Vous êtes sur la page 1sur 32

~

~ *"??"'

\.
!

ANGELSAKSISCHE MUNTEN

11v 1866

GEVONDEN IN

FRIESLAND,

BESGHREVEN EN HISTORISGH TOEGELIGHT.

(NIET m mm HANDEL.)

-"<.>.<_

l m""
\
l

%g\\KLlJz-..

BIBLIO.
l

na"

m LEEUWARDEN, m:
W.

E E K II (I F F.
1866.

ANGELSAKSISCHE MUNTEN ,

GEVONDEN IN

FRIESLAND.

De Munt- en Penningkunde is meermalen eene schoone


vereeniging genoemd der beoefening van Wetenschap en
Kunst. Terwl de laatste ons hij de verschillende vormen
en trappen van den kunstsmaak der volken van vroeger en
later tijd bepaalt, zien w ons door de eerste het leven

der geschiedenis ontsloten en de hoofdgebeurtenissen der


wereld als voor oogen gesteld. De Oudbeidkunde biedt
haar de hand, om lang verholen bronnen te ontsluiten en
licht te verspreiden over onderscheidene toestanden van het

volksleven.

Den schat van munten en penningen, welke uit

den voortijd was overgebleven, wist deze te vermeerderen


met talrijke en soms nog weinig bekende voorwerpen, welke,

ook in ons vaderland, meest bij toevallige vergravingen van


den bodem, werden gevonden, inzonderheid uit het weinig
bekende tijkvak vr dat hier eigene munt werd geslagen.
Zij leverden de bewijzen op van de vreemde volken, welke
hier eenmaal vertoefden, of met welke onze vaderen han

delsverkeer hadden. Zij bevestigden de geschiedverhalen en


gaven ruime stof tot nasporing omtrent de bijzonderheden
van het volksleven in vroegere eeuwen.
1

ANGELSAKSISCIIE MUNTEN ,

De munten en gedenkpenningen door mij gedurende de


laatste veertig jaren beengehragt en welke ik steeds met veel
lust zoek te vermeerderen, hadden van tijd tot tijd daaraan

verscheidene aanwinsten te danken. Maar geene was in getal


en zeldzaamheid van voorwerpen zoo belangrijk als die ,
welke ik in dit najaar ontving en waarvan ik het volgende
verslag wil mededeelen, in het vertrouwen, dat dit den be
oefenaars van de Munt- en Penningkunde welgevallig zal zijn.

Bij het afgraven van eene terp op de Zuider-Meden, be


hoorende bij de zathe of boerderij, genaamd Memerda-state,

gelegen op een half uur afstands ten zuid-oosten van het


aanzienlijk dorp Hallum (gemeente Ferwerderadeel, twee uren
ten noorden van Leeuwarden), werd op den 15 September
1866, door den arbeider Jan KLAZEs Baxxnn, op vijf voeten
diepte gevonden en opgegraven een pot of urn, van grove
aarde gebakken of in de zon gedroogd , rood grijs van kleur,
zonder eenig versiersel of glazuur, van ronden vorm, ruw

en grof van bewerking.


Doordien zij vele jaren bedolven is geweest, heeft zij door

de vochtigheid van den grond hier en daar zwarte vlekken


en hierdoor een gemarmerd aanzien bekomen. Zij is hoog
12 duim, wijd bij de opening 10 duim, in het midden 15
duim, beneden bolrond en onbeschadigd. Zie de verkleinde

afbeelding op bijgevoegde Plaat II.


Deze pot of urn werd gevonden met het opene naar be
neden, geheel gevuld met aarde, waar tusschen zich een

aantal zilveren muntjes bevonden, die allen zwart begroeid


en onkennelijk waren. Na met zorg te zijn schoon gemaakt,
bleek het, dat allen, geene uitgezonderd, fraaije, zuivere

en scherpe exemplaren waren, die door ouderdom, slijting


als anderzins niets geleden hadden.
Het getal dier stukken, in mijn bezit gekomen, bedraagt
225, van welke ik 51 onderscheidene typen naauwkeurig

heb doen afteekenen en in plaat brengen, ten einde afdrukken

._

-_

GEVONDEN m FRIESLAND.

daarvan den beoefenaars der numismatiek te kunnen aan


bieden.

Deze stukken zijn verdeeld als volgt:


van Plaat I, No. 1, 140 ex.

Plaat II, No. 15,

1 ex.

2,

10

16,

5,

17,

4,

18,

5,

19,

6,
7,
8,
9,

15
2
2
1

v
v

20,
21,
22,
25,

1
1
1
1

10,

24,

11,
12,

1
1

"

25,
26,

2
l

15,

27, 1

14,

28, 1
29, 1
50, 1
51, 20

Om de waarde van deze zeldzame en mij vroeger nooit voor


gekomene munten zoowel als hare herkomst te leeren kennen,

was natuurlijk de eerste vraag, in hoeverre zij bij anderen


bekend en elders voorhanden en beschreven waren. In de

eerste plaats vond ik daarvan geen ander spoor dan in de


Verhandeling over de bij Domburg gevondene Munten, door

Jhr. C. A. Bnrnxan MAcAR in 1858 te Middelburg uitgegeven


waarop h in 1856 eene nog uitvoeriger Tweede Verhandeling
deed volgen, geplaatst in het Archief van het Zeeuwsch

Genootschap der wetenschappen.

Onder de talrijke Romein

sche, Frankische, Brittannische en andere Munten, sedert

1647 op de noordwestkust van Walcheren in de duinen


en op het strand gevonden en daarbij afgebeeld, bevinden
zich toch verscheidene, welke met de nu in Friesland gevon
1'

- -I\<

ANGELSAKSISCHE MUNTEN ,

dene veel overeenkomst hebben, zoo als ik bij de hierna


volgende beschrijving nader zal aanwijzen.
Terwl ik met dit onderzoek bezig was, trad gelukkig
het laatste deel van het voortreffelijke werk van Prof P. O.
van man Guus in het licht, bevattende de Munten der Fran

kische- en Dutsch-Nederlandsche Vorsten.

Met genoegen vond

ik daarin verscheidene mijner munten , en ook die van MAGAB,


beschreven en afgebeeld, zoo als nu zal blijken.

No. 1, 2, 5 en 4 van mijne Plaat I met No. 50 en 51


van Plaat II, die allen tot de zelfde soort hehooren, komen

overeen met die van Plaat IV, No. 29, 50, 51 en 52 hij

van nan Guus. Verschillende guren en gebogen lijnen schijnen


op de voorzijde een menschelijk hoofd, van voren gezien,
voor te stellen. Even als sommige der volgenden onder
scheiden zij zich onderling door bolletjes of punten en kruisjes
van verschillenden vorm, hetz regtof schuins geplaatst,
hetzij met spitse of ronde punten, hetz met een stip of
rondje in het midden. Even vreemd is de keerzijde, die,
zoo men wil, een paard of ander beest zou moeten verbeelden ,

hoewel de meeste exemplaren zeer verschillend van uitdruk

king zijn. Daar zelden de een aan de ander gelijk is, moet
men tot het slaan van deze; munten zeker een aantal stempels
gebruikt hebben.
No. 1 heeft 8 stralen aan het hoofd boven de kruisjes en
5 daaronder, die waarschijnlijk den baard moeten aan
duiden.
"
No. 2. Ofschoon ik hiervan een aantal exemplaren heb,
die (met het verschil b No. 1 vermeld) maar 2 strepen

voor aanduiding van den haard hebben, zoo heeft dit stukje
slechts 5 strepen boven de kruisjes; al de anderen hebben
4.

Het is iets grooter, maar ruwer bewerkt.


No. 5 verschilt met de vorigen daarin, dat aan de strepen
rondom het hoofd bolletjes zigtbaar zijn, dat mond en kin

zijn afgeteekend en de vorm van den baard duidelijker is.

GEVONDEN IN FRIESLAND.

p de tegenzijde is het oog van het beest ook duidelijk te


zien.

Het heeft veel overeenkomst met

No. i , zonder bolletjes aan het eind der strepen en een

anderen vorm van den baard, maar op de keerzijde het beest


weder met een oog. De beide keerzijden van No. 5 en 4
zijn links en regts. Deze fraaije stukjes onderscheiden zich
door eene meer jne of kunstiger gravure der stempels.
Maar al de stukken onder No. 1, 2 , 5, 4, 50 en 51 voorkomende

en welker getal 175 bedraagt, hebben het aanzien dat zij

besnoeid zijn, of liever, datbet stukje zilver voor den stempel


te klein was.

Betrekkelijk de beteekenis van het hoofd, dat, zoo men


wil, den God Wonnn zou verbeelden, zoowel als de eerbied,

dien men het paard toekende, neem ik de vrijheid te verwijzen

naar het aangehaalde werk van Prof. van nnn Guus, hladz.
56 en vervolgens.

No. 5 en 6 behooren tot de zelfde soort.

Ze zijn iets

grooter, maar ook dunner dan de anderen, en hebben een

zeshoek, twee triangels, of liever het Sigillum Davidis, op de


eene zijde, met een kruisje in het midden en stippen of bol

letjes in de zeshoeken.

De voorzijde heeft twee kruisjes boven

elkander en streepjes (misschien letters) om den rand en


eenige stippen. Opmerkelk is het ten aanzien van deze

24 exemplaren, dat er geen twee aan elkander gelijk zijn.


Zij verschillen allen, zoowel door de plaatsing, schuins of
regts, en den vorm der kruisjes, als door het getal bolletjes

op de voorzijde, alsmede door het getal op de tegenzij ,


waarvan sommige stukken een, twee, drie tot zes hebben,

maar die dan nog in de onderscheidene gedeelten van den zes


hoek geplaatst zijn. Een daarvan is afgebeeld bij MAcAR,
I, No. 54 , Plaat III, en bij van nnn Guus , onder No. 28 , Plaat IV.

No. 7 ontbreekt zoowel bij MAcAR als bij van van Cnus,
en heeft eene voor mij gansch onverklaarbare voorstelling,

zoodat ik naar de afteekening moet verwijzen.

ancnnsansscnn uunrnn,

No. 8 is mij mede onverklaarbaar. Het zijn fraae en


duidelijke exemplaren. Men kan met eenige verbeelding er
een uiterst ruw hoofd uit opmaken, bedekt met eenig tooisel,
kruisje en bolletjesmetzparelrand. De keerzijde gelijkt veel
op No. 66 bij Macan, I, Plaat III, en hij meent, dat dit

eene oude type van Northumberland zoude zijn. Een soort


gelijke is afgebeeld bij van DER Guus, No. 24.

No. 9 heeft op de keerzijde eene guur, welke men voor


eene galei houdt. Daarbij zijn voorwerpen, die het voor
komen van letters hebben. Op de voorzijde staan tusschen
een netten parelrand twee mannen bij een groot kruis, dat
z met de eene hand vasthouden, met nog een klein kruisje
aan de linkerzijde. Dit keurig muntstukje komt bij ge
noemde Schrvers niet voor.
Wat nu de volgende stukken betreft met hunne duistere
voorstellingen, ter verklaring daarvan neem ik de vrijheid

aan te voeren, wat de Heer van nnn Guus op hladz. 27 van


het genoemde werk hiervan zegt: Het is eene muntsoort
van welke het niet met zekerheid bekend is van welk volk
zij is uitgegaan, en die w daarom als vroeger bij ons
nationaal beschouwen, omdat zij in vrij groote hoeveelheden

bij ons te lande in Friesland, te Wij/c bij Duurstede en te


Domburg gevonden is geworden. Voorts: Zij hebben
op de voorzijde eene afbeelding die wij moeijelijk beschrijven
kunnen. Is het, gelijk sommigen willen, de kam van eenen

helm; is het (doch dan in eene andere rigting als de af


beelding op de Plaat aanwijst]; te nemen) de ruwe voor
stelling van een schip met roeijers, terwijl de schuinsche
strepen manschappen op het schip zouden moeten ver
beelden? Wij wetenljhet niet en ook alle Numismatici,
die wij raadpleegden, verklaren de zaak als zeer duister.
Op de keerzijde vertoont zich [gewoonlk] een vierkant,
" waarvan de lnen als uit pareltjes zamengesteld zijn ; in het mid

den van het vierkant, dat sommige Numismatici met den naam
x.

anvonnnn In FRIESLAND.

van eene legerplaats omschrijven, ziet men een cirkelrond,


tusschen twee punten, terwijl zich boven hetzelve twee
guren als de letter T en daaronder weder een puntje of
bolletje en twee guren als de letterlvertoonen; ter linker
zijde buiten het vierkant of de dusgenaamde legerplaats,

ziet men eene guur die den vorm der Griekscbe letter
T heeft.
No. 10 heeft onder de guur, welke men voor een ge
deelte eener galei houdt, duidelijk de afbeelding van een
vogel, met den langen sneb naar den grond gerigt, en drie
strepen als een staart; verder is er een kruis met twee stip
jes tusschen den hals en voorsten poot, en twee bolletjes onder

den staart. De keerzijde heeft, gelijk de volgenden, het


vierkant (fort of legerplaats) met eenige guren, terwijl een
kruis met vijf stippen buiten het vierkant te zien zijn. Zij
verschilt dus van No. 25-59 bij Macami, I, en van No.
22 bij van nun Guus.

No. 11 heeft bijna de zelfde voorzde, alleen wordt hier


het kruis met de twee bolletjes vervangen door een cirkel
met een bolletje in het midden. De keerzijde heeft 5 zoo
danige cirkels, waar tusschen tot scheiding i maal5punten.
Soortgelijk stukje is afgebeeld bij van nnn Guus, No. 25.

No. 12 heeft op de voorzijde de type der galei met eene


rei bolletjes versierd, twee kruisjes en een cirkel , terwijl op de
keerzijde een kleiner vierkant is met een cirkel in het midden
en twee guren, die op driehoeken gelijken; buiten het vier
kant zijn sporen van letters. Zij komt niet voor bij van nnn
Guus, en is iets anders dan No. 26-55 bij Macan.

No. 15 voorzijde de guur, welke Wij galei blijven noemen,


versierd met twee reen bolletjes, een kruis en twee streepjes.
De keerzijde heeft binnen het vierkant den cirkel, daarboven

twee guren als T, en onder twee scheeoopende streepjes,


waartusschen drie bolletjes; terwijl een stip buiten het
vierkant staat, links een kruisje en boven een onbekend guur.

ANGELSAKSISCHE MUNTEN,

No. 14 heeft op de voorzijde de niet met parelrand ver


sierde galei, waar boven vier streepjes, benevens een kruisje
tusschen sporen van letters. Het guur op de keerzijde
heeft zeer veel overeenkomst met het vorige en slechts twee
stippen minder; maar buiten het vierkant ziet men, tusschen

bewijzen van letters, een kruisje.


No. 15.

Dit kleine muntje heeft boven de galei een stip,

een driehoek en twee met bolletjes versierde strepen.

De

keerzijde heeft binnen het vierkant den cirkelen 4 raad


selachtige guren, waarvan de T, die op meerdere stukken
gezien wordt, boven links wordt aangetroffen; bovenaan staat

nog een driehoek met een stip en streepje.


No. 16, met galei en fort, komt, op een paar bolletjes
na, die hier op de keerzde minder zijn, overeen met de
afbeelding bij van nnn Guus, Plaat III No. 1.

No. 17.

Dit zelfde geldt ook dit muntje, daar er op de

voorzijde eene streep en op de tegenzijde een punt minder

zijn.

Evenwel ziet men buiten het fort nog een kruis tus

schen twee streepjes.

No. 18 heeft tot voorzijde boven de versierde galei drie


staande strepen onder eene kleine T ; terwijl de keerzijde
binnen het vierkant twee driehoeken, een kruis en drie

punten te zien geeft.


No. 19 is eene. vereenvoudiging van de zelfde voorstelling
en heeft drie grootere strepen boven de galei: terwijl binnen
het vierkant, rondom den cirkel, twee T en twee dwars

streepjes zijn.
No. 20 heeft op de voorzijde boven de galei drie strepen,
waarvan de eene een driehoek vormt. Het fort op de keer
zijde beeft 4 maal de guur T, regt, op zijde en verkeerd,
rondom den cirkel; terwijl nog eenige guren buiten het
vierkant zigtbaar zijn.

No. 21 is weder zeer eenvoudig; de galei heeft echter iets


1 bijzonders, doordien zij in een driehoek uitloopt en in plaats

envonnnn In FRIESLAND.

van streepjes drie stippen heeft. Het fort heeft ter zijde
van den cirkel de twee T, een streepje en twee stippen;
buiten het fort ziet men binnen twee punten de guur L.
Op No. 22 ziet men boven de galei drie streepjes, onder
een bewijs van letters; terwijl het vierkant, rondom den

cirkel, versierd is met twee T, twee scheefstaande streepjes

en drie stippen; buiten het vierkant is een kruisje met


punten.

No. 25 heeft op de keerzijde de galei met drie strepen en


op de voorzijde een regtsziend hoofd enjdaarvoor vijfletters,
waaruit men DONIM zoude kunnen lezen. Bij Macan noch
bij van nnn Guus komt het voor, evenmin als de zes volgenden.

No. 24 voorzijde een linksziend hoofd met tooisel uit bol


letjes bestaande, en het gevestvan een zwaard of een kruis

voor zich.

De keerzde komt eenigzins overeen met de

Northumberlandsche type, b No. 8 vermeld.


No. 25. Dit muntje met regtsziend hoofd binnen een pa
rclrand heeft eene tegenzij met onderscheidene guren,

waarbij het zoogenaamde vogeltje boven een groot kruis,met


bolletjes op de einden, tusschen twee onregelmatig gestelde
cirkels; voorts tweemaal een drietal en n viertal slippen,
eenigzins gelijkende op de bij van nan Guus afgebeelde No.
57, 58 en 59.

No. 26. Dit keurig stukje vertoont een regtsziend hoofd


met een kruis voor zich. Het schijnt te rusten op een juk,
of meer waarschnlk is dit de bovenrand van een harnas.

Het is grootendeels omgeven met een parelrand, waarbinnen


boven zes en onder twee punten. De raadselachtige maar
jn bewerkte tegenzijde, die zoowel aan het liggend beest
(paard) als aan de galei doet denken, is met talrijke punten

of parels omgeven. Bij geen der genoemde Schrijvers komt


het afgebeeld voor.

No. 27 voorzijde met regtsziend hoofd, dat drie bolletjes


voor zich heeft, benevens een kruis, waar boven een guur

10

ANGELSAKSISCHE nonnen

als een omgekeerde T.

De keerzijde komt nagenoeg overeen

met de afbeelding No. 4 b van nnn Cns,Plaat III, hoewel

de kruisjes schuins zijn en er een paar punten meer op staan.


No. 28, voorzde, heeft binnen een parelrand weder een

regtsziend hoofd, maar slechts n kruisje voor zich.

De

tegenzij is nagenoeg gelijk aan de vorige; alleen ziet men

nog twee kruisen buiten het geparelde vierkant.


No. 29. De voorzijde heeft veel overeenkomst met de
vorige; het kruisje voor het hoofd is echter grooter, en in

het vierkant op de keerzijde zijn in plaats van het ne


kruisje drie bolletjes geplaatst.

No. 50 (nagekomen even als de volgende) heeft veel over


eenkomst met No. 5; het is echter jner bewerkt, en heeft

het verschil, dat er ronde punten aan de buiteneinden der


stralen om het hoofd te zien zijn, die b No. 5 aan de

binnenzijde zijn.

Op de tegenzij is het oog van het beest

zeer duidelijk.

No. 51 is bijna gelijk aan No. 4, alleen heeft dit ronde


punten aan de binnenzijden der stralen om het hoofd. Af
gebeeld bij van nnn Gnus No. 29.
Zeer opmerkelijk is het, dat er bij alle deze op nieuw te
voorschijn gekomene munten, en b die, afgebeeld door

Macanri en van nnn Guus (zelfs die met het Wodanshoofd


No. 1, 2, 5, 4, 50 en 51, en die met het Sigillum

Davdis, No. 5 en 9) geene worden aangetroffen, die vol


komen aan elkander gelijk zijn.

Altijd is er verschil, hetzij

in den vorm der galei, der guren in of buiten het fort,


hetzij in de voorstelling der hoofden, met hun tooisel,
kruisjes als anderzins.
Door de beide hier vr genoemde Schrvers, Macan en

van nnn Cns, wordt het vermoeden voorgestaan, dat deze


munten hun aanwezen te danken hebben aan de vestiging
der Saksen in Brittanni, en wel op het eiland Tanet(Tanum,

cnvonnnn IN rmnsnann.

11

door verkorting van Tanetum) , gelegen in de nabijheid van


het toenmalig Koningrijk Kent, omstreeks het jaar 449 of
450 onzer tijdrekening; alsmede, dat ze bekend waren on

der de naam van Scnarras of Scnarran, en nog in omloop


waren in het Angelsaksische tijdvak, onder de regering
van ETHELBERT of ETHILBERT I, Koning van Kent, die van

568 tot 615 leefde; die de Christenen niet ongenegen was,


en door Aucusrinus, later Bisschop van Canterbury, ge
doopt werd.
Vraagt men nu, hoe deze munten in den omtrek van het
dorp Hallum gekomen zijn, dan is het natuurlijk, dat men

een voldoend antwoord moet schuldig blijven, en nogtans


wil ik mijne gissing daaromtrent niet terughouden. De
terp, waarin ze gevonden zijn, behoort en ligt in de nabij

heid van de boerderij genaamd Memerda-state, waaruit is


af te leiden (ofschoon in later tijd gebouwd), dat vroeger
de vruchtbare omgeving van het dorp Hallum, alwaar wel
vaart en vertier heerschte, meer dan andere streken in

Friesland is bewoond geweest. Ook vond men vroeger in


haar nabheid het Klooster Maringaard en verscheidene
Staten, welke thans in boerderijen zijn veranderd. De aan
wezigheid van soortgelijke gebouwen geeft eenige zekerheid

aan het vermoeden, dat hier vroeger bloei en bedrijvigheid


werkelijk heeft bestaan; hieruit volgt, dat er eenigen handel
en vertier heeft kunnen heerschen, en zulks te meer,omdat
de nabijheid van de Middelze e, en dien ten gevolge de

zeevaart, daartoe eene gunstige gelegenheid aanbood, en alzoo


deze munten, door den handel en door de zeevaart, ge
sterkt door den ondernemenden geest onzer voorouders, uit
Engeland tot hier zijn overgebragt geworden. Voegt men

daarbij de onrust dier tijden, door de gedurige invallen en


strooptogten der Noormannen , die b herhaling plaats hadden ,
en waarvoor deze streken aan den oever der zee onmidde

12

ancnnsaxsrscnn MUNTEN.

lijk bloot stonden, dan kan men als waarschnlk aannemen,


dat, in zoodanige tijden van gevaar, de eigenaar dezer
munten ze tot veiligheid in de aarde heeft bedolven, waaruit
ze, na eeuwen lang voor het nageslacht bewaard te zijn
gebleven, heden ten dage zijn te voorschijn gekomen.

Voor mijn doel moge het genoeg zijn, de aandacht der


penningliefhebbers op deze munten gevestigd te hebben,en
zal ik het gaarne aan meer deskundigen overlaten, om na
der uit te vorschen waar en Wanneer ze gemunt zijn, of

aan te toonen welk historisch belang ze bezitten. Bij voorraad is


het mij aangenaam, dat mijn vriend, de heer W.EuKnorr,
Arcbivarius dezer stad,

hieruit aanleiding ontleende, om

daarvan eene proeve te nemen en m zijne opmerkingen

mede te deelen, welke ik gaarne hierna laat volgen.


Lnnuwannnn,
den 1 November 1866.

...;o.>9-

F. na HAAN.

PL. I.

vwr-QC/v--.

LZ/an 111. zLrleek te LveuwaI.atc/

PL. H.

Lhn/an r. (aldus/r te Leeu Warden

lllSTtllllStlllli tlPlllllllllNtlllN
NAAR AANLEIDING VAN DE GEVONDENE

ANGELSAKSISCIIE

MUNTEN.

--c4e9o

De mluntvond van Hallum, door den Heer F. na Haan hier


vr zoo uitvoerig beschreven, komt mij in onderscheidene op
zigten z belangrijk voor, dat ik volgaarne deel nam aan zijne
onderzoekingen en de uitkomsten daarvan hier wensch mede te dee

len. Het hnderwerp gaf aanleiding om antwoorden te zoeken op de


volgende vier vragen.

Hoe komt het, dat er vroeger in Friesland bijna nimmer oude en


vreemde munten in den grond werden gevonden, terwijl in de laatste
jaren daaruit zoo talrijke en belangrijke soorten zijn te voorschijn
gekomen?

Het antwoord hierop is niet verre te zoeken.

Zoodra er in vroe

gere dagen, gelijk ook n nog wel geschiedt, oude munten werden
gevonden, was veelal de eerste gang der vinders naar een goud- en

zilversmid, ten einde de waarde er voor te bekomen, ten gevolge


waarvan er eene menigte penningen in den smeltkroes spoorloos is
verdwenen. Maar eerst nadat het Friesch Genootschap van geschied-,
oudheid- en taalkunde, in 1827 opgerigt, in 1834 de aandacht op
dit onderwerp vestigde, en in 1834 besloot tot de oprigting van
eene eigene Penningverzameling, welke in de eerste plaats gedenk
penningen betrekkelijk Friesland en vervolgens de in deze provincie

14

ulsroniscns ormenxxnann

geslagene of daar gevondene munten en penningen zou bevatten,

belastten drie leden zich met de opsporing en beschrijving , en noo


digden zij alle leden uit, om hen tot het verzamelen behulpzaam
te zijn.

Met welk een gunstig gevolg deze en latere pogingen zijn be


kroond geworden, en hoe talrijke munten en gedenkpenningen er
sedert aangekocht of door schenking verkregen werden, dit kan
blijken uit de lijsten van aanwinsten, welke eerst Mr. A. DEKETH
en daarna Mr. J. DIBKS gaven en telkens achter de jaarlijksche
Verslagen van de handelingen des Genootschaps, met. eene toelich

tende beschrijving, openbaar maakten.

De wetenschappelijke zin en

liefde voor het onderwerp waren er door opgewekt, en deden ook


partiknliere verzamelingen ontstaan of toenemen, van welke die der
Heeren Mr. J. DrnKs en F. m: Haan, A. P. H. KuIPnns en
R. Bnonmnnnann Sanrn te Leeuwarden, gelijk die van Jhr. Mr.

H. B. van Smnla te Bei-gum, Mr. P. A. V. Baron van Hanmxma


rnon Snoornn te Holwwd en Mr. A. QUESTIUS te Dronrijp eerlang
van veel belang werden.
Ook van elders, zelfs uit Dnitschland en Rusland, werden Friesche
munten opgespoord en berigten ingewonnen, met z gelukkigen
uitslag, dat de Heer DIRKS door zijne belangrijke Bijdragen tot de
Munt- en Penningkunde van Friesland, in verschillende deelen van
het tijdschrift: de vrije Fries geplaatst, en later door bijdragen in
de Revue Nnmismatigue Belge bewees, boe rijk het onderwerp was,

waaraan hij door eene grondige historische behandeling waarde en


duurzaam belang had gegeven.
De naijver om te verzamelen en toe te lichten, door de uitgave
van het groote muntwerk van Prof. P. O. van men Cns niet wei
nig bevorderd, was intnsschen nog meer opgewekt, dewijl hier ge
lijktijdig eene rijke bron was ontsprongen, welke voor de toekomst
onuitputtelk scheen. Die bron bestond in het afgraven van vele
der talrijke Friesche Terpen.
Toen in de vroegste tijden de Zuiderzee nog niet bestond, be
schermde een duinenketen langs de eilanden de daar binnen gele
gene lagere streken van Friesland. Tusschen die eilanden bevonden
zich de monden van verscheidene zuidelijke rviertakken, die zich

daar door in de Noordzee ontlastten.

De breedste dezer rivier

nu na ANGELSAKSISCHE MUNTEN.

15

monden was de Middelzee, ook, naar de daarin uitstroomende


rivier de Boorn, het Boorn- of Boerdiep genoemd.

Van af

de latere plaatsen Bolsward, Sneek en Akkrum vormde zij in het


midden van Fesland een groot en lang meer, dat de scheiding
uitmaakte tusschen Oostergoo en Westergoo en hetwelk, voorbij
Leeuwarden en Marsum met een breeden mond langs Hallum en
Berlikum, tusschen Terschelling en Ameland in zee uitstroomde (1).
Langs de vruchtbare oevers van dezen zeeboezem was vooral de
kern van het Friesche volk gevestigd. Maar om het lagere land
bij de ongenoegzaamheid der opgeworpen zeeweringen, vooral in den
winter, te kunnen bewonen, trachtte de landzaat zich tegen de
overstroomingen van den vloed te beschermen door het opwerpen
van hoogten, die 8, 12 tot 18 voet boven het maaiveld verheven

waren. Al die terpen, meest langs de kust der Middelzee en


meer binnenwaarts in Westergoo en in het noordelijk deel van Oos
tergoo opgeworpen, dragen blijken, dat zij gedurende vele eeuwen
van lieverlede opgehoogd zijn en tot toevlugtsoorden en woonplaatsen
gediend hebben.

Reeds de Romeinen vonden ze hier, en tot aan

KAREL den groote, die omstreeks het jaar 800 het verbranden van
de lijken verbood, werd de asch der afgestorvenen in grootere of
kleinere Urnen in deze vliedbergen begraven (2).
Thans, nu zware zeedijken het land beschermen langs de noord
en westkust, en de Middelzee sedert de 13 eeuw begon te ver
landen en hare zeedijken tot wegen vervormd zijn, hebben de terpen
hare vroegere bestemming verloren; daarentegen hebben ze in een
ander opzigt groote waarde bekomen. Ja, in de 19' eeuw zijn ze
een rijke schat geworden, zoo voor de bezitters zelve als voor den
landbouw en de welvaart in het algemeen. Het is een eigenaardige
tak van industrie geworden, om die terpen te koopen en ze tot de

(l)

Zie hierover meer in de Nasporingen betrekkelijk de Geschiedenis der

voorm. Middelzee, door P. Bnovwrn Pz. en W. Eemorr, in i854 met kaart


uitgegeven door W. van Pavn.
(2)

Een dier terpen benoorden Leeuwarden dient thans tot Begraafplaats. Da

gelijks wordt zij een paar el diep ingegraven.


zoo vele urnseherven, dat

Daarbij vinden de doodgravers

een hunner op mijne vraag daar naar antwoordde:

Hier is vroeger vast eene pottehakker geweest."

16

HISTORISCHE OPMERKINGEN

hoogte van het gewone maaiveld te doen afgraven, en die aarde


tegen 25, 40 en 50 cents de ton te verkoopen aan talrijke kleine
schippers. Deze vervoeren ze naar de lagere streken van Hasker
lnnd, Doniawwstal, Wymbritseradeel, de Trnwouden en elders,
waar ze voor ongeveer na gulden de ton betaald en zeer gezocht,
ja zelfs boven dierlijken mest voorgetrokken wordt,dewijlterp-aarde,
over de lage weilanden uitgestrooid, de waarde en vruchtbaarheid
daarvan ongemeen verhoogt en in het bijzonder den weligen klaver
groei bevordert. Op die wijze zijn er in de kleistreken uit een aan
tal terpen reeds schatten gemaakt, welke den hoogen koopprijs verre

overtreden.

Veelvuldige arbeiders en schippers vinden in dit afgra

ven eene bron van verdiensten; en de landen van eene menigte


boerderijen, die eertijds voor niet meer dan 20 runderen gras en

hooi konden opleveren, zijn door het bemesten met terp-aarde in


een staat van kultuur gebragt, dat zij thans 30 . 40 stuks vee
kunnen voeden. Als een spaarpenning, nagelaten door de vroegste
bewoners van dit gewest, geven deze terpen dus het nageslacht niet
slechts dadelijke, maar ook duurzame en progressieve voordeelen in
vermeerderde opbrengst van boter en kaas en in de toeneming van
onzen beroemden veestapel.
Bovendien brengt die afgraving dikwijls eeuwen lang verholen
schatten aan het licht, wanneer daarop slechts acht wordt gegeven.
Reeds nu kan Frieslands Kabinet van Oudheden, ofschoon eerst in
1853 in het Paleis van Justitie te Leeuwarden opgerigt, na zoo

weinige jaren verzamelens, een aantal merkwaardige voorwerpen


toonen, als: urnen van verschillenden vorm, zonderlinge steenen en
beenen voorwerpen (onder welke ook de antieke schaatsen), kannen,
schotels en andere bijzonderheden, welke meest allen uit onze terpen
voor het licht zijn gekomen, en waarvan velen ons de gebruiken en
levenswijze der vaderen en den oorsprong onzer versierselen en huis
houdelijke behoeften kunnen verklaren.

Een groot getal munten en

penningen, van onderscheidene tijden en volken, zijn in de Penning


verzamelingen van het Friesch Genootschap en van verschillende
liefhebbers bewaard. Merkwaardig is vooral de vond van zoo vele
gouden munten en sieraden, welke in dit zelfde jaar 1866 uit den
hoogen grond van Wzetinga-state te Weuwerd opgedolven en door het

Rijksbestuux aangekocht zijn.

Gewis mogen wij vertrouwen, dat onze

BIJ DB ANGBLSAKSISCHE MUNTEN.

klassieke bodem, die gedurende ruim twee duizend jaren door den

zelfden Frieschen volksstam werd bewoond, op den duur meerdere


voorwerpen van belang zal opleveren , nu er op die voorwerpen meer
prijs wordt gesteld. Ook bij het sletten of uitdiepen van een aantal vaarten en het afgraven van de wallen der steden zijn een menigte
munten en andere voorwerpen te voorschijn gekomen.
U

Eene tweede vraag is:

Welke is de beteekenis van het Angelaak

siscke woord Scearm voor deze munten?


Lang vr Macan in 1838 zijne eerste verhandeling over de te
Domburg gevondene munten bewerkte en daarvan afbeeldingen gaf,

welke hij toen niet kon verklaren, berigtte Prof. van mm Cnrrs in
1833 in zijn Tijdschrift voor de Munt- en Penningkunde, I 251,
dat twee jaar te voren een arbeider bij Esklstung in Zweden een

steenen pot of kruik had opgegraven, bevattende ettelijke zilveren


sieraden en eene verzameling munten, grootendeels Anglo-saksische,
waaronder vele van Koning ETHELRED.

In 1837 berigtte hij op

nieuw (I 881), dat een landman, bij het vervoeren van een groeten
steen uit het veld naar Aarstad, bij Egersund in Denemarken, meer
dan duizend zilveren munten vond, meest Anglo-saksische, deels
van Koning ETHELBED, deels van Koning KNUD. Daar de laatste
van 1016-1035 regeerde, zoo blijkt hieruit, dat deze van veel

latere dagteekening waren dan de onze. Een nader berigt, van

1841 (II 524), zal zeker dezen zelfden vond betreffen. Nog herin
nerde hij toen (No. 358), dat er een belangrijk artikel over de
Angelsaksische munten voorkomt in de Revue Brittannigue, 1837,
Maart, bl. 157.

Later was de genoemde hoogleeraar, wiens kennis en ijver voor


de muntstudie wij niet genoeg kunnen vereeren en prijzen, in de
gelegenheid over deze muntsoort te spreken (Konst- en Letterbode,
1846, II 115). Naar aanleiding van exx. te Damurg, Wk bij
Duurstede en ook bij Bolsward gevonden, noemde hij ze daar Angel
saksehe munten, die den naam van sceattae droegen, waaronder zij
afgebeeld en beschreven waren in het door hem aangehaalde Engel
sche werk van Reuma. Maoan kwam in 1851 in het Britsch
Museum te Londen tot de zelfde ontdekking (II 33), waarmede de
2

18

HISTORISCHE OPMERKINGEN

Belgische muntkenners Canrmn en Lannwnninstemden.

Ook Dmxs

noemde ze insgelijks Angelsaksische munten, toen er in Maart


1863 152 exx. der type van de hier vr afgebeelde no. 30 of 31
in de veenderijen van het Friesche dorp Terwispel bij Gorredk
bijeen werden gevonden, welke Mr.

J. H. van BOELENS aan het

Friesch Genootschap vereerde; een vond, waarvan DIBKS eene be


schrijving en verklaring gaf op bl. 73 van het 35e Verslag van het
Genootschap en daarna in de Revue Num. Belge, te serie, Sept.
1863, in een stuk: Monnaies ancennes trouvees en Frse.

Opmerkelijk is het daarom, dat de Heer van DER Cns, die


nu, in 1866, op plaat III, IV, V en VI van zijn hoofdwerk niet
minder dan 84 afbeeldingen van soortgelijke typen mededeelt (be

halve die op de supplementplaten), ze tot opschrift geez: FRANKI


sonn EN vnnnnn ANGEL-SAKSISCHE (P) MUNTEN, alsof de laatste
naam en afkomst nog twijfelachtig ware. Op bl. 27 zegt hij dan
ook, dat het volk niet met zekerkeid bekend is, van hetwelk zij

zijn uitgegaan.

Doch op bl. 37 is hij reeds van meening, dat er

groote waarschijnlijkheid" bestaat voor de bewering van DIBKS,


dat de hier vr als no. 1-4 en 30 en 31 afgebeelde munten op
het vaste land geslagen zijn door de Anglen, een Germaansche
volksstam, die daarin sporen nagelaten heeft van zijn verblijf in
Nederland vr zij met de Saksen en Friezen naar Brittanni over

staken. Verder komt hij op bl. 39 tot het belangrijk besluit: Is


deze voorstelling, zijn deze gissingen van den Heer DrnKs juist,
dan zien wij in deze munten de eerste voorwerpen van den Ger
maanschen of Duitschen muntslag, en moet dan de reeks der
Duitsche munten met deze aanvangen."

Doch juist de naam van sceattae (waarvan het enkelvoud sceatla


of sceat zal zijn) getuigt van hun Angelsaksischen oorsprong en
verwantschap met ons vaderland. Onze beroemde regts- en taal
kundige Pnrnus WIERDSMA heeft in zijne onschatbare aanteekenngen

op de Oude Friescke Wetten (bl. 19, 27, 98) reeds in 1782 aan
getoond: 1 dat het oudfriesche woord raket de beteekenis heeft zoowel

van geld als van hoornvee of runderen; alsmede, data wel


vee beteekent doch naderhand, uit oorzaak, dat de rijkdommen bij

ouds uit vee bestonden, ook gebruikt is voor geld en andere have,

311 DE ANGELSAKSISCHE MUNTEN.

19

gelijk ook het geval was bij de Celten en andere volken, bijzonder
bij de Romeinen in hunne woorden peeuna en peculium, van pseua,
vee afgeleid. Evenzoo beteekende bij de Angelsaksen, zegt hij,
ia vee, maar ook geld; terwijl daarentegen hun woord scket,
in het Moeso-gothisch skai, oorspronkelijk geld beteekenende,weder
voor vee gebezigd werd. Ook gold het As. sceat voor prijs, pre
tium. Vandaar in t Friesch nwndscket, voogdij prijs, oudhollandsch

m o m boirs geld , de prijs waarvoor de bruid weleer als 't ware gekocht
werd. t Is nog bij ons bewaard in de benaming: bruidschat.
En wie herinnert zich hierbij niet de verhandeling van Hannnnrsna
over het Geld, in de Lapekoer fen Gae Scroar, 1834, 131, als hij
zegt:

Een sckat op it Hollansk is it aldFrieske sket, dat scot-,

hok- of stlf, eak wol hoklingen, betjut. Penning wol sisse een
feerkou. De Angelsaxen seinen keap tjin f, prys in kjeppenskip
in ues foaralders, mei hjar uet in lape toarnd, seinen tjin
jild ja, dat nou by ues f hjit. Eak it Lettynce wird pecunia is nei de
letter beeetegoed. In dearom sloegen hja op it jild it kopstik fene
bisten, dy er troch forbylde waarden; nou ien bok, den ien baerg;
eak wol ien oxe of ien esel.

De nammen, dy wy in are lanen

oen it jild jane, wise it noch uet.


En inderdaad vertoonen de oudste der bekende munten, die der
eerste Koningen van Macedoni, welke in Havnnxanlds Algemene
Hstori (I 60) afgebeeld zijn, een krab, een bok, een vogel, een
paard enz. hetzij dan dat dit enkel muntteekens waren, of dat zulk

een voorwerp voor dien prijs werd gekocht. Bij Hommws wordt
eene slavin op de waarde van 4 ossen gerekend, en PLInrUs zegt,

dat de oudste munten een os of schaap tot stempel hadden.


Daar onze sceattrfs nu blijken dragen, dat de Angelsaksen het

nog niet ver gebragt hadden in de kunst van stempelsnijden, zoo


mag men ook vragen, of wij

daarom, naar bovenstaande voor

stelling, op de keerzijde van no. 1-4, 30 en 31 van onze munten,

ook aan de afbeelding van een paard, of ander dier, als handels
prijs, hebben te denken; dan of wij hierin eene herinnering hebben
op te merken aan de eerste Friesche veroveraars, wier opperhoofden
de namen droegen van Hnnersr en Hons,

welke als paarden

namen duidelijk Friesch zijn.


2

20

HISTDRISCHE oraumamorzn

III.

Dit brengt ons tot eene derde vraag: Wie waren egenlk de
Angelsaksen , vooral met betrekking tot ons vaderland?
De geleerde MOLHUIJSEN heeft zoowel in den Ovesselsom Al
manak als in NIJHOFFs Bijdragen daarover uitvoerige onderzoekin
gen medegedeeld, waarvan het volgende de slotsom is: Bij het
verzwakken van het Romensche gezag in deze noordelijke streken
volgden de vrijen onder verscheidene volksstammen, als door een
schok uit het noorden aangetast, elkander op, verlieten hunne oude
woonplaatsen en stuwden elkander in eene zuidwestelijke rigting
voort. De Saksers, die in Sleeswzlik gevestigd waren, drongen
de Anglen, die in Holstein en langs de Elve woonden, voor zich
uit, en vestigden zich in Drenthe, Ovmj/sael en Gelderland beoosten
den IJssel; terwijl de Anglen de Veluwe tot verblijf kozen,
waar nog een aantal plaatsnamen van hun verblijf getuigenis draagt.

Meer zuidwaarts langs den Rijn hadden zich Jutten nedergezet


en langs de westkust van Zeeland ook de West- of Strand-Sak
sers. De avontuurlijke zin dier strd-haftige volken gedurende de
toenmalige:Ivolksverhuizingen, toen ook de woeste ATTILA naar
Galli optrok, gaf gereedelijk gehoor aan het gerucht, dat Koning

VORTIGERN in Brittanni hunne hulp begeerde tegen de Pikten en


Schotten, die zijn gebied bedreigden, en zoowel vr als na
449 trokken een groot getal Saksers, Anglen, Jutten en Friezen
(die de kustlanden tusschen de Maas en de Lauwers bewoonden)
over zee naar Brittanni, waar ze, na hunne hulp verleend te heb

ben, gesterkt door meerdere overgekomene landgenooten, zich ves


tigden en den Angelsaksisohen stam vormden, waaruit de
kern van het Engelsche volk is ontstaan, dat in zijne taal nog een
duurzaam spoor zijner afkomst heeft overgehouden.
De overeenkomst van het tegenwoordige Friesch met het Engelsch
is hiervan een gevolg. Ja, de geleerde Engelsche letterkundige
Jonn Bownmo verklaarde na zijn bezoek aan Friesland, dat de
overeenkomst van taal en volkskarakter hem belangstelling inboe

zemde voor eene natie, wier voorvaderen zijne voorvaderen waren,


die bij iederen tred nieuwe punten van gelijkheid aanbood en wier
spreekwijzen hem als verouderd Engelsch in de ooren klonken.

___

BIJ DE AKGELSAKSISCHE MUNTEN.

21

Onder hen verbeeldde ik mij, zegt hij, te verkeeren onder Angel


saksen van een meer gevorderden trap van verstandelijke bescha
vng(1). Bovendien is zoowel in de Fiesche als Engelsche kro
nijken de overlevering bewaard , dat koning Vonrronnn de Friezen
en hunne opperhoofden, HENGIST en Hons genaamd, voor hunne

hulp groote gunstbewijzen verleende, en dat later, toen met meer


dere landgenooten ook eene dochter der zuster van den eersten,
Roruxa gebeeten, overkwam, de koning door hare schoonheid der
mate bekoord werd, dat hij haar tot vrouw begeerde.

Vanhier, dat

de dichter STARTER, een Engelsehman van geboorte, zeide:


Want de eerste Friesohe vrouw, die ooit in England kwam,
Was, die de Koning zelf tot zijne vrouwe nam.
Ronixa was de maagd, die met haar toovrende oogen
Zijn koninklijk gemoed hee. tot haar min bewogen (1).
De voorstelling van eene zoogenoemde galei of schip op zoo vele
der afgebeelde munten zou, volgens Maoam, waarschijnlijk haar

oorsprong genomen te hebben uit de herinnering aan de overzeesche


aankomst en landing der Anglen en Saksers in Brittanni op het
eiland Tlzaaet. Het vierkant met guren op de keerzijde zou dan
even zoo eene voorstelling zijn van de versterking of het fort, dat

de eerste nederzetting van het invallende volk op de kust van Kent

gesticht heeft. Op andere munten zou de herinnering aan Hanorsr


en Hons, de aanvoerders der Friezen, bewaard zijn in het zooge
naamde paard; hoewel anderen in deze guur, ter zijde, een anker
of een schip meenen te zien. Hoe dit zijn moge, de verovering
van een deel van Brittanni en de vestiging van de vermelde volks
stammen van het vasteland in dat rijk, waarin zij zeven koning
rijken stichtten, waarvan HENGIST de eerste koning van Kent werd,

(L)

Iets over de Briarnhe Letterkundemoor zijne BrievenJeeuw. 1830, l,2,6.

(2)

Zie de Bloemlezing uit Stantefs Friesche Lusthof, 25; SCBABLENSIS,

Croniicke, 9 env.; WAGENAAR, Vad. Hist. I, 289; Yrau, Geschiedenis der Ned.
Taal, I 174, ll 152; Duras, Geschierlk. onderzoek van den Koophandel der
fhezen, 307, 1119; Eaanon, Geschiedenis van Friesland, 25, 453.

De bevestiging hiervan vonden w ook in de Monumenta Historica Brittannca,


Londen i848, in foL; een prachtwerk, waarvan de heer J. H. Hatasursua te
Deventer dezer dagen een schoon ex. aan de Prov. Bibliotheek van Friesland
heeft vereerd.

__

22

ursroarscnn OPMERKINGEN

dit alles wordt voor historisch zeker gehouden en is als zoodanig


erkend ook door HUME en SMOLLET in hunne Geschiedenis van
Engeland, door Maom aangehaald.

Indien het vinden van Romeinsche munten in het tegenwoordig


Friesland voor een bewijs mag gelden, dat de Romeinen hier
omstreeks het begin onzer jaartelling verkeerden; dat zij de Friezen
met dit geld betaalden voor het vee en het koren, dat deze op de

Romeinsohe marktplaatsen aanvoerden, en dat hierdoor de berig


ten van den Romeinschen geschiedschrijver TACITUS omtrent hun
onderling verkeer bevestigd worden; indien het vinden van zoo

vele Frankische munten getuigenis geeft van het gezag en verblijf


der Franken in dit gewest in de 8e en 9e eeuw, dan zal het
zeker evenzeer een bewijs zijn van der Friezen gemeenschap en
handelsverkeer met de Angelsaksen , dat er hier zoo vele hun
ner munten zijn gevonden, en wel eerst bij Domburg, daarna te
Wl: bij Duurstede, vervolgens bij Bolsward, in 1863 te Terwspel

en in 1866 bij Hallum, en hier wel in grooten getale en in een


aantal soorten.
Dit geeft ons aanleiding tot eene vierde en laatste vraag: Door
welke Nederlandsche plaatsen of havens werd in de 5e en 6e eeuw

de gemeenschap met Brittanni of de Angelsaksen onderhouden?


Aangezien de geschiedenis hieromtrent geene zekerheid geeft,
zoo zal men ons ten goede houden, als wij in ons antwoord naar
de meeste waarschijnlijkheid gissen en gronden daarvoor, ook uit
deze munten, aanvoeren.
.
De oudste der eigene Nederlandsche munten, die veelvuldig voor

komen , zijn geslagen te Dorestat of Wij/c bij Duurstede, waar,


volgens van van CHIJS, IX 83, eene veel bezochte haven en aan

zienlijke marktplaats was. Hij stelt, dat het vorstelijk munthuis


der Franken daar waarschijnlijk gevestigd geweest is van omstreeks
het einde der 7 tot omtrent de eerste helft der 9 eeuw. (Dus on

geveer van het jaar 680 tot 840.) Ook van man Noorman (in
v. n. Cnns, Tijdschrift, I 775) erkent het bestaan dezer handels
plaats eerst ten tijde der Frankische Vorsten van den tweeden stam.

nr1 na sneanssxsrscnn MUNTEN.

23

Van man Benen, MiddeZ-Ned. Geographie, 170, noemt haar in de


7 en 8 eeuw een beroemde koopstad. Nu is de vraag: welke
waren dan de zee- of havenplaatsen ruim twee eeuwen te voren
(omstreeks het jaar 450), toen Anglen, Saksen en Friezen met
eene of meer vlooten deze kusten verlieten, om naar Brittanni te

stevenen met een groot getal volks? Op welke punten verzamelde


zich dat volk en begaf het zich te scheep? Reeds WAGENAAR

(Vad. Hist. I, 285) sprak van de behendigheid der Saksers in


438 , om de Brittannische zee met ligte vaartuigen te doorkruisen,
terwijl in 455 de roofschepen der Saksers door Avrrus overwonnen
werden. Als wij ons nu voorstellen, dat de Anglen en Saksen het
zuidelijk en de Friezen het noordelijk deel des lands bewoon
den, dan zullen de eersten waarschijnlijk vertrokken zijn uit Zee
land, waar destijds de Strand- of West-Saksen woonden, en de laat

sten uit Oostergoo of uit den mond der Middelzee. Dewijl nu de


buiten Domburg gevondene Romeinsche en Angelsaksische munten
bewijzen geven, dat dr, op de noordwestkust van het eiland Wal
cheren, eens een aanzienlijke plaats aan zee lag; dewijl de Romein
sche gedenkstukken met den tempel en de Nehalenniasteenen zoo
wel als de geloftesteenen, volgens van nm! Banen, 37, schijnen

aan te duiden, dat bij Domburg te dien tijde eene haven was; en dewijl DIRKS, 75, vermeldt, dat reeds Srnano zeide, dat men van
hier niet uit de Rijnmonden, maar van de kusten der Morinen
naar Brittanni overstak en dat Zeeland alzoo het hoof dveer was
op Engeland,

gelijk de Domburgsche oudheden getuigen, zoo

vragen wij: zouden die Anglen en Saksers ook van dr in zee ge


stoken zijn en ook vervolgens een bestendig handelsverkeer met deze
gunstig gelegene havenplaats onderhouden hebben? De naam deze].
plaats is nog door niemand aangeduid; maar er is nog een oude
plaatsnaam bekend, waarvan nog niemand de plaats heeft aange
wezen en wel die van Iserendoor. VAN man Noonna, die scherp
zinnige kenner, haalt een Gallisch schrijver aan van omtrent het

jaar 500, die, sprekende van een heiligen abt, wiens leerling hij
geweest was, zegt: 1 dat zijn leermeester geboren was niet verre van

het vicus (een dorp of plaats), waaraan het oude heidendom, uit
hoofde der vermaardheid en om den aard der poort van een Af
godstempel, in de Gallische (P) taal den naam van Isarndorum of

24

nrsromscnn OPMERKINGEN

ijzeren poort of haven (oettum) had gegeven" (I).

Vermits

hij dezen naam nu niet met zekerheid durft toepassen op Darestat,


dat eerst bijna twee eeuwen later voorkomt, zoo durven wij de gis
sing wagen, dat de in zee verdronkene plaats buiten Domburg,
waar zoo veelvuldige Romensche afgodsbeeldeu en andere antieke
voorwerpen vereenigd met die van Angelsaksische munten zijn ge
vonden, de boven bedoelde oer- en handelsplaats en haven geweest
zal zijn, die den Frieschen of Saksischen naam droeg van de Iswm
door, de sterk beschermde deur, poort (parta) of haven (partus) aan

den mond der zee.

O-f Domurg nu eene zamentrekking is van

Dorenburg, daar burg een dijk (in t Friesch wurclz) beteekent,


zullen w niet beslissen (2). Evenmin willen wij de vraag be
antwoorden, of, indien N'. 1-4, 36 en 31 onzer munten, vol

gens het gevoelen van DmKS, op het vasteland zijn geslagen, ze


ook hir kunnen gemunt zijn, dewijl men buiten Domburg zoo vele
voorwerpen, ook van zilver en goud, vond, welke van eenigzins

gevorderde kunstvaardigheid getuigen (3).


Ook in het toenmalige Friesland, dat eerst de kust van den mond
der Maas tot aan de Lauwers besloeg, en later, na het verhuizen

van onderscheidene zuidelijke en oostelijke volksstammen, zuidwaarts


zich tot aan het Sincval of Zwin in Vlaanderen, en oostwaarts tot aan
den Wezer uitstrekte, is er geene plaats bij name bekend, welke met
zekerheid voor de havenplaats kan gehouden worden, waar der
Friezen vloot lag, die HENGIST en Hons met hunne getrouwen naar
Brittanni overvoerde, en met welke men later handelsverkeer onder

hield. Maar zou daartoe in deze noordelijke streken nu wel een


punt van gunstiger ligging gedacht kunnen worden dan de plaats,
waar onze munten gevonden zijn; dan het op den noordwesthoek
van Oostergoo, aan den breeden mond der Middelzee, te midden
van tien terpen hoog gelegene Hallum?
Reeds vroeg moet dit
(i) Zie v. u. Cnus, Tds. i837, l 818, waarbij hij aanhaalt: Vila S.
Auosm)! Abb. Jurensis, bij La Bunc, Train Hist. pag. 86.

(2)

See burich komt zoowel voor in de Oude Fr. Wetten, 296 en het Char

terboek, I 725, als in Wagenaar, Amsterdam, lll 95. Wunnsu zegt: sterkte
tegen de zee; een naam, oudtijds aan alle zeedken gegeven."
(3) Als uit het onduidelijke randschrift van No. 23 DONIM met verandering
van Nl in RU en alzoo DORUM gelezen kan worden, dan zou deze naam nog
meer bewijs leveren voor de medegedeelde opvatting of gissiug.

m. nn ANGELSAKSISCHE MUNTEN.

25

een aanzienlijke plaats geweest zijn, waar, gelijk mijn vriend Dr.
H. G. Cannnornrnn (1) meent, op de hooge terp een tempel of
oderplaats was, misschien aan de Godin Hel of Hal gewijd. Die
gunstige ligging aan zee en in een vruchtbare landstreek kan aan
leiding gegeven hebben, dat zeevaart, handel en landbouw reeds
in de 5 en 6 eeuw hier bloeiden. De daardoor verworven welvaart
en rijkdom kan de bevolking later, na de invoering van het Chris
tendom, in staat gesteld hebben in de nabijheid van het dorp drie
kloosters te stichten, als in 1163 eerst het klooster Marihgaard,

daarna meer oostelijk het konvent Genezaretlt of Gernawerd , en ver


volgens het over de Ee gelegene klooster Bethlehem, dat zijn ont
staan aan Marihgaard had te danken (2). Er moet een bepaalde
en van vroeger verzamelden rijkdom getuigende reden hebben bestaan,
dat hier meer dan elders een aantal van de meest vermogende edelen
stinzen, staten of kasteelen liet bouwen, waarvan wij enkel noemen
die der geslachten:

FPINGA, ZEnmoa, GSLINGA, SYTHIEHA,

Bunmanm, Gnnaana, Donna, Doms, Fnrrsua en Jsrma.

Het

getuigt mede voor den vroegeren rijkdom van Hallum (hetwelk


door een middeleeuwseh kloosterbroeder een Hofstad wordt ge
noemd), dat de Geestelkheid der parochiekerk z zeer werd begif
tigd, dat zij , volgens het Beneciaalboek, in 1543 meer dan 193

pondematen lands bezat, waaruit zij hare inkomsten genoot.

En

nadat omstreeks den jare 1450 de Middelzee verlandde en de


plaats voor de vervallene haven met eene aanzienlijke uitgestrektheid
aangewonnen landen werd uitgebreid, verkreeg z zulk een aanzien,
dat, behalve eene groote kerkbuurt, het aantal stemmende boeren
plaatsen in 1640, volgens het Stem/cahier, niet minder dan 83 be
droeg, zoodat Hallum (met uitzondering van Wirdazm) het grootste
dorp van

Oostergoa werd, dat de meeste stemmen bezat (3).

Als

(1) In den Friesch: Volks-Almanak voor 1851, bl. 153 en 1852, bl.1,waarin
vele belangrijke bijzonderheden over Hallum worden gevonden.
(2) Eene geschiedenis van dit klooster Marirgaard gaf Dr. E. J. Dnasr Lon
croa, toen predikant te Hallum, in den Volks-Alm. voor 1842, bl. 86.
(5) Uit de in het Stemkohier voorkomende boerenplaatsen blijkt, dat vele
daarvan voormalige Staten waren, die, behalve de bovengenoemde, de namen
droegen van: Memerda, lepperda, Juma, Boltma, Banga, Markla, Unia, Older
sma, Wierdsma, Ondersma, Sigera, Cobert, Gmoltsma , Walta, Botnia enz.,
welke allen aan voorname geslachten herinneren die daarop welligtvroeger woonden

26

HISTORISCHE OPMERKINGEN.

wij zulke gunstige uitkomsten waarnemen, zouden wij dan niet,


als oorzaak, aan een vroegeren bloei ten gevolge van zeevaart

en handel mogen denken?

Moeten dan de hier nu gevondene munten

geene aanleiding geven tot het vermoeden, dat hier eene haven en
handelplaats is geweest voor den uitvoer van waren naar de stam
verwante Angelsaksen, die dit geld daarvoor in betaling zonden?
Vooral, daar de her DIRKS reeds in 1846 heeft bewezen, dat de
koophandel der Friezen in dit tijdvak veel aanzienlijker is geweest
dan wij ons voorstellen, hoewel het onzeker was , uit welke havens

die handel toen werd gedreven.


Indien het vinden van deze Angelsaksische munten ons aanleiding
heeft gegeven tot de poging om hare herkomst te verklaren, en door
haar eenige punten uit het meest duistere gedeelte onzer geschiedenis
toe te lichten, dan hopen wij, dat die poging en de gissingen,
welke wij ons veroorloofden , nader toegelicht of bestreden mogen

worden door mannen van meerdere kennis en bekwaamheid, opdat


de studie der munt- en penningkunde, als hulpwetenschap, hare eer
handhave om, bij het genot, dat zij haren beoefenaars schenkt, op
helderingen te geven omtrent den toestand der vroegere bewoners
van ons vaderland en hunne betrekkingen met andere volken, waar
mede wij te weinig bekend zijn. Indien Friesland, volgens van mm
Banen, Voorr. VII, van alle

provincin het armste is aan oude

schriftelijke oorkonden, dan is het pligt, ook uit andere voorwerpen


lichtstralen op te vangen. Dat licht zal toenemen en het leven van
den geest bevorderen, wanneer bij voortduring acht worde gegeven
op alles vreemds, wat er in onzen bodem en vooral in de terpen

wordt gevonden. Daarom roepen wij bij deze de belangstelling onzer


landgenooten hiervoor op nieuw dringend in, en verzoeken wij vriendelijk mededeeling van of omtrent het gevondene: want in schijnbaar
geringe voorwerpen ligt dikwijls veel belang, en kleine oorzaken
hebben soms groote gevolgen.
13-12-66.

w. EEIIIIFF.

_=<

Centres d'intérêt liés