Vous êtes sur la page 1sur 127

W E T T E N E N BESLUITEN

BETREFFENDE HET MUNTWEZEN IN


NEDERLAND EN DE KOLONIN ALSMEDE
BETREFFENDE HET STAATSMUNTBEDRIJF

1933

S-GRAVENHAGE TER A L G E M E E N E

LANDSDRUKKERIJ

W E T
van den 28sten Md 1901, tot nadere regeling van het Nederlandsche Muntwezen
(Staatsblad n. 132), gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 31 December
1906 (Staatsblad n. 376), 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253), 31 October 1912
(Staatsblad n. 324), 27 November 1919 (Staatsblad n. 786) en van 21 November
1924 (Staatsblad n. 525).
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te


weten;
Alzoo W i j in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk
is de wetten tot regeling van het Nederlandsche muntwezen door
ecne nieuwe wet te vervangen;
Zoo is het, dat W i j , den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk W i j goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
De rekeningseenheid van het Nederlandsche muntstelsel is de
gulden.
De gulden is verdeeld in honderd centen.
Artikel 2.
's Rijks munten zijn:
A. met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:
I.

tot ieder bedrag:

a. in goud:
het tienguldenstuk;
het vijfguldenstuk;

4
b. in zilver:
de rijksdaalder of twee en een halve gulden;
de gulden;
de halve gulden;
II. tot beperkt bedrag, de volgende pasmunten:
a. in zilver:
het vijf-en-twintig-centstuk;
het tien-centstuk;
b. in nikkel;
de stuiver of het vijf-centstuk;
c. in brons;
de twec-eneen-halve-cent;
de cent;
de halve cent.
B. zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:
de gouden dukaat.
Artikel 3.
Het staat ieder vrij gouden tienguldenstukken, vijfguldenstukken en dukaten te doen slaan aan 's Rijks Munt, wanneer
werkzaamheden voor het Rijk het niet verhinderen.
Rijksdaalders, guldens en halve guldens kunnen slechts worden
aangemunt voor rekening van het Rijk, ter vervanging van
zilveren munten, die van Rijkswege aan den omloop worden
of zijn onttrokken.
De pasmunt wordt uitsluitend voor rekening van het Rijk
geslagen.
Voor de aanmunting van zilveren pasmunt mogen alleen
Rijksmunten gebezigd worden.
Van het, in het tweede en vierde lid van dit artikel gestelde
verbod om rijksdaalders, guldens, halve guldens en zilveren pasmunt aan te munten anders dan uit zilver door versmelting van

5
Rijksmunten verkregen, kan door Ons afwijking worden toegestaan, wanneer de behoeften der circulatie zulks noodig maken.
De sommen benoodigd voor den aankoop van zilver worden op
de begrooting van Rijksuitgaven gebracht, welke door de wet
wordt vastgesteld.
Artikel 3 bis.
De winst op aanmuntingen verkregen wordt, na aftrek van
de kosten van aanmunting, besteed tot aankoop van inschrijvingen
in een of meer van de Grootboeken der Nationale Schuld, in te
schrijven onder een hoofd van rekening, luidende: Fonds uit
de zuivere winsten, verkregen uit aanmuntingen voor rekening
van het Rijk", dan wel tot aankoop van schuldbekentenissen, uitgegeven krachtens Nederlandsche leeningwetten. De renten van
de kapitalen van het fonds worden aan het fonds toegevoegd.
De kapitalen van het fonds kunnen uitsluitend worden vervreemd :
a. tot verkrijging van zoodanige bedragen, als noodig zijn
tot dekking van de ten laste van het Rijk komende verliezen
door de ontmunting of vermunting van munten geleden. De
opbrengst van de vervreemde kapitalen wordt verantwoord onder
de middelen tot dekking van de uitgaven van den dienst, welke
met de verliezen der ontmunting of vermunting wordt belast;
b. ten einde daarvoor andere Nationale Schuld aan te koopen,
wanneer het belang van het fonds zulks medebrengt.
Van de bedragen, welke ingevolge dit artikel besteed zijn tot
aankoop of ontvangen zijn wegens den verkoop van Nationale
Schuld, wordt jaarlijks eene rekening door Ons aan de StatenGeneraal overgelegd.
Artikel 4.
Onze Minister van Financin is gemachtigd om, wanneer
en in zoover als hij met het oog op den toestand van het
Nederlandsche muntwezen noodzakelijk acht, een bedrag van
ten hoogste vijf en twintig mlioen gulden in Nederlandsche

6
rijksdaalders te doen versmelten tot baren en die baren, door
tusschenkomst van de Nederlandsche Bank, te verkoopen.
Alvorens van deze machtiging gebruik te maken, wint Onze
voornoemde Minister de voorlichting in van de afdeeng van
den Raad van State, die tot het Departement van dezen Minister
in betrekking staat.
Het advies door 'sRaads afdeeling uitgebracht wordt, zoodra
's lands belang zulks toelaat, aan de Staten-Generaal medegedeeld.
De op grond van dit artikel aan den omloop onttrokken
rijksdaalders kunnen niet door andere zilveren munten vervangen
worden.
Artikel 5.
Niemand is verplicht zilveren pasmunt tot een hooger bedrag
dan van tien gulden, nikkelen pasmunt tot een hooger bedrag
dan van een gulden of bronzen pasmunt tot een hooger bedrag
dan van vijf en twintig cent aan te nemen.
Artikel 6.
De in artikel 2 genoemde munten hebben een gehalte, gewicht
en middellijn, benevens eene op het gehalte en op het gewicht
toegestane ruimte, zoowel boven als onder, gelijk bepaald is als
volgt:

Gehalte

Gewicht

Muntsoort.
ruimte.

wettelijk.

ruimte.

duizendsten

duizendsten

gram

duizendsten

millimeters

10 gulden

900

i,j

6,720

22,5

< j gulden.

900

1,5

5,360

2,5

18,0

983

1,0

3,494

21,0

25,000

38,0

10,000
5,000
3,575

j
6

28,0
22,0
19,0

I
Goud

Middellijn.
wettelijk.

2% gulden . j

dukaat.

gulden. >
% gulden . 1
2j cent . . /
>
10 cent . . \
J

Nikkel j cent

2% cent .
v cent . .
/ ,/
[ Ti cent .

720

J,o

040

4,0

1,400

_tkk
'
f 750 koper
2

. j 950 koper
. > 40 tin
1
. ,
. j 10 zink

! 1

15

l,

1 0
4 > J O O

10 koper
10 koper
5 tin
. ,
5 zink

l 8

1
4,000
2,500
1,250

(
P
(derd stukken.
)
tn

h o n

15,0
vierkant met zijden van
.M. behoudens de
afronding der hoeken.
millimeters
ffl

23,5
J,o
i

4 > 0

8
Artikel 7.
De beeldenaar der gouden tienguldenstukken is:
op de voorzijde Ons borstbeeld, tot omschrift voerende: Onzen
door het woord Koning (Koningin) voorafgeganen naam en de
spreuk: God zij met ons;
op de keerzijde het wapen des Rijks met de Koninklijke Kroon,
tusschen de waarde-aanduiding 10 G . , wijders het jaartal, het
opschrift: Koningrijk, der Nederlanden, benevens het muntteeken
en het muntmeestersteeken.
Deze stukken worden i n den ring gemunt en hebben een
kartelrand.
Artikel 7 bis.
De beeldenaar der gouden vijfguldenstukken is:
op de voorzijde Ons borstbeeld, tot omschrift voerende: Onzen
door het woord Koning (Koningin) voorafgeganen naam;
op de keerzijde het wapen des Rijks met de Koninklijke Kroon,
tusschen de waarde-aanduiding 5 G . , wijders het jaartal en het
opschrift: Koningrijk, der Nederlanden.
Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben een
kartelrand.
Artikel 8.
De beeldenaar der rijksdaalders, guldens en halve guldens is:
op de voorzijde Ons borstbeeld, tot omschrift voerende: Onzen
naam, met de woorden: Koning (Koningin) der Nederlanden;
op de keerzijde het wapen des Rijks met de Koninklijke Kroon,
tusschen de waarde-aanduiding 2'l G . , 1 G . , '/> G., tot omschrift
voerende: Munt van het Koningrijk der Nederlanden, benevens
het jaartal, het muntteeken en het muntmeestersteeken.
Deze stukken worden in den ring gemunt.
de rijksdaalder en de gulden hebben tot randschrift: God zij
met ons.
De halve gulden heeft een kartelrand.
2

9
Artikel 9.
De beeldenaar der zilveren pasmunt is:
op de voorzijde Ons borstbeeld, met een omschrift gelijk aan
dat der rijksdaalders, guldens en halve guldens;
op de keerzijde de waarde-aanduiding 25 cents en 10 cents,
tusschen twee eikentakken, benevens het jaartal, het muntteeken
en het muntmeestersteeken.
De stukken worden in den ring gemunt en hebben een
kartelrand.
Artikel 9 bis.
De beeldenaar der nikkelen pasmunt is:
op de voorzijde: de woorden Koningrijk, der "Nederlanden,
waarbinnen een oranjetak;
op de keerzijde: de waarde-aanduiding 5 c. en het jaartal.
De stukken hebben den vorm van een vierkant; de hoekpunten
zijn afgerond.
Artikel 10.
De beeldenaar der bronzen pasmunt is:
op de voorzijde de gekroonde leeuw, houdende het zwaard
en den pijlbundel, op een met blokken bezaaid veld, binnen een
parelrand, daaromheen het omschrift: Koningrijk der Nederlanden, met het jaartal, benevens het muntteeken en het muntmeestersteeken;
op de keerzijde de waarde-aanduiding 2'/i cent, 1 cent,
'2 cent, tusschen twee oranjetakken.
Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben een
kartelrand.
Artikel

n.

De beeldenaar van den gouden dukaat is:


op de voorzijde een geharnaste man tusschen de cijfers van het
jaartal, met het omschrift: Concordia res parvae crescunt,
benevens het muntteeken en het muntmeestersteeken;

IO

op de keerzijde binnen een versierd vierkant: Mo: aur: reg:


Belgii ad legem imperii.
De stukken worden gemunt op den vrijen stempel en hebben
een kabelrand.
Artikel 12.
Bij Koninklijk besluit worden de kantoren aangewezen, waar
de pasmunt tegen rijksdaalders, guldens en halve guldens kan
worden ingewisseld, mits het aangeboden bedrag niet minder zij
dan vijftig gulden in zilveren, of tien gulden i n nikkelen of
bronzen pasmunt.
Artikel 13.
's Rijks Munt is niet verplicht partijen goud aan te munten
in tienguldenstukken en vijfguldenstukken beneden driehonderd
kilogram en in dukaten beneden honderd kilogram.
Artikel 14.
Het muntloon kan voor gouden tienguldenstukken niet hooger
worden gesteld dan op vijf gulden per kilogram werks.
Artikel 15.
In de Staatscourant wordt door Onzen Minister van Financin
jaarlijks medegedeeld hoeveel van elke muntsoort in het afgeloopen jaar:
a. voor rekening zoowel van bijzondere personen als van het
Rijk is aangemunt;
b.

van Rijkswege is ingetrokken.


Artikel 16.

Munten, welke anders dan door slijting in gewicht zijn verminderd, worden in 's Rijks schatkist niet aangenomen.
Niemand is gehouden ze aan te nemen.

11
Artikel 17.
De munten, die vermoed worden valsch, vervalscht of opzettelijk geschonden te zijn, kunnen door eiken houder aan den
muntmeester van 's Rijks Munt ter beoordeeling worden opgezonden.
De ambtenaren, met ontvangsten voor de kassen van openbare
lichamen of instellingen belast, zijn tot de bedoelde opzending
van dergelijke in hunne handen komende munten verplicht,
nadat zij, desgevraagd, een ontvangbewijs aan den houder hebben
uitgereikt.
De genoemde met ontvangsten belaste ambtenaren geven van
de aanhouding onverwijld kennis aan den officier van justitie en
gaan veertien dagen daarna tot de opzending aan den muntmeester over, tenzij het aangehouden muntstuk inmiddels door
den officier van justitie ten behoeve van eenig strafrechtelijk
onderzoek opgevorderd zij.
Ingeval de uitspraak van den muntmeester het vermoeden
bevestigt, worden de ter beoordeeling ontvangen munten door
dien ambtenaar doorgesneden en aan den inzender teruggegeven.
Op uitdrukkelijk verlangen van den justitie-ambtenaar door
wien de inzending is geschied kan een munt, bedoeld in het
vorig lid, ongeschonden worden teruggegeven.
Alleen tegen vergoeding van de nominale waarde kan de
muntmeester, zoo hij dit wenschelijk acht en de officier van
justitie er zich niet tegen verzet, een stuk terughouden.
Ingeval de uitspraak het vermoeden niet bevestigt, worden
dezelfde of andere gave munten teruggegeven.
Artikel 18.
Van Rijkswege worden ingetrokken en vermunt:
a.

alle gebrekkig bewerkte munten;

b. alle munten, niet begrepen onder die bedoeld bij artikel 17,
vierde lid, welke door den omloop zoozeer zijn afgesleten, dat

12
hun beeldenaar geheel of gedeeltelijk onzichtbaar is, of die door
andere oorzaken voor den omloop ongeschikt zijn geworden;
c. de tienguldenstukken, vijfguldenstukken, rijksdaalders,
guldens en halve guldens, die door slijting in den omloop in
gewicht zijn gedaald:
de tienguldenstukken en vijfguldenstukken
5 duizendsten of meer;
rijksdaalders

15

guldens
3

,, halve guldens
4

benevens hun wettelijk gewicht.


De wijze van intrekking wordt bij algemeenen maatregel van
bestuur geregeld.
Artikel 18 bis.
De invoer van in Duitschland of Belgi gangbare munt van
zilver of onedel metaal is verboden.
Deze bepaling geldt niet indien het ingevoerde niet meer
bedraagt dan, i n zilver, veertig mark of vijftig francs, in onedel
metaal, tien mark of twaalf en een halve franc.
Artikel 19.
Het is verboden vreemde zilveren, nikkelen, bronzen of
koperen munten in betaling te geven.
Deze bepaling geldt niet voor bij algemeenen maatregel van
bestuur aan te wijzen gemeenten. Onverminderd echter blijft ook
daar ieders bevoegdheid om wettige betaalmiddelen te eischen.
Artikel 20.
Het is aan de in artikel 17, 2de lid, bedoelde ambtenaren,
alsook aan pachters en onderpachters van inkomsten van openbare
lichamen of instellingen, verboden bij ontvangsten, die zij als
zoodanig doen, vreemde munten in betaling aan te nemen.

13
Deze bepaling geldt niet voor de gemeenten, bedoeld in art. 19,
2de lid.
Artikel 21.
Overtreding van eene der verbodsbepalingen van de artikelen
iSbis, 19 en 20 wordt gestraft met geldboete van ten hoogste
vijf en zeventig gulden.
Indien tijdens het plegen der overtreding nog geen twee jaren
zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den
schuldige wegens overtreding van een der bepalingen dezer wet
onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met geldboete van
ten hoogste vijfhonderd gulden.
Artikel 22.
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd
als overtredingen.
Met het opsporen van de overtredingen van artikel 18 bis
zijn, behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen personen, belast de ambtenaren van de invoerrechten
en accijnzen.
OVERGANGSBEPALING.

Artikel 23.
Ter verwisseling van munten, die in Duitschland, en van
munten, die i n Belgi in de publieke kassen worden aangenomen,
wordt, overeenkomstig bepalingen vast te stellen bij algemeenen
maatregel van bestuur, in bij dien maatregel aan te wijzen
gemeenten gelegenheid gegeven gedurende een tijdperk van ne
maand na het in werking treden dezer wet.
De verwisseling geschiedt tot door Ons te bepalen koersen,
doch op geen hoogeren voet dan van 59 cent voor de mark,
47V2 cent voor den frank.

14
SLOTBEPALINGEN.

Artikel 24.
Waar in wetten of Koninklijke besluiten het woord standpenningen" is gebezigd, worden daaronder verstaan munten met
de hoedanigheid van wettig betaalmiddel tot ieder bedrag.
Artikel 25.
Deze wet kan worden aangehaald als de Muntwet 1901".
Zij treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag.
Met dien dag worden buiten werking gesteld de wetten van
26 November 1847 {Staatsblad n. 69), van 6 Juni 1875
(Staatsblad n. 117), van 28 Maart 1877 (Staatsblad n. 43),
van 9 December 1877 (Staatsblad n. 215) en van 27 April
1884 (Staatsblad n. 97).
De overeenkomstig die wetten geslagen munten, welke niet
reeds buiten omloop zijn gesteld, blijven op den bestaanden voet
gangbaar, zoolang hare buitenomloopstelling niet bij de wet wordt
bevolen.

Artikel

7 der

wet van 31 December

1906

(Staatsblad

n. 376).
De zilveren 5 centstukken, overeenkomstig de wet van
26 November 1847 (Staatsblad n. 69) geslagen, worden op
het tijdstip en op de wijze bij algemeenen maatregel van bestuur
te bepalen, buiten omloop gesteld, nadat tot inwisseling daarvan
gedurende ten minste drie maanden gelegenheid is gegeven.
Tot het tijdstip dier buitenomloopstelling blijven deze munten,
behoudens de bepalingen van artikel 5 en 12 der Muntwet 1901,
wettig betaalmiddel.

15
Artikel 12 der wet van 31 October 1912 (Staatsblad n. 324).
De nikkelen 5 centstukken, overeenkomstig de wet van
31 December 1906 (Staatsblad n. 376) geslagen, worden op
het tijdstip en op de wijze bij algemeenen maatregel van bestuur
te bepalen, buiten omloop gesteld, nadat tot inwisseling daarvan
gedurende ten minste drie maanden gelegenheid is gegeven.
Tot het tijdstip dier buitenomloopstelling blijven deze munten,
behoudens de bepalingen van artikel 5 en 12 der Muntwet 1901,
wettig betaalmiddel.
Artikel 13 der wet van 31 October 1912 (Staatsblad n. 324).
Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging,
met dien verstande, dat gouden vijfguldenstukken niet worden
aangemunt vr een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Artikel 3 der wet van 27 November 1919 (Staatsblad n. 786).


De rijksdaalders, guldens en halve guldens, geslagen overeenkomstig de wettelijke bepalingen, zooals die luidden vr den
in het volgend artikel genoemden dag, blijven op den bestaanden
voet gangbaar totdat zij, volgens de bij algemeenen maatregel
van bestuur vast te stellen regelen, buiten omloop zijn gesteld.
Artikel 4.
Deze wet treedt in werking met 1 Januari 1920.

i6
WET
den 3isten October 1912, houdende nadere regeling van het Nederlandsch-Indische Muntwezen (Staatsblad n. 325), gewijzigd bij de wetten van
27 November 1919 (Staatsblad n. 786), van 24 April 1929 (Staatsblad n. 196)
en van 8 Juli 1932 (Staatsblad n. 343).
v a n

WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te


weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk
is de wetten tot regeling van het Nederlandsch-Indische muntwezen door eene nieuwe wet te vervangen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
De rekeningseenhcid van het muntstelsel in NederlandschIndi is de gulden.
De gulden is verdeeld in honderd centen.
Artikel 2.
Wettige munten in Nederlandsch-Indi

zijn:

A. met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:


I. tot ieder bedrag:
a. in goud:
het tienguldenstuk;
het vijfguldenstuk;

17
b. in zilver:
de rijksdaalder of twee en een halve gulden;
de gulden;
de halve gulden;
II. tot beperkt bedrag, de volgende pasmunten:
a. in zilver:
het stuk van '4 (een vierde) gulden;
het stuk van '/i (een tiende) gulden;
b. in nikkel:
het vijfcentstuk;
c.

i n koper:

het twee- en een halve centstuk;


de cent;
de halve cent;
B. zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:
de gouden dukaat.
Artikel 3.
Rijksdaalders, guldens en halve guldens kunnen slechts voor
rekening van den Lande worden aangemunt, ter vervanging van
Nederlandsche of Nederlandsch-Indische wettige zilveren munten,
die aan den omloop worden of zijn onttrokken.
Aanmunting van pasmunt voor Nederlandsch-Indi geschiedt
alleen voor rekening van den Lande.
Voor de aanmunting van zilveren pasmunt mogen alleen
Nederlandsche of Nederlandsch-Indische wettige munten gebezigd
worden.
Van het i n het eerste en i n het derde lid van dit artikel gestelde
verbod om rijksdaalders, guldens, halve guldens en zilveren
pasmunt aan te munten anders dan uit zilver door versmelting
van Nederlandsche of Nederlandsch-Indische wettige munten
verkregen, kan door Ons, op voordracht van Onze Ministers van
Kolonin en van Financin, afwijking worden toegestaan, wan2

i8
neer de behoeften der circulatie zulks noodig maken. De sommen,
benoodigd voor den aankoop van zilver, worden op de begrooting
van Nederlandsch-Indie gebracht, welke door de wet wordt vastgesteld.
Artikel 4.
De winst, op aanmuntingen van munten verkregen, wordt,
na aftrek van de kosten van aanmunting, besteed tot aankoop
van inschrijvingen in een of meer van de Grootboeken der
Nationale Schuld, in te schrijven onder een hoofd van rekening,
luidende: Fonds uit de zuivere winsten, verkregen uit aanmuntingen voor rekening van Nederlandsch-Indi", dan wel tot
aankoop van schuldbekentenissen, uitgegeven krachtens Nederlandsche of Nederlandsch-Indische leeningwetten.
De renten van de Grootboekinschrijvingen en de andere schuldvorderingen van het fonds worden aan het fonds toegevoegd,
indien en voor zoolang de werkelijke waarde der beleggingen
ten tijde van het vervallen der renten minder bedraagt dan
70 percent van het verschil tusschen de nominale waarde van
de voor Nederlandsch-Indi vervaardigde munten, voor zoover
niet uit den omloop genomen, en de metaalwaarde dier munten,
wordende in mindering van het aldus gevonden bedrag gebracht
het verschil tusschen de nominale waarde van de uit den omloop
genomen en voor ommunting of vermunting voor NederlandschIndi gebezigde teekenmunten, welke vr 1913 werden
geslagen, en de metaalwaarde dezer munten, berekend naar een
zilvergehalte van 945 duizendste. Heeft de werkelijke waarde
gemeld percentage bereikt of overschreden, dan worden de
renten geboekt ten voordeele van de middelen van NederlandschIndi.
Tot grondslag van berekening worden genomen de Amsterdamsche beurskoersen van de Grootboekinschrijvingen en andere
schuldvorderingen benevens de groothandelsprijzen van de muntmetalen, een en ander op den laatsten afdoeningsdag in het jaar,
voorafgaande aan het betrokken dienstjaar.

19
Deze schuldvorderingen mogen uitsluitend worden VWvreemd:
a. ter verkrijging van zoodanige bedragen als noodig zijn tot
dekking van de ten laste van het Land komende verliezen door
de ontmunting of vermunting van munten geleden. De op deze
wijze verkregen opbrengst wordt verantwoord onder de middelen
tot dekking van de uitgaven van den dienst, welke met de
verliezen der ontmunting of vermunting wordt belast;
b. ten einde daarvoor andere Indische of Nationale Schuld
aan te koopen, wanneer het belang van het fonds zulks vordert.
Indien Onze Minister van Financin gebruik maakt van de
in artikel 4 der Muntwet 1901 gegeven machtiging, wordt in
het, op de daar bedoelde ontmunting geleden verlies, voor zoover
dit het gevolg is van ontmunting van zilveren munten met een
wettelijk gehalte van 945 duizendsten, door Nederlandsch-Indi
bijgedragen in verhouding van de hoeveelheid zilver, welke voor
rekening van Nederlandsch-Indi is aangekocht tot de hoeveelheid, welke door Nederland en Nederlandsch-Indi tezamen is
aangekocht. Voor zoover het verlies het gevolg is van ontmunting
van zilveren munten met een wettelijk gehalte van 720 duizendsten, draagt Nederlandsch-Indi in dezelfde verhouding bij i n een
zoodanig deel van dat verlies als overeenkomt met het verlies,
dat zou geleden zijn indien de opbrengst van het uit deze
ontmunting verkregen zilver ~ - maal de werkelijke opbrengst
had bedragen. In het meerdere, op de ontmunting van zilveren
munten met een wettelijk gehalte van 720 duizendsten geleden
verlies draagt Nederlandsch-Indi bij in verhouding van de
nominale waarde der zilveren munten met dat gehalte, welke
voor rekening van Nederlandsch-Indi zijn aangemimt, tot de
nominale waarde dier munten, welke voor rekening van Nederland en Nederlandsch-Indi tezamen zijn aangemunt. De aansprakelijkheid van Nederlandsch-Indi volgens de eerste twee
zinnen van dit lid, is echter beperkt tot het verlies, geleden op
de Qntmunting van een zoodanig bedrag aan munten als noodig
is ter verkrijging van eene hoeveelheid zilver, in gewicht gelijk-

20
staande met de hoeveelheid zilver, welke voor aanmuntingen voor
rekening van Nederlandsch-Indi is aangekocht. Bij de toepassing
van het bepaalde in den vorigen zin wordt aangenomen, dat de
hoeveelheid zilver, verkregen uit munten met een wettelijk
gehalte van 720 duizendsten, ^ maal de werkelijk verkregen
hoeveelheid bedraagt.
Van de bedragen, welke ingevolge dit artikel besteed zijn tot
aankoop of ontvangen zijn wegens vervreemding van Grootboekinschrijvingen, Nederlandsche en Nederlandsch-Indische
schuldvorderingen, wordt jaarlijks door Ons eene rekening aan
de Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 5.
Het tienguldenstuk, het vijfguldenstuk, de gouden dukaat,
de rijksdaalder, de gulden en de halve gulden, genoemd in
artikel 2, zijn de muntstukken van dien naam, zooals zij zijn
verordend bij de Muntwet 1901.
Artikel 6.
De in artikel 2 genoemde pasmunten hebben een gehalte,
gewicht en middellijn, benevens eene op het gehalte en op het
gewicht toegestane ruimte, zoowel boven als onder, gelijk
bepaald is als volgt:

Gehalte

Gewicht

Muntsoort.

Middellijn.

duizendsten

duizendsten

720 z i l v e r

250 n i k k e l

>
m

ruimte.

gram

duizendsten

10 n i k k e l

>

1,250

15

millimeters

n op honJ>0O0

750 k o p e r

10 k o p e r

15,0

21

wettelijk.

5 centstuk

lYi c e n t s t u k

ruimte.

V4 g u l d e n s t u k

wettelijk.

2I>0

I derd stukken
12,500

i n o p vijftig
c

>

koper

,8oo

Ytceat

25,5
stukken

2,300

I 7

,o

22
Artikel 7.
De beeldenaar der zilveren pasmunt is:
op de voorzijde 's Rijks wapen tusschen de waarde-aanduiding
,/
G., '/
->
NEDERL.-INDIE
benevens het jaartal, het muntteeken en het muntmeestersteeken,
en op de keerzijde de waarde-aanduiding in de Maleische en
Javaansche talen.
G

h e t

De stukken worden in den ring gemunt en hebben een kartelrand.


Artikel 8.
De beeldenaar der nikkelen pasmunt is:
op de voorzijde de Koninklijke kroon, de waarde-aanduiding
5 ct het opschrift N E D E R L A N D S C H - I N D I E en het jaartal,
en op de keerzijde de waarde-aanduiding in de Maleische en
Javaansche talen.
De stukken worden in den ring gemunt, hebben een gladden
rand en in het midden eene ronde opening.
Artikel 9.
De beeldenaar der koperen pasmunt is:
op de voorzijde 's Rijks wapen in een kring, tusschen het jaartal en voorts hierboven in het omschrift N E D E R L A N D S C H I N D I E ; onder de waarde-aanduiding: 2 /* cent, 1 cent, cent
en ter wederzijde het muntteeken en het muntmeestersteeken;
op de keerzijde, de waarde-aanduiding in de Maleische taal op
het veld en in de Javaansche taal voor het omschrift.
1

De stukken worden in den ring gemunt en hebben een gladden


rand.
Artikel 10.
Telken jare wordt in de Staatscourant en in de Javasche
Courant medegedeeld hoeveel van elke muntsoort:
a. voor rekening van den Lande is aangemunt;
b. van Regeeringswege in Nederlandsch-Indi is ingetrokken.

23
Artikel n .
Niemand is verplicht zilveren pasmunt tot een hooger bedrag
dan van tien gulden, nikkelen pasmunt tot een hooger bedrag
dan van vijf gulden of koperen pasmunt tot een hooger bedrag
dan van twee gulden aan te nemen.
Artikel 12.
Door den Gouverneur-Generaal worden de landskassen
aangewezen, waar de pasmunt tegen rijksdaalders, guldens en
halve guldens kan worden ingewisseld.
Zoo noodig stelt hij tevens voor elke kas vast het aan zilveren,
nikkelen en koperen pasmunt aan te bieden bedrag, beneden
hetwelk geen inwisseling zal kunnen geschieden.
Artikel 13.
Munten, welke anders dan door slijting in gewicht zijn verminderd, worden in 's Lands kassen niet aangenomen.
Niemand is gehouden ze aan te nemen.
Artikel 14.
De munten, die vermoed worden valsch, vervalscht, opzettelijk
beschadigd of opzettelijk geschonden te zijn, kunnen door eiken
houder aan den Directeur van Financin ter beoordeeling
worden opgezonden.
De ambtenaren, met ontvangsten voor de kassen van openbare
lichamen of instellingen belast, in wier handen dergelijke munten
komen, zijn verplicht, nadat zij desgevraagd een ontvangbewijs
aan den houder hebben uitgereikt, die munten onverwijld op te
zenden aan den officier van justitie bij den raad van justitie,
binnen wiens rechtsgebied hun kas gevestigd is, indien de
aanhouding is geschied bij een Europeaan of daarmede gelijkgestelde, en aan het hoofd van plaatselijk bestuur, binnen wiens
ressort hun kas gevestigd is, indien de aanhouding is geschied
bij een Inlander of daarmede gelijkgestelde. De officier van
justitie of het hoofd van plaatselijk bestuur overwegen of de
aangehouden muntstukken benoodigd zijn voor eenig strafrech-

24
terlijk onderzoek en zenden ze, zoo dit niet het geval is, aan den
Directeur van Financin.
...
Ingeval de uitspraak van den Directeur van Financien het
vermoeden bevestigt, worden de ter beoordeeling ontvangen
munten door of vanwege dien Departements-chef doorgesneden
en aan den inzender teruggegeven.
Op uitdrukkelijk verlangen van den officier van justitie ot het
hoofd van plaatselijk bestuur, door wien de inzending is geschied,
kan een munt bedoeld in het vorig lid, in onveranderden staat
worden teruggegeven.
Alleen tegen vergoeding van de nominale waarde kan de
Directeur van Financin, zoo hij dit wenschelijk acht en de
betrokken ambtenaar van gerechtelijke politie (officier van
justitie, hoofd van plaatselijk bestuur) er zich niet tegen verzet,
een stuk terughouden.
Ingeval de uitspraak het vermoeden niet bevestigt, worden
dezelfde of andere gave munten teruggegeven.
Artikel 15.
V a n Regeeringswege worden ingetrokken en vermunt:
a alle gebrekkig bewerkte munten;
b. alle munten, niet begrepen onder die bedoeld bi) artikel 14 derde lid, welke door den omloop zoozeer zijn afgesleten,
dat hun beeldenaar geheel of gedeeltelijk onzichtbaar is, of die
door andere oorzaken voor den omloop ongeschikt zijn geworden;
c de tienguldenstukken, vijfguldenstukken, rijksdaalders,
guldens en halve guldens, die door slijting in den omloop in
gewicht zijn gedaald:
de tienguldenstukken en vijfguldenstukken
5 duizendsten of meer;
rijksdaalders
*5

guldens
30
halve guldens
4

beneden hun wettelijk gewicht.


De wijze van intrekking wordt bij ordonnantie geregeld.

25
Artikel 16.
Het is verboden andere zilveren, nikkelen, bronzen of koperen
munten in betaling te geven of te nemen dan de munten i n
artikel 2 dezer wet bedoeld.
Deze bepaling geldt niet voor de gedeelten van NederlandschIndi bij ordonnantie aan te wijzen, en voor zoodanige munten
alsdan bij die ordonnantie aangegeven, met dien verstande echter,
dat ook in die gebiedsdeelen onverminderd blijft ieders bevoegdheid om wettige betaalmiddelen te eischen, en het aldaar aan de
in den aanhef van het tweede lid van artikel 14 dezer wet
bedoelde ambtenaren verboden is bij ontvangsten, die zij als
zoodanig doen, andere dan de munten, in artikel 2 dezer wet
bedoeld, in betaling aan te nemen.
Artikel 17.
De strafbepalingen tegen overtreding van artikel 16 worden
bij ordonnantie vastgesteld.
Artikel 18.
Waar in algemeene verordeningen het woord standpenningen"
is gebezigd, worden daaronder verstaan munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel tot ieder bedrag.
Artikel 19.
Deze wet kan worden aangehaald als Indische Muntwet
1912". Zij treedt in werking op een nader bij ordonnantie te
bepalen dag.
Met dien dag wordt buiten werking gesteld de wet van
1 Mei 1854 (Staatsblad n. 75), zooals die laatstelijk is gewijzigd
bij de wet van 11 Januari 1901 (Staatsblad n. 31).
De krachtens de wet van 1854 (Staatsblad n. 75) en de
wijzigingswetten van 20 April 1855 (Staatsblad n. 12),
28 Maart 1877 (Staatsblad n. 42) en 11 Januari 1901 (Staatsblad n. 31) in omloop gebrachte munten met uitzondering van
de zilveren '/^-guldenstukken, blijven op den bestaanden voet

26
gangbaar, zoolang hare buitenomloopstelling niet bij de wet wordt
bevolen. De zilveren "/^-guldenstukken worden op het tijdstip en
op de wijze bij ordonnantie te bepalen buiten omloop gesteld,
nadat tot inwisseling daarvan gedurende ten minste drie maanden
gelegenheid zal zijn gegeven. Tot het tijdstip dier buitenomloopstelling blijven deze munten, behoudens de bepalingen van de
artikelen n en 12 dezer wet, wettig betaalmiddel.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's Gravenhage, den 31 sten October 1912.
W I L H E L M I N A .
De Minister van

Kolonin,

DE W A A L MALEFIJT.

Uitgegeven den zestienden November 1912.


De Minister van Justitie,
E. R. H . REGOUT.

27

WET
van den isten Juli 1909, houdende regeling van het Muntwezen in de kolonie
Suriname (Staatsblad n. 212), gewijzigd bij de wet van 27 Maart 1915
(Staatsblad n. 166).
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluutl doen te


weten:
Alzoo W i j in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is eenige nadere voorzieningen te treffen omtrent het muntwezen in de kolonie Suriname;
Zoo is het, dat W i j , den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk W i j goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel i .
Ieder schuldeischer kan betaling vorderen in wettige betaalmiddelen.
Wettige betaalmiddelen in de kolonie Suriname zijn:
a. tot ieder bedrag:
i.

in goud:

het Nederlandsche tienguldenstuk en vijf guldenstuk;


2.
0

i n zilver:

de Nederlandsche rijksdaalder, gulden en halve gulden;


b. tot beperkt bedrag de volgende Nederlandsche pasmunten;
i.

tot een bedrag van tien gulden:


in zilver:

het vijfentwintigcentstuk en het tiencentstuk;

28
2.

tot een bedrag van n gulden:


in nikkel:
de stuiver of het vijf centstuk;
3. tot een bedrag van vijfentwintig cent:
in brons:
de twee en een halve cent, de cent en de halve cent.
Artikel 2.
Bij besluit van den Gouverneur worden de kantoren aangewezen, waar de pasmunt tegen rijksdaalders, guldens en halve
guldens kan worden ingewisseld, mits het aangeboden bedrag
niet minder zij dan vijftig gulden in zilveren, of tien gulden in
nikkelen of bronzen pasmunt.
Artikel 3.
Het is verboden vreemde zilveren, nikkelen, bronzen of koperen munten in betaling te geven.
Bij koloniale verordening kunnen gedeelten van de kolonie
worden aangewezen, waarin dit verbod niet zal gelden.
Onverminderd echter blijft ook daar ieders recht om wettige
betaalmiddelen te eischen.
Artikel 4.
Het is aan de ambtenaren, met ontvangsten voor de kassen
van openbare lichamen of instellingen belast, verboden bij
ontvangsten, die zij als zoodanig doen, vreemde munten in
betaling aan te nemen.
Deze bepaling geldt niet voor de gedeelten der kolonie,
bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Artikel 5.
Op overtreding van de verbodsbepalingen, vervat in de artikelen
3 en 4, wordt bij koloniale verordening straf gesteld.

29
Artikel 6.
De tot dusver gangbare zilveren vijfcentstukken worden op
het tijdstip en op de wijze, bij besluit van den Gouverneur te
bepalen, buiten omloop gesteld, nadat tot inwisseling daarvan
gedurende ten minste eene maand gelegenheid is gegeven.
Tot het tijdsdp dier buitenomloopstelling blijven deze munten
wettig betaalmiddel en zijn daarop de bepalingen van de artikelen i en 2, voor zoover zij op zilveren pasmunt betrekking
hebben, toepasselijk.
Artikel 7.
Met het in werking treden van deze wet vervallen alle vroegere
wettelijke regelingen betreffende het muntwezen in de kolonie
Suriname.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegegeven ten paleize het Loo, den isten Juli 1909.
WILHELMINA.
De Minister van Kolonin,
IDENBURG.

Uitgegeven den drie en twintigsten Juli 1909.


De Minister van Justitie,
NELISSEN.

30

WET
van den 2 sten Mei 1899 (Staatsblad n. 126), houdende nadere regeling van
het Curacaosche Muntwezen, gewijzigd bij de wetten van den zden Januari 1900
(Staatsblad n. 5) en van 27 Maart 1915 (Staatsblad n. 167).
3

WIJ W I L H E L M I N A ,

BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER

NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te


weten;
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is eenige nadere voorzieningen te nemen omtrent het muntwezen in de kolonie Curacao;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen Verleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel i .
Iedere schuldverbintenis luidende op guldens, op een der
eilanden Curacao, Bonaire of Aruba vr het in werking treden
dezer wet aangegaan en die de schuldenaar bevoegd is op die
eilanden te kwijten, wordt geacht te zijn aangegaan in den gulden
Curacaosch courant, tenzij kwijting in den gulden Nederlandsch
courant uitdrukkelijk is bedongen of uit de overeenkomst voortvloeit.
,
Iedere schuldverbintenis, welke later wordt aangegaan, wordt
geacht te zijn aangegaan in den gulden Nederlandsch courant,
al ware anders bedongen.
Artikel 2.
Schuldverbintenissen in artikel 1 bedoeld, waarbij het Gouvernement eene der partijen is, worden geacht te zijn aangegaan
in den gulden Nederlandsch courant, tenzij het geldt gevolgen

31
van eene reeds bestaande in Curacaosch courant te kwijten
verbintenis.
Artikel 3.
De gulden Curacaosch courant wordt geacht een waarde te
bezitten van 0,94 gulden Nederlandsch courant.
Artikel 4.
Iedere schuldeischer kan betaling vorderen in wettige betaalmiddelen.
Wettige betaalmiddelen in de kolonie Curacao zijn de volgende
munten:
a. tot onbeperkt bedrag:
het Nederlandsche tienguldenstuk en vijfguldenstuk;
de Nederlandsche rijksdaalder, gulden en halve gulden;
de vreemde gouden munten, welke door Ons in de kolonie
Curacao gangbaar zijn verklaard, tegen de door Ons vastgestelde
koersen;
b. tot beperkt bedrag de volgende pasmunten:
i. in zilver tot een bedrag van tien gulden:
het Nederlandsche vijfentwintigcentstuk en tiencentstuk;
het Curacaosch stuk van % (een vierde) gulden en van ' / (een
tiende) gulden.
De beeldenaar der Curacaosche zilveren pasmunt is op de voorzijde het borstbeeld der Koningin met een omschrift gelijk aan
dat der Nederlandsche rijksdaalders, guldens en halve guldens,
en aan de keerzijde 's Rijks wapen tusschen de aanduiding der
geldswaarde '/
G . en ' /
G . , benevens het jaartal
en het omschrift Kolonie Curacao". Deze stukken worden in
den ring gemunt en hebben een kartelrand. Zij hebben hetzelfde
gehalte en gewicht en dezelfde middellijnen als de Nederlandsche
zilveren pasmunt van dezelfde waarde;
I0

I0

2. in nikkel tot een bedrag van n gulden:


het Nederlandsche vijf centstuk;

32
3. in brons tot een bedrag van vijf en twintig cent:
de Nederlandsche twee en een halve cent, cent en halve cent.
Artikel 5.
Tot inwisseling van bij het in werking treden van deze wet
in de kolonie in omloop zijnde vreemde muntspecin, welke met
krachtens artikel 4 in de kolonie Curacao gangbaar zijn verklaard,
tegen Nederlandsche munt of koloniale pasmunt wordt gedurende
n maand na dat in werking treden de gelegenheid opengesteld
bij de daartoe door den Gouverneur aan te wijzen landskassen
in de kolonie.
De Gouverneur stelt, met inachtneming van Onze bevelen,
vast, welke soorten van muntspecin ter inwisseling worden
aangenomen, en tegen welke koersen.
Geldstukken welke meer dan 10 per mille van hun gewicht
verloren hebben, worden niet ter inwisseling aangenomen.
Artikel 6.
Deze wet treedt in de kolonie Curacao in werking op een
door Ons vast te stellen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Knigswinter, den 23sten Mei 1899.
W I L H E L M I N A .
De Minister van

Kolonin,

CREMER.

Uitgegeven den derden Juni 1899.


De Minister van Justitie,
CORT V . D. LINDEN.

33

KONINKLIJK BESLUIT
van den isden April 1520 (Staatsblad n. 184), houdende regeling van de
wijze, waarop de in artikel 3 der wet van 27 November 1919 (Staatsblad
n. 786), bedoelde rijksdaalders, guldens en halve guldens buiten omloop
worden gesteld, gewijzigd bij Koninklijke Betluiten van 1 April 1931 (Staatsblad
n. 145) en van 10 October 1931 (Staatsblad n. 417).
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Gelet op artikel 3 der wet van den 27sten November 1919


(Staatsblad n. 786), tot wijziging van de Muntwet 1901"
en van de Indische Muntwet 1912";
Op de voordracht van Onze Ministers van Financin en van
Kolonin, van den iden Maart 1920, n. 183, Generale
Thesaurie, en van den iden Maart 1920, n 1, 2de afdeeling;
Den Raad van State gehoord (advies van den 30sten Maart
1920, n. 4 0 ) ;
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers,
van den 7den April 1920, n. 129, Generale Thesaurie, en van
den i2den April 1920, n. 66, 2de afdeeling;
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen als volgt:
Artikel 1.
De rijksdaalders, guldens en halve guldens, bedoeld in artikel 3
der wet van 27 November 1919 (Staatsblad n 786), tot wijziging van de Muntwet 1901" en van de Indische Muntwet
1912", worden buiten omloop gesteld op de tijdstippen,, welke
onderscheidenlijk worden vastgesteld door Onzen Minister van
Financin voor Nederland en door Onzen Minister van Kolonin
\oor Nederlandsch-Indi,
voor Suriname en voor Curacao.
3

34
Artikel 2.
De in het vorig artikel bedoelde rijksdaalders, guldens en
halve guldens zullen onderscheidenlijk in Nederland, in Nederlandsch-Indi, in Suriname en in Curacao tot elk bedrag kunnen
ingewisseld worden, in Nederland gedurende drie maanden en
in elk der Kolonin gedurende twee maanden na het tijdstip,
dat volgens het bepaalde in artikel 1 is vastgesteld. Deze inwisseling geschiedt in Nederland aan door Onzen Minister van
Financin aan te wijzen kantoren en in de Kolonin bij daartoe
door den Gouverneur-Generaal of door den Gouverneur aan te
wijzen landskassen in die Kolonie.
Onze Minister van Financin is bevoegd den hierboven genoemden termijn van drie maanden te verlengen dan wel de
gelegenheid tot inwisseling opnieuw open te stellen.
Artikel 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van den tweeden
dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin het is
geplaatst.
Onze Ministers van Financin en van Kolonin zijn, ieder
voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit,
hetwelk i n het Staatsblad zal worden geplaatst en Waarvan
afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
's Gravenhage, den i5den April 1920.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
D E VRIES.

De Minister van Kolonin,


DE GRAAFF.

Uitgegeven den zeven en twintigsten April 1920.


De Minister van Justitie,
HEEMSKERK.

35

KONINKLIJK BESLUIT
van den i2den December 1901, regelende de wijze van intrekking van manten,
die ingevolge artikel 18, iste lid, der Muntwet 1901 moeten worden ingetrokken
en vermunt (Staatsblad n. 265), gewijzigd bij Koninklijke Besluiten van 9 September 1909 (Staatsblad n. 306), van 16 December 1912 (Staatsblad r. . 434)
en van 17 Juni 1926 (Staatsblad n. 200).
c

WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER


NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Gezien artikel 18 der Muntwet 1901 (wet van 28 Mei 1901


(Staatsblad n. 132));
Op de voordracht van Onze Ministers van Financin van den
iden November i
, n. 71, Generale Thesaurie en van
Waterstaat, Handel en Nijverheid van den i2den November
1901, n. 4127, Posterijen en Telegraphie;
9

Den Raad van State gehoord (advies van den 2sten November 1901, n. 16);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van
den 28sten November 1901, n. 91, Generale Thesaurie en
6 December 1901, n. 4410, Posterijen en Telegraphie; 1
Hebben goedgevonden en verstaan:
ten aanzien van de intrekking van voor den omloop ongeschikte
munten te bepalen als volgt:
Artikel 1.
Van Rijkswege worden ingetrokken:
a.

alle gebrekkig bewerkte munten;

b. alle munten niet begrepen onder die bedoeld bij artikel 17, de lid, der Muntwet 1901, welke door den omloop
zoozeer zijn afgesleten, dat hun beeldenaar geheel of gedeeltelijk
4

36
onzichtbaar is, of die door andere oorzaken voor den omloop
ongeschikt zijn geworden;
c. de tienguldenstukken, vijfguldenstukken, rijksdaalders,
guldens en halve guldens, die door slijting in den omloop i n gewicht zijn gedaald:
de tienguldenstukken en vijfguldenstukken, 5 duizendsten of
meer,
de rijksdaalders, 15 duizendsten of meer,
de guldens, 30 duizendsten of meer,
de halve guldens, 40 duizendsten of meer,
beneden hun wettelijk gewicht.
Artikel 2.
De ontvangers der directe belastingen, invoerrechten en accijnzijn en de ontvangers der registratie en domeinen geven de door
hen ontvangen munten, die naar hunne zienswijze vallen in de
omschrijving van artikel 1 van dit besluit, niet meer uit, maar
nemen die, afgescheiden van de overige waarden, ten minste
eens per kwartaal op in eene storting op hunne postrekening.
Artikel 3.
De directeuren der post-, en der post- en telegraafkantoren
geven eveneens de door hen ontvangen munten, die naar hunne
zienswijze vallen in de omschrijving van artikel 1 van dit besluit,
niet meer uit, doch zenden ze met die ingevolge artikel 2 ontvangen, ten minste eens per halfjaar, door tusschenkomst van de
directeuren der postkantoren in gemeenten, waar de hoofdbank,
de bijbank of een agentschap der Nederlandsche Bank is gevestigd, aan den directeur van het postkantoor te Utrecht, door wiens
bemiddeling alle ingetrokken munten bij den muntmeester
worden overgebracht.
Artikel 4.
Een ieder is bevoegd munten, welke zijns inziens vallen i n de
omschrijving van artikel 1 van dit besluit, op te zenden aan den
muntmeester ter beoordeeling.

37
Indien deze bevindt, dat de stukken ingevolge artikel 18, iste
lid der Muntwet 1901 moeten worden ingetrokken, geeft hij
andere gave munten daarvoor in de plaats; in het tegenovergestelde geval geeft hij de ingezonden stukken terug.
Artikel 5.
De muntmeester onderzoekt alle munten hem toegezonden
ingevolge de artikelen 3 en 4 van dit besluit. Die welke niet
behoeven te worden ingehouden, brengt hij, behoudens het
bepaalde bij artikel 4, 2de lid, weder in omloop, de andere houdt
hij onder zijne berusting om te gelegener tijd vermunt te worden.
Artikel 6.
Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin
het geplaatst is.
Onze Ministers van Financin en van Waterstaat, Handel en
Nijverheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat
gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden
geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den
Raad van State.
Het Loo, den i2den December 1901.
WILHELMINA.
De Minister van Financin,
HARTE V A N TECKELENBURG.

De Minister van Waterstaat,


Handel en Nijverheid,
D E MAREZ OIJENS.

Uitgegeven den dertigsten December 1901.


De Minister van Justitie,
J. A . L O E F F .

38
KONINKLIJK BESLUIT
van den 7den Mei 1926, houdende aanwijzing der kantoren, waar de pasmunt tegen rijksdaalders, guldens en halve guldens kan worden ingewisseld
(Staatsblad n. 112).
WIJ W I L H E L M I N A, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Gelet op artikel 12 der Muntwet 1901;


Mede gelet op artikel 14 der Bankwet 1919 (Staatsblad
n. 553 van 1918);
Op de voordracht van Onze Ministers van Financin en van
Waterstaat van 9 April 1926 n. 103, afd. Gen. Thes., en van
30 April 1926, n. 7, A f d . Posterijen en Telegrafie;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Artikel t.
Als kantoren, waar de Nederlandsche pasmunt, mits voor niet
minder dan eene waarde van vijftig gulden in zilveren of van
tien gulden in bronzen en nikkelen pasmunt, tegen rijksdaalders,
guldens en halve guldens inwisselbaar zal zijn, worden aangewezen;
A . de Nederlandsche Bank te Amsterdam;
B. alle post- en post- en telegraafkantoren en verder alle door
den Directeur-Generaal der Posterijen en Telegrafie aan te wijzen
kantoren der Posterijen.
Artikel 2.
De regeling van de dagen en uren, waarop de bij artikel 1,
sub B , aangewezen kantoren voor het daarbij omschreven doel
zullen geopend zijn, geschiedt door den Directeur-Generaal der
Posterijen en Telegrafie.

39
Artikel 3.
Met den dag van inwerkingtreding van dit besluit wordt
ingetrokken Ons besluit van 17 December 1901 (Staatsblad
n. 268), laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 25 Februari
1907 (Staatsblad n. 59).
Onze Ministers van Financin en van Waterstaat zijn belast
met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
Het Loo, den 7den Mei 1926.
WILHELMINA.
De Minister van Financin,
DE GEER.

De Minister van Waterstaat,


H. v. D . VEGTE.

Uitgegeven den negentienden Mei 1926.


De Minister van Justitie,
J. DONNER.

40

KONINKLIJK BESLUIT
van den 20sten Juni 1911 (Staatsblad n. 198), waarbij, met intrekking van het,
laatstelijk bij Koninklijk Besluit van 8 Augustus 1910 (Staatsblad n. 251),
gewijzigde Koninklijk Besluit van 24 December 1901 (Staatsblad n". 274),
de gemeenten zijn aangewezen, waar de bepaling van artikel 19, iste lid, der
Muntwet 1901 niet geldt, gewijzigd bij Koninklijke Besluiten van 14 December
1912 (Staatsblad n. 433), van 5 Augustus 1913 (Staatsblad n. 344), van 25 Juni
1914 (Staatsblad n. 292) en van 19 December 1914 (Staatsblad n. 565).
WIJ W I L H E L M I N A, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van


27 Mei 1911, n. 138, Generale Thesaurie;
Den Raad van State gehoord (advies van den i3den Juni
1911, n. 12);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister
van 23 Juni 1911, n. 94, Generale Thesaurie;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Artikel 1.
Ons besluit van 24 December 1901 (Staatsblad n. 274),
zooals dat is gewijzigd, laatstelijk bij Ons besluit van 8 Augustus
1910 (Staatsblad n. 251), wordt, te rekenen van 15 Juli 1911,
vervangen door het volgende:
Als gemeenten, waar het ingevolge artikel 19, 2de lid, der
Muntwet 1901 geoorloofd is, vreemde munten in betaling te
geven, worden aangewezen:
a. voor zilveren, nikkelen en koperen munten van het
Duitsehe Rijk.:
in de provincie Groningen:
de gemeenten Beerta, Nieuweschans, Bellingwolde en Vlagtwedde;
>'*

41
in de provincie Drenthe:
de gemeenten Schoonebeek, Coevorden en Sleen;
in de provincie Overijssel:
de gemeenten Losser en Lonneker;
in de provincie Gelderland:
de gemeenten Dinxperlo, Gendringen, Bergh, Zevenaar, Herwen en Aerdt, Millingen, Ubbergen en Groesbee\;
b. voor zilveren, nikkelen en koperen munten van het
Koninkrijk Belgi:
in de provincie Zeeland:
de gemeenten Cadzand, Retranchement, Eede, St.
Kruis,
Philippine, Sas van Gent, Westdorpe, Zuiddorpe, Overslag,
Koewacht, St. Janssteen, Clinge en Grauw en Langendam;
in de provincie Noordbrabant:
de gemeenten Ossendrecht, Putten, Huybergen, Ginneken,
Chaam, Baarle-Nassau, Reusel, Borkel en Soerendon\;
c.

voor zilveren munten van het Koninkrijk

in de provincie Zeeland:
de gemeenten Sluis, ljzendij\e,
Hulst;

Belgi:

Aardenburg, Biervliet, Axel en

in de provincie Noordbrabant:
de gemeenten Rosendaal, Hilvarenbee\,

Luykjgestel en Budel;

d. voor zilveren, nikkelen en koperen munten van het


Duitsche Rijk.: de gemeente Vaals in de provincie Limburg.
Artikel 2.
Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na dien
der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant,
waarin het geplaatst is.

42
Onze Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit
besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan den Raad van State.
Het Loo, den 29sten Juni 1911.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

Uitgegeven den zevenden Juli 1911.


De Minister van Justitie,
E. R. H. REGOUT.

43

WET
var, den 28sten Mei 1901, houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg
over de zaken der Munt (Staatsblad n. 130), gewijzigd bij de wet van 1 Juli
1909 (Staatsblad n. 253).
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te


weten:
Alzoo W i j in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is te herzien de wet van den isten Juni 1850 (Staatsblad
- 5)> gewijzigd bij de wet van 2 Januari 1899 (Staatsblad
n. 11), omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt;
n

Zoo is het, dat W i j , den Raad van State gehoord, en met


gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk W i j goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
Het toezicht en de zorg over de zaken der Munt zijn opgedragen aan Onzen Minister van Financin.
Artikel 2.
Alle munten van het Rijk en van zijne kolonin en bezittingen
worden aan 's Rijks Munt geslagen.
De voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan
het Rijk aan 's Rijks Munt kan worden gemunt en medailles
kunnen worden geslagen, worden bij algemeenen maatregel van
bestuur vastgesteld.
Artikel 3.
Alle stempels voor de munten van het Rijk en van zijne
kolonin en bezittingen worden aan 's Rijks Munt vervaardigd.

44
In bijzondere gevallen kan van deze bepaling worden afgeweken.
De voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan
het Rijk stempels kunnen worden vervaardigd, worden bij
algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.
Artikel 4.
Onder het opperbeheer van Onzen Minister van Financin,
wordt het bestuur van 's Rijks Munt in zijnen vollen omvang
gevoerd door den muntmeester.
De inrichting van den dienst van 's Rijks Munt wordt, met
inachtneming van de bepalingen dezer wet, geregeld bij algemeenen maatregel van bestuur.
Het voortdurend toezicht op de stipte naleving aan 's Rijks
Munt van de wettelijke bepalingen het muntwezen betreffende
alsmede op het verbruik aan muntmateriaal aan 's Rijks Munt
en de daarmede in verband staande werkzaamheden worden
opgedragen aan eene, van de overige afdeelingen van 's Rijks
Munt geheel afgescheiden en onafhankelijke afdeeling Controle". Onverminderd het bepaalde in artikel 7 dezer wet, staat
deze afdeeling rechtstreeks onder de bevelen van den muntmeester.
Bij afwezigheid van den muntmeester kan door Ons in de
tijdelijke waarneming van diens functien worden voorzien.
Artikel 5.
De uitvoering van het muntwerk en de vervaardiging der
stempels mogen niet worden aanbesteed aan een of meer
ambtenaren van het muntwezen.
Artikel 6.
Het is aan de ambtenaren van het Muntwezen verboden voor
eigen rekening goud te doen aanmunten, handel in edele metalen
of in voorwerpen, daarvan vervaardigd, te drijven of op eenige
wijze daaraan deel te nemen.

45
Artikel 7.
Geen nieuw vervaardigde munten mogen van 's Rijks Munt
worden afgeleverd, tenzij van het onderzoek en de goedbevinding proces-verbaal is opgemaakt door den muntmeester.
Dit proces-verbaal wordt niet opgemaakt dan nadat hetzij bij
onderzoek door twee ambtenaren van de afdeeling controle, die
daartoe door Onzen Minister van Financin zijn aangewezen en
in zijne handen den door Ons vastgestclden eed hebben afgelegd,
is gebleken, dat die munten aan de wettelijke eischen van gewicht
en gehalte voldoen, hetzij door de Commissie voor het Muntwezen, na onderzoek eene verklaring is afgegeven, dat de munten
aan die eischen voldoen.
De Commissie voor het Muntwezen gaat tot het evenbedoelde
onderzoek niet over dan ingevolge opdracht van Onzen Minister
van Financin, wanneer de muntmeester zulks wenschelijk acht
op grond, dat hij zich niet kan vereenigen met de resultaten van
het onderzoek door de ambtenaren der controle.
De door die ambtenaren aan den muntmeester van hunne
bevindingen uitgebrachte rapporten worden door laatstgenoemde
aan Onzen Minister van Financin overgelegd.
Artikel 8.
Behalve het reeds genoemde wordt door den muntmeester
opgedragen het onderzoek van alle munten, die als verdacht van
valschheid, vervalsching of schennis aan hem zijn opgezonden,
alsmede de uitspraak in geschillen van allooi en essaai, aan 's Rijks
Munt geleverd muntmateriaal betreffende.
De muntmeester onderzoekt jaarlijks een aantal munten, die
anders dan van 's Rijks Munt bij betaalmeesters zijn ingekomen.
Artikel 9.
Vr den isten April van elk jaar wordt door den muntmeester
omtrent de werkzaamheden aan 's Rijks Munt in het afgeloopen
kalenderjaar verslag uitgebracht.

46
Dit verslag wordt voorzien van zoodanige opmerkingen als
de aard der zaak zal vereischen, aan Onzen Minister van Financin ingezonden om aan Ons te worden overgelegd, en door Ons
aan de Staten-Generaal medegedeeld.
Artikel 10.
Voor de benoeming tot essaieur van 's Rijks Munt of van de
controle bij 's Rijks Munt komen alleen in aanmerking zij, die
als essaieur zijn gexamineerd, en van eene akte van toelating
zijn voorzien door eene commissie van drie leden, waarvan de
muntmeester lid en voorzitter is. De beide andere leden dier
commissie worden door Ons benoemd.
Deze bepaling geldt niet voor hen, die onder de werking van
art. 7 der wet van i Juni 1850 (Staatsblad n. 25), gewijzigd
bij de wet van 2 Januari 1899 (Staatsblad n. n ) , het daarbedoeld examen met goed gevolg hebben afgelegd.
Artikel

n.

Er is eene Commissie voor het Muntwezen, bestaande uit drie


leden, door Ons te benoemen. Bij de benoeming wordt tevens
aangewezen, wie der leden voorzitter en secretaris der commissie
zijn.
De benoeming geschiedt voor drie jaren. De aftredenden kunnen herbenoemd worden.
Aan het lidmaatschap is geen vaste bezoldiging verbonden.
Aan de leden wordt door Ons, behalve vergoeding van reis- en
verblijfkosten, vacatiegeld toegekend.
Artikel 12.
De Commissie voor het Muntwezen doet in Januari van elk
jaar monsters onderzoeken, genomen van iedere in den loop van
het vorige jaar nieuw vervaardigde en door den muntmeester
goedgekeurde partij munten. Bovendien onderzoekt zij ten
minste eenmaal per jaar een aantal munten, die in het afgeloopen
jaar nieuw zijn vervaardigd en van 's Rijks Munt zijn afgeleverd.

47
De wijze, waarop de monsters genomen en onderzocht worden
en hetgeen verder ter uitvoering van het bepaalde in het vorige
hd noodig is, wordt geregeld bij algemeenen maatregel van
bestuur.
De Commissie brengt jaarlijks aan Ons verslag uit van hare
bevindingen, en voegt daaraan zoodanige opmerkingen toe, als
zij in het belang van het muntwezen wenschelijk oordeelt. Dit
verslag wordt door Ons aan de Staten-Generaal medegedeeld.
Artikel 13.
In alle burgerlijke en strafgedingen, waarvan de beslissing
afhangt van die van een geschilpunt omtrent valschheid, vervalsching of schennis van munten of omtrent allooi en essaai,
moet de muntmeester als deskundige over dit geschilpunt gehoord
worden.
De berichten van den muntmeester moeten de gronden behelzen, waarop zij rusten en onderteekend zijn.
Voor die berichten worden geene kosten berekend dan die
van zegel en registratie, voor zoover die verschuldigd zijn.
Artikel 14.
Wanneer de beslissing van een burgerlijk geding afhankelijk
is van die van een geschilpunt als in het vorige artikel bedoeld,
beveelt de rechter, hetzij op verzoek van een der partijen, hetzij
ambtshalve, bij interlocutoir vonnis, dat het bericht van den
muntmeester worde ingewonnen.
Op dit deskundig onderzoek zijn de bepalingen der achtste
Afdeeling van den derden Titel van het eerste Boek, wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, voor zooveel
daarvan niet bij dit of het voorgaande artikel dezer wet is
afgeweken.
Artikel 15.
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen
tijdstip.

48
Op dit tijdstip treedt buiten werking de wet van i Juni 1850
(Staatsblad n. 25), gewijzigd bij de wet van 2 Januari 1899
(Staatsblad n. n ) .
Lasten en bevelen, dat deze in 'net Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Raben-Steinfeld, den 28sten Mei 1901.
W I L H E L M I N A .
De Minister van

Financin,

PIERSON.

Uitgegeven den vijftienden Juni 1901.


De Minister van Justitie,
CORT V . D. LINDEN'.

49
W E T
van

den

3isten October

1912, houdende aanwijzing van

's Rijks

Munt

als

Staatsbedrijf (Staatsblad n". 331).


WIJ

W I L H E L M I N A ,

NEDERLANDEN,

PRINSES

BIJ D E GRATIE

GODS,

V A N ORANJE-NASSAU,

KONINGIN DER

ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te


weten:
Alzoo W i j in overweging genomen hebben, dat het wenschejk is den tak van dienst van 's Rijks Munt aan te wijzen als
Staatsbedrijf i n den zin der wet van 16 Februari 1912 (Staatsblad n. 85);
Zoo is het, dat W i j , den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk W i j goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel i .
De tak van Staatsdienst van 's Rijks Munt wordt voor zooveel
betreft het dienstjaar 1913 en volgende dienstjaren aangewezen
als Staatsbedrijf in den zin der wet van 16 Februari 1912
(Staatsblad n. 85).
Artikel 2.
De uitgaven wegens werken of leverantin ten dienste van
's Rijks Munt bedongen bij in 1912 aangegane contracten en
waarvoor gelden op de begrooting voor 1912 zijn uitgetrokken,
worden voor zoover de oplevering in 1913 mocht plaats hebben,
gebracht ten laste van de begrooting van het Staatsbedrijf van
's Rijks Munt over 1913.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
4

50
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's Gravenhage, den 31 sten October 1912.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

Uitgegeven den negentienden November 1912.


De Minister van Justitie,
E. R. H. REGOUT.

5i
MINISTERIE V A N FINANCIN.
Afdeeling:
GENERALE THESAURIE.

N . 35.
's Gravenhage, 14 November 1929.
Onderwerp:
Kasbeheer bij het
Staatsmuntbedrijf.
De Minister van Financin,
Gelet op artikel 20 der
n. 249);

Bedrijvenwet

(Staatsblad

1928,

Heeft goedgevonden:
Vast te stellen de navolgende:
Regeling voor het beheer der kas van het Staatsmuntbedrijf
te Utrecht.
Artikel t.
1. Bij het Staatsmuntbedrijf wordt ten behoeve van het geldelijk beheer een kas ingesteld.
2. Alle ontvangsten en betalingen geschieden door middel
van deze kas.
3. In deze regeling wordt aangeduid:
a. de Minister van Financin als Minister";
b. de boekhouder, belast met het beheer der kas van het
Staatsmuntbedrijf, als Boekhouder".
Artikel 2.
1. Met het beheer van de kas wordt belast een door den
Minister aan te wijzen boekhouder.
2. De aanwijzing van zijn plaatsvervanger geschiedt door
den Rijks-Muntmeester. Van deze aanwijzing geeft de Rijks-

52
Muntmeester kennis aan den Minister en aan de Algemeene
Rekenkamer.
Artikel 3.
De boekhouder is tegenover den Rijks-Muntmeester aansprakelijk voor zijn kasbeheer en voor de aan hem toevertrouwde
waarden, zulks onverminderd zijne verplichting tot het doen
van rekening en verantwoording aan de Algemeene Rekenkamer.
Artikel 4.
1. Betalingen vinden niet plaats dan ingevolge schriftelijke
opdracht van den Rijks-Muntmeester of van den door dezen aan
te wijzen ambtenaar. Deze ambtenaar mag niet zijn de boekhouder of diens plaatsvervanger.
2. De Rijks-Muntmeester deelt aan den Minister, de Algemeene Rekenkamer, den boekhouder en diens plaatsvervanger
schriftelijk mede wien hij de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid heeft verleend.
3. Voor ontvangen gelden moet schriftelijk kwijting worden
verleend door den Rijks-Muntmeester.
Artikel 5.
1. Zijn de kasgelden ontoereikend, dan wordt door den
Rijks-Muntmeester een aanvraag tot kasaanvulling uit 's Rijks
schatkist aan den Thesaurier-Generaal van het Departement van
Financin toegezonden.
2. Overtollige kasgelden worden overgebracht in 's Rijks
schatkist.
Artikel 6.
1. Onverminderd de door de Algemeene Rekenkamer uit te
voeren kasopnemingen hebben op de wijze als door den Minister
wordt noodig geacht kascontroles en kasopnemingen plaats.
2. Opdracht tot kascontrole of kasopneming wordt schriftelijk
gegeven door den Thesaurier-Generaal van het Departement van
Financin.

53
3. De schriftelijke opdracht moet door den controleur of
kasopnemer desverlangd aan den boekhouder getoond worden.
4. De boekhouder is verplicht aan de controleurs en kasopnemers de gegevens te verschaffen, welke deze voor een behoorlijke kascontrole of kasopneming meenen noodig te hebben.
Artikel 7.
1. Van elke kascontrole of kasopneming wordt proces-verbaal
opgemaakt, door den controleur c. q. kasopnemer en den boekhouder te onderteekenen.
2. Het proces-verbaal wordt door den controleur c. q. kasopnemer ingediend bij den Minister.
3. Afschrift van dit proces-verbaal wordt gezonden aan den
Rijks-Muntmeester.
Artikel 8.
Ingeval door afwezigheid of ontstentenis van den boekhouder
de kas niet met diens medewerking kan worden gecontroleerd
of opgenomen, of ingeval de boekhouder weigert tot de contrle
of opneming zijne medewerking te verleenen of het proces-verbaal
van kascontrole of kasopneming te onderteekenen, zal deze taak
worden overgenomen door den Rijks-Muntmeester.
Artikel 9.
1. De boekhouder maakt van de ontvangsten en betalingen
zijner kas over elk kwartaal een rekening en verantwoording voor
de Algemeene Rekenkamer op.
2. Deze rekening en verantwoording wordt in drievoud
uiterlijk veertien dagen na afloop van het betrokken kwartaal
door den Rijks-Muntmeester aan den Minister toegezonden ter
doorzending aan de Algemeene Rekenkamer.
Deze regeling wordt geacht in werking te zijn getreden op
1 Januari 1929, met dien verstande, dat zij niet geldt voor de
ontvangsten en betalingen, welke betrekking hebben op den
dienst 1928.

54
MINISTERIE V A N FINANCIN.
Afdeeling :^
GENERALE THESAURIE.

N. 28.

's Gravenhage, 28 Januari 1930.

Onderwerp:
Vaststelling afschrijvingspercentage bij het Staatsmuntbedrijf te Utrecht.
De Minister van Financin,
Gelet op artikel 8, iste lid, der Bedrijvenwet (Staatsblad 1928,
n. 249);
Heeft goedgevonden te bepalen:
Artikel r.
Het bedrag, dat jaarlijks als waardevermindering op de gebruiksgoederen van het Staatsmuntbedrijf te Utrecht moet worden
afgeschreven, zal worden bepaald met inachtneming van de hiernavolgende afschrijvingspercentages op de aanschaffingswaarden
dier goederen, en wel:
a.

op de gebouwen

b.

op de groote werktuigen, zooals walsmachines,


muntpersen, enz
op de kleinere werktuigen, zooals draai-, frais-,
reductiebanken, enz

c.
d.

op de gereedschappen

e.

op de meubelen

/.

op de modellen

\ P**-

1 0

1 0

5
1 0

55
Artikel 2.
Ten aanzien van gebruiksgoederen, welke in den loop van een
jaar worden aangeschaft, zal in het betreffende jaar slechts een
evenredig deel van het jaarlijksche percentage worden afgeschreven.
Artikel 3.
De afschrijving zal geschieden totdat de boekwaarde der gebruiksgoederen tot op nul is gedaald.

56
MINISTERIE V A N FINANCIN.
Afdeeling:
GENERALE THESAURIE.

N . 67.

's Gravenhage, 19 Mei 1930.

Onderwerp:
Bedrijven wet. Uitvoering
van artt. 4 en 5 van het
Koninklijk Besluit van
14 M e i 1930 (Staatsblad
n. 182).

De Minister van Financin,


Gelet op de artikelen 4 en 5 van het Koninklijk Besluit van
14 Mei 1930 (Staatsblad n. 182) tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 21 der
Bedrijven wet 1928 (Staatsblad n. 249);
Heeft goedgevonden:
te rekenen van 1 Januari 1929 te bepalen, dat de hieronder
nader genoemde verrekeningen met het Staatsmuntbedrijf en de
renteberekening in rekening-courant met dat bedrijf zullen plaats
hebben op de navolgende wijze.
Artikel 1.
De rekening-courant van 's Rijks schatkist met het Staatsmuntbedrijf wordt gecrediteerd per den i5den van elke maand voor
het mundoon, dat het Rijk verschuldigd is wegens aanmuntingen
door dit bedrijf te zijnen behoeve in die maand verricht.

57
Artikel 2.
De rekening-courant van 's Rijks schatkist met het Staatsmuntbedrijf wordt gecrediteerd per den datum van betaling of overschrijving wegens door dit bedrijf, ten behoeve van het Nederlandsche muntwezen, gedane betalingen.
Artikel 3.
t Hetgeen het Rijk overigens wegens levering door het
Staatsmuntbedrijf of uit anderen hoofde, dan omschreven in het
Koninklijk Besluit van 14 Mei 1930 (Staatsblad n. 182) en in
de artikelen 1 en 2 van deze beschikking aan het Staatsmuntbedrijf verschuldigd is, wordt met dat bedrijf verrekend door
overschrijving op de postrekening van dat bedrijf.
2. Hetgeen het Rijk wegens levering aan het Staatsmuntbedrijf of uit anderen hoofde, dan omschreven in het Koninklijk
Besluit van 14 Mei 1930 (Staatsblad n. 182) van het Staatsmuntbedrijf te vorderen heeft, wordt door dat bedrijf verrekend
door overschrijving op de Schatkistpostrekening n. 1.
Artikel 4.
1. De debiteeringen en crediteeringen in de rekening-courant
van 's Rijks schatkist met het Staatsmuntbedrijf worden dagelijks
samengevat in een saldo.
2. De rente, betreffende de in de rekening-courant opgenomen
bedragen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, en tweede lid,
onder a, der Bedrijvenwet 1928 (Staatsblad n. 249), wordt berekend over de dagsaldi. Zij wordt jaarlijks per 31 December in
de rekening-courant gebracht.
3.

De renteberekening geschiedt volgens de staffelmethode.

4.

Bij de bepaling van de renteproducten worden:

a. de maanden en het jaar op het werkelijk aantal dagen


gesteld;

58
b. de onderdeden van de in de rekening-courant opgenomen
bedragen verwaarloosd, indien het bedrag daarvan minder is dan
f 0,50, en voor n gulden medegerekend indien het bedrag
daarvan f 0,50 of meer is.
5. Het aldus bepaalde renteproduct wordt na door 100 te
zijn gedeeld, op gelijke wijze als i n het vierde lid omschreven,
afgerond.
6. Het saldo der rekening-courant wordt op 1 Januari overgebracht naar nieuwe rekening.
7. Bedragen waarvan de vervaldatum ligt in het afgeloopen
jaar of in de afgeloopen jaren worden, ofschoon geboekt in het
loopende jaar, voor de in het vorige jaar of de vorige jaren liggende tijden opgenomen in de renteberekening tegen den rentevoet van het loopende jaar.

59
KONINKLIJK BESLUIT
van den ^iten September 1909, houdende regeling van de inrichting van den
dienst van 's Rijks Munt (Staatsblad n. 318), gewijzigd en aangevuld bij
Koninklijke Besluiten van 16 Januari 1913 (Staatsblad n. 33), van 17 Augustus
1914 (Staatsblad n. 415), van 1 Mei 1929 (Staatsblad n. 223), van 29 November 1929 (Staatsblad n. 502) en van 28 Mei 1932, n. 22.
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Gezien artikel 4, 2de lid, der wet van den 28sten Mei 1901
{Staatsblad n. 130), houdende bepalingen omtrent het toezicht
en de zorg over de zaken der Munt, zooals die wet is gewijzigd
bij de wet van 1 Juli 1909 [Staatsblad n. 253);
Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van den
4den Augustus 1909, n. 114, Generale Thesaurie;
Den Raad van State gehoord (advies van den 7den September
1909, n. 14);
Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Financin
van den iyden September 1909, n. 31, Generale Thesaurie;,
Hebben goedgevonden en verstaan:
Vast te stellen de volgende voorschriften tot regeling van de
inrichting van den dienst van 's Rijks Munt.
t

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Artikel 1.
De dienst van 's Rijks Munt wordt verdeeld over de volgende
afdeelingen:
1.

Algemeene Zaken;

2.

Muntfabricage;

3.
4.

Stempel- en medaillefabricage;
Contrle.

6o
Artikel 2.
Onverminderd hetgeen in de artikelen 43 sub 1, 2 en 4, 44
tot en met 48 en 50 tot en met 54 van dit besluit omtrent
gewichts- en gehaltebepalingen, omtrent het afzonderen van
munten of ander materiaal voor onderzoek en omtrent het
verzegelen, na verpakking, der nieuw vervaardigde specie, aan
de afdeeling Controle" of aan ambtenaren van die afdeeling is
opgedragen, staan de in het vorig artikel bedoelde afdeelingen
onder de bevelen van den muntmeester.
Artikel 3.
Wanneer zulks i n bijzondere omstandigheden naar het oordeel
van den muntmeester noodig is, kan deze een deel der werkzaamheden van eene afdeeling tijdelijk aan eene of meer der
andere afdeelingen opdragen; deze bepaling is niet van toepassing
op de afdeeling Controle".
Andere dan de in dit besluit genoemde werkzaamheden en
onderzoekingen kunnen ten behoeve van 's Rijks Munt of van
het muntwezen door den muntmeester aan de afdeelingen of aan
hare ambtenaren worden opgedragen.
D.

V A N D E N MUNTMEESTER.

Artikel 4.
De muntmeester legt bij de aanvaarding zijner betrekking in
handen van Onzen Minister van Financin den eed van zuivering
af, voorgeschreven bij het Koninklijk besluit van 31 October
1828, n. 103, in het formulier letter A , alsmede den navolgenden
ambtseed:
Ik zweer (beloof), dat ik het mij opgedragen ambt met
getrouwheid zal vervullen.
Z o o wa arlijk helpe mij God Almachtig (dat beloof i k ) . "
Artikel 5.
De muntmeester is gehouden Onzen Minister van Financin

6i
voor te lichten omtrent alle punten, het muntwezen betreffende,
die aan zijn oordeel worden onderworpen.
H i j heeft de bevoegdheid aan Onzen Minister van Financin
alle zoodanige voorstellen te doen of beschouwingen mede te
deelen, als waardoor hij vermeent de hem toevertrouwde belangen
of die van het muntwezen te bevorderen.
Hij houdt zich op de hoogte van den toestand der muntcirculatie en verricht de werkzaamheden, die hem in het belang van
eene behoorlijke circulatie van 's Rijks munten en eene gelijkmatige verdeeling der aanmuntingen voor rekening van hei Rijk.
door Onzen Minister van Financin worden opgedragen.
Artikel 6.
Voor afwezigheid van 4 dagen of langer buiten de gemeente
Utrecht behoeft de muntmeester verlof van Onzen Minister van
Financin.
Artikel 7.
Met inachtneming van de bepalingen van dit besluit, stelt de
muntmeester, onder goedkeuring van Onzen Minister van Financin, de voor de uitvoering van het werk noodige instructin der
onder hem staande ambtenaren vast.
Artikel 8.
Den muntmeester is de handhaving van de goede orde in de
gebouwen van 's Rijks Munt opgedragen.
Hij zorgt, dat alle onder hem staande ambtenaren stiptelijk
en getrouw hunne plichten vervullen en dat door hen niet gehandeld worde in strijd met artikel 6 der, bij de wet van 1 Juli
1909 (Staatsblad n. 253) gewijzigde, wet van 28 Mei 1901
(Staatsblad n. 130).
Artikel 9.
Bij ontstentenis of afwezigheid van een dier ambtenaren kan
de muntmeester de tijdelijke waarneming van diens werkzaam-

62
heden aan een der overige ambtenaren opdragen, met dien verstande, dat de ambtenaren der afdeeling Controle" niet dan
met goedkeuring van Onzen Minister van Financin kunnen
belast worden met de waarneming der werkzaamheden van een
ambtenaar eener andere afdeeling.
Bij ontstentenis of afwezigheid van een der twee, in artikel 7
der bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253) gewijzigde
wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), bedoelde ambtenaren
der afdeeling Controle", worden diens werkzaamheden vervuld,
hetzij door den ander dier twee ambtenaren, hetzij door een, door
Onzen Minister van Financin aangewezen, beedigden plaatsvervanger. V a n ontstentenis of afwezigheid, als i n dit lid bedoeld,
wordt door den muntmeester aan Onzen Minister van Financin
kennis gegeven.
Artikel 10.
De muntmeester is belast met het toezicht over en de zorg
voor de gebouwen en den inventaris van 's Rijks Munt.
Artikel 11.
De muntmeester draagt zorg, dat alle opdrachten, betreffende
den aanmaak van munten, stempels en medailles, zorgvuldig en
met bekwamen spoed worden uitgevoerd.
H i j waakt voor een zuinig beheer en zorgt voor eene nauwlettende controle op het munt- en medaillemateriaal.
Artikel 12.
De muntmeester draagt zorg, dat geen nieuw vervaardigde
munten van 's Rijks Munt worden afgeleverd, tenzij van het
onderzoek en de goedbevinding dier munten door hem procesverbaal is opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 7
der bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253) gewijzigde
wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130).

63
Artikel 13.
De muntmeester doet aan Onzen Minister van Financin
maandelijks opgave van de soorten en de hoeveelheden der in
de afgeloopen maand opgebrachte en door hem goedgekeurde
munten en der afgeleverde medailles.
Bij die opgaven worden gevoegd de rapporten door de twee
in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren van de afdeeling
Controle" met betrekking tot de in die opgaven vermelde
munten uitgebracht.
Artikel 14.
Alle munten, die den muntmeester zijn toegezonden, omdat
zij op grond van het bepaalde bij artikel 18 der Muntwet 1901
moeten worden ingetrokken en vermunt, worden door hem in
ontvangst genomen, geverifieerd en beoordeeld.
Artikel 15.
De muntmeester doet uitspraak over alle munten, die als verdacht van valschheid, vervalsching of opzettelijke schennis, zijn
aangehouden en aan zijn onderzoek onderworpen, snijdt, indien
de uitspraak het vermoeden bevestigt, de stukken door, en zendt
ze aan den inzender terug, een en ander onverminderd de bepalingen van het 5de en 6de lid van artikel 17 der Muntwet 1901.
Artikel 16.
De muntmeester doet uitspraak in geschillen van allooi en
essaai.
Evenzeer doet hij de uitspraken, bedoeld i n artikel 25 der
laatstelijk bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n<>. 253) gewijzigde wet van 18 September 1852 (Staatsblad n. 178), omtrent
den waarborg en de belasting der gouden en zilveren werken.
Artikel 17.
Van de ontvangst van pakketten, houdende voorwerpen, waarover een uitspraak verlangd Wordt, geeft de muntmeester kennis
aan de inzenders.

Artikel 18.
Indien voor het in te stellen onderzoek gevorderd wordt, dat
van de ingezonden voorwerpen een gedeelte wordt afgenomen
ot de gedaante dier voorwerpen door versmelting of anderszins
verandere, wordt zulks in de uitspraak, door den muntmeester
uit te brengen, vermeld.
Artikel 19.
De uitspraak bevat de gronden, waarop zij berust. De muntmeester zorgt, dat zijne uitspraken binnen den kortst mogelijken
tijd worden uitgebracht, uiterlijk binnen veertien dagen, nadat de
te onderzoeken stukken zijn ontvangen.
Mocht het ten gevolge van bijzondere omstandigheden onmogelijk worden bevonden de uitspraak binnen dien tijd uit te brengen,
dan is de muntmeester verplicht van dat uitstel en van de omstandigheid, die daartoe aanleiding heeft gegeven, aan de inzenders der te onderzoeken voorwerpen mededeeling te doen.
N a beindiging van het onderzoek worden de onderzochte
voorwerpen met de uitspraak van den muntmeester aan de
inzenders teruggezonden.
De bepalingen van dit en de beide vorige artikelen zijn niet
van toepassing, indien de muntmeester, ingevolge de artikelen
13 of 14 der bij de wet van 1 Juli 1909 {Staatsblad n. 253)
gewijzigde wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), in een
burgerlijk of een strafgeding als deskundige wordt gehoord.
Artikel 20.
N a afloop van elke maand zendt de muntmeester aan Onzen
Minister van Financin een tabel van al de uitspraken, als bedoeld
in artikel 15, i n de vorige maand door hem uitgebracht.
Ook deelt hij aan Onzen voornoemden Minister alles mede,
wat in eenig opzicht ter kennis van het Departement van Justitie
moet worden gebracht.

65
Artikel a i .
De muntmeester draagt zorg, dat een of meermalen 'sjaars
de balansen en gewichten van 's Rijks Munt aan een onderzoek
onderworpen en hunne afwijkingen vastgesteld of opgeheven
worden.
Artikel 22.
De muntmeester draagt zorg, dat het Rijksmagazijn van scheimiddelen in voldoende orde en van alles behoorlijk voorzien
gehouden worde en aan de aanvragen van de essaieurs van den
waarborg ten spoedigste worde voldaan.
Artikel 23.
De muntmeester bewaart alle stempels en letterblokjes aan
's Rijks Munt voorhanden, geeft deze naar behoefte uit en is
verantwoordelijk voor een richtig gebruik.
Hij ziet toe op de vervaardiging van alle stempels en letterblokjes, voor zoover deze aan 's Rijks Munt geschiedt, en op de
vernietiging van de aan den Staat toebehoorende stempels en
letterblokjes, die voor den dienst zijn afgekeurd. V a n dit alles
worden door hem nauwkeurige staten gehouden.
Artikel 24.
De muntmeester draagt zorg voor de instandhouding, rangschikking en catalogiseering van het munt- en medaillecabinet
aan 's Rijks munt. Hierin worden opgenomen twee stukken van
elke aanmunting en een afslag in brons van eiken aan 's Rijks
Munt afgeslagen medaillestempel.
Artikel 25.
De muntmeester doet zoowel door de afdeeling Controle"
als door de afdeeling Algemeene Zaken" op gewicht en, zoo
noodig, op gemiddeld gehalte onderzoeken alle ter versmelting
aan 's Rijks Munt voor rekening van het Rijk of zijne kolonin
5

66
en bezittingen, aangevoerde of vandaar te verzenden munt- of
medaillemetalen, munten en medailles.
E l k rapport omtrent bevonden gewicht en gehalte wordt geteekend door den ambtenaar, die het onderzoek heeft verricht.
Artikel 26.
Alle ter versmelting inkomende munten en muntmaterialcn,
niet bedoeld in het vorig artikel, doet de muntmeester op gewicht
en, zoo noodig, op gehalte onderzoeken door de afdeeling A l g e meene Zaken". Mocht hierover een geschil ontstaan met den
inzender, dan draagt de muntmeester een nader onderzoek op
aan de afdeeling C o n t r l e " . Door den muntmeester wordt uitspraak in het geschil gedaan.
Artikel 27.
De muntmeester legt van elke aanmunting voor het Rijk of
zijne k o l o n i n of bezittingen eene rekening af aan de Algemeene
Rekenkamer.
Artikel 28.
Uiterlijk op den tienden dag van iedere maand zendt de muntmeester aan de Algemeene Rekenkamer over de voorafgaande
maand een staat van ontvangsten en een van uitgaven, beide i n
tweevoud,

vermeldende:

I.

voor zooveel den staat van ontvangsten betreft:

a.

de nominale waarde van de voor rekening van hel Rijk,

van zijne k o l o n i n of bezittingen vervaardigde en goedbevonden


munten;
b. de nominale waarde van de door Onzen Minister van
K o l o n i n , door de Nederlandsche Bank, door het Agentschap
van het Ministerie van F i n a n c i n en door betaalmeesters bij hem
overgebrachte munten, daaronder begrepen de uitsluitend i n
Nederlandsch-Indi
gangbare munten;
c. de opbrengst van het metaal, vervat in de bij hem overgebrachte, uit Nederlandsch-Indi
afkomstige valsche munten,

voor zoover dit metaal niet voor nieuwe aanmunting wordt overgenomen ten laste van een post, welke, ter voldoening aan het
bepaalde in artikel 3, laatsten zin, der Muntwet 1901 of in
artikel 3, laatsten zin, der Indische Muntwet 1912, op de begrooting van Rijksuitgaven of op die van Nederlandsch-Indi is
gebracht;
II. voor zooveel den staat van uitgaven betreft:
a. de nominale waarde van de door hem naar 's Lands kassen,
naar de Nederlandsche Bank of naar de kolonin of bezittingen
verzonden munten;
b. de nominale waarde van de sub \b bedoelde munten, welke
door hem zijn versmolten;
c. de sub Ic bedoelde opbrengst, welke door hem i n 's Rijks
kas is gestort.
De hilToren bedoelde staten gaan vergezeld van de kwitantin
door den muntmeester wegens door hem verzonden of afgegeven
munten ontvangen.
Artikel 29.
De muntmeester is gemachtigd tot den onderhandschen verkoop van het metaal, vervat in bij hem overgebrachte,, uit Nederlandsch-Indi afkomstige valsche munten.
Artikel 30.
Jaarlijks in de maand Februari zendt de muntmeester aan de
Agemeene Rekenkamer:
1. eene rekening, betreffende de in elk der maanden van
het laatstverloopen kalenderjaar door hem gedane ontvangsten
en uitgaven;
2. eene verantwoording betreffende het i n het laatstverloopen
kalenderjaar door hem ontvangen munt- en medaillemateriaal.
Deze verantwoording vermeldt tevens i n welken vorm het
aanwezige munt- en medaillemateriaal voorhanden is, welk
fabrieksverlies in het laatstverloopen kalenderjaar geleden is op

68
den aanmaak der nieuwvervaardigde munten en medailles, alsmede de winst of het verlies, veroorzaakt door afwijking van het
wettelijk gewicht en -gehalte dier munten.
Bij deze verantwoording worden gevoegd de rapporten omtrent gewicht en gehalte, bedoeld in artikel 25 van dit besluit,
voor zoover deze rapporten niet reeds bij de rekeningen betreffende aanmuntingen, bedoeld in artikel 27, waren overgelegd.
Artikel 31.
Door den muntmeester wordt zekerheid ten behoeve van den
Staat gesteld tot het door Onzen Minister van Financin te bepalen bedrag.
Artikel 32.
Vr 1 Juli van elk jaar zendt de muntmeester aan Onzen
Minister van Financin eene begrooting van ontvangsten en uitgaven, 's Rijks Munt betreffende, over het volgende dienstjaar.
III.

V A N D E A F D E E L I N G ALGEMEENE Z A K E N " .

Artikel 33.
De afdeeling Algemeene Zaken" is belast met de behandeling
van alle bij den muntmeester inkomende of van dezen uitgaande
stukken, met de boekhouding, met het houden der kas, met het
opmaken van rekeningen en verantwoordingen, met de expeditie
van medailles, medaille-, ijk-, waarborg-, zegel- en poststempels,
met gehalte-onderzoekingen ten dienste der munt- en medaillefabricage, met gewichts- en, zoo noodig, gehaltebepalingen van
alle bij 's Rijks Munt inkomende of vandaar af te leveren muntof medaillemetalen, munten of medailles, met de zorg voor de
bibliotheek, het archief en het munt- en medaillekabinet, met het
ontwerpen en, zoo noodig, het vervaardigen van modellen voor
munt-, medaille- of andere stempels en met graveerwerkzaamheden.

69
IV.

VAN DE AFDEELING MUNTFABRICAGE".

Artikel 34.
De afdeeling Muntfabricage" is belast met de verwerking in
haar vollen omvang van muntmaterialen tot nieuwe munten.
V.

VAN DE AFDEELING STEMPEL- EN MEDAILLEFABRICAGE".

Artikel 35.
De afdeeling Stempel- en medaillefabricage" is belast met het
vervaardigen van medailles, van munt-, medaille-, ijk-, waarborgen zegelstempels, zoowel ten dienste van het Rijk als van zijne
kolonin en bezittingen, en van bijzondere personen of instellingen.
VI.

VAN DE AFDEELING CONTROLE".

Artikel 37.
De afdeeling Controle" is van de overige afdeelingen van
's Rijks Munt geheel afgescheiden en onafhankelijk. Zij is belast
met het voortdurend toezicht op de stipte naleving aan 's Rijks
Munt van de wettelijke bepalingen, het muntwezen betreffende,
alsmede op het verbruik van munt- en medaillemateriaal aan
's Rijks Munt.
Artikel 38.
De afdeeling Controle" is belast met de ontvangst van alle
bij den muntmeester inkomende munt- of medaillemetalen en
met de expeditie der nieuw vervaardigde muntspecin.
Artikel 39.
Geene munten van Nederland of van zijne kolonin of bezit
tingen, noch cisailles worden ontmunt dan onder toezicht van
de afdeeling Controle".
Artikel 40.
De afdeeling Contrle" controleert het gewicht en, zoo noodig,
het gemiddelde gehalte van:

70
t. alle bij den muntmeester, voor rekening van het Rijk of
zijne kolonin en bezittingen, inkomende of van 's Rijks Munt
af te leveren munt- of medaillemetalen, munten of medailles;
2. alle munten, medailles, munt- en medaillemetalen, goudof zilverhoudende stoffen, welke in bewerking worden gegeven,
uit de munt- of medaillefabricage teruggeleverd worden of van
de eene werkzaal in de andere worden gevoerd;
3. het in 's Rijks Munt aanwezige munt- of medaillemateriaal,
munten of medailles, wanneer dit door den muntmeester wenschelijk wordt geacht.
Artikel 41.
Het onderzoek naar gewicht en gehalte van elke partij nieuw
vervaardigde en voor het onderzoek opgebrachte munten, alsmede
naar gehalte of samenstelling van ter verwerking bestemd medaillemetaal, nikkelen of bronzen muntmateriaal, geschiedt persoonlijk
door de twee in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren van de
afdeeling Controle".
De hierbedoelde onderzoekingen geschieden overeenkomstig
de artikelen 42 tot en met 54 van dit besluit.
Artikel 42.
De nieuw vervaardigde munten worden tot onderzoek opgebracht op zoodanige tijdstippen als door den muntmeester zullen
worden bepaald.
Elke opbrengst bestaat zooveel mogelijk uit de volgende aantallen stukken der verschillende muntsoorten:
10-guldenstukken, 5-guldenstukken of dukaten

10 000 stukken

Rijksdaalders
Guldens of halve guldens
100 000
25<entstukken, '4 guldens Nederlandsche-Indi
of Curacao, 10-centstukken,
guldens
8

71
Nederlandsch-Indi of Curacao, 5-centstukken, 2'Centstukken, i-centstukken, 5-centstukken Nederlandsch-Indi, 2'/a-centstukken
Nederlandsch-Indi en i-centstukken Nederlandsch-Indi
200 000

'/-centstukken en '/ -centstukken NederlandschIndi


400 000

elk aantal vermeerderd met zooveel stukken als voor verschillende gehalte-onderzoekingen zullen worden vereischt.
Artikel 43.
Van elke opgebrachte partij munten worden door een der in
artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren afgezonderd:
1. voor het gewichtsonderzoek, bedoeld i n artikel 41:
'/looste deel bij gouden munt, 25 stukken bij rijksdaalders, guldens of halve guldens, 50 stukken bij andere zilveren muntsoorten, twee honderd-tallen bij nikkelen of bronzen munt, twee
vijftig-tallen bij koperen munt;
2.
a.
b.

voor het gehalte-onderzoek bedoeld i n artikel 41:


bij gouden munt 2 stukken;
bij zilveren munt 8 stukken;

3. voor het onderzoek naar het gemiddeld gehalte der aanmunting:


a. bij gouden munt: '/ooSte deel;
b. bij zilveren munt een zoodanig gedeelte, dat van de aanmunting in haar geheel ten minste 1000 stukken worden verkregen ;
4. voor het onderzoek door de Commissie voor het muntwezen :
a. bij gouden of zilveren munt 4 stukken;
b. bij nikkelen, bronzen of koperen munt 10 stukken, of
naar verhouding zooveel stukken meer per opbrengst als noodig

72
is om ten minste 500 stukken van de geheele aanmunting te
verkrijgen.
Artikel 44.
De in artikel 43 sub 1 bedoelde stukken worden door n
der in artikel 9, 3e lid, bedoelde ambtenaren gewogen, en wel
de gouden munten stuk voor stuk, bij de zilveren munten elke
groep van 25 of 50 stuks in haar geheel.
Indien bij goud n stuk, bij de zilveren munten n groep
van stukken gevonden wordt buiten de wettelijke ruimte, wordt
hiervan kennis gegeven aan den muntmeester. Deze laat de
geheele partij stuk voor stuk nawegen, de stukken buiten de
ruimte uitschieten en de aldus uitgezochte partij opnieuw
opbrengen.
Dit gewichtsonderzoek wordt herhaald, zoolang het noodig
blijkt.
De stukken, die buiten de wettelijke ruimte zijn bevonden,
worden onder toezicht van de afdeeling Controle" ontmunt.
Artikel 45.
V a n de in artikel 43 sub 2 bedoelde stukken wordt door n
der in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren het gehalte bepaald
en wel:
a. bij gouden munt op elk stuk afzonderlijk;
b. bij zilveren munt op elke vier stukken;
Eene gehaltebepaling berust op minstens twee proeven.
Wanneer de uitkomsten eener gehaltebepaling liggen buiten de
wettelijke ruimte, wordt het onderzoek herhaald, en wel bij
gouden munt op dezelfde stukken, bij zilveren munt op een
nieuw aantal van 4 stukken.
Indien de eerste bevinding wordt bevestigd, wordt hiervan
mededeeling gedaan aan den muntmeester. Deze laat de partij
onder toezicht van de afdeeling Contrle" ontmunten, tenzij
hij een onderzoek wenschelijk acht als bedoeld in artikel 7, 3de

73
lid, der bij de wet van i Juli 1909 (Staatsblad n. 253) gewijzigde wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130).
Artikel 46.
De in artikel 43 sub 3 bedoelde stukken worden in eene,
door de in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren gesloten, kast
geborgen. N a afloop van eiken muntslag wordt van de gezamenlijke stukken of van ten minste duizend indien het aantal meer
dan duizend bedraagt, het gemiddeld gehalte bepaald, zoowel
door een der hiervoren bedoelde ambtenaren als door een der
ambtenaren der afdeeling Algemeene Zaken".
Het gemiddelde der uitkomsten zal geacht worden het gemiddelde gehalte te zijn van de geheele partij, waarvan de stukken
afkomstig waren.
Artikel 47.
De in artikel 43, sub 4, bedoelde stukken worden, na goedkeuring der opbrengst, in eene door de in artikel 9, 3de lid,
bedoelde ambtenaren, gesloten proefbus geborgen. Voor elke
muntsoort wordt eene afzonderlijke bus genomen. De bussen
worden in eene door de voornoemde ambtenaren gesloten kas
bewaard.
Artikel 48.
N a ontvangst aan 's Rijks Munt van muntnikkel of muntbrons, wordt de zending zoo mogelijk in partijen van hoogstens
ongeveer 10 000 kilogram verdeeld. V a n elk dier partijen neemt
een der i n artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren een monster
van ten minste 500 gram, bestaande uit ten minste 25 hoeveelheden van verschillende gedeelten der partij afgezonderd metaal.
Het verkregen metaal wordt fijn verdeeld, gemengd en daarna
door n der twee voornoemde ambtenaren bepaald het koper- en
het nikkelgehalte van het muntnikkel, het koper- en het tingehalte van het muntbrons. Het gehalte aan zink bij muntbrons

74

wordt door aftrek gevonden. De samenstelling der bestanddeelen


wordt in halve procenten nauwkeurig opgegeven.
Wanneer de uitkomst eener gehaltebepaling ligt buiten de
wettelijke ruimte, wordt het onderzoek op een nieuw monster,
als boven genomen, herhaald. Indien de eerste bevinding wordt
bevestigd, wordt hiervan kennis gegeven aan den muntmeester.
Deze keurt de partij af en zendt ze aan den leverancier terug.
Artikel 49.
Tijdens den duur van het onderzoek eener partij muntnikkel
of muntbrons mag met de bewerking ervan geen aanvang worden
gemaakt.
Artikel 50.
Indien door de afdeeling Muntfabricage" muntnikkel of
muntbrons mocht worden vervaardigd, wordt hiermede gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikelen 48 en 49.
Artikel 51.
Indien schroot of ingetrokken specie van muntnikkel of
muntbrons aan 's Rijks Munt wordt versmolten ter vervaardiging
van nieuw muntmateriaal, wordt dit tijdig aan den chef der
afdeeling Controle" medegedeeld.
Op het nieuw verkregen metaal wordt ten minste nmaal
tijdens eene aanmunting een onderzoek naar de samenstelling
ingesteld op de wijze als in artikel 48 omschreven.
Artikel 52.
Van elke opgebrachte partij munten van muntnikkel, muntbrons of koper worden voor het gewichtsonderzoek afgezonderd
twee honderdtallen bij nikkelen of bronzen munt, twee vijftigtallen bij koperen munt.
Deze honderd- of vijftigtallen worden door n der in artikel 9,
3de lid, bedoelde ambtenaren gewogen. Zij mogen geen grooter
verschil dan n stuk boven of beneden het normaalgewicht van

75
ioo of 50 stukken opleveren. Is dit wel het geval, dan wordt
hiervan aan den muntmeester mededeeling gedaan en de
opbrengst aan de muntfabricage teruggegeven.
De stukken, die buiten de wettelijke ruimten zijn gevonden,
worden onder toezicht van de afdeeling Contrle" ontmunt.
Artikel 53.
Wanneer gebleken is dat eene opgebrachte partij munten aan
de wettelijke eischen van gewicht en gehalte voldoet, wordt door
de afdeeling Contrle" overgegaan tot het ter aflevering verpakken der goedgekeurde munten.
In eiken zak of ander verpakkingsmiddel wordt het volgende
aantal stukken gebracht:
Dukaten
10 guldenstukken
5 guldenstukken
Rijksdaalders
Guldens
Halve guldens
25 centstukken en V4 guldens
Indi en Curacao
10 centstukken en ' / I O guldens
Indi en Curacao
5 centstukken
2'/ centstukken
1 centstukken
'jf centstukken
a

1000 stukken.
5

1000

200

0 0

0 0

Nederlandsch1000

1000
1000
1000
1000
2000

,,

Nederlandsch-

De 5-, 2 /*-, 1- en '/j-centstukken Nederlandsch-Indi worden


gestort in eenen zak of ander verpakkingsmiddel, inhoudende
een bedrag van f 2000 nominaal voor de 5-centstukken en van
f 400 nominaal voor de overige, evengenoemde munten.
Afwijkingen van de hierboven genoemde aantallen kunnen
door Onzen Minister van Financin worden bevolen, indien dat
in het belang der circulatie wenschelijk is.
1

76
De verpakking wordt verzegeld met het zegel van den muntmeester en met dat der afdeeling Contrle". De inhoud wordt
op de verpakking of eene aangehechte strook vermeld.
Artikel 54.
Indien aan 's Rijks Munt medaillegoud of -zilver wordt vervaardigd, wordt door de afdeeling Controle" een onderzoek
ingesteld naar het gewicht en gehalte der partij.
Voor het gehalte-onderzoek wordt ne gehaltebepaling verricht door n der in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren.
Ligt de uitkomst dezer bepaling buiten de ruimte voor medaillemetaal toegestaan, dan wordt het onderzoek herhaald. Indien de
eerste bevinding wordt bevestigd, wordt hiervan mededeeling
gedaan aan den muntmeester, die de partij laat omsmelten en
daarna opnieuw opbrengen.
Wanneer eene partij aan de gestelde eischen van gehalte
voldoet, wordt elk afzonderlijk stuk van een onderscheidingsteeken voorzien, door de afdeeling Contrle". Deze ziet tevens
toe, dat voor de vervaardiging van medailles van edel metaal
geen ander dan het alsvoren gemerkte metaal wordt gebezigd.
Artikel 55.
Wanneer eene opgebrachte partij munten, muntnikkel, muntbrons of medaillemetaal aan de wettelijke eischen van gewicht en
gehalte voldoet, wordt hierover door de in artikel 9, 3de lid,
bedoelde ambtenaren aan den muntmeester een door hen geteekend rapport uitgebracht, vermeldende de uitkomsten van de
gewichts- en de gehaltebepalingen.
Alle gehaltebepalingen worden door de ambtenaren der
afdeeling Contrle" verricht volgens de aan 's Rijks Munt
gebruikelijke methode, zoo noodig overeenkomstig den stand
der wetenschap gewijzigd. Wijziging in de methode mag niet
plaats hebben dan na voorafgaande mededeeling aan den muntmeester.

77
Artikel 56.
Ons besluit van 3 December 1901 (Staatsblad n. 234), zooals
dat is gewijzigd bij Onze besluiten van 13 Februari 1907
(Staatsblad n. 50) en van 13 April 1908 (Staatsblad n. 110),
alsmede Ons besluit van 5 Februari 1902, n. 26, zooals dat is
gewijzigd bij Ons besluit van 25 Februari 1907, n. 33, worden
ingetrokken.
Artikel 57.
Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin
het geplaatst is.
Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van
dit besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden
gezonden aan den Raad van State.
Het Loo, den 23sten September 1909.
WILHELMINA.
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

Uitgegeven den negen en twintigsten September 1909.


De Minister van Justitie,
NELISSEN.

78
KONINKLIJK BESLUIT
van den ioxlen Maart 1910 (Staatsblad n. 88),

tot uitvoering van artikel 12,

zde lid, der wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), houdende bepalingen
omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt, zooals die wet
gewijzigd bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n.
WIJ

W I L H E L M I N A,

NEDERLANDEN,

PRINSES

BIJ D E GRATIE

GODS,

V A N ORANJE-NASSAU,

is

253).

K O N I N G I N DER

ENZ., ENZ., ENZ.

Gezien artikel 12, 2de lid, der wet van 28 Mei 1901 {Staatsblad n. 130), houdende bepalingen omtrent het toezicht en.
de zorg over de zaken der Munt, zooals die wet is gewijzigd bij
de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253);
Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van den
i7den Januari 1910, n. 90, Generale Thesaurie, en van Kolonin van den i7den Januari 1910, n. 58, afd. E ' ;
Den Raad van State gehoord (advies van den 22sten Februari
1910, n. 3 4 ) ;
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers
van den isten Maart 1910, n 20, Generale Thesaurie, en van
den 7den Maart 1910, n. 7, afd. E ' ;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
I. van de monsters bedoeld in artikel 12, iste lid, der wet
van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), zooals die is gewijzigd
bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253).
Artikel 1.
Van elke opbrengst nieuw vervaardigde munten wordt door
een der twee in artikel 7 der vorenaangehaalde wet bedoelde
ambtenaren ten behoeve van het onderzoek door de Commissie
voor het Muntwezen het volgend aantal stukken afgezonderd:
a.

bij gouden of zilveren munt 4 stukken;

79
b. bij nikkelen, bronzen of koperen munt 10 stukken of naar
verhouding zooveel stukken meer per opbrengst als noodig is
om ten minste 500 stukken van de geheele aanmunting te verkrijgen.
Deze stukken worden, na goedkeuring der opbrengst, in eene
door de in het iste lid bedoelde ambtenaren gemeenschappelijk
gesloten proefbus geborgen. Voor elke muntsoort wordt eene
afzonderlijke bus genomen. A a n die bussen wordt eene door
de vorenbedoelde ambtenaren onderteekende verklaring gehecht,
vermeldende de ingesloten muntsoort alsmede het aantal zich
in iedere bus bevindende muntstukken.
De proefbussen worden in eene, door de vorenbedoelde ambtenaren gesloten, kast bewaard.
Artikel 2.
De Commissie voor het Muntwezen komt op een of meer
dagen i n de maand Januari van elk jaar, na oproeping door den
voorzitter, bijeen in een der lokalen van 's Rijks Munt.
Artikel 3.
In de eerste bijeenkomst der Commissie ontvangt de voorzitter
de in artikel 1 bedoelde proefbussen.
Artikel 4.
Nadat de Commissie zich overtuigd heeft van den goeden
staat der sluiting, gaat zij over tot het openen van de proefbussen en stelt het aantal muntstukken vast, dat zich in iedere
bus bevindt.
Artikel 5.
De inhoud van iedere bus wordt gewogen en het gemiddeld
gewicht van n stuk voor elke muntsoort vastgesteld.
Artikel 6.
Daarna neemt de Commissie uit elke bus:
bevattende gouden munten, een of meer monsters van 10
stukken;

8o
bevattende grove zilveren munten, een o meer monsters van
25 stukken;
bevattende zilveren pasmunt, een of meer monsters van 100
stukken.
Van elk dezer monsters bepaalt zij het gemiddeld gehalte.
Bevat eene bus minder dan bovengenoemd aantal stukken,
dan wordt voor de vaststelling van het gemiddeld gehalte de
geheele inhoud gebruikt;
II. van het onderzoek der munten die in het afgeloopen jaar
nieuw zijn vervaardigd en van 's Rijks Munt zijn afgeleverd.
Artikel 7.
Na den aanvang van ieder jaar zendt Onze Minister van
Financin aan de Commissie eene opgave van de soorten en de
hoeveelheden der in het afgeloopen jaar nieuw vervaardigde en
van 's Rijks Munt afgeleverde munten.
Artikel 8.
Na ontvangst van de in het vorig artikel bedoelde opgave,
deelt de Commissie aan Onzen Minister van Financin mede
de soorten en van iedere soort de hoeveelheid der in de opgave
vermelde munten, welke zij aan een onderzoek wenscht te onderwerpen.
Artikel 9.
Voor zooveel de in het vorig artikel bedoelde mededeeling
munten betreft, welke zijn vervaardigd ten behoeve van de
kolonin of bezittingen van het Rijk, brengt Onze Minister van
Financin die mededeeling ter kennis van Onzen Minister van
Kolonin.
Onze voornoemde Ministers dragen zorg, dat de door de
Commissie ten onderzoek gewenschte munten zoo spoedig mogelijk in behoorlijk gesloten en verzegelde verpakking, aan 's Rijks

8i
Munt worden afgeleverd. V a n die aflevering wordt door Onzen
Minister van Financin aan de Commissie bericht gezonden.
Artikel 10.
N a ontvangst van het in het vorig artikel bedoelde bericht,
komt de Commissie in een der lokalen van 's Rijks Munt bijeen
en ontvangt uit handen van den muntmeester de overeenkomstig
het vorig artikel verpakte munten.
Artikel

n.

Nadat de Commissie zich overtuigd heeft van den goeden


staat der sluiting en verzegeling gaat zij over tot het openen der
door haar ontvangen pakketten en handelt met de zich daarin
bevindende munten als in de artikelen 4, 5 en 6 van' dit besluit
is bepaald voor de in die artikelen bedoelde munten.
SLOTBEPALINGEN.

Artikel 12.
De Commissie maakt van hare verrichtingen en bevindingen
proces-verbaal op, dat door alle leden wordt onderteekend.
Artikel 13.
Voor hare onderzoekingen is de Commissie bevoegd gebruik
te maken van de lokalen en hulpmiddelen van 's Rijks Munt.
Artikel 14.
Ons besluit van 13 December 1902 (Staatsblad n. 219),
zooals dat is gewijzigd bij Ons besluit van 30 April 1907
(Staatsblad n. 90), wordt ingetrokken.
Onze Ministers van Financin en van Kolonin zijn belast
met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal

82
worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan
den Raad van State.
's Gravenhage, den iaden Maart

IQIO.

WILHELMINA.
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

De Minister van Kolonin,


DE W A A L MALEFIJT.

Uitgegeven den zesden April 1910.


De Minister van Binnenlandsche Zaken,
tijdelijk belast met het beheer van
het Departement van Justitie,
HEEMSKERK.

83

KONINKLIJK BESLUIT
van

den

aotten Januari

rekening van

1913,

regelende

andaren dan het Rijk aan

de

voorwaarden,

waaronder voor

's Rijks Munt kan worden gemunt,

medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen


worden vervaardigd (Staatsblad n. 35),

gewijzigd bij Koninklijke besluiten van

6 Maart 1914 (Staatsblad n. 143), van 12 September 1917 (Staatsblad n.


van 27 Februari 1919 (Staatsblad n . 53),
n. 604)
WIJ

586),

16 October 1919 (Staatsblad

en van 28 April 1931 (Staatsblad n . 176).

W I L H E L M I N A ,

NEDERLANDEN,

van

PRINSES

BIJ D E G R A T I E

GODS,

V A N ORANJE-NASSAU,

K O N I N G I N DER

ENZ., ENZ.,

ENZ.

Gezien de ardkelen 2, 2de lid en 3, 3de lid der wet van


28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), houdende bepalingen omtrent
het toezicht en de zorg over de zaken der Munt, zooals die wet
is gewijzigd bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253);
Gezien de wetten van 31 October 1912 (Staatsbladen nos. 324
en 3 2 5 ) ;
Gelet op Ons besluit van 29 December 1911 (Staatsblad
n. 390);
Op de voordracht van Onze Ministers van Financin van
den 9 December 1912, n. 112, Generale Thesaurie en van
Kolonin van den 9 December 1912, afd. E ' , n. 66;
Den Raad van State gehoord (advies van den 24 December
1912, n. 10);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers
van den 10 Januari 1913, n. 81, Generale Thesaurie en van
den 17 Januari 1913, afd. E , n. 37;
1

Hebben goedgevonden en verstaan:


te bepalen als volgt:

84
i

MUNTEN.

Artikel i .
Het staat ieder vrij goudentien-guldenstukken,vijf-guldenstukken en dukaten te doen slaan aan 's Rijks Munt, wanneer
de werkzaamheden voor het Rijk het niet verhinderen.
's Rijks Munt is niet verplicht partijen goud aan te munten in
tien-guldenstukken en vijf-guldenstukken beneden driehonderd
kilogram en in dukaten beneden honderd kilogram.
Artikel 2 .
Aanvragen tot het doen aanmunten van tien-guldenstukken,
vijf-guldenstukken of dukaten moeten worden gericht aan den
muntmeester, onder opgave van de soort en hoeveelheid, welke
men wenscht te doen aanmunten.
De aanvrager ontvangt ten spoedigste bericht wanneer de
aanmunting zal kunnen plaats vinden en wanneer het goud
aan 's Rijks Munt moet worden geleverd. Binnen 3 dagen na
ontvangst van dit bericht deelt de aanvrager den muntmeester
mede, of hij tot de bedoelde aanmunting wenscht over te gaan.
Artikel 3.
Het te vermunten goud wordt vrachtvrij in 's Rijks Munt
geleverd, hetzij in baren, wegende ten minste 2'j K.G. en ten
hoogste 2 0 K.G. en van een minimum gehalte van 0,994 fii
goud, hetzij met inachtneming van het bepaalde bij artikel 9,
in vreemde munten of in baren, wegende ten minste 272 K.G.
en ten hoogste 2 0 K.G., verkregen door samensmelting van
vreemde munten.
Gouden baren moeten vergezeld zijn van de daarbij behoorende essaaibiljetten en gewichtsstaten.
Dukaten worden uitsluitend van baren met een minimumgehalte van 0,994 fijn goud aangemunt.
2

85
Artikel 4.
Onmiddellijk na ontvangst wordt het gewicht van het ingekomen muntmateriaal bepaald. Bij deze weging kan de leveraar
of zijn gemachtigde tegenwoordig zijn. Van de uitkomsten doet
de muntmeester onmiddellijk mededeeling aan den leveraar.
Alle gewichten worden opgegeven in decigrammen; onderdeden hiervan worden verwaarloosd.
Artikel 5.
Na de weging worden uit elke baar minstens 2 kapsels
genomen. Voor de gehalte-bepalingen, welke op elk dezer kapsels
verricht worden is de leveraar een essaailoon van f 1,50 per baar
verschuldigd, te voldoen bij de inzending der baren.
Tenzij de leveraar bij de inzending der baren verklaard heeft
dat hij gehaltebepaling van elke baar afzonderlijk wenscht, kan
de muntmeester, zoo hij dit wensehelijk acht, het gemiddeld
gehalte van de gezamenlijke baren, op de daaruit genomen
kapsels, doen bepalen. In dit geval is de leveraar een essaailoon
van f 1, per baar verschuldigd.
De muntmeester heeft het recht, zoo gewenscht, de baren
vr het gehalte-onderzoek om te smelten.
Gehalten worden opgegeven intienduizendstedeelen.
Artikel 6.
Baren, welke wegens brosheid of te lichte kleur van het metaal
door den muntmeester ter vermunting ongeschikt worden geacht,
moeten door den leveraar worden teruggenomen.
Artikel 7.
Na afloop van de gehalte-bepalingen door de afdeeling Algemeene Zaken" van 's Rijks Munt verricht, wordt den leveraar
per aangeteekenden brief mededeeling der uitkomsten gedaan,
onder bijvoeging eener opgave van de hoeveelheid fijn goud in
de baren vervat. Verklaart de leveraar niet binnen 3 dagen na

86
afzending dezer mededeeling, dat hij de baren terugverlangt of
dat hij bezwaar heeft tegen de uitkomsten der gehalte-bepalingen,
dan worden de baren geacht ter vermunting te zijn afgegeven.
Baren beneden het in artikel 3 voorgeschreven minimumgehalte moeten door den leveraar worden teruggenomen.
Artikel 8.
Verklaart de leveraar, dat hij bezwaar heeft tegen de uitkomsten der gehaltebepalingen, als in het vorig artikel bedoeld,
dan draagt de muntmeester een nader onderzoek op aan de
afdeeling Contrle" van 's Rijks Munt. Na afloop van dat
onderzoek doet de muntmeester uitspraak in het geschil. Voor
dit nader onderzoek worden geen kosten in rekening gebracht.
De uitspraak wordt den leveraar per aangeteekenden brief toegezonden.
De leveraar kan de baar of de baren, waarover uitspraak is
gedaan, terugnemen, mits hij zich, binnen 5 dagen na afzending
der uitspraak, hieromtrent verklare. Is deze verklaring binnen
den gestelden tijd niet bij den muntmeester ingekomen, dan
worden de baar of de baren geacht ter vermunting te zijn
afgegeven.
Artikel 9.
De volgende vreemde munten worden, volgens het brutogewicht door den muntmeester vast te stellen, en tegen de daarbij
vermelde gehalten, ter vermunting aangenomen:
Sovereigns (Engeland)
20 en 10 markstukken (Duitschland)
20 en 10 frankstukken (Latijnsche muntunie)
Eagles (Vereenigde Staten van Noord-Amcrika)
20 en 10 kronenstukken (Oostenrijk-Hongarije)
Oude Imperialen (Rusland)
Nieuwe Imperialen (Rusland)

0,916'
0,899'
0,899'
0,899'
0,899'
0,916
0,899'

87
Wanneer de in het vorige lid bedoelde munten vr de aanbieding reeds tot baren versmolten zijn, worden deze tegen de in
dat lid genoemde gehalten aangenome!, mits, ten genoegen van
den muntmeester wordt aangetoond, dat deze baren uitsluitend
uit n of meer der genoemde muntsoorten zijn verkregen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde vreemde munten of
baren, die op een gehalte van 0,899' worden aangenomen, moeten
vergezeld gaan van een zoodanig aantal baren met een minimumgehalte van 0,994, dat het gemiddelde gehalte van het te verwerken goud ten minste 0,901 bedraagt.
Andere vreemde munten dan in het eerste lid bedoeld worden
vr de gehaltebepaling aan 's Rijks Munt tot baren versmolten,
waarbij de leveraar of zijn gemachdgde kan tegenwoordig zijn.
Voor deze bewerking is een bedrag van f 0,25 per K.G. verschuldigd. De baren kunnen ter vermundng worden aangenomen
volgens de bepalingen van de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 10.
Nadat het goud ter vermunting zal zijn afgegeven deelt de
muntmeester den leveraar mede het aantal muntstukken, dat
daaruit kan worden vervaardigd, het bedrag van het mundoon
en het tijdstip, waarop over de nieuwe gemunte specie zal kunnen
worden beschikt.
Eene overblijvende hoeveelheid goud, geringer dan noodig is
voor n stuk der aangemunte specie, wordt verrekend tegen een
prijs van f 1648 per K.G. fijn.
Artikel n .
De specin worden afgeleverd in zakken, dragende het zegel
van den muntmeester en dat van de afdeeling Controle" van
's Rijks Munt.
Artikel 12.
Bij aanmuntingen voor particulieren bedraagt het mundoon
voor:

88

a.

dukaten

f n , 8 o per K . G . werks;

b.

io-guldenstukken

5J

e. 5-guldenstukken:
f 10, per K . G . werks voor hoeveelheden tot 500 K . G . ;
f g per K . G . werks voor hoeveelheden grooter dan 500 K . G .
tot 1000 K . G . ;
8, per K . G . werks voor hoeveelheden grooter dan 1000 K . G .
;

tot 2000 K . G . ;

7 >

per K . G . werks voor hoeveelheden grooter dan 2000 K . G .

tot 3000 K . G . ;

f 6, per K . G . werks voor hoeveelheden grooter dan 3000 K . G .


In het mundoon zijn begrepen de kosten van het metaal tot
bijzet benoodigd en van de verpakking i n zakken.
De verschuldigde bedragen moeten vr den aanvang van den
muntslag bij den muntmeester worden gestort.
Artikel 13.
Bij aanmuntingen ten behoeve van de Kolonin worden de
volgende mundoonen aan het Staatsmuntbedrijf vergoed:
a. voor gouden munten de in het vorig artikel vastgestelde
bedragen per K . G . werks;
b.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.

8.
9.

voor:
rijksdaalders
f 1,10
guldens
i>35
halve guldens
2,10
25 centstukken of '4 guldens
Curacao
2,60
10 centstukken of '/i guldens
Curacao
5 5
5 centstukken Nederland
0,70
2'jt

ii
' 5
1

i>3Q
*},

per K . G . werks

>

n m

2,60

9
10.

V4 guldens

Nederlandsch-Indi

3, per K . G . werks

11.

guldens

Nederlandsch-Indi

5,70

0,60

,.

12.

centstukken

13-

2'A

'55

14.

0,70

15$

i55
Voor het geval, dat het metaal benoodigd voor den muntslag
van nikkelen, bronzen of koperen pasmunt aan 's Rijks Munt
geleverd wordt in den vorm van muntplaatjes, bedragen de loonen
per K . G . werks voor:
5 centstukken Nederland
a'fa

Nederlandsch-Indi
2'/=

/,

f 0,53
>5
0,83
i,5i
0,32
0,31
0,39
0,78
6

Voor het geval, dat het voor den muntslag van nikkelen, bronzen of koperen pasmunt benoodigd metaal aan 's Rijks Munt
geleverd wordt in den vorm van ingetrokken specie of in anderen
vorm, dan hetzij van bladen of reepen van de vereischte samenstelling, hetzij van muntplaatjes, bedragen de mundoonen per
K . G . werks voor:
5

centstukken Nederland

,,

%
5
2'/*

Nederlandsch-Indi

7*

f 1,55
1,65
2,10
3,40
1,50
1,25
1,40
2

>5
2

90
Artikel 14.
In de in het vorig artikel vastgestelde muntloonen zijn
begrepen:
a. voor de gouden specin de kosten van het metaal tot bijzet
benoodigd en van de verpakking in zakken;
b. voor de zilveren specin en voor de Nederlandsche 5-centstukken de kosten der verpakking in zakken;
c. voor de overige nikkelen specin en voor de bronzen en
koperen specin de kosten der verpakking in vaten met n
grooten zak, inhoudende ten minste f 2000, nominaal voor
de nikkelen specin en f 400, nominaal voor de bronzen en
koperen specin.
Artikel 15.
Verschillen tusschen het wettelijk en het werkelijk gewicht en
gehalte der ten behoeve van de kolonin vervaardigde en afgeleverde munten komen ten bate of ten laste van het Rijk.
Artikel 16.
Voor het uitvoeren van muntingen voor rekening van buitenlandsche Regeeringen is Onze bijzondere machtiging noodig.
De voorwaarden, waaronder eene zoodanige munting kan
worden ondernomen, worden door Ons in elk bijzonder geval
vastgesteld.
II.

STEMPELS E N MEDAILLES.

Artikel 17.
Aanvragen tot het doen vervaardigen van medaillestempels
of afslagen daarvan, moeten gericht worden tot den muntmeester.
Zij moeten vergezeld zijn, voor zoover het de vervaardiging
van medaillestempels betreft, van de daartoe vereischte modellen
in geschikten vorm, ter beoordeeling van den muntmeester en
voor zoover het de vervaardiging van afslagen betreft, van de
hiertoe te gebruiken stempels, tenzij een afslag verlangd wordt

91
van een der Rijksstempels, welke tot dit doel beschikbaar zijn
gesteld.
Artikel 18.
Het gehalte van gouden medailles bedraagt 0,983 fijn, van
zilveren medailles 0,985 fijn, met ruimten respectievelijk van
0,001 en 0,002, zoo onder als boven de genoemde gehalten.
Artikel 19.
Voor het maken van afslagen van medaillestempels, eigendom
zijnde van den besteller, wordt een loon geheven, berekend naar
het volgende tarief:
Voor penningen
,
groot in middellijn.

_
,
Goud.

Zilver.

Brons
.
of koper.

mm.

Per stuk.

Per stuk.

Per stuk.

beneden 40

4,

2,50

f 2,

van 4060

6,

},75

3,

van 6080

8,

5,

4,

Indien van n soort meer dan 10 stuks verlangd worden,


worden voor de meerdere exemplaren de prijzen met 20 pet.
verlaagd; bij afname van meer dan 100 stuks bedraagt deze
verlaging voor die meerdere exemplaren 40 pet.
Bovengenoemde prijzen kunnen, naar mate de uitvoering
bewerkelijker is, verhoogd worden tot ten hoogste tweemaal de
overeenkomstig het vorenstaande berekende bedragen.
Voor het maken van afslagen van daartoe beschikbaar gestelde
Rijksstempels wordt het bovenstaande loontarief met 25 pet.
verhoogd.
Met afwijking i n zooverre van het bepaalde i n artikel 17, is
Onze Minister van Financin gemachtigd den verkoop van
afslagen van Rijksstempels aan derden op te dragen, mits deze

92
aan de door of namens Onzen voornoemden Minister voor ieder
geval te stellen voorwaarden voldoen. Aan de met dien verkoop
belaste personen of firma's kan door Onzen Minister eene korting
worden toegestaan van ten hoogste 25 percent over het volgens
dit artikel bepaalde loon voor het maken van de door hunne
tusschenkomst verkochte afslagen.
Artikel 20.
De vergoedingen, die voor de vervaardiging van n of meer
poincpenen en dienststempels van eene medaille in rekening
worden gebracht, worden in elk bijzonder geval desgewenscht
vr de vervaardiging aan den aanvrager medegedeeld.
Artikel 22.
Van eiken medaillestempel, die aan 's Rijks Munt wordt
vervaardigd of voor de eerste maal afgeslagen, worden 2 afslagen
boven het bestelde aantal genomen, bestemd voor Rijksverzamelingen.
Artikel 23.
Behalve de volgens artikel 19 bepaalde vergoeding wordt het
edel metaal, in de medailles vervat, in rekening gebracht tegen een
prijs welke desgewenscht vr de vervaardiging aan den aanvrager wordt medegedeeld.
Voor bronzen en koperen medailles zijn de kosten van het
metaal in het tarief voor de afslagen begrepen.
Artikel 24.
Alle aan 's Rijks Munt vervaardigde medaillestempels en afslagen worden voorzien van het muntteeken der muntspecin.
Artikel 25.
De bepalingen der artikelen 1724 gelden eveneens ten aanzien van de vervaardiging van medaillestempels of afslagen
daarvan voor rekening van de kolonin.

93
Bij de vervaardiging van muntstempels naar nieuwe modellen
voor rekening van de kolonin wordt aan het Rijk een loon
vergoed, berekend naar de bepalingen der artikelen 20 en 21.
Artikel 26.
Voor het vervaardigen van muntstempels voor rekening van
buitenlandsche Regeeringen is Onze bijzondere machtiging
noodig.
De voorwaarden, waaronder zoodanige arbeid kan geschieden,
worden door Ons in elk bijzonder geval vastgesteld.
Artikel 27.
Ons besluit van 19 December 1901 (Staatsblad n. 271),
zooals dat is gewijzigd laatstelijk bij Ons besluit van 7 Juli
1911 (Staatsblad n. 202), wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na dien
der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant,
waarin het geplaatst is.
Onze Ministers van Financin en van Kolonin zijn belast
met de uitvoering van dit besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad
en in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift
zal worden gezonden aan den Raad van State.
's Gravenhage, den 20sten Januari 1913.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

De Minister van

Kolonin,

DE WAAL MALEFIJT.

Uitgegeven den acht en twintigsten Januari 1913.


De Minister van Justitie ad interim,
HEEMSKERK.

94
KONINKLIJK BESLUIT
van den 3den Februari 1913, n. 90, regelende de mundoonen bij aanmuntingen
ten behoeve van het Rijk, gewijzigd bij Koninklijk besluit van 2 September
1919, n. 128.
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES V A N ORANJE-NASSAU, E N Z . , E N Z . , E N Z .

Gezien de wet van 31 October 1912 (Staatsblad n. 331),


houdende aanwijzing van 's Rijks Munt als Staatsbedrijf;
Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van den
30 Januari 1913, n. 78, Generale Thesaurie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Te bepalen als volgt:
Artikel 1.
Bij aanmuntingen ten behoeve van het Rijk worden aan het
Staatsmuntbedrijf vergoed de mundoonen voor de verschillende
Rijksmunten vastgesteld in de artikelen 12 en 13 van Ons besluit
van 20 Januari 1913 (Staatsblad n. 35), zooals dit nader is
gewijzigd, regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening
van anderen dan het Rijk aan 's Rijks Munt kan worden gemunt,
medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd.
Artikel 2.
In de in het vorig artikel vastgestelde vergoedingen zijn
begrepen:
a. voor de gouden specin de kosten van het metaal tot bijzet
en van de verpakking;
b. voor de overige specin de kosten van de verpakking.

95
Artikel 3.
Dit besluit wordt geacht te zijn in werking getreden met
1 Januari 1913.
Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van
dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer.
's Gravenhage, den 3 Februari 1913.
WILHELMINA.
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

KONINKLIJK BESLUIT
van den agsten December 1911, regelende de voorwaarden waaronder voor
rekening van 's Rijks kolonin en bezittingen stempels geen muntstempels
of medaillestempels zijnde en hulpmiddelen geen stempels zijnde aan
's Rijks Munt kunnen vervaardigd worden (Staatsblad n. 390).
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ , ENZ.

Gezien artikel 3, 3de lid, der bij de wet van 1 Juli 1909
(Staatsblad n. 253), gewijzigde wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), houdende bepalingen omtrent het toezicht en de
zorg over de zaken der Munt;
Gelet op artikel 23, iste lid, van Ons, laatstelijk bij Ons
besluit van 7 Juli 1911 (Staatsblad n. 202), gewijzigd besluit
van 19 December 1901 (Staatsblad n. 271), regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het Rijk
aan 's Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden
geslagen en stempels kunnen worden vervaardigd;
Op de voordracht van Onze Ministers van Financin van
16 November 1911, n. 51, Generale Thesaurie, en van Kolonin,
van 16 November 1911, afdeeling F., n. 34;
Den Raad van State gehoord (advies van 5 December 1911,
n. 2 4 ) ;
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van
16 December 1911, n. 50, Generale Thesaurie en van 23 December 1911, afdeeling F . , n. 40;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Te bepalen als volgt:
Artikel 1.
Alle hier te lande voor rekening van 's Rijks Kolonin en
Bezittingen te vervaardigen stempels voor het zegel en voor den

97
ijk der maten en gewichten alsmede de hiertoe noodige modellen
worden aan 's Rijks Munt vervaardigd.
Artikel 2.
Aanvragen tot het doen vervaardigen van stempels als bedoeld
in artikel 1 moeten door of namens Onzen Minister van Kolonin
gericht worden tot den Muntmeester.
Hetzelfde geldt ten aanzien van andere stempels geen muntof medaillestempels zijnde en van hulpmiddelen geen
stempels zijnde welker vervaardiging voor rekening van
's Rijks Kolonin en Bezittingen aan 's Rijks Munt verlangd
wordt.
De vergoedingen, die voor de vervaardiging van de i n dit
artikel bedoelde stempels of hulpmiddelen in rekening zullen
worden gebracht, worden, voor zoover zij niet in dit besluit zijn
vastgesteld, in elk bijzonder geval berekend en desgewenscht
vr de vervaardiging aan den aanvrager medegedeeld.
Artikel 3.
Voor het vervaardigen van de in dit artikel genoemde stempels
wordt eene vergoeding in rekening gebracht berekend naar de
onderstaande tarieven:
I.

Stempels voor het zegel.

Per stempel (oud model)


Per stempel (nieuw model)
II.

f 25
30

Stempels voor den ij\ der maten en gewichten.

In zooverre de stempels voor den ijk der maten en gewichten


ten dienste van de Kolonin en Bezittingen overeenstemmen met
die ten dienste van het Rijk in Europa, worden aan de Kolonin
en Bezittingen de vergoedingen in rekening gebracht, die door
Ons voor het Rijk zijn vastgesteld.
Voor de vijfhoekige stempels ten dienste van NederlandschIndi worden, naar gelang van de grootte der 4 soorten, prijzen
in rekening gebracht van f 4,50, f 4 , f 3 en f 2 .
7

98
Artikel 4.
Tndien de Muntmeester van oordeel is, dat in eenig bijzonder
geval de in artikel 3 vastgestelde tarieven te laag of te hoog zijn,
kan de vergoeding op zijn voorstel door Onzen Minister van
Financin worden gewijzigd.
Aan Onzen Minister van Kolonin wordt hiervan kennis
gegeven.
Artikel 5.
De kosten verbonden aan de vervaardiging van modellen,
matrijzen en poincoenen, benoodigd voor den aanmaak van de
in artikel 3 bedoelde stempels, worden afzonderlijk i n rekening
gebracht.
Artikel 6.
Verrekening van bestellingen, welke vr het in werking
treden van dit besluit gedaan, nog niet zijn betaald, zal geschieden volgens de bepalingen van dit besluit.
Artikel 7.
Ons besluit van 31 Januari 1906 (Staatsblad n. 11) wordt
ingetrokken.
Onze Ministers van Financin en van Kolonin zijn belast
met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan
den Raad van State.
's Gravenhage, den 29sten December 1911.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

De Minister van

Kolonin,

D E W A A L MALEFIJT.

Uitgegeven den achttienden Januari 1912.


De Minister van Justitie,
E . R. H . REGOT.

99
KONINKLIJK BESLUIT
van den gden October 1911, n. 55, houdende regelen ten aanzien van het
voor rekening van het Rijk doen ontwerpen en vervaardigen van medaillestempels en het doen slaan van medailles aan 's Rijks Munt, alsmede len aanzien
van de vergoedingen, welke te dier zake in rekening te brengen zijn, gewijzigd
bij Koninklijk besluit van 2 Januari 1919, n. 48.
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Overwegende, dat het wenschelijk is de regelen ten aanzien


van het voor rekening van het Rijk doen ontwerpen en vervaardigen van medaillestempels en het doen slaan van medailles aan
's Rijks Munt, alsmede ten aanzien van de vergoedingen welke
te dier zake in rekening te brengen zijn, te wijzigen en die
regelen gelijktijdig opnieuw vast te stellen;
Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van
den 25 September 1911, n. 69, Generale Thesaurie;
Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister
van 4 October 1911, n. 66, Generale Thesaurie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Te bepalen als volgt:
Artikel 1.
Aanvragen tot het doen ontwerpen en vervaardigen van
medaillestempels of het maken van afslagen daarvan, moeten
gericht worden tot den Muntmeester.
Artikel 2.
Het gehalte van gouden medailles bedraagt 0.983 fi) >
zilveren medailles 0.985 fijn, met ruimten respectievelijk van
0.001 en 0.002 zoo onder als boven de genoemde getallen.
n

IOO

Artikel 3.
Voor het ontwerpen van een stempel en het vervaardigen van
een model i n gips of ander materiaal van dat ontwerp wordt
eene vergoeding in rekening gebracht, waarvan het bedrag i n
ieder bijzonder geval wordt berekend en desgewenscht aan den
aanvrager wordt medegedeeld, alvorens met het uitvoeren der
bestelling een aanvang wordt gemaakt.
Artikel 4.
De vergoedingen, die voor de vervaardiging van een of meer
poincoenen en dienststempels in rekening worden gebracht,
worden i n elk bijzonder geval desgewenscht vr de vervaardiging aan den aanvrager medegedeeld.
Artikel 5.
Voor het maken van afslagen van medaillestempels wordt eene
vergoeding i n rekening gebracht, berekend naar het volgende
tarief:
Voor penningen
groot in middellijn.
mm.
beneden 40

Per stuk.
f 4

Z i l v e r

Per stuk.
f

f
ot koper.
B

n s

Per stuk.
f

van 4060

6,

3,75

van 6080

8,

5,

4.

Indien van n soort meer dan 10 stuks verlangd worden,


worden voor de meerdere exemplaren de prijzen met 20 pet.
verlaagd, bij afname van meer dan 100 stuks bedraagt deze
verlaging voor die meerdere exemplaren 40 pet.
Bovengenoemde prijzen kunnen naar mate de uitvoering

101
bewerkelijker is, verhoogd worden tot ten hoogste tweemaal de
overeenkomsdg het vorenstaande berekende bedragen.
Artikel 6.
Indien de Muntmeester van oordeel is, dat i n bijzondere
gevallen het in artikel 5 genoemde tarief te laag of te hoog is,
kan dat op zijn voorstel door Onzen Minister van Financin
worden gewijzigd.
Artikel 8.
Van eiken medaillestempel, die aan 's Rijks Munt wordt
vervaardigd, of voor de eerste maal afgeslagen, worden 2 afslagen
in brons boven het bestelde aantal genomen, bestemd voor Rijksverzamelingen.
Artikel 9.
Behalve de volgens tarief, in artikel 5 genoemd, verschuldigde
vergoeding, wordt het edel metaal, in de medailles vervat, in
rekening gebracht.
Voor bronzen en koperen medailles zijn de kosten van het
metaal in het tarief voor de afslagen begrepen.
Artikel 10.
Alle aan 's Rijks Munt vervaardigde medaillestempels en
afslagen worden voorzien van het muntteeken der muntspecin.
Artikel

n.

Ons besluit van 14 Augustus 1902, n. 25, wordt ingetrokken.


Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van
dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Departementen van Algemeen Bestuur en aan de Algemeene
Rekenkamer.
Het Loo, den 9 October 1911.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

102
KONINKLIJK BESLUIT
van den 25<ten November 1911, n. 41, houdende regelen ten aanzien van het
voor rekening van het Rijk doen vervaardigen aan 's Rijks Munt van stempels,
gren munt- of medaillestempels zijnde, en van andere hulpmiddelen, alsmede
ten aanzien van de vergoedingen, welke te dier zake in rekening te brengen zijn,
gewijzigd bij Koninklijk besluit van 7 Februari 1919 n. 39.
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ-, ENZ.

Overwegende, dat het wenschelijk is, met intrekking van Onze


besluiten van 21 December 1903, n. 19, en van 10 December
1904, n. 43, regelen vast te stellen ten aanzien van het voor
rekening van het Rijk doen vervaardigen aan 's Rijks Munt van
stempels, geen munt- of medaillestcmpels zijnde, en van andere
hulpmiddelen, welke aan 's Rijks Munt kunnen vervaardigd
worden, alsmede ten aanzien van de vergoedingen, welke te dier
zake in rekening te brengen zijn;
Op de voordracht van Onze Ministers van Financin van
9 November 1911, n. 38, Generale Thesaurie, van Waterstaat
van 17 November 1911, n. 5, Posterijen en Telegrafie, en van
Landbouw, Nijverheid en Handel van 22 November 1911,
n. 6756, Nijverheid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen als volgt:
Artikel 1.
Alle stempels voor den waarborg der gouden en zilveren
werken, voor het zegel en voor den ijk der maten en gewichten,
alsmede de hiertoe noodige modellen worden aan 's Rijks Munt
vervaardigd.
Artikel 2.
Aanvragen tot het doen vervaardigen van stempels, als bedoeld
in artikel 1, moeten door of namens het Hoofd van het betrokken

103
D e p a r t e m e n t v a n A l g e m e e n Bestuur gericht
Muntmeester.
Artikel

worden

tot

den

3.

V o o r het vervaardigen v a n de i n a r t i k e l 1 bedoelde stempels


w o r d t eene vergoeding i n r e k e n i n g gebracht, berekend naar de
onderstaande tarieven:
I.

Stempels voor den w a a r b o r g der g o u d e n en z i l v e r e n


werken:

P e r e n k e l v o u d i g e n stempel
II.

P e r stempel ( o u d m o d e l )
P e r stempel ( n i e u w m o d e l )
III.

2,50

Stempels voor het z e g e l :


25,
30,

Stempels voor den ijk der maten en g e w i c h t e n :

(bedoeld i n de tabel, behoorende bij het voorschrift betreffende


de

stempels

voor het

IJkwezen,

laatstelijk

vastgesteld

bij

de

b e s c h i k k i n g v a n O n z e M i n i s t e r s v a n L a n d b o u w , N i j v e r h e i d en
H a n d e l en v a n F i n a n c i n v a n 2 en 5 September

1908, nos.

4 1 5 1 / 9 5 A f d e e l i n g N i j v e r h e i d en Generale T h e s a u r i e )
a.
b.

voor de stempels nos. 1 e n 6

voor de stempels nos. 12, 17, 26 en 30

c.

voor de stempels nos. 2 en 7

d.

voor de stempels nos. 3, 5,

8,

9,75
8,50
75

11, 13, 18,

22,

23, 27 en 31

6,50

e.

voor de stempels nos. 10

4,

/.

voor de stempels nos. 4, 9, 14, 15, 16, 19, 20,


21, 24, 25, 28, 29, 32 en 33

3,

Artikel

4.

I n d i e n de M u n t m e e s t e r v a n oordeel is, dat i n eenig bijzonder


geval de i n artikel 3 vastgestelde tarieven te laag of te h o o g z i j n ,
k a n de vergoeding op z i j n voorstel d o o r O n z e n M i n i s t e r v a n

104
Financien worden gewijzigd. Aan het rioord van het betrokken
Departement van Algemeen Bestuur wordt hiervan kennis gegeven.
Artikel 5.
De kosten verbonden aan de vervaardiging van modellen,
matrijzen en poincoenen, benoodigd voor den aanmaak van de
in artikel 3 bedoelde stempels, worden afzonderlijk in rekening
gebracht.
Artikel 6.
Aanvragen tot het voor rekening van het Rijk doen vervaardigen van stempels, geen munt- of medaillestempels zijnde en
niet genoemd in artikel 1, of van andere hulpmiddelen, waarvan
de aanmaak aan 's Rijks Munt kan plaats hebben, moeten door
of namens het Hoofd van het betrokken Departement van Algemeen Bestuur gericht worden tot den Muntmeester.
De vergoedingen, die voor de vervaardiging van de in dit
artikel bedoelde stempels of hulpmiddelen in rekening zullen
worden gebracht, worden in elk bijzonder geval berekend en
desgewenscht vr de vervaardiging aan den aanvrager medegedeeld.
Artikel 7.
Verrekening van bestellingen, welke vr het in werking
treden van dit besluit gedaan, nog niet zijn betaald, zal geschieden
volgens de bepalingen van dit besluit.
Artikel 8.
Onze besluiten van 21 December 1903, n. 19, en van 10
December 1904, n. 43, worden ingetrokken.
Onze Ministers van Financin, van Waterstaat en van Landbouw, Nijverheid en Handel zijn belast met de uitvoering van

io5
dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer.
's Gravenhage, den 25sten November 1911.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

De Minister van Waterstaat,


L. H. W. REGOUT.

De Minister van Landbouw,


Nijverheid en Handel,
A. S. TALMA.

106
KONINKLIJK BESLUIT
van den I5den September 1913, houdende vergunning tot invoer van koperen
muntplaatjes ten behoeve van 's Rijks Munt (Staatsblad n .
WIJ

W I L H E L M I N A,

NEDERLANDEN,

PRINSES

BIJ D E GRATIE

GODS,

V A N ORANJE-NASSAU,

367).

KONINGIN DER

ENZ., ENZ., ENZ.

Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van


21 Augustus 1913, n. 109, Invoerrechten en Generale Thesaurie;
Gezien ardkel 19 der wet van 15 Augustus 1862 (Staatsblad
n. 170);
Den Raad van State gehoord (advies van 2 September 1913,
n. 27);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister
van 10 September 1913, n. 96, Invoerrechten en Generale
Thesaurie;
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Eenig artikel.
Met afwijking van het bepaalde bij ardkel 19, eerste lid, der
wet van 15 Augustus 1862 (Staatsblad n. 170) wordt de invoer
van koperen muntplaatjes ten behoeve van 's Rijks Munt toegestaan, mits deze bestemming bij dien invoer voldoende wordt
aangetoond.
Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van
dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en
waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
's Gravenhage, den 15den September 1913.
WILHELMINA.
De Minister van Financin,
BERTLING.

Uitgegeven den dertigsten September 1913.


De Minister van Justitie,
B. ORT.

io7
KONINKLIJK BESLUIT
van den isten Februari 1930, n. 48, betreffende den aankoop en de
verwerking van munt- en medaillemateriaal.
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van


28 Januari 1930, Afdeeling Generale Thesaurie, n. 27;
Overwegende, dat het houden van eene openbare aanbesteding
voor den aankoop van munt- en medaillemateriaal, alsmede voor
het verwerken van aangekocht munt- en medaillemateriaal, wanneer een en ander een vermoedelijke uitgaaf van meer dan f 2500
ten gevolge heeft, niet wenschelijk is, omdat deze leveringen en
werken aan bijzondere eischen, welke de munttechniek stelt,
moeten voldoen, en daarvoor slechts een beperkt aantal fabrieken
is ingericht;
Gelet op ardkel 33, tweede lid, der Comptabiliteitswet (Staatsblad n. 259);
Hebben goedgevonden en verstaan:
toe te staan, dat te rekenen vanaf 1 Januari 1929, van den in
artikel 33, eerste lid, der Comptabiliteitswet (Staatsblad n. 259)
gestelden regel wordt afgeweken voor den aankoop van munt- en
medaillemateriaal, alsmede voor het verwerken van aangekocht
munt- en medaillemateriaal.
Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van
dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer.
's Gravenhage, den isten Februari 1930.
W I L H E L M I N A .
De Minister van
DE GEER.

Financin,

io8

KONINKLIJK

BESLUIT

van den isden October 1930, n. 21, betreffende den verkoop van
afvalproducten en
machines,

buiten dienst gestelde werktuigen


afkomstig

van

's Rijks

en

Munt.

WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER


NEDERLANDEN, PRINSES V A N ORANJE-NASSAU, E N Z . , E N Z . , E N Z .

Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van


10 October 1930, n. 16, Generale Thesaurie;
Overwegende, dat bij 's Rijks Munt te Utrecht vrij geregeld
oude materialen, werktuigen o machines moeten worden verkocht en dat het in 's Rijks belang wenschelijk is deze goederen
ondershands te verkoopen, omdat de gedurende een reeks van
jaren opgedane ondervinding heeft uitgewezen, dat slechts op deze
wijze voor bedoelde roerende zaken een redelijke prijs is te
bedingen;
Gelet op artikel 29, 2de en 3de lid, der Comptabiliteitswet
(Staatsblad 1927, n. 259);
Hebben goedgevonden en verstaan:
Goed te keuren, dat, te rekenen van 1 Januari 1930, ten aanzien van den verkoop van afvalproducten en buiten dienst gestelde werktuigen en machines, afkomstig van 's Rijks Munt,
wordt afgeweken van den voor zoodanige verkoopen in artikel 29,
2de lid, der Comptabiliteitswet (Staatsblad 1927, n. 259),
gestelden regel.
Onze Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit
besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene
Rekenkamer.
Het Loo, den i5den October 1930.
W I L H E L M I N A .
De Minister van
DE GEER.

Financin,

100

KONINKLIJK BESLUIT
van den 23$ten September 1909, n. 12, houdende vaststelling van den eed,
bedoeld in artikel 7 der wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), zooals
die is gewijzigd bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253).
WIJ W I L H E L M I N A , BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ , ENZ.

Gezien artikel 7, 2de lid, der wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad
n. 130), houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg
over de zaken der Munt, zooals die wet is gewijzigd bij de wet
van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253);
Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van
den i7den September 1909, n. 30, Generale Thesaurie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Den, ingevolge het 2de lid van ardkel 7 der wet van 28 Mei
1901 (Staatsblad n. 130), zooals die wet is gewijzigd bij de
wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n. 253), door de daarbedoelde
ambtenaren van de afdeeling Contrle" van 's Rijks Munt af
te leggen eed vast te stellen als volgt:
Ik zweer, dat ik, om te worden aangewezen als een van de
twee ambtenaren, belast met het onderzoek of de aan 's Rijks
Munt nieuw vervaardigde munten aan de wettelijke eischen van
gewicht en gehalte voldoen, direct of indirect aan geen persoon,
onder welken naam of welk voorwendsel ook, eenige giften of
gaven beloofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.
Ik zweer, dat ik bij het verrichten van vorenbedoeld onderzoek en van andere mij opgedragen zelfstandige onderzoekingen
en werkzaamheden mij uitsluitend zal laten leiden door de
belangen van den Staat en door de in het reglement voor den
dienst van 's Rijks Munt en i n mijne instructie daaromtrent
gegeven of nog te geven voorschriften en mij daarvan nimmer,
in welk opzicht ook, zal laten weerhouden door eenige beloften

ito

of geschenken direct of indirect, door gunstbetoon, lief of leed


of om welke reden, hoe ook genaamd.
Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig."
Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van
dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer.
Het Loo, den 23 sten September 1909.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
KOLKMAN.

III

KONINKLIJK BESLUIT
van den z8sten Mei 1932, n . 22, houdende aanvullende bepalingen op het
Algemeen Rijksambtenarenreglement voor het Staatsmuntbedrijf.
WIJ

W I L H E L M I N A ,

NEDERLANDEN,

PRINSES

BIJ D E GRATIE

GODS,

V A N ORANJE-NASSAU,

K O N I N G I N DER

ENZ., ENZ., ENZ.

Op de voordracht van Onzen Minister van Financin van


23 Mei 1932, n. 81, Generale Thesaurie;
Gelet op artikel 132 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
Hebben goedgevonden en verstaan:
vast te stellen de navolgende bepalingen:
Artikel 1.
Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van het Staatsmuntbedrijf.
Artikel 2.
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onzen Minister": de Minister van Financin;
Hoofd van dienst": de Muntmeester;
Werklieden": de ambtenaren, opgenomen in bijlage BIII
van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1928,
vr 1 September 1931 Rijkswerkheden geheeten.
Artikel 3.
De aanstelling en de bevordering van werklieden geschieden
door het Hoofd van dienst.
Artikel 4.
Aan een werkman, die op grond van meer dan gewone ijver
en geschiktheid daarvoor in aanmerking komt, kan door het
Hoofd van dienst boven het voor zijn ambt vastgestelde loon
een toeslag worden toegekend van ten hoogste 5 cents per uur.

112

Artikel 5.
1. Door het Hoofd van dienst wordt een regeling vastgesteld
van de normale arbeidstijden. Hierbij wordt rekening gehouden
met de in de navolgende artikelen vervatte bepalingen.
2. Afwijking van deze bepalingen is geoorloofd, voor zoover
de aard der werkzaamheden, de eischen van den dienst of de
omstandigheden, waaronder gearbeid wordt, aan de toepassing
daarvan in den weg staan.
Artikel 6.
De arbeidsduur bedraagt:
a. voor de ambtenaren, niet behoorende tot de groep der
werklieden, ten minste 39 / uur per week;
b. voor de werklieden 8'/a uur op elk der eerste vijf werkdagen van de week en 5'/a uur op Zaterdag.
1

Artikel 7.
De dagelijksche arbeid mag niet later eindigen dan te 6 uur
des namiddags.
Artikel 8.
t Op dagen, waarop een werkman langer dan vijf en een
half uur arbeid verricht, moet zijn arbeidstijd na verloop van
ten hoogste vier en een half uur worden afgewisseld door een
onafgebroken rusttijd van ten minste een half uur.
2. Rusttijden van minder dan een kwartier worden geacht
tijden te zijn, gedurende welke arbeid wordt verricht.
Artikel 9.
r. Mannelijke werklieden van achttien jaar en ouder kunnen
buiten den voor hen geldenden normalen arbeidstijd met waakdienst worden belast. In het belang van hunne veiligheid tijdens
den waakdienst worden de noodige maatregelen genomen.
2. Waakdienst wordt bij voorkeur opgedragen aan hen, die
zich voor het verrichten daarvan beschikbaar hebben gesteld en

H3
daartoe de noodige geschiktheid bezitten. Bij gebreke van zulke
werklieden kunnen uit alle overige werklieden, als in het eerste
lid bedoeld, die bij 's Rijks Munt werkzaam zijn, personen tot
het verrichten van waakdienst worden aangewezen.
Ardkel 10.
Wanneer het verrichten van waakdienst het genieten van eene
nachtrust van ten minste acht uur onmogelijk maakt en een
werkman dien waakdienst in zeker tijdvak eiken nacht verricht,
moet hij gedurende dat tijdvak vrij zijn van zijn gewonen arbeid.
' Artikel I I .
1. Onder overwerk wordt verstaan de arbeid door een ambtenaar verricht vr het normale uur van den aanvang of na het
normale uur van einde van zijn arbeidsdag, zoomede de arbeid,
verricht tusschen die uren van aanvang en einde, ten gevolge
waarvan het voor hem geldende aantal normale arbeidsuren wordt
overschreden.
2. Indien ten aanzien van een ambtenaar niet voor het geheele
jaar een zelfde arbeidsregeling geldt, worden in een bepaald deel
van het jaar als normaal uur van aanvang en normaal uur van
einde van zijn arbeidsdag, zoomede als het voor hem geldende
aantal normale arbeidsuren aangemerkt die, aangegeven door de
arbeidsregeling, welke in dat deel van het jaar voor hem van
kracht is.
Artikel 12.
1. Overwerk mag slechts worden opgedragen in gevallen,
waarin afwijking van den normalen arbeidstijd in het belang van
den dienst noodzakelijk is.
2. De duur van het overwerk moet zooveel mogelijk worden
beperkt.
In geen geval mag een ambtenaar, die met overwerk is belast,
langer arbeid verrichten dan:
a. wanneer het overwerk noodig is ter bespoediging van het

ii4

werk, elf uur per dag, of twaalf uur per dag, mits op niet meer
dan drie dagen per week wordt overgewerkt;
b. vier en twintig uur in twee opvolgende etmalen, wanneer
het overwerk dringend noodzakelijk is om den geregelden gang
van den dienst te herstellen of te verzekeren.
Artikel 13.
Voor overwerk, dat een werkman op eene door of namens het
Hoofd van dienst verstrekte lastgeving heeft verricht, wordt hem
toegekend zijn uurloon, berekend over den duur van het overwerk, doch met eene verhooging van 50 pet., voor zoover het
overwerk tusschen 10 uur des namiddags en middernacht, van
100 pet., voor zoover het tusschen middernacht en 5 uur des
voormiddags, en van 25 pet., voor zoover het op andere uren
plaats had.
Artikel 14.
1. Aan den werkman, wien met het oog op overwerk gedurende den normalen werktijd een buitengewone rusttijd van
een uur of meer wordt gegeven, wordt de in het vorige artikel
bedoelde verhooging slechts toegekend, indien en voor zoover de
duur van het overwerk dien van den rusttijd overschrijdt. Voor
zoover aanspraak op verhooging bestaat, wordt deze toegekend
over de dichtst bij middernacht gelegen uren.
2. Over den rusttijd, in het vorig lid bedoeld, wordt geen
loon toegekend.
3. In bijzondere omstandigheden kan het Hoofd van dienst
ten gunste van de werklieden van het bepaalde in het eerste en
het tweede lid afwijken.
Artikel 15.
1. Indien overwerk, als bedoeld in artikel 13, niet aansluit
aan den gewonen werktijd, wordt, behalve het loon voor overwerk, een bedrag toegekend, dat door het Hoofd van dienst
wordt bepaald en ten minste bedraagt het loon voor een half en

"5
ten hoogste het loon voor een geheel uur overwerk, verricht
tusschen 5 uur des voormiddags en 10 uur des namiddags.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien
na afloop van den gewonen werktijd een korte rusttijd wordt
toegekend, alvorens met het overwerk wordt aangevangen. Deze
rusttijd wordt als werktijd beschouwd.
Artikel 16.
Indien door toevallige omstandigheden niet meer dan tien
minuten na het normale uur van einde van den arbeidstijd moet
worden doorgewerkt, wordt voor die verlenging van den arbeidstijd geenerlci loon toegekend.
Artikel 17.
1. Indien door een werkman buiten den normalen wekelijkschen werktijd arbeid op Zondag wordt verricht onverschillig op welke uren van den dag , dan wordt hem over den
duur van dien arbeid het gewone uurloon toegekend met 100 pet.
verhooging. Voor zoover de uren, waarin op Zondag arbeid wordt
verricht, den normalen wekelijkschen arbeidsduur niet overschrijden, vindt geen afzonderlijke betaling plaats, doch wordt over
die uren eene extra vergoeding toegekend ten bedrage van 25 pet.
van het uurloon.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, ontvangt
een werkman, die uitsluitend met waakdienst is belast en boven
den normalen wekelijkschen werktijd op Zondag arbeid (waakdienst) verricht, over den duur daarvan zijn gewone uurloon
met 50 pet. verhooging. Voor zoover de uren, waarin bedoelde
werkman op Zondag arbeid verricht, den normalen wekelijkschen
arbeidsduur niet overschrijden, vindt geen afzonderlijke betaling
plaats.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt als Zondag aangemerkt het tijdvak van 24 uren, aanvangende te middernacht
van Zaterdag op Zondag.

n6
Artikel 18.
1. De volgende bepalingen gelden ten aanzien van:
a. den tweeden Paaschdag, den Hemelvaartsdag en den
tweeden Pinksterdag;
b. den Nieuwjaarsdag en de beide Kerstdagen;
c. den dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt
gevierd;
d. den Goeden Vrijdag;
wat de onder b en c genoemde dagen betreft, voor zoover zij
niet op Zondag vallen.
2. Het loon voor arbeid, door een werkman verricht op dagen,
genoemd in het eerste lid, onder a, b en c, wordt verhoogd met
100 pet. en dat voor arbeid, verricht op den dag, genoemd onder
d, met 50 pet. van het tijdloon, berekend over den duur van
den arbeid.
Artikel 19.
Indien op een dag, als bedoeld in artikel 18, geen arbeid wordt
verricht of slechts wordt gearbeid gedurende een deel van den
normalen arbeidsduur, vastgesteld voor den dag der week, waarop
zulk een dag valt, wordt niettemin het gewone uurloon uitbetaald
onderscheidenlijk over dien geheelen normalen arbeidsduur of
over het gedeelte daarvan, gedurende hetwelk geen arbeid wordt
verricht.
Artikal 20.
Voor de berekening van het loon voor overwerk en voor arbeid
op Zondag of op een dag, als i n artikel 18 bedoeld, worden
gedeelten van een kwartier als een geheel kwartier aangemerkt.
Artikel 21.
Aan werklieden, die gedeeltelijk met de gewone werkzaamheden, gedeeltelijk met waakdiensten zijn belast, wordt een bezoldiging toegekend, die voor een nachtwacht f 1,80, voor een avonden Zondagwacht f 1,35 per week meer bedraagt dan de bezol-

ii7

diging, vastgesteld voor de groep, waartoe deze werklieden heli ooren.


Artikel 22.
Wanneer het noodzakelijk is, dat de werkzaamheden i n n
of meer afdeelingen, in twee of drie ploegen plaats hebben met
behoud van den normalen arbeidsduur per dag, dan wordt aan
de werklieden, die daaraan deelnemen, een verhooging van het
uurloon van ten hoogste f 0,20 toegekend voor de uren tusschen
6 uur des namiddags en 6 uur des voormiddags, gedurende
welke door hen gewerkt wordt.
Artikel 23.
1. Indien in 's Rijks Munt brand uitbreekt of wel gevaar
ontstaat ten gevolge van een i n de nabijheid uitgebroken brand,
wordt de hulp, die in verband hiermede door werklieden wordt
verleend gedurende hun normalen werktijd, geacht te behooren
tot hun gewonen arbeid.
2. Voor hulp buiten dien werktijd wordt hun toegekend
loon als voor overwerk, berekend op den grondslag van het
gemiddelde van het minimum- en het maximum-loon, vastgesteld
voor de niet-vaklieden, die als werkman bij 's Rijks Munt werkzaam zijn.
Artikel 24.
1. Indien aan een werkman zeer vuile werkzaamheden of
werkzaamheden, waaraan bijzonder gevaar voor zijn leven of
zijne gezondheid verbonden is, worden opgedragen en zijn tijdloon met het oog op den aard van die werkzaamheden niet hooger
is gesteld dan dat van andere gelijksoortige werklieden, wordt
hem, nadat hij die werkzaamheden ten genoegen van het Hoofd
van dienst binnen bekwamen tijd heeft verricht, eene toelage
toegekend.
2. Het bedrag der toelage wordt door het Hoofd van dienst
\ astgesteld i n verband met den aard en den duur der werkzaam-

n8
heden. Zij kan niet op grond van den korten duur der werkzaamheden den werkman worden onthouden.
Artikel 25.
1. Wanneer werkzaamheden, als in de artikelen 11, 17, 18
en 22 bedoeld, plaats vinden, kan het Hoofd van dienst aan
ambtenaren, die hierbij leiding geven of toezicht uitoefenen en
riet op uurloon werkzaam zijn, tijdelijk eene toelage geven.
2. Hetzelfde geldt voor het geval, dat aan een ambtenaar
wordt opgedragen, bij afwezigheid of ontstentenis van den Chef
der Muntfabricage, des nachts in 's Rijks Munt aanwezig te zijn
Artikel 26.
1. Vacantie-verlof, als bedoeld in artikel 22 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en buitengewoon verlof, als
bedoeld in artikel 31 van dat reglement, worden verleend door
het Hoofd van dienst.
2. Verlof voor een Zaterdag wordt als verlof voor een geheelen dienstdag beschouwd.
Artikel 27.
Indien verlof, als bedoeld in artikel 34 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, zonder behoud van bezoldiging wordt
verleend, geschiedt zulks door Onzen Minister; indien dit verlof
met behoud van bezoldiging wordt verleend, geSchieJt zulks
door Ons.
Artikel 28.
Het is den ambtenaren verboden herbergen of inrichtingen
te houden, waar alcoholhoudende drank wordt verkocht. De
ambtenaren zijn voorts verplicht zorg te dragen, dat ook door
leden van hun gezin zulke inrichtingen niet worden gehouden.
Artikel 29.
Aan werklieden, die zich tot het verrichten van hun arbeid
tijdelijk buiten Utrecht moeten begeven, worden de reis- en ver-

H9
blijfkosten, welke zij met inachtneming van de noodige spaarzaamheid hebben gemaakt, vergoed of wordt eene vergoeding
toegekend volgens de voor hen vastgestelde regelen, welke waarborgen, dat zij voldoende voor die kosten worden schadeloos
gesteld. Artikel 30.
Indien werklieden ten gevolge van buitengewone omstandigheden, waaronder arbeid moet worden verricht, niet als gewoonlijk tehuis een of meer hunner maaltijden kunnen gebruiken en
het vorige artikel niet van toepassing is, wordt hun voor de daardoor veroorzaakte ksten eene voldoende vergoeding toegekend.
Artikel 31.
1. Ten minste nmaal per week wordt door het Hoofd van
dienst aan ambtenaren gelegenheid gegeven om op tijdig bekend
gemaakte plaats, dag en uur, in hun eigen belang of dat van den
dienst, mondeling mededeeling te doen van bij hen gerezen
wenschen en bezwaren. Zij kunnen zich daarin door een raadsman doen bijstaan en zijn desverlangd verplicht de ter sprake te
brengen punten ten minste vier en twintig uur van te voren
schriftelijk ter kennis te brengen van het Hoofd van dienst.
2. Deze gelegenheid zal ter zake van den dienst mede worden gegeven aan ten hoogste drie bestuursleden eener vakvereeniging, waarvan leden behooren tot de ambtenaren van het
Staatsmuntbedrijf.
Artikel 32.
Aan den ambtenaar, die uit 's Rijks dienst is ontslagen, wordt
op zijn verlangen door het Hoofd van dienst een getuigschrift
kosteloos uitgereikt. Het getuigschrift bevat een juiste opgave
omtrent den aard van den verrichten arbeid en den duur van de
dienstbetrekking, alsmede, doch alleen op bijzonder verzoek van
den ambtenaar, omtrent de wijze, waarop hij aan zijne verplichtingen heeft voldaan, en de wijze, waarop de dienstbetrekking
geindigd is.

120
Artikel 33.
1. De straffen, genoemd in artikel 81, eerste lid, onder a
t-m d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, worden opgelegd door het Hoofd van dienst of door Onzen Minister, met
dien verstande, dat door het Hoofd van dienst geen hooger boete
dan f 2,50 mag worden opgelegd.
2. De overige straffen, genoemd in artikel 81, eerste lid, van
voornoemd reglement, worden opgelegd door Onzen Minister,
met dien verstande, dat, indien benoeming of bevordering tot
het ambt, laatstelijk door den ambtenaar bekleed, door Ons
geschiedt, de straffen, genoemd onder h t/m k, van dat artikel,
door Ons worden opgelegd.
Artikel 34.
1. Wanneer aan een ambtenaar een straf is opgelegd door het
Hoofd van dienst, kan hij binnen 14 dagen nadat het afschrift
van het besluit tot strafoplegging hem is toegezonden, daartegen
in beroep komen bij Onzen Minister.
2. Onze Minister beslist over een zoodanig beroep niet, dan
nadat hij ter zake een nader onderzoek heeft doen instellen.
Artikel 35.
1. Bij de beslissing op het beroep kan de opgelegde straf ook
ten nadeele van dengene, die daartegen in beroep is gekomen,
worden gewijzigd.
2. Indien bij het beroep tegen een door het Hoofd van dienst
opgelegde straf, deze, naar het oordeel van Onzen Minister
behoort te worden verzwaard tot eene straf, uitgaande boven
de strafbevoegdheid, aan het Hoofd van dienst bij artikel 33,
eerste lid, verleend, kan Onze Minister, alvorens door hem tot
oplegging van eene zoodanige straf wordt overgegaan, daarover
het advies der Commissie, genoemd in artikel 38, inwinnen.
Artikel 36.
Van de beslissing ontvangt degene, die in beroep is gegaan,
onverwijld kennis door toezending of uitreiking van een afschrift.

121
Artikel 37.
1. Door Ons wordt aan den ambtenaar geen straf opgelegd,
alvorens daarover het advies der Commissie, genoemd i n artikel 38, is ingewonnen.
2. Onze Minister kan, alvorens door hem wordt overgegaan
tot oplegging van eene straf, daarover het advies der Commissie,
bedoeld in het eerste lid, inwinnen.
Artikel 38.
1.
2.

E r wordt een Commissie van advies ingesteld.


D e Commissie is samengesteld uit een voorzitter en andere

leden, allen met plaatsvervangers.


3. Zij wordt bijgestaan door een secretaris. Ook deze heeft
een plaatsvervanger.
4. D e voorzitter, de leden, de secretaris en hun plaatsvervangers worden door Ons benoemd en ontslagen.
Artikel 39.
1. D e voorzitter, de leden, de secretaris en hun plaatsvervangers hebben, tenzij zij tusschentijds zijn benoemd, zitting voor
den tijd van 5 jaar. Zij treden gelijktijdig af en zijn onmiddellijk
herbenoembaar.
2. De voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers kunnen
worden ontslagen:
a. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld ;
b. wegens wangedrag of onzedelijkheid of bij herhaaldelijk
gebleken achteloosheid in de uitoefening hunner functie;
c. wegens het plegen van in artikel 87 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement verboden handelingen.
3.

Zij worden ontslagen:

a.

op hun verzoek;

122

b. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of ten gevolge van zielsziekte.
Artikel 40.
1. De voorzitter, de leden, de secretaris en hun plaatsvervangers worden door Onzen Minister in de uitoefening van hun
functie geschorst in geval zij:
a. krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren ;
b. onder curateele zijn gesteld;
c. zich in voorloopige hechtenis bevinden;
d. in een krankzinnigengesticht zijn opgenomen.
2. De schorsing kan worden opgeheven, nadat de reden,
welke daartoe aanleiding gaf, is vervallen.
Artikel 41.
1. Het advies der Commissie wordt ingewonnen, voordat
door Ons tot oplegging van een straf wordt overgegaan.
2. Het advies der Commissie kan worden ingewonnen, voordat door Onzen Minister tot oplegging van een straf wordt overgegaan en in het geval, bedoeld in het tweede lid van artikel 35.
Artikel 42.
1. Wanneer een zaak bij de Commissie is aanhangig gemaakt, doet deze daarvan mededeeling aan den ambtenaar, over
wien advies moet worden uitgebracht.
2. Indien de ambtenaar binnen vijf dagen na den dag, waarop
de mededeeling is verzonden, het verzoek doet om kennis te
mogen nemen van de bescheiden, welke in handen van de
Commissie zijn gesteld, zendt deze de stukken aan den onmicTdellijken chef van den ambtenaar.
3. De onmiddellijke chef geeft den ambtenaar gelegenheid
om, onder toezicht, inzage of afschrift van de bescheiden te
nemen en zendt deze vervolgens aan de Commissie terug.

"3
Artikel 43.
De bescheiden worden, nadat zij zijn terugontvangen of de
in het tweede lid van artikel 42 bepaalde termijn is verstreken,
ter kennisneming gezonden aan de leden der Commissie.
Artikel 44.
1. Voor den aanvang van de behandeling eener zaak kan elk
der leden, die over de zaak zitten, worden gewraakt:
a. indien deze een rechtstreeksch persoonlijk belang bij het
geschil heeft;
b. indien deze aan den ambtenaar in bloedverwantschap of
in zwagerschap bestaat, tot den vierden graad ingesloten;
c. indien op diens beklag of door diens toedoen, binnen
een jaar voor de wraking tegen den ambtenaar, zijne echtgenoote
of nabestaanden en aangehuwden in de rechte linie eene vervolging wegens misdrijf heeft plaats gehad;
d. indien deze een schriftelijk advies in de zaak heeft gegeven;
e. indien een burgerlijk rechtsgeding tusschen dezen, zijne
echtgenoote, hunne bloedverwanten of aangehuwden in de rechte
linie en den ambtenaar hangende is;
/. indien een hooge graad van vijandschap bestaat tusschen
hem en den ambtenaar;
g. indien tusschen hem en den ambtenaar sedert den aanleg
van het twistgeding of binnen 6 maanden vr de behandeling
der zaak ter zitdng, beleedigingen of bedreigingen hebben plaats
gehad.
2. In dezelfde gevallen kunnen de leden der Commissie zich
verschoonen.
Artikel 45.
1. Over eene wraking of eene verschooning wordt zoo spoedig
mogelijk in hoogste ressort beslist, na verhoor, doch buiten tegenwoordigheid en zonder medewerking van den betrokkene, en wel:

124
a. waar het geldt den voorzitter van de Commissie, door de
overige leden met den plaatsvervangend voorzitter;
b. in alle andere gevallen door de overige leden.
2. Bij staking van stemmen wordt de wraking of vei schooning geacht te zijn afgewezen.
3. Het onderzoek der zaak wordt geschorst, totdat over de
voorgestelde wraking of verschooning is beslist, en, ingeval deze
is toegestaan, totdat degene, te wiens aanzien zulks geschiedde,
is vervangen.
Ardkel 46.
De Commissie roept den ambtenaar op om door haar te worden gehoord. Verschijnt deze niet, zonder dat der Commissie van
deugdelijke verhindering is gebleken, dan wordt de behandeling
der zaak buiten hem om voortgezet.
Artikel 47.
1. De voorzitter bepaalt plaats, dag en uur der zitting.
2. H i j leidt het onderzoek.
3. H i j doet in alle zaken hoofdelijke omvraag, beginnende bij
het jongste lid in leeftijd. Zelf brengt hij het laatst zijn stem uit.
4. Geen der leden mag zich van het deelnemen aan eenige
stemming onthouden.
Artikel 48.
1. De Commissie adviseert, of de opgelegde of voorgenomen
straf zal worden gehandhaafd, dan wel gewijzigd of geheel opgeheven.
2. De Commissie kan adviseeren tot toepassing van het bepaalde in artikel 81, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Artikel 49.
Het advies der Commissie wordt, met redenen omkleed, door
de leden en den secretaris onderteekend, zoo spoedig mogelijk
ter kennis gebracht van dengene, die de straf heeft opgelegd of
voorgenomen en den betrokken ambtenaar.

125
Artikel 50.
1. De beslissing op het advies der Commissie wordt zoo
spoedig mogelijk aan de Commissie medegedeeld.
2. Indien de beslissing, bedoeld in het vorige lid, afwijkt van
het advies der Commissie, worden de redenen, die tot deze
afwijking hebben geleid, eveneens medegedeeld.
Artikel 51.
Bij het in werking treden van dit besluit vervallen:
a. lid 3 en 4 van het Koninklijk besluit van 16 Augustus
1920, n. 35;
b. het Koninklijk besluit van 23 Juni 1925 (Staatsblad
n. 266), zooals dit later is gewijzigd;
c. het laatste lid van artikel 7, lid 3 en 4 van artikel 8
en het eerste lid van artikel 9 van het Koninklijk besluit van
23 September 1909 (Staatsblad n. 318), laatstelijk gewijzigd bij
Koninklijk besluit van 29 November 1929 (Staatsblad n. 502).
Artikel 52.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 Juni 1932.
Artikel 53.
Dit besluit kan worden aangehaald
's Rijks Munt".

als: Dienstreglement

Onze Minister van Financin is belast met de uitvoering van


dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer.
Het Loo, den 28sten Mei 1932.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Financin,
D E GEER.

Voor gelijkluidend afschrift,


De Secretaris-Generaal,
V A N A S C H V A N WIJCK.

INHOUD.
Blz.
Muntwet

1901

Indische M u n t w e t 1912

Wet

van

1 Juli

Muntwezen
Wet

1909

in

de

(Staatsblad

kolonie

v a n 23 M e i 1899

het

Curacaosche

Koninklijk
van

de

wijze,

(Staatsblad

15 A p r i l

waarop

n . 786)

van

126),

houdende

van

de

1901

de

in

artikel

der

wet

27

November

1919

December

1901

(Staatsblad

n.

265),

regelende

munten

35
n . 112), houdende aanwijzing

tegen rijksdaalders, guldens e n halve guldens

ingewisseld

3^

19 D e c e m b e r

1914

waar

de

n . 1 9 8 ) , laatstelijk g e w i j z i g d

(Staatsblad

n . 565), houdende

bepaling van

art.

19,

geldt

zorg

Munt
van

iste

aanwijzing

l i d , der

Muntwet

over

31 October

's R i j k s
Resolutie

van

33

12

intrekking van

toezicht en de
van

W e t v a n 2 8 M e i 1 9 0 1 (Staatsblad

Wet

nadere regeling van

bedoelde rijksdaalders, guldens en halve guldens buiten

gemeenten,

niet

het

n . 184), houdende regeling

K c n i n k l i j k b e s l u i t v a n 2 9 J u n i 1 9 1 1 (Staatsblad
bij dat v a n

van

,.
1 9 2 0 (Staatsblad

der kantoren, waar de pasmunt


worden

regeling

27

n.

K o n i n k l i j k b e s l u i t v a n 7 M e i 1 9 2 6 (Staatsblad

kan

houdende

gesteld

besluit v a n

wijze

212),

Muntwezen

worden

Koninklijk
de

(Staatsblad

besluit v a n

omloop

n.

Suriname

als

den

de

1912

n . 130), houdende bepalingen omtrent


zaken

(Staatsblad

der

het

Munt

43

n. 331),

houdende

aanwijzing van

Staatsbedrijf

Minister

van

49

Financin

van

14 N o v e m b e r

1929,

G e n . T h e s . , h o u d e n d e r e g e l i n g v o o r het beheer der kas v a n het

n.

35,

Staatsmunt-

bedrijf

Resolutie

van

Gen.

Thes.,

den

Minister

houdende

van

Financin

vaststelling

van

28

Januari

afschrijvingspercentage

1930,
bij

n.

het

Staats-

muntbedrijf
Resolutie v a n
Thes.,

^4
den

houdende

Koninklijk
regeling

Minister

de

van Financin

van

regeling van verrekeningen

besluit v a n
van

28,

23

September

inrichting

van den

1909
dienst

19

M e i 1930,

met

(Staatsblad
van

het

n.

67,

Gen.

Staatsmuntbedrijf
n . 318),

's R i j k s

Munt

...

56

houdende
59

127
Blz.
Koninklijk besluit van 19 Maart 1910 (Staatsblad a. 88), tot uitvoering van
art. 12, 2de lid, der wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n. 130), houdende
bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt
78
Koninklijk besluit van 20 Januari 1913 (Staatsblad n. 35), regelende de
voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan bet Rijk aan
's Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en
muntstempels of medaillesstempels kunnen worden vervaardigd
8-
Koninklijk besluit van 3 Februari 1913, n. 90, regelende de muntloonen
bij aanmuntingen ten behoeve van het Rijk

Koninklijk besluit van 29 December 1911 (Staatsblad n. 390), regelende


de voorwaarden waaronder voor rekening van 's Rijks Kolonin en Bezittingen stempels geen muntstempels of medaillestempels zijnde
en
hulpmiddelen geen stempels zijnde aan 's Rijks Munt kunnen vervaardigd worden
Koninklijk besluit van 9 October 1911, n. 55, houdende regelen ten aanzien
van het voor rekening van het Rijk doen ontwerpen en vervaardigen van
medaillestempels en het doen slaan van medailles aan 's Rijks Munt, alsmede ten aanzien van de vergoedingen, welke te dier zake in rekening te
brengen zijn
Koninklijk besluit van 25 November 1911, n. 41, houdende regelen ten
aanzien van het voor rekening van het Rijk doen vervaardigen aan 's Rijks
Munt van stempels, geen munt- of medaillestempels zijnde, en van andere
hulpmiddelen, alsmede ten aanzien van de vergoedingen, welke te dier
zake in rekening te brengen zijn

I 0 2

Koninklijk besluit van 15 September 1913, houdende vergunning tot invoer


van koperen muntplaatjes ten behoeve van 's Rijks Munt (Staatsblad
- 367)

I o 6

Koninklijk besluit van 1 Februari 1930, n<>. 48, betreffende den aankoop en
de verwerking van munt- en medaillemateriaal
,

0 7

Koninklijk besluit van 15 October 1930, n. 21, betreffende den verkoop van
afvalproducten en buiten dienst gestelde werktuigen en machines
108
Koninklijk besluit van 23 September 1909, n<>. 12, houdende vaststelling van
den eed, bedoeld in art. 7 der wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n<>. 130) 109
Koninklijk besluit van 28 Mei 1932, n. 22, houdende Dienstreglement
's Rijks Munt