Vous êtes sur la page 1sur 73

Economie

II
Verschil tussen micro-economie en macro-economie:
Micro-economie: Hier gaat het over individuele eenheden die bepaalde beslissingen nemen. Hier
gaat het over gezinnen, bedrijven en de overheid.
Macro-economie: alles samenvoegen tot n geheel, een bepaalde sector. Vb. gezinnensector,
bedrijvensector Hier gaat het over de economie in haar geheel. Vb. werkeloosheid is een macro
onderwerp.

HS 23 Het inkomen van een land berekenen


Economische kringloop: (Geen rekening houdend met de overheid)













Het BBP meet het totale inkomen en de totale bestedingen van een land. Het BBP van een land is een
meting van 2 verschillende zaken:

Het sommeren van de totale uitgaven


Het sommeren van het totale inkomen.

Dit wil dus zeggen dat het totale inkomen van een sector = aan de totale bestedingen in een
bepaalde sector.

BBP Bruto binnenlands product : de marktwaarde van alle eindproducten en diensten


die binnen een vastgestelde periode in een land zijn geproduceerd.
1. Marktwaarde: We drukken alle producten in hun marktwaarde uit om alles uit te drukken in
n economische waarde.

2. Alle: Het BBP neemt alles op wat geproduceerd wordt in de economie en op een legale wijze
op de markten wordt verkocht. Het omvat ook de marktwaarden die naar de huisvesting gaan.
Voor huurwoningen is het de huur en voor individuen die een eigen woning bevatten is dit een
schatting van de huurwaarde. Illegale en thuis geproduceerd of geconsumeerde goederen
worden niet in het BBP opgenomen.

3. Finaal gebruik (eindproducten/ diensten) : Het BBP omvat allen maar de waarde van het
finale goed. Goederen in voorraad zijn finaal door ze op te nemen als een investering. De prijs
van het productieproces zit al in de finaal product.

4. Goederen en diensten: Het BBP omvat zowel tastbare goederen (aankoop cd) als ontastbare
diensten (naar concert gaan).

5. Geproduceerd: Het BBP behelst de producten die momenteel geproduceerd worden.
Bvb. Aankoop van een nieuwe Mercedes bevindt zich in het BBP van dat jaar. De doorverkoop
ervan na 3 jaar wordt niet meer opgenomen in het BBP. (2de hands)

6. In een land: Het BBP meet de waarde van de productie binnen een land ongeacht de
nationaliteit van de producent. Bvb. Een buitenlander opent een fabriek in Belgi dan worden
zijn geproduceerde goederen opgenomen in BBP van Belgi.

7. Binnen een bepaalde periode: Het wordt gemeten binnen een bepaalde tijdsinterval, meestal
een jaar of een kwartaal.

De componenten van het BBP (Y) berekenen van BBP


Y = C + I + G + NX
C = Consumption: de uitgaven van huishoudens aan goederen en diensten, met uitzondering van de
aankoop van een nieuwe woonvoorziening.
I =Investment (investeringen): uitgaven die worden gedaan aan kapitaalproductiegoederen,
voorraden en bouwwerken, met inbegrip van de uitgaven die door de huishoudens worden gedaan
aan nieuwe woonvoorzieningen.
G = Government purchases (overheidsuitgaven): Uitgaven die door de lokale, regionale en nationale
overheid worden gedaan om goederen en diensten aan te kopen
Transfer payment = een betaling waarvoor er geen goed of dienst tegenover staat.
bvb. sociale zekerheid (hoort niet bij BBP)
NX = Export import: de waarde van de uitvoer van een land min de waarde van de invoer; wordt
ook de handelsbalans genoemd.

Andere manier van berekenen:

Y = inkomen uit arbeid + inkomen uit kapitaal + inkomen uit een land
De toegevoegde waarde: Som van alle toegevoegde waarde. Als je componenten van een
auto 12000 kosten en de auto verkocht wordt aan 20000, is de toegevoegde waarde
8000.

Enkele andere meeteenheden van inkomen


Het bruto nationaal product (BNP):
Dit geeft het totale inkomen weer van de permanente inwoners van een land, dus ook de inkomens
die de inwoners van dit land in het buitenland verdienen. Maar het houdt geen rekening met het
inkomen dat buitenlanders in dit land verdienen.
BNP = BBP + NFI (verschil tussen de inkomsten uit productiefactoren ontvangen uit en betaald aan
het buitenland = netto-factorinkomen)
Het Netto nationaal product (NNP):
Is gelijk aan het BNP verminderd met de verliezen ten gevolge van depreciatie (slijtage, vermindering
van waarde in de munt/de machines). Dit uit zich onder de vorm van afschrijvingen.
NNP = BNP - afschrijvingen
Het netto nationaal product (NNP) tegen factorkosten en het nationale inkomen (NY):
Het Nationaal inkomen (NY) geeft het totale inkomen verdiend door de inwoners van een land,
voortvloeiend uit de productie van goederen en diensten. Het is gebaseerd op de factorkosten i.p.v.
de marktprijzen.
Factorkosten en marktprijzen verschillen omwille van de belastingen die de prijzen verhogen en
subsidies die de prijzen verlagen. Het komt overeen met wat de gezinnen krijgen als vergoeding van
de productiefactoren. Het bestaat uit: lonen, inkomsten, vennootschapswinsten, roerende
inkomsten in financile beleggingen en onroerende inkomsten uit bezit van gronden en
immobilin(huren, rente..)
Beschikbaar inkomen (BY):
Dit is wat de gezinnen zullen overhouden om het aan consumptiegoederen te besteden of om te
sparen. Afgeleid van het NY door het saldo tussen twee bewegingen:

Afhouding op de vergoedingen : 1. Directe vennootschapsbelastingen


en personenbelastingen
2. Sociale zekerheid bijdragen
3. Winstuitkeringen
Overheid draagt bedragen over aan gezinnen die niet in het NY voorkomen. Deze
vergoedingen noemen we om niet of transferten. De grootste componenten zijn
pensioenen, werkloosheiduitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen

BY = NY directe belastingen SZ-bijdragen onverdeelde winsten + transferten

BBP: Een perfecte maatstaf voor het welzijn?


=> Goede maatstaf maar we moeten nagaan wat er in het BBP wordt opgenomen. Want bijvoorbeeld
is vrije tijd uit de BBP gelaten, de verdeling van inkomen, de vervuiling, dingen die je thuis zelf
maakt

Rele versus nominaal BBP


Veranderingen in BBP door:
Verandering in productie (Q)
Verandering in prijs (P)
Combinatie van beide
Reel BBP: de productie van goederen en diensten gewaardeerd tegen vaste prijzen. Dezelfde
prijzen gebruiken van een basisjaar om zo de trend of de verandering in productie (Q) te bekijken.
Reel BBP toont hoe dat de economie de wensen van de mensen kan verwezenlijken. Betere
maatstaf dan het nominaal BBP. Als we spreken over groei, dan kijken we naar het rele BBP.
Nominaal BBP: de productie van goederen en diensten gewaardeerd tegen de lopende prijzen. Als
de prijzen veranderen dan moet je per jaar het nominaal BBP gaan berekenen.

BBP deflator
BBP deflator =

!"#$%&&' !!"
!""# !!"

100

De BBP deflator is constant als P hetzelfde blijft en Q door de jaren heen stijgt.
De BBP deflator stijgt als P verandert en Q hetzelfde blijft.
In ons voorbeeld kan men stellen dat de prijslevel van de economie met 71 procent is gestegen.
Recessions (recessie): BBP stijging is niet altijd constant. In de geschiedenis zien we dat er soms
dalingen zijn. Dit noemen we recessies, dit gaat gepaard met lager inkomen, werkeloosheid,
faillissementen. De technische definitie twee opeenvolgende kwartalen met een krimp van het
BBP. (zie verder)

HS 24: Measuring the cost of living


Consumentenprijsindex = een maatstaf die de totale kosten vaststelt van goederen en
diensten die door een doorsneeconsument worden gekocht.
Wanneer deze stijgt, moet een gemiddeld gezin meer uitgeven om dezelfde levenstandaard te
behouden. Ook de inflatie genoemd = de procentuele verandering van de prijsindex in vergelijking
met de vorige periode.
Berekenwijze:
Stap 1 : stel een korf samen
Het bepalen van het relatieve belang van de verschillende prijzen voor de consument. Wordt
er meer van een goed geconsumeerd, dan zal dit meer wegen om de levenskost te
berekenen.
Stap 2 : Zoek de prijzen
Het zoeken van de prijzen van de verschillende goederen en diensten in de korf voor elk
tijdstip.
Stap 3 : Bereken de kost van de korf
De gegevens in 1 en 2 worden gebruikt om de kost van de korf te berekenen op verschillende
tijdstippen. Bij de berekening zullen enkel de prijzen wijzigen, de hoeveelheden worden
gesoleerd.
Stap 4 : Kies een basisjaar en bereken de prijsindex
De prijsindex wordt berekend door de kostprijs van de korf in een bepaald jaar te delen door
de kost van de korf in het basisjaar en dan te vermenigvuldigen met 100. = CPI
CPI =

!"#$% !"# !"#$%& !" !!" !""# !"# !" !"# !"#"$"%"%
!"#$%& !"#$#%""&

100

Stap 5 : Bereken de inflatiegraad


De inflatiegraad is de procentuele verandering van de prijsindex in vergelijking met de vorige
periode. Of ook groeivoet genoemd.

Inflatie jaar x =

!"# !""# !
!"# !"#$% !""#

100

Voorbeeld Table 24.1 pg 508.



Noot: Producers price index: Een maatstaf van de verandering in prijzen van een mandje goederen
van goederen en diensten gekocht door bedrijven.

Problemen bij het bereken van het CPI


De CPI tracht na te gaan met hoeveel de inkomens moeten stijgen om een constante levenstandaard
te behouden. De CPI is echter geen perfecte maatstaf voor de levensstandaard.
Er zijn 3 problemen:
1) Substitution bias - vervangingsmogelijkheden : prijzen veranderen jaar na jaar
onproportioneel. De prijsindex houdt geen rekening met het feit dat consumenten
een substituut kunnen kopen als het ene goed duurder wordt.
Bvb: Appelen worden duurder dus consument gaat goedkopere peren kopen.

2) CPI houdt geen rekening met de introductie van nieuwe goederen : Bij de opkomst
van een nieuw producten heeft de consument meer keuze, meer keuze is een
waardevollere euro. Ze hebben dus eigenlijk minder euros nodig om dezelfde
standaard te behouden. Dit wordt ook niet meegenomen in de CPI. Bvb: Bij het
opkomen van de DVD op de markt gaan de mensen minder naar de bioscoop (duur).
Vermits de DVD niet in de korf is opgenomen, wordt deze kostenverlaging niet in de
CPI weerspiegeld.

3) Verandering van de kwaliteit : indien de waarde van een goed daalt, dan daalt de
waarde van een euro, zelfs al blijft de prijs ongewijzigd. Idem omgekeerd. Stijgt de
kwaliteit dan neemt de waarde van het besteedbare inkomen toe.
Kwaliteitswijzigingen blijven moeilijk meetbaar.

De BBP-deflator versus de CPI (verschillen)


1.
a. De BBP-deflator geeft de prijzen van alle goederen weer die binnen een land
geproduceerd worden. De CPI enkel van de prijzen van een korf goederen ongeacht
waar ze geproduceerd worden.
b. BBP deflator geeft producten weer die in het land zelf zijn geproduceerd. Het CPI zal
alle producten die consumenten kopen weergeven ook buitenlandse goederen en
diensten.

Voorbeeld: Vliegtuig kopen // auto kopen. (pg 514)
Opmerking: olie en olieproducten: Als de olieprijs stijgt dan stijgt de CPI veel meer
dan het BBP.
2. Een 2de verschil is de manier waarop de prijzen gewogen worden.
a. De CPI meet de waarde van de korf ten opzichte van het basisjaar, en die korf wordt
weinig aangepast => Grote tijdsintervallen.
b. De BBP-deflator vergelijkt de huidige waarde van producten die recentelijk zijn
geproduceerd ten opzichte van het basisjaar. Deze goederen en diensten veranderen
automatisch doorheen de tijd. Wanneer proportionele verandering van de prijzen =>
Geen verschil tussen beiden

Toepassingen van prijscorrecties


1. Vergelijken van economische resultaten





Juli 1977
CPI (V.S. 1982 1984 = 100)

61

Prijzen zijn gestegen met 230/61 = 3,77 (

Dec 2012

230

!"#$%&#'()* !"#$""%
!"#$%&#'()* !" !"#$ !

Opbrengst van de film Star wars = 461 * 3,77 = 1735 miljoen euro.
=

!"#$%&#'()* !"#$""%
!"#$%&#'()* !" !"#$ !

2. Indexering van lonen en uitkeringen


= de automatische correctie van een bedrag (door een wet of een contract) voor de effecten van in
inflatie.
3. Reel en nominaal intrestvoet
= nominale interestvoet = de interestvoet die doorgaans wordt gerapporteerd zonder dat er een
correctie voor de gevolgen van in inflatie heeft plaatsgevonden.'
= rele interestvoet = de interestvoet die is aangepast aan de inflatiegevolgen.
De intrest is een toekomstige vergoeding voor een transfer van geld dat in het verleden
plaatsgevonden heeft. Bijgevolg gaan intresten gepaard met het vergelijken van geldbedragen op
verschillende tijdstippen.
Reele intrestvoet = Nominale intrestvoet Inflatiegraad
Bvb: Je zet 1000 op een spaarrekening met een rente van 10 %.
Na 1 jaar heb je 1100, maar ben je dan echt 100 euro rijker? Dit hangt af van de inflatie, als de
inflatie 15% is dan kan je minder kopen. Als de inflatie 4% is dan kan je meer kopen maar geen 10%.
Dus je bent nooit echt exact 100 rijker.

HS 25 : Productie en groei
Groeivoet regel van 70.
Een handige vuistregel om de groeivoet te berekenen, de regel van 70.
Verdubbelingsperiode in een jaar =

!"
!"#$%&$"'$()*+$ !"# !""#

Als de groei bijvoorbeeld 2 % is dan krijgen we 70 / 2 = 35 jaar nodig om te verdubbelen.


Dit geldt alleen zolang dat de groeivoet constant blijft. Het verschil in groeivoet is soms relatief klein
maar op lange termijn merk je toch grote verschillenen.

De rol en de determinanten van de productiviteit


Productiviteit = de hoeveelheid producten en diensten die een arbeider per uur kan produceren.
De productiefunctie meet de productie (f(ingezette productiefactoren)).
Algemene formule : Y = A f(L, K, H, N)
A = technologische kennis = De mate waarin de maatschappij begrijpt hoe zij op de beste manier
goederen en diensten kan produceren
L = Arbeid = De hoeveelheid arbeid. Oftewel de hoeveelheid uren dat arbeiders werken. Oftewel de
hoeveelheid miljoen arbeiders er zijn.
K = fysiek kapitaal = De voorraad van machines en bouwwerken die wordt gebruikt om goederen en
diensten te produceren.
H = menselijk kapitaal = De kennis en vaardigheden die arbeidskrachten verkrijgen door opleiding en
ervaring.
Gemiddelde arbeider in Belgi is verschillende met de gemiddelde arbeider in India. Denk maar aan
de gezondheid, kracht, intelligentie
N = natuurlijke hulpbronnen = De middelen die worden aangeleverd door de natuur (zoals land,
rivieren, ) en die worden gebruikt in de productie van goederen en diensten.

-
-

Rivaal goederen : L, K, H, N
Niet rivale goederen: A

Aanname 1: productiefunctie heeft een constante schaalopbrengst


Als je alle productiefactoren met een factor Z toeneemt dan neemt ook de productie met factor Z
toe. zY = A f(zL, zK, zH, zN)
Als je alle productie factoren met een factor 1/L vermenigvuldigt dan verkrijg je:
Y/L = A * f(1, K/L, H/L, N/L)

=> dit is de productie per arbeider. Deze is afhankelijk van de technologie, kapitaal per
arbeid, menselijk kapitaal per arbeid en de natuurlijke bronnen die beschikbaar zijn per arbeider.
Aanname 2: productiefunctie heeft afnemende (grens-)opbrengsten


Positief verband maar het vlakt af naarmate je meer Y/L
hebt en K/L. De kleine, arme landen hebben een veel
groter Catch-up effect (inhaal effect) dan de rijkere
landen.





Hoe kan de overheid de groei doen stijgen?


1. Het belang van sparen en investeren
De relatie tussen groei en investeren, is niet perfect maar wel groot. Hier is wel moeilijk te bepalen in
deze relatie wat het effect en de oorzaak is.

Landen met hoge investeringen hebben een hoge groeigraad of omgekeerd. Landen die een
groot deel van het BBP investeren, hebben over het algemeen een hoog groei %.
Landen die weinig van het BBP investeren hebben een laag groei %.

2. Afnemende meeropbrengsten en het inhaaleffect (Fig 25.3 pg 537)


Afnemende opbrengsten Diminishing Returns: de eigenschap waarbij het voordeel van een extra
eenheid input afneemt als de inputhoeveelheid toeneemt.
Het productieproces is onderhevig aan de wet van de afnemende opbrengsten : naarmate de
voorraad kapitaalgoederen stijgt, daalt de extra output die voortvloeit uit elke bijkomende eenheid
kapitaal die in het productieproces ingezet wordt. Als arbeiders al beschikken over een omvangrijke
hoeveelheid kapitaalsgoederen die kunnen gebruikt worden bij de productie zal een additionele
eenheid kapitaal hun productiviteit slecht in beperkte mate toenemen. Dus slechts tijdelijke toename
van besparingen en dus tijdelijk groei% geven.
Catch Up-effect inhaaleffect: de eigenschap dat landen die vertrekken met laag inkomen de
neiging hebben om sneller te groeien dan landen die vertrekken met een hoog inkomen.
Vanuit een armere uitgangspositie zal de groeiprestatie gemakkelijker verlopen, kleine stijging van
het kapitaal zorgt voor een grote groei van de productiviteit ( = inhaaleffect ). Door geringe
kapitaalinvesteringen verbetert de productiviteit aanzienlijk. In tegenstelling tot rijkere landen, hier
zijn al grotere investeringen nodig om de productiviteit aanzienlijk te kunnen veranderen.

3. Buitenlandse investeringen
Er zijn verschillende vormen van buitenlandse investeringen. Namelijk:

Buitenlands Directe Investeringen ( BDI ) : investeringsvorm dat in bezit is van en uitgebaat


wordt door een buitenlandse organisatie. Bvb. Solvay-fabriek in Brazili.
Buitenlands Portfolio-investeringen : buitenlands entiteit financiert een investering in een
land en tewerkstelt de plaatselijke bevolking. Bvb. Fabriek investeert in ander land.

Beide methoden laten toe om Belgisch spaargeld te gebruiken om buitenlandse investeringen te


financieren ( winsten en dividenden terug laten vloeien in Belgi ). Deze investeringen zijn een
belangrijke bron van groei. Ze doen de kapitaalvoorraad stijgen, wat leidt tot een hogere
productiviteit en dit geeft hogere lonen tot gevolg. Belangrijk is ook dat er afwisseling is van
technologie en know-how.
Herhaling: BBP is inkomen van inwonende en niet-inwonende. BNP alleen inwonende. Dus
investeringen uit andere landen is ook een manier om de groei te doen laten stijgen in een bepaald
land.
Wereldbank :

Doel = kapitaalstromen van minder ontwikkelde landen te bevorderen


( scholen, riolering, infrastructuur)
Internationale organisatie met 184 leden
Verkrijgt haar middelen door het verkoop van obligaties op internationale kapitaalmarkten
Advies hoe fondsen best aan te wenden

Samen met zusterorganisatie Internationaal Monetair Fonds ( IMF ) : richt zich op de stabilisatie van
het internationaal monetair stelsel terwijl de Wereldbank zich op de structurele problemen richt.
Economische welvaart over gans de wereld wordt door hun beide nagestreefd.
4. Onderwijs
Een land kan ook investeren in onderwijs om zijn levenstandaard te verhogen. Deze investeringen in
human kapitaal hebben evenwel een opportuniteitskost. Studenten op schoolbanken ontlopen het
eventuele loon van hun werk, zijn direct rendabel voor de samenleving. Dit brengt dan weer
kapitaalkosten met zich mee.
In ontwikkelingslanden is er een bijkomend probleem : brain dain = hoogopgeleid mensen gaan
emigreren naar het buitenland om hier een betere levenstandaard te hebben. Meest geschoolde
personen verhuizen naar Westerse landen. Er is in minder ontwikkelde landen ook een groot salaris
verschil tussen wel en niet opgeleide mensen. Dus overheid kan goede scholen en opleidingen
voorzien om zo te investeren in menselijk kapitaal.
Positieve bijkomstigheden: het effect dat de acties van de ene persoon invloed hebben op het welzijn
van de omstaander. Een opgeleid persoon kan nieuwe ideen ontwikkelen waarmee de productie
kan verbeterd worden.

5. Eigendomsrechten en politieke stabiliteit


De eigendomsrechten geven aan de mensen de mogelijkheid om over hun hulpbronnen te
beschikken. Een mijn zal nooit kolen gaan ophalen als men weet dat deze gestolen gaat worden, of
zelfs als ze geen winst kunnen maken.
Een land moet ook zorgen voor politieke stabiliteit, als er een revolutie of een coup dtat aankomt
dan vraag men zich af of de eigendomsrechten daarna niet worden geschonden of worden
verandert. Dit heeft invloed op de gehele economie en de levensstandaard in een bepaald land.
6. Internationale handel
Er zijn landen die inwaartse gerichte politieke beslissingen hebben geprobeerd. Dit wil zeggen dat ze
op zichzelf wouden leven zonder handel te drijven met andere landen. Deze politiek was gebaseerd
op het infant industry argument: een startende economie moet beschermd worden van
buitenlandse concurrentie zodat ze eerst kan groeien alvorens de concurrentie aan te gaan. Dit zorgt
voor een achteruitgang van de economische groei.
7. Onderzoek en ontwikkeling
n van de redenen waarom we vandaag een betere levensstandaard hebben is omdat de
technologie grote vooruitgang heeft geboekt. Kennis is een publiek goed dat interessant is om te
promoten als overheid. Daarom bestaan er laboratoriums dat in de handen zijn van de overheid,
subsidies worden uitgedeeld voor onderzoek, bescherming door patenten,
8. Controle over de bevolkingsgroei
De meest voorhand liggende invloedfactor dat de bevolking heeft op de groei is het feit dat als er
meer mensen in een land leven er meer mogelijkheid is om goederen en diensten te maken maar
ook te consumeren.
Als maatstaf voor het economisch welzijn is het BBP per persoon veel interessanter dan het totale
BBP.
Economische theorien:

Stretching Natural resources: Malthus: Meer mensen in een bepaald land dan is er minder
voedsel per arbeider(persoon). Deze toeneming van bevolking zet de samenleving onder
constante druk om haar eigen behoeften te voorzien. Daarom is hij voorstander om een
bevolkingsbeperking op te leggen. (Hij nam geen rekening met technologische vooruitgang)
Diluting the capital stock: Stijgt de bevolking, dan is er meer arbeid maar dan daalt de BBP
per arbeider = kapitaalverwateringseffect
Promoting Technological Progress: Kremer : als er meer mensen in een land zijn, dan zijn er
ook meer ideen en natuurlijk meer technologische vooruitgang.
Een andere manier om de bevolkingsgroei te benvloeden is door het principe mensen
reageren op stimulansen. Kinderen kosten geld => opportuniteitskost. Als vrouwen veel
verdienen gaan ze minder kinderen krijgen.

HS 26: sparen, investeren en het financile systeem


Het financieel systeem heeft als doel het sparen en het investeren in de economie met elkaar in
overeenstemming te brengen.
Definitie: het financieel systeem is de verzameling instellingen in een economie die de
spaartegoeden van een persoon koppelen aan de investeringsbehoefte van een ander persoon.
Wanneer een land een groot deel van zijn BBP spaart dan zijn er meer bronnen om te investeren in
kapitaal, wat betekent dat de levensstandaard naar boven gaat.
Direct

Indirect

Het financieel systeem bestaat uit een financile markt en financile intermediairs:

Financile markten (directe wijze) : financile markten zijn financile instellingen door
middel waarvan spaarders op directe wijze fondsen ter beschikking stellen aan ontleners.

o Obligatiemarkt: een certificaat waarop een financile schuldverklaring staat.
Het is een schuldbekentenis van een bedrijf of een overheidsinstelling met daarop:
schuldenaar uitgever van de obligatie
geleend bedrag
vervaltijdstip (soms 30 jaren, soms 3 maanden of uitzonderlijk voor altijd)
interestvoet
coupon: bonnetje waarop staat:de looptijd : tijdsperiode tot vervaldag
Het kredietrisico = schuldenaar kan in gebreken blijven, en dus niet kan betalen. Een
obligatie heeft ook een verhandelbaar effect. (Default)
Er zijn kredietbeoordelaars die een oordeel geven over de bedrijven of overheden die
obligaties uitschrijven. Dit gaat van CCC tot AAA (risicovol naar niet risicovol).
o

Aandelenmarkt: een vordering op een gedeelte v/h eigendomsrecht v/e bedrijf.


Je krijgt een gedeelte van het eigendomsrecht van een bedrijf. Een deel van de winst
die het bedrijf maakt gaat naar jou bankrekening,.
Als er geen winst is dan krijg je niets. Failliet = aandelen niks waard (Risico)
Aandelen zijn ook een verhandelbaar product.
De onderneming is verplicht om, om de 3 maanden zijn boekhouding en informatie
weer te geven.
De vraag naar een bepaald aandeel weerspiegelt de verwachtingen over de
toekomstige winst in een bedrijf.
Koersen: hangt af van de verwachtingen van de mensen. Dit kan berekent worden
door de aandelenindex. = het volgt de gemiddelde prijs van een groep aandelen (vb.
Bel 20, Down Jones(50), NasDaq)

Financile bemiddelaars (indirecte wijze)


= waar de spaarders op indirecte wijze fondsen beschikbaar stellen aan de leners.
o

Banken:
Nemen spaargeld in en lenen het dan uit aan bedrijven, overheden..
Vergemakkelijken van het betaalverkeer (bankoverschrijvingen, debet
kaarten, cheques)

Beleggingsmaatschappijen: (unit trust) een instelling die aandelen aan het publiek
verkoopt en de opbrengsten gebruikt om een portefeuille van aandelen en obligaties
te kopen.
Verkoop van aandelen aan het publiek, maakt een soort portfolio.
Organisatie waarbij je aandelen kan kopen en deze organisatie koopt dan
zelfverschillenden aandelen en dit zorgt ervoor dat het risico van de spaarder
kleiner is omdat het risico verdeelt is onder de verschillende investeerders.
Zo proberen ze het risico te verspreiden. Een voorbeeld is het
pensioensparen.

Deze vier actoren hebben de rol om het sparen en het investeren te organiseren.

Nationaal sparen
Netto belastingen = belastingontvangsten inkomensoverdrachten (uitkeringen)
We weten dat het binnenlands product (BBP) : Y = C + I + G + NX

Elke euro dat links voorkomt, is er ook ergens rechts.

De particuliere/priv sparen wordt berekend door : (het inkomen dat huishoudens


overhouden nadat zij de uitgaven voor belastingen en consumptie hebben gedaan)

S(priv) = Y T C

De overheid, publieke sparen wordt berekend door : (wat overblijft van de


belastingopbrengsten van de overheid nadat zij al haar uitgaven heeft gedaan)
S(pub) = T G

Als T > G dan hebben we een begrotingsoverschot.


Met hoeveel de opbrengsten van de overheid hoger zijn dan de uitgaven.
Als T < G dan hebben we een begrotingstekort.
Met hoeveel de opbrengsten van de overheid lager zijn dan de uitgaven.
Het nationaal sparen (S) = het totale inkomen in een economie dat overblijft nadat voor consumptie
en overheidsbestedingen is betaald

S = particuliere sparen + overheid sparen

S = (Y T C) + (T G)

S = Y C G

Verder werken we met een gesloten economie die geen internationale handel kent en ook geen geld
leent of verstrekt aan internationale kapitaalmarkten. We stellen NX (import/export) gelijk aan 0.
S = I = Y C G (Inkomen = BPP Consumptie overheidsuitgaven)
Wetende dat S = I.
Maar welk mechanisme zorgt er voor dat S = I is? ( Markt voor leenfondsen)
Investeren = aankoop van nieuw kapitaal, zoals nieuwe machines
Sparen = de gezinnen sparen

De markt voor leenfondsen


de markt waarop wie wil sparen fondsen aanlevert en wie wil lenen om te investeren fondsen
vraagt.

Aanbod van leenfondsen = Spaarders


Wat gezinnen overhouden om te sparen of
uit te lenen. Direct (Obligaties) of indirect
(bankrekening).
Vraag naar leenfondsen = investeerders
Prijs van de lening = rentevoet
Als de rentevoet stijgt dan :
o Hoeveelheid aangeboden leenfondsen stijgen
o Hoeveelheid gevraagde leenfondsen dalen

We spreken hier over de rele intrestvoet omdat deze meer accuraat is en bijgevolg leidt inflatie ook
tot geldontwaarding.

Overheidspolitiek
Mogelijkheid 1: Beleid dat sparen stimuleert

Doet het aanbod van de leenfondsen toenemen.


De rentevoet neemt af
=> er wordt meer genvesteerd.

Bvb. De rente vervangen door een consumptietaks.











Mogelijkheid 2: Beleid dat investeren stimuleert
De overheid kan ook het investeren aanmoedigen door minder taksen op investeringen te heffen.
Bvb: Nieuw fabriek op een bepaalde plaats plaatsen. Reductie van de overheid.
De vraagcurve gaat dan verschuiven en de gezinnen hebben er geen belangen bij om meer of minder
te sparen dus zal de aanbodscurve niet wijzigen. Door de verschuiving wordt er meer aangeboden.
Daardoor stijgt de investeringsvoet.

Mogelijkheid 3: Beleid dat de overheidsbestedingen doet toenemen


Overheden financieren begrotingstekorten door te lenen op de obligatiemarkt. Wanneer de overheid
een accumulatie van zulke leningen heeft, spreekt men van een overheidsschuld. Het effect van deze
tekorten en schulden op de economische groei: besparingen. Dit heeft als invloed dat priv
investeerders niet meer interesse hebben om te investeren in leenfondsen. (bouwen van nieuwe
huizen..)
(Crowding out = een afname van de investeringen doordat de overheid fondsen ontleent)
Overheidsschuld = schuld / % BBP, de verschillenden landen hebben verschillende rentevoeten, dit
door het risico van een bepaald land. Griekenland = 22, 9 % en Belgi = 3 %.

HS 27: basisgereedschap van financiering: financile economie


Financin : het domein van de economie dat bestudeert hoe mensen beslissingen nemen over de
toewijzing van hulpmiddelen over de tijd en hoe ze omgaan met risico.

Hoe vergelijken we geldsommen op verschillende tijdstippen?


(Voorbeeld: 100 euro vandaag of 100 euro binnen 10 jaar? 100 euro vandaag of 200 binnen 10 jaar)

Toekomstige waarde: Hoeveel geld je bekomt in de toekomst vertrekkend van een bepaald bedrag
vandaag, gegeven de gangbare interestvoet.
Je zet vandaag 100 op je spaarrekening. Wat is dan de toekomstige waarde van deze 100 binnen
N jaar?

Na 1 jaar: (1 + R) * 100
Na 2 jaar: (1 + R) * 100
Na N jaar: (1 + R)n * 100
Vb. rente = 5 % = 0,05, N = 10 jaar;
Toekomstige waarde binnen 10 jaar = (1 + 0,05)^10 * 100 = 163

Je kan ook berekenen wanneer het bedrag verdubbeld met de regel van 70. 70/5 = 14 jaar
Actuele/ constante waarde: hoeveel geld je vandaag nodig hebt om tegen de gangbare interestvoet
een gegeven toekomstig bedrag te bekomen.
Je ontvangt binnen 10 jaar een geldsom van 200. Wat is de actuele waarde (vandaag) ?

(200/ (1 + r)^N) = actuele waarde


Vb. rente = 5 % en N = 10 jaar
(200/(1,05)^10) = 123

Algemeen:

!
(!!!)!

Het beheren van het risico


De meeste mensen vertonen risico mijdend gedrag (met een afkeer van onzekerheid).
= risk averse
Muntstuk, als het kop is dan betaal hij mij 1000 als het munt is dan betaal ik hem 1000. Een
normaal mens zou dit spel niet spelen omdat er teveel risico is. Economisten drukken dit uit in
utility (nut).
Er zijn drie dingen die een rol spelen hoe
mensen omgaan met risicos :

Verzekeringen
Diversificatie
Afweging tussen risico en
opbrengst



1) De verzekeringsmarkt
n manier om het risicos te vermijden is om verzekeringen te kopen. Je betaalt een bepaald bedrag
aan een verzekeringsmaatschappij en deze verzekerd je in geval van een ongeval, een feit
Het kan dus goed zijn dat in je leven het risico nooit voorkomt, en dan heb je alleen maar een gerust
hart. Het doel van deze markt van verzekeringen is niet het risico weg te nemen maar het te
verspreiden. Neem nu dat jouw huis nooit afbrand maar dat van je gebuur wel, dan heb jij mee
betaald voor je buurman.
Er zijn jammer genoeg twee problemen met de markt van verzekeringen:

Averechtse (negatieve) selectie = Sommige personen lopen meer risicos dan anderen. Neem
nu bijvoorbeeld een hartpatint heeft meer risico op een hartaanval. Hier bestaan screens
voor om dit te detecteren. Mogen de verzekeringsmaatschappijen hier op inspelen?
Normaal niet maar ze doen het toch met bepaalde verhogingen van bonus malus Een
verzekeringsmaatschappij mag geen klanten weigeren.
Moreel risico = als mensen een verzekering hebben, kan het zijn dat ze minder voorzichtig
zijn met bepaalde situaties, spullen Met bv iPhone, roekelozer rijden

De verzekeringsmaatschappijen zijn op de hoogte van deze twee problemen en daarom leggen ze


een prijs vast in functie van de risicograad.

2) Diversificatie of idiosyncratisch risico


Diversificatie : de reductie van risico door een enkel risico te vervangen door een groter aantal
kleinere, niet-verwante risico's.
Geaggregeerd risico : risico dat alle economische agenten tegelijkertijd aangaat.
Bvb. natuurramp, kans op recessie
idiosyncratisch risico = risico dat enkel n afzonderlijke economische agent aangaat.
Bvb. Nieuwe concurrentie op de markt. Rechtszaak
Je zou er als persoon moeten voor zorgen dat als je aandelen hebt er genoeg diversificatie is. Leg
nooit al je eieren in dezelfde doos.
Het risico wordt bereken met de standaard deviatie, hoe hoger de standaard deviatie hoe meer risico
een bepaald aandeel heeft.
Als je maar n aandeel hebt dan is het risico 49 %. Maar als je er meer dan 40 kleine hebt dan is het
risico verkleind naar 20 %. Het is onmogelijk om het risico volledig te verwijderen. Diversificatie kan
het idiosyncratisch risico elimineren. Maar jammer genoeg niet het geaggregeerd risico.
De opbrengstvoet van een aandeel verschilt van jaar tot jaar. De gemiddelde groeivoet = +- 41 % met
een standaardafwijking van = +- 78 %
=> dit is een maatstaf om het risico van een bepaald aandeel aan te tonen. Dit wordt vaak
gedaan in een histogram. Kijken hoe variabel een bepaald aandeel is.









3) De afweging tussen risico en opbrengst
Alles hangt ervan af hoe de persoon de trade off ziet tussen meer geld verdienen en risico. Als een
aandeel meer risico heeft dan brengt het normaal gezien ook veel meer op.

Wat bepaalt de waarde van een aandeel?


Vraag en aanbod. => maar er is meer dan dat, we moeten ons afvragen wat de bereidheid tot betalen
van een aandeel.
fundamentele analyse = de studie van boekhoudkundige informatie en toekomstverwachtingen
van een onderneming om de waarde van de onderneming te bepalen.

Als je 20 aandelen moet kiezen ga je naar twee dingen kijken:

de waarde van de organisatie


de prijs van het aandeel

o Als de prijs kleiner is dan de waarde spreken we over overwaardering.
o Als de prijs groter is dan de waarde spreken we over goede waardering.

Om de waarde van een organisatie te bepalen moet men een fundamentele analyse doen, hier gaan
ze de ondernemingen onder de loep nemen. Kijken hoeveel winst dat ze maken, of dat ze wel in staat
zijn om te betalen
=> De meeste mensen gaan dus de winst willen voorspellen door fondsbeheerders en analisten.
Efficinte markt hypothese = de theorie dat de prijs van een activa alle publiek beschikbare
informatie over de waarde van het activa weerspiegelt

Je kiest willekeurig 20 aandelen. Dit verandert op zich niet zoveel omdat er de efficinte markt
hypothese is.

Om dit te begrijpen moet je ten eerste, denken dat er veel fondsbeheerders zijn die de
rentevoeten en de waardes sterk volgen. Deze kopen en verkopen elke dag enkele aandelen, als de
prijs of terwijl lager is dan de waarde, of terwijl hoger is dan de waarde. Ten tweede wordt het
evenwicht op de aandeelmarkt bepaald door de vraag en het aanbod. Dus het evenwicht geeft ook
aan dat er voor elke persoon 1 persoon denkt dat dit aandeel een onderwaardering heeft en andere
denkt dat het overgewaardeerd is.
Marktirrationaliteit: Aandelen zijn ook heel nieuws gebonden. Als de organisatie in het slecht
daglicht komt dan zal dit een negatief effect hebben op de aandelen van deze organisatie.
Maar dit zijn eigenlijk speculatieve zeepbellen want er wordt geen rekening gehouden met bepaalde
factoren zoals crisissen, slecht nieuws

HS 28. Werkloosheid
Een job geeft een bepaalde persoonlijke voldoening en vooral een financile zekerheid. Het loon
ervan bepaalt de levensstandaard van een persoon.
Naast het BBP en de groeivoet van het BBP kan ook de werkloosheid een determinant zijn voor het
meten van de levensstandaard in een land. We bestuderen vervolgens het lange- en korte termijn
perspectief

Het bepalen van de werkloosheidsgraad


Definities
Om de werkloosheid te bepalen wordt de bevolking(mensen van 15 tot 64 jaar : 7.239 miljoen) in
drie categorien ingedeeld :

1. Tewerkgestelden (Belgi : 4.498 miljoen)


2. Werklozen ( in de betekenis van werkzoekend ) (0.379 miljoen)
3. Inactieven (pr-gepensioneerden, voltijdse studenten, niet-werkzoekende
thuisblijvers) (2.362 miljoen)
Beroepsbevolking of aanbod van arbeidskrachten op de arbeidsmarkt = het totale aantal
arbeidskrachten omvat de werkenden en de werklozen

= dat gedeelte van de bevolking dat werkt of bereid is om te werken. Omvat de personen
tussen 15 en 64 jaar die in Belgi wonen en zich tijdens de referentieperiode aanbieden
(werkenden) op de arbeidsmarkt of willen aanbieden ( werklozen ). De volwassen bevolking
omvat de beroepsbevolking aangevuld met de inactieven ( 15-64 jaar ).

Werkloosheidsgraad = (( Aantal werklozen ) / ( Beroepsbevolking )) x 100
= het percentage van de beroepsbevolking dat werkloos is

Activiteitsgraad = (( Beroepsbevolking ) / ( Volwassen bevolking )) x 100
= het percentage van de volwassen bevolking dat deel uitmaakt van de beroepsbevolking

Natuurlijke werkloosheidsgraad : het normale werkloosheidspercentage waar het
werkloosheidspercentage omheen schommelt = 8,2 %

Conjuncturele werkloosheid = de mate waarin de werkloosheid afwijkt van het natuurlijke
werkloosheidspercentage
o Werkloosheid natuurlijke werkloosheid
o = 7,8 % - 8,2 % = -0,4 %

Wat meet de werkloosheidsgraad ?


Het is heel moeilijk om een onderscheid te maken tussen een individu dat werkloos is en een individu
dat geen deel uitmaakt van de beroepsbevolking. Wegens aanhoudende bewegingen tussen de
beroepsbevolking en de in-actieven zijn de werkloosheidscijfers zeer moeilijk interpreteerbaar.
Aanvulling boek: Claimant count: mensen die een werkloosheidsuitkering aanvragen/ krijgen.
Labour Force surveys
Hoelang blijft een werkloze zonder job ?
De draagwijdte van het werkloosheidsprobleem hangt af of het op een korte termijn toestand is
( geen probleem ) of een lange termijn toestand is ( wel een probleem).
Als mensen op lange termijn werkloos zijn dan komen deze mensen in grote economische en
psychologische problemen.
Daarom heeft men de werkloosheidsduur onderzocht en kwam men tot een tegenstrijdige conclusie:

De meeste mensen die hun baan verliezen zijn maar gedurende korte tijd werkloos ... maar
op ieder moment zijn de meeste werklozen, langdurig werkloos. (Voorbeeld: pg 598)
Waarom zijn er altijd werklozen ?
In de meeste markten zorgt de prijs ervoor dat vraag en aanbod in evenwicht zijn. In een ideale
arbeidsmarkt zou het loon ervoor moeten zorgen dat de gevraagde hoeveelheid in evenwicht is met
de aangeboden hoeveelheid. Maar in de realiteit is het anders. Er is altijd werkloosheid.
Dit komt omdat:
Natuurlijke werkloosheid = frictiewerkloosheid + structurele werkloosheid

Frictionele werkloosheid : werkloosheid die ontstaat doordat arbeidskrachten tijd nodig hebben om
een baan te zoeken die het beste aansluit bij hun voorkeur en vaardigheden
De frictionele werkloosheid is onvermijdelijk : de vraag naar werkkrachten verandert voortdurend
binnen de onderneming. Vanaf het moment dat de samenstelling van de vraag verandert is er sprake
van frictionele werkloosheid ( ontslagen mensen + mensen die van job veranderen) : mensen hebben
tijd nodig om werk te vinden.
Rol vd. overheid :

Arbeidsbemiddeling (vdab.be)
Opleidingen geven

De interventie van de overheid wat betreft de werkloosheidsuitkering ( bescherming tegen


jobverlies), verhoogt onvrijwillig de frictionele werkloosheid. De werkloosheidsuitkering heeft een
dubbel effect :

Ze verminderen de klap van de plotse werkloosheid


Ze verhogen het aantal werklozen (zoekinspanningen dalen, frictiewerkloosheid stijgt)

Structurele werkloosheid : wanneer er te weinig jobs gecreerd zijn ten opzichte van het aantal
werkzoekende mensen.
a. Minimumlonen
Minimumlonen hebben een belangrijk effect op
groepen van de bevolking met een hoge
werkloosheidsgraad. Wanneer deze druk op de lonen
uitoefent en ervoor zorgt dat deze boven het
evenwicht tussen vraag en aanbod naar
arbeidskrachten liggen.

Minimumlonen hebben betrekking op de laagst
geschoolde en minst ervaren personen op de
arbeidsmarkt.

b. Vakbonden

Een vakbond is een organisatie die de werknemers vertegenwoordigt bij sociale onderhandelingen
met de werkgevers betreffende arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.
Sociaal overleg of collective bargaining = proces waarbij vakbonden en ondernemingen een
akkoord bereiken over de arbeidsvoorwaarden. Zijn deze niet met elkaar akkoord, dan komen er
stakingen.
Vakbonden kunnen zorgen voor een loon boven het evenwicht komt en zorgt dan voor werkloosheid.
Dit omdat de hoeveelheid aangeboden werk stijgt maar de hoeveelheid vraag naar werk daalt.
Problemen kunnen ontstaan tussen insiders en outsiders. Degene die bij de vakbond aangesloten zijn
en degene die niet aangesloten zijn.
Doordat een vakbond in een bepaalde sector de lonen doet stijgen, kan het zijn dat het aanbod van
arbeid in andere sectoren van de economie stijgen. => Gevolg : daling van de lonen in industrien die
niet onderhevig zijn aan de macht van de vakbonden.

Tegenstanders zeggen dat het zorgt voor werkloosheid en daling van de lonen in de sectoren
waar geen vakbonden aanwezig zijn.
Voorstanders zien het meer als een bescherming tegen de lonen, werkomgeving,
werkomstandigheden Om druk te beoefenen op de werkgevers en op de politieke
beslissingen.
c. De theorie van efficiency wages

Ondernemingswerken zijn efficinter als de lonen zich boven het evenwichtsniveau bevinden.
Indien ze in geval van overaanbod aan arbeid de lonen hoog houden, kunnen ze zelfs winst maken.
Dit is vreemd omdat lonen deel uitmaken van de kosten en ondernemingen willen hun kosten laag
houden. Vier types van de efficintielonen theorie :

Arbeidersgezondheid : beter betaald betekent in betere gezondheid zijn.


Personeelsverloop : een onderneming kan een hoog personeelsverloop doen dalen door
hogere lonen te betalen. Individuen reageren op beloningen.
Arbeidsinspanning : hoge lonen stimuleren de arbeiders om hun job goed te doen. Bevindt
het loon zich op het evenwicht, dan hebben de arbeiders geen reden om harder te werken
omdat ze snel terug aan de slag kunnen indien ze ontslagen worden. Daarom creren
ondernemingen werkloosheid.
Kwaliteit van de arbeid : door hogere lonen voor op te stellen, trekt de onderneming een
kwalitatief betere groep aan.

Besluit
Werkloosheid kan verklaard worden door de zoektocht naar arbeid, wettelijke minimumlonen,
vakbonden en de theorie van de efficiency wages. De werkloosheid wordt altijd door verschillende
gebeurtenissen en beleidsopties benvloed. We kunnen algemeen besluiten dat werkloosheid geen
alleenstaand probleem met een unieke oplossing is.

HS 29: Het monetaire systeem


Nut/ doel geld: Geld maakt productie en handel eenvoudiger zodat men zich in wat men goed is,
specialiseert. Het verhoogt onze levensstandaard.

Het begrip geld


Geld : het totaal aan middelen dat in de economie regelmatig door mensen wordt gebruikt om
goederen en diensten van andere personen te kopen.
De functies van geld
Ruilmiddel :. iets dat door kopers aan verkopers wordt gegeven als zij goederen en diensten
willen aankopen.
Rekeneenheid: met de waardemeter-functie bedoelen we dat een eenheid geld ons in
staat stelt om de waarde van verschillende goederen te vergelijken. Wanneer we
economische waarde willen aangeven, drukken we dit uit in eenheden van de waardemeter
geld. de maatstaf die mensen gebruiken om prijzen toe te kennen en schulden te noteren.
Spaarmiddel (oppotmiddel) : met de spaarmiddel-functie bedoelen we dat geld gebruikt kan
worden om koopkracht over te dragen van het heden naar de toekomst. Een verkoper kan
ontvangen geld bijhouden en later uitgeven om iets te kopen. Naast geld kunnen we ook
niet-monetaire activa bijhouden en later gebruiken. We gebruiken dan vermogen om te
verwijzen naar spaarmiddelen. Oppotmiddel = iets waarmee mensen koopkracht van het
heden naar de toekomst kunnen verplaatsen.
Liquiditeit = het gemak waarmee een bezit kan worden omgezet in een binnen de economie
aanvaard ruilmiddel.
Bvb. huis verkopen -> moeilijk dus minst liquide
Bvb. obligaties -> verkocht in 1 dag -> liquide

Meest liquide vb. geld

depositos

Minst liquide vb. huis

Soorten geld

Commodity money = wanneer geld de gedaante aanneemt van een grondstof met een
intrinsieke waarde. Met de intrinsieke waarde bedoelt men dat een voorwerp waarde heeft
los van het feit dat het gebruikt wordt als geld. Bv. goud. Gebruikt een economisch systeem
goud als geld, dan zegt men dat dit systeem de goudstandaard hanteert. Zelfs sigaretten
werden als geld gebruikt.

Fiat money = geld zonder intrinsieke waarde. Een fiat is een soort belofte of verklaring,
waarbij de overheid garandeert dat dit betaalmiddel geldig is. Het aanvaarden van fiat
money hangt af van sociaal-economische factoren en verwachtingen. Niet aanvaarden van
de fiat money => overgaan op de commodity money.

Geld in de economie
Wat bedoelen we met geldhoeveelheid ?

Chartaal geld (C): de bankbiljetten en munten in handen van het publiek.


Giraal geld (D): tegoeden bij een bank waartoe rekeninghouders toegang hebben door een
debitkaart, het uitschrijven van een cheque of betalingsopdracht. Alleen een zichtrekening
of rekening waar de spaarders toegang toe hebben.
Geldvoorraad (M): de hoeveelheid geld die beschikbaar is binnen een economie.
Chartaal geld + giraal geld = geldvoorraad

De Europese Centrale Bank


= een instelling die is opgericht om de geldhoeveelheid in een economie te controleren.
De landen die de euro als munteenheid hebben, staan bekend als het eurogebied of eurozone.
Natuurlijk moet er een instelling verantwoordelijk zijn voor de regulatie van dit systeem, de
eurozone, dat steunt op fiat money : de Europese Centrale Bank ( ECB ). Dit is een instelling die is
opgericht om monetair stabiliteit in de economie te garanderen en een effectief en degelijk
bankwezen te waarborgen. Nog : Federal Reserve ( Fed ) in de VS,...
De organisatie van de Europese Centrale Bank en het Eurosysteem
Het Eurosysteem bestaat uit de ECB en de nationale Centrale Banken van de lidstaten die op de
euro zijn overgegaan en is verantwoordelijk voor het monetair beleid in de eurozone. Het wordt
geleid door de Raad van Bestuur ( leden worden voor een langere periode benoemd ) die bestaat uit
zes leden van de Directie en de president van de twaalf nationale Centrale Banken van de landen van
het eurogebied. De raad van Bestuur wordt voorgezeten door de president van de ECB.
Alle beslissingen worden centraal genomen door de ECB en de beleidsvoeringen worden
gecentraliseerd. Nationale Banken zijn goede gesprekspartners voor de in hun land gevestigde
financile instellingen. De leden van de Raad van Bestuur zijn onafhankelijk van politieke
benvloeding, ze mogen geen instructies vragen,... Tenslotte mag het eurosysteem geen leningen
uitgeven aan regeringen van lidstaten of organen van de Europese Unie. (president: Mario Draghi)

Taken van de Europese Centrale Bank


Hoofdtaak : controle op de geldhoeveelheid die beschikbaar is in de economie ( aanbod ).
De ECB is verantwoordelijk voor het monetair beleid ( helikopter-stofzuiger metafoor ) in het
eurogebied met als doel het handhaven van de prijsstabiliteit (inflatie +/- 2%). De centrale bank is
dus belangrijk vermits veranderingen in het geldaanbod de economie benvloed. De prijzen stijgen
omdat er teveel geld in omloop is. Hiervoor vergadert de raad van bestuur om de twee weken.
De ECB vervult nog ook :

het drukken van bankbiljetten in het eurogebied


het in omloop brengen van muntstukken en bankbiljetten in het eurogebied
het bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer
De ECB vergemakkelijkt financile transacties door op te treden als Bank der banken.
De ECB geeft leningen aan banken wanneer deze liquiditeitsproblemen hebben. Hebben de
banken geldtekorten, dan treedt de ECB op als lender of last resort om stabiliteit te
garanderen.
De ECB moet toezicht houden op de financile instellingen van alle landen.

De banken en het aanbod van geld


Vermits depositos ( deel van de geldhoeveelheid : zicht- en spaarrekeningen ) bewaard wordt door
de banken, kunnen hun gedrag de vraag naar depositos in de economie en bijgevolg het geldaanbod
benvloeden.
100 % reserve bankieren
Het doel van de bank bestaat erin om de mensen een veilige plaats aan te bieden waar ze hun geld
kunnen bewaren. De bank houdt depositos in bewaar in een kluis totdat men deze komt terughalen.
Depositos die de banken ontvangen hebben, maar die niet uitgeleend zijn, noemen we reserves.
100 % reserve = er worden geen lening toegestaan.
De financile positie van banken wordt weergegeven door een T-rekening.
Activa
Wat je bezit
Wat anderen aan jou schuldig zijn

Passiva
Wat je schuldig bent aan anderen

Aan de linkerkant vinden we het actief van de bank en aan de rechterkant het passief. Deze dienen
aan elkaar gelijk te zijn. Elke storting op een deposito vermindert het cash geld in omloop en
vermeerdert de depositos. Het geldaanbod blijft onveranderd.

Stel je deponeert 100 op je rekening bij de bank. De bank houdt deze in reserve (reserveratio =
100%).
Eerste Europese bank (ING)
Activa

Passiva
Reserves : 100

Depositos : 100


Het geldvoorraad is het chartaal geld + het girale depositos.

Geldvoorraad voor de bank openging :

100 + 0 = 100

Geldvoorraad na de bank openging:

0 + 100 = 100

Als we het geld van de bank meetellen tellen we dubbel. => het banksysteem benvloed de
geldvoorraad niet maar ze verandert ze van chartaal naar chiraal geld als ze geen ratio heeft.
Geldcreatie door bankieren met reservecofficint
Banken kunnen overwegen om een deel van hun reserve uit te lenen. Gezinnen kopen huizen,
ondernemingen bouwen fabrieken, enz... Hiervoor moeten ze een interest betalen.
Banken passen reservecofficint toe. De reservecofficint is het gedeelte van de totale depositos
die een bank aanhoudt als reserve.
Banken mogen echter reserves aanhouden die hoger zijn dan de wettelijk minimum = overschot van
reserves. Welk gevolg heeft het reservecofficint op het geldaanbod?
Een bank met een reservecofficint van 10% houdt 10% van zijn depositos in reserve en geeft de
rest uit onder de post leningen. Leningen worden als actief beschouwd bij de bank omdat zij die
terugbetaald moet krijgen. De invloed van deze transactie op het geldaanbod ( cash geld + depositos
) is dat de bank nog altijd dezelfde hoeveelheid depositos beschikt maar de mensen hebben cash
geld ontvangen. De geldhoeveelheid is gestegen. Een bank creert dus geld wanneer ze slechts een
deel van haar depositos behoudt.
Het uitgeven van leningen door de bank geeft geen bijkomende welvaart. De mensen krijgen wel
cash om goederen te kopen maar behouden een even grote schuld t.o.v. bank. Men creert wel geld
maar ook schulden. De liquiditeit stijgt tevens ( meer ruilmiddel in omloop).
Weer hier deponeer je bij een bank 100 maar deze bank heeft een reserveratio van (10%).
Activa

Passiva
Reserves : 100
Leningen : 90

Depositos : 100

De bank leent 90 uit en houdt 100 in depositos.


Geldvoorraad voor de bank openging :

100 + 0 = 100

Geldvoorraad na de bank openging:

90 + 100 = 190

=> Geldschepping (er is liquiditeit gecreerd)


Geld is geen netto vermogen. Er is niets aan het netto vermogen van een persoon verandert.
=> Deze 90 is geen nieuw netto vermogen omdat het om een lening gaat, dit betekent dat er meer
ruilmiddelen zijn ontstaan. De leners hebben nu 90 meer in chartaal geld maar ook 90 meer
schulden.
De geldmultiplicator =de hoeveelheid geld die het bankwezen genereert met iedere eenheid aan
reserves.

Een schuldenaar bij een eerste bank koopt goederen aan een persoon, die deze som stort op een
andere bank. Behoudt deze bank dezelfde reservecofficint ( of een andere) dan wordt er weer
uitgeleend en in reserve gehouden en bijgevolg wordt er geld gecreerd. Dit proced kan verder
lopen met een derde en een vierde, vijfde,..bank.
Hoeveel geld wordt er nu in de hele economie gecreerd? We moeten alle bijkomende geldcreaties
tot in het oneindig optellen. 100 reserve creert 1000 , deze vermenigvuldiging noemt men de
geldmultiplicator ( hier : 10 ). Deze is het omgekeerde van de reservecofficint. Hoe hoger de
reservecofficint, hoe minder de bank kan uitlenen, hoe kleiner de geldmultiplicator.
Stel dat de leners de 90 gebruiken om iets te kopen bij iemand. De verkoper deponeert 90 bij zijn
bank en de bank houdt 9 aan als reserve (10 %) en de bank leent 81 euro uit.
Tweede Europese bank
Activa

Passiva
Reserves : 9
Leningen : 81

Depositos : 90


Het verhaal herhaalt zich:

Leners gebruiken 81 om iets te kopen


De verkoper deponeert 81 op de bank + reserve ratio (10%)

Activa

Passiva
Reserves : 8,10
Leningen : 72,90

Depositos : 81


Als je de som nu maakt dan krijg je :
M = 100 (depositos) + 90 (depositos) + 81 (depositos) + 72,90 (chartaal geld)

Hoeveel geld is er nu uiteindelijk gecreerd?

Oorspronkelijk depositos

Leningen van eerste Europese bank
Leningen van tweede Europese bank
Leningen van derde Europse bank

Totale geldschepping

=
=
=
=

100
90 (0,9 * 100)
81 (0,9 * 90)
72,90 (0,9 * 81)

1000

100 aan nieuwe reserves creert 1000 aan geld omdat de geldmultiplicator 10 is.
Meer algemeen kunnen we stellen :
Hier zou dit geven

!
!"#"!$"!%&'(

1/ 0,1 = 10

De instrumenten van het monetair beleid van de Europese Centrale Bank


Vermits banken een kleine reserve aanhouden, heeft de CB een indirecte invloed op het geldaanbod.
Daarom moet ze overwegen welk impact haar handelingen zullen teweegbrengen op de nationale
banken.
De overheid kan op drie manieren het geldaanbod benlvoeden :
1. Open markt transacties:
Zulke transacties komen voor wanneer de CB schatkistpapieren aankoopt of verkoopt aan het
publiek.
Stel dat de ECB voor 100 overheidsobligaties aankoopt van het publiek.
Het publiek ontvangt deze 100 in cash en deponeert deze bij de eerste Europese Bank. Via
de geldmultiplicator wordt het geld groter via leningen.
Stel dat de ECB voor 100 aan overheidsobligaties verkoopt aan het publiek.
Als CB de geldvoorraad wil doen dalen dan verkoopt de ECB op de secundaire markt de
obligaties en dan krijgt zijn 100 in cash terug. Dan wordt het geld uit de omloop gehaald.
Definitie: de aankoop en verkoop van overheidsobligaties door de centrale bank.

2. Beleidsrente (refi-rente: term alleen in de EU)


Om de herfinancieringsrente te begrijpen moeten we eerst het systeem (markt) tussen de
verschillende banken begrijpen.

Stel dat op een dag heel veel mensen hun geld gaan afhalen bij n bepaalde bank (ING). En
dezelfde dag gaan er heel veel mensen bij Fortis geld deponeren. Dan gebeurt het wel vaker dat
Fortis aan ING geld leent om hun reserve te spekken. Natuurlijk aan een bepaalde rentevoet.
Herfinancieringsrente : de interestvoet waartegen de Europese Centrale Bank leningen op korte
termijn verstrekt aan banken van de eurozone.

De ECB kan de herfinancieringsrente doen stijgen, dit zal als gevolg hebben dat er een hoge
reserveratio is bij de banken omdat ze voorzichtiger gaan omspringen met het geld. (minder leningen
uitgeven, meer reserve behouden) Hoe minder leningen er zijn hoe kleiner de geldmultiplicator
zal worden en hoe minder geld in circulatie is.
3. Reserveverplichtingen = de regels die bepalen hoeveel reserves de banken moeten aanhouden
ten opzichte van de deposito's (Bij de ECB is dit 1 %)
Deze methode wordt vaak gebruikt in ontwikkelingslanden. Als de eerste en 2de methode moeilijk zijn
toe te passen.
Als de CB de vereiste reserveratio doet stijgen dan :

Reserveratio stijgt, leningen dalen


Geldmultiplicator daalt
Geldvoorraad daalt

China gebruikt deze methode vaak als beleidsinstrument. => zie handreiking
Problemen om het aanbod van geld te beheersen
De drie instrumenten die de CB bezit, benvloeden in grote mate het aanbod van geld. Toch treden er
twee problemen op ( beiden een gevolg van bankieren met reservecofficint ) :
1. De CB heeft geen invloed op hoeveelheid de gezinnen of ondernemingen storten op hun
rekening. Hoe meer depositos, hoe meer de bank kan uitlenen en hoe meer er geld wordt
gecreerd. Daarom moet het publiek vertrouwen hebben in het banksysteem. Wordt deze
geschonden, dan is er minder reserve en daalt het aanbod.

2. De CB heeft geen invloed op hoeveel de bankiers bereid zijn uit te geven. Geldcreatie vindt
plaats als er geld wordt uitgeleend. Wegens slechte economische toestanden kunnen de
bankiers overwegen om veel reserves aan te houden waardoor het aanbod daalt. De
geldhoeveelheid hangt dus af van het gedrag van depositohouders en bankiers. De CB kan
dan geen totale controle uitoefenen. De CB gaat proberen om deze gedragen in het oog te
houden en het gewenste aanbod te bereiken.

HS 30: De groei van de geldvoorraad en de inflatie


De algemene stijging ( gemikte 2% per jaar ) van de prijzen doorheen de jaren wordt de INFLATIE
genoemd. Deze wordt gemeten als een percentage van de verandering van de Consumer Price Index
( CPI ), de BBP-deflator of een andere index. Toch zijn er periodes geweest waarin de prijzen gedaald
zijn, dit noemen we DEFLATIE. Inflatie is vandaag normaal maar deze was niet altijd even hoog, zie
Duitsland na WO II. Deze kende een hyperinflatie. Inflatie komt voornamelijk wanneer de overheid te
veel geld drukt. We bestuderen verder hoe men inflatie verklaart.

M(Geldvoorraad)

Lange termijn

P (prijspeil)

De klassieke theorie van inflatie


Prijspeil en geldwaarde
Het feit dat mensen meer geneigd zijn om meer te betalen voor een goed ligt aan het feit dat de
koopkracht van het geld afgenomen is en het genot hetzelfde gebleven is.
We hebben het prijspeil beschouwd als een korf waarbij mensen meer betalen als dit prijspeil stijgt.
Maar we kunnen dit ook als een maatstaf voor de waarde van geld beschouwen. Stijgt het prijspeil,
dan neemt de waarde van geld af.
Als Prijspeil (P) stijgt dan zal de waarde van het geld (1/P) dalen.
Aanbod van geld, vraag naar geld, monetair evenwicht
Aanbod van geld
Door middel van schatkistpapieren langs open-markt transacties beperkt de CB het geldaanbod.
Omgekeerd koopt ze overheidsobligaties om het geldaanbod te verhogen. Bij depositos treedt de
geldmultiplicator in werking en verhoogt het geldaanbod nog meer. We gaan ervan uit dat de CB het
geldaanbod volledig beheerst. (hoofdstuk 29)
Vraag naar geld
De vraag naar geld hangt in belangrijke mate af van :

Op korte termijn: interestvoet (HS 34)


Op lange termijn: prijspeil (P)
=> Mensen wensen meer geld in hun portemonnee of op zichtrekening.

Veel factoren bepalen de vraag naar geld op lange termijn maar het gemiddelde prijspeil in de
economie is een belangrijke factor : mensen behouden geld omdat ze ermee goederen kunnen
kopen. Hoe hoger de prijzen, hoe meer ze in huis moeten houden. Een hoger prijspeil doet dus de
vraag naar geld toenemen.

Monetaire evenwicht
Op korte termijn zal de rente een invloed hebben en op lange termijn zal het algemene prijspeil zich
richten waar vraag en aanbod elkaar snijden.

Ligt het prijspeil boven het evenwicht : publiek wil meer geld aanhouden en het prijspeil zal
moeten dalen.
Ligt het prijspeil onder het evenwicht : publiek wil minder geld aanhouden en het prijspeil zal
moeten stijgen.

Het prijspeil is genverteerd om aan te tonen dat als de waarde van het geld hoog is, het prijspeil laag
is.

De aanbodscurve is een verticale rechte omdat de aangeboden geldhoeveelheid door de CB


wordt vastgelegd.
De vraagcurve vertoont een dalende curve daar wanneer de waarde van geld laag is, het
publiek meer geld wilt.
Het evenwicht, vraag = aanbod, bepaalt de lange-termijn waarde van geld en het prijspeil.

Gevolgen van een monetaire injectie


Stel dat de CB beslist om het geldhoeveelheid te verdubbelen door overheidsobligaties te kopen via
open-markt transacties. Deze drastische stijging noemt men soms ook wel monetaire injectie. Wat
zal er als gevolg hiervan gebeuren?
De aanbodscurve verschuift naar rechts :

waardoor er een nieuw evenwicht bereikt wordt.


De waarde van geld zal bijgevolg dalen en het prijspeil zal stijgen.

M.a.w. als de geldhoeveelheid stijgt, dan daalt de waarde van het geld en daarentegen stijgt het
prijspeil. Deze verklaring van de bepaling van het prijspeil en de veranderingen ervan, wordt de
kwantiteitstheorie genoemd (de hoeveelheid bepaalt de waarde).
Er ontstaat dus een geldoverschot! Mensen proberen van hun geldoverschot te raken, door G&D te
kopen of door het geld te lenen aan anderen.
Een korte analyse van het aanpassingsproces
Hoe gaat men eigenlijk van een oud naar een nieuw evenwicht ? Dit hangt af van de korte termijn
fluctuaties. We bekijken eerst het aanpassingsproces na een verandering in geldaanbod.
Een injectie zorgt dus voor een stijgende vraag naar goederen. Toch zijn de mogelijkheden
van de economie om goederen en diensten te produceren onveranderd gebleven.
Hierdoor zullen de prijzen van de goederen stijgen omdat ze beperkt zijn t.o.v. de vraag. Het
prijspeil stijgt dus is er meer vraag naar geld om transacties te voldoen. Men verkrijgt een
nieuw evenwicht waarbij het prijspeil de rol van een katalysator speelt. (P stijgt dus 1/P
daalt) = waarde van het geld daalt.

De klassieke dichotomie en monetaire neutraliteit


Filosoof David Hume splitste variabelen die invloed hebben op het geldaanbod op in twee groepen :
1. Nominale variabelen : variabelen die in monetaire termen worden gemeten.
Bv. inkomen van een graanboer wordt uitgedrukt in Euros
2. Rele variabelen : variabelen die in fysieke eenheden worden gemeten.
Bv. hoeveelheid graan van deze boer wordt uitgedrukt in kilos of tonnen.
Deze opsplitsing van variabelen noemen we de klassieke tweedeling. Indien we de prijzen
beschouwen, is de tweedeling niet vanzelfsprekend.
De prijs wordt uitgedrukt in euros en is dus een nominale variabele.
Bij relatieve prijzen vallen de euros weg
(bvb: de prijs van tarwe vergeleken met de prijs van gerst) en wordt het een rele variabel.
Uitzonderingen :

Rele lonen zijn rele variabelen omdat ze een maatstaf zijn voor de hoeveelheid goederen
die de economie kan ruilen voor elke eenheid arbeid.
De rele rentevoet is ook een rele variabel vermits deze uitdrukt in welke mate de
economie hedendaagse producten kan uitwisselen tegen toekomstige producten.

Volgens Hume worden de nominale variabelen benvloed door ontwikkelingen in het monetair
systeem. Ook veranderingen in het geldaanbod benvloeden de nominale variabelen, maar niet de
rele.
Bvb. CB verdubbelt geldaanbod => verdubbelt het prijspeil => waarde van Euro verdubbelt =>
productie, werkgelegenheid,...zijn ongewijzigd.
Deze onafhankelijkheid van rele variabelen ten gevolge van monetaire veranderingen noemen we
monetaire neutraliteit. Er bestaat twijfel over de invloed op deze variabel op KT.

Omloopsnelheid van het geld = de snelheid waarmee geld van eigenaar verandert
Om deze te berekenen, verdelen we de nominale waarde van de output ( nominale BBP) door de
geldhoeveelheid :

P = Prijspeil
Y = de hoeveelheid output (= rele BBP)
M = geldhoeveelheid
V = omloopsnelheid ( P x Y = nominaal BBP )


We kunnen deze vergelijking herschrijven als :
Omloopsnelheid

M x V =

!"#$%&'( !!"
!"#$!!"#""$!!"#

! ! !
!

P x Y

Deze vergelijking wordt de Kwantiteitsvergelijking genoemd omdat ze de geldhoeveelheid in


verband brengt met nominale waarde van de output.
Definitie:die de hoeveelheid geld, de omloopsnelheid van het geld en de geldwaarde van de
geproduceerde goederen en diensten binnen een economie met elkaar in verband brengt.
Nu hebben we alle elementen om het prijsevenwicht en de inflatie ratio uit te leggen:
(stappen van de kwantiteitstheorie van geld)
1. V is constant
2. Omdat V constant is als M stijgt dan zal (P x Y) met dezelfde hoeveelheid stijgen
3. We weten dat Y = A . f( K, L, H, N) en M heeft geen invloed op deze indicatoren. (door
neutraliteit van het geld: de hypothese dat veranderingen van de geldhoeveelheid geen
effect hebben op de rele variabelen.)
4. Dus als M stijgt dan zal de prijs ook stijgen. Een snelle geldgroei veroorzaakt een hoge inflatie
percentage. (bvb: Zimbabwe)

Inflatiebelasting = de inkomsten die de overheid ontvangt door geldcreatie


Als de overheid geld drukt dan is jouw euro die je in je zak hebt minder waard. Het is dus eigenlijk
een soort taks die wordt geheft op het geld dat in omloop is.
Hyperflatie volgt altijd hetzelfde patroon. De overheid heeft geld nodig omdat haar
belastingensysteem niet goed werkt of dergelijke meer en gaat over tot het drukken van geld.
Deze inflatiegolven eindigen wanneer
(bv. Snoeien in de overheidsuitgaven,...)

de

overheid

fiscale

hervormingen

neemt

Het fisher effect


Het verschil tussen de rentevoeten ( nominaal en reel) verklaart de relatie geld, inflatie en rente. De
rele rentevoet corrigeert de nominale rentevoet (die we van de bank krijgen) voor de gevolgen van
de inflatie :
Rele rentevoet = Nominale rentevoet Inflatiegraad of
Nominale rentevoet = rele rentevoet + inflatiegraad
Een stijging van de geldhoeveelheid doet de nominale rente stijgen, maar heeft geen lange termijn
invloed op de rele rente. Dit omdat de rele rentevoet wordt bepaald door de markt van
leenfondsen.( investeerders en spaarders)
Er is een sterke correlatie tussen de nominale interestvoet en de inflatie. (zie figuur 30.4, pg 653)
Fisher effect = De aanpassing van de nominale rente aan de inflatie. Als de geldhoeveelheid
toeneemt en daardoor de prijzen toenemen zal de nominale rente zich aanpassen zodanig dat de
rele rente gelijk blijft.

De kosten van inflatie


Het vermindert dus in feite de rele koopkracht niet.
=> inflatie betekent een algemene prijsstijging van alle producten. Maar ook een prijsstijging van
arbeid. Er is geen verband tussen de winsten die bedrijven draaien en de inflatie. Want anders zou er
meer winst zijn bij inflatie voor de bedrijven als arbeid dezelfde kost had.

Inflatie leidt tot shoeleather kosten:


Bij een hoge inflatie gaan we onze cash zo laag mogelijk houden (cash: daalt in waarde)
Dus de mensen gaan zoveel mogelijk op hun spaarrekeningen houden. Er wordt dus veel geld
getransfereerd van de spaarrekening naar zichtrekeningen.
Het verspilt dus middelen
-> prijs per liter benzine
Het is een groot tijdverlies
-> opportuniteitskost -> uurloon x tijd

Inflatie leidt tot Menukosten:
-> aanpassen van menus. Bijvoorbeeld: Prijzen moeten constant worden aangepast. Bijna
elke dag soms 2 of 3 keer per dag.

Inflatie leidt tot een vervorming van consumentenbesluiten:
Moeilijk om keuzes te maken als consument. Daarmee maken de mensen vaak verkeerde
keuzes.

Inflatie leidt tot verwarring en ongeloof:
De rekeneenheid is eigenlijk weg gevallen omdat je niet meer goed kan vergelijken tussen
twee producten.

Inflatie leidt tot vervorming van de belastingen:
Inflatie vervormt de belastingen. Je betaalt belastingen op je nominale rente inkomen.














=> Sparen is minder aantrekkelijk in de economie met meer inflatie. Het is zeer slecht voor
de lange termijn groei. Hoe hoger de inflatie, hoe meer de spaarders worden gestraft.

Stel dat er onverwachte inflatie is. Dan herverdeelt het, het vermogen.
Voorbeeld:

Sam leent bij de bank 20.000 tegen een rentevoet van 7 %. Hij moet de lening na 10 jaar
terugbetalen met de rente :

Na 1 jaar is de schuld 20.000 x 1,07


Na 2 jaar is de schuld 21.400 x 1,07
Na 10 jaar is de schuld ongeveer

= 21400
=
= 40.000

Wat is de rele waarde van deze schuld?

Onverwachte inflatie: rele waarden van deze schuld daalt


2% inflatie
0% inflatie: kiezen ze niet voor want door de onzekerheid in de monetaire transmissie kan
het dan soms overgaan naar deflatie
- 2%: deflatie:
o Effect 1: mensen zullen wachten van kopen want G&D worden goedkoper
o Effect 2: schulden worden duurder

HS 31: Macro-economie van een open economie: kernbegrippen


Open economie: = een economie die vrije interacties heeft met andere economien in de wereld
Uitvoer en invoer van goederen en diensten, deze worden verkocht aan mensen in het
buitenland (niets te maken met nationaliteit)

Toepassing 1 : Internationale uitwisseling van goederen en diensten


In een open economie heb je twee soorten markten: productmarkt / financile markt
Productenmarkten: Netto-export
Netto-export (NX) = uitvoer invoer
= de waarde van de uitvoer van een land min de waarde van de invoer; wordt ook de handelsbalans
genoemd
Handelsoverschot = de exports is groter dan de import
Handelstekort = de import is groter dan de export
Wanneer de export en de import gelijk is dan spreken we over een gebalanceerde handel.

NX = f (relatieve prijs tussen landen, nominale wisselkoers, overheidsbeleid, relatieve inkomens,
transportkosten) = Rele wisselkoers
Financile markten: Netto uitstroom van kapitaal (NCO)
NCO = de aankopen van buitenlandse activa door ingezetenen van een land min de aankoop van
binnenlandse activa door mensen in het buitenland.
2

soorten financile markten=


- FDI = foreign Direct Investement
Bvb: AB-inbev koopt brouwerij in Polen. Actieve rol
- Foreign portfolio management
bvb: aandelen kopen van poolse brouwerij. Je bent niet in bestuur en je hebt geen
invloed op de prijs of management. Passieve rol.

NCO wordt benvloed door verschillende factoren en stijgt als:

Rele rente op buitenlandse activa stijgt


Rele rente op binnenlandse activa daalt
Risicos van buitenlandse activa daalt
Risicos van binnenlandse activa stijgt

NCO = f(rele rentevoet, economisch en politiek risico, overheidsbeleid,) = f(rele rentevoet)



NCO = NX
Dit klopt altijd!

Sparen en investeringen
o BBP = C + I + G+ NX
Of anders geschreven:
o Y C G = I + NX
Nationaal sparen :
o S = (Y T C) + (T G)
o S = (Y C G)
DUS:
o S = I + NX
En omdat NX = NCO
o S = I + NCO

Dit wil dus zeggen dat men in een open economie twee factoren heeft die het sparen benvloeden:
Investeringen en het netto kapitaal uitstroom.

Toepassing 2: Prijzen in internationale transacties


Nominale wisselkoers
= de koers waartegen je een munt van het ene land kan ruilen tegen de munt van een ander land
Bijvoorbeeld

1 = 120 YEN

Wisselkoers =

e = 120 YEN/

Algemeen kunnen we stellen dat de


nominale wisselkoers =

!!"#!$ !!"!!"!# !"# !"#$%&'(&)*% !"#$


!!"!!"# !"# !"##$%&#'($ !"#$

1. Als je voor een meer YEN kan kopen (vb. 1 = 130 Yen) dan is er sprake van appreciatie
van een euro.
2. Als je voor een minder YEN kan kopen (vb. 1 = 110 YEN) dan is er sprake van depreciatie
van de euro.
3. Als er sprake is van appreciatie voor de ene munt dan is er sowieso sprake van depreciatie
voor de andere munt
Rele wisselkoers
= de koers waartegen je goederen en diensten van het ene land kan ruilen tegen goederen en
diensten van een ander land

1 kg Belgische kaas kost 10


1 kg Franse kaas kost 20
1 kg Belgische kaast kost kg Franse kaas

Rele wisselkoers =

!!"#!$ !"# !"#$%&'(&)*% !"!"


!"# !"##$#%&#'( !"#$

Hier wil dit dus zeggen dat je 2 kg Belgische kaas kan kopen voor 1 kg Franse kaas, dus rele
wisselkoers =
Wat met een vreemde munt?
!"##$%

Om van een Euro naar een dollar te gaan

= euro x

Om van een dollar naar een euro te gaan

= dollar x

Rele wisselkoers =

!"#$%&'(&)*% !"#$%

! ! !
!

!"#$
!"##$%

!"#$%&'( !"##$%&'$(# ! !"##$#%&#'($ !"#$%

!"#$

Toepassing 3: Wat bepaalt de nominale wisselkoers? (PPP)


Basislogica van Power Purchasing Power Parity:
De wet van n prijs
Stel : - 1 kg koffie kost 4 in Brussel

- 1 kg koffie kost 5 in Gent

=> Je kan dus een handel starten en koffie gaan kopen in Brussel en met winst verkopen in Gent.
We gaan er vanuit dat de transportkosten = 0 .

P Brussel stijgt tot dat de prijs in Brussel gelijk is aan de prijs in Gent.
(De prijzen convergeren naar elkaar)

Dit noemt men arbitrage (uitbuiten van prijsverschillen van een identiek product van verschillende
markten) en zorgt voor:
- koffie dezelfde prijs heeft in Gent dan in Brussel (Wet van n prijs)
- Je met 1 evenveel koffie kan kopen in Gent als in Brussel (koopkrachtpariteit)

Nog een voorbeeld: (wet van n prijs)

Belgi: P = 5/kg

Japan: P = 500 Yen/kg


!

Omzetten in euro:

YEN

!"#$
!"#


!"#
!"#$

Euro

Wet van n prijs : arbitrage zorgt ervoor dat P =

!
!


Wisselkoersen veranderen voortdurend met de tijd. Om dit te verklaren gebruiken we de Purchasing
Power Parity (koopkrachtpariteit) : een eenheid van elk munt moet in staat zijn om dezelfde
hoeveelheid goederen en diensten aan te kopen in alle landen.

Implicaties van koopkrachtpariteit


De theorie leidt tot het feit dat de nominale koers tussen munteenheden van 2 landen afhangt van
het prijspeil in deze landen.
Bv. een liter melk = 5 euro = 500 Yen. De nominale koers = 100 Yen voor 1 euro. Is dat niet het geval
dan is de koopkracht verschillend.
Stel dat we een hoeveelheid goederen kopen in buitenland en in binnenland. De binnenlandse
koopkracht van 1 euro is 1/P met P het binnenlandse prijspeil. In het buitenland wisselen 1 euro
tegen e dan is de buitenlandse koopkracht e/P*.
De koopkrachten moeten identiek zijn :
1/P = e/P*
1 = (e P)/P*
Bijgevolg: Is de koopkracht gelijk aan 1 euro dan blijft de rele wisselkoers onveranderd.
Uitleg waarom: Beschouw P en P* als prijsindices:
!

P =

=> Theorie van de nominale wisselkoers

=> Zonder e af dan krijg je => e =

!
!

Implicaties van de koopkrachtpariteit baseert zich op de formule e =

!
!


1. Als p* stijgt => e stijgt ook
bvb. prijzen in Turkije stijgen, apprecieert de (e stijgt) en deprecieert de Turkse lira
(1/e daalt)

2. Beide leden maal
=> e x

!
!

!
!

!
!

=> Rel wisselkoers = 1


! ! !
!

= 1

Dit betekent dus dat de rele wisselkoers op lange termijn in een open economie constant is.
Dus als de P* stijgt dan zal de e ook stijgen.
Voorbeeld: Pension in Turkije is 1000 Lira (100). Dit pension is over tien jaar 30000 Lira. Dit zal dan
nog altijd 100 waard zijn. Dit gebeurt door de depreciatie, hier met een factor 30.

Dus we kunnen stellen dat als de PPP geldt:


1. Nominale wisselkoers = f(relatieve prijsniveau)
2. Rele wisselkoers =

! ! !
!

= 1

3. Vraag en aanbod van geld geeft het prijspeil.


In Japan 2013, M stijgt -> inflatie doen toenemen. Maar de Yen deprecieert
(export zal dus toenemen)
Beperkingen van koopkrachtpariteit
Sommige goederen zijn moeilijk internationaal te verhandelen.
o Een knipbeurt bij de kapper kan je niet zomaar verplaatsen.
o Cement is ook al droog eer dat het in Belgi aankomt.

Ook sommige producten zijn geen gelijkaardige goederen en zijn geen perfecte substituten:
o Audi vs Lexus => Verschil van kwaliteit en voorkeuren.
o In Japan vinden ze Lexus een must-have, in Belgi misschien Audi.












HS 32: Een macro economische theorie v/e open economie


Men bouwt verder op twee veronderstellingen :
1. Output, gemeten door BBP, wordt bepaald door het aanbod van de productiefactoren en
technologie
2. Prijspeil wordt aangepast om een evenwicht tussen vraag en aanbod te brengen
Doel : Krachten bepalen die een invloed hebben op de handelsbalans en de wisselkoers. Voor een
goede toepassing moeten twee markten onderzoeken : markt van leenfondsen en de internationale
markt. Hoe kan dit model handelstekorten terugdringen ?
We willen een breed kader scheppen, die hoogte handelsbalans en wisselkoers bepaald. Hiervoor
gaan we twee financile markten van naderbij bekijken.

Vraag en aanbod naar leenfondsen en internationale munten


De markt van leenfondsen
Aanbod van leenfondsen:

S = Y C G

Als rele rentevoet stijgt dan stijgt de S ook.


-> Beweging langs de curve.
Vraag naar leenfondsen:

I + NCO

Beweging langs de curve als:

Rele rentevoet stijgt -> I daalt


Rele rentevoet stijgt -> NCO daalt

Evenwicht als:
Aanbod van de leenfondsen = vraag naar leenfondsen

S = I + NCO

De rele rentevoet zorgt ervoor dat dit evenwicht wordt gehouden.

Hoge rentevoet : meer sparen => aanbod v. leenfondsen , minder investeren => vraag
Lage rentevoet : minder sparen =>aanbod v. leenfondsen , meer investeren => vraag
Hoge rele rentevoet: NCO stijgt omdat buitenlanders meer aankopen
Lage rele rentevoet : NCO daalt omdat buitenlanders minder aankopen

De wisselmarkt
NCO = positief : buitenland koopt meer dan dat het binnenland bij hen aankoopt. Het binnenland
wendt fondsen aan om buitenlandse goederen aan te kopen.
NCO = negatief: Een handelstekort gefinancierd door de verkoop van binnenlandse goederen. In de
vergelijking vertegenwoordigt het NCO het aanbod ( aankopen = geld omwisselen = aanbod van
lokale () munt op intern. markt verhoogt) en de NX de gevraagde hoeveelheid.
In deze markt zorgt de rele wisselkoers
(relatieve prijs van binnen- en
buitenlandse goederen, bepalen voor NX)
voor een evenwicht tussen vraag en
aanbod.




Netto-uitstroom van kapitaal

= Netto-uitvoer

= Hoeveel s gevraagd op de wisselmarkt
Wel een functie van de rele wisselkoers
Rele wisselkoers stijgt => NX daalt


Hoeveel s aangeboden op de wisselmarkt
Geen functie van de rele wisselkoers


Ons model toont de koppeling tussen:
A. Markt voor leenfondsen:

B. Wisselmarkt:


Via de
C. Netto uitstroom van kapitaal (NCO)

S = I + NCO
NCO = NX

Noot: de NCO toont niet aan hoeveel geld er is.


Evenwicht in een open economie


Link tussen beide markten = Netto uitstroom van kapitaal (NCO)
We bestuderen nu de wisselwerking tussen beide markten. Economen controleren economische
variabelen : S = I + NCO en NX = NCO.
Markt van leenfondsen

Aanbod = Sparen
Vraag = Investeringen & NCO
Evenwicht is bepaald door de rele
rentevoet

Internationale markt

Aanbod = NCO
Vraag = NX
evenwicht is bepaald door de rele
wisselkoers.

Besluit :
NCO verbindt beide markten ( als aanbod en als vraag ). Buitenlandse goederen kopen is lenen op de
markt van de leenfondsen en men moet ook euros beschikken om deze om te wisselen in de lokale
munt. De NCO hangt af van de rele rentevoet:
Rele rentevoet stijgt => NCO daalt

Hoe beleid (overheid) en gebeurtenissen een open economie benvloeden.


Stijging overheidsbestedingen (Budget deficits)


Dus als G stijgt in de vergelijking S = Y C G
Dan zal:
1. Sparen daalt verschuiven naar links
2. Rele rentevoet stijgt
3. NCO daalt: consumenten verminderen hun aankopen van kapitaalgoederen
=> crowding-out effect ( afname van binnenlandse investeringen)
4. Hoeveelheid aangeboden euros op wisselmarkt dalen
5. Rele wisselkoers stijgt (Hogere rentevoet trekt het buitenland aan)
6. Vraag naar NX daalt waardoor aanbod munt daalt =>rele wisselkoers apprecieert
=> import stijgt en export daalt en dus daalt de netto-export
Tweelingstekorten :

- zowel op de overheidsbegroting: T G < 0


- als op de handelsbalans : NX < 0

Effect van handelsprotectie


Het handelsbeleid van de overheid heeft een invloed op de hoeveelheid goederen en diensten die
een land importeert of exporteert. Deze kan verschillende vormen aannemen :

Importtarief : belasting op de gemporteerde goederen


Importquota : beperking op de gemporteerde goederen

Stel: de EU stelt een importquota op de import van Chinese autos (Importquota)


1. De vraag naar euros op de wisselmarkt verschuift naar rechts (stijgt), door de importquota.
2. De rele wisselkoers stijgt (E1 naar E2)
3. NCO en NX blijven ongewijzigd:
o Invoer van textiel daalt wel
o Maar de uitvoer van andere goederen dalen ook met evenveel
4. Maatregelen met rechtstreekse invloed op import en export, hebben geen invloed op NX.
Conclusie : NX = NCO = S I : het handelsbeleid oefent geen invloed op de handelsbalans omdat
zowel de besparingen als de investeringen niet erdoor benvloed worden. De rele wisselkoers past
zich aan om de handelsbalans stationair te houden.
Micro-economische gevolgen :

Maatregelen worden gedreven door belangen van bepaalde ondernemingen, industrien


Handelsbeperkingen verhinderen het voordeel van landen en verminderen dus de
economische welvaart

Effect van politieke instabiliteit en kapitaalvlucht


In 1994, was er een politieke instabiliteit in Mexico. Kapitaalvlucht = een grote en plotse daling van
de vraag naar activa gesitueerd in een land.


1. NCO verschuift naar rechts:
Dit omdat de rest van de wereld zijn Mexicaanse obligaties gaan verkopen en kopen andere
obligaties in E.U. of USA. Daardoor stijgt de NCO1 naar NCO2.
2. De vraag naar leenfondsen verschuift naar rechts. (Vraag naar leenfondsen = I + NCO) De
rele interestvoet stijgt van R1 naar R2. Dit omdat er meer vraag is naar leenfondsen.
3. Aanbod van s op de wisselmarkt verschuift naar rechts. Dit wil dus zeggen dat er veel meer
pesos worden omgeruild tegen US dollar of Euros.
4. De peso al dus depreciren van E1 naar E2.
Conclusie: Politieke onstabiliteit zorgt ervoor dat de rele interestvoet stijgt en dat er veel meer peso
worden omgewisseld naar andere valuta.
In de praktijk wil dit dus zeggen dat op macro-economisch niveau, dat exporteren goedkoper wordt
maar dat importeren duurder wordt. Dit zorgt voor een stijging van NX. Maar tegelijkertijd daalt de
binnenlandse investeringen door een stijging in de interestvoet, wat de economische groei doet
vertragen.

DEEL 12 - Korte termijn Economische schommelingen

Van kwartaal tot kwartaal

Kenmerken van economische schommelingen:

Zijn onregelmatig en onvoorspelbaar


De meeste macro economische variabelen schommelen tegelijk
Als de productie afneemt, neemt de werkloosheid toe

Hoe verschilt de korte termijn van de lange termijn?

Op lange termijn geldt de klassieke theorie:


o Klassieke tweedeling rele en nominale variabelen
o Neutraliteit van het geld: verandering in geldhoeveelheid benvloedt enkel nominale
variabelen
Op korte termijn geldt de klassieke theorie niet:
o Nieuw model nodig om schommelingen op korte termijn te verklaren:
Aggregatieve vraag en aggregatief aanbod

HS 33 Keynes The multiplier effect


Keynes: De AV bespelen om werkloosheid te bestrijden.

Multiplier effect:
= De bijkomende verschuivingen van de aggregatieve vraag die ontstaan doordat een expansief
begrotingsbeleid zorgt voor een stijging van het inkomen waardoor tegelijkertijd de
consumentenuitgaven toenemen.
Zie uitwerking hoofdstuk 35 - Hoe budgettair beleid de AV-curve beinvloedt
Dit omvat de beslissingen inzake de overheidsuitgaven en de belastingen.
Op LT : invloed het sparen, investeringen en groei.
Op KT : invloed de geaggregeerde vraag



HS 34: Aggregatieve vraag en aanbod


De aggregatieve vraag
Definitie = een curve die de hoeveelheid goederen en diensten weergeeft die de huishoudens,
bedrijven en de overheid willen kopen bij ieder prijspeil.


De A.V. baseert zich op :
Y = C + I + G + NX
Bijvoorbeeld in deze grafiek toont men dat een afname van het prijspeil leidt op korte termijn tot een
toename van de gevraagde hoeveelheid g. & d.
Een A.V. verloopt neerwaarts door:
1. Vermogenseffect:
Als de prijs daalt => Dan wordt de waarde van het geld dat mensen aanhouden groter. De
100 in je portemonnee is meer waard. Consumenten voelen zich rijker, dus stijgt de C en ook
de Y.

=>

!
!



2. Rente effect:
=> . & . =>
=>
=> => =>
3. Wisselkoerseffect:
P daalt => De binnenlandse goederen worden goedkoper ten opzichte van de buitenlandse
goederen => Export stijgt, import daalt => NX Stijgt
=> => => => => =>

Uitleg: Binnenlandse (eurozone) overheidsobligaties worden minder aantrekkelijk dan de


buitenlandse (VS) overheidsobligaties. De beleggingsfondsen :

Verkopen binnenlandse overheidsobligaties en ontvangen s


Hebben dan $ nodig om V.S overheidsobligaties te kopen.
Dus ze verkopen de ontvangen op de wisselmarkt om buitenlandse $ te verkrijgen.
De hoeveelheid stijgt en dus deprecieert, met 1 kan je minder dollars kopen dan
voorheen.
Conclusie = import daalt, export stijgt => NX stijgt

De A.V. verschuift door:


Elke gebeurtenis die ertoe leidt dat consumenten meer uitgeven bij een bepaald vast
prijspeil: (C)
o Belastingen
o Aandelenmarkt
o Huizenprijzen (als je een huis bezit)
o Vertrouwen van consumenten
Investeringen (I)
o Toekomstperspectieven
o Centrale bank vergroot/ verminderd de geldhoeveelheid
R daalt voor een gegeven P
R stijgt voor een gegeven P
Overheidsbestedingen (G )
Netto export (NX)
o Economische groei in het buitenland
=> A.V. kan verschuiven door alle schokken en maatregelen in :

C, I, G, NX

De A.V. op de curve :
Alle veranderingen in prijspeil
o Depreciatie van de wisselkoers

Aggregatief aanbod
= een curve die de hoeveelheid goederen en diensten weergeeft die bedrijven willen produceren en
verkopen bij ieder prijspeil.


De productie op lange termijn is verticaal en baseert zich op de functie:

Y = A . f (L, K, H, N)

Y is geen functie van P!
De lange termijn curve kan verschuiven door:
Technologie (A) (internet...)
Arbeid (L)(immigratie, hogere participatiegraad)
Fysiek kapitaal (K) (meer machines)
Menselijk kapitaal (H) (diploma niveau stijgen)
Natuurlijke hulpbronnen (N) (natuurramp)


Dit is een voorbeeldschema van technologische vooruitgang op lange termijn. De overheid wil niet
dat het nieuwe prijs niveau daalt. Dus gaat de centrale Bank de geldvoorraad verhogen waardoor de
A.V.1980 naar A.D.1990 verschuift.

A.A. op korte termijn = positieve helling


P stijgt Y stijgt // P daalt Y daalt
P1 = Pe (verwachting)
Stel dat de CB de geldhoeveelheid onverwachts krimpt zodat het prijspeil op lange termijn
onverwachts daalt: P Daalt => P < Pe


3 theorien:
1. Sticky wage theory(kleverig, stroperige lonen)
=> de nominale lonen (W) passen zich traag aan, deze zijn namelijk nogal plakkerig.
bvb: lange termijncontracten, stel dat je zon contract hebt:
Als P onverwachts daalt -> (rele loon = W/P) stijgt => arbeid wordt duurder
=> minder arbeiders aannemen door de bedrijven dus => Y daalt

2. sticky prices theory(plakkerige, stroperige prijzen)
=> Sommige prijzen passen zich traag aan een verandering van economische voorwaarden.
Bvb: door kosten om prijzen aan te passen (menu kosten). (Ikea verhaal met hun catalogus.
Ze drukken deze catalogus in augustus. Dan zijn hun prijzen relatief duur omdat ze rekening
houden met de veranderingen van P)
Stel dat P onverwachts daalt door het feit dat er minder geld in omloop is (op lange termijn
dalen dan de prijzen) => door de menu kosten verkiezen sommige bedrijven om hun
prijzen niet te laten dalen, sommige prijzen zijn dan hoger dan gewenst op lange termijn. =>
Omzet van sommige bedrijven dalen en dus Y daalt

3. The misperceptions theory (Misvattingen over de relatieve prijzen)
Stel dat de prijzen onverwachts dalen ten opzichte van de verwachtingen => de aanbieder in
een individuele markt (Vb. koekjes) aanzien dit (onterecht) als een daling van de relatieve
prijs van hun goed. De 1ste info die ze krijgt in een bedrijf is over hun eigen goed. => Denk dat
hun goed prijzen daalt ten opzichte van het algemene prijspeil. Dus gaan productie doen
dalen. Maar dit is niet zo want het algemene prijspeil is gedaald. Dus maakt dit bedrijf verlies.

=> Alle drie theorien zijn het er over eens dat: de output afwijkt van zijn natuurlijke rate wanneer
het prijspeil afwijkt van het prijspeil dat mensen verwachten.
In wiskundige vorm kan dit worden geschreven als :
Hoeveelheid aangeboden output = natuurlijke outputniveau + a (Prijspeil verwachte prijspeil)

Y (n) + a (P P(e))

Als P < P(e) dan zal Y < Y (n)


Als P = P(e) dan zal Y = Y (n)
Als P > P(e) dan zal Y > Y (n)
A is een cofficint die weergeeft hoe sterk de output benvloed wordt door onverwachte
veranderingen in het prijsniveau.

Wat doet de A.A. verschuiven op korte termijn?
Wat dat de verschuivingen op de lange termijn veroorzaakt doet ook de korte termijn verschuiven.
-
-

als er n factor in de functie A (K, L, H, N) verandert dan zorgt dit voor een verschuiving.
De verwachtingen doen de het prijspeil veranderen, dus op korte termijn de curve
verschuiven. Uitleg: stel iedereen verwacht dat het algemeen P (prijspeil) stijgt met 10
%. Dus P(e) zal de AA doen verschuiven naar boven.

Alternatieve (wiskundige) uitleg:


Y = Y(n) + a (P-P(e))

P = (p(e) Y(n)/a) + 1/a Y

=> Isoleer P links


=> Dit is de vorm y = ax + b


A is de rico en is 1/a Y. En b is een constante en is (P(e) Y(n)/a)
Als P(e) stijgt dan zal P stijgen, dit duid deze formule aan.
Als P(e) stijgt dan zal de A.A. curve op korte termijn ook verschuiven naar boven.

Twee oorzaken van economische schommelingen


Stel dat we in een lange termijn situatie zijn. Het evenwichtspeil van output en prijs wordt bepaald
door het snijpunt van de geaggregeerde vraag en het LT geaggregeerde aanbod. Dit punt is het
natuurlijk outputniveau. Lonen, prijzen en percepties hebben zich aangepast aan het LT evenwicht
dus snijdt in dit punt ook het KT geaggregeerde aanbod.
1. De gevolgen van een verschuiving van de geaggregeerde vraag
A.V. verschuift naar links (bvb: economisch pessimisme bvb: 2008: bankencrisis)
=> Y zal dalen en P op K.T. daalt


Na verloop van tijd zullen de mensen hun verwachtingen aanpassen aan het prijspeil. En zal P(e)
dalen. AA verschuift naar onder en Y zal terug stijgen tot Y (n). Dan zal men zich in punt C bevinden.
Dit heeft als effect dat we van punt A naar punt C zijn verandert en dus een lager prijs hebben
(P1 tot P3).
Dus wordt een verschuiving van de vraag op LT opgevangen door een verandering van het prijspeil
(niet van de output) = nominale verandering.
Conclusie :
- Korte termijn : output verandert
- Lange termijn : prijspeil verandert en de output blijft gelijk

2. De gevolgen van een verschuiving van het geaggregeerde aanbod


Stel dat de productiekosten opeens fel stijgen (vb. 1974 OPEC, waar dat de prijs van olie sterk steeg)
A.A. verschuift naar links dit omdat de output van Y1 naar Y2 verschuift.
Y daalt en de prijzen zullen op K.T. stijgen.

Stel oplossing 1: De overheid doet niets.
Dan zal er hoge cyclische werkloosheid zijn want de nominale lonen (W) dalen.
=> Op K.T. A.A. verschuift naar boven tot dat Y gestegen is tot Y (2)
Op lange termijn zal de economie terug verschuiven naar punt A.


Stel oplossing 2: Beleidsmakers doen de A.V. naar rechts verschuiven door M (de geldvoorraad) te
doen stijgen of G te doen stijgen.
=> Y zal stijgen tot Y = Y(n) maar de prijzen stijgen dubbel zoveel.

De verschuiving van de KT aanbodscurve veroorzaakt stagflatie (dalende output en stijging van het
prijspeil) Net zoals bij de vraag zullen de lonen, prijzen en perceptie zich aan de zware kosten
aanpassen en dus dalen. Bijgevolg kan er meer aangeboden worden, dus verschuift de aanbodscurve
naar rechts en men het natuurlijk output weer verkrijgt.
D.m.v. een fiscale en monetair politiek kan men ook de vraagcurve doen verschuiven om het
natuurlijk outputniveau te bereiken. Men zegt dan dat de beleidsmakers de verschuiving van de
aanbodscurve accommoderen omdat ze toelaten de kostenstijging een blijvend effect hebben op het
prijspeil.
Conclusie : - Beide methodes : Prijspeil => gestegen




Output => gelijk

- verschuiving van het aanbod veroorzaakt een stagflatie
- Beleidsmakers kunnen recessie en inflatie omkeren

HS 35: Hoe monetair beleid en begrotingsbeleid de aggregatieve vraag


benvloeden
Hoe monetair beleid de aggratieve vraag benvloedt
De liquiditeitsvoorkeurstheorie ( verklaart KT schommelingen)
We bekijken hier een markt waarop de verwachte inflatie = 0, Dus geen verschil tussen nominale en
rele interestvoet.
1. Het geldaanbod
De ECB regelt het geldaanbod d.m.v. open-markt transacties. Als ze overheidseffecten aankoopt die
door de handelsbanken worden gehouden, stijgt hun reserves waardoor de geldcreatie belet wordt.
Welk invloed heeft dit nu op het geldaanbod? Het geldaanbod wordt enkel en alleen door de ECB
bepaalt en vertoont dus een dalende rechte t.a.v. de rentevoet.
2. De geldvraag
De liquiditeit ( geeft aan met welk gemak een actief in cash geld kan worden omgezet) bepaalt de
vraag naar geld : mensen houden cash omdat ze ermee goederen kunnen kopen. De rentevoet is de
belangrijkste factor die de vraag naar geld benvloedt : rentevoet = opportuniteitskost om geld bij te
houden, verhoogt de rentevoet dan verhoogt ook de opportuniteitskost en vermindert de vraag =>
curve is neg. hellend. Omgekeerd : vraag stijgt.
3. Evenwicht op de geldmarkt
De rentevoet ligt waar vraag en aanbod elkaar snijden = evenwichtsrentevoet.
1 ) Stel dat de rentevoet boven het evenwicht zit in R1 > evenwicht. De mensen willen een lagere
hoeveelheid aanhouden dan de ECB eigenlijk zou willen. (M1 < evenwicht) Dit leidt tot overschotten
op de markt, die de mensen zullen hun geld kwijtschelden door obligaties te kopen of op hun
rekening te zetten. (Beweging langs de MD curve) Omdat ondernemingen tegen lage rentevoeten
willen uitkeren zal het overschot de rentevoet doen dalen. Het rendement van de obligaties daalt
door de daling van de nominale koersen omdat de verhouding tussen het coupon en de marktwaarde
gedaald is. Wegens deze twee dalingen zullen de mensen de hoeveelheid verbruiken die de ECB wilt
(de evenwicht). Dus zal de men langs de curve verschuiven tot dat MD = MS en R1 = R evenwicht

2 ) Omgekeerd als de interestvoet zich in R2 bevindt dan zullen de mensen meer cash willen
aanhouden wegens een lage rentevoet en zullen de obligatiehouders hun rentevoeten moeten
verhogen om beleggers aan te trekken. Het rendement en de rentevoet stijgen, aldus komt men
weer in het evenwicht.


Waarom de A.V. neerwaarts verloopt: rente effect


Als de prijs van P1 naar P2 stijgt. Dan zal er in de monetaire markt zich een verschuiving van de curve
plaatsvinden.

De hoeveelheid gevraagde geld stijgt (MD verschuift van MD1 naar MD2)
R1 verschuift naar R2 dus de rentevoet is hoger
De hoeveelheid gevraagde goederen Y daalt. (Y1 naar Y2)
A.V. verloopt neerwaarts omdat er een negatief verband is tussen prijspeil en de vraag naar
goederen en diensten.

Samengevat geeft dit:


1. Een hoger prijsniveau vergroot de vraag naar geld
2. Een grotere vraag naar geld lijdt tot een hoger interestvoet
3. Een hogere interestvoet lijdt tot minder vraag naar goederen en diensten

Veranderingen in het aanbod van geld


Verschuivingen van de curve a.d.h.v. de liquiditeitstheorie.
Monetair politiek op KT => wanneer de CB het geldaanbod verhoogt.
=> aanbodscurve op de geldmarkt naar rechts verschuift (MS1 naar MS2)
=> de rentevoet daalt (R1 -> R2)
=> betekent minder sparen en meer investeren en consumeren
=> de A.V. naar rechts verschuift . (Y1 -> Y2)


De rol van rentevoet-doelstellingen van de centrale bank
In de praktijk gaat de CB zich eerder richten op de rentevoet dan op het geldaanbod omdat zij deze
niet nauwkeurig kan bepalen. Bijgevolg zullen veranderingen in monetaire politiek die erop gericht
zijn de geaggregeerde vraag te doen... :
-
-

...toenemen, gepaard gaan met ofwel een vh. geldaanbod ofwel een vd. rentevoet
... afnemen, gepaard gaan met ofwel een vh. geldaanbod ofwel een vd. Rentevoet

Hoe budgettair beleid de AV-curve beinvloedt


Dit omvat de beslissingen inzake de overheidsuitgaven en de belastingen.
Op LT : invloed het sparen, investeringen en groei.
Op KT : invloed de geaggregeerde vraag.
Veranderingen in overheidsuitgaven
Stel: Belgische overheid koopt voor 10 miljoen aan spoorweginfrastructuur bij een Belgisch bedrijf.
Invloed => G stijgt met 10 miljoen.


=> A.V. Schuift naar rechts maar er zijn twee bijkomende effecten:
1. Multiplier effect: verschuift A.V. curve verder naar rechts.
2. Crowding out: verschuift de A.V. terug naar links.
Multiplier effect:
Marginale neiging om te consumeren (MNC) = het gedeelte van een extra inkomen dat de
huishoudens consumeren.
Stel hier dat MNC = 0,75
G = 10 miljoen
Eigenaars en arbeiders van het Belgisch spoorweginfrastructuur bedrijf verdienen 10 miljoen meer
en besteden hiervan:
10 milj x 0,75 = 7,5 milj. = C1
Eigenaars en arbeiders van deze consumptiebedrijven verdienen 10 miljoen meer en besteden
hiervan:
7,5 milj x 0,75 = 5,6 milj = C2
. .

Met hoeveel neemt de totale vraag naar goederen en diensten (Y) toe?

= 10 miljoen

C1 = 10 miljoen x MNC

C2

C3 = 10 miljoen x MNC

= 10 miljoen x MNC

= Y (volledige schok) = 10 miljoen x (1 + MNC + MNC + MNC + )


Meetkundige reeks =

Bestedingsmultiplier = 1 + MNC +MNC + MNC + =


Voor MNC = 0,75 is de bestedingsmultiplier

!
!!!,!"

!
!!!"#

= 4

Dus Y = 40 miljoen
Veralgemenend kunnen we stellen:
Y = C + I +G + NX
=> Het multiplier effect werkt als de A.V. verschuift door een toenamen van C, G, I of NX.
Hoe hoger de MNC is, hoe grote het effect is op de consumptie en hoe hoger de multiplicator is.
Crowding out effect
Eigenaars en arbeiders van het Belgisch spoorweginfrastructuurbedrijf verdienen 10 miljoen meer
=> Y stijgt

1. Wanneer overheid 10 miljoen in de economie in pompt


=> AD1 naar AD2
2. Dit zorgt ervoor dat op de geldmarkt op korte termijn stijgt
=> MD1 naar MD2 verschuift.
3. Wat ervoor zorgt dat de rentevoet stijgt
=> R1 naar R2
4. Wat de investeringen doen dalen
=> A.V. verschuift naar links omdat er minder G&D worden gevraagd (aangekocht) en er
meer gespaard wordt.
Welk effect is het grootst?
=> Economen zijn het hieromtrent oneens:
Bestedingsmultiplicator ligt tussen 0 en 1,6
Studie in de E.U. : stelt dat de bestedingsmultiplier = 0,74 (1 jaar na G)
Conclusie: Wanneer de overheid de uitgaven doet stijgen met 10 miljoen, aggregatieve vraag zal
stijgen met meer of minder dan 10, afhangend van de grootte van de multiplier of het crowding-
out effect
Overheid wijzigt de belastingen
bvb. De overheid verlaagt de belastingen met 10 miljoen. (of geeft een subsidie van 10 miljoen)
Hier is de eerste stap anders:
C1 = 10 miljoen x MNC
C1

= 10 miljoen x MNC

C2 = 10 miljoen x MNC

C3 = 10 miljoen x MNC

= Y (volledige schok) = 10 miljoen x MNC (1 + MNC + MNC + MNC + )


Meetkundige reeks =

Belastingsmultiplier = MNC x (1 + MNC +MNC + MNC + ) =


Voor MNC = 0,75 is de belastingsmultiplier

!,!"
!!!,!"

= 3

=> De belastingsmultiplier < bestedingsmultiplicator


=> Daarom verkiezen de meesten overheden de bestedingsmultiplicator, deze brengt meer op voor
een economie. Studie van de E.U. => Belasting multiplicator = 0,49 (1 jaar na T)

Beleid om de economie te stabiliseren


Na verloop van tijd zal de recessie van zelf overgaan, volgens klassieke economen. Men vertrekt van
punt A, gaat naar punt B door de recessie en de economie geraakt er terug boven op in punt C.

Argument voor actief stabilisatiebeleid :
Golven van pessimisme of optimisme (animal spirits) benvloeden de aggregatieve vraag. Dus
waarom wachten? Door actie te nemen kan men sneller uit de recessie komen.
Argument tegenactief stabilisatiebeleid:
Economisten beweren dat de regering deze instrumenten enkel mag gebruiken om LT doelstellingen
te bereiken en voor de KT moet de economie ze zelf verwerken. Het belangrijkste argument zijn de
vertragingen (time lags). Beleid werkt met vertraging (van 6 maanden en meer) in op de
bestedingen, en de overheid kan de economie niet voorspellen. Dus het kan goed zijn dat we over de
6 maanden terug uit de recessie zijn geraakt. Of dat juist een monetair of budgettair beleid een
recessie veroorzaakt.
Automatische stabilisatoren
= Wanneer een daling van de A.V. curve automatisch leidt tot een begrotingsbeleid dat de vraag
stimuleert.
=> Dit is in het geval als de Netto- belastingen (T) stijgen als het inkomen stijgt:
(T = belastingen overdrachten) --- bvb. t = 0, 3 en MNC = 0,75
Stel dat pessimisme doet C dalen met 1 miljoen. Met hoeveel schuift A.V. naar links?

Wel rekeninghouden met belastingen


C1 = - 1 miljoen
C2 = ?

Y (inkomen)

= - 1 miljoen maar :

T (belastingen)

= 0,3 x ( -1 milj.) = - 0,3 miljoen

Dit gebeurt automatisch

(Y T) (beschikbaar inkomen) = - 1 miljoen (- 0,3 miljoen)

C2 = 0,75 x (- 0,7 milj. ) = - 0,525 miljoen


Algemeen kunnen we stellen:
C2 = MNC x

(1-T) x

C1

C3 = MNC x

(1-T) x

C1

Y = C1 x

!!!"# (!!!)

(Bestedingsmultiplicator)

Voor T = 0,3 en MNC = 0,75 => bestedingsmultiplicator = 2,1





= -0,7 miljoen

HS 38: Gemeenschappelijke munt


1990: velen beslisten om munt te laten vallen en aan te sluiten bij EMU (=Europese Economische en
Monetaire Unie) = de Europese muntunie die de euro als gemeenschappelijke munt heeft
aangenomen.
Muntunie of gemeenschappelijke muntzone of monetaire unie = een geografisch gebied waarbinnen
n enkele munt als ruilmiddel fungeert.

De EURO
17 vd 27 EU-landen gebruiken de Euro (invoering in 1999) ontstaan: 1992: Verdrag van Maastricht
Criteria om deel te nemen aan de euro:
o Begrotingstekort van minder dan 3% vh BBP.
o

Overheid schuld-BBP ratio van minder dan 60%

Lage inflatie

Intrestvoet dicht bij EU gemiddelde

De Europese interne markt en de Euro


Als er een gemeenschappelijk munt is zal er minder oorlog zijn (beweren Frankrijk en Duitsland)
Economische integratie Groter sociaal en politiek evenwicht
Ontstaan EU (Europese unie) = een familie van democratische Europese landen toegewijd om
samen te werken voor vrede en welvaart.
Creren Europese eenheidsmarkt (SEM= Single European Market)
= de (vooralsnog onvoltooide) markt waarin arbeid, kapitaal, goederen en diensten vrij
kunnen bewegen in de Europese Unie.
Ze kunnen samenwerken + efficintie stijgt Schaalvoordelen bereiken
o Gezinnen genieten van lagere prijzen, grotere keuze van G&D, jobopportuniteiten
over een groot gebied

Economie in het algemeen: stijging economische groei

Na 20 jaar (vanaf Single European Act) is SEM nog altijd niet volledig. Er zijn nog verschillen in
nationale fiscale systemen, academische en professionele kwalificaties zijn niet gemakkelijk
transfereerbaar en arbeidsmobiliteit tussen de EE-landen is laag.
Redenen: taal barrires, niveau van economische ontwikkeling (eigen belang groter dan EU en ze
blijven met elkaar concurreren)
Voor EMU participeerde de meeste EU-landen in de ERM (Exchange Rate Mechanism) = systeem
ontworpen om de variabiliteit van de wisselkoersen tussen de valuta's van leden te beperken
!! echter, het ERM bleek op niet haalbare manier de volatiliteit in de wisselkoers te verminderen en
had geen effect op de transactiekosten die voortvloeien uit bankkosten in verband met het
veranderen van valuta's bij intra-EU-handel

Gemeenschappelijke munt: Baten en Kosten


Baten van een gemeenschappelijke munt
1. Transactiekosten dalen
Het betalen voor geld in te wisselen = deidweight loss: bank kreeg wel comissie om mensen
te betalen die in wisselkantoor werkten, maar deze mensen kunnen nu worden productiever
worden ingezet.
2. Prijsdiscriminatie daalt
Prijsdiscriminatie veroorzaakt deadweight loss. Zou je speciaal naar ander land gaan voor
kruidenierswaren? Voor elektrische machines? niet zo slim want wat als het stuk is of
andere plug, ? Bij eengemaakte munt: gemakkelijker op prijzen te vergelijken.
3. Wisselkoersvariabiliteit daalt
Bijvoorbeeld: een Duitse supermarkt koopt wijn in Frankrijk: stel: hij wordt pas na drie
maanden geleverd, dan moeten ze uitrekenen hoeveel de wisselkoers nu bedraagt etc.
Wisselkoers verwisselt van dag tot dag. Er bestaat onzekerheid en er zal minder
internationale handel zijn
DUS ngemaakte munt is een goede oplossing Internationale handel Investeringen stijgen
economische groei
Kosten van een gemeenschappelijke munt
Eigen munt opgeven = vrijheid verliezen van monetair beleid en de mogelijkheid om macro-
economische aanpassingen te doen door bewegingen in de externe waarde van de munt
Verlies van wisselkoers en monetair beleid als stabilisatie-instrument voor afzonderlijke landen
Voorbeeld: consumentenvoorkeur verschuift van Griekse naar Duitse goederen (afbeelding 18.1)
Griekse Drachme deprecieert, Duitse Mark apprecieert. De Griekse Centrale bank kan :
Geldhoeveelheid GR laten stijgen Stabiliseert AV-curve GR
Duitse CB laat geldhoeveelheid DEU dalen Stabiliseert de AV-curve DEU
Niet mogelijk als beide landen de euro gebruiken!
ECB zal niet in staat zijn om beide landen blij te maken: het zal intrestvoeten hoger maken dan
Griekenland wilt en lager dan Duitsland wilt. ECB: inflatiestrategie: inflatiepercentage is gebaseerd op
CPI (Consumer price index) geconstrueerd als een gemiddelde tussen het eurogebied.

Indien inflatiepercentage onder het gemiddelde ligt vh eurogebied, zal ECBs monetair
beleid te strak zijn voor dat land
Indien inflatiepercentage over het gemiddelde vh eurogebied ligt, zal ECBs beleid te los
zijn.

Voor al deze redenen is het behoren tot Eurozone enkel weggelegd voor landen waarbij inflatie
en intrestvoet dicht bij EU gemiddelde ligt.

Samenvatting: is Europa een optimale muntunie?


Geen sluitend antwoord op deze vraag.
-

vele Europese landen hebben een hoge graad van intra-unie handel en hebben een
economische cyclus die min of meer is gesynchroniseerd

arbeidsmobiliteit en loonflexibiliteit is laag in Europa

euro doet financile marktintegratie stijgen, vooral in groothandel financile markten,


kleinhandel financile markten blijven op nationaal niveau.


17 van de 27 landen in de E.U. heeft de .
Voordelen:

Transactiekosten dalen. Er moet niet meer van munt gewisseld worden.


Makkelijke om prijzen te vergelijken tussen de verschillende landen.
Wisselkoers variabiliteit daalt => Internationale handel tussen euro landen stijgen.

Kosten:
1. n monetair beleid:
=> Verlies van wisselkoers en monetaire beleid als stabilisatie instrument voor afzonderlijke
landen.
bvb. Consumentenvoorkeur verschuift van Griekse naar Duitse goederen.

=> Griekse drachme deprecieert, Duitse mark apprecieert => Stabiliseert zichzelf maar nu
met de kan dat niet meer. Nu gaan de prijzen dalen.

2. Griekse CB kan M doen laten stijgen in Griekenland en dat stabiliseert de A.V. van
Griekenland. Nu kan dit ook niet meer want de ECB werkt met s.

=> Nu ontbreken we eigenlijk aan tools om invloed te beoefenen op schokken. Nu moeten


we terugvallen op automatische stabilisatoren.