Vous êtes sur la page 1sur 3

Naomi Wijnen, S1390422

13/04/2016

Assignement 9
Posel, D. (2001) Race as Common Sense: Racial Classification in Twentieth-Century South
Africa African Studies Review 44-2: 87-113.
Haar artikel is eigenlijk een analyse van overheidspraktijken met betrekking tot raciale
classificatie en haar epistemologische fundering hiervan in Zuid-Afrika in de twintigste eeuw.
Poser toont in haar artikel hoe de raciale categorien tijdens de Apartheid werden gebruikt als
instrument van controle en toezicht door de staat gedreven door ideen van alwetendheid en
almacht. De makers van deze raciale classificatie erkenden dat deze categorien sociale
constructies waren (Poser 2001: 87). Dit systeem was onderscheidend, doordat inwoners van
Zuid-Afrika zich moesten registreren als een lid van een bepaald ras. Afkomst had met
betrekking hierop een kleine bijdrage, totdat later de wetten nadrukkelijker werden hervormd
om de raciale zuiverheid te kunnen waarborgen, met name van het witte ras. Verschillende
instituten en wetten zorgden voor de uitwerking hiervan. Zo maakte het Departement van
Native Affairs onderscheid tussen blanken, kleurlingen en natives. Doordat het classificeren
van mensen vanuit de staat werd gereguleerd, werd het voor de bevolking een common
sense, een manier van begrijpen en verklaren en wordt gevestigd in het menselijke onbewust
zijn. Onze verwachtingen worden hierdoor geleid (Poser 2001).
It has shown how apartheid racial categories-drawing heavily on those enacted by the
segregationist state-were wielded as instruments of sur- veillance and control by a state
animated by fantasies of omniscience as much as omnipotence. The architects of apartheid
racial classification policies recognized explicitly that racial categories were constructs,
rather than descriptions of real essences-a version of the idea of race which con- tributed
directly to the enormous powers wielded by racial classifiers (Poser 2001: 109).
Star, S.L. (1999) The Ethnography of Infrastructure American Behavioral Scientist 43: 377391.
In haar artikel vraagt Star methodologische vragen over het bestuderen van infrastructuur met
een paar instrumenten en perspectieven van etnografie. Hieruit concludeert ze dat
infrastructuren ecologisch en relationeel zijn, zo geven verschillende groepen mensen er
verschillende betekenissen aan en zijn infrastructuren deel van de balans van handelingen,
instrumenten en gebouwde omgeving, niet te scheiden hiervan. Obstakels die ze is

tegengekomen tijdens het onderzoeken van infrastructuren is het vergroten van traditionele
etnografische plaatsen, hoe om te gaan met grote hoeveelheden van data en op wat voor
manier je de wisselwerking tussen online en offline gedrag moest begrijpen. Hierbij creerde
ze bepaalde manieren, waaronder het ontwerp van de infrastructuur te bestuderen, de
paradoxen van infrastructuren proberen te begrijpen als mede transparant mede onduidelijk,
het bijvoegen van niet zichtbaar werk in de ecologische analyse en het vaststellen van
epistemologische status van indicatoren (Star 1999: 377). Voorbeeld van een vraag die ze
stelde: Wanneer is een infrastructuur af en hoe kan je dit weten? (Star 1999: 379).
In information infrastructure, every conceivable form of variation in practice, culture, and
norm is inscribed at the deepest levels of design. Applying the insights, methods, and
perspectives of ethnography to this class of issues is a terrifying and delightful challenge for
what some would call the information age (Star 1999: 389).
Fox Keller, E. (1999) The Gender/Science System in: Biagioli, M. (ed) (1999) The Science
Studies Reader New York/London, Routledge: 234-242.
Volgens Keller het meest kritische probleem waar de feministische mee geconfronteerd
worden is de betekenis van gender en de relatie die gender heeft met aan de ene kant
betrekking tot biologische sekse en zijn plaats met betrekking tot de sociale tellers van
verschil (ras, klasse, etniciteit etc.) en aan de andere kant zijn relatie tussen seks, gender en
verschil in het algemeen. Keller is van mening dat het meest kritische probleem waar
wetenschappelijke studies tegenaan lopen, de betekenis die aan wetenschap wordt gegeven is
en haar relatie tussen natuur, wetenschap en interesses in het algemeen. Doel van haar artikel
is als eerste om een paar belangrijke paralellen te identificeren, zelfs een structurele
homologie tussen deze twee vragen en als tweede te suggereren dat een exploratie van deze
homologie (met de factoren die verantwoordelijk zijn voor het behoud ervan) ons kan
voorzien van handige richtlijnen in pogingen om deze problemen te adresseren. De drie
parelellen die meteen gedentificeerd kunnen worden zijn: historische, epistemologische en
politieke (Keller 1999: 234). Het is niet biologisch om te denken in verschillen en
gelijkenissen (dus het categoriseren op deze manier), maar dit is dus een politiek van
machtsstructuren. Mcclintock heeft de Nobelprijs gewonnen, hierdoor heeft ze dus
wetenschappelijke autoriteit gewonnen, maar tevens is ze een feminist, hierdoor komt ze vast
te zitten tussen twee machten terecht, die van het feminisme en die van de wetenschap.
Doordat er politieke structuren zijn, is er een belang om de ander uit te sluiten waardoor er
dus een conflict is tussen ons en hen in plaats van een verschil kunnen zijn zonder dat er

gelijk een hirarchie is. Het bestaan van verschillen wordt een wedstrijd, doordat er een
waarde wordt gehecht aan het bestaan van een verschil en door de positie die iemand heeft tot
de axis van macht. Het idee van dualiteit en universaliteit, het wij/zij denken wordt
gestructureerd en toegepast door politieke machtsstructuren (Keller 1999: 239).
Our success in maintaining awareness of the bipolar and dialectical influences of both
nature and culture on the categories of gender and science may well in the end depend on the
adequacy of our analysis of the nature of the forces that work against such an awareness. If
these forces do in fact derive from an underlying contest of power, as the story narrated here
suggests, then the most central issue at hand is the relation between gender, science, and
power above all, the uses of particular constructions of gender and science in structuring
our conceptual and political landscape of power (Keller 1999: 242).