microscoop. (Prins 1997, 104-105)

Conclusie
Met behulp van de ideeën van Foucault met betrekking tot discours, macht en waarheid heb ik het stuk van Withuis geanalyseerd. Withuis neemt een subjectpositie in door zich in te voegen in het discours van de nieuw realisten. Zoals de nieuw realisten maakt Withuis een onderscheid tussen 'wij, Nederlanders, seculieren, democraten' tegen over 'zij, Islamieten, buitenlanders, antidemocraten'. In haar discours creëert zij een realiteit/waarheid van één islam die vrouwen onderdrukt. Moslimvrouwen bestaan er bij Withuis in twee soorten: zij die slachtoffer zijn en zij die zich verzetten overeenkomstig 'witte' feministen. In eerste instantie richt Withuis zich tegen de 'cultuurrelativisten' die geen stelling zouden nemen tegen onrecht veroorzaakt door 'de islam' en 'de cultuur'. Dit discours sluit moslims uit en creëert een kloof tussen 'wij, Nederlanders' en 'zij, moslims'. Ik ben van mening dat Withuis verantwoordelijk is voor haar betoog en dat ze zich zou moeten vergewissen van de objectposities die ze toebedeeld aan minderhedengroepen: Nederlanders van Turkse en Marokkaanse komaf die hier geboren en getogen zijn, blijven in het discours van de nieuw realisten en Withuis 'de ander'. Een dialoog is hierdoor onmogelijk. Dit wordt ook duidelijk uit het verslag van de discussie van 8 maart in De Rode Hoed. De gespreksleider deed tevergeefs pogingen om antwoord op de vraag te krijgen: hoe kunnen feministen van verschillende komaf samenwerken. Er lijkt tussen beide kampen een onoverbrugbare kloof te zijn. (Volkskrant 9.3.2000) Ik denk dat Withuis met haar betoog de reeds bestaande kloof tussen 'wij Nederlanders' en 'zij allochtonen' weer een beetje dieper heeft gemaakt of op zijn minst bestendigd heeft. Het lijkt mij belangrijker om als feministen een open dialoog in stand te houden tussen verschillende vrouwen en daarmee de mogelijkheid open te houden dat verschillende groepen vrouwen samenwerken op punten waar ze het met elkaar over eens zijn. Net zoals Foucault weinig heil zag in zoveel mogelijk mensen te verzamelen in een overkoepelende beweging, om van daaruit een totale maatschappelijke omwenteling te organiseren, zie ik niet veel in het bepalen of 'de islam' in het algemeen slecht is voor vrouwen en lijkt het mij beter als feministen zich aansluiten bij 'deelbewegingen'. (Van Peperstraten, 1993) Feministen kunnen per issue allianties aangaan met andere groepen, dat kunnen allianties zijn tussen feministen of vrouwen onderling, maar het kunnen ook andere allianties zijn. Het discours van de nieuw realisten en Withuis in hun kielzog, veroorzaakt een beperkte visie op de situatie in Nederland. In het geval van bijvoorbeeld vrouwenbesnijdenis verhult het discours van Withuis dat vrouwen ook dader kunnen zijn,
14

omdat 'allochtone' vrouwen alleen voorkomen als slachtoffer en als 'verzetsstrijder' tegen besnijdenis. Wanneer men in Nederland vrouwenbesnijdenis op een adequate manier wil tegengaan, is dit inzicht een belangrijk aspect om effectief te kunnen handelen. Ik zal nog verder aan de hand van dit voorbeeld ingaan op gevolgen van het discours van de nieuw realisten en Withuis. In dit discours worden vrouwenbesnijdenis en islam met elkaar verbonden. Het lijkt mij dat voor een Somalische vrouw die van plan is haar dochter te besnijden, deze koppeling van islam en besnijdenis des te meer reden is om haar dochter te besnijden. Wanneer zij overtuigd kan worden dat besnijdenis niet islamitisch is, eventueel met behulp van imams, zal ze waarschijnlijk eerder breken met deze traditie. Een ander mogelijk gevolg van het discours van de nieuw realisten en Withuis, lijkt me dat wanneer mensen zich niet geaccepteerd voelen, ze zich terugtrekken in hun vertrouwde omgeving. Wanneer moslims die hier geboren en getogen zijn, steeds worden aangesproken op hun 'anders' zijn, zullen ze zich, denk ik, juist op dat 'andere' gaan identificeren. In zo'n situatie wordt alles wat met tradities te maken heeft, zoals vrouwenbesnijdenis, belangrijker voor de identiteit van de tot 'ander' gemaakt groep en zoiets als vrouwenbesnijdenis is dan nog moeilijker te voorkomen. In het discours van de nieuw realisten is alles wat met de islam te maken heeft slecht. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende islams en het verschil tussen goede, neutrale, minder aangename en regelrecht onrechtvaardige aspecten van de verschillende islams. Ik vind dat er een wereld van verschil is tussen vrouwenbesnijdenis en fundamentalistische mannen die vrouwen geen hand geven. Binnen het discours van de nieuw realisten is het allemaal 'één pot nat' en in de logica van de nieuw realisten leidt het tolereren van fundamentalisten die een vrouw de hand niet willen schudden tot het toelaten van vrouwenbesnijdenis. Het nieuwe realistische discours geeft weinig ruimte aan islamitische Nederlanders: ze blijven óf islamitisch met alles erop en eraan óf ze zweren de islam af en assimileren zich volkomen; een tussenweg is niet mogelijk. Hetzelfde geldt binnen dit discours voor 'autochtone' Nederlanders: óf ze stellen zich op als de nieuw realisten en stellen 'eigen' normen en waarden niet ter discussie, óf men is een cultuurrelativist die de ogen sluit voor onrecht. Het is binnen dit discours voor zowel de 'Nederlanders' als de 'islamieten' niet mogelijk om naar elkaar te luisteren, over en weer van overtuigingen te veranderen, een combinatie te maken of zelfs maar ruimte te geven voor elkaar.

15

Bibliografie Al-Ali, Nadje; Women's Activism and Occidentalism in Contemporary Egypt. In: Civil Society, April 2000 Issue 100 p. 14-19. Brouns, Margo, Mieke Verloo en Marianne Grünell (redactie). Vrouwenstudies in de jaren negentig. Een kennismaking vanuit verschillende disciplines. Bussum: Dick Coutinho 1995. Hieruit: Margo Brouns. Theoretische kaders pagina's 67-75. Crul, Heleen; Vrijheid van godsdienst mag niet worden misbruikt om vrouwen te beledigen. In: Trouw 24.9.1996 Foucault, Michel; De orde van het vertoog. Boom Meppel 1976 Foucault, Michel; Why study power: the question of the subject. In: H. Dreyfus, P. Rabinow, Michel Foucault: Beyond structuralism and hermeneutics, Chicago 1983 (2de druk ) p. 208-216. Haraway, Donna; Situated knowledges; the science question in feminism and the privilege of partial perspective. In: Feminist Studies 1988, nr 3, p. 575-599. Kanie, Mariwan; Staat tussen diverse culturen. In: Contrast 1998/10, 19 maart, p. 8-9. Kassi, Fouzia; Kijk een verder dan je neus lang is. In: Opzij, maart 2000, p. 20 Laqueur, Thomas; Making sex. body and gender from the Greeks to Freud. Londen 1990. p 1-24. McRobbie, Angela; The Es and the Anti-Es: New questions for feminism and cultural studies. In: idem; In the Culture Society: art, fashion and popular music. Londen 1999, p 75-92. Nicholson, Linda; Introduction, In: Feminism/Postmodernism, New York/Londen 1990, p 116 Nicholson, Linda; Interpreting Gender. In: Signs 1994, jrg 20, nr 1, p. 79-105 Peperstraten, Frans van; Beknopte geschiedenis van de wijsbegeerte, 1993. Hieruit: Foucault. Prins, Baukje; Zonder onschuld: gesitueerde kennis en ethiek. In: Rosi Braidotti (red.); Post restante. Feministische berichten aan het postmoderne. Kampen 1994, p. 56-78. Prins, Baukje; The standpoint in question. Situated knowledges ind the Dutch minorities discours. 1997, proefschrift Universiteit van Utrecht. Prins, Baukje; Het hoofddoekje van Bolkestein. Moslimvrouwen in het minderhedendebat. In: Lover 98/3, p. 48-53. Saharso, Sawitri; Het recht op ongelijke behandeling. In: Opzij, maart 2000, p. 22 Sawicki, Jana; Foucault and Feminism: A Critical Reappraisal. In: Michael Kelly: Critique and Power, p. 347-364. Scheffer, Paul; Het multiculturele drama. NRC 19.1.2000 Scott, Joan W.; Experience. In; Jucith Butler/Joan W. Scott (eds); Feminists theorize the political, New York/Londen 1992, p 22-40 Volkskrant 9.3.2000; Kloof tussen feminisme en islam is nog steeds groot.
16

Volkskrant 9.3.2000; Voordat een Marokkanse rebellert, is er al veel gebeurd. Withuis, Jolande; Leven in eeuwige angst. In: Opzij, maart 2000, p. 21 IJsseling, Samuel; Michel foucualt en de strategie van de macht. In: E. Berns, S. IJsseling, P. Moyart: Denken in Parijs. Taal en Lacan, foucault Althusser, Derrida. Alphen aan de Rijn 1981, p 71-93.

17

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful