Vous êtes sur la page 1sur 318

%)

GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT
VAN

HET

MUNTWEZEN IN NEDERLAND.

ACADEMISCH PROEFSCHRIFT
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN

Doctor in de staatsluctenschap,
AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,
op gezag van den Rector-Magnificus

wentes Nettv
/. ..

36ssacetaat in De Vacuteit Net 'tCis- en tatuut kuube,

tt 1,1

#! A'T

B : H ...

voor de Faculteit te verdedigen

op Zaterdag den 2de December 1882 des namiddags te 1 ure,


DOOR

WILLEM FREDERIK SCIIIMMEL,


GEBOREN TE AMSTERDAM.

->-o) -

AMSTERDAM,
METZ LE R

&

B A ST IN G.

1 8 8 2.

AAN MIJNE MOEDER.

--------------------N-NL N---------------------N-T-N-T- - - - - - - - - - vTv-n-TN-Tv vrvA-NL N-NL-N-VA-NL/N-AAAAAL---

Bij het

eindigen

mijner academische studin zij het mij

vergund mijn dank te brengen aan Hoogleeraren en oud-Hoog


leeraren der juridische faculteit aan de Hoogeschool te Amster
dam, wier lessen ik mocht volgen, inzonderheid aan mijn
hooggeachten promotor Prof. N. G. PIERSON, voor de wel
willende hulp, mij bij de samenstelling van dit proefschrift
verleend.

Tevens wensch ik mijn erkentelijkheid te betuigen aan

de leden van het J/untcollege te Utrecht, bij wie ik een vrien

delijke belangstelling in mijn streven mocht vinden.


Hoe wordt de herinnering aan de aangename uren daar
doorgebracht overschaduwd door het droevig afsterven van den
president van dat college, Jhr. Mr. M. M. VAN Ascii VAN

WIJCK, wiens voorkomendheid en hulpvaardigheid mij ten zeerste


troffen.

Ook den heeren Jhr. Mr. Dr. A. D. vAN RIEMspijk en


Jhr. J. M. vAN Asch vAN WIJCK, die mij steeds gaarne de
behulpzame hand reikten, mijn dank voor hunne heuschheid.
Tot mijne vrienden geen vaartwel, een hartelijke handdruk
bezegele onze vriendschap ook voor het vervolg.

INLEIDING.

HOOFDSTUK I.

Blz. 1-43.

De toestand der munt hier te lande sedert de invoering van den


zilveren gulden tot het einde der 18de eeuw.
Het muntrecht. Munttarieven. Rekenmunt. - Indringen van
vreemde specie. Tolerantie. - Verwarring in het muntwezen. Muntverzwakking. Ordonnancie van 1489. - Hare gebreken en hunne

gevolgen. - Nieuwe tarieven. De zilveren Carolus. - Muntpolitiek. Leycester en de Staten-Generaal. -- Placaten van 1603, 1606 en 1610.
Zilveren munten. Gouden munten. -- Pasmunt. - Vedere inhoud der

ordonnancin. - Hunne gevolgen. - De Amsterdamsche Wisselbank. Wat er door verkregen werd, Indringen van vreemde munten. Rijksdaalder en Ducaat. - Verbetering der pasmunt. - Schellingen. De gulden van 200 azen. Placaat van 17 Maart 1694. Nationaal
muntsysteem. Nauwlettende zorg voor de munt. De duiten. - Be
perking van hun omloop. - Negotiepenningen. - Rijksdaalder en Du
caton. - De gouden Ducaat beschouwd als standpenning. - Daling van
den goudprijs. Wettelijke maatregelen geholpen door rijzing van het
goud. Bankiersbedrijf in de 18de eeuw hier te lande.
HOOFDSTUK II.

Blz. 44-73.

Het muntwezen tijdens Franschen invloed en overheersching.


1795-1813.

De Bataafsche Republiek. De munt in dien tijd. - Belemmering


van den uitvoer van edel metaal. Eenheid van muntslag. - Eenheid
van munt. Ontwerp van 12 Febr. 1800. Waardeering der om

loopende specin. - Verwerping van het voorstel. - Publicatie van 19

Nov. 1801. - Vermindering der muntfabrieken. Keuze van standaard


metaal. Hooge goud- en zilverprijs. - Ontworpen muntverzwakking. Gogel, secretaris van financin. Decreet van 17 Sept. 1806. Nieuwe

Koninklijke munt. Inrichting der Munt te Amsterdam. - Wijziging


in de muntstempels. - Voorloopig behoud der Munt te Utrecht. Da
ling van den goudprijs. - Omloop van slechte specie. - Tarief van 11
April 1S10. Waardeering der Fransche munt. Tarieven van 18 en
30 Aug. 1810. Verschil in berekening. - Vergelijking der tarieven. -

De Munt te Utrecht als Keizerlijke muntfabriek.


HOOFDSTUK III.

Blz. 74-175.

Herstel der onafhankelijkheid. Mislukte pogingen tot hervorming


van ons muntwezen.

1830-1847.

Munthervorming dringend noodzakelijk. - Een rijksmuntstelsel. - Ont


werp van 1816. - Grondslagen. Bezwaren. - De gulden als een
heid. Verhouding van Franc tot Gulden. Het eerste ontwerp.
Wijziging. - Oordeel van cenige kamerleden. - Kosten van vermun
ting. - Het decimale stelsel. - Consequente toepassing daarvan. - Een
voorspelling. Verhouding tusschen goud en zilver. Te hooge waar
deering van het goud. - Verdere bepalingen van het ontwerp. - Ge
halte der pasmunt. - Negotiepenningen. Wet van 28 Sept. 1816.
Voorname gebreken. - Oordeel van WARIN. - Sterke aanmunting van
goud. - Slechte uitvoering der muntwet. - Hare gevolgen. - Onder
zoek naar den toestand van ons muntwezen. - Reductie van Zesdhalven. -

Ontwerp van 25 Febr. 1S25. - Kamerdebat. Voor- en tegenstanders. -

Inwisseling van de francs. - Invoering van het gouden vijfguldenstuk.


Zilver vermunt tot pasmunt. Bestrijding van v. ALPHEN. Opinie

van WARIN. - Muntcommissie van 1836. - Haar rapport. Bestaande


gebreken. Plan tot muntregeling. - Zilveren standaard. Bezwaren
tegen het goud. - Invloed van de crisis van 1836. - Waardeverhou

ding tusschen goud en zilver. - Reductie van den gulden. Overige


muntsoorten. Intrekking der oude zilveren specie. - Wat daartoc
noodig was. Begeleidend schrijven van den Voorzitter. Advies van
het muntcollegie. - Engelsch muntwezen. - Voordeelen van den gouden

standaard. - Verdere bezwaren tegen het rapport. Voorgestelde wij


zigingen. - Nadeelen van den zilveren standaard. Spoedige verbete
ring noodzakelijk. - Ontwerp van Dec. 1838. Muntwet van 1839.

XI
i

Fonds voor het muntwezen. - En standaard gewenscht. - Redevoering


van vAN ALPHEN. Internationaal bimetallisme. - Frankrijks muntwe

zen. - Muntverzwakking. - Een gevaarlijk beginsel. - Moeielijke


standaardkeuze. Invloed der Ned. Bank. Raadgeving van dr. VAN
BEEK. Minister vAN HALL. - Teleurstelling en polemiek. SUER

MoNDT voor het goud. Kasbiljetten. - WARIN voor het zilver. FAUCIIER's werk. Inzicht van de regeering. - Tegenstanders. - De
standaardvraag op nieuw te berde gebracht. - Ministerieele dwalingen. Wet van 24 Mei 1845. - Nieuw ontwerp. Muntbiljetten als hulp
munt voorgesteld. - Waarborgen voor hun intrekking. - Inlichtingen
in comit generaal. - Oninwisselbaarheid der muntbiljetten. Onge

gronde vrees voor depreciatie. - Papier beter dan afgesleten zilver.


Tusschenkomst der Ned. Bank. Gelijktijdige intrekking van alle oude

specie gewenscht. - Doeltreffende maatregelen. - Fineeren. -Aankoop


van zilver. - Intrekking der oude specie. - De Zeeuwen. - Onkosten
in 1845 en 1846. Ontwerp van 25 Maart 1847. - Nogmaals: goud
of zilver? Bezwaren en voordeelen aan hunne invoering verbonden. Dubbele standaard. De pasmunt Negotiepenningen. - Aan
munting. - Het ontwerp afgestemd. - Muntbiljetten. - Kosten van
inwisseling en versmelting der oude specie.
HOOFDSTUK IV.

Blz. 176-210.

De muntwet van 26 Nov. 1847 en de maatregelen, die daardoor


noodzakelijk werden.
Ontwerp van Nov. 1847. Wet van 26 Nov. 1847. - Groote goud
productie. Geringe stoornis daardoor veroorzaakt Heilzame wer

king van het bimetallisme. Frankrijk neemt het goud op. Vinger
wijzing der historie. Muntkosten tot 1849. Twee nieuwe munt
ontwerpen. - Intrekking der specie na 1816 geslagen. Geen noemens
waardige tegenstand. - Ontneming van de kracht van wettig betaal

middel aan het goud. - Uitgifte van muntbiljetten. Inwisseling der


oude munt. - Onvoordeelig goud-verkoop. Totale kosten der her
munting. - Regeling van het muntloon. Toezicht over de zaken van
de munt. - Wijziging in het muntcollege. Wet van 1 Juni 1850.

Ontwerp tot het uitgeven van muntbiljetten. Wet van 28 April 1852.
Omloop van vreemde muntspecin. - Belgisch kopergeld. Vergeefsche
pogingen tot wering. Rapport van de Commissie van 1855. Koers

XII

van het vreemde geld. - Nadeclen voor de arbeiders. Oorzaken van


den ongunstigen toestand. - Middelen tot verbetering. - Advies der
Commissie Daarop gevolgde maatregelen,
-

HOOFDSTUK W.

Blz. 211-259.

De internationale muntbeweging. Moeielijkheden voortvloeiend uit


de demonetisatie van het zilver.

1847-Nov. 1882.

Internationale behoeften. - Duitsche muntovereenkomst. - Latijnsche


munt-unie. Uitbreiding van haar gebied. - Muntconferentie van
1867. Beweging in Duitschland. Duitschlands munt in 1871.
Neiging tot den gouden standaard. - Gevaar geducht voor ons land. Opinie van VissERING, MEEs en VROLIK. Duitschland voert den Mark

in. Eerste rapport van onze Staatscommissie. Dec. 1872. De zilver


markt. Duitschland neemt den gouden standaard aan. Tweede
rapport van de Nederlandsche Staats-commissie. - Ontwerp van October
1873. Verworpen. - Zilver aanmunting. - Nieuwe schorsing. -

Dalende zilverprijs. Voornaamste oorzaken. Onvastheid van wissel


koersen. Ingewonnen adviezen. - Ontwerp van April 1875. - Ver
slag van rapporteurs. - Openbare discussie. Wet van 6 Juni 1875. Muntontwerpen van 1876. - Buitenlandsche wisselkoersen. - Verslag

van rapporteurs. Bezwaren. Wijziging van het voorstel. Ver


werping. Regeling van de pasmunt. - De zilvermarkt in 1876 en
1877. Muntconferentie van 1878. Gunstige verschijnselen voor ons
land. Goud-toevloeiing. - Muntconferentie van 1881. - Vermin

dering van den zilvervoorraad bij de Ned Bank. Partiele bimetalis


tische unie. -

Hare

voordeelen. - Wat Nederland intusschen doen

moet. Een nieuw muntadvies. - Uitstel van definitieve keuze.

BIJLAGEN Blz. 261-292.

IN LEID IN G.

Zeer talrijk zijn de geschriften over het Muntwezen in het


laatste tiental jaren gepubliceerd. De oorzaak daarvan is onge
twijfeld te zoeken in de vele nog hangende vraagstukken, die op

dit gebied worden aangetroffen en wier oplossing van het hoogste


belang is voor het materieele leven. De Munquaestie is actueel
geworden, zoo zelfs dat schier een ieder haar kent en over hare
oplossing heeft nagedacht.
Zij geniet de eer der beschouwing waardig gekeurd te worden
door geleerden en mannen van zaken en door zoovelen, die zich
daartoe bevoegd achten in de geheele beschaafde wereld.
Het was geenszins mijn voornemen die literateur, wier uit
gebreidheid volkomen overeenstemt met de belangrijkheid van
het onderwerp, te vermeerderen. De werkelijk goede beginselen
zijn reeds dikwijls neergeschreven. Jammer dat zij vaak, door
zooveel geschriften van minder gehalte, aan de welverdiende aan
dacht onttrokken worden, zoodat men zonder voorlichting veel

kans heeft de ervaring op te doen van den Engelschen bankier,


die dertien jaren lang de zilverquaestie had bestudeerd om ten
slotte te verklaren, dat hij er niets meer van begreep.
Een ander deel van dit veld van wetenschap trok mij aan.
Waar zoo veelvuldig de aandacht was gewijd aan den tegen
woordigen toestand, daar was het mijn streven voor een korte

XIV

wijle belangstelling te vragen voor den weg, die afgelegd werd


en die tot dezen stand van zaken leidde.

Mogen deze bladzijden de overtuiging wekken, dat de gebeur


tenissen in vroegeren tijd die beschouwing ruimschoots verdienen.
Rijk aan maatregelen, rijk aan misstappen bovenal, is die
vroegere periode uiterst leerzaam en kan wellicht dienen tot de
verklaring van menig verschijnsel van de tegenwoordige munt
stelsels in de beschaafde landen, tot krachtige bestrijding van
onjuiste begrippen, tot het geven van nuttige wenken omtrent
den weg, die men te volgen heeft, wanneer zich somtijds oude
moeielijkheden, in een nieuw kleed gehuld, voordoen.
Ik heb getracht de voornaamste feiten, die belangrijk waren
voor de ontwikkeling van ons muntwezen, zoo volledig mogelijk
in chronologische volgorde weer te geven.
Hoezeer ook de gebeurtenissen in deze eeuw ontegenzeggelijk
het meest onze aandacht verdienen, achtte ik het niet doel
treffend met mijn schets eerst na de Fransche revolutie een
aanvang te maken, omdat hoe groot haar invloed ook op ons
staatkundig leven moge geweest zijn, zij voor ons muntwezen
niet van zoo overwegend belang was, dat zij alle gevolgen van
vroegere maatregelen neutraliseerden en de geleidelijke historische
ontwikkeling verbrak. Meer wellicht dan op eenig ander gebied

van wetgeving kon men voor de regeling van het Muntwezen


bij het herstel der onafhankelijkheid te raden gaan met den toe
stand zooals die eertijds geweest was, gewijzigd naar de om
standigheden, verbeterd naarmate men tot het inzicht van vroegere
onvolkomenheden geraakt was.
Daarom achtte ik een schets van ons muntwezen in de 16", 17"
en 18" eeuw onontbeerlijk als eerste hoofdstuk van mijn werkje.
Mijn hoofddoel was een poging te wagen om de geschiedenis

te schrijven van het Nederlandsch muntwezen zooals het zich


heeft ontwikkeld, toen het eenmaal tot een nationaal muntstelsel
voor ons geheele land was gevormd.

XV

Daarbij heb ik mij het genoegen van zelfstandige beoordeeling


van woorden en daden niet willen ontzeggen, al was ik door
drongen van het gevaar daaraan verbonden, om onrechtvaardig

den indruk, die oude zaken thans maken, te verwarren met de


beteekenis, die daaraan gehecht werd, toen ze nieuw waren.
Zooveel mij doenlijk was, heb ik gestreefd die klip te ontgaan.
Het was steeds mijn wensch zelfs den schijn te vermijden van
geringschatting van mannen wier werken ik beoordeelen moest.
De kennis van de uitkomsten hunner handelingen naast de ont
wikkeling van de ware beginselen eener gezonde muntpolitiek
door tal van geleerden, maakte het mij gemakkelijk de vroeger
genomen maatregelen te toetsen en noopte mij vaak om ze te
veroordeelen. Doch die veroordeeling gold de onjuiste beginselen,
geenzins het streven van hen door wier dwalingen ons vaak de
rechte weg gewezen werd.

Door de ondervinding gedrongen, heeft men in 1847 ons


muntwezen op goede beginselen gegrondvest. Dat het desniettemin

weder in een zeer onvoldoenden staat geraakte, was het gevolg


van omstandigheden buiten de macht der regeering. Dat die
onbevredigende toestand, die in bijna elken Europeeschen staat
min of meer wordt aangetroffen, veel te lang duurt, is ten deele
aan onze vertegenwoordiging, ten deele ook aan omstandigheden
buiten haar invloed, te wijten.
De geschiedenis van ons muntwezen is een lange lijdensge

schiedenis, moge het voorrecht om een blijvende regeling, ge


vestigd op internationalen grondslag, tot stand te brengen, aan
onzen tijd te beurt vallen.

Im Mnzwesen verschlingen sich, wie Fden zu einem Knoten, vier


grosze Kulturelemente: der Verkehr, die Wissenschaft, die Kunst,
endlich der Staat.

W. RoscIIER.

HOOFDSTUK I.

DE TOENTAMI) DER MUWT HIER TE LAWIJE NEDERT DE INVOERING


WAN DEN ZILVEREN (ULI)EW TOT HET EIWI)E DER ISDE EEUW.
Money is economical power.
W. BAGEHOT.

Men heeft beweerd dat de toestand van het muntwezen in

een land tot maatstaf kan dienen van de beschaving, die het
heeft bereikt. Inderdaad hebben, blijkens talrijke onderzoekingen 1),
volksontwikkeling en beschaving steeds tot verbetering der ruil
middelen geleid. Ook de geschiedenis van ons eigen muntwezen
kan het bewijzen.
De gouden tijd der 17de eeuw toen de bloei van den
handel aan fortuinen het aanzijn gaf, die langen tijd de na
komelingschap vergund hebben te rusten eer zij zich had kunnen
vermoeien, toen veerkracht en ondernemingsgeest gewekt door
den worstelstrijd om het bestaan den struggle for life ken
merken waren geworden van onzen volksaard, toen de goede
trouw gehuldigd werd niet alleen omdat het den rijken ge
makkelijk viel rechtschapen te handelen, maar vooral ook omdat
men wist, dat slechts goede vruchten geoogst worden waar met
eerlijke hand is gezaaid; die tijd leidde ook tot de vestiging
van een muntstelsel dat, wel is waar, aan onze tegenwoordige
eischen niet voldeed, maar de vergelijking met andere munt
stelsels zegenvierend kon doorstaan.
') Zie o. a. JEvoNs ,, On Money Chapter IV, VI, VII.

IIET MUNTRECHT.

Uit een toestand van de grootste verwarring kwam men allengs


tot orde en regelmaat.

De tallooze vreemde munten zonder

stelsel in de circulatie opgenomen, tegen een waarde, uitgedrukt


in een denkbeeldige muntsoort, werden vervangen door een
nationaal muntsysteem, vrij van uitheemsche bestanddeelen en

gegrond op den zilveren gulden als werkelijk bestaande specie.


Wel bleven er ook toen nog groote fouten aan te wijzen, maar
zij waren het gevolg van den staatkundigen toestand en van
onwetendheid, niet van bedrog of trouweloosheid.
Het recht om de munt te doen slaan kwam reeds van oudsher

toe aan den vorst. Meermalen liet deze het echter door zijn
vasalen uitoefenen en het was in de middeleeuwen geen vreemd
verschijnsel, dat kloosters en landheeren zich die bevoegdheid
hadden toegeigend. KAREL DE GROOTE maakte echter voor zijn
rijk daaraan een einde, hij concentreerde die macht weder geheel in
zijn persoon, hij deed de munt slaan en bracht het geld in omloop
en in zijn naam werd de handel in edel metaal gedreven.
Hier te lande werden die rechten in den graventijd als een
deel der souvereiniteit door iederen graaf of hertog uitgeoefend.
En een niet onaardige bron van inkomsten leverde dit bedrijf
hen op. Want aangezien zij, die de munt deden slaan ook
den koers van het geld willekeurig konden bepalen, zoo ge
schiedde dit in dier voege, dat niet alleen de muntkosten
werden gedekt, maar tevens een zeker recht, droit de monaage
of de seigneuriage, als een volkomen wettige bron van inkomsten,
werd geheven 1).
1) Zoo werd nog in de hierna te vermelden ordonnancie van Maxi
miliaan in 1489 als muntloon nagenoeg 1*/s "lo toegewezen aan den
muntmeester, die hieruit echter verschillende uitkeeringen aan den vorst
moest doen. Voor de aanmunting van 1 millioen double florins werd
dus betaald circa 28,000 florijnen. Zie WARIN ,, Bijdragen tot de kennis
van het Muntwezen 1843, bl. 80.

MUNTTARIEVEN.

Een dergelijk voordeel spruit ook thans nog voort uit den
muntslag van het bronzen geld en van de zilveren pasmunt,
geslagen volgens onze muntregeling van 18471). Maar, terwijl
nu de hoeveelheid van deze specin beperkt is en de hoedanig
heid van wettig betaalmiddel hen slechts ten deele is verleend,
omdat het voordeel geenszins als doel wordt beschouwd, maar
een gevolg is van de noodzakelijkheid was dit in de middel
eeuwen en nog later niet het geval en het muntrecht werd
zoowel van de groote als van de kleine munt geheven, zonder
andere beperking dan door de wijsheid van het gouvernement,
slechts van verre gecontroleerd door de innerlijke handelswaarde
der munt, werd opgelegd. Het was een lokaas waaraan zeer
weinige regeeringen weerstand konden bieden *).
Het denkbeeld van nationale munten, in den zin van met

eigen stempel voorziene specie, trad zelden op den voorgrond


en met name hier te lande vergenoegden de souvereinen zich er
dikwijls mede bij ordonnancie eenige der bestaande muntsoorten
aan te wijzen, welke in hunne muntfabrieken zouden worden
aangemaakt en binnen hun gebied zouden gangbaar zijn voor
een waarde door hen bij tarief te bepalen *).
Die tarieven waren lange opsommingen van prijzen voor welke
de daarin opgenomen specin in de circulatie moesten worden
1) Was in 1847 bepaald, dat het verschil in innerlijke en nominale
waarde zou beschouwd worden als muntloon, bij K. B. van 5 Oct. 1849
werd vastgesteld dat voortaan de muntmeester van iedere f 100.- pas

munt 20 cents aan het Rijk zou moeten betalen.


Ook in Frankrijk wordt een dergelijk recht nog geheven, vooral sedert
bij de wet van 14 Juli 1866 de innerlijke waarde der 2, 1 en '/s franc
stukken beneden de nominale werd vastgesteld,

*) Zie hierover o. a. VUITRY: ,, Rgime Financier de la France


1878, bl. 422 v.

*) Vergelijk ,, Friesland en de Friezen in de Middeleeuwen,''


HooFT VAN IDDEKINGE bl. 39.

door

'LNI)INNGINIGIRL

uououo5uuu!

lin uupo, 1

u! uoo plotluloo

UIv)

olutI

utopnoAlooA

tot 1unuuto puteeuo5 oSlow lollloo Iulsoout peeptopu notu -oq


utopuols uo low to outilutou w Ita: op 1sin min op 5utpnoullov lol
op oplooJLithoij uoluuut op III A LoLo uoput Ilollow uo sloot -pru
uop 1soout 'ttoloonInsoI

spoo\I op uotoIIE) uo IsI uolo![at sloz milo5 om u it ouuuul


uto5utuotoloq ostilo5Hop Aono! o uomunut o u lou ving/to/sos A ut
op uoupouto'I 500ip Ilooij Ioput: lonettitel o(I 5u1uteuoq -1uo
optiool u iz |telsoout tzlot| uut oittoo wo5 Aootlslulo, ploilloo zlot
uut: uaLoods op Io5ooIA Iow lot uoppuul uuelsoq Ituut -opula'5
5ow st: puulsHoz o5 munut utoluw 'uottowpIOA uI oZop -utop
ontplooq. lumut Iow op u i Ito5u!IR)oq oIII: Ipoq uto5e lenipo5mln uto
olie Anou uto5elso5 Jo u! lout JoIIU) itoutouto5do uoluuut woni let 'ploop IN III Jo toout utoo 'Iiloftop toptitel ip oit u subull viou
ozuo Houlos uo5u uo 'stopluup Ieuw Ti u! lou lostiloft:p AutoAol Leloo
mpiow Ioloi, puo '(1
oOL tot numutuo A opulio lou oluuonuut outolo nu om utopplui A ut

oo u slu Joop Aoon It 05uoulus Iq omulot: Usseut ualoodshumut op 10]


uooij Lotuto loslois 5ulon om fuo5uoIq Iovo uoo looiii loop lop
u ploIowsloput uotuw 'poudstoA
slulooIS oploz u WN uit uoo msunu

u! op.Ieuw uootoAo nou

ozop 1umuluotol up utolput lou uoo Nuo op Ierut oppoploso5 suw


uo, 5HIEAool A Io Losuflulos to lelsoout A uit uoltot 'lump

lotI

O wloiiu plot plo5 u! op I ap! Anoo totul om optie sle lou -uo
humut nou puod /osuon/M t 0 ug/u///9/oS Jo 01 'lto/ootg
o(I goo/9 (z saw I uto5ut pn op A olsuuuuu,1oo uotoAIIz humut ut
(1 stuuoAGI III puntlo5u3I lot puoc 'Duty.to/S
(z A105uO ploJ uuA I uoulosuul 5uoudsloo doop) FIAHOIoT N XI uuA
I Itatuut 1ou sloo (tto5ulso5 prow til viplow u! oloA uopuul pluuuuo5uu :
u! puuIIoH IIosiuew Iu i spoot suop, AsiaroTel oICI Junut 5uzuooA
uool uup Sloo u! ttoo 'onjoolloq 1uuw A 1oo utop p! utopuolsoq uoos
ouopuuuwz uouoAIIz uolumut uup op snt.tvuep .topudp) (Uuuuuod A ploopuo

u! ug/ogo oAut!) '(uouyuuod

REKENMUNT.

circulatie geweest 1), daarnaast trof men aan den Duit (wellicht
van deur, 2 azen *) afgeleid) en den Oord (van quart) ter
waarde van 1/3 Groot of 1/4 Stuiver.
Weldra openbaarde zich echter de behoefte aan grootere zil
veren munt. Omstreeks 14.11 komt de Leeuw 2 Grooten,
voor en spoedig daarna circuleerden stukken van 4 en 6 *) Groo
ten, terwijl ook Vlaamsche Schellingen 12 Grooten werden
vervaardigd.
Allengs werd nu het systeem van den Groot als rekenmunt
verdrongen door den Stuiver 4) met zijn 20-voud den Gul

') Zie o. a. de ordonnancie van hertog ALBRECHT van 15 Mei 1398.

2) Het gewicht destijds bijna algemeen in gebruik voor de edele


metalen en in Engeland nog steeds behouden, bestond uit:

het Pond Trooisch 2 Mark.


1 Mark

8 Onzen.

1 Ons 20 Engels.
1 Engels 32 Azen.
Ook kwam wel voor het Pond Vlaamsch, het Pond Hollandsch, etc.

Talrijk zijn de voorbeelden dat dergelijke gewichtshoeveelheden tevens


cen munt voorstelden veelal verdeeld in 20 Schellingen en 12 onderdeelen
(bij ons Grooten genoemd).

Zoowel het Pond Sterling als de Livre verloochenen hun afkomst niet.
Zeer waarschijnlijk stelde ook eenmaal de naam Gulden een dergelijk
Pond voor.

*) Een dergelijke waarde had het Witte Vlies.


*)

Reeds lang kende men een munt van dien naam want de hecle,
Schilden, die de graven van Vlaanderen en ook WILLEM

halvc en kwart

W van Beieren hadden doen slaan, golden in 1355 volgens tarief, respec

tievelijk 40, 20 en 10 Grooten of 20, 10 en 5 Stuivers. De naam werd


gebruikt als de vertaling van het woord Pattart, dat in den Bourgondi
schcn tijd in de muntplacaten veelvuldig voorkwam. Het daarmede aan
geduide muntstuk was belangrijk meer waard dan onze tegenwoordige
stuiver.

IN DRINGEN

VAN

VREEMDE SPECIE.

den 1), doch in dier voege dat zij langen tijd naast elkander dienst
deden en zelfs somtijds als tot n stelsel behoorend werden
beschouwd *).
In het gebruik werd echter steeds het onderscheid stipt in
acht genomen, men rekende f naar het Stuiverstelsel f naar
dat van den Schelling en den Groot. En dit laatste werd nog
zeer lang, tot in de 16" en 17" eeuw, aangetroffen. *)
Dat hier te lande slechts enkele malen nieuwe nationale mun

ten werden geslagen en in die tarieven opgenomen, zoodat de meer


derheid der circulatie bestond uit getarifeerde, buitenlandsche
specie, vindt gemakkelijk zijn verklaring. Onze kooplieden toch
kenden langen tijd niet het gebruik van den wissel en daar zij
dus met eigen munt ter markt gingen en met vreemde specie
betaald werden, was het geen wonder, dat onze handelsplaatsen
met allerlei muntsoorten werden overstroomd, die wel niet in

de tarieven waren opgenomen, maar die, naast de velerlei vreemde


munt, wier omloop wettelijk was toegestaan niet te weren waren.

1) Het woord Gulden wellicht het eerst in Bourgondi gebruikt, was


oorspronkelijk slechts een verkorte uitdrukking van gouden munt, doch
werd later voor allerlei specie gebezigd en wel bij voorkeur voor de
zoodanige, welke in 20 onderdeelen verdeeld waren. Een feit, hetwelk
de waarschijnlijkheid vergroot, dat de Gulden werkelijk eenmaal het Hol
landsch Pond in 20 Schellingen 12 Grooten verdeeld heeft gerepre
senteerd.

*) De onderlinge waarde verhouding doet echter duidelijk het twcc


slachtige in het oog vallen.

Immers was de waarde van

het Vl.

6 Gulden.

den Gulden

31/a Schelling.

den Schelling 6 Stuivers.


de Stuiver

2 Grooten.

*) In de ,, Informacie up den Staet faculteyt en de Gelegentheyt van


de steden en de dorpen etc. van het jaar 1514 werd deze rekenmunt
telkens gebruikt.

TOLERANTIE.

Gewoonlijk voor te hooge waarde in de circulatie gebracht


werd hun omloop spoedig zoo groot, dat zij de andere getari
feerde specin verdrongen. Zij verwierven dan een soort van
burgerrecht en hoezeer de landsheer ook beproefde door placaten
hieraan paal en perk te stellen, daar waar een geregeld,
eigen muntwezen geheel ontbrak, moest hij eindigen met
toe te geven, door hen eerst voor een bepaalden tijd in de cir
culatie te dulden, tolerantie verleenen en vervolgens, na
gewoonlijk die tolerantie eenige malen te hebben verlengd, hen
voor goed in zijn nieuw tarief op te nemen.
Hun koers werd dan vastgesteld onder invloed van den prijs
waarvoor zij in den omloop waren gebracht, derhalve meestal te
hoog in vergelijking van de specin, die reeds langer inheemsch
waren. De gevolgen dier overschatting bleven niet uit: wat
innerlijk meer waard was moest ten slotte ook een hoogere ruil
waarde verkrijgen.
De oude specin gingen opgeld doen tegenover de nieuwe
steigeren der munt en weken dus af van het tarief. Werd
nu die verhooging niet spoedig bij ordonnancie geconsacreerd
dan moesten deze muntsoorten weldra uit den omloop verdwijnen.
Gesteld eens dat onze Gulden een fictieve munt ware, waarin

de waarde der omloopende specie werd uitgedrukt en een zilver


stuk van 9.45 gr. fijn getarifeerd was op f 1.-. Bracht men
nu daarnaast een stuk van 2 X 9.45 gr. Zijn zilver in omloop
en tarifeerde dit op f 2.10 dan zou de Gulden-rekenmunt slechts
2 x 9.45
T 2.10T of 9 gr. fijn zilver vertegenwoordigen en het stuk dat
9.45 gr. zilver inhield zou / 1.05 waard worden. Het resultaat
moest dus zijn: steiger en van de munten, die reeds vroeger
in circulatie waren en verzwakking van de rekenmunt.
Het geheele muntwezen was dan ook aan groote verwarring
ten prooi. Bij de rekenmunt school het kwaad, zij vertegen
woordigde geen onveranderlijke waarde, en de vaststelling der
verhoudingen bij tarief kon volslagen willekeurig geschieden,

NIRISIWANICIA :) NI LLH

WJLN.)IV 'NGHZGl.

slools plojinoloq Ioop op w uto5u15,zt op ozop A o5ulpnoullo u u!


op LA of ontnotto topuo uto5u15 uooflot wuos of u hon ownou
5ullooILIP) 5ulpIoluut: Ju5 o(I omsloou5 toelozuo plotl Inuto nuo ole
utolsutoSluooloAo u! plo5 505uut uut 'ptionsoq o(I uploods oAloz
A uoppEoullo uoo5 w oplut loou op uteru loou op |odutols Ju5
nuouhutouttp o5ttoo wuta: 5ulzt Uio topuoz omloout uot snp unil
sloot noul 5uppolloq hol op tot numuluo w uopio A poollo Jo
A pittello utoo5)oul uoo tooz iitpnoAttoo Lopplu oploAoldo uto uo)
alsol A uit lot Noll'nd wzioA te om uploodsmunut on A wlo onthulo o)
leul 'uo leelutiloS Jool op w oplet, top numuluoston spools -op
oploZ

outal-

uoriuuletto(!

tool uopiow lou

A :plopurlo

- JIU!!!UUL

op Nuop ontplooq w uloptoomtroopten A ut op w otlotto Tuuut


optioNooloq u00 oSlfilollow w /u/apuutto.topten A ut op tot 'nuuuuuo
slulooIS utoploZ luloUIq uoo Anou Jan A to 5u15ool A ut op
lumuluotol opout uo oppoul)so5 lou It uoo oposuto Ituut op510Aut:p
Ierp do ooz 5nuutlo501 do tot ptlopIetal uoo 5u!Iep 1up iz u!
op u dooI top utopil Loollo5 topuoz pooLAu! 'Joo[q
utoAoquoita'CI suw ozop InotoIIIw of uo A Ltopueto oNT -Ittw
loop 5ul Ito) ontlozdo lop humuuoSlot looA op opuoIIIllosloA -luuut
ls Itoelen Hoptio 5u! lsInuo o] wil III 'Iilopulo 5u11filsjt: uo 5uloousoq
top I An omunuto5 ooods lot ouunu lol 5ultopuulioAopulaw fiq
Iq 'Ioll[ot

loII zpoot Ellot 50A05 suw 1up op plus uo op Iod -e).05


oplooJII 70S Jo .tatto(I 1to//n) Jo oa/n/S lot o]soout Lopo lout Ilt

uopEoluut uoplow plotuuZIOA uto plooA05]In Jo uto][outsloA o)


uopiow uto 1up oAItalTop op Ualoodsmuntu lou utp u05o) -toA
uoprioot! sloot u ontnotjo optioN u Iq 'uoA loFI In uto5ow top
onsoq nls uopt too//ombot, uo 1soout uto50A do lou uotaays top
lumul I u ooII op ItolsioA 'Too leep uo5ol utopolls lout uoltoeld
uo ualouuuuopio utol o11ols w ou: iz wpo5 uto5u0 oo) o] A05 uo
utte op u Linnaeu uo doo[ upA lez uto uo lout ownou Jolie) -oq
A op5jnso op u Iilono uo 'puelsoon ooZ Axl uit snp Ioptioz o5juoo
ownoiu 5eslunut too A to Ioptie 5u! u! op w Ita: op top Italoods 1ol

MUNTVERZWAKKING.

stand, die zich openbaarde als een ontzaggelijke munt verzwak


king. 1) In 2 jaren tijds (van 11S6-11SS) daalde de waarde
van het rekengeld hier te lande van 3 tot 2, en in 1489 werden
stukken, die eertijds voor 20 Pattars geslagen werden reeds voor
60 Pattars aangenomen. *) Aan den vorst en den onderdaan
werd zoo groote schade toegebragt, dat zij daardoor meer ver
armd werden dan zulks hun tot nog toe was overkomen door
eenig onheil, welk het ook zijn mogt, zelfs door oorlog,
gelijk keizer MAXIMILIAAN zeide in de inleiding van zijne, in de
Fransche taal gestelde Ordonnancie, die hij den 14" Dec. 1489
te Breda uitgaf *), voornamelijk met het doel om een einde te
maken aan dezen treurigen stand van zaken.
Een eerste middel daartoe aangewend was het ontwikkelen
van een stelsel van rekenmunt, uitvoeriger dan tot nog toe ge
schied was, doch op grondslag van het bestaande. Voortaan zou
men rekenen bij het Lirre-de-gros verdeeld in 20 Sols-de-gros
12 Deniers-de-gros *) welke ieder weder 24 Miles-de-gros
inhielden.

') In vele landen namen de zaken een gelijksoortigen loop, maar niet
overal waren de verschijnselen van even grootcn invloed. Snociing en
afslijting, die direct op de innerlijke waarde influenceerde kwamen alge
meen voor, doch hier had niet plaats, gelijk in Frankrijk, opzettelijke
muntvervalsching, waaraan vooral PHILIPPE LE BEL (1285-1314) zich
schuldig maakte. Na 1000 jaar heeft de Fransche Lirre dan ook nau
welijks 'ls van haren oorspronkelijken inhoud behouden.
*) De St. - Andriesgulden, die PHILIPs DE GoEDE had doen munten was
in 14S2 op 30 stuivers gesteld, in 1485 op 33 stuivers en in 1489 was
hij tot 60 stuivers gestegen.
*) Gr. Placaatboek dl. I K. 2578.
*) Voor deze benamingen treft men in latere ordonnancin weder
Pond, Schelling en Groot aan.

Men verwarre den Denier niet met den Denier-de-gros, de eerste 2


Courtes of 4 Mites was slechts 1/3 van een Groot.

10

ORDONNANCIE VAN l 1S9.

In eenvoudige verhouding hiermede werd nu de muntslag


bevolen van den

Double Florin (in goud) . . . . met een waarde van S0 gros.


Florin de Sainct Andrieu 1) (in goud) , ,
m
m 10 m
Demy-Florin (in goud) . . . . . // //
m
m 20
m
Grand Double (in zilver). . . . . .
m
m
S
m
Double Pattart . . . . . . . . .

//

Pa/tart . . . . . . . . . . . . .

f/

ff

Gr" . . . . . . . . . . . . . . .

//

//

Demy Gros . . . . . . . . . . .

//

//

m
"

//

Quart de Gros (Giget) . . . . .

//

//

m
m

Denier. . . . . . . . . . . . . .

//

//

ff

If

//

//

t/

Mile. . . . . . . . . . . . . . .

ff

t/

//

//

Courte . .

. .

''2 m
'/4 m
1/e
''12 u
'/24 l/
t/

De Double Florin zou worden geslagen 418/4 stuks uit een


JIark Trooisch *) op hetzelfde gehalte als de Engelsche Nobel,
die nagenoeg fijn was *), en voor remedie was 1 grein (1/gss)

op het allooi en op het gewicht 1/73o per Mark toegelaten. *)

1)

Deze werd dus thans weder op eenmaal van 60 tot 20 pattars terug

gebracht, hij was '/o van een Pond Vlaamsch.


de Sol

of Schelling '/20 ,,

, Pattart ,
, Gros
,
Deze florin de
2) Het Mark
volgens WARIN

by

Stuiver '/12o ,,
Groot
'/24o ,
St. Andrieu was hier bekend als de Andriesgulden.
Trooisch kan ongeveer op 246 gr. gesteld worden daar
en VAN SwINDEN 1 K. G. gelijk stond met 4.063655
93

92

Amsterd. Mark Trooisch.

*) Volgens het in 1746 te Parijs verschenen werk ,, Essai sur les

Monnaies, ou reflexions sur le rapport entre l'argent et les deures, pag.


164, was dit gehalte op 237/s kar te stellen. Ook WARIN's zelfstan
dige berekeningen komen hierop neder.
*) 1 Mark goud van een gehalte van 237/s werd dus gelijk gesteld

met 14 Vl., 18 Schelling, 4 Groot.

I 1

HARE GEBREKEN.

Hij hield dus in 5.4402 gr. f. goud, terwijl de Gran l Double


5.883 gr. f zilver bevatte, waaruit nagenoeg een verhouding
van zilver tot goud zou voortvloeien als 1 : 10.814. SoETBEER
meent echter in zijn bekend werk die Edelmetal/-production 1)
naar opgave voorkomend in de m Recherches sur le commerce
in 1778 te Amsterdam verschenen, die verhouding voor dien
tijd op 1 : 11.51 te moeten stellen.
Nauwkeurig geeft de ordonnancie verder op het getal in het
Mark van elk der genoemde specin, het gehalte en de remedin.
Hierin zijn echter groote onnauwkeurigheden te vinden, die
krachtig den gunstigen invloed van de ordonnancie tegenwerkten.
Dat de dubbele gulden meer goud moest bevatten dan twee
enkele of vier halve, was, hoewel onjuist, wellicht bepaald met
het oog op de muntkosten, die in verhouding tot de waarde
zwaarder drukken op de kleinere specie; doch waarom moest de
double florin 5.4402 gr. f. goud inhouden, twee enkele 5.3542
gr. en vier halve weder 5.3544 gr.; waarom was bovendien de
eerste muntsoort op 0.991 fijn, de beide andere op 0.7846 fijn
geslagen met een toevoeging van 0.1597 in zilver?
Men moet toen toch reeds geweten hebben dat de waarde
van het fijn metaal afneemt naarmate het sterker geallooierd is.

Verder bevatte dit placaat een volledig tarief van de prijzen


waarvoor alle wettelijk in den omloop toegelaten vreemde specin
moesten worden uitgegeven en aangenomen. Daaronder werden

de groote dubbele of fijne Reaal van Oostenrijk en de Reaal

1 Mark fijn goud was dus nagenoeg 15 Vl.


rijnen. 10 Florijn en dus 27.8 gr.

15 Vl. = 90 Flo

Ons tegenwoordig f 10 stuk houdt in 6.048 gr. goud, waaruit volgt


dat thans f 45.2l in goud gelijk stond met toen 10 florins volgens de

ord. van 1489. (Men zie een soortgelijke berekening bij WARIN t. a. p.
bldz. 32.)
-

1)

Blz. 124.

12

HUNNE GEVOLGEN.

met de wapens van Spanje (welke 4 pa/urs zou gelden, maar


weldra een koers had van 4 1/2 pat/ars) als nieuwe stukken op
genomen. Vele dezer specin waren in dit tarief merkbaar te
hoog gesteld 1), getuige de Rozen-Nobel en de Engelsche Nobel
die met een gewicht van 7.628 en 6.S331 gr. en op een ge
halte van resp. 0.9985 en 0.9952 op 9 sols 4 deniers en 8 sols
4 deuiers waren gewaardeerd.
Al zeer spoedig verdwenen de dubbele florijnen en de overige
nieuw geslagen munten volgden naarmate zij in innerlijke waarde
de wettelijk vastgestelde verhoudingen waarin zij tot andere ge
tarieerde specin stonden, overtroffen. Slechts die muntsoor
ten bleven in omloop die in verhouding tot hun tariefwaarde
de minste innerlijke waarde bezaten.
Wel verbood de ordonnancie ten strengste den uitvoer van
gemunt of ongemunt edel metaal, doch waar dit zoo lijnrecht
in strijd bleek met het eigenbelang en daarenboven de controle
zoo goed als onmogelijk was, bleef dit voorschrift slechts een
doode letter.

De meer waardige specin deden opgeld en de bankiers en


wisselaars of wie zich daarmee bezig hielden kochten gaarne
deze soorten op en maakten zich schuldig aan het zoo sterk
veroordeelde steigeren der munt.

De verwachte gunstige gevolgen van het plakaat bleven uit


zoodat de ontzettende onbillijkheden *) die voortgevloeid waren
uit de plotselinge opvoering der rekenmunt en de daarmee ge
paard gaande nieuwe tarifeering te eenemale nutteloos bleken.
1) Zie WARIN ,, Bijdragen tot de kennis van het Muntwezen 1843
blz. 78.

*) Uit een prijsstelling der gouden munten gangbaar in Utrecht, tc


vinden bij WARIN t. a. p. bladz. 82, blijkt o.a dat de Rozennobel in
1486 gerekend op 4 gulden 16 stuivers en in 14SS gerekend op 7 gul
den 4 stuivers, plotseling in 1490 werd gesteld op 2 gulden 16 stuivers.

De Henricus-Nobel die in 1488 6 gulden 12 stuivers waard was, op


2 gulden 10 stuivers etc. etc.

13

NIEUWE TARIEVEN.

En de reactie kwam zoo snel dat vele munten reeds in 1499


nagenoeg denzelfden prijs golden als in 1483.
In Aug. 1499 stelde PIIILIPs II bij Ordonnancie de toen
geldende prijzen bij tarief voor 4 maanden vast en tolereerde
dus tijdelijk deze verhoudingen. Tegen Kersmis zou een nieuw,
verlaagd tarief in werking gebracht worden, maar juist op den
25" Dec. 1499 werd dit vervangen door een Ordonnancie
waarbij aan vele munten hoogeren koers werd verleend als zijnde
meer in overeenstemming met den circulatieprijs 1).
-

Dit tarief bleef langen tijd van kracht. Eerst in 1520 achtte
KAREL V eenige wijziging noodig: bij Ordonnancie van 4 Feb.
van dat jaar *) werd een nieuw tarief gegeven waaruit echter
blijkt, dat de rekenmunt zeer weinig in waarde was veranderd;
13 muntsoorten bleven op de zelfde prijzen gesteld. Hierbij
werd tevens bevolen het slaan van den Reaal waarvan er 46 op
het Mark zouden gaan, *) op een gehalte van 23 kar. 91/, grein
fijn goud met een waarde van 60 stuivers en van den Carolus
ter waarde van 20 stuivers op een allooi van 14 kar. fijn
goud, 71/s kar. fijn zilver en 21/2 kar. koper, waarvan er 84
uit het Mark zouden worden geslagen. *)
Met deze prijzen was echter geenszins in verhouding de ta
1) Zie WARIN t. a. p. blz. 90.
2) Gr. Plac. boek dl. Ik 2605.
*) En dus op een gewicht van ongeveer 5.33 gram.

*) Deze bevatte ongeveer 1.7 gr. fijn Goud


0.9 ,

0.3

,, Zilver
Koper

2,9 gr.
Dit alliage van zilver had geen nut, het maakte de muntslag voor den
muntmeester duurder, maar verhoogde de waarde der munt niet. Het

blijkt dan ook duidelijk dat de tarifeering weder geheel onjuist was en
dat de Gouden Carolus minder waarde had dan '/s van den Reaal, terwijl

ook het lager gehalte van den eerste een ongunstigen invloed uitoefendc.

14.

DE ZILVEREN CAROLUS.

rifeering waarbij o. a. de grooen Reaal van Oostenrijk (door


MaxiMILIAAN in 1189 ingevoerd) werd gesteld op 28 schel/. 6
grooten; want daar er van dit stuk 161/2 uit een Mark werden
geslagen of m. a. w. zijn gewicht l 1.91 gr. bedroeg, zou het
gehalte, indien deze munt in evenredigheid tot de waarde van
den nieuwen Reaal goed ware getarifeerd, meer dan fijn en wel
24 kar. 28/4 grein moeten geweest zijn.
Merkwaardig is het dat de doub/e florin in geen dezer tarie
ven meer voorkomt en dat de gevolgen der ongunstige tarifeering
derhalve duidelijk merkbaar zijn. Deze muntsoort was voor
goed verdwenen.
Een Ordonnancie van KAREL V van 22 Feb. 1542 heeft voor

ons nog bizondere historische waarde, daarbij toch beval hij den
muntslag van den Zilveren Carolus in navolging van den Duit
schen Daalder.

Deze nieuwe munt, het eerst in 1544 geslagen, hield in


396.674 a. f. z. met een gehalte van 10 penn. of 0.853 en
een gewicht van 14 e. 30 a. 1). Zij werd gesteld op een waarde
van 20 stuivers *) en kwam dus toen overeen met de fictieve
rekenmunt, den Gu///en.
1) Deze overeenkomst was echter van zeer voorbijgaanden aard, want
reeds in 1552 circuleerde de Z. Carolus voor f 1 : 1 st., in 1559 voor
f 1 : 2 st. en in 1621 reeds voor f 1 : 141/s st.

Op nieuw werd de rekenmunt gulden dus niets dan een fictie, de col
lectieve benaming voor 20 stuivers.
*) De Gouden Carolus had volgens tarief van 1520, dat in 1542 nog
geldig was, gelijke waarde, doch deed reeds in 1522 f 1 : 1 st.
Volgens , Recherches sur le commerce was de verhouding van G: Z.
in 1520 als 10.68 : 1 en in 1540 als 10.62 : 1 hetgeen niet overeen
komt met de inhoud f. goud en zilver van deze Caroli.
Immers de Gouden Carolus hield in 1.7 gr. f. g., de Zilveren 19.04
gr. f. z. hetgeen een verhouding als 11.17 : 1 zou opleveren.
De Reaal 60 st. gerekend geeft een verhouding van goud : zilver
als 10.71 : 1.

15

MUNTPOLITIEK.

Volgens WARIN zou dit de instelling zijn van onze tegen


woordige munteenheid. 1)
Bij Ordonnancie van 11 Juli 1548 onderging de rekenmunt
op nieuw een wijziging, haar waarde werd, voor sommen be
taalbaar in goud, met 5% verminderd. Voor het zilver bleef
zij onveranderd. Deze maatregel stond wellicht in verband met
de ontdekking der Amerikaansche zilvermijnen *) waarvan de
invloed, bleek door verhooging van de betrekkelijke waarde van
het goud tegenover het zilver. *)
Aan bedrijvigheid der regeering omtrent de regeling van het
muntwezen ontbrak het ook in vervolg van tijd niet. Herhaal
delijk werden bij plakaten en ordonnancin personen wier beroep

hen met goud of zilver in aanraking bracht onder scherp toe


zicht gesteld en straffen bedreigd tegen het gebruiken der gave
munt als koopwaar *), terwijl de handel in ongemunt edel metaal
belemmerd werd door bepaling van den prijs en algeheel verbod

') Indien men een aas op 0.048 gr. stelt zoo hield deze Carolus in
19.04 gr. f. z. terwijl onze tegenwoordige Gulden 9.45 gr. bevat.
*) De rijke mijnen van Potosi waren in 1546 ontdekt en leverden
gemiddeld van 1545 tot 1560 per jaar 183.200 K.G. op, hetgeen meer

bedroeg dan de helft der geheele zilverproductie in die jaren en ruim 2


maal zooveel als van 1521 tot 1544 gemiddeld per jaar werd voortgebracht.
Van 1551-1580 was de opbrengst 151.800 K. G. gemidd. per jaar.
,,

1581-1600

,,

9p

254.300 ,

,,

sy

wy

yy

*) Voor Duitschland, Nederland en Frankrijk kan men gemiddeld de


waardeverhouding stellen in de jaren:
1501-1520 op 10.75 :
1521-1540 , 11.25 :
1541-1560 , 11.30 :
1561 1580 , 11.50 :
1580-1600 , 11.80 : 1

*) Zie Placaat van PHILIPs II van 2 Maart 1571.

16

LEYCESTER.

DE STATEN-GENERAAL.

van uitvoer naar vreemde Munten 1). Maar al deze maatregelen


konden niet verhinderen dat het eigenbelang een uitweg zocht
om het evenwicht te herstellen, dat verstoord was door onjuiste,
vaak te hooge tarifeering van buitenlandsche stukken. Deze
appreciatie van vreemde munten was het gevolg van de mercan
tiele begrippen, die in geld alleen kapitaal deden zien. Men
hoopte op die wijze geld in het land te trekken, terwijl men niet
bedacht, dat men aan de andere zijde veel meer verloor. De
Zilveren Carolus met zijn 396 a. f. Z. verdween weldra uit de
circulatie en zijn plaats werd ingenomen door andere, vreemde,
minder wichtige, maar niet minder gewaardeerde specie.

De zelfstandigheid van deze gewesten en de daarmee gepaard


gaande verandering van Souvereiniteit door de Unie van Utrecht
en de afzwering van PHILIPs te weeg gebracht, had geen wijzi
ging in de behandeling der muntzaken ten gevolge.
LEYCESTER had, getuige de Ordonnancie van 4 Aug. 15S7, het
tarief aan een herziening onderworpen en de Staten-Generaal
gaven den 19" Dec. 1589 een Ordonnancie op hetzelfde subject.
De Staten-Generaal deden dit; want al was thans iedere provincie
Souverein geworden en dus toegerust met de macht om gewicht,

gehalte en waarde van hare munt vast te stellen gelijk haar


goeddacht, met betrekking tot den loop van het geld waren zij
gebonden aan het voorschrift van art. 12 der Unie, waarbij be
paald was dat die voorschreven Provincin gehouden zullen zijn
zich met ten anderen te conformeeren in het stuk van de Mun

ten, te weten in den Cours van den Gelde naar uitwijsen zulcke
Ordonnantin als men daarop ten aldereersten maecken zal,
dewelcke d'een zonder d'ander niet en zal moghen veranderen. *)
1) Zie Placaat van 4 Februari 1520.

*) De zorg voor de stipte handhaving van dit artikel en verder alles


wat de munt betrof, werd reeds kort na het aangaan der Unie aan een

PLACATEN VAN 1603, 1606, 1610.

17

Weldra ontstonden tal van muntfabrieken in deze landen,

zoowel provinciale als stedelijke inrichtingen, die een scherpe


concurrentie voerden. De muntmeesters door de provinciale staten
benoemd, verkregen hun betrekkingen onder zeer verschillende,
dikwijls weinig voordeelige voorwaarden, zoodat menigeen ge
dwongen werd tot kwade praktijken zijn toevlucht te nemen.
De opgaven van hetgeen gemunt werd, waren dikwijls onjuist,
zoowel om daardoor het Slijschat, dat per Mark aan den Sou
verein betaald werd, te verminderen, als om niet te toonen hoe

veel slechte munt werd gefabriceerd. Zoo circuleerden spoedig


tal van specin, gelijk in naam, maar verschillend in gehalte
en gewicht. Wat wonder dat ook nu weder de zwaarste stukken
werden uitgewogen en de goede munt weldra opgeld deed!
Talrijk waren de pogingen om eenigermate eenheid te brengen
in de aldus ontstane chaotische verwarring, men wenschte als
onder de besturen van KAREL en PHILIPs te

beproeven de reken

munt te regelen om tot een blijvend tarief voor de circuleerende


specin te kunnen geraken. Alles stiet echter af op de weinige

samenwerking hier te lande en het gebrek aan de juiste grond


beginselen waarop een stabiel muntwezen moet gevestigd zijn.
Bij Placaat ende ordonnantie van 2 April 1603 1) gaven
de Staten-Generaal een nieuw uitvoerig tarief, maar het was
vooral het Placaat van 21 Maart 1606, aangevuld den 6" Juli
1610, dat van bizonder belang geacht kon worden voor ons
muntwezen. Deze wet, mop den cours van het Gelt, politie en
discipline betreffende d'exercitie voor de Munte en de Muntslag,
het stuk van wissel en wisselaars, scheijders, affineurs, goud
en zilversmeden, juweliers en alle andere in de Vereenigde Ne
Generaliteitsmuntkamer opgedragen, welke uit drie Raden en Generale
muntmeesters, een Essayeur-Generaal en een Secretaris zou bestaan. Dit
College werd van tijd tot tijd door H. H. M. beschreven.
1) Gr. Plac. boek Dl. I k 2661.

18

ZILVEREN

MUNTEN.

derlanden had ten doel te voorzien in de munt en den muntslag


en het opsteigeren van het geld, mgecauseert deur d'oorloge ende
de invoering van diversche gouden en silveren penningen, buyten
dese Vereenigde Nederlanden geslagen, in dese Landen gebracht.
Daarbij werd de doodstraf en confiscatie van goederen bedreigd
tegen muntvervalsching en inwisseling van goede tegen slechte

specie. Verder bevatte zij een zeer uitvoerig tarief voor den prijs
van alle munten, die wettig werden toegelaten (uitgedrukt in
de rekenmunt Guldens en S/uirers) met opgave van gehalte,
gewicht en de remedin daarop.
De voornaamste zilveren munten die hier te lande in 1606

circuleerden waren de Rijksdaalder en de Leeuwendaalder. De


eerste was in dat jaar gesteld op f2:7 stuivers en bij tolerantie
in 160S op f2:S st. hetgeen als wettigen prijs werd vastgesteld
in 1610; 1) hij hield in 5281/, a. f. z. (25.37 gr.) zoodat
hiernaar berekend de Gulden in 1606 nog slechts 22 1.9 a.. z.
en in 1610 220.2 a. f. z. bevatte. *) De Leeuwen/ma/ler werd
in 1606 gesteld op / 1:18 st. *) en hield in 428 a. f. z. (20.55
gr.) de Gulden zou dus hiernaar berekend, nog een waarde van
225 a. f. z. hebben gehad. 4)
Daarnaast waren nog tal van andere zilveren munten vermeld:
de Zilveren Carolus werd thans op f 1:14 st. getarifeerd de
Leeuwen- Philippus- Staats- en Zeeuwsche Daalders en hunne
1) In 1548 reeds van geheel hetzelfde gehalte en gewicht gold hij,
volgens Keizer KAREL 28 stuivers en bij publicatie van LEICESTER in 1586
reeds 45 st. dus in 38 jaar een vermindering in nominale waarde van 61"/9.

*)
*)
*)
zelfs

Respectievelijk 10.8 gr. en 10.58 gr.


In 1615 op f 2 getarifeerd.
Volgens de Tienstuivers-penning, die 113.66 a. f. z. bevatte, was
de Gulden op 227 a, f z. te stellen. Ook naar het goud berekend

komt men tot anderen inhoud, maar door de voortdurende daling van

den zilverprijs was het goud altijd te laag geschat.


ook onze ware standaard.

Het zilver was dan

GOUDEN

MUNTEN.

1)

gedeelten werden eveneens nauwkeurig omschreven, in het tarief


opgenomen, terwijl alle munten, die meer dan 1 1/2 engels over de
vastgestelde remedie lichter waren, tot billioen verklaard werden.
Wat de gouden specin aangaat vindt men in de eerste plaats

den Gouden Rijder, wiens muntslag bij dit placaat van 1606 be
volen was op een allooi van 22 kar. (0.9167) met een gewicht
van 207.2 a. (9.95 gr.) en derhalve inhoudende 189.77 a. f.
g. (9.11 gr.) waaraan een waarde van / 10 : 2 st. werd toe
gekend; 1) en den Gouden Ducaaf reeds vroeger bij ordonnantie
omschreven, *) gemunt op een allooi van 23 kar. 8 grein
(0.9826) en met een gewicht van 721/, a. stijf (3.494 gr.) en

derhalve inhoudende 71.42 a. f. g. (3.432 gr.), gesteld op een


waarde van f 3.16 st. Beiden munten behielden gedurende onze
republiek nauwkeurig denzelfden inhoud fijn. Maar hun waarde
")

Hetgeen een verhouding van G. Z. aangeeft van 11.97 : 1.

Deze was dus gaandeweg stijgend en zeer goed wist men toen reeds
dat wettelijke vaststelling hier van geen invloed kon zijn. Nog duide
lijker kwam dit uit in het placaat van de Staten van Holland en West
Friesland van 5 Oct. 1665:

,,Aangemerkt de experintie geleerd heeft, dat de gouden en zilveren


penningen zeer bezwaarlijk onder de gemeente op dezelve waarde van
Guldens, Stuivers etc. kunnen worden gehouden, maar dat dezelve som

wijlen, immers voor eenigen tijd gevoegelijk komen te steigeren en dat


daardoor de prijs van het goud en zilver, als die in Guldens en Stuivers
etc. gedetermineerd wordt, ook noodzakelijk moet komen te veranderen,
of niet derhalve en om hetzelve inconvenient te vermijden, de prijs van
het voorschreven goud en zilver behoort te worden gesteld niet op dus
of zooveel Guldens en Stuivers etc., maar op dus of zooveel stukken van
een bekende gangbare Nederlandsche gouden en zilveren penninge respec
tive, als bij exempel voor het Mark Goud dus of zooveel Ducaten etc.
zonder aanschouw te nemen of de Ducaat op 4 Gulden 15 Stuivers, op

5 Gulden of ook op mindere of meerdere quantiteit van Guldens of


Stuivers koers mocht hebben etc.

*) In 1583 hier ingevoerd en sedert op hetzelfde gewicht en zeer hoog


gehalte gehouden; ook de stempel was onveranderd.

20

PASMUNT.

was nog veel minder bestendig dan die van de goede zilveren
specin. Immers er trad een voortdurende rijzing in van het
goud ') met betrekking tot het zilver als gevolg van de sterke
productie en derhalve prijsdaling van dit laatste metaal.
Reeds in 1610 golden de beide genoemden specin respectie
velijk f 10.12 st. en f4 en in 1638 / 12 en f4.10 st.
f4.15 st. bij tolerantie.
Gelijk bijna alle munten in dien tijd droegen zij geen waarde
vermelding, *) hun karakter maakte hen uitstekend geschikt voor
den buitenlandschen handel *) en na 1653 komt de Ducaat ook
niet anders dan als negotie-penning voor. Hij had een afwisse
lende, globaal genomen steeds steigenden koers, waarmede de
tarieven geen gelijken tred hielden en een circulatie over de
geheele wereld.
Ook de pasmunt werd niet vergeten. Een bizonder groote
hoeveelheid bestond er van, want de muntmeesters, die nauwkeu
rig in het oog hielden, dat het een eigenschap van de pasmunt
was hooger nominale dan reele waarde te bezitten, vonden in den
aanmaak groot voordeel. De Staten-Generaal erkenden dan ook
dat wegens hun zwakheid in allooi en gewicht vele muntsoorten
voor billioen hadden moeten worden verklaard, dat zij evenwel
om de schade der gemeenten te voorkomen, zouden worden geto
lereerd op den gewonen prijs waarop zij geslagen waren. *) Echter
1) In 1641 bedroeg de verhouding van G : Z hier te lande reeds
12.5 : 1 (en elders was zij nog hooger), gemiddeld van 1621-1640 was
zij op 14 : 1 te stellen; van 1661-1680 op 15 : 1.

*) Eerst bij Placaat van de St. Gen. van 1 Aug. 1749 werd de
muntslag der Rijders eenigzins gewijzigd, zij werden als standpenning
erkend met de waarde van f 14 er op vermeld.
*) Zie art. 10 Placaat 19 Dec. 1589 Gr. Plac. boek dl. Ik 2645.
*) Zoo bleef de Schelling op 6 st.
, Slooter , 2 , S penn.
-

, Stuiver

16

,,

VERDERE INHOUD DER ORDONNANCIN.

21

werd verdere aanmunting van pasmunt verboden en bepaald (art.


23 ordonnancie 1606) dat mmen in betalingen van koop van
gronden van erven, huizen en de aflossing van renten, mits
gaders in de betaling van koopmanschappen exedeerende in eene
partij honderd guldens, niet meer gehouden zoude wezen te ont
vangen in schellingen of te minder payementen dan de tiende
penning.
Verder nog behelsde deze ordonnancie eenige algemeene bepa
lingen van groot belang als: het bevel om binnen een maand
alle vreemde zilveren en alle gesneden, gebroocken, gewasschen
ende geschroijden, gelapte, genagelde penninghen etc. in den
wissel te dragen waar de rechte waarde volgens tarief zou wor
den betaald; het verbod ten einde opdringen en steigeren
van zekere specin te voorkomen mom eenige specin van gelde
te koopen of te verkoopen gevende of nemende op denzelven
eenige winst, opgeld of toebate hierop werd echter voor
mWisselbanken en gezworen Wisselaars een uitzondering ge
maakt ; het verbod van bicquetteeren en daarom werd ook
aan de wisselaars verboden geld of kas te bewaren voor kooplieden
of assignatin of wisselbrieven te gebruiken; het verbod van
vervoer van goud of zilver uit de Vereenigde Nederlanden, van
invoer van nieuwe munt beneden den voet der ordonnancie ge

slagen, en eindelijk een regeling omtrent den muntslag, de

inrichting en de ambtenaren der munt, voor alle provincin


geldend.
Het waren dus zeer volledige bepalingen omtrent de munt en
wat daarbij behoorde, die bij deze ordonnancie waren gegeven
en langen tijd bleef zij ook als algemeene wet, waardoor het
muntwezen beheerscht werd, gelden.
en tal van provinciale muntjes eveneens tegen hun oorspronkelijken prijs als
de dubbelde Groeninger Flabben
S st.
, enkele

by

zp

Stuiver in de prov. munten geslagen 1 ,,

22

HUNNE GEVOLGEN.

Maar al had men deze regeling gemaakt, met de beste be


doelingen bezield en in de hoop het muntwezen hierdoor tot
een duurzamen toestand te brengen, in de praktijk liet zij nog
veel te wenschen over, omdat ook nu weder tal van fouten bij
de samenstelling begaan waren. De strenge straffen tegen het
bicquetteeren en steigeren der munt baatten niet, zoodat men
zich ten slotte weder genoodzaakt zag de onmacht der plakaten
te erkennen en den hoogeren koers te tolereeren, eerst tijdelijk
voor 1 Sept.-31 Dec. 1608 bij Ordonnancie van 6 Oct. 1608 ')
verleend ), toen verlengd op den 13 Dec. *) en den 27 Aug.
1609 4) en eindelijk bij een nieuw tarief in 1610, blijvend.
Toch moesten bij de Placaten van 26 Sept. 1615 ), 13 Febr.
1619 ) en 21 Juli 1622 7) weder concessin worden gedaan.
Het was deze ongelukkige toestand van het muntwezen, die
veel bijdroeg tot het ontstaan van de bekende Amsterdamsche
// #sse/ba m/.

De vroeden van Amsterdam, begeerig om de loopende munt


voor verdere wanorde te bewaren en overtuigd, dat de kassiers
en wisselaars *) de oorzaak waren van dat bicquetteeren en stei
1)

Gr. Plac. boek dl. I k.. 2757.

*) Niettegenstaande de wetgever tot deze toleranties gedwongen werd


door den feitelijken koers en bijna altijd nog beneden dien koers bleef,
had hij toch vaak de naviteit te mccnen, dat bij hct cinde der aange
wezen termijn den vroegeren koers weder aan de specie zou worden
verleend,

*)
*)
*)

Gr. Plac. boek Dl. Ik, 2758.


Gr. Plac. boek Dl. Ik. 2760.
Gr. Plac. boek Dl. Ik 2764.

8) Gr. Plac. boek Dl. I k.. 2772. Dit placaat verleende slechts tijde
lijke tolerantie, tot 31 Mei 1619, voor eenige muntsoorten.
")

Gr. Plac. boek Dl. I k.. 2798.

") In tijden toen de handel vcclal in contanten gedreven werd en


het muntwezen van bijna alle volken in ellendigen toestand verkeerde

DE AMSTERDAMISCHIE WISSELBANK.

2:3

geren, kozen den radicalen weg, zij hieven de kassiersderij bin


nen hun stad geheel op, en bedreigden de clandestine uitoefe
ning van dergelijke werkzaamheden met strenge straffen; terwijl
zij de wisselaars, vooral beperkt in hun bedrijf waar het gold
het kashouden voor kooplieden (hetgeen gaandeweg hun gewoonte
was geworden en waardoor het wissel- en kassiersbedrijf werd
vereenigd) onder strenge controle stelden. Dit geschiedde bij
Keur van 15 Juli 1608, welke echter na enkele weken aanmer

kelijk verzacht werd. Doch dit was slechts tijdelijk, want reeds in
1606 had men het plan ontworpen voor een groote inrichting,
die van stadswege werkende, de wisselaars en bankiers zou ver
vangen. De Amsterdamsche Wisselbank, den 31 Jan. 1609
opgericht, zou derhalve een einde maken aan de kwade praktij
ken van particulieren en aan de wanorde in de munt. ') Met
was de betrekking van de wisselaars, een hoogst belangrijke en kwam
eenigermate overeen met die onzer bankiers.
Zij werden veelal door den Souverein aangesteld en hertog ALBRECHT
liet er, uitgezonderd in Dordrecht, in elke stad slechts een toe.

Ten tijde der Republiek werden zij benoemd door de Generaals der
Munt op voordracht voor de plaatselijke besturen en moesten hunne
instructin bezweren. In de Muntordonnancin van 14 Dec. 1489;
4 Feb. 1520; 4 Aug. 1586, 19 Dec. 1603 en 21 Maart 1606 vindt
men uitvoerig hun rechten en plichten omschreven.
Hun bedrijf bestond in het opkoopen en inwisselen van al het hun
aangeboden edel metaal en van alle verboden en tot billioen verklaarde

muntspecin tegen een bij tarief vastgestelden prijs, en het leveren hiervan
aan de provinciale Munt. Niemand mocht zich overigens met dezen handel

in goud of zilver inlaten. Maar de wisselaars verkochten het billioen weder


aan goud- en zilversmeden en zelfs kochten zij goede specin op om ze met
agio weder af te zetten.

Dit laatste werd hen met eenige beperkingen

bij placaat van 1603 toegestaan. Zie W. C. MEEs ,,Proeve eener Ge


schiedenis van het Bankwezen in Nederland gedurende den tijd der
Republiek, 1838, bl. 16 en v.
') Zie uitvoerig over deze bank en hare geschiedenis. MEEs t. a. p.
Hoofdst. II-V.

24.

WAT ER DOOR VERKREGEN WERD.

dezen maatregel, hoe nuttig ook in hare gevolgen voor den han
del, bereikte de stadsregeering echter geenszins haar doel. De
steigering der muntspecin hield aan en het bankgeld (rekening
courant saldo's in de boeken der bank, bijna geheel gedekt door
goede muntsoorten) deed een evenredig agio, waartegen wel weder
met ordonnantin en keuren werd gestreden, maar natuurlijker
wijze zonder resultaat.
Ook is het der stadsregeering nooit gelukt alle kassiers en
wisselaars te verdrijven. Na vele vruchtelooze pogingen werden
de kassiers dan ook weder bij Keuren van 1 en 19 Juni 1621

erkend, maar zoodanig beperkt, dat zij genoegzaam onschadelijk wa


ren. En al waren de beedigde wisselaars verdwenen, het was on
mogelijk bijzondere personen te beletten dit bedrijf uit te oefenen.
Ook in andere steden van ons land werden dergelijke maat
regelen genomen ten gevolge waarvan o. a. de Rotterdamsche
en de Dordrechtsche Wisselbanken ontstonden.

Maar hoeveel

nut zij aan den handel ook bewezen, het lag eveneens buiten hun
macht de munt tegen steigeren te behoeden. In hun bankgeld
volgden zij dan ook deze verhoogingen op den voet, zoodat de
bankgulden in 1610, berekend volgens den koers van den Rijks
daalder reeds niet meer dan 211. 1. a. f. zilver bevatte, terwijl
hij toen nog opgeld deed omdat de Rijksdaalder in verhouding
tot de andere courante munt een hoogere metaalwaarde had dan
bij placaat was vastgesteld.
Even vruchteloos bleek de strijd tegen den omloop van
vreemde specie, ook hierin slaagden de pogingen der Regeering
niet: steeds moest zij eindigen met eenige buitenlandsche munt
soorten in haar tarieven op te nemen, welker onjuiste waardeering
den grondslag legde voor nieuwe steigering, nieuwe toleranties,
nieuwe verhoogde tarieven, nieuwe muntverzwakking.
Als de meest belangrijke dier vreemde muntsoorten, waaraan
omstreeks dezen tijd tegen wil en dank toegang werd verleend

INDRINGEN VAN NIEUWE MUNTEN.

25

behooren genoemd te worden de Patacon en de Ducaton, beide


Wall

zuidelijken

oorsprong.

In 1617 en 1618 waren in de Zuidel. Nederlanden 1) de


Zilveren Souverein of Patacon *) en de Dukaton geslagen. De

eerste hield in + 512.5 a. f. z. de 2" + 637.75 a. f. z. Zij


zouden dus hier te lande, berekend naar het tarief bij plakaat
van 1622 gehuldigd ongeveer hebben moeten gelden f2 : 8 st.
en f3.
Maar in de circulatie werden zij berekend voor f 2 : 10 st.
en f 3 : 3 st. en waren dan ook weldra in zulk een overvloed
hier aanwezig, dat de overheden maatregelen begonnen te be
ramen om hen te weren.

Het Placaat van 5 Juni 1621 *) verklaarde den Zilveren


Kruisdaalder van den Aartshertog (den Patacom) voor billioen; alle
omloop daarvan werd derhalve verboden en men mocht dergelijke
stukken alleen aan de landsmunten of de beedigde wisselaars
verkoopen tegen tarief, opgemaakt naar den inhoud fijn metaal,

van iedere dergelijke muntsoort. Maar reeds in 1622 werd hij


toegelaten, hoewel op een koers van f2 : 7 st. Dit was
ontegenzeggelijk te laag zoodat men er zich niet aan hield
en herhaaldelijk tolerantie tot hoogeren koers moest worden ver

leend. *) Reeds kort daarna werd hij op f2 : 10 st. toegelaten


en dus gelijk gesteld met den Ned. Rijksdaalder, die toch + 16

a. f. z. meer inhield. Geen wonder dus dat spoedig deze Rijks


daalders uiterst schaarsch waren.

En de Ducaton, die andere indringer uit het zuiden?

Met

een inhoud fijn van 6378/4 a circuleerde hij voor f 3 : 3 st.


alsof de rekenmunt-gulden nog slechts 202.46 a. inhield,

1)

Onder ALBERTUs en ISABELLA.

") Hier Kruisdaalder of Kruisrijksdaalder genoemd.


*) Gr. Plac. boek dl. 1 k.. 2786.
*) MEEs t. a. p. blz. 69.

26

RIJKSI)AALDER EN

DUCAAT.

terwijl deze naar de Holl. munt berekend, zooals Rijksdaalder en


Leeuwen daalder, nog 214 a. f. z. zou bevatten. Aanvankelijk
dan ook verboden, ') werd hij bij placaat van 1638 *) tijdelijk
toegelaten. Hoe algemeen beide munten toen dan ook hier
waren blijkt uit de vermelding in dit placaat, dat bijna al ons
grof zilver geld er door verdrongen was.
De Nederlandsche Rijksdaalders en de Leeuwendaalders vloden,
alleen als negotiepenningen deden zij nog dienst. *)
Weldra werd de aldus noodzakelijk gemaakte toestand ook bij
de wet bevestigd. Het Placaat van 11 Aug. 1659 *) voerde
twee nieuwe Nederlandsche zilveren munten in, die echter niets
anders waren dan de Patacon, nu Zilveren Dukaat en in den

omloop Rijksdaalder genoemd, gemunt op een allooi van 0.868,


inhoudende 507 a. f. zilver en de Ducaton met den naam van

Zilveren Rijder betiteld en in de wandeling bekend als de Du


kaat, houdende 634.75 a. f. zilver met een gehalte van 0.937. *)
In vergelijking van de overeenkomende munten van Aartshertog
ALBERTUs, hielden deze stukken dus iets minder fijn zilver in.
In naam behield men nu de schatting van 1622 nl. de
Rijksdaalder f2 : 10 st., de Leeuwendaalder f2.- de
Zilveren Rijder f3.- en de Zilveren Ducaat f2 : 8 st.,
maar dit alles in zwaar geld. Uitgedrukt in de werkelijk cir
culeerende specie, courantgeld "), was de schatting aanmerkelijk
1) Gr. Plac. boek Dl. 1, tusschen 1617 en 1638 zeer vele placaten.
2)

Gr. Plac. boek Dl. 1 k. 2880.

*) Zie MEEs t. a. p. bl. 75.


4) Gr. Plac. boek Dl. 2 k. 2553.
") Van 1659 tot 1799 is voor een bedrag van f 119.216.273.45 aan
ducatons geslagen. . (zie de uitvoerige tabel vervaardigd door den heer
PoELMAN.

Bij de inwisseling in 1843/46 werd slechts ruim f 1 mill. aangeboden.


Zic Dr. A. VRoLIK ,, Verslag van al het verrigte etc. blz. 105.
") Deze onderscheiding in zwaar en courantgeld treft men alleen in
dit placaat aan.

VERBETERING DER

PASMUNT.

27

hooger zoodat de Gulden op 202 a. f. zilver kwam te staan. ')


De regeling van de pasmunt bij het placaat bleek niet afdoende
te zijn, zij verkeerde bij voortduring in een wanhopigen toestand,
en het was hoog noodig dat daarin op eenigerlei wijze werd
voorzien. Niet lang duurde het dan ook of men begon enkele
doeltreffende maatregelen te nemen.
Gestreng werden alle uitheemsche soorten geweerd, getuige
het Placaat van 17 Juni 1610, *) dat van 27 Sept. 1611 *) en
zoovele andere.

') De Zilveren Ducaat was toen 2.386 maal de rekenmunt-gulden en


had dus een waarde van 47 stuivers 11 penn., terwijl hij bij dit
placaat werd gesteld op 4S st. zwaar geld en 50 st. courantgeld.

Als een bewijs hoe wonderlijk men met de munt omsprong verdient
vermelding, dat in Zeeland, waar de rijksdaalder eveneens voor 50 st. cou
rantgeld circuleerde, de Staten bij Placaat van 11 Sept. 1672 hem stelden
op 51 stuivers. Geheel ten onrechte geschiedde dit, want noch in allooi,
noch in gewicht was de Zeeuwsche Rijksdaalder iets beter dan de gewone
Zilveren Ducaat. Een Placaat van de St. Gen. van 21 Juli 1716 (Gr. Plac.
boek dl. V bl. 997) verbood dan ook dat de Zeeuwsche Rijksdaalder in
de Generaliteitslanden hooger dan voor 50 st. zou worden aangenomen
en de Generaalmeesters der munt demonstreerden aan H. H. M., in een

breede missire van 17 Jan. 1717 het onbehoorlijke van het gedrag der
Staten van Zeeland en bewezen, uit eene beproeving van 40 stuks uit

de Muntbussen gelicht, dat de Zeeuwsche Rijksdaalder niet beter, maar


integendeel lichter in gewicht en */, grein slechter in allooi was.
Toch bleven de St. v. Zeeland bij hun besluit volharden en zelfs heb
ben zij bij Placaat van 24 Oct. 1747 den Rijksdaalder op 52 stuivers en
sedert 8 Maart 1762 (Gr. Plac. boek dl. IX bl. 843) bij waarschuwing op

53st. gesteld. (zie v. SwINDEN, Bedenkingen over het muntwezen pag. 18.)
Doch dit laatste geschiedde in verband met de circulatie van den
Gouden Ducaat tegen te hoogen koers (zie blz 38) De wisselkoers
was voor Zeeland dan ook voortdurend nominaal ongunstig.
*) Gr. Plac. boek dl. I. k.. 2930, houdende verbod om payementen

van verschillende soort, buiten de Ned. provincin geslagen, aan te nemen.


*) Gr. Plac. boek dl, I k.. 2932,

28

SCHELLINGEN.

Maar de groote winst hierop te behalen maakte den invoer zeer


aanlokkelijk en vooral van vreemde Duiten schijnt men voortdu
rend veel last te hebben gehad, althans den 18" Jan. 1658')

werd op nieuw hun omloop verboden, terwijl ook de Staten


van Holland *) en Zeeland menige waarschuwing en ordonnancie
hieraan wijdden. Een Placaat van 1670 gaf voorschriften om
trent Schellingen, Dubbeltjes en Pij/stuivers.
De voornaamste pasmunten in dezen tijd waren de Zesdhalven
5'/, , en de Schellingen 6 stuivers. Het aanmunten dezer
laatste was op het einde der 17" eeuw een algemeene liefheb
berij der muntmeesters, zoo zelfs dat zij tusschen de jaren 1688
en 1692 door alle provincin behalve Holland geslagen werden.
Reeds den 7" Aug. 1691 *) hadden de Staten Generaal weder
een verbod uitgevaardigd tot het slaan van payementen op alle
Munten dezer landen (alsmede tot het uitvoeren van muntmate
riaal) en op den 1" Dec. 1692 slingerden zij opnieuw een hunner
banbliksempjes in de wereld tegen malle muntslagen en inbrengen
van silvere platen tot het maecken van schellingen. Onnoodig
konden deze maatregelen wel niet genoemd worden want het

pasgeld dat men vervaardigde was van verdacht allooi en gewicht.


De Staten van Holland hadden dan ook reeds den 26" April
de vrijheid genomen aan dergelijke geringwaardige munt den
toegang te weigeren, tenzij zij zich in haar ware gedaante, ter
waarde van 5'/, stuiver vertoonden; een maatregel die de Staten

Generaal op den 10" April 1693 *) navolgden. *)

1) Gr. Plac. boek Dl, I k.. 3017.


*) Zie o. a. 12 Dec. 1601 Gr. Plac. boek Dl. Ik, 3018 en 27 Nov.
1685 Gr. Plac. boek Dl. I k. 659.

*) Gr. Plac. boek Dl. IV k. 662.


*) Gr. Plac. boek Dl. IV k. 674.

*) Volgens matige berekeningen waren er toen 41.600.000 stuks in


omloop hetgeen 5'/3 st. berekend ccn waarde vertegenwoordigde van
f 11.440.000.

DE GULDEN VAN 200 AZEN.

29

Spoedig daarop verschenen eenige voorschriften omtrent het stem


pelen der Schellingen en tal van waarschuwingen met het doel zich
de hulp van het publiek, tot wering dezer specie, te verzekeren.
Vijfstuiverstukken waren hier te lande slechts schaarsch en
zijn nooit als Generaliteits-munt in omloop geweest.
Als provinciale munt werden zij het eerst geslagen volgens
Publicatie van de Staten van Holland van 1692 :

,,Om een

payement te hebben hetgeen van de andere provincin zal diffe


reeren zal noch worden geslagen een vijfstuivers Penningh op
een allooi van 0.583 en 59'/, stuks in het Mark derhalve met
een gewicht van 83'/, aas waarvan 50 a. (2.4 gr.) f zilver. ')
Middelerwijl was het oogenblik genaderd waar op de Gulden,
zoolang rekenmunt, als reele munteenheid zou te voorschijn treden

en een nationaal muntsysteem zich kon beginnen te ontwikkelen.


Bij Placaat van 25 Sept. 1681 *) bevalen de Staten van Hol
land en West-Friesland den muntslag van den Driegulden en
zijn onderdeelen den twee-, n- *) en halve gulden. *)
1) ,,Alle dergelijke stukjes na 1750 vervaardigd zijn geslagen zonder
verlof der Staten en wel op zeer ongelijken voet: door sommige munt
meesters 76, door anderen 79 tot 80 stuks 'op het Mark; door

sommigen ter allooije van 6 penn. 22 gr., door anderen weder van 6
penn. 20 gr.; al hetwelk zoodanig ongenoegen bij H. H. M. verwekte,
dat er op den 11 Dec. 1759 een voorstel gedaan werd om al die stuk
ken te billioeneeren, doch de consideratin der Raden en Generaalmeesters
der Munt gevraagd zijnde, verschoonden deze de muntmeesters zoo goed

zoo kwaad en trachtten hun wanbedrijf te pailleeren, waardoor deze zaak


geen ander onaangename gevolg had en het bij een gebod om met dat
munten te supersedeeren gebleven is. Zie vAN SwINDEN t. a. p. blz. 30.
*) Gr. Pac. boek Dl. III bl. 784.
*) Deze noemde men Carolus Gulden ter onderscheiding van den

Florijn of Goudgulden later

28-stuiverstuk genoemd.

De oude Carolus werd weldra voor billioen verklaard.

*) Reeds sedert 1606 werden tien-stuiversstukken gemunt op dezelfden


voet als de toemalige Eng. schelling.

30

PLACAAT VAN 17 MAART 1694.

Het Placaat van 22 Dec. 1686') bevestigde dit nader, ter


wijl weldra de Staten-Generaal bij Placaat van 17 Maart 1694 *)
en bij Secreete Resolutie van 31 Dec. 1699, dezen maatregel voor
het geheele land afkondigden. Het 3-guldenstuk was de eigen
lijke standpenning en werd geslagen op 603 a. f. zilver, het
guldenstuk hield echter slechts 200 a. *) of 9.6153 gr. *) in en
was dus 1 a. lichter geslagen dan '/3 deel van den 3-gulden.
Deze omstandigheid, die een oogenblik doet denken aan de wil
lekeur bij vroegere ordonnancin getoond (o. a. in 1489) is hier
wellicht te verklaren door de grootere muntkosten aan het ver
vaardigen van drie een guldenstukken dan van een 3-guldenstuk
verbonden en was in geen geval van belangrijken invloed op de
waarde, daar de 3-gulden als de eenheid werd beschouwd en
dus ook den wisselkoers zou regelen.
Deze munt bleef gangbaar tot 1806. Was de aangeduide
maatregel op het einde der 17" eeuw reeds een belangrijke schrede
tot het brengen van meer eenheid in ons muntwezen, ook ver
der ontbrak het niet aan voorschriften, die van beter inzicht

getuigden,

1)
*)

al waren er dan ook nog tal van placaten, die

Gr. Plac. boek Dl. IV bl. 659.


Gr. Plac. boek Dl. IV bl. 685.

*) Zoo was dan door een proces dat zich eeuwen lang had voortgezet
de gulden van 1489 6371/s a. f. z. tot 200 a. f. z. in 1694 afgedaald.

Men zie hierover ook de ,,Bedenkingen over het Muntwezen, advies


aan Z. Exell. den Minister van Finantin in 1815 uitgebracht door
prof vAN SwINDEN,
*) Gemunt op een allooi van 11 penn. of tot de uiterste remedie,

volgens de resolutie van 31 Dec. 1699 : 10 penn. 22*/, grein = 0.9123


en een gewicht van 10.54 gr. Uit een Mark Trooisch moeten gesneden

worden 2307/as1 stuks met een remedie van 1 engels per Mark derhalve
5088 azen d. i. per stuk 219.287 a. of 2191/4 a, ruim, dus 200 a. f.
zilver.

NATIONAAL MUNTSYSTEEM.

31

uitvoer van zilver en muntmateriaal verboden. ') Maar de En


gelschen deden dat nog wel in het begin dezer eeuw en in 1847
vaardigde Spanje een dergelijk verbod uit.
In 1694 werden zes Rijksmunten opgeheven. De provinciale
munthuizen bleven echter bestaan en met hen de ongelukkige
concurrentie van de verschillende muntmeesters.

Sedert 1699 waakte het gouvernement steeds zorgvuldig tegen


vermindering van gewicht of gehalte. De rekenmunt was geen
fictie meer. Van muntverzwakking was dan ook hier te lande .
geen sprake, terwijl van 1680-1780 in Frankrijk de Lirre on
geveer 439/o in waarde verminderde. Geen placaten voor tari
feering of tolerantie waren meer noodig, onze munt was nationaal
geworden, deze alleen, met uitsluiting van alle vreemde was
wettig betaalmiddel. Zij genoot sedert dien tijd algemeen crediet
en de speciehandel was hier gevestigd. En hevig streed men
met placaat op placaat tegen den invoer van Fransche muntbrief

jes en specin. ')


mToen in 1749 *) het kartelen der Ducaten werd bevolen,
stelden de Generaalmeesters der Munt aan H. H. M. voor, bij
missive van 8 April (1749), om ten behoeve der muntmeesters
en ten einde de kosten van het kartelen te vinden, het remedie
op het gewicht der Ducaten op 1 engels 4 aas per Mark (in
plaats van op 1 engels) te stellen doch dit middel, hetwelk een
wezenlijke, hoewel zeer geringe verzwakking van den Ducaat

1) Zooals b. v. die van 1 Sept. 1701 Gr. Plac. boek Dl. V bl. 968.
van 26 Nov. 1701 ibidem bl. 970, van 23 Juni 1702 ibidem bl. 975 etc.

*) In Frankrijk was JoHN LAw zijn financiele goocheltoeren begon


nen en eenige waakzaamheid tegen zijn papierlawine was zeker niet
misplaatst.

*) Resolutie van den St. Gen. op het munten van de Gouden Ducaten
1 Aug. 1749 Gr. Plac. boek Dl. VI bl. 1108.

32

NAUWLETTENDE ZORG VOOR DE MUNT.

zoude geweest zijn, werd bij Resolutie van 10 Mei 1749 vol
strekt afgeslagen. ')
Op den 6" Mrt. 1749 *) achtten de St. v. Zeeland *) het
noodig bij placaat de circulatie van te lichte gouden specin te ver
bieden en den 31" Mrt 1749 *) vaardigden de St. Gen. een pla

1) Zie vAN SwINDEN t. a. p. blz. 19. Wat de S. er aan toege


voegd is wel zeer waar, maar niet geschikt om dezen maatregel hooger
te leeren apprecieeren:
,,De Staten deden dit met te meer reden, dat het niet mogelijk is

eenige verzwakking, zelfs in het geheim, in de munten daar te stellen


zonder dat zij ras bekend worde.

10. De goede trouw der Souvereinen brengt mede, dat de gehalte en


het gewicht der munten door publieke wetten alomme bekend zijn
en 2. al zoude men de wetten laten zooals zij zijn en de verzwakking
met een stille trom, gelijk men zegt, willen daarstellen, zoude de zaak

ras bekend worden, daar alle de speciehandelaars er belang bij hebben


om de munten te kennen en derzelver onderzoek ook gewoonlijk in
andere landen geschiedt.
*) Gr. Plac. boek Dl. VII blz. 1104.
*) Gr. Plac. boek Dl. VII blz. 1105.

*) Geheel gelijken geest ademde ook een missive van 21 Dec. 1759
door de Raden en Generaalmeesters der Munt aan de St. Gen. der Veree

nigde Nederlanden geschreven, toen er sprake was van het munten van
Z. specie van geringere intrinsieke waarde. Daarin werd er op gewezen,
dat er, behalve het frauduleuse wat er in gelegen is om geld tot hooger

prijs dan de intrinsieke waarde te doen circuleeren, groot gevaar in lag


een dergelijken maatregel te nemen, voor een republiek waar men alle
krachten inspant om zich van het verval te herstellen. Dat het de uiter
ste laagheid zou bewijzen en dat het de ingezetenen intrinsiek zou ver
armen en hun crediet onherstelbaar schokken.

Het gevolg zou zijn ,,een notabele rijzing in den wissel waardoor de
handel zeer zeker benadeeld zou worden. ,,Een levendig voorbeeld daar
van vindt men in de Pruisische Staten waar de regeering bewogen door
de streelende plans van eenen GRAUMAN, overgegaan is om de zilveren

specin 25 30% slechter te maken en waar dientengevolge dan ook

33

DE DUITEN.

caat uit tegen het bicquetteren, schrooijen en besnoeijen van


de Ned. Gouden en Zilveren Munten, het uitgeven of ontvangen
van lichte Gouden Ducaten, mitsgaders het versmelten van eenige
Nederl. Zilveren Penningen. Niettegenstaande deze inhoud wel
eenigzins bedenkelijk luidt, wat betreft de mogelijkheid van ver
vulling, zoo bleek toch uit deze en volgende maatregelen, door
de St. Generaal genomen, dat bedachtzaam overleg bij dit be
langrijk deel van staatszorg niet ontbrak.
Bij voortduring bleven de Duiten groote moeielijkheid ver
oorzaken. Zij moesten gemunt worden 75 tot 76 stuks per
Mark en dus gemiddeld 69 a (3.312 gr.) koper bevatten ');
maar in de verschillende muntfabrieken week dit eenigzins van
elkander af en bovendien waren vele exemplaren sterk afgesleten.
Meermalen lokte deze toestand dan ook klachten uit *), meer

de wissel in korten tijd van 130 Rijksdaalders tot 170 Rijksdaalders is


gestegen en nog voortdurend rijst. Zie vAN SwINDEN t. a. p. blz. 62.
Genoemde heer GRAUMAN, die langen tijd te Amsterdam had gewoond
en toen de opperdirectie over het Pruisische muntwezen had verkregen,

nam de vrijheid in zijn werkje over de constitutie der munten te Berlijn,


te vermelden ,,dat men in Holland de Gouden en Zilveren Ducaten
lichter maakte dan behoorde. Zeer terecht kwamen Raden en Generaal

meesters der Munt op tegen deze tastbare onwaarheid in een missire van
16 April 1760 aan H. H. M. Zie vAN SwINDEN t. a. p. blz. 20.
') Terwijl onze koperen Cent vr 1877 geslagen, inhield 3.845 gr.
zuiver koper.
De Duit gold 1/s stuiver of "/, cent. Daar de Duit slechts pasmunt
was kwam de verhouding van koper tot zilver hier niet in aanmerking
om de waarde te bepalen. Slechts diende gezorgd te worden, dat de

innerlijke waarde niet te hoog was, opdat de Duiten niet zouden ver
dwijnen, nog te laag, opdat niet de aanmunting in het buitenland met
voordeel zou kunnen geschieden.
*) Men zie de missive van de Generaal meesters der munt, te vinden

in de Resolutin van Holland 20 Sept. 1719 en 21 Juli 1769.


8

34

BEPERKING VAN HUN OMLOOP.

malen werd ook de invoer van vreemde Duiten door de Staten


Generaal, van in de andere provincin geslagene Duiten, door de
Staten van Holland en Zeeland verboden'), totdat bij Resolutie

van de Staten-Generaal van 13 Nor. 1769') bevolen werd, dat


in alle provincin de Duiten moesten worden geslagen tegen 75
76 stuks per Mark, zooals sedert 30 Maart 1716 ook in
Holland plaats vond. *)
Reeds in hun Placaat van 27 Oct. 1698 hadden de Staten

Generaal bevolen, dat van de Duiten niet meer dan tien stuivers

teffens zouden mogen worden aangeboden of ontvangen en 'tzelve


ook niet meer dan ns op denzelfden dag, tusschen dezelfde
personen zal mogen geschieden en dat geen fabrikeurs, werk
bazen of andere, die eenig werkvolk in dienst hebben aan dezelve
ieder week meer dan tien stuivers aan Duiten zullen mogen

betalen. Deze zeer nuttige en juiste bepaling werd in de Pu


blicatie der Staten-Generaal van 4 Augustus 1769 woordelijk
herhaald en niet ten onrechte, want het karakter der pasmunt,
hierin bestaande dat de innerlijke waarde niet gelijk is aan de
nominale, hadden deze payementstukken vrij sterk. Hun betrek
kelijke schaarschte moest hen een zeldzaamheidswaarde verleenen,
die echter geheel verloren ging zoodra de hoeveelheid zeer groot
werd. *)
-

1)

24 Mei 1769 verbod van de St. v. Holland Gr. Plac. boek Dl.

IX bl. 850.

4 Aug. 1769 verbod van de St. Gen. Gr. Plac. boek Dl. IX bl. 851.
17 Aug. 1769 verbod van de St. v. Zeeland. Gr. Plac. boek Dl. IX bl. 852.

*) Gr. Plac. boek Dl. IX bl. 853.


*) Toch scheen dit nog niet voldoende geholpen te hebben, althans
-

een Placaat van 14 Mei 1790 van de Staten van Holland is weder ge

richt tegen den invoer van vreemde Duiten. Gr. Plac. boek Dl. IX bl. 858.
*) De stukken toen zoo overvloedig werden omstreeks 1812 zeer
schaars aangetroffen; het koper was wegens geringe productie gestegen

35

NEGOTIEPENNINGEN.

Het spreekt van zelf, in aanmerking genomen den uitgebreiden


buitenlandschen handel door deze gewesten gedreven en met
het oog op de mindere ontwikkeling van het internationale
credietwezen, dat een veelvuldig gebruik werd gemaakt van
negotiepenningen. Facto hadden dan ook reeds langen tijd
daartoe gediend alle zilveren en gouden munten, die geslagen
waren zonder vermelding van waarde, waardoor het karakter van
koopwaar hen zeer eigen bleef, maar het was voor het eerst bij
Publicatie van de St. van Hol/. van 26 Sept. 1686, dat als
negotiepenningen werden genoemd, de Bank- of Pijldaalder,
de Leeuwendaalder en de Zilveren Ducaat.

Het Placaat van

de St.-Gen. van 7 Aug. 1691 ') herhaalde dit en vooral dat


van 1 Aug. 1749 *) *) sprak uitdrukkelijk van negotiepennin

gen en noemde als zoodanig alle gouden munten behalve de heele


en halve Gouden Rijders. *)
zoodat de 75 a. koper meer zilverwaarde hadden dan er in ons munt

wezen aan werd toegekend. Hun verdwijnen was daarmee verzekerd.


vAN SwINDEN t. a. p. blz. 36 vermeldt: ,,Het is nog geen drie jaren
geleden of de Duiten waren hier zoo schaars, dat winkeliers en anderen,

die er in hun bedrijf vele noodig hadden, telkens bijvoorbeeld, diaconen


en armbezorgers, als eene gunst verzochten hun de Duiten, die zij col
lecteeren zouden, tegen betaling in zilveren munt af te staan, vermits zij

in den dagelijkschen omgang er te weinig ontvingen en er gebrek was.


1)
*)

Gr. Plac. boek Dl. IV bl. 662.


Gr. Plac. boek Dl. VII bl. 107.

*) En op nieuw het Placaat van 1 Mei 1750, Gr. Plac. boek Dl.
WII bl. 11.13.

*) Aan den heelen en halven Rijder werd uitdrukkelijk het karakter van

standpenning toegekend met de waarden van f 14 en f 7 respect., ter


wijl verboden werd deze stukken tot hoogeren of lageren prijs uit te geven
of te ontvangen, te versmelten of uit te voeren. En hiermee strandden
de St. Gen. weder op eene gevaarlijke klip. Immers de dubbele stand
aard werd daardoor ingevoerd en aan het goud een vasten zilverprijs
toegekend, hetgeen geheel in strijd was met de lessen, die de ondervinding

36

NEGOTIEPENNINGEN.

Zij hadden geen vasten prijs, maar een koers die dagelijks kon
afwisselen. Het onvermijdelijk gevolg daarvan was, dat niemand
zulke specin tegen zijn wil behoefde te ontvangen. Zoo liet
ook het genoemde placaat algeheele vrijheid om, desbegeerende
Duvaten aan te nemen m mits niet anders dan wichtig en volgens
den prijs en cours van de negotie. Het werd geheel aan parti
culieren overgelaten deze specin te doen aanmaken op de lands
munten, waar zij onder toezicht, op bepaald allooi en gewicht
werden vervaardigd.
Een dusdanige vrijheid aan den handel verleend, om de waarde
en hoeveelheid van eenige muntsoorten te regelen, getuigt in
waarheid van een zeer juist en sterk opgeklaard begrip omtrent
het karakter der munt. Eerst sedert het vrije aanmunten der
negotiepenningen is dan ook ons muntwezen op een zoo vasten
voet gekomen en bevrijd gebleven van die wisselingen waaraan
het in andere landen, vooral Frankrijk zoo onderhevig was.
Welke muntsoorten ook bij ons de functie van negotiepen
ningen mogen hebben vervuld, afzonderlijke vermelding als zoo
reeds eeuwenlang gegeven had en, onder dezelfde omstandigheden, steeds

zal blijven geven.


Wel nam men een voorzichtige maatregel door te bepalen, dat alleen
voor rekening der Staten der provincie Rijders mochten gemunt worden;

maar verminderde men hierdoor al het gevaar van overvloed bij daling
van den goudprijs, wegvloeiing in geval van rijzing werd niet voorkomen

en dit laatste had juist in de volgende jaren plaats, al mocht ook een
daling van het goud gedurende de eerste helft der 18de eeuw wellicht
het tegenovergestelde hebben doen verwachten.
Een verzoek van Raden en Generaalmeesters van de Munt in 1751 aan

de Staten-Generaal gedaan, om te veroorloven dat ook de Rijders voor


particuliere rekening gemunt zouden mogen worden, werd geweigerd,

evenals een verzoek van den muntmeester van Holland om voor zijne
rekening Rijders te mogen munten, door de Staten van die provincie den
25den Juli 1761, werd afgeslagen. (Zie VAN SwINDEN redevoering in
Felix Meritis gehouden in 1808).

RIJKSDAALDER

EN

DUCATON.

37

danig verdienen zeker de Zilveren Ducaat en de Zilveren Rijder,


benevens de Gouden Ducaat. ')
De eerste, *) in de wandeling Rijksdaalder genoemd, werd
vooral veelvuldig gebruikt bij den handel op de Oostzee. *) Deze
munt in 1659 te hoog gewaardeerd, heeft gaandeweg, door

de daling der waarde van de rekenmunt, een innerlijke waarde


hooger dan hare nominale gekregen, zoodat zij ongeveer sinds
1699 geheel uit de circulatie verdwenen was en alleen als me
gotiepenning haar diensten bleef praesteeren.
De Zilveren Rijder, *) ook Ducaton genaamd kwam eertijds
veelvuldig voor en de O. Ind. Comp. maakte een ruim gebruik
van de vergunning, haar door de Staten-Generaal den 7" Oct.
1747 verleend, om Zilveren Rijders te doen vervaardigen met
den stempel der Compagnie en met de bijvoeging mIN UsUM
SocIET. IND. ORIENT. in het omschrift. *) Door de Chineezen te
1) Het groot aantal dezer specie op onze Munten geslagen levert wel
het bewijs hoezeer zij in een behoefte voorzag: van 1642-1808 werden
meer dan 57 mill. stuks vervaardigd, terwijl alleen Utrecht van 29 Oct.
1799-18 Juni 1800 er 1.386.000 afleverde. v. SwINDEN t. a. p. bl. 50.
*) Voor gewicht, allooi en gehalte zie men bl. 26.

Het allooi, in 1659 op 10 penn. 11', gr. bepaald, was volgens de


uiterste remedie, bij Resolutie van den 31sten Dec. 1699 op 10 peun. 10 gr.
gesteld, waardoor de inhoud fijn van 507.118 op 507 a. werd gebracht.
*) Van 1659-1808 werden hiervan gemunt meer dan 47 mill. stuks.
*) Ook zijn allooi onderging door de Resolutie van 1699 een geringe

vermindering en werd van 11 penn. 7 gr. op 11 penn. 5/4 gr. gebracht


(of van 635.362 a. f. op 634.75 a. f.)

*) Bij Resolulie van de St.-Gen. van 21 Dec. 1785 verkregen de be


windvoerders der O. I. C. de vergunning ,,om de zilveren standpenningen
en derzelver gedeelten, ten behoeve der compagnic, tc laten munten en
naar Indie te zenden mits dezelven met het kennelijk teeken van die

maatschappij, in den stempel gegraveerd, zullen zijn voorzien, hun verder


vrijgelaten zijnde Pijlstuivers te doen slaan, mits alvorens verlof van
H. H. M. te hebben bekomen.

. En bij Resolutie van 31 Dec. 1793 van de St.-Gen, werd ,,aan Raden

38

DE GOUDEN DUCAAT

BESCHOUWD ALS STANDPENNING.

Batavia werden zij gaarne aangenomen. Ook deze munt werd


door den loop der omstandigheden negotiepenning.
De Gouden Ducaat leverde door zijne zeer groote circulatie
hier te lande eenige moeielijkheid op. Wat toch was het geval?
Voor 1 Augustus 1749 had men alleen zilveren standpen
ningen, terwijl de waarde van eenige gouden munten bij ver
schillende placaten in zilver uitgedrukt, werd vastgesteld en telkens
verhoogd totdat o. a. de Gouden Ducaat op f 5.5 st. gesteld werd. ')

Het publiek geraakte gaandeweg in de meening, dat de Ducaat


onveranderlijk f 5.5 st. waard en wettig betaalmiddel was. Na
de zeer langdurige daling van het zilver *) trad in het begin
der 18" eeuw een rijzing in. Lang had de circulatie bijna uit

sluitend uit zilveren specie bestaan en het goud slechts in ge


ringe hoeveelheden tot vastgestelde koersen daarnaast gecirculeerd,
thans daalde dit en de Gouden Ducaten, vroeger uitgevoerd,
keerden in groote hoeveelheid terug, overeenkomstig de wet van
GRESHAM, volgens welke, in geval in een land de dubbele stand
aard geldt, steeds het metaal, dat te hoog getaxeerd is, daar
blijft of daarheen vloeien zal. Vooraan bevonden zich de afge
sleten, minwichtige stukken. *) En in spijt van placaten, die

en Generaalmeesters der Munt vergund f3, f1 en 1/3 gulden-stukken benevens


dubbele stuivers ten behoeve der Dir. v. d. Col. in West-Indi te doen

slaan zonder eenige verandering dan een bizonder tecken, opdat ieder
kon zien, dat die penningen gemunt zijn voor de W. I. Colonin.
1) Voor de volgende bijzonderheden zie men de redevoering van den
Minister van Finantin v. HALL op 19 Nov. 1847 in de 2" Kamer
gehouden, naar aanleiding van het wetsontwerp tot regeling van het Ned.
muntwezen, ingediend den 9den Nov. 1847 en tot wet verheven op den
26en November daaraanvolgend.

*) Zie de merkwaardige opgaaf van prof. v. SwINDEN t. a. p. pag. 64


waarin uit den prijs van de Gouden Ducaat en Rijder de verhouding v.
G : Z. werd berekend.

Bijlage A.

*) Omstreeks 1749 was de waarde verhouding van G : Z = 14.8 : 1.

DALING VAN

DEN GOUDPRIJS.

39

strenge straffen bedreigden, werd het volwichtige zilver uitge


voerd. De handel, die het ongerief van gouden munt, die te
hoog circuleerde, het meest ondervond, begon bitter te klagen.
Reeds in 1720 hadden de Raden en Generaalmeesters van
de Munt aan de St. v. Holl. geadviseerd om tot wering van
dit kwaad den Gouden Rijder tot standpenning te maken met een

waarde van f 14.-, daar zij meenden, dat dit voordeelig zou zijn
voor den Staat. Maar men begreep met behoedzaamheid te werk

te moeten gaan en stelde dus de deliberatin over dit punt eenigen


tijd uit. Inmiddels bleef het zilver wegvloeien en de kooplieden
verklaarden zich niet meer te kunnen redden; een advies van

hen werd door de St. v. Holland in behandeling genomen.

Op den 26" Mrt. 1749 brachten de Raden en Generaalmeesters


der munt op nieuw een advies uit, waarbij zij dat van 1720 in

herinnering brachten en zich verheugden dat toen hun raad niet


was opgevolgd. Zij verzochten nu de Staten, de goede gemeente
er op te willen wijzen, dat de Ducaten slechts negotiepen

ningen waren en dat niemand ze behoefde aan te nemen. Daarop


volgde het reeds genoemde Placaat van 31 Mrt. 1749 van de
St. Gen., dat echter weldra bleek onmachtig te zijn om het
smelten en uitvoeren van het zilver te stuiten. De gewoonte
om den Ducaat f 5.5 st. te ontvangen was te diep geworteld.
Een Publicatie van de St. Gen. van 1 Aug. 1749 creerde

nu den Gouden Rijder provisioneel tot standpenning. Im


mers duidelijk zag men, dat het kwaad was ontstaan omdat de
Dukaat consu etudine standpenning was; derhalve de kwaal
werd homoepathisch behandeld, een klein ongerief zou het

groote kwaad bestrijden. Maar de Staten alleen zouden het recht


hebben om ze te doen aanmunten; ') van standpenning, in den
1) De St. Gen, lieten de slechte Ducaten, die een allooi moesten
hebben van 0.983, smelten en tot Gouden Rijders, met een allooi van 0.917,
vermunten, om zoodoende de kosten van fineering te ontgaan.

40

WETTELIJKE MAATREGELEN.

eigenlijken zin van het woord was dus geen sprake. Het was slechts
een overgangsmaatregel, daar het onmogelijk bleek de bevolking

op eenmaal aan het verstand te brengen, dat de Dukaat slechts


negotiepenning was.
De invloed van dezen maatregel was echter niet groot; men
zie slechts de Deductie van 172 kooplieden te Amsterdam '),
waarin zij hun wensch te kennen gaven, dat de Staten uitdruk
kelijk de kracht van deze munt als wettig betaalmiddel zouden
-

ontkennen.

Daarop gaven de Raden en Generaal meesters der Munt nog een


nader advies '), waarin zij denraad bij hun 2de rapport gegeven,
herhaalden.

En de vrucht daarvan was de Publicatie en Ordon

nancie van 1 Mei 1750 *) tot redres van goudspecin en goudge


wichten, waarbij uitdrukkelijk verklaard werd, dat alleen de heele

en halve Rijders standpenningen waren, en alle andere gouden


munten negotiepenningen.
Maar ook die maatregel voldeed niet en bij Resolutie van St. Gem.
van 3 Nov. 1751 *) werd aan de muntmeesters bevolen om met
het munten van heele en halve Gouden Rijders te supercedeeren.
Den 15" Sept. 1752 5) besloten de St. Gen. dat de heele, halve
en kwart Rijksdaalders, die buiten de Vereenigde provincin ge
munt waren, in de circulatie zouden worden opgenomen. En den 28"
Nov. 1753 ) achtte zij het noodig nog weder eens bij placaat 7)
1) Ned. jaarboeken Dl. IV bl. 862. v.
*) ibidem bl. 635.
*) Gr. Plac. boek Dl. VII bl. 1113.
,,Vermits alle gouden specin enkel maar zijn penningen van negotie,
die dagelijks in cours rijzen en daalen en dus geen bepaalde prijs hebben
kunnen, soo statueeren wij etc.
*) Gr. Plac. boek Dl. VIII bl. 942.
*) Gr, Plac, boek Dl. VIII bl. 947.

*) De waardeverhouding van G. tot Z. was toen tot 14,38 : 1 gedaald.


") Gr. Plac. boek Dl. VIII bl. 949.

GEHOLPEN DOOR

RIJZING VAN HET GOUD.

41

,,het versmelten of verzenden naar buitenslands van Ned. zilve

ren standpenningen, mitsgaders het besnoeien en biquetteeren


van gouden en zilveren specin te verbieden.
De omstandigheden kwamen echter te hulp: 1. had men
toch dit door de talrijke placaten verkregen, dat vrij algemeen de
Ducaat niet meer als standpenning werd beschouwd, 2, vond
men nu een nog krachtiger bondgenoot in een geringe rijzing
van den goudprijs, ') waarbij kwam, dat men zeer voorzichtig
slechts circa 12 mill. Gouden Rijders had doen munten.

In Zeeland, waar men eveneens onder den uitvoer van de


goede zilveren munt gebukt ging, verhoogde de Staten de waarde
van den Rijksdaalder in Oct. 1747 van 50 op 52 st. *) en op
8 Mrt. 1762 *) zelfs tot 53 st. *), waardoor een verkeerde ver
houding tot de munt der andere provincin werd geboren, de
wissel op Zeeland steeds ongeveer 2 lo verschilde en voortdurend
geschil tusschen de provincin ontstond.
Uit dezen tijd dateeren de bepalingen in menig contract, dat
de betalingen in grof zilvergeld zouden moeten geschieden. Het
was ook toen dat volgens verhaal, de ontvanger-generaal vAN
BoETSELAAR, om aan zijn vrienden te toonen hoe overvloedig de
gouden munt was, hen ontving in een kamer, waarvan de vloer
geheel met goudstukken was belegd. *)
1)
*)
strijd
*)
*)

In 1754, 14.48 : 1; in 1756, 14.94 : 1; in 1755, 14.68 : 1.


Zie blz. 27 noot 1. De St. v. Zeeland handelden dus geheel in
met art. 12 der Unie.
Gr. Plac. boek Dl. IX bl. 843.
Bij Publicatie van 11 Maart 1806 weder gereduceerd tot 52 st.

(Public. uitgeg. ter Staatsdrukkerij.)

*) Na den rrede van Hubertsburg in 1763 kwam zooveel muntmateriaal


hierheen, dat men er geen weg mee wist en de Munten, niettegen

staande deze zeer talrijk waren, niet genoeg verwerken konden.


De verhouding van G. tot Z., die in 1762 als 15.27 : 1 was, viel in
1763 weder tot 14.99 : 1.

42

BANKIERSBEDRIJF.

Maar langzamerhand vloeiden de negotiepenningen weder weg en

ook de Gouden Rijders verdwenen bijna geheel, ') terwijl de


enkele, die over waren, een koers van f 15.- bereikten. Van dien
tijd af gold hier te lande feitelijk weder den enkel zilveren standaard.
Geen klachten over uitvoer van zilver werden meer gehoord, hoe
wel nog menige te lichte Ducaat zijn weg hierheen vond. Bij
Publicatie van 8 Mrt. 1760 *) bevalen de St. v. Holland aan de
ontvangers, ongerande *) Ned. Gouden Ducaten aan te nemen tegen
f'365 : 16 st. het Mark f45 : 14 st. 8 penn. het ons en f2 : 5 st.
11 p. het engels hetgeen ongeveer uitkomt op f5: 2 st. per stuk.
In de 2" helft der 17" en gedurende de geheele 18" eeuw
ontwikkelde zich ook het bankiersbedrijf meer en meer, waardoor
een groote besparing van metalen geld in de circulatie werd
verkregen, vooral door middel van de onderlinge afrekening,
die op de wijze van het Londensche Clearinghouse plaats had. *)
Van circulatiebanken was hier te lande echter nog geen
sprake. Wel bestonden zij reeds een tijdlang elders, de
Engelsche bank sinds 1694 , maar hetzij de wisselbanken *)
en de kassiers door hun bankcredieten en kassierspapier vrij wel in
') Sedert 1764 werden geen Rijders meer gemunt, in de jaren 1795
1808 verdwenen er nog vele, die waren opgespaard.
*) Gr. Plac. boek Dl. VIII bl. 956.
*) Het kartelen of kabelen der muntranden, wat men omstreeks dezen
tijd vrij algemeen begon in te voeren, was een uitstekend middel om het

snoeien te bemoeilijken.
Men zie daartoe het Placaat van 1 Aug. 1749 v. de St. Gen, Gr.
Plac. boek Dl. VII bl. 1007.; het Placaat van 14 Aug. 1750 van de
St. v. Holl. Gr. Plac. boek Dl. VII bl. 1102. en vooral Resol. v. de St.

Gen. van 3 Nov. 1760, Gr. Plac. boek Dl. VIII bl. 963, ,,om voortaan

alle Z. specie met karteling of cirkeltje aan den rand te voorzien.


*) Zie MEEs t. a. p. bl. 250.

*) Die door hun rekeningcourant-saldo's, niet ten volle door goud


en zilver gedekt, zeer zeker het verkeer belangrijk te hulp kwamen.

IN DE 18P" EEUw HIER TE LANDE.

43

de behoeften voorzagen, hetzij de politieke gesteldheid van ons land


als samengestelde staat, aan een dergelijke inrichting minder kans
van slagen bood, de proef is tijdens de republiek niet genomen.
Opmerking verdient het verder, dat hoewel ook hier te lande
de regeering waarlijk niet altijd voor een volle schatkist stond,
nooit het middel, wat elders zoo gaarne werd toegepast, is aan
gewend, nl. de uitgifte van papieren geld. ') Bestond daartegen

hier te lande een natuurlijke afkeer, achtte men een zoodanigen


maatregel in strijd met de goede trouw of heeft men wellicht
zich zacht gespiegeld aan het voorbeeld van andere landen? Hoe
het zij het feit verdient waardeering.
Wanneer derhalve de heer VAN SwINDEN in zijn meermalen
aangehaald advies zegt: ,,Ook is het gouvernement hier te lande
altijd zeer delicaat geweest op den roem der munten, dan is
dit althans volkomen van toepassing op de 2" helft der 17" en

op de geheele 18" eeuw, want welke fouten de Staten-Generaal


zoowel als de Staten der provincin ook in dit tijdperk mogen
gemaakt hebben, nauwkeurige zorg tegen muntverzwakking moet
hen als een groote verdienste worden aangerekend.
Uit een volslagen verwarden toestand groeide ons muntwezen

op tot een geregeld stelsel, dat stabiliteit bezat omdat het, ge


heel bevrijd van vreemde elementen, te goeder trouw was opge
bouwd op de bestaande munt, de Gulden, als eenheid, waarvan
de innerlijke waarde geheel met de nominale overeenkwam.
") Het papieren geld, tijdens het beleg van Leiden aldaar in omloop
gebracht, had evenals de te Haarlem veel te licht geslagen noodmunt

slechts een tijdelijk karakter. Men zie hierover Mr. C. DRONSBERG,


,,de Re Monetali 1828.

Leiden gaf in 1574 groote biljetten van 28 st. en kleine van 14 st.
uit.

Daarop stond een leeuw met een speer en een hoed, het rand

schrift luidde: ,,HAEC LIBERTATIs ERGo en aan de keerzijde stond :


,,URBEM LEIDAM SERvET DEUs.

HOOFDSTUK II.

|IET MUNTWEIEN TIJDE\N FRA\\(IIEW INVLOEI) EN ()WER||EERS(HIMG.


I7])-ISI3.
A cautious man in a new office does

not like strong measures.


W. BAGEHoT.

Indien eenmaal de historie over duizendtallen van jaren zal


kunnen beschikken, gelijk zij het thans over eeuwen doet en
dientengevolge slechts de bergtoppen van dit uitgestrekt gebied
de algemeene aandacht zullen boeien, zal men toch, voor de

geschiedenis van het oude Europa steeds het einde der 18" eeuw
als een geschikt rustpunt beschouwen om vandaar uit een terug
blik te slaan op hetgeen voor dien tijd was en zich op de nieuwe
gebeurtenissen voor te bereiden.
Want zoodra men zich verder waagt gevoelt men, dat er reke

ning moet gehouden worden met nieuwe factoren der maatschappij,


dat een andere geest de volken bezielt. Wat oud is wordt niet
meer als eerbiedwaardig beschouwd, maar integendeel als ver
ouderd ten doode gedoemd. Een nieuw leven ontwaakt, een
nieuwe stand doet zijn rechten gelden. De glans van het histo
risch verleden verbleekt, de traditie wordt van haar troon gestooten.
Een jonge en ongebreidelde kracht, door ongeoefende hand
geleid, zal het groote werk van hervormen en opbouwen vol
brengen. En de gedachte aan dat van den grond af hernieuwen

naar den geest van vrijheid, gelijkheid en broederschap is een

DE BATAAFSCHE REPUBLIEK.

45

zoo verleidelijk lokaas, dat zij alom bezielend en levenwekkend


werkt, en een ieder de hand doet uitslaan om tot die betere en

schoonere inrichting der samenleving te geraken. De tallooze


arbeiders en de rook der instortende muren onttrekken een tijd
lang zeer vele zaken aan het gezicht, slechts een bont gewemel
als in nevelen gehuld is waar te nemen. Het is als ware men
tot den scheppings-chaos teruggekeerd. En als die nevel optrekt
dan ziet men wel veel nieuws, maar of het alles verbeterd is,
dat zal de tijd leeren.
Ontegenzeggelijk veel onrecht is weggenomen en gewroken
tevens, maar als men nauwkeurig toeziet dan is het toch
-

ook duidelijk, dat zij, die thans opbouwden evengoed, menschen


zijn als zij, die de vroegere orde van zaken in het leven
riepen.
Het volmaakte is nog lang niet bereikt, van algemeene te
vredenheid is geen spoor te vinden, en daartoe zal ook wel geen
reden bestaan, en talrijke kleine wijzigingen worden noodig ge
acht, die wel eens sterk doen denken aan herstelling van datgene
wat met zooveel geweld is neergeworpen.
-

Aan de rol, die ons land bij dit alles vervulde, behoeft wel

niet herinnerd te worden. In groote trekken was het die der

lijdzaamheid.
Onze staatkundige geschiedenis trad een nieuw tijdperk in.

De prins was gevloden, een Nationale Vergadering zou de sou


vereine macht in de BATAAFSCHE REPUBLIEK uitoefenen. ' Aan

haar de regeling van duizenderlei zaken op nieuwen grondslag.


Was het wonder dat het muntwezen, van oudsher steeds een
onderwerp van groote zorg der regeering, thans niet gerekend
werd onder datgene, wat het dringendst verandering behoefde?
Meer wellicht dan op eenig ander gebied van staatszorg,
heerschte hierin reeds

eenigermate

eenheid.

De zilveren stan

daard was feitelijk geldend, hoewel ook de Gouden Rijder f14.

46

DE MUNT

IN

DIEN TIJD.

als legal tender werd beschouwd, doch hiervan kwamen slechts


enkele afgesleten en besnoeide exemplaren in de circulatie voor. ')
De Gulden van 200 azen f: zilver was allerwege de grondslag
der munt; *) waarnaast o. a. de Tweegulden, de Daalder, de
Halvegulden, de Zeeuwsche Rijksdaalder (die nog altijd 52 stui
vers gold) en de Goudgulden circuleerden. Onder de pasmunt
waren de Schelling, de mafgezette Schelling (de Zesdhalf), het
Dubbeltje, de Stuiver en de Duit de meest bekende soorten.

En al waren de stukken in den omloop veelal besnoeid en


afgesleten, al was het gewicht en gehalte van twee exemplaren
van een zelfde muntsoort niet altijd gelijk, ten gevolge van de
bewerking in verschillende muntfabrieken, waar met meerdere of
mindere nauwkeurigheid en goede trouw werd gearbeid; al liet
vooral de toestand der pasmunt, die in bonte verscheidenheid
bij massa circuleerde, veel te wenschen over, en al getuigden de
maatregelen door het bewind genomen niet altijd van juist in
zicht, toch moet erkend worden, dat het strenge toezicht door
de Staten-Generaal op het muntwezen uitgeoefend, gunstig ge
werkt had.

Geen ingrijpende hervormingen werden op dit gebied noodzake


lijk geacht en bij Publicatie van 4 Nov. 1796 bevestigde de
Nationale Vergadering zelfs een maatregel, door H. H. M. den
14" Aug. 1795 bij plakaat genomen, die in geenen deele goed
keuring verdiende. Daarbij toch was malle uitvoer van geld of

geldspecin en muntmateriaal zonder behoorlijke permissie, ver


boden. En desniettegenstaande hadden verscheiden baatzuchtige
lieden van zich kunnen verkrijgen om in weerwil van 's Lands
wetten op allerleije wegen en onder allerleije voorwendzelen, zoo

1)

De goudprijs was reeds weder 15.55 : 1.

*) De Driegulden van 603 a. f. z., in 1699 als eigenlijke grondslag


van het muntwezen aangenomen, was grootendeels verdwenen.

BELEMMERING VAN DEN UITVOER VAN EDEL METAAL.

47

wel inlandsche als vreemde muntspecin mitsgaders ongemunt

goud en zilver van hier naar buitenslands te vervoeren.


Men ziet het, de oude kwaal bestond nog steeds; geen wet
telijke verbodsbepalingen hielpen. Maar de regeering gaf den

strijd nog niet gewonnen. Zij vreesde, dat bij langdurigen uit
voer van edel metaal gebrek zou ontstaan en daardoor de handel
zou benadeeld worden. Derhalve twee dwalingen, want het
denkbeeld van gebrek aan ruilmiddel is een wanbegrip en boven
dien zal nooit de uitvoer van edel metaal langdurig kunnen
aanhouden, tenzij er ook invoer plaats heeft; immers de daling

der goederenprijzen zou uitvoer van producten, verlaging van


den wissel en metaalinvoer veroorzaken.

Werd het metaal dus

hier te schaarsch, dan zou het terstond van elders toestroomen.


En toch handhaafde de Publicatie van 1796 in hoofdzaak dit

placaat. Wel werd thans verzending van goud en zilver


binnenslands toegelaten, doch slechts provisioneel, tot opzeggings

toe, en het verbod om gemunt of ongemunt metaal naar het


buitenland te zenden bleef bestaan, tenzij men een zoogenaamd
buitenlandsch paspoort had. Om echter den handel in geldspe
cin niet te stremmen(!) werd dit voor baren en staven zoowel
als voor vreemde munt gratis en ongezegeld verleend. Maar
uitvoer of versmelting van inlandsche munt of standpenningen
werd bedreigd met een boete van f 3000.-, confiscatie van het
verzondene en daarenboven met een straf aan den lijve en zelfs,
naar exigentie van zaken, met den dood.
Belangrijke wijzigingen in de regeling van het muntwezen
stonden echter voor de deur, toen de Unitarissen door den coup
d'tat onder DAENDEL's leiding het bewind in handen kregen.
Eenheid was hun leus en het doorvoeren daarvan heeft onbe

rekenbaar goede gevolgen gehad. Eenheid van regeering, van


rechtspraak, van wetboeken; eenheid van belasting, van schuld')
1) Onder invloed van den Secretaris van financin GoGEL.

48

EENHEID VAN MUNTSLAG.

van maten en gewichten '); volkomen eenheid ook van munt.


Het beginsel werd opgenomen in de algemeene voorschriften van

de Constitutie van 1798; *) een besluit *) van het Vertegen


woordigend Lichaam van 8 Aug. 1799 *), waarbij bepaald
werd, dat er niet meer dan n Nationale Munt zou zijn,
werkende voor rekening van de BATAAFSCHE REPUBLIEK, zou
tot de verwezenlijking krachtdadig medewerken.
Volgens sommigen verviel men nu van het eene uiterste in
het andere; alle Munthuizen, die bestonden, te behouden was

ongetwijfeld te veel, maar slechts een enkel voor het geheele


land was te weinig, vooral met het oog op een geheele her
nieuwing der muntspecien, welke blijkbaar in den geest der
staatsregeling lag. Zeer zeker de kosten zouden op den duur
aanmerkelijk dalen, ook zou het toezicht op gewicht en gehalte
der af te leveren stukken gemakkelijker geschieden; m maar het
bicquetteeren zoo luidde het, zal er niet mede ophouden, want
ieder blijft meester om zijn penningen van negotie, den Ducaat
en den Rijksdaalder zoowel bij het gewicht als bij het stuk te
debiteeren. Men sla het oog op Engeland *) waar slechts een
Munt is, door het rijk gedreven, te Londen gevestigd, waar
zonder eenige kosten en met gering tijdverlies voor ieder ge
1) Zie de staatsregeling van 1798 art 59. In 1800 werd het deci
male stelsel in Frankrijk ingevoerd. Tot de ontwerpers van het plan en
tot de groote voorstanders daarvan, behoorde ook de Amsterdamsche

hoogleeraar vAN SwINDEN. Vergelijk o. a, zijn rapport van 15 Messidor


7" jaar, in de zitting van het Nationaal Instituut van Wetenschappen
en Kunsten te Parijs uitgebracht.
*) Art. 59 al. 2.

*) Voorgedragen den 3den Mei 1799.


*) , Dagverhaal der handelingen van het vertegenwoordigend lichaam
des Bataafschen Volks, Dl 5. bl. 673. Dl 7, bl. 435.

") ,,Aan dit land, hoe nijdig, hoe vijandig het omtrent ons handelt,
kan men toch, met betrekking tot het fabriek wezen het recht niet wei

geren, dat het daarin over het algemeen boven alle natin uitmunt.

49

EENHEID VAN MUNT.

munt wordt, toch worden de Guineas zoo goed als de Louis d'or,
de Pistolen, de Kroonen etc. gebicquetteerd. ')
Doch om volkomen eenheid van munt te bereiken waren heel

wat ingrijpender maatregelen noodig.


Op den 12" Februari 1800 werd door de Eerste Kamer op
nieuw een voorstel in behandeling genomen met de strekking:
1. om het Besluit van Aug. 1799 nog eens te bekrachtigen, *)
2. om den Zeeuwschen Rijksdaalder tot 52 stuivers te reduceeren,
39. om de munten, die in de BATAAFSCHE REPUBLIEK zouden

gangbaar zijn, juist te omschrijven *).


') Zoo sprak de burger-representant vAN DER MEY VAN DER LINDEN
in de Eerste Kamer der Vertegenwoordiging van het Bataafsche Volk
op 8 Aug. 1799.

Men mag gegronden twijfel opperen of de meerderheid der Vergade


ring, die dit besluit goedkeurde, een dergelijk resultaat wel verwachtte,

te meer daar het wel ten eeuwigen dage onbereikbaar zal blijven door
wetsvcorschriften het uitwegen van negotiepenningen te beletten. Om
daarin eenig kwaad te zien moet men toch al bijzonder waakzaam zijn
voor 's lands belangen.
*) Dat 6 maanden na de aanneming alle Munten, toen in de ver
schillende steden en voormalige gewesten bestaande, zouden zijn vernietigd.

*) Dit voorstel is dus belangrijk genoeg om vermeld te worden al is


het nooit tot besluit verheven.

Het bepaalt o. a.:


Dat de zilveren f 3. op den voet en het allooi zooals die volgens
de landswetten tot heden is geslagen en nog geslagen wordt, is en zal

blijven de standpenning der BATAAFSCHE REPUBLIEK.


Dat de muntslag zich zal bepalen tot de navolgende Specin:
1. in GoUD.

a. de Gouden Ducaat, negotiepenning, gaande in het Mark 70


stuks, met een remedie van een engels p. M., des dat de 70 Du
caten nooit minder zullen wegen dan 7 oncen 19 engels gealloijeerd

tot 23 caraten 8 grein, remedie uiterlijk 1 grein.


b. een gouden penning van f 20, zijnde de gouden standpenning,
17*/is stuk p. M., remedie */I e, allooi 22 car. 26 gr.
4

50

ONTWERP VAN 12 FEB. 1800.

Wat de aanmunting
betreft:
gouden
onderdeelen
en payementen
mochten
alleenstandpenningen
volgens Decreetmet
vanhun
het
Vertegenwoordigend Lichaam en voor rekening der BATAAFSCHE
REPUBLIEK worden geslagen; doch zonder voorafgaand verlof zou

het den muntmeester vrijstaan voor particulieren jaarlijks aan te


munten: 50 Mark van den gouden standpenning en zijn onder
deelen, en 100 Mark vijf- twee- en n-stuiverstukken ten
einde voor nieuwjaars- en andere geschenken te kunnen dienen.
Drie-, n- en halve-guldenstukken zouden ook voor particu
lieren worden geslagen; voor het Mark f z. zouden zij ontvan
gen f:25 : 5 stuivers, voor 10 Mark / 252 1) en wel:
c. een gouden penning van f 10 en
d.
55
,, ,, 5 naar evenredigheid van den vorige.
po

2. in ZILVER.

a. het Drieguldenstuk = 60 stuivers; 72**/as, stuk p. M., remedie


1 e, allooi 10 p. 23'/4 gr.
b. het Guldenstuk = 20 stuivers; 2307/sa1 stuk p. M., remedie
en allooi als den Driegulden.

c. het Halreguldenstuk = 10 stuivers,

remedie en allooi als den

Gulden.

d. de Ducaton = 63 stuivers; 717*/au stuk p. M., remedie 1 e,


allooi 11 p. 5*/4 gr.

e. de Rijksdaalder, negotiepenning, 82"1"/u 151 stuk p. M.; remedie


1 e, allooi 10 p. 10 gr.
(De verhouding van G: Z werd dus ongeveer aangenomen op 1 : 14.76)
-

30. PASMUNT.

a
b.
c.
d.

het Vijfsluiverstuk 603,1, stuk p. M., remedie 2 e, allooi 6 p. 20 gr.


de dubbele Stuiver 150*/ stuk p. M., remedie en allooi als voren.
de Stuiver 301.5 stuk p. M., remedie 3 e, allooi als voren.
de Duit 100 stuks p. M.

De heer DAENDELs uitte bij het debat den wensch, dat aan den Gou
den Ducaat de waarde van f 5 : 5 st., aan den Rijksdaalder die van
f 2 : 10 st. zou worden gegeven. Zeer terecht bestreed de heer HUBER
dit denkbeeld als geheel in strijd met het karakter van negotiepenningen.

1) Het Mark f, zilver 5120 a, bevatte f, zilver voor 25.60 Guldens.


w

wAARDEERING DER oMLooPENDE SPECIN.

51

*/1o in stukken van 60 stuivers,


"ho //
1/
m 20
//
'/10 m
//
m 10
f/
De aanmunting van negotiepenningen (Gouden Dukafen en
Rijksdaalders) zou alleen voor particuliere rekening geschieden.
De Zilveren Ducaat zou slechts voor 's lands rekening en
alleen tot verzending naar de kolonin worden vervaardigd.
De waarde der specin in omloop, werd aldus vastgesteld:
de G. Rijder
op f 14.de Ducaton
op 63 st.
de halve G. Rijder m m 7.de Ha/re Ducaton m 31.5 m
de Drie-gulden m m
60 st. | de Z. Rijksdaalder m 52
m
de Twee-gulden m m 40 m | de 0. Z. Rijksdaalder m 50
m
de Daalder

m m

30 m | de Goudgulden

de Gulden

20

de Halve Gulden m m
de Kwart Gulden m m

m 3)28

(gestempeld) *)

10 m
5 m

de Schelling.................op 6 stuivers.
de afgezette Schelling 1) m 5.5
//
het Dubbeltje......
... m 2
ff
-

- -

de Stuiver................... m

8 duiten.

Andere munt, hetzij binnen- of buitenlandsche zou niemand


van 200 a; aan muntloon werd dus circa f 0,40 per Mark off 1.628
per K. G. berekend.
1) In het laatst der 17de eeuw was de toestand van ons muntwezen,

tengevolge van het zeer onvoldoende toezicht op de Prov. en stedelijke


Rijksmunten, en de gebrekkige kennis en geringe bezoldiging der wara
dijns, muntmeesters, essayeurs, etc., zoo verward, dat de St. v. Hol
land den 18den April 1693 en H. H. M. bij Placaat van 11 Nov. 1693,
het noodig oordeelden de slechte Florijnen of Achtentwintigen van de
goede af te zonderen. Daartoe werden de goede van een bepaalden stempel
voorzien. Een maatregel, die eveneens ten opzichte van de Schellingen
bij Placaat van 10 April 1693 en 17 Maart 1694 genomen werd.
De ongestempelde Achtentwintigen waren na 1693 niet meer gang
baar, de ongestempelde Schellingen werden tot 51/s st. gereduceerd.

52

VERWERPING VAN

HET VOORSTEL.

behoeven aan te nemen en geen vreemde koperen munt zou


toegelaten worden dan tegen 1 penning per stuk, onverschillig
of het groot of klein was, tenzij voor negotie, dan bij het ge
wicht, maar nooit minder dan n pond tegelijk. Zilveren en
gouden standpenningen of hun gedeelten te versmelten of te
verhandelen tot hooger of lager prijs dan bij deze conceptwet
was bepaald, werd streng verboden.
Van dit geheele plan, dat eenheid in ons muntwezen zou
gebracht hebben, al bleef de hoofdgrief bestaan n. 1. de circulatie

van oude gesnoeide munt, die elke flinke hervorming verijdelde '),
kwam echter vooreerst niets.

Het ontwerp werd reeds den 14" Feb. 1800 door de


Eerste Kamer aangenomen, maar de Tweede Kamer kon er zich
niet mede vereenigen en verwierp het den 3" Mei daaraan
volgend. Wel wilde de Eerste Kamer niet berusten in de
redenen van weigering, maar de andere bleef in hare zitting van
8 Juli persisteeren. Daarop werd den 24" Juli 1801 een com
missie benoemd, tot het ontwerpen eener nadere voordracht,
welk stuk op den 17" Dec. door het Staatsbewind gesteld werd
in handen van den Thesaurier-Generaal en Raden van Finantin
om te dienen van advies.

In 1S01 waren de Federalisten er in geslaagd weder het roer


van staat te bemachtigen. Het was het sein voor een bijna
algemeene reactie, die hier uitnemend, ginds schadelijk werkte.
') De heer LEEMANs betoogde destijds in de Kamer, dat een geheele
hermunting al zeer weinig bezwaren kon hebben indien men de werk
zaamheden over 5 of 6 jaren verdeelde, telkens een half millioentje aan
muntte en daarvoor oude munt inwisselde.

De kosten zou men gemakkelijk kunnen dekken door vermindering


van het gehalte der pasmunt.

Alsof men op die wijze niet ten eeuwigen dage zou kunnen doorgaan
met inwisselen van gesnoeide munt,

PUBLICATIE VAN 19 Nov. l S01.

53

Wat de muntregeling aangaat viel echter niet aan teruggang te


denken; integendeel, door de Publicatie van 19 Nov. 1801
deed men een gelukkigen stap voorwaarts, de belemmering, door
het Placaat van 179.5 en de Publicatie van 1796 aan den uit

voer van vreemde specie en negotiepenningen gesteld, werd op


geheven; doch het verbod omtrent uitvoer van inlandsche munt
bleef nog bestaan.
In art. 18 der Staatsregeling van 1801 was het beginsel in
1798 gesteld, behouden en een algemeene wet op het muntwe
zen toegezegd.
Inmiddels bleef het vraagstuk over het getal der J/um//Zuizen
een open quaestie, waarover ernstig werd gedebatteerd, getuige
de verhandeling van den burger VITRINGA omtrent de wensche

lijkheid van een Nationale Munt te Amsterdam gevestigd,


krachtig weerlegd door den Utrechtschen muntmeester DU MAR
CHIE SARvAAs, die n de groote onkosten aan een zoodanige ver

plaatsing verbonden, n de weinige bloei, die te verwachten was


voor een landsfabriek, waar het eigenbelang van den muntmees
ter geen drijfveer meer was voor goed en goedkoop werk, en
waar de heilzame concurrentie geheel ontbreken zou, breed
uitmeette. Wie kan het wraken wanneer het eigenbelang hier
zijn invloed deed gelden?
Ook van den heer W. A. A. PoELMAN ') bestaat een uitvoe

rig advies van 10 Oct. 1802 tegen het concentreeren van alle
werkzaamheden in n Munt, *) volgens hem ware het wensche
lijk er twee te behouden.
De voornaamste argumenten voor en tegen aangevoerd vindt
men in een stuk van Raden en Generaalmeesters der Munt

') Sedert 26 April 1803 Essayeur-generaal van 's lands Munten.


*) Er bestonden destijds nog 5 Munten m. l. te Utrecht, te Dordrecht,
te Enkhuizen, te Harderwijk en te Middelburg, die te zamen van 1 Nov.
1797 31 Dec. 1802 aan Goud 133.575 Mark, aan Zilver 908.000
Mark vermuntten.

54

VERMINDERING DER MUNTFABRIEKEN.

eveneens in dien tijd opgesteld. Ongetwijfeld er bestonden te veel


Munten, die groote lastposten waren voor het land; de munt
meesters, niet aan behoorlijk toezicht onderworpen en niet alle
bekwaam genoeg om langs den eerlijken weg zich een voldoende
inkomen te verschaffen, namen vaak hun toevlucht tot fraudes
en contraren/in, de ongelijkheid van stempel en allooi werkte
vervalsching, besnoeiing en uitweging in de hand; de vrije aan
munting voor particulieren bestond slechts in naam, daar de
muntmeesters, volgens contracten met speciehandelaars, alleen voor
deze werkten en hen feitelijk een monopolie verschaften; de
jalousie der muntmeesters onderling dreef dikwijls het metaal
tot schadelijke hoogte. Maar zou nu n Munt op eenmaal alle
die bezwaren wegnemen? Zeer zeker het laatste feit, zoo het
nog bestond, zou niet meer kunnen voorkomen, ook zou het
gemakkelijk zijn te kunnen doen munten te Amsterdam, de
hoofdzetel van den munthandel, maar zou n Muntfabriek in

alle behoeften kunnen voorzien of welke uitgebreidheid zou men


haar moeten geven, en zou men meenen, dat die eene munt

meester geen monopolie verkreeg?


Van beide zijden werd met talent gestreden, maar tot een
resultaat kwam men niet.

Ook omtrent het andere vraagpunt, de regeling van den


Mun/voet der geldspecin, was nog geen beslissing genomen.
En toch eischte dit dringend voorziening. Sedert de laatste
10 jaren was de toestand van ons muntwezen sterk gewijzigd.
Had men voorheen het goud, dat alleen in negotiepenningen
vermunt werd, daardoor gemakkelijk kunnen behouden, al
nam ook de waarde van het zilver in verhouding tot het goud
steeds af, sedert het midden der 18" eeuw was de gouden
munt door het gebruik tot standpenning verheven en door
den nood gedwongen, was deze toestand later door het gouver
nement bevestigd. Doch de tijdelijke daling van den goud

KEUZE VAN STANDAARDMETAAL.

55

prijs ) die deze ontwikkeling tot een gevaarlijke dreigde te doen

worden, *) was weder vervangen door een rijzing. *) Gouden Rij


ders en Ducaten waren spoedig bijna alle verdwenen.
Had men toen de Rijders in plaats van hen wettelijk op

f14.- te willen houden, f geheel als negotiepenningen be


handeld f hun prijs in overeenstemming gebracht met de toen
malige verhouding van goud tot zilver en hen b. v. tot f 15.-,

waarvoor zij meermalen in den handel circuleerden, verhoogd ),


men ware in 1809 niet in een zoo groote verlegenheid geraakt
toen de gouden f20 en f 10 stukken waren gedecreteerd, maar
de aanmunting, bij gebrek aan muntmateriaal, niet in genoegzame
hoeveelheid kon plaats hebben om de gouden munt in circulatie
te brengen. Ook vele Nederlandsche zilveren standpenningen

waren uitgevoerd, naar onze troepen in het buitenland, gelijk


') Die gemiddeld in 1731-40 tot dien van het zilver in verhouding als
15.39 : 1 stond, maar reeds in 1741-1750 14.93 : 1 en in 1751-1760

15.56 : 1 bedroeg, terwijl de laagste prijs, 14.14: 1, in 1760 werd bereikt


en ook reeds in 1751 de verhouding was als 14.39 : 1.

*) Van 1749-64 werden gemunt 2.827.083 stuks G. Rijders en van


1749-24 45 mill. stuks G. Ducaten; maar hoewel in 1786-1790 auto

risatie was gegeven om 8 millioen G. Rijders te munten kon hiervan


wegens den hoogen goudprijs geen gebruik gemaakt worden,

*) De verhouding van Goud tot Zilver bedroeg.


in 1802

15.26 : 1

1803

15.4] :

1804

15.41 :

1805

15.79 :

1806

15.52 :

1807

15.43 :

1SOS

16.08 :

1S09

15.96 : 1

*) In 1805 toen de verhouding als 15.79 : 1 was, waren de Rijders,

met een inhoud van 189.77 a. f. goud ruim / 14.98 waard (de Gulden
200 a.), in 1809 bij een goudprijs van 15.96 : 1 zelfs boven de f 15.

56

HOOGE GOUD-

EN ZILVERPRIJS.

men beweerde; men zou echter zeer gegrond twijfel kunnen


opperen omtrent de juistheid dezer verklaring van een verschijn
sel, dat zich ook vroeger herhaaldelijk had voorgedaan en dan
gewoonlijk zijn oorsprong vond in het biequet/eeren of uitwegen
der zwaarste muntstukken.

IIet goud was gestegen en thans steeg het zilver ook, naar
het scheen, want Ducaons en Rijksdaalders konden niet aan
gemunt worden indien het zilver f 25 per l/ark kostte') en een
veel hooger prijs was tegenwoordig de gemiddelde. Maar men
vergete niet, dat deze prijs werd uitgedrukt in slechte, besnoeide
munt. Immers het is tastbaar onmogelijk, dat de zilverprijs van
het goud en de goudprijs van het zilver te gelijk stijgen. *)
Men vreesde gebrek aan binnenlandsche circulatie *) en stelde
1) De Gulden hield in 200 a. of 9.613 gr. f zilver. Uit 1 K. G.
f, zilver kon dus f 104.025 worden geslagen.

En 1 Mark (= 0.246083 K.G.) f 25.60 was dus de natuurlijke


zilverprijs; hiervan moest dan nog vervoer, assurantie, renteverlies en
muntloon worden betaald.

*)

Het Goud had in 1799 zijn hoogsten koers (15.74 : 1) bereikt,

maar bleef in deze jaren (1800-1805) toch altijd nog van 15.26 tot
15.46 varieren, dus veel hooger dan in de geheele 18e eeuw. Het Zil
ver was derhalve lager, al was nu en dan de tendenz iets beter, en de

prijs steeds boven de 61 pence per ounce standard. zie SoETBEER t. a. p.


blz. 130.

*) Een vrees, die geheel ongegrond moest zijn; immers zoo spoedig
cenige schaarschte ontstond zou de zeldzaamheid een tegenwicht leveren

voor de besnoeiing en de werkelijke waarde alzoo aan de nominale gelijk


worden. De toen bestaande toestand bewees hoezeer de 5 Munten te
veel waren voor ons land. Want men denke niet, dat de muntmeesters
alleen dan muntten wanneer de metaalprijs eenig voordeel toestond ; de
stedelijke regeeringen van Kampen, Enkhuizen etc. waren gewoon zoo

zeer belang in de werking hunner muntfabriek te stellen, dat zij gaarne


een hooge premie voldeden aan den producent.
Het Uitvoerend Bewind schreef dan ook de omstandigheid, dat her

haaldelijk het materiaal in waarde boven de specie stond, toe aan de

ONTWORPEN MUNTVERZWAKKING.

57

het oude middel, muntverzwakking voor. Zoo heeft er telkens


slechts een herhaling plaats van datgene wat vroeger geschied is.
Dit waren de gevolgen der verwaarloozing van de wijze lessen
der historie. Het voorstel had zulk een onschuldig aanzien:
door een geringe verandering in het gehalte van het drie- en het
n-guldenstuk ') zou de muntslag mogelijk worden tot op een
zilverprijs van f25 : 10 : 7. Deze nu daalde sterk in 1802,
van f 26 f26 : 2 en f26 : 4 tot op f:25 : 14 en f:25 : 12.
Ook zou een kleine verzwakking van den G. Rijder voldoende
zijn om wellicht f8 12 mill. van deze munt te kunnen slaan
als gouden standpenning, tenzij men het decimale stelsel wilde
huldigen en een gouden f:20, f 10, en f5 stuk invoeren. ')
Terwijl aldus heel wat adviezen en rapporten werden geschre
ven bracht men niet veel anders tot stand dan de fabrikatie van

een ontzaglijk aantal duiten voor Ned. Indi*). En de jaren


1803 en 1804 gingen zonder eenig resultaat voorbij.
Den 1" Mei 1805 werd, ingevolge art. 48 der nieuwe staatsre
groote hoeveelheid munt, de Raden en Generaalmeesters der Munt zochten
de oorzaak ,,in de groote aftrek van negotiepenningen en de klimmende

markten in het handeldrijvend Europa.


1) Respectievelijk van 11 penn. 1 grein en 11 penn. op 10 penn.
23 grein en 10 penn. 22 grein.

2)

Raden en Generaalmeesters der Munt teekenden echter protest

aan tegen deze muntverzwakking evenals tegen het plan om den Zeeuwschen

Rijksdaalder, in de vorige eeuw zoo onwettig verhoogd, in alle provin


cin slechts als voor 50 st. gangbaar te verklaren.

*) De Raad van Asiatische Bezittingen had van het staatsbestuur de


vergunning gekregen om dergelijke munt te doen slaan, en had met den
fabrikant DE HEUs te Amsterdam een contract gesloten tot het leveren .
van een zeer groote hoeveelheid, die weldra dan ook op de Munten te
Kampen en Enkhuizen geslagen werd.

Grove misbruiken gaven aanleiding tot het ontwerpen van een Regle
ment wegens den Muntslag der Asiatische Bezittingen.

GoGEL, SECRETARIS VAN FINANCIN.

5S

geling, het Collegie van Thesaurier-Generaal en Raden van finan


cin vervangen door een Secretaris van Staat van finantin.
De keuze, die de Raadpensionaris deed was ongetwijfeld een ge
lukkige. GoGEL, de eerste financier van zijn tijd, aan wiens be
kwame handen in 1801 de leiding was ontnomen, trad thans
weder in deze betrekking op. Doch waar zoo ontzaggelijk veel
zaken voorziening behoefden, waar bovendien de eene regeering
nauw gevestigd was of zij werd door een andere vervangen, daar
schijnt zelfs hij geen gelegenheid gevonden te hebben om spoe
dig zijn aandacht aan de muntzaken te wijden. ') Uit de con
stitutie was elke bepaling omtrent het muntwezen verdwenen.
De Raadpensionaris was slechts de wegbereider voor het monar
chale bewind.

In 1806 werd LoDEwIJK NAPoLEoN Koning van Holland,


de schijn van onafhankelijkheid bleef behouden, er was zelfs nog
een vertegenwoordiging, maar de Fransche invloed nam steeds toe.

Was dit wellicht de reden dat er meer tot stand gebracht


werd?

De nieuwe constitutie zelve gaf in art. 37 slechts een

uiterst schraal voorschrift:

mde munten van staat worden met

de Beeldtenis van den Koning geslagen, maar om dit op te


volgen waren toch vele werkzaamheden noodig, waaromtrent
tusschen GoGEL en den Utrechtschen muntmeester herhaaldelijk
werd gecorrespondeerd.
De inhoud van een Koninklijk Decreet van 17 Sept. 1806 *)
geleek veel op dien van het ontwerp van 1800.
Het bepaalde n. 1. dat er n muntgebouw voor het geheele
1) Het eenige wat de gemoederen eenigzins in beweging bracht was
het in omloop brengen van gereduceerde Schellingen (zie boven) tegen
den vollen koers van 6 st., beproefd door een koopman uit ULSEN
(BENTHEIM).
*) Door den Minister den 1sten Juli 1806 voorgedragen en door LoUIs

NAPoLEoN, door de gratie Gods en de Constitutie des Koningrijks,


Koning van Holland, na den Staatsraad te hebben gehoord, vastgesteld.

DECREET VAN 17 SEPT. 1806.

59

koninkrijk zou zijn (art. 1), zoo spoedig mogelijk te Amsterdam te


vestigen (art. 2) en dat met 31 Dec. 1806 voor altijd alle de
muntgebouwen welke in het Koningrijk aanwezig zijn, worden
gesupprimeerd (art. 3) terwijl op hetzelfde tijdstip ook zullen ophou
den de werkzaamheden der muntmeesters, muntgesellen en verdere
bedienden, gelijk mede cesseren zullen de tractementen, appoin
tementen, vrijdommen van lasten en beneficin waarvan zij het
genot gehad of alsdan zullen hebben (art. 4). ')
Dat mde aanmunting van gouden muntspecin zoowel als van
kleine specin of payementen nimmer zal mogen geschieden dan
op last en voor rekening van het gouvernement (art. 5), met
uitzondering van de bekende 50 Mark in gouden en 100 Mark
in kleine specie (art. 6). De waarde der munt (in art. 7 vast
gesteld) was juist dezelfde als bij het ontwerp van 1800 *), doch
nu werden de Gouden en Zilveren Dukaten tot negotiepenningen *)
(art. 8), de Rijksdaalders tot standpenningen verklaard.
Dat niemand meer dan '/, van eenige betaling in 28-, 6
of 2-stuiver-stukken, niet meer dan f1 aan duiten of een be
taling in andere dan de aangewezen munt, behoefde aan te nemen

(art. 9) en dat het verboden was, vreemde koperen munt, groot


of klein, voor meer dan '/, luit te ontvangen, tenzij in geval van
') Een maatregel, die in de uitvoering zooveel onbillijkheid bleek mee
te brengen, dat, hoezeer de geldmiddelen van het land in geen bloeienden

toestand verkeerden, toch bij verschillende resoluties toelagen en jaargel


den werden vastgesteld voor de aldus getroffen ambtenaren.

Uit de

briefwisseling tusschen GoGEL en PoELMAN blijkt hoezeer de eerste bil


lijkheid met bezuiniging wenschte te vereenigen.
2) Zie blz. 49-51.
*) Een K. B. van 21 Sept. 1806 stelde nogmaals vast, dat de G.

en Z. Ducaten zouden zijn negotiepenningen met uitsluiting van alle


andere, dat de muntslag hen slechts het verlangde bewijs van echtheid
geven kon, dat zij derhalve niets gemeen hadden met de standpennin
gen, de eigenlijke munt des rijks, en dat er geen verandering in gehalte
of stempel zou plaats hebben,

60

NIEUWE

KONINKLIJKE MUNT.

verkoop bij het pond (art. 10). Dat het verhandelen tegen hoo
geren of lageren koers of het versmelten, van de koninklijke
munten verboden was (art. 11). Terwijl de beide laatste artikels
gewijd waren aan de beschrijving der stempels ') en het besten
digen der straffen bedreigd op munt misdrijven.

De finale uitvoering van dit Decreet werd nochtans den 29"


Sept. 1806 opgeschort totdat de pointen van wetgeving tot de
inrigting van het muntwezen relatif, bij de vergadering van
H. H. M. zouden zijn gearresteerd.
Maar het was volstrekt niet de bedoeling van LoDEwIJK NA
PoLEON, noch van zijn minister GoGEL om de oude Generaliteits
munten te behouden. De Koninklijke Munt zou nieuwe, Konink
lijke munt slaan.
Een Besluit van 15 Dec. 1806, om 1. Jan. daaraanvolgend
in werking te treden, bepaalde, dat als nieuwe specin zouden
geslagen worden,
-

als GoUDEN STANDPENNINGEN:

de Gouden Penning van f 20, gaande in het Mark 18 stuks,


geallooieerd uiterlijk op 22 karaat goud en 16 grein zilver,
zonder remedie;

de Gouden Penning van f 10, vervaardigd in evenredigheid


van den voorgaande;
als ZILVEREN STANDPENNINGEN:

het stuk van 50 stuivers, de Gulden en de Halve Gulden


') m. l. ,,de beeldtenis des Konings met het omschrift: LoDEwIJK DE

EERSTE, KoNING VAN HOLLAND en op de tegenzijde, het wapen van het


Koningrijk, op de rand ter dikte van het stuk en in de ronte ,,SIT
NOMEN DONINI BENEDICTUM.

Hierin werd bij K. B. van 2 Jan. 1807 een geringe wijziging gebracht:
de insnijding in den rand zou achterwege blijven totdat de inrichting
van de Koninklijke Munt te Amsterdam zulks zou toelaten, voorloopig
zou hij, als gewoonlijk, gecarteleerd worden.

NIEUWE KONINKLIJKE MUNT.

6I

vervaardigd in evenredigheid van het gewicht en het allooi van


de bestaande guldens. ')
Het K. B. van 2 Jan. 1807 stelde f 10.000 beschikbaar als
mogelijk verlies op de munting van '/, millioen gulden in specie
hetzij goud of zilver.
In het begin van 1807 ontwikkelde zich een breedvoerige
1) Volgens Instructie op de nieuwe Koninklijke Holl. muntspecin,
naar de Decreten van Z. M. van 17 Sept. 1806 N. 18, 26 Dec. 1806
en 2 Jan. 1807 N0. 19, vastgesteld den 12den Feb. 1807 (N". 7), woog
de gouden standpenning van f 20, (bepaald op 18 stuks in het Mark en

op een gehalte van 22 kar. g. 16 grein z.), 8 e, 28*/, a. en hield dus


in 260/4 a. f. g. De gouden standp. van f 10 bevatte 4 e. 14*/o a. f. g.

De nieuwe zilveren standpenning van 50 st. 9"8/1754s stuks per Mark,


woog 17 e. 47/32 a.

de Gulden van 230111/1ibas stuks per Mark woog 6 e. 272*/so a. en


de halve Gulden van 46*/11g is stuks p. Mark 3 e. 13103/1oo a.

alles op een gehalte van 10 penn. 22*/4 gr. zonder eenig remedie, doch met
deze bepaling, dat de gouden standpenningen, die meer dan l a. en de
zilveren van 50 st., die meer dan 3 a., die van 20 st., die meer dan 1 1/2 a,
en die van 10 st., die meer dan 1 a. te licht of te zwaar werden bevonden,
niet zouden mogen worden afgeleverd.

De muntmeester zou voor het goud aan het rijk betalen 91/3 /o boven
de ordinaire prijs van f 355 per M. f. dus f 389, te voldoen in gouden

f 20 en f 10.- terwijl bovendien de 16 gr. f. Z. en ,,het halve Sleyschat


(een heerlijk recht der schatkist) den lande competeerende te zijnen
laste zouden komen.

Voor het zilver zou hij per M. fijn betalen:


f 25 : 6 st.
, 25 : 5

in

50 st. stukken

,,

75

20 ,

, 25 : 4'/, ,,

,,

10 ,

,,

Dit werd gewijzigd bij K. B. van 18 Feb. 1808, zoodat de munt


meester per M. f. z. zou moeten leveren in stukken van 50 st. en 20 st.
f 25 : 5 st. zoo de stukken van 10 st. niet meer dan 1/s bedroegen, doch

in stukken van 10 st. alleen f 25 : 4'/2 st.

62

INRICHTING

DER MUNT TE AMSTERDAM.

correspondentie tusschen den Minister, den Essayeur-generaal e. a.


over den nieuwen muntslag, de stempels etc. Sedert 1 Jan. van
dat jaar stonden alle Munten stil '), alleen was die van Utrecht
volgens Besluit van 17 Oct. 1806 gecontinueerd *) totdat de

Koninklijke Munt te Amsterdam gereed zou zijn. Wel hadden


de wethouders daar reeds op 7 Oct. 1806 het Nieuwe magazijn
en de Zeilenmakerij van de gewezen Oost-Ind. Comp., gelegen
op Oostenburg, aangeboden, maar een doelmatige inrichting

hiervan, aan den heer HoLTHREY opgedragen, eischte zeer veel


tijd. *) En vooral het snijden der nieuwe stempels, dat deze op
zich genomen had te doen uitvoeren, bleek een uiterst moeilijk
werk te zijn; het ging althans niet voorspoedig. Uit het K. B.
van 12 Febr. 1807 blijkt dan ook, dat men het wenschelijk
1) Een K. B. van 19 Jan. 1807 permitteerde ,,den gemployeerden
en bedienden van de beide Munten te Hoorn en te Kampen, provisioneel
en tot nader order, door te gaan met munten van koper geld voor de
O.-Ind. Colonin. Van 10 Jan.-31 Dec. 1807 werden te Hoorn ver

munt 30179 pond koper 162 Duiten per pond, te Kampen 6760 pond;

het koper was destijds duur en het bedrag dan ook gering.
*) Doch ook daar was men tijdelijk beperkt tot aanmunting van
negotiepenningen. De heer PoELMAN, wien deze stilstand van zaken
niet beviel, had zich daaromtrent tot den minister gewend, maar ontving
in antwoord het volgend eigenhandig door GoGEL geschreven briefje, ge
dateerd Dec. 1806:

,,Ik kan niet anders op de vraag des heeren PoELMAN antwoorden

dan dat er thans geene werkzaamheden kunnen plaats hebben tot het
munten van Guldens, zo lang de bepalingen wegens dit onderwerp niet
tot stand gekomen zijn. - Alsdan moeten nog eerst de stempels ver
vaardigd worden. Met verzekering mijner hoogachting
(was geteekend) GoGEL.

*) Genoemde heer schijnt niet zeer berekend te zijn geweest voor


zijn
aan
van
van

taak, althans in een brief van den Utrechtschen muntmeester SARvAAs


den heer PoELMAN wordt gezegd, na melding te hebben gemaakt
een verzoek dat de heer HoLTHREY zou doen om voorloopig Guldens
60 st. te slaan, ,,enfin ik laat hem maar haspelen.

WIJZIGING

IN

DE MUNTSTEMPELS.

63

achtte den waardijn, den muntmeester en den essayeur van


Utrecht op de nieuwe instructin den eed te doen afleggen.
Eindelijk den 30" April 1807 waren de stempels voor de
50- en 20-stuiverstukken gereed, maar zij waren niet zeer fraai,
en toen nu bij Decreet van 29 Mei 1807 een kleine wijziging
werd gebracht in het uiterlijk der nieuwe muntspecin, werden
de overige stempels, te gelijk met de nieuwe werktuigen voor
de Munt, te Parijs besteld. Een K. B. van 17 Dec. 1807')
stelde hiertoe een som van f 50.000 beschikbaar. In afwach

ting, dat het een en ander spoedig gereed zou zijn, verbood
een Koninklijk Decreet van 11 Febr. 1808 n. 4 verder het
gebruik der oude stempels. Ook de muntslag der Gouden en
Zilveren Ducaten zou eenigzins gewijzigd worden, *) doch zonder
eenige afwijking in gehalte of gewicht.
*)

Dcision du Roi: ,,Nous autorisons notre Ministre des Finances

faire venir de Paris les Balanciers et Instrumens ncessaires en double

ainsi que les Types et Poinons manquants, afin de pouvoir faire paraitre
la nouvelle monnaye etc.
*) ,,Aan de eene zijde voerende 's Konings beeldtenis met gelijk om
schrift als op de standpenningen en op de wederzijde een geharnasten
man met het omschrift: EENDRAGT MAAKT MACHT.
Men vindt hier en daar vermeld, dat deze nieuwe Ducaten zoodra

zij met het borstbeeld van LoDEwIJK gemunt werden niet meer hetzelfde
vertrouwen genoten als hun voorgangers, zoodat reeds het volgend jaar
de oude stempel weder moest worden gebruikt. Prof. v. SwINDEN zegt

dienaangaande: ,,is dit werkelijk zoo geweest, dan was het nochtans
ten eenemale ongegrond, wellicht sproot de moeielijkheid of de achter
docht alleen hieruit, dat die Ducaten kleiner waren in diameter, gevol

gelijk ook dikker en daardoor minder buigzaam dan de oude.


Werkelijk achtte de Koning het noodig bij Besluit van 7 Nov. 1808 n". 21
te verklaren, dat de oude muntslag der Holl. Ducaten aantoonde de federa

tieve regeeringsvorm en dus onmogelijk kon behouden blijven, al was men ook
met den wensch bezield zoo min mogelijk te veranderen; en dat de nieuwen
Ducaten in gewicht en gehalte zeker niet ongunstig afweken van de oude.
Van terugkeer tot den ouden muntslag in 1809 blijkt echter volstrekt

64.

VOORLOOPIG BEHOUD

DER MUNT TE UTRECHT.

Bij ministriele missive van 26 Maart 1808, in overeenstem


ming met 's Konings mondelinge bevelen, en bij K. B. van
7 Nov. onderging op nieuw de gedaante der munt een ver
andering. ')

In 1808 en ook in de eerste helft van 1809, werden bijna


uitsluitend Gouden Ducaten gemunt, waarnaar de aanvraag dan

ook buitengewoon groot was. Het goud steeg sterk in waarde ')
en deze negotiepenningen werden tot zelfs boven de f 6.
afgeleverd en verzonden. *) Er viel dus vooreerst niet te denken
aan het slaan der nieuwe f 20 en f 10 stukken. De strem
ming van den handel op de Oostzee maakte, dat aan Rijksdaalders
geen behoefte bestond.
De voorgenomen inrichting van de Koninklijke Munt te Am
sterdam leverde intusschen zooveel bezwaren op, dat bij K. B.
van 14 Febr. 1809 o. a. bepaald werd, dat de Munt vooreerst
te Utrecht zou gevestigd blijven. Hier was men steeds ijverig
aan den arbeid geweest, zoodat er in dat jaar 1.953.280 stuks
niets, waarschijnlijk is deze meening voortgesproten uit het Kon. Decreet
van 23 Jan. 1809 waarbij met alteratie van dat van 11 Feb. 1808 n". 4

werd vastgesteld dat de Ducaten en Rijksdaalders zouden worden ge


slagen naar de modellen der andere munten van het rijk, zooals ze waren
bepaald bij Decreet van 17 Sept. 1806 No. 18 en bij modificatie daarin,
door het Decreet van 2 Jan. 1807, gebracht.

') In plaats van het geadopteerde randschrift om 's Konings beeldtenis


NAP. LoDEw. I KoN. v. HoLL. zou worden gestempeld LoDEw. NAP.
KoNING v. HoLLAND.

*) De verhouding van Goud tot Zilver was in:


1805 gemiddeld 15.79 : 1
vs

1806
1807

25

15.52 : 1
15.43 : l.

1S08

95

16.0S : 1

92

*) De verandering in den stempel leverde nu geen zwarigheid meer


op, de aanvragen uit het buitenland waren zelden sterker.

DALING VAN DEN GOUDPRIJS.

65

Gouden Ducaten, gemiddeld f 5 : 15 st., dus voor een waarde


van f 11.231.360, werden afgeleverd. ')

Bij voortduring trok Frankrijk zeer veel zilver *) zoodat hier


te lande niet te denken viel aan het munten van commercie

of standpenningen. *)
Hierin kwam echter bij den aanvang van 1810 eenige wijzi
ging. Na den vrede met Oostenrijk keerden vele Ducaten uit
Duitschland terug, de goudprijs was gedaald, het K. G. fijn
deed thans nog gemiddeld f 1615 f 1630 ), wat een verhou
ding tot het zilver van ongeveer 15.60 : 1 aanduidt *) Een

daling tot f 1575 p. K. G. zou aanmunting der koninklijke


gouden standpenningen mogelijk maken. *)
1) En in het geheel van 10 Juni 1808-31 Juni 1810 33.866 Mark
70 stuks p. M., dus 2.370.620 G. Ducaten met 's Konings beeltenis
werden vervaardigd.
*) D. w. z. onze volwichtige grove specie werd uitgevoerd en tot
5-francsstukken vermunt.
*) Mededeeling van den ess.-gen. PoELMAN aan den min. v. in. APELLIUs.
*) Langen tijd werd hier te lande de goudprijs opgegeven in een

aantal percenten boven een fixum van f 1442.60 per K.G. fijn. Tijdens
dit gebruik, dat tot in onzen tijd aanhield, sprak men steeds van het agio
van het goud, daarmee aanduidende dat het K.G. zooveel meer gold dan
f 1442 60. Waar de verhouding tot zilver sedert eeuwen niet beneden
de 14.4 : 1 gedaald was, sprak men dus steeds van dit agio dat even

wel niets dan een schijnbaar agio was. Zoo deed het goud in 1810 12
13 /, agio.
*) Die verhouding was volgens SoETBEER in 1808 16.08 : 1 en in
1810 gemiddeld 15.77 : 1, maar daalde in 1811 tot gemiddeld 15.53: 1.
*) Toch is het aantal f 20 en f 10 stukken in 1808 en 1810 gesla
gen zeer onbeduidend geweest. Slechts ongeveer 9 Mark werd voor proeven
verwerkt en daarvan werden nog vele stukken als defect weder versmolten.
De waardeverhouding van het goud tot het zilver had men dan ook
aangenomen als 15.5 : 1, hetgeen toen te laag was, op de open markt

was de verhouding 16.0S 15.77 : 1 ; bij aanmaak ware dus versmelting


onvermijdelijk gevolgd.

66

OMLOOP VAN SLECHTE SPECIE.

Het schijnt dat de wisselkoers toen een tijdlang gunstig voor


ons was, althans zoo is wellicht de mededeeling in het rapport
van den inspecteur-essayeur-generaal aan den minister v. financin
op te vatten van den 11" van Grasmaand 1810: dat ook het
zilver lager was en waarschijnlijk nog meer zou dalen.
Maar het bleef een hopelooze zaak om wichtig Hollandsch geld
in omloop te willen houden, zoolang daarnaast het oude, be
snoeide bestond. De Guldens, waarvan er slechts weinige werden
geslagen, en de 50-stuiverstukken, waartoe in 1808 en 1810
273058 Mark zilver werd vermunt 1), waren weldra zeldzaam
heden, potstukken, of zij verdwenen in den smeltkroes, omdat
zij meer zilver bevatten dan de gewone specie van dezelfde
nominale waarde *), waarvan zulk een groote voorraad aanwezig
was, dat WARIN in S 140 van zijn mBedenkingen de aanmaak
daarvan in het buitenland, als hoogst waarschijnlijk voorstelt. *)
Inmiddels was bij tractaat Noord-Braband, Zeeland en de
Ook het getal koninklijke Rijksdaalders, dat geslagen werd, was
uiterst gering.

1) Van 1 Jan. tot 31 Oct. 1808 werden hiervan 1.765.750 stuks


geslagen uit 189.072 Mark.

*) CoRvER HooFT in de zitting der 2de Kamer van 14 Maart 1839.


*) ,,Is er wel iemand ligtgeloovig genoeg, zoo luidt het daar ,,om
te denken, dat in eenig ander land, alwaar het vervaardigen van Ne
derlandsche munt niet verboden is, nooit lieden knap genoeg zouden ge
weest zijn, om stempels tot het slaan van zesdhalven, van achtentwintigen

en van andere Nederlandsche munten te vervaardigen en behoudens het


zelfde gehalte en gewicht als onze gangbare munten hebben, er bij dui
zenden van te slaan, die nieuwe munt in een opzettelijk daartoe inge
richte machine te schudden ten einde dezelve te doen slijten, gelijk oude
munt gesleten is, vervolgens er vuiligheid op te brengen, gelijk er op
de oude munt kleeft, en dan die munt, welke eren goed is als degene,
met welke men dagelijks van 's lands wege betaald wordt, hier te lande in te voeren en in betaling te geven.

TARIEF VAN 11 APRIL 1810.

67

Betuwe aan Frankrijk afgestaan en had de Keizer den 11"

April 1810 een Decreet voor Walcheren uitgevaardigd waarbij


de specie werd getarifeerd: het Hollandsche Twintig guldenstuk
werd gesteld op 40.60 francs, hetgeen, daar de toenmalige wis

selkoers gemiddeld was f57 de 120 francs of 9'/, stuiver de


franc, uitkwam op f 19 : 6 stuivers, zoo werd de Gouden
Ducaat gesteld op 11.42 francs of f5 : 8'/, stuiver;
de Rijder
op 28.44 francs en dus f 15 : 10 stuivers.
het 3-guldenstuk m 6.09 m
m m m 2 : 18
//
het 2'/,
m
m
5.08
m
m m m 2 : 8'/,
//
de Gulden

2.03

//

//

//

19

f/

de

//

5.28

f/

//

//

If

2 : 10

ff

f/

5.28

fy

ff

f/

2 : 10

//

Z.

Rijksdaalder

de gewone

de Schelling

0.58

ff

//

de Stuiver

0.09

//

//

//

de Duit

0.01

//

//

f/

5'/,
13'/,
11/,

//

penning.
//

Een ongunstige waardeering derhalve, hetgeen vooral 'gevoeld


werd door de aanwezigheid der Fransche troepen, die met
Fransch geld betaalden.

Op advies van den inspecteur-essayeur-generaal besloot Koning


LoDEwIJK in het hem nog overgebleven land geen algemeen tarief
voor de Fransche specie vast te stellen, omdat 1. het op koers stellen
van vreemde specie altijd nadeelig is en 2. bizonder in dit geval waar

Frankrijk zeker voor zijn munten een hoogen koers zou eischen. ')
') Getuige het tarief reeds in Feb. 1810 door den burgemeester van
Dordrecht in overleg met den daar aanwezigen Franschen bevelhebber
opgemaakt, waarbij
de Franc werd gesteld op
de Lirre

my

de Ecu de 6 Lirres ,

de

5-francs

de 20-

,,

de Louis d'or

91/3 st.
9'/2 ,,

59

, f 2 : 16
,, , 2 : 7'/s

99

23

,, ,,

, l1 :

9 : 10

,,

68

WAARDEERING DER FRANSCHE MUNT.

Liever gelastte hij den rijksontvangers:


het 20-francsstuk aan te nemen f9 : 8 stuivers.
het 5-francsstuk f 2 : 7 stuivers.
de Louis d'or
m m 11 : 2
m
(mits volwichtig.)
de Ecu de 6 livres m m
de Franc

2 : 15

m 9 st. :

en

5 penning. ')

Deze maatregel kon echter slechts van zeer korten duur zijn;
want den 1" Juli 1810 deed Koning LoDEwIJK afstand van
den troon en weldra volgde de vereeniging van ons geheele
Vaderland met het Fransche Keizerrijk. De laatste band van
historische traditie, die het heden aan het verleden bond werd

losgerukt. De Fransche staatsregeling zou hier gelden en tal


van wetten en besluiten, werden executoir verklaard. *) Onder
die menigte bevond zich ook de beroemde Wet van 7 Germ.
an XI (28 Mrt. 1803) *) over het slaan en versieren der mun
ten. Zij kreeg wetskracht: echter in dien zin dat de inlandsche
munt in de circulatie bleef toegelaten, volgens een bepaald tarief
in frames gewaardeerd. Voor de vereenigde departementen van
1)

De Napoleon van 40-francs was niet meer waard dan f 18 : 81/,

st, schaars, in verhouding tot het Holl. goudstuk van f 20; het 20
francsstuk slechts f 9 : 3 st., het 5-francsstuk, naar den muntprijs van

het goud f 2 : 5/, st., naar onze gulden f 2 : 62/, st., de Louis d'Or
f 11.- en de Eeu de 6-francs f 2 : 14 st.
*) Bij Keizerlijk Decreet van 8 Nov. 1810 voor de departementen
des Bouches du Rhin et de l'Escaut en voor dat van Breda, maar bij
Decreet van 6 Jan. 18ll, met een additie van 19 April van dat jaar,
over alle 9 de departementen van Holland uitgestrekt.
*) Bulletin des Lois n. 265; RoNDoNNEAU Dl. III bl. 68.

Ook de loi relatire aux pices d'or et d'argent rognes ou alteres,


du 14 Germ. an XI (4 April 1803) Bull. des Lois n. 265.

Titre VIII de la loi sur les Finances de 5 Ventote an XII (25 Febr.
1S04) Bull. des Lois no 345.
Titre VII de la Loi relatire au Budget de l'Etat, en nog enkele
andere.

TARIEVEN VAN 18 EN 30 AUG. 1810.

69

de Zuidel. provincin en van den linker- Rijnoever ') geschiedde

dit bij Decreet van 18 Aug. 1810 *), voor de Noordelijke


departementen bij tarief van 30 Aug. 1810.

Het eerste stelde, evenals in April voor Walcheren, den Gul


den op 2.03 francs en berekende daarnaar de waarde van alle
muntstukken, *) zonder dat voor de gouden munt rekening werd
gehouden met de waarde van het goud. Zoo werden b. v. de
geheele en halve Gouden Rijders op 10 April en 18 Aug. ge
waardeerd op 14 en 7 maal 2.03 francs; bij het tarief van
30 Aug., op 14 en 7 maal 2.10 francs, (waarop de Gulden
toen werd gesteld.) Deze prijs kwam juist overeen met den wis
selkoers van f 57 de 120 francs en diende nu ook tot grond
slag voor de tarifeering van den Gouden Ducaat, die op 5 1/4
maal dit bedrag, of 3 st. 12 penn. lager *) dan bij het vorige
tarief, werd berekend. *)
Voor de zilveren specin vindt men in de verschillende tarie
ven een nog grooter onderscheid. In die van 11 April en
18 Aug. zijn alleen de f3.-, de koninkl. 50-st., de f2.
de Daalder en de Gulden in evenredigheid met den prijs van

1)

Dus voor de departementen: de la Roer, de la Sare, du Rhin

et Moselle, du Mont-Tonerre, de la Dyle, de l'Escaut, des Forts,


de Jemmape, de la Lys, de la Meuse infrieure, des deux Nethes,
de l'Ourthe et de Sambre et Meuse.

*) RoNDoNNEAU Dl. III bl. 74.


*) De Gulden van 200 a. hield in 9.615 gr. f. zilver, de Franc
4.5 gr. derhalve 1 Gulden = 2.136 francs, doch de afslijting der Neder
landsche munt moet hierbij in aanmerking genomen worden.

*) De goudprijs daalde in deze jaren weder; de verhouding van G. : Z.


bedroeg in 1809

*)

15.96 : 1

in 1810

15.77 : 1 en

in 1811

15.53 : 1

Dit was ook het geval met den Zilveren Ducaat, die circa 3 cen

times lager werd gesteld.

70

VERSCHIL IN

BEREKENING.

den - Gulden 2.03 fres. Voor den gewonen en Zeeuwschen

Rijksdaalder, den Acht-en-twintig, den Schelling, het Dubbeltje


en den Stuiver was een andere, en ook wederom in zich zelf
verschillende voet gevolgd. Maar bij dat van 30 Aug. zijn
alle specin naar den Gulden 2.10 fres. gewaardeerd. De
reden hiervan is, dat bij de eerstgenoemde tarieven de Holland
sche munt werd berekend als negotiepenning en dus alleen de
hoeveelheid zilver, die zij feitelijk inhield in aanmerking kwam,
afslijting en muntkosten werkten derhalve in het nadeel zoodat
men den Gulden op 2.03 francs, of tegen den wisselkoers van

9', stuiver, den Gulden : 19 st. 4'/, p. stelde ') Doch bij
het laatste tarief werd onze munt, al was het dan ook slechts
tijdelijk, *) als legal tender beschouwd en volgens den wisselkoers,
die zich regelde naar de goede specie, welke zorgvuldig buiten den
omloop gehouden was, kwam men tot den Gulden 2.10 francs,
hetgeen slechts 3 centimes of 4'/, penning verschilt van de
intrinsieke waarde van de geheel volwichtige specie. Neemt men
nu in aanmerking, dat zeer veel afgesleten munt circuleerde en
dat er vooral groote overvloed was van Schellingen en Dubbeltjes,
die tot een bedrag van '/1o der betaling moesten worden aange
nomen *) en meestal 15 20 % beneden de nominale waarde
bleven dan moet men erkennen dat Holland, in vergelijking
van de andere nieuwe departementen, zeer gunstig was behan
deld. Maar dit belette niet, dat de niet afgesleten of gesnoeide

specie, die was geslagen volgens de Gulden van 200 a. of 9.615 gr.
en een waarde had van 2.13 francs, met winst werd uitgevoerd
en dat derhalve sedert 1810 onze munten zeer in waarde ver

1) Wat bij een gemiddelde afslijting van 1.35 % nog tamelijk hoog is.
2) Totdat de plaatselijke munt door Fransche zou zijn vervangen.
*)

Dit was ook bepaald voor de Achtentwintigen , die derhalve als

pasmunt werden beschouwd, hoewel de koers op 3-francs bepaald, naar


de Gulden 2.10 francs nog circa 6 centimes te hoog was.

71

VERGELIJKING DER TARIEVEN.

minderd zijn '); terwijl men tevens kon verwachten, dat wegens
het groote tariefsverschil, de slechte Hollandsche munten uit
andere departementen herwaarts zouden komen.
VERGELIJKENDE TABEL VOOR DE TARIEVEN

van 11 April en 30 Aug. 1810.


MUNT-

TARIEF VAN 11 APRIL 1810. I TARIEF VAN 30 AUG. 1810.

SOORTEN.

Fres.

G.

St.

Penn.

Frcs.

G.

St.

Penn.

| -

| -

29,40 | 13
11|2 | 14,70
6

19
l9

4
10

22,05

9
4

12

20 gulden.........| 40,60 | 19
10

......... | 20,30 | 9

G. Rijder.........| 28,44

13

halve dito......... 14,22


6
Dubbele Ducaat... | 22,84 | 10
Ducaat........ .....| 11,44
5

| 12
10
15
17
S

| *)

31/2 |

10

11,021|2|

71/2

3 Gulden.......... |
50 Stuiverstuk ...

6,09
-

2
-

2',
Gulden....... 4,06
5,08 | 21
2
M/

--- ---

Daalder............
Gulden.............

3,04
2,03

Rijksdaalder ......

5,282)|

2S

-e.

Schelling........... 0,58
Dubbeltje...
.| 0,18
Stuiver...
Duit..........

0,9
- - -

8
18
8
19

Zeeuwsche dito...| 5,16 | 2


Halve

17

0,1

10

14
-

4
9
14

5,25

19

2
-

9
-

131/2
-

| 14
.

3,15
2,10
5,25

14

5,46 |

| 11

| 14

2,73

15

3,0,63
0,21

81/5 |
11 1/3

187/1o
14/2 |

0,101/2
*)

41/2
21/2

9
-

5
1

6,80

9
19

5
l

|-

15

151/5

153/4
15,9
15,95

| -

In de 2e helft van 1810 stond de buitenlandsche wissel zeer

1) WARIN t. a. p. bl. 39.


*)

Blijkbaar heeft hier een vergissing plaats gehad, door omzetting

der woorden, want de Rijksdaalder werd niet lager gesteld dan de


Zeeuwsche, maar hooger. In het tarief van 30 Aug. is dit verbeterd.
*) Deze beide munten, die feitelijk niet in circulatie voorkwamen,
werden reeds bij het tarief van 18 Aug. weggelaten.

*) De Duiten zijn bij dit tarief niet genoemd, waarschijnlijk behielden


zij de waarde van l'/2 centime.

72

DE MUNT TE UTRECHT.

laag (het zilver was goedkoop te verkrijgen) zoodat men aan de


Munt te Utrecht ijverig Rijksguldens van 50 stuivers kon slaan.
Met Dec. 1810 trad GoGEL nogmaals op aan het hoofd van
het bestuur onzer geldmiddelen, als Staatsraad-Intendant-Gene
raal der financin en der publieke schatkist, en dus onder den
Keizerlijken. Minister van Financin den Graaf DE GATE. Een
van de eerste maatregelen waartoe hij moest medewerken was de
uitvoering van het Besluit van 14 Dec. 1810 volgens hetwelk, min
aanmerking nemende, dat de tot dusverre bestaan hebbende inrich
ting van het Hollandsche muntwezen met 1. Jan. 1811 zal op
houden en door de generale administratie van het muntwezen des
Franschen Keizerrijks zal worden vervangen de werkzaamheden
op 's Rijks Munt te Utrecht met 31 Dec. zouden cesseeren en
mitsdien ook de functin en belooningen van den waradijn en ver
dere officieren en beambten der Munt. Zeker geen aangename
mededeeling voor velen dezer heeren, die jaren lang met groote
naauwgezetheid hun plicht hadden vervuld. De heer PoELMAN
werd Keizerlijk Commissaris bij de Munt te Utrecht, die voort
aan, volgens Keizerlijk Decreet van 4 Jan. 1811') zou dienen
tot vervaardiging van Fransche muntspecin. *) In October
1812 werd de eerste zilverzending uit Amsterdam ontvangen;
maar het was niet voor 1. Dec. dat nieuwe munt kon worden

1) Moniteur N. 6.
2) Op nieuw was dus het bestaan der Utrechtsche Munt voor eenigen

tijd verzekerd.

Een nieuwe inrichting der fabriek werd echter noodza

kelijk geoordeeld en het gehcele jaar 18l 1 en een deel van het volgende
gingen voorbij met den aankoop van eenige belendende perceelen en de

noodige verbouwing daarvan, met de vervaardiging van stempels cn poin


Coenen en met de opruiming van wat er nog overig was van de ver

schillende Hollandsche muntfabrieken.

Eerst in het najaar van 1812

begon de Utrechtsche fabriek weder te werken, als Succursale der Fransche


Munt. Slechts weinige der vroeger ontslagen ambtenaren vonden daar
thans plaatsing.

ALS KEIZERLIJKE MUNTFABRIEK.

73

afgeleverd en eerst op den 12" Juni 1813 werd de fabricatie


van 20-francsstukken gemeld.
Zoo waren dus juist de belangrijke wijzigingen aan de munt
inrichting voltooid toen op nieuw de groote staatkundige gebeur
tenissen het vreedzaam muntwerk kwamen storen.

v -rx vv A

- N - N / N--TN -z N.A vz ATN

HOOFDSTUK III.

IIINIFI MER (MFIWFIIIKIFID

MINIKIE POLIVIEW III

HERVORMING VAN 0\N MUNTWE/EN. ISI3-|W/7.


Een goed muntwezen is een der
hoofdzuilen van den Staat.
WARIN.

Toen de orkaan, die over Europa's volken gewoed had, voorbij


was, hadden velen zich hier en ginds met de nieuwe orde van
zaken tevreden gevoeld en zich beijverd datgene wat voorziening
behoefde zoodanig te wijzigen, dat het meer aan de veranderde
eischen des tijds voldoen kon, maar elders had men zonder iets
geleerd te hebben of iets te zijn vergeten, bedaard weder her
steld wat verwoest was en niet gevraagd of het nog wel vol
doen kon aan de behoeften.

Hier te lande had men zooveel

schokken moeten doorstaan, dat een bijna ziekelijk, maar ver


klaarbaar verlangen naar rust allen bezielde.
WILLEM VAN ORANJE werd als souvereine vorst begroet en

gehuldigd. Een constitutie was evenwel de stilzwijgende voor


waarde waaronder dit plaats had. Weldra werd deze dan ook
vastgesteld. Toen kwam de vereeniging van Belgi met de
Noordelijke Provincin tot stand, waartoe in beginsel reeds te
Weenen besloten was. Zij geschiedde overhaast door den tertig
keer van NAPoLEON van Elba; want WILLEM I achtte het nood

zakelijk zijn rijk zoo spoedig mogelijk te bevestigen.


In 1815 werd de nieuwe constitutie voor het Koninkrijk der

MUNTHERVORMING DRINGEND NOODZAKELIJK.

75

Nederlanden afgekondigd. Door al deze beslommeringen en te


midden van rook en kruitdamp, die nog over Europa's velden
hingen, vond de regeering weinig gelegenheid haar tijd te be
steden aan vreedzame hervormingen, zelfs al waren zij zoo nood
zakelijk als die van het muntwezen thans geworden was. Maar

zoo spoedig de politieke omstandigheden het toelieten, zou


dit geschieden, daarvoor waarborgde de geheele persoonlijkheid
van WILLEM I, die steeds een geopend oog toonde te hebben

voor de belangen van handel en industrie, wien de bevordering


der welvaart zeer ter harte ging, al moet men erkennen, dat

die zorg zich wel eens te ver uitstrekte en al te vaderlijk


openbaarde.

Veel werd tot stand gebracht, meer nog werd in droom


beelden gezien en ter nauwernood kan men er den vorst een

verwijt van maken, dat de keuze der middelen niet altijd het
meest geschikt was om de breed ontworpen plannen te doen
uitvoeren.

Hervorming van ons muntwezen, eenmaal om zijn deugd


zaamheid hoog geroemd, was zoo dringend noodzakelijk, dat
zelfs de publieke opinie van dien tijd haar noodig achtte. Prof.

vAN SwINDEN, hoogleeraar aan het Athenaeum Illustre te Am


sterdam, die zich zulk een welverdienden naam had verworven
door zijn bemoeiingen met het ontwerpen van een decimaal stel
sel in 1800 en v. j., diende der regeering van advies in een opstel
getiteld: m Bedenkingen over het Muntwezen, op verzoek van den
Minister van Financin, in 1815 vervaardigd. Menige belang
rijke opmerking komt daarin voor, menige wenk ook, die blijk
geeft van de gezonde denkbeelden, die de schrijver koesterde ').
De Fransche maatregelen, die op den duur zeker tot de zoo

1) Herhaaldelijk werd reeds maar dit geschrift verwezen.

76

EEN

RIJKSMUNTSTELSEL.

verlangde eenheid en gaafheid van munt zouden hebben geleid,


hadden, nu hun ontwikkeling zoo spoedig was gestuit, de ver
warring slechts helpen vermeerderen en de gemiddelde innerlijke
waarde der circuleerende specie door uitvoer van de beste stuk
ken ) nog heel wat gereduceerd, al was ook de hoeveelheid
Fransche munt, die hier te lande was vervaardigd gering te
In Oemen.

Reeds een Souverein Besluit van 19 Jan. 1814 bepaalde, dat


de muntslag der G. en Z. Ducaten op den ouden Nederlandschen
stempel, naar de instructin van 1606, 1659 en 1699 zou ge
schieden. En voor die haast was wel eenige reden, want de
toevloed van goud was buitengemeen groot, vooral daar het Rus
sisch gouvernement hier te lande liet munten. ')

Zoodra men plannen begon te beramen om aan het Konink


rijk der Nederlanden een goed geregeld muntwezen te verschaf
fen, rezen de moeielijkheden als paddestoelen uit den grond.
Doch art. 200 der grondwet eischte wettelijke regeling.
Het geheele rijk, de Noordelijke zoowel als de Zuidelijke
provincin moesten en muntstelsel bezitten *), maar welke zou
de eenheid zijn, welk haar gewicht en gehalte, welke de standaard,
of zou men den dubbelen standaard wellicht behouden, welke de

verhouding tusschen de nieuwe eenheid en de Fransche munt,


die in de Zuidelijke provincin naast de oude Brabandsche en
n) Zie WARIN t. a. p. blz. 39.
*) In Sept. waren de goudzendingen aan de Utrechtsche Munt zoo
overstelpend, dat de muntmeester het raadzaam achtte om de voornaam
ste handelshuizen te verzoeken, binnen 4 weken niets meer te zenden,
omdat er anders uit het lange gedwongen wachten licht onaangenaam
heden konden voortvloeien.

De goudprijs was in 1814 15.04 : 1, tegen 16.25 : 1 in 1S13.

*) Alleen dan was billijke verdeeling van lasten mogelijk; een onge
lukkige demarcatielijn te meer tusschen Noord en Zuid bleef anders bestaan.

ONTWERP VAN 1816.

77

Luiksche circuleerde, tusschen die eenheid en de afgesleten en


gesnoeide munten van het Noorden?
En dan kwamen nog die andere quaesties over de onderdeelen
en veelvouden, over de pasmunt, over de negotiepenningen, over
de aanmunting, of zij al of niet voor particuliere rekening zou
worden toegelaten, over het aantal munthuizen en het toezicht
daarover uit te oefenen. 1) En nog tal van andere vragen, die

alle min of meer, hoe ook opgelost, grootere of kleinere belan


gen zouden kunnen schaden.

De minister van financin Six VAN OTERLEEK diende in de

zitting der Tweede Kamer op Dinsdag 25 Juni 1816 een Con


ceptwet in wegens een in het Koningrijk nieuw in te voeren
algemeen muntstelsel, begeleid van een Koninklijke Missive.
Daarbij werd vermeld, hoe men bij het ontwerpen dezer wet het
belang der schatkist, maar bovenal dat van de onderdanen in het
oog had gehouden; hoe een algemeen muntstelsel dringend werd
geischt tot vergemakkelijking van alle handelsbetrekkingen en tot
nauwer vereeniging der beide deelen; *) hoe de decimale ver
deeling, *) die zoo groote voordeelen opleverde en reeds sedert
verscheiden jaren in de Zuidel. provincin in gebruik was ge
weest (door de Fransche munt), werd aangenomen; hoe de Gul
den *) als eenheid behouden *) bleef op de volle waarde zooals
zij sedert meer dan een eeuw in de Noordelijke provincin be
1) Zie art. 20l Grondwet 1815.

*) Zie Bijlage 2. Art. 1.


*) Bijlage 2. art. 2. 3.
*) Bijlage 2 art. 2. 4.
*) De Gulden van 1694 van 200 azen kwam niet meer voor, slechts

afgesleten en gesnoeide vertegenwoordigers circuleerden. De Driegulden


stukken, oorspronkelijk op 603 azen geslagen, hielden gemiddeld iets meer

dan 200 a. per gulden in, waarschijnlijk omdat zij direct als van hoo
gere waarde, bij voorkeur voor spaarpenningen werden gebruikt.
Ook enkele nieuwe Rijksdaalders trof men nog aan.

78

GRONDSLAGEN.

stond, maar hoe ook, de Franc, die in het Zuiden de oorspron


kelijke landsmunt had vervangen, voor de volle waarde gangbaar
bleef '), zoodat reeds te dien aanzien, ook vor dat de nieuwe
munten in omloop zouden zijn gebracht, alle ingezetenen gelijk
gesteld werden.
De kosten voor de vervaardiging der nieuwe munt zou de
schatkist dragen, *) zij zouden zoo weinig drukkend mogelijk
worden gemaakt.
De belangen van den commercie eischten negotiepenningen, *)
wier echtheid en juistheid door den stempel zouden worden ge
waarborgd. Met kleine wijziging in stempel en randschrift
moesten de oude behouden blijven.
Onmiddellijk na de aanneming dezer voordracht door de St.
Gen., zou men beginnen de nieuwe munt in omloop te brengen,
met vasten bedaarden tred voortgaande.
Ziedaar de beginselen, waarop het Ontwerp van 1816 was
gegrond.
Doch de omstandigheden waarin men zich bevond waren niet
genoeg in het oog gehouden.
-

WARIN deed hieromtrent in het Advies van Nov. 1836 van

de Speciale Commissie voor het muntwezen, waarvan hij ook lid


was, o. a. opnemen:

mTwee sedert lang van elkander afgescheiden staten, waren


onder denzelfden schepter vereenigd; er moest dus over het ge
heele Koningrijk een eenig algemeen muntstelsel worden inge
voerd. Indien de, voor dien tijd bestaande muntstelsels van de
beide groote afdeelingen van het rijk, verre uiteenloopend waren
geweest, zoude dit eenige zwarigheden hebben kunnen veroor

')

Bijlage 2. art. 15. In het oorspronkelijk ontwerp was de Franc op

47 cents gesteld, wat dichter bij de werkelijke waarde kwam.


*)
*)

Bijlage 2. art. 12. 13. 14.


Bijlage 2. art. 8-11.

BEZWAREN.

79

zaken, maar de gelukkige omstandigheid bestond, dat in iedere


van de beide groote afdeelingen een muntstelsel aanwezig was,

zeer na overeenkomende met dat van de andere groote afdeeling.


Een van de beide muntstelsels behoefde slechts zeer weinig van
deszelfs aard af te wijken om met het andere gelijk te geraken.
Dit is niet betracht.

aangehouden.

In beide deelen is het bestaande stelsel

Men heeft getracht het onvereenigbare tot een

eenig stelsel zamen te voegen. Hierdoor is voor een groot ge


deelte aanleiding gegeven tot de daarop gevolgde ongelegenheden.
Den 13" Sept. 1816 bracht de centrale afdeeling haar voorloopig
verslag uit. ) Wel had dit eenigen tijd op zich doen wachten,
daar het ontwerp den 25" Juni in de afdeeling was ontvangen,
maar de Koning zelf had verklaard dat het muntwezen een
der belangrijkste zaken is, waarop de regeering eens lands hare
aandacht vestigen kan en moet; slechts een bedaard onderzoek
kon licht verschaffen. In vele afdeelingen meende men, dat dit
ontwerp niet volkomen voldeed aan den wil en de bedoeling van
den Koning om het belang der schatkist achter te stellen bij
dat der onderdanen en om alle ingezetenen van de Noordelijke

zoowel als van de Zuidelijke provincin gelijk te behandelen. Tot


zoover een merkwaardige overeenstemming van Noordel. en
Zuidel. afgevaardigden. Jammer maar dat beide partijen meen
den te kort gedaan te zijn. Vooral de Belgische leden waren
sterk in het breed uitmeten hunner grieven, in het stellen
van onbillijke eischen. Gedeeltelijk kwam men aan hun wen
schen te gemoet bij het gewijzigd ontwerp van 12 Sept. 1816. )

Wat waren nu de voornaamste geschilpunten?


I. Dat niet de Franc maar de Gulden als algemeene eenheid

*) Staatscourant van 16 Sept. 1816. N. 220.


*) Staatscourant van 18 Sept. 1818. N. 222.

80

DE GULDEN ALS EENHEID.

werd aangenomen.') De Zuidelijke afgevaardigden konden zich geens


zins vereenigen met de motieven, daartoe door den minister in de
zitting van 18 Sept. aangevoerd: m.toen Z. M. de regeering aan
vaardde werd in de Zuidelijke provincin algemeen de Fransche munt
als legale munt in de schatkist ontvangen en uitgegeven, de oude
landsmunten waren gedeprecieerd, de groote stukken alle verdwe
nen op enkele weinige na. *) In de Noordelijke provincin daaren
tegen waren de oude landsmunten behouden *) en circuleerden

voor hun oude, oorspronkelijke (!!) waarde. De Koning, die


niets wilde omverstooten wat te behouden was, nam dus de Ho/
landsche Gulden als eenheid, vooral met het oog op de gemak
kelijke aansluiting aan de Zuidelijke rekeningseenheid, den Bra
bandschen wisselgulden. *)
De Belgische leden wenschten echter de Franc als eenheid te
zien aangenomen, omdat deze veel beter dan de Gulden voldeed

aan de eischen van het tiendeelig stelsel, of zoo de Franc niet


nationaal genoeg klonk: het 2-francstuk, dat de naam van

Gulden zou dragen. De regeering achtte dit echter onmogelijk,


omdat hierdoor in het Noorden een muntverzwakking zou ont
staan, die groote wanorde zou kunnen stichten, terwijl er dan
bovendien spoedig een algemeene hermunting plaats zou moeten
hebben, waarvan de kosten op f 5 6 mill. te berekenen waren.
Door de Gulden als eenheid aan te nemen verkreeg men een
munt, die sedert 1699 geen verandering had ondergaan.
II. Dat de verhouding van den Franc tot den Gulden niet
1) Art. 2.
*) Volgens mededeeling van den heer BoURGoGNE HERLAER.

*) Die waarlijk niet op groote innerlijke waarde roemen konden; het


was grootendeels teekenmunt.
*) Zoo moesten de partijen gepaaid worden; goed beschouwd wemelt
deze argumentatie van valsche voorstellingen. Maar men wilde den Gul

den als nationale munteenheid en trachtte de Zuidelijken te overtuigen,


dat dit ook voor hen het beste was.

VERHOUDING VAN

FRANC TOT GULDEN.

81

juist was aangenomen. In het oorspronkelijk ontwerp had men


den Frame op 17/1oo Gulden gesteld en hoewel dit in waarheid
nog iets te hoog was, ') waren de Belgische leden zoo uitvoerig
in hun klachten over deze onbillijkheid hen aangedaan, dat WIL
LEM I, waarschijnlijk om hen voor de eerste grief eenigzins
schadeloos te stellen, hieraan toegaf en den Franc bepaalde op
f 0.47'). *)
De redeneeringen van de Zuidel. leden kwamen hierop neder:
al was het waar, dat de Franc niet meer dan *7/1oo van een
Gulden waard was, zou toch uit deze verhouding groot nadeel
voortspruiten, werd zij echter op f0.47'/, gesteld dan ware alles
gevonden, omdat de Franc tot den Brabandschen Wisselgulden,
in deze verhouding stond. *) Deze laatste, sinds eenige jaren
gelijk gesteld met den Gulden *), was de gewone rekenmunt,
waarin alle verbintenissen in het Zuiden waren aangegaan. Op
') Immers de Franc hield in 5 gr. op een allooi van 0.9, derhalve 4l/,
gr. f. z. en de nieuwe Gulden zou (volgens art. 4) 10.766 gr. op een
allooi van 0.893, dus 9.613 gr. f. z. inhouden, de Gulden was dus
2.136 francs waard, de Franc = f 0.468.
*) Zie art. 15; art. 14 maakte, dat door tarifeering van den Franc

ook tevens de koers van alle oude Zuidelijke munten werd bepaald.
*) Het Fransche gouvernement had bij Decreet van 18 Aug. 1810
N. 5871, Bulletin des Lois N. 308 verschillende oude specin, waar

onder ook de oude Belgische munten, het Brabandsche en Luiksche geld


te laag getarifeerd. Daardoor was de Brabandsche Gulden, die in waar
heid niet meer bestond, maar als rekenmunt tot nog toe aan den Ned.

Gulden gelijk was geweest werkelijk in waarde verminderd en als 100


: 47'/4 tot den Franc gesteld.

*) Napoleon had bij Keizerlijk Decreet den Ned. Gulden in de


Zuidelijke provincin op 2.03 francs gesteld en in 1815 gold het als
, een groote toegevendheid van Z. M. voor Hoogst DerZelver Onder

danen in die streken, dat in S 19 van de Wet over de oorlogsbelasting,


de Gulden gesteld is geworden op 2.06 francs ad hoc en zonder prae
juditie voor het vervolg. v. SwINDEN t. a. p. bl. 4 S 6.

82

HET EERSTE ONTWERP.

die wijze zou de vervanging van de munteenheid in het Zuiden


geen bezwaren meer opleveren en zouden de handelsbetrekkingen
met Frankrijk niet lijden door het aannemen eener nieuwe ver
houding. Dat de bestaande verhouding van den Gulden 2.116
/rancs niets onbillijks had, bleek bovendien uit het feit, dat de

handel haar reeds had aangenomen. ')


Op dit alles werd nu van regeeringswege geantwoord, dat men

in het Ontwerp van 25 Juni zooveel mogelijk gelet had op de


intrinsieke waarde van Franc en Guld m en dientengevolge de
eerste op f 0.47 had gesteld. Dat er van wederlegging dezer
berekening geen sprake kon zijn, maar dat het inmiddels der
regeering duidelijk was geworden, dat de relatieve waarde, die
men hechtte aan den Gulden Brabandsch wisselgeld kon be
schouwd worden als gelijk te staan met den voormaligen Gene
*) Dit is zeer wel mogelijk, immers aangezien het muntstelsel in Frank
rijk goed geregeld en het gewicht fijn zilver dat de Franc inhield dus
nauwkeurig bepaald was, was ook het gewicht fijn zilver, hetwelk de
Brabandsche Wisselgulden moest bevatten zeer juist vastgesteld n. l. op
9.5238 gr. fijn. In de Noordelijke provincin daarentegen, was het ge
wicht fijn zilver voor den Gulden wel is waar sedert 168l bepaald ge
bleven op 200 a. of 9.61265 gr. maar deze Gulden was beneden de
waarde afgedaald, zoo door het in onbruik geraken van de Amsterdam
sche Wisselbank, als door de wet ten tijde der regeering van den raad

pensionaris ScIIIMMELPENNINCK, waarbij de in Zeeland gemunte Zilveren


Ducaten (Zeeuwsche Rijksdaalders) in wettigen omloop gesteld werden
voor de waarde van 52 stuivers (schoon de Gulden op dien voet maar
9.374 gr. zou inhouden) en bovenal door het menigvuldig besnoeien der
wichtige zilveren munten. Zoo berekende men dat gemiddeld de innerlijke

waarde van den Gulden ruim 1 % beneden de nominale bleef en het


is dus zeer verklaarbaar, dat hij werd gelijk gesteld met den Brab. Wis
selgulden.

Maar men vergete niet dat onze munt was geworden teeken

geld en dat zij, deels door betrekkelijke schaarschte, deels door de hoop
op volledig herstel van het muntwezen, waarbij de Gulden van 200 a.
eenheid zou blijven en de oude afgesleten stukken zouden ingewisseld
worden, dezen hoogeren prijs had behouden.

WIJZIGING.

83

raliteitsgulden en dus ook met die van den voorgedragen,


nieuwen Ned. Gulden. ') Dat hiervan partij zou getrokken
kunnen worden, door die beide in de wet gelijk te verklaren *),
dan zou de Franc op f 0.47'/, komen, hetgeen wel schade zou
zijn voor de schatkist, maar het voordeel der goede ingeze
tenen moest immers voorgaan. *)
In waarheid moet erkend worden, dat er voor de Zuidelijke
provincin weinig aantrekkelijks in gelegen was om op nieuw
een andere verhouding tot hun munt te zien aannemen en de
minister oordeelde dan ook, dat hoewel de innerlijke waarde van
den Franc tot den Gulden niet hooger was dan 0.47 er aan het

vaststellen op 0.47', groote voordeelen waren verbonden.


Immers 1. was dan geen verandering in de gewoonte van
de bewoners der Zuidelijke provincin noodig en hun handels
betrekkingen bleven tevens onaangeroerd. 20. Voerde men den
Nederlandschen Gulden in het Zuiden niet in als een nieuwe

munt, maar als de belichaming hunner rekenmunt, oorspron


kelijk de Gulden, onder FERDINAND en IsABELLA in 1599 ge
slagen, maar sedert een eeuw verdwenen; 3". zou de invoering
van den Nederlandschen Gulden er door vergemakkelijkt worden.
') Dit nu was een tastbare onjuistheid, want de Brab. Wisselgulden
stond tot den Franc als 400 : 189 en vertegenwoordigde dus 9.524 gr.
f, z. Derhalve zou de wet vaststellen dat 9.524 gr. f. z. evenveel waar
de had als 9.613 gr. f. z. zie ook WARIN t. a. p. blz. 71.
*) Zoo kwam art. 13 der wet tot stand.

*) Zie Koninklijke Missive van 12 Sept. 1816, Staatscourant No. 222.


,,De Koning heeft dus in zijn wijsheid bepaald, om door deze gelijk

stelling een nieuw blijk van zijn vaderlijke bezorgdheid te geven aan de
Zuidelijke provincin, te eerder omdat geen vrees bestaat, dat hierdoor
de Ned. Gulden met winst tot Franken zal vermunt worden, want de

Gulden op 2.1164 frcs. gerekend brengt bij vermunting slechts 2.104 frcs.
op. Zoo sprak de Min. van Financin in de zitting van 18 Sept.
(Staatscourant No. 224, 20 Sept. 1816). De ondervinding heeft deze
woorden jammerlijk gelogenstraft. Vergelijk WARIN t. a. p. bl. 63 v.

S4

OORDEEL VAN

EENIGE KAMERLEDEN.

Maar zij, die zoo redeneerden, zagen voorbij, dat langs dezen weg
nooit een algemeene invoering van den Nederlandschen Gulden
kon worden verkregen, aangezien de overschatting van den Franc
juist den Gulden moest uitdrijven. Hoeveel eenvoudiger ware
het geweest den Nederlandschen Gulden te stellen op een inhoud
van 9.5238 gr. f. z., dus in waarheid gelijk aan den Brabandschen
Wisselgulden, en veel nader aan de innerlijke waarde der guldens
in circulatie! Dit is evenwel niet geschied. De Nederlandsche
Gulden moest zijn vroegeren inhoud van 9.61265 gr. f. z.
(200 a.) behouden en daardoor geraakte het geheele muntstelsel
uit het natuurlijk verband en kwam een wet tot stand, die van
haar geboorte af onuitvoerbaar bleek.
De heeren DE NIEUPORT en GENDEBIEN juichten over deze
verkregen concessie, maar stelden haar tevens als niet meer dan
billijk voor, waar het aandeel van het zuiden in de muntings
kosten, die grootendeels door de slechte Noordel. munt werden
veroorzaakt, zoo groot zou zijn.
Ook de heer VAN ALPHEN verheugde zich over den maatregel,
want al was hem bij berekening gebleken, dat de Franc nauwe
lijks f0.47 waard was') zoo achtte hij deze opoffering niet te
groot, indien zij naar waarde geschat werd en kon bijdragen tot
verbroedering der beide deelen. *)
1) Volgens hem kon ,,de besnoeiing of mindere waarde der geldstuk
ken in de Noordelijke provincin in omloop, niet in aanmerking komen
dan

in zooverre er meer of minder kosten voor de schatkist uit voort

vloeiden. Vele onzer beste stukken waren bewaard en, hoe scherpzinnig de
overweldigers ook den korsten weg naar onze beurs vonden, toch buiten
hun bereik gebleven.

*) Hij kon ,,de vooruitziende wijsheid, die de tegenwoordige concept


wet heeft ingegeven niet genoeg toejuichen...... , de weldadigste in
zichten vereenigden zich en handelden in overeenstemming met de uitne
mendste bekwaamheid om een stelsel, van het hoogste belang en dat de
diepste overweging vordert, te regelen. etc. etc.

KOSTEN VAN VERMUNTING.

85

Vooral de heeren SANDBERG en VAN MARKEL BRoUwER,


brachten zeer gegronde aanmerkingen in het midden tegen de
voorgestelde wet, met name de laatste waarschuwde ernstig
tegen het gevaar, dat de Franc onze Hollandsche munt zou
verdringen. ')
Het derde punt betrof de kosten der vermunting. Door het
geheele rijk gedragen, zouden zij grootendeels aan de Noor
delijke provincin ten goede komen. *) De minister zeide
hieromtrent, dat de afslijting der Noord-Nederlandsche mun
ten *) niet zoo heel belangrijk was en dat men onbillijk zou zijn
door lagere tarifeering, dat door het aannemen tegen de nominale
waarde van staatswege, de particulieren geen schade zouden lijden,
maar alleen de schatkist en dat het niet onbillijk was, dat de Zuidel.
provincin daarin ook betaalden, omdat in waarheid de bewoners
der Noordel, provincin evenmin voordeel bij de vermunting
hadden, daar ook de oude munt voor de volle waarde circu
leerde. *) Dat het nut der vermunting was, eenheid van munt
in alle provincin te verkrijgen; dat men daartoe ook het
overschot der landsmunt van de Zuidel. provincin en de Francs
moest vermunten tot Ned. Guldens en dat in deze kosten ook

de Noordel, provincin zouden dragen zonder dat hen dit eenig


nut gaf. *)

En daarbij voegde hij een alles afdoend argument:

') Vergelijk vooral WARIN t. a. p. bl. 62 v.


2) Zie art. 12 der wet.

*) Zie de lijst bij WARIN t. a. p. bl. 38 en 39, waarbij men echter


in het oog moet houden, dat nog vrij veel gave stukken als spaarpen
ningen werden bewaard.
*) Men ziet, de logica des ministers was niet heel sterk.

*) Men houde hierbij echter in het oog, dat het Keizerl. Decreet van
18 Aug. 1810 o. a. de oude Zuid. Nederl. munten te laag had getari
feerd in vergelijking tot hun oorspronkelijke innerlijke waarde. ,,Dat die
te lage koers thans behouden bleef, omdat men anders nieuwe onrechtvaar

S6

HET DECIMALE STELSEL.

mdat het noodzakelijk was omdat er maar een schatkist bestond.


Hiermee nu troostte men zich in het Zuiden, omdat de een

vormigheid van munt door het geheele rijk wel eischte, dat
men spoedig de munt der Zuidel. provincin deed verdwijnen,
in welke onkosten alle provincin zouden deelen, maar er bij de
inwisseling der oude Noordel. munten volstrekt geen haast was,
aangezien de munt er als voorheen gangbaar bleef en de intrek
king langzaam en zonder merkbaar verlies zou plaats hebben. ')
De heer GENDEBIEN echter achtte het juist, dat tegenover
deze opoffering ook eenig voordeel zou staan, te vinden door
tegemoetkoming aan het vierde bezwaar n. 1. dat het deci
male stelsel niet voldoende in de muntwet was gehuldigd. Men

achtte dit niet in overeenstemming met het stelsel van maten


en gewichten. *) Wel waren de onderdeelen decimaal *) en
de veelvouden op een na n. 1. het f 3-stuk, dat echter behouden
was om de overeenkomst met den Ducaton der Zuidel. provincin,
(die oudtijds gelijk aan 3-gulden wisselgeld was) en omdat een
stuk van f 5.- te zwaar zou zijn geweest; *) maar de
munteenheid werd in Trooisch gewicht bepaald en slechts
in schijn tot het metriek stelsel teruggebracht. *) Een deci

digheden zou plegen. Feitelijk waren deze stukken thans zelfs minder
waard. Zie WARIN t. a. p. bl. 35. v.

De stukken van 5, 3'/2, 2'/a

en 1/3 stuiver, die niet in dat tarief waren opgenomen, bleven in circu
latie voor de waarde, die zij op dat oogenblik golden.
1) Aldus de NIEUPORT. Staatscourant. van 21 Sept. 1816, n". 225.

*) Eerst den 16"en Juli 1816 was het decimale stelsel hiervoor aangenomen.
*) Zie art. 2.
*) Zie ministerieele redevoering. Volgens prof. v. SwINDEN is het kie
zen der veelvouden geheel onafhankelijk van het aannemen van het de
cimale stelsel. Rijksdaalders, zooals onder LODEWIJK NAPOLEON gemunt
zijn, hadden te veel overeenstemming met de negotiepenning, den Zil
veren Ducaat.

") Art. 2.

CONSEQUENTE TOEPASSING DAARVAN.

87

male benaming en een decimale breuk voor onze munt


eenheid was noodig, zooals in Frankrijk bij de Wet van 7
Germinal an VI was vastgesteld. Nam men hier te lande een
eenheid van 10 gr. zilver 9/1o fijn, dan verkreeg men een

zeer voordeelige overeenkomst met de Fransche munt. Reeds


vele volken hellen tot het tiendeelig stelsel over, derhalve
geen Bataafsche, geen Belgische munteenheid, maar een van het
nieuwe rijk. )

De heer REIGERMAN *) was het met deze beschouwingen vrij


wel eens, m nochtans erkende hij hoe monsterachtig ook, er
kunnen gegronde redenen van politiek of convenientie zijn om
zoodanige afwijking toe te laten.
-

Ook Baron DE GoR en vooral de heer REYPiirts drongen


aan op betere toepassing van het decimale stelsel. *) Waar
onze vaderlandsche geleerden, zoo sprak de laatste ongeveer, ')
m het meest hebben bijgedragen om de gezondste begrippen betref
fende dit onderwerp te verspreiden, zal men dit beginsel bij de
eerste gelegenheid reeds prijs geven! Moet niet de muntwet
zijn een uitvoering van de Wet op de maten en gewichten?
Toen in de samenkomst van geleerden de grondslagen voor het
algemeen stelsel waren ontworpen en bepaald, stelde men
voor om bij de uitvoering het eerst met de munt te beginnen.
De fransche revolutie-oorlogen maakten het onuitvoerbaar. En
1) Zoo sprak GENDEBIEN. BoURGoGNE HERLAER adviseerde tot een
Gulden van 11.25 gr. gewicht met 0.9 gehalte dus 10.125 gr. f. z. en

+ 5.3 . meer waard dan den tegenwoordigen, natuurlijk was dan spoedige
algeheele hermunting noodig en gedurende het overgangstijdperk zou
groote verwarring ontstaan. v. SwINDEN t. a. p. bl. 12. v.
2) Ook in zijn advies ter gelegenheid van de Wet op de maten en
gewichten. Staatscourant No. 170 van 19 Juli 1816.
*) Een scheen het eveneens toe dat de consequentie dit, na de Wet
van den 16den Juli 1816, eischte.

*) Staatscourant van 23 Sept. 1816 N, 226 bijvoegsel.

88

EEN VOORSPELLING.

thans is men hier vergeten, dat de muntspecin tot de maten en


gewichten behooren. Hoe komt dit anders dan door het voor
oordeel, dat men voor achtenswaardig houdt, dat het Koninkrijk
der Nederlanden niet is een nieuwe Staat, maar een oude wiens

grondgebied is uitgebreid en wiens


ook aan dat gebied schenkt. Alsof
de sterkeren zich naar de zwakkeren
provinciale belangen worden gekwetst.

oude instellingen men dus


het bestendig zijn kan dat
schikken. ') Particuliere en
Door het aannemen van een

muntstelsel, dat niet metriek is, zullen wij een scheidsmuur


oprichten tusschen ons en de overige volken van Europa (sic);
want het is onmogelijk, dat niet alle volken dit stelsel, uit
den natuur der dingen ontstaan (sic), aannemen. De jaloersch
heid zal verdwijnen en men zal niet meer weigeren het goede
aan te nemen omdat een ander volk voorging. Zwitserland,
Frankrijk, een deel van Itali hebben het metriek francs
systeem. Engeland moet weldra volgen, doch ik zie met
schrik het oogenblik naderen waarop alle natin den aandrang
zullen gevolgd hebben, haar door onze geleerden gegeven, ter
wijl wij zelve ons eigen werk zullen hebben vernield en ons
muntwezen een gottisch voorkomen zal hebben, dat ons zal
doen blozen.

Nu, die voorzeggingen zijn niet al te zeer bewaarheid.

Het bezwaar, dat vele afgesleten en besnoeide Noord-Neder


landsche stukken hun weg naar het Zuiden zouden vinden werd
opgeheven zoowel door de verhooging van de nominale waarde
van den franc, waardoor het voordeel op dien invoer van Noord

Nederlandsche munt geheel verdween, als door de bepaling, dat


niemand verminkte of besnoeide specin zou behoeven aan te

nemen. ') Dit voorschrift, op verlangen van eenige afdeelingen


') Maar spr. vergat, dat de Zuidel, nationale munt verdrongen was
door den vreemden Franc.

*)

Art. 19 der wet,

VERHOUDING TUSSCHEN GOUD EN ZILVER.

89

in de wet opgenomen, ') zou op zich zelf echter niet van groo
ten invloed zijn geweest.
e

Eindelijk kwam men er tegen op, dat er een vaste verhouding


tusschen de waarde van het goud en het zilver was aangeno
men. *) Aan den heer SANDBERG komt de eer toe, hiertegen
met nadruk gewaarschuwd te hebben.

mDoor die vaststelling veronderstelt men, dat de verhouding


altijd zoo zal zijn, maar dit is ten eenenmale onjuist. Het geld
moet zijn een vaste, onveranderlijke *) standaard van waarde en

dit is onmogelijk waar goud en zilver te gelijk standaard zijn. 4)


Door art. 3 en 6 had men een vaste verhouding tusschen goud en
zilver aangenomen van 15.87 : 1 *) dus hooger dan ergens was

gehuldigd "); maar daarvoor had men goede reden: het goud
1)

Een toevoeging in art. 12 ,,de muntspecin voorheen in de Noordel.

prov. etc...... zullen op den tegenwoordigen voet aldaar blijven circu


leeren, door eenige Zuidelijken gewenscht, bleef achterwege.

*) Ook prof. v. SwINDEN adviseerde voor den dubbelen 'standaard


(t. a. p. bl. 5 $ 8). Hij putte echter tevens uit de historie het bewijs
der wisselende verhouding en achtte dan ook de noodzakelijkheid tot
waardewijziging door den souverein niet onmogelijk.
,,Had de regeering dit na 1749 toen het goud voortdurend steeg ook
gedaan, dan behoefde de schatkist niet nu groote onkosten te doen om

weer wat goud te verkrijgen t. a. p. bl. 39.


Merkwaardig mag het heeten dat prof. v. SwINDEN niet eens de mogelijk
heid, om ons muntwezen zonder gouden munt in te richten, heeft besproken.
*) Zoo min mogelijk veranderlijk ware juister, immers geen absoluut
onveranderlijke waardemeter is te vinden.
*) De wet van 1816 zelf spreekt niet van standaard, slechts van
standpenning.

*) Art 6 bepaalde dat het gouden f 10 stuk zou inhouden 6.056 gr.
f. g. geslagen op een gehalte van 0.9.
*)
In 1606 was de verhouding hier 11.92 :
, 1749

14.72 :

, Frankrijk bij de wet van 1803 15.5


Slechts eenmaal in 1814 was de verhouding 16,9

90

TE HOOGE WAARDEERING VAN HET GOUD.

was sedert 3'/, eeuw bijna gestadig gerezen 1) en sedert 1803

weder zoo sterk, dat het een tijdlang, naar de behoefte des handels,
tusschen 16 en 16'/, : 1 varierde. Een daling was te verwachten
toen de oorlogen waren geeindigd *), maar deze zou naar men
meende niet groot genoeg zijn om het gevaar af te wenden van,
bij een verhouding van 15.5 : 1, de gouden standpenningen
geheel te zien verdwijnen, gelijk de Gouden Rijders geheel ver
dwenen waren. Nam men haar te hoog aan dan dreigde wel
een ander gevaar n. 1. van grooten toevoer van goud en ver
dwijning van het volwichtige zilver, maar behalve dat men dit
wel eenigzins denkbeeldig achtte, met het oog op de eeuwen
lange ondervinding, had men ook daartegen een middel in art. 11,
dat o. a. de aanmunting van f 10-stukken aan de regeering
voorbehield momdat, zeide de minister, bij vrije aanmunting hier
van, hun getal de palen zou kunnen te buiten gaan, welke het
wijsheid is daaraan te stellen. Jammer dat de regeering zelf
noch de palen noch de wijsheid bleek te kennen. mBleef het
goud stijgen dan zou de souverein moeten uitmaken of het voeg
zaam was de waarde van den gouden standpenning te verhoogen.
Maar de heer SANDBERG, wars van al die beperkingen en die
onzekerheid, riep der regeering toe, dat men niets behoorde te

doen dan den gouden penning tot commerciepenning maken. Een

Wellicht dat deze hoogere waarde, die men hier aan het goud toekende, wel
gunstig influenceerde op de toegeeflijkheid der regeering om den Franc
op 0.47'/4 gulden te stellen; men achtte den Franc waard 4.542 gr.
f. z. en zijn werkelijke inhoud was 4.5 gr. met een verhouding van goud
tot zilver als 1 : 15.5;

4.5 : 15.5 = 4.542 : x, x = 15.6447, wat een verhouding aangeeft


van goud tot zilver tusschen 15.5 en 15.S7 : 1 in.

1) Zie v. SwINDEN t. a. p. bijlage C. bl. 64.


*) In tijd van woelingen en crisis wordt goud altijd zeer gewenscht.

VERDERE BEPALINGEN VAN HET ONTWERP.

91

raadgeving, die weinig ondersteund, niet werd opgevolgd, maar


voor welker juistheid de toekomst zou getuigen. ')
Intusschen regelde deze wet ook nog eenige andere punten:
art. 2 bepaalde de grootte der zilveren en koperen specin: de
Gulden en de halve Gulden, het 25-, 10- en 5-centstuk *), en
de Cent en de '/s Cent. Dit laatste muntje, nog kleiner dan de
vroegere Duit, viel niet in ieders smaak, althans prof. VAN
SwINDEN adviseerde er tegen, voornamelijk op grond dat de armen
er schade door zouden lijden. *)
Het gewicht en gehalte bepaalden art. 4, 5 en 6 en wel het
gehalte tot in duizendsten en het gewicht per stuk, niet als
vroeger de hoeveelheid per Mark.
De vaststelling van het gehalte is uit haren aard altijd wille
keurig, maar daarom kon men ook bij de ondervinding ter scholegaan.
Het zeer hoog te stellen is kostbaar voor de bewerking, daarenboven
is het verlies door afslijting grooter. Volgens den toemaligen Mini
ster van Financin wekt ook een hoog gehalte mde hebzucht op van
hen, die tegen de wetten in, de geldstukken smelten, zoodra zij er
1) Zeer terecht is o. a. door den heer SUERMONDT, Tijdspiegel 1845.
bl. 90, beweerd, dat de wet van 1816 eigenlijk slechts en standaard

aannam, al leerde de ondervinding dan ook dat zij alle rampen van den
dubbelen standaard mogelijk maakte.

*) ,,Zoodanig muntstukje is gemakkelijk, bevallig en van te meer


waarde bij ons, daar het in zeer ruime mate als aalmoes in de kerken

wordt geschonken. v. SwINDEN t. a. p. bl. 34.


*) v. SwINDEN t. a. p. bl. 37 ,,Hierin zie ik moreel geen nut, maar
wel eenig moreel nadeel. Het minst immers wat men nu als aalmoes
geven kan is een Duit en zoude bij het aanwezen van Cents, en Cent

zijn : en het getal nu van Duiten, dat men, zelfs in de rijkste steden
bij den openbaren godsdienst inzamelt is onbedenkelijk groot. Indien
er dus halre Cents waren, is het zeer waarschijnlijk, dat zeer vele van
diegenen, welke bij gebrek aan deze, een Cent zouden geven en zich nu
met een Duit vergenoegen, zich met '/s Cent tevreden zouden houden, en
het verlies zoude aanmerkelijk zijn.

92

GEHALTE DER

PASMUNT.

slechts eenig voordeel in zien')*). Een te laag gehalte daarentegen


schaadt wezenlijk aan de innerlijke muntwaarde. Men koos dus voor
den standpenning 0.893 *), wat ten naastebij bij onze naburen in
gebruik was en zeer goed voldeed. *) Voor de pasmunt moest
het lager zijn omdat dan een deel van de oude specie daartoe
kon vermunt worden zonder het kostbare fineeren noodig te
maken. Men moest echter boven 0.5 blijven, daar het metaal
mengsel van lager gehalte een koperachtige kleur verkrijgt. Men
koos dus 0.569. *) De stukken werden echter zoodanig geslagen,
dat zij de volle waarde in f: zilver inhielden.
De heele en halve Centen eindelijk, van zuiver koper, zouden
respect: 3.845 en 1.922 gr. wegen. *)
Art. 15 bepaalde, dat niemand meer dan '/s van eenige be
taling in zilveren pasmunt behoefde aan te nemen en niet meer dan
f 1.- in koperen. Een bepaling, die niet zeer gunstig afstak bij
') Ministriele redevoering van 18 Sept.
*) Dat voordeel is grooter of ontstaat eerder naarmate het gehalte
hooger en fineering dus onnoodig is.
*) De Gulden van 200 a. bleef behouden of liever werd hersteld,
het gewicht bepaalde men nu op een rond getal 7 engels hetgeen
echter 10.766 gr. is. Had men een gewicht van 11 gr. genomen
dan moest het gehalte worden 0.874, wat door het te groote ver

schil met dat der oude Guldens (10 penn. 22*/4 gr. of 0.9123) wellicht
wantrouwen zou kunnen wekken. (Geheel volgens advies van Prof. v.
SwINDEN).

*) Frankrijk had 0.9; Duitschland 0.884 0.83 voor de Thalers,


Pruisen 0.75 0.74. Onze oude Guldens werden dus het eerst versmol

ten om er andere standpenningen van te slaan. v. SwINDEN t. a p. bl. 21 Oct.

Ook bespaarde men door deze keuze eenige kosten van vermunting,
daar de te versmelten Francs een gehalte van 0.9 hadden,
*) De oude Vijfstuirerstukken hadden een gehalte van 7 penn. =
0.583, de Dubbeltjes van 6 penn. 20 gr. = 0.569.

*) de Duiten waren geslagen op 75 76 stuks per Mark dus +


69 a. per Duit. De rijzing van den koperprijs deed echter, omstreeks dezen
tijd, telkens gebrek ontstaan, derhalve kon men het koper wat lichter slaan.

NEGOTIEPENNINGEN. WET VAN 28 SEPT. 1816.

93

vroegere maatregelen van dien aard: in de wet van 1606 art.

23 immers vond men reeds een verbod om meer dan 10 %


in Schellingen te voldoen.

Men was het er algemeen over eens, dat in een goed geor
dend muntwezen negotiepenningen ) niet mochten ontbreken,
wier aanmunting uitsluitend voor rekening van particulieren moest
plaats hebben. *) Als zoodanig behield men den Zilveren Ducaat,
den Zilveren Rijder en den Gouden Ducaat alle, behoudens kleine

wijzigingen in den stempel, juist zooals zij eeuwen lang hadden


gecirculeerd. *), dus met latijnsche randschriften, *) hetgeen ook
voor de overige munten, van zekere zijde als zeer aanbevelenswaardig
werd voorgesteld. Immers Nederlandsch verstond niet iedereen.
Maar Latijn verstond bijna niemand en dit besliste.
Het aantal munthuizen en het toezicht op de zaken van de
munt bleven op afzonderlijke regeling wachten.
Na een vrij langdurig debat werd dit ontwerp in de 2e Kamer
aangenomen met 50 stemmen vr en 23 tegen op den 18"
Sept. *) en den 28" Sept. 1816 tot Wet verheven. *)
Derhalve had men den dubbelen standaard aangenomen, niette
genstaande 3 maanden te voren (22 Juni 1816) in Engeland juist
het tegenovergestelde beginsel was gehuldigd 7) in mAn act to
provide for a new Silver Coinage, and to regulate the currency

of the Gold and Silver Coin of this Realm. *)


') Art. 8.
*)

Art. 11.

*) Zelfs hun allooi bleef op de oude wijze uitgedrukt.

*) Art. 9.
*)

Staatscourant van 7 Oct. 1816 N. 238.

e)

Stbl. No. 50.

")

WARIN t. a. p. bl. 76.

*) (XI. ,,And whereas at various times heretofore the coins of this

Realm of Gold and Silver, have been equally a legal tender for pay

94

VOORNAME GEBREKEN.

Bovendien had men den Ned. Gulden in de Zuidel. provin


cin een waarde toegekend van 9.5238 gr. f. z. waar hij wette

lijk inhield 9.613, en den Franc, die 4'), gr. f. z. bevatte,


berekend op 4.542 gr. f. z.
Dit waren de twee hoofdfouten, die weldra, vooral in verband

met de ellendige uitvoering, groote onheilen veroorzaakten.


Men had door de wet van 1816 vier muntstelsels hier te

lande gekregen:

10. de Ned. Gulden van 9.613 gr. f. z. (art. 2)


2.

//

m 9.5238 m m m of

2,1164

/ rancs

(art. 15.)

30.

de Ned. Gulden op den ouden voet, die hoogstens nog


inhield 9.141 gr. f. z. doch veelal slechts 8.8 gr. f. z.
4. de Ned. Gulden als 'lio van het gouden tien guldenstuk,
met een waarde afwisselend naar de goudwaarde van den dag.
Wat geschiedde? Niettegenstaande des ministers verzekering')
werd onze zilveren munt versmolten en tot Francs vermunt. De

heer WARIN geeft een aardige redeneering hieromtrent: m. De


minister beschouwde de zaak niet in deszelfs geheelen omvang,
niet in verband met de verzendingen van zilver over den gehee
len aardbol, maar redeneerde enkel over den af- en aanvoer van

zilver, die tusschen Frankrijk en de Nederlanden kon plaats


hebben, als of Nederl. Guldens... niet jaren lang door alle
landen van Europa konden heen en weer vervoerd worden eer
zij weder het oorspronkelijk land bereikten......
ments to any amount, and great inconvenience has arisen from both those

precious metals being concurrently the standard measure of value, and


equivalent for property;...... the Gold coin of this Realum shall be......

the only legal tender for payments......


XII. ,,And whereas it is expedient that Silver coin of the Realm
should be a legal tender by tale, according to its denomination, to any
amount not exceeding the sum of forty shillings; etc.)
') Zie pag. 83 noot 3.

OORDEEL VAN WARIN.

95

,,Zoolang art. 15 der Wet van 28 Sept. 1816 blijft bestaan,


zal elken keer wanneer men zilver uit Nederland naar andere

landen te verzenden heeft, de Nederl. Gulden bij voorkeur boven


den Franschen Franc verzonden worden, terwijl wanneer men
zilver naar Nederland te verzenden zal hebben, men Fransche

munt bij voorkeur boven Nederlandsche derwaarts zal zenden.


Waaruit volgt dat de Nederlandsche Gulden zal verdwijnen.
mWat de minister zeide kan niet meer waar zijn zoodra de
muntmeester voor eigen rekening werkt.
mSedert het daarstellen der wet van 1816 is in de muntfabriek
te Utrecht veel Fransche munt versmolten en tot Nederlandsche

verwerkt. Er moet derhalve voordeel bij zijn, munt bij voor


keur boven zilver in baren te verwerken ) *) en wij moeten
in die gedachte versterkt worden, door het verwerken van uit

gezochte oude munt van den tijd der Republiek der Vereenigde
Nederlanden tot Fransche munt, hetwelk zeer druk in de munt

fabriek te Rijssel plaats heeft. *)


m Het voordeel kan nimmer meerder zijn bij ons, dan in Frank
rijk, dan alleen voor zooveel men in Frankrijk 7/93 van
het zilver onzer munt zuiveren moet om het gehalte der Fran
sche munt te verkrijgen, terwijl men bij ons slechts zilver van
gering gehalte of koper bij de Fransche munt behoeft te voegen
om het Nederl. gehalte te verkrijgen, mdoch deze bedragen ten

allerduurste 2 % dus over f 1 mill. slechts f 1505.38 terwijl


het voordeel, hetwelk men heeft bij het verwisselen van Francs
1) Wellicht gelegen in de zekerheid welke men heeft omtrent het gehalte.
2) ,,Want ik kan toch niet veronderstellen dat men Fransche munt ver
smelt, met oogmerk om deszelfs hoeveelheid in de Nederlanden te ver
minderen. Dit feit werd ook in de 2de Kamer in 1825 gememoreerd en

gebruikt als argument dat de verhouding van Franc : Gulden toch zoo
heel onbillijk niet zijn kon.
*) Zie o. a. het Verslag van de Centrale Afdeeling omtrent de ont
werpen, ingediend 11 November 1822.

96

STERKE AANMUNTING VAN

GOUD.

tegen Guldens, volgens art. 15 der Wet van 1816 op elk mil
lioen f 9279.11 bedraagt, zoo dat alles overigens gelijk staande,
wanneer de nieuwe munt uitgegeven zal worden, Frankrijk

f 7773.73 winnen zal op elk millioen Nederlandsche munt,


hetwelk in de Fransche muntfabriek zal worden verwerkt. )
Maar er was meer.

Het goud was op een waarde van 15.87 maal die van het
zilver gesteld, *) een verhouding, die weldra veel te hoog bleek
toen het goud vrij sterk in prijs terugliep. Had de regeering
nu de aanmunting zeer beperkt, dan ware een zeldzaamheids
waarde ingetreden die het Tienguldenstuk op zijn prijs had kun
nen houden, maar het tegendeel had plaats. De regeering niet
bestand tegen de aanmerkelijke voordeelen, die het slaan van
goud opleverde, deed zeer ruim munten, dreef daardoor het
zilver, ook zelfs veel afgesleten specie, naar buiten en veroor
zaakten steeds nieuwe vraag naar ruilmiddel, waaraan door goud
voldaan werd. *) In 1823 werd het recht van goud-aanmunting
verleend aan de Brusselsche Maatschappij ter bevordering van de
Nationale Nijverheid. Deze lievelingsschepping van WILLEM I
maakte een zeer ruim gebruik van dit privilegie en ontving
daarvoor nog wel een premie van f 530.227.36. )

') Zie verdere uitvoerige berekening bij WARIN t. a. p. bl. 68 v.


*) Daar in Frankrijk de verhouding van 15.5 : 1 was gehuldigd, was
de verhouding van Gulden tot Franc een andere in goud dan in
zilver.

*) In 1821 was voor de aanmunting van f 600 in zilver noodig


jf 612 en daarbij kwamen dan nog de muntkosten.
*) WRoLIK ,,Verslag van al het verrigte tot herstel van het Nederl.
Muntwezen 1853 bl. 14l.

Ik meen te moeten betwijfelen of de voorstelling hiervan, in het rapport


van de muntcommissie van 1836 gegeven, wel geheel juist is, daar wordt
gezegd: ,,Het gouvernement had autorisatie tot aanmunting van den

gouden standpenning verleend, doch hiervan was geen genoegzaam ge

SLECHTE UITVOERING DER MUNTWET.

97

Zoo kwam het dat in 1824 nog geen enkele nieuwe Nederl.
Gulden in omloop was gebracht, niettegenstaande bij de Wet van 27
Dec. 1822 aan het Amortisatie-Syndicaat de verplichting was opge
legd, (het was de tijd der kleine financiele politiek, van afzon
derlijke kassen en van amortiseeren terwijl er tekorten te dek
ken waren), f 12 mill. te storten tot verbetering der munt.
Heel hard had men zich dan ook niet gerept, want in Maart
1819 deelde de Koning, in zijn missive ter begeleiding van een
ontwerp mhoudende de regeling ter daarstelling en instructie

voor het Kollegie van Raden en Generaalmeesters der munt, ')


mede, dat men zoover met de voorbereidende werkzaamheden

gevorderd was, dat met den muntslag volgens de Wet van 1816
een aanvang kon gemaakt worden. Zoolang men wettig kon
bruik gemaakt; eindelijk werd in 1825 door de regeering de algemeene
Ned. Maatschappij te Brussel krachtdadig aangemoedigd tot een zeer
ruime aanmunting van denzelven.
') Art. 20l der Grondwet maakte een zoodanige wet noodzakelijk. Den
19" Mei 1819 (Stbl. 31) tot stand gekomen, verving zij de regeling van
11 Juli 1814 (Stbl. 78.)
De twee voornaamste wijzigingen waren, 1. de uitbreiding van het

collegie tot 6 leden en een Inspecteur-Essayeur-Generaal (art. 1), wat door


vAN HOGENDORP te veel werd geacht, met het oog b. v. op Frankrijk, waar
er slechts 3 waren voor 13 munthuizen en 240 bureaux van den waarborg
en 20 de instelling van 2 munthuizen, een te Utrecht en een te Brussel (art. 8).
De eerste n. l. was meestal bezig negotiepenningen te munten, die te Brussel,

waar reeds een dergelijke inrichting bestond, bleef behouden met het oog
op de vele te verwachten werkzaamheden en de besparing van transport
kosten hierdoor te verkrijgen.

Het valt niet te ontkennen, dat om deze

redenen aan het munthuis te Brussel eigenlijk slechts een tijdelijk karak
ter behoefde gegeven te worden, geheel overeenkomstig het advies van

Prof. vAN SwINDEN t. a. p. bl. 55. Toen men zoo oplettend was om
geen der beide deelen van het nieuwe rijk te kort te doen en daardoor

juist de kloof telkens verwijdde, zal men echter een dergelijk provisioneel
munthuis niet geacht hebben in overeenstemming te zijn met een gezonde
weegschaalpolitiek.

98

HARE GEVOLGEN.

volstaan met te betalen in de gangbare muntspecin naar tarief,


was de Ned. Gulden een rekenmunt en werd door de innerlijke
waarde dier oude specie bepaald. En van deze specie was gaan
deweg in de circulatie niets overgebleven dan zeer sterk ge
snoeide, afgesleten exemplaren ), zoodat de buitenlandsche wissel
zich naar het oorspronkelijk veel te hoog gewaardeerde goud
regelde. Guldens trof men na 1820 bijna niet meer aan ');
de Zeeuwsche Rijksdaalder 52 stuivers *) kon men beschou
wen als de beste munt, die men ontving en deze was bijna
5 /o minder waard dan de prijs waarvoor zij circuleerde. Hier
naar berekend hield de Gulden in 9.141 gr. f. zilver. *)
Bij dezen stand van zaken had men te kiezen tusschen twee
maatregelen: f een spoedige, geheele hermunting met aanne
ming van slechts een standaard, f ruime aanmunting van goud,
want hield men de gouden munt kunstmatig duur dan moest
zich de wissel richten naar de ellendige zilvermunt en ware het
te vreezen, dat zijn koers zeer aanmerkelijk zou stijgen.
Zoo werd

dus het

doel van de Wet van 1816 te eenemale

gemist, de verwarring werd vergroot en het goud in plaats van


het zilver tot standaard verkregen.

1) Zie de tabel van WARIN t. a. p. bl. 38.


Er was voordeel op om de gerande munt naar den vreemde uit te
voeren en alle niet gerande, die meer dan 9.252 gr. f. z. per Gulden
inhielden te versmelten. Toch schijnen vele dezer betere muntstukken
als potstukken bewaard gebleven te zijn, althans door de commissie tot
de behandeling van 's rijks muntmateriaal werd van 1845-49 alleen
aan oude Guldens voor f 22 mill. ingewisseld. Zij wogen gemiddeld 9.546 gr.

*) Vele waren naar O. Indi gezonden waar zij een agio van 5-7'/s /o
bedongen. ,

*) Sedert 1806 was hen deze koers weder verleend, hetgeen de Gul
den tot 9.374 gr. reduceerde, en toch kwam de handel daar niet tegen op.
*) Berekend naar de Zesdhalven bevatte de Gulden nog slechts 8,86
gr. f. Z., naar de 28-stuiverstukken 8.74 gr. f. z.

ONDERZOEK NAAR DEN TOESTAND VAN ONS MUNTWEZEN.

99

Naar aanleiding van eenige woorden door den heer v. ALPHEN

in de Tweede Kamer bij de behandeling der begrooting gebezigd,


gelastte de Koning in 1822 een bizonder onderzoek naar den
staat van ons muntwezen. Een opzettelijk overleg van het Munt

college met de heeren Prof. vAN SwINDEN en A. vAN DER Hoop


had toen plaats, de Minister van Financin ELoUT, graaf
G. K. VAN HoGENDORP en de muntmeester SUERMONDT gaven
memorin ten beste. En als resultaat hiervan verklaarde de minister

tot de overtuiging gekomen te zijn, dat de oude Generaliteits


gulden terecht bij de Wet van 28 Sept. 1816 als munteenheid van

het Koningrijk was aangenomen; dat van de bepaling der waarde


van dien Gulden, zooals de wet, die had vastgesteld, niet kon wor
den afgegaan; zoo mede, dat het bij de bestaande omstandigheden
niet te voorzien was, dat de nieuwe Ned. muntspecin tegelijk
met de oude zouden kunnen circuleeren, dat hij diensvolgens, in
overeenstemming met het gevoelen van het Collegie, erkende dat
ook hem geen beter middel van voorziening in dezen bekend was,
dan de reductie ten koste van het algemeen en alzoo buiten be
zwaar der individuele ingezetenen, van de oude specin, ten
einde dezelve op deze wijze in eene volkomene verhouding te
brengen tot de nieuwe. Een eerste gevolg hiervan was het
K. B. van 22 Nov. 1823 no. 47, waarbij de reductie van Schel
lingen en Zesdhalven en tevens de intrekking, versmelting en

hermunting van eenige der oude specin werd bevolen. Zoo


brak dus de zon een oogenblik door de dichte wolkenmassa heen.
Die Zesdhalven- en Schellingen waren zeker wel de zilveren
specie, die hier te lande het meest circuleerden, hun voorraad
scheen ontzaggelijk groot, want vele betalingen geschiedden enkel

in deze munt. De eerste waren + 8 "I, de tweede bijna 16 %


nominaal meer waard dan innerlijk.

Een zoodanig voordeel op

de fabrikatie bleef niet onopgemerkt in het buitenland en het


schijnt dat er destijds fabrieken bestonden, o. a. te Birmingham,
waar deze munten vervaardigd en kunstmatig oud gemaakt wer

100

REDUCTIE VAN ZESDHALVEN.

den om vervolgens in vaatjes verpakt, hier te worden ingevoerd. 1)


Hoe dit zij, men achtte een reductie tot 5 stuivers noodzakelijk
en ging den koninklijken weg om alle dergelijke munt inwissel
baar te stellen. Doch op welk een wijze!
Voor iederen Zesdhalfdien men toonde, en waaronder menig stuk
meer waard was dan 5 stuivers, ontving men 2'/3 cent en men
behield den Zes/half, die echter van geen merk voorzien werd.
Een ontzaggelijke hoeveelheid, veel meer dan men had kunnen
berekenen, werd ingewisseld n. 1. voor f 36 millioen. Van
dezen voorraad, die nooit in ons land geslagen werd *), kreeg
het buitenland de schuld, maar naar het schijnt gedeeltelijk
ten onrechte, want bij de latere intrekking dezer munt
in 1848 werden slechts 20.790.744 stuks, dus voor een
waarde van ruim f5 mill. *), aangeboden en aan een zoo
grooten uitvoer tusschen deze jaren valt wel niet te denken.

Mogelijk is derhalve dat buitenslands eenige millioenen zijn ge


slagen, hoogst waarschijnlijk is het, dat door de verregaande
onpractische wijze waarop de reductie plaats had, menig stuk twee
of meermalen is aangeboden. Zekerheid is daaromtrent echter
niet meer te verkrijgen, aangezien de documenten op die ver
wisseling betrekking hebbende zijn zoek geraakt. Deze maatregel
kostte ongeveer f 3.272.000 en daarvoor had men niets ver
kregen dan het bewijs, dat de regeering wel verbetering wilde,
maar niet in staat was haar te bewerken.

Immers mdoor zulk

een maatregel kon men geen muntverbetering daarstellen. De


Schellingen en Zesdhalven waren slordig gemunt, hunne waarde
was zeer ongelijk, een groot gedeelte was veel meer waard dan

') Men zie de redevoering van den min. van fin. BEELAERTs vAN
BLOKLAND in de 2de Kamer. Maart 1839. (Staatscourant 10 April N. 85.)

*) Van 1651-1797 is volgens de muntbusopeningen geslagen voor


een bedrag van f 19.576.679.10.
*) VRoLIK, t. a. p. bl. 107.

oNTwERP VAN 25 FEB. 1825.

101

25 cents, een ander gedeelte veel minder. ') Die ongelijkheid


bleef natuurlijk bestaan, en nu werden alle die meer waard
waren opgewisseld en versmolten; en het gedeelte dat in omloop
bleef was slechte munt *), die de waarde niet had waarop zij
Illl gesteld was. *)
Den 25" Febr. 1825 nam men een maatregel, die onmisbaar
was, indien men de Wet van 1816 alsnog wenschte uit te voeren:
mIn aanmerking nemende, dat tot het invoeren van het

nieuwe Ned. muntstelsel, bij de Wet van 28 Sept. 1816 vast


gesteld, het tijdstip nadert *) en overwegende, dat de wettelijke
koers van de Fransche munt daartoe moet ophouden, op ge
schikte en billijke voorwaarden, zoo werd bepaald, dat aan de
oude Fransche munt en aan den Frame de wettelijke koers bij
y

art. 14 en 15 van de Wet van 1816 verleend, ontnomen zou

worden, op een tijdstip door den Koning te bepalen, vr 1 Jan.


1826. Voor dien tijd zou gelegenheid worden gegeven tot in

1)

1000 stuks Zesdhalven wogen 4.424 K.G., terwijl zij om de waar

de van f 250 te hebben slechts 4.315 K.G. behoefden te wegen, gemid.


deld waren zij dus */1oo per stuk zwaarder en dit had kunnen dienen
als tegemoetkoming in de kosten der hermunting, indien deze terstond
daarop gevolgd ware.
*) In 1839 wogen de 1000 stuks nog slechts 4.079 K.G. en moest

dus bij hermunting op nieuw een verlies van + 2 cent per stuk ge
leden worden.

*) Zie ,,Nederlands muntwezen door J. ACKERSDIJCK. Utrecht 1845


bl. 11.

*) En waarlijk de noodzakelijkheid drong. Volgens een tabel bij WARIN


t. a. p. bl. 3S, waren de f 3- en f 1-stukken gemiddeld 2.3 /o, de Duca
tons 4'/s %, de Zeeuwen 4.9 /o, de oude Holl. en Bourg. Kruisrijksdaalders .
5.48 %, de Daalders 5*/, "o, de Zesdhalven 7.8 %, de Achtentwintigen
9.1 "/o, de Schellingen 16 "/o en de Dubbeltjes en Stuivers 34"/o beneden
de nominale waarde.

102

KAMER-DEBAT.

wisseling van Fransche gouden en zilveren onbesnoeide en gang


bare munten tegen nieuwe Nederlandsche of tegen oude munt

specin van de Zuidelijke provincin, aldaar in omloop blijvende,


volgens art. 14 der Wet van 1816. De inwisseling zou ge
schieden tegen 47'/4 cent den frame. Over dit ontwerp bracht
de centrale afdeeling den 21" Dec. 1824 1) haar verslag uit;
slechts weinig belangrijke
zeer terecht was door vele
nog wel uitvoerbaar was,
de nieuwe Nederlandsche

aanmerkingen waren gemaakt, maar


leden gevraagd of de Wet van 1816
en werd op het gevaar gewezen, dat
munt naar Rijssel verzonden, daar

tot Fransche vermunt zou worden.

De discussie in de 2e Kamer werd geopend op den 10" Jan.


1825 te Brussel. *) Vooral de Zuidelijke leden bestreden de
voordracht: op grond van het nadeel hierdoor aan den handel
met Frankrijk toe te brengen, door den onzekeren koers der munt;

waartegen echter zeer terecht werd opgemerkt, dat daardoor wel


duidelijk in het licht werden gesteld de gemakken van een in

ternationale munteenheid, maar dat het hier de quaestie gold


een eigen nationale munt te verkrijgen, dat deze, overal en
altijd buitenslands, alleen naar de innerlijke waarde werd bere
kend *) en dus aan koers onderhevig was, dat bovendien de
belemmering, die dit opleverde niet groot was en dat een nati

1) Staatscourant 4 Jan. 1825 no. 3.


*) Staatscourant 13 Jan. 1825 no. 11.

*) Zie o. a. de woorden van FocKEMA den 10en en 11en Jan. 1825


in de 21e Kamer gesproken (Staatscourant 23 en 27 Jan. 1825). Een zeer uit
nemende redevoering, waarin echter n groote vlek is aan te wijzen n.. l.
waar spreker de papiercirculatie als schadelijk brandmerkt, omdat zij goud
en zilver uit het land drijft, en de waarde der dingen verhoogt. Alleen
oninwisselbaar papier kan, bij overmatige uitgifte den prijs der zaken merk

baar doen stijgen. Zeker is het onjuist uitvoer van goud en zilver scha
delijk voor een land te achten.

VOOR- EN TEGENSTANDERS.

103

onale munt een nauwer aaneensluiting der deelen kon bewerken. ')
Voor het gevoelen van de voorstanders pleitte bovendien krachtig
de omstandigheid, dat door deze voordracht de vrees verviel voor
uitvoer of versmelting van de meerwaardige Nederl. specie, zoodra

zij werd in omloop gebracht, indien n.. l., gelijk men meende te
mogen veronderstellen, de aanmunting van goud in zeer beperkte
mate plaats had. *) Zij behoefden wel dien steun, want de Zui
delijke phalanx van tegenstanders werd nog versterkt door mannen
van naam uit het Noorden, voor wie de voordracht op zich
zelf beschouwd welkom moest zijn, maar die haar, in verband
gebracht met de daarop te baseeren eindelijke uitvoering der Wet
van 1816, afkeurden.

Daaronder bevond zich ook de heer WA

RIN *), wien de beginselen in die wet gehuldigd, een doorn


in het oog waren.
*) Tot nog toe had het eene land, twee muntstelsels en twee afzon

derlijke wisselkoersen.
*) Hetgeen tot op dat oogenblik niet het geval was geweest, terwijl
ook weder in 1825 voor f 60 mill. aan goud in omloop werd gebracht.
*) In zijn Bedenkingen over het muntwezen in 1824 schreef hij:
,,Het Gouvernement heeft meermalen blijken gegeven, dat hetzelve
bezorgd is middelen tot herstel van het muntwezen te vinden en in wer
king te brengen. Om het kwaad te boven te komen dient men niet
hetzelve te verbloemen, men dient het onbeschroomd te durven aanschouwen
en in deszelfs hart te durven aantasten.

Het was nu blijkbaar den wensch van W., de regeering door het onhoud
bare van den toestand te dwingen, de uitvoering der muntwet van 1816

op te geven en betere beginselen vast te stellen. Immers het was zijn


groote vrees, dat men op den tegenwoordigen weg van kwaad tot erger
en eindelijk tot papierengeld zou komen. Wel was ons muntwezen al
vele jaren in slechten toestand, en was dit onheil tot nog toe niet ge
schied; maar zoolang de Amsterdamsche wisselbank bestond en de meeste

wisselbrieven in bankgeld werden betaald, zoolang de staten ruim guldens


en de particulieren ruim negotiepenningen deden munten en zoolang niet
de Franschen in 1811, 12 en 13 voor millioenen onzer beste munt hadden
uitgevoerd en in 1816-1820 het overschot naar Indi was gegaan, zoo

] 04

INWISSELING VAN DE FRANCS.

Met 47 tegen 42 stemmen werd de voordracht den 11" Jan.


1825 door de 2e Kamer aangenomen en den 25" Febr. daar
aanvolgend tot wet verheven.
Het tijdstip waarop de wettelijke koers der Fransche munt

specin in de zuidelijke provincin zou ophouden werd daarop, inge


volge art. 1 der wet, bij K. B. van 13 J/ei ') vastgesteld op
14 Juni 1825; gelegenheid tot inwisseling van onbesnoeide
Fransche munt tegen nieuwe Nederlandsche op den voet van
47', cent per franc werd gegeven van 6-13 Juni nter the

saurie van de Algemeene Ned. Maatschappij ter begunstiging


van de Volksvlijt te Brussel en bij de agenten dezer inrichting.
Zoo was dan een der hinderpalen voor de eerlijke uitvoering der
wet van 1816 uit den weg geruimd.
Maar was het der regeering nog wel ernst met die uitvoering?
In de laatste jaren had men in zilver niets dan pasmunt gesla

gen, maar wel eene groote hoeveelheid goud aangemunt; de


uitdrukkelijke verklaring bij art. 11 der Wet van 1816 afgelegd,
werd dus niet meer nagekomen. De veranderde inzichten aan

gaande de uitvoering der muntwet brachten het begrip met


zich van het belang eener meer aanzienlijke en krachtdadig

lang waren die guldens en negotiepenningen de munt van ons land, want
niettegenstaande den uitvoer bleef er nog wat over. Was er niet sinds
1648 voor + f 500 mill. gemunt!
Hij beschouwde (zie zijn vroeger gemeld advies in de Commissie voor
het muntwezen in 1836) als het eenige juiste muntstelsel dat, hetwelk
de Gulden van 9.5238 gr. (gelijkstaande met den Brabandschen wisselgul
den door het Fr. gouvernement getarifeerd) tot eenheid had, en deze
voordracht nu beroofde de regeering van een zeer goede munt, waarvan
men gedurende de vermunting gebruik had kunnen maken ,,nadat men

de hoeveelheid fijn zilver, die de Gulden moest inhouden, op eene be


staanbare wijze zoude hebben geregeld, d. w. z. vastgesteld op 9.5238 gr.
') Staatscourant N 118 van 20 Mei 1825.

INVOERING VAN

HET GOUDEN VIJFGULDENSTUK.

105

doorgezette munting van gouden f 10-stukken met terzijde


stelling van den muntslag van Guldens en Drieguldens. Niet
zoozeer de aanmunting van het goud op zich zelve was af te
keuren, als wel het feit dat die gouden munt te licht werd geslagen
en dat dit geschiedde onder den dekmantel van de uitvoering van
de Wet van 1816, waarbij als beginsel de zilveren standaard was
aangenomen. Wellicht ware het mogelijk geweest, dat gaande
weg bij gunstige gelegenheid, de hoeveelheid gouden munt sterk
verminderd ware, en zilver-aanmunting zonder verlies had kunnen
plaats hebben om aldus de hoofdgedachte van deze muntwet te
verwezenlijken. Doch, de regeering bevond zich zeer wel bij de
goud-aanmunting, zij ging daarmede voort en de vertegenwoor
diging steunde haar, zooals bleek uit de Wet van 22 Dec. 1825
Stbl. N. 80, waarbij het gouden f 5-stuk werd ingevoerd ge
slagen op den voet van zijn dubbeltal. Het ontwerp, den 20" Oct.
1825 aangeboden, werd aanbevolen omdat de gouden standpen
ning van f 10 sedert eenige maanden bijzonderlijk in omloop
gebracht was en de algemeene invoering van het Nederlandsche
muntstelsel, daardoor zeer bevorderd werd, terwijl bovendien
de oude zilveren munten verminderd waren 1) en de vermenig
vuldiging der nieuwe Ned. zilveren specie tijd vorderde om alle
de behoeften te vervullen.

Intusschen moest er naast het f 10-stuk voldoende specie


van geringere waarde zijn en instelling van een gouden onderdeel
van het stuk van f 10 scheen raadzaam. Het ontwerp, werd
dus aangeboden ter bevordering van het algemeen gerief der
ingezetenen. Tegen de zaak zelve had men in de afdeelingen
geen bezwaar. *) Men sprak de wenschelijkheid uit, dat aan beide
1)

Een niet zeer eerlijke voorstelling; ongetwijfeld zou versmelting en

nieuwe muntslag veel minder gekost hebben dan deze uitdrijving van de
beste der afgesleten munt door minwaardig goud.

*) Slechts en lid maakte de opmerking, dat ,,de daarstelling van een aan
zienlijke hoeveelheid gouden specie, niet bevordelijk kon zijn aan de

106

ZILVER VERMUNT TOT PASGELD.

Munthuizen met de aanmunting van zilver beneden den gulden,


waarmee men de pasmunt bedoelde, zou voortgegaan worden
en de minister beaamde dit ten volle. ') Ook bij de openbare
beraadslagingen den 10" Nov. in de 2" Kamer viel slechts wei
nig belangrijks voor, alleen de heer van ALPHEN waagde een
invoering van het Nederlandsche muntstelsel. En de min. van fin. APPE
LIUs durfde daarop te antwoorden, ,,dat de wet van 1816 gouden en
zilveren standpenningen had bevolen omtrent welker gelijken omloop in
de verordeningen van deze wet geen onderscheid hoegenaamd was op te
merken. Dat derhalve beide die standpenningen even regelmatig als
maatstaf konden

dienen voor de overeenkomsten en dat dus door het

daarstellen van gouden munt, (altijd vergezeld van de hoeveelheid zil


veren munt, die de voldoening van handelingen van onderscheiden aard

vereischt) werkelijk de invoering van het Nederlandsche muntstelsel werd


te weeg gebracht.

Dat door de aanmunting en uitgifte van een aan

zienlijke hoeveelheid stukken van f 10.-, dat stelsel was ingevoerd tot
op een hoogte, die men te vergeefs zoude hebben trachten te bereiken
door het aanmunten van zilveren standpenningen, waarvan de daarstelling

tot een gelijke waarde, wat de massa betreft, zooveel omslachtiger zoude
zijn geweest en aanmerkelijk meerder tijd zoude hebben gevorderd. Dat
men het er derhalve voor hield, dat de bijvoeging van het stuk van f 5.
tot dat stelsel, de gelegenheid zou daarstellen om door de aanmunting
en uitgifte van een bekwame hoeveelheid van deze stukken, verccnigd
met de voortdurende aanmunting van zilver (n. l. pasmunt) ,,dat stelsel
meer en meer in volkomen werking te brengen.
Hoezeer deze voorstelling afweek van de waarheid, behoeft hier niet
te worden herhaald.

Men zie hieromtrent ook de uitspraak van den heer P. C. G. PoEL

MAN, inspecteur-essayeur-generaal in zijn afzonderlijk advies, (bl. 7 en 8)


gevoegd als bijlage bij het rapport door de speciale muntcommissie van
1836 uitgebracht.

1) ,,En nu wisten dan toch de Staten-Generaal, en een iegelijk, dat,


volgens art. 18 der meer gemelde muntwet van 1816, niemand verpligt
is: ,,om meer dan 1/s gedeelte van hetgeen aan hem moet voldaan worden
aan te nemen in stukken van 25-, 10- en 5-cents. bl. 13 Bijlage A.
Rapport der muntcommissie van 1836.

BESTRIJDING VAN VAN ALPHEN.

bestrijding.

107

Hij verwonderde zich, dat een dusdanig voorstel,

dat het herstel van den zilveren standaard met den Gulden van

200 a. als eenheid meer en meer onmogelijk maakte, zoo weinig


belangstelling wekte. Want de Wet in 1816 kende wel twee
standpenningen, maar slechts een standaard, n munteenheid
n. 1. de Gulden van 200 a. en bij het opstellen der wet had
men, de Fransche tekst duidde het vooral helder aan aan het

gouden f 10-stuk slechts een legalen koers toegekend. Aan twee


standaards dacht men niet, want de onkundigste wist toen zelfs
al, dat er geen vaste waardeverhouding tusschen goud en zilver
kan bestaan. De Wet van 1816 had het gouvernement het
recht gegeven om gouden f 10-stukken in omloop te brengen

tegen den legalen koers, maar daarboven ging natuurlijk de


plicht om den zilveren standaard, de munteenheid, den maatstaf
van alle waarde, in stand te houden. Tot op de inwisseling der
Francs was aan uitvoering van de Wet van 1816 niet te denken
geweest. De regeering had om tot dien maatregel te kunnen ge
raken het gouden f 10-stuk gebruikt, maar thans was die hulp
niet meer noodig en was het hoog tijd te zorgen dat de zilveren
standaard werd ingevoerd, in plaats van verdrongen te worden
door een gouden, waardoor de waarde der munt verlaagd
werd 1)').
') Jammer dat de heer v. ALPHEN niettegenstaande zijn juiste denk
beelden zich niet wist los te maken van het toen vrij algemeen versprei
de gevoelen, dat goud altijd een vaste waarde had en dat het zilver
alleen afwisselde; men zie ook het rapport van de Commissie van 1836.
(pag. 110.)
2) Het goud deed toen 14 lo agio, d. i. 1 K.G. goud kostte f 1442.60
+ 14 %, dus f 1644.56.
Het zilver kostte per K.G. fijn (op een gehalte van 0.893) f 105.

1000 stuks van f 10 bevatten 6.729 KG. goud op een gehalte van
0.9, of 6.656 K.G. fijn goud, en hadden derhalve een waarde van
6.656 X f 1644.56 of f 9959.64.

108

OPINIE VAN WARIN.

Het maakt een eenigzins vreemden indruk den heer WARIN


voor dit ontwerp te hooren spreken, maar zijn gronden waren
dan ook louter argumenten van convenientie: hij achtte terug
keer tot den zilveren standaard, waar reeds voor meer dan f 50
mill. goud in circulatie was gebracht, onmogelijk. Het was
hem bovenal te doen om en standaard, onveranderlijk zooveel
mogelijk, opdat men gevrijwaard werd tegen verdere verminde
ring van de intrinsieke waarde van het geld, maar of die stand

aard nu de gouden of de zilveren was, achtte hij van minder


gewicht. Voor alles beschouwde hij de Wet van 1816 als
gevaarlijk en deze werd feitelijk hierbij op zijde gezet.

Maar juist daarom vond de heer VAN ALPHEN geen vrijheid


zijn stem te geven aan deze voordracht, hij had te veel eerbied
voor de bestaande wetten.

,,Onze zilveren specie werd middelerwijl hoe langer hoe slech


ter, te meer daar de regering het besnoeien met onverschilligheid
aanzag en toen zij eindelijk de muntsnoeijers wilde gaan vervol
gen ontstond er verschil over de vraag of de strafwet op hen

toepasselijk was. Zij werden door de gerechtshoven vrijgesproken,


terwijl de minister van justitie beweerde, dat zij behoorden ter
dood veroordeeld te worden. *)

Eerst in 1836 kwamen wette

lijke bepalingen op hen toepasselijk, tot stand.


Intusschen was men zich zeer goed bewust, dat de toestand
van ons muntwezen niet zeer benijdenswaardig was, en hadden
de politieke verwikkelingen in 1830 niet aller aandacht en

f 10.000 in zilveren Guldens van 200 a. bevatten 107.66 K.G. zilver


op een gehalte van 0.893, of

95#

K.G. fijn, en hadden derhalve een

waarde van 95# x f 105 of f 10.094.70. Men moest dus 101 gulden
380

geven om 100 Guldens van 200 a. te verkrijgen.


*) AcKERSDIJCK ,,Nederlands Muntwezen 1845 bl. 13.

MUNTCOMMISSIE VAN 1836.

109

krachtsinspanning gevergd, zeker ware reeds toen een onderzoek

ingesteld naar de oorzaken der bestaande zwarigheden en naar de


middelen tot hunne opheffing. 1) Thans kon dit eerst in 1836
geschieden. Een K. B. van 15 April van dat jaar benoemde
een speciale commissie *) om den toestand van ons muntwezen
te onderzoeken en tot herstel de noodige voorstellen te doen. 1)
Zij bracht den 23" Nov. haar verslag uit en begon met de ver
ontschuldiging, dat de ernstige overwegingen, welke de bizondere
omstandigheden van ons muntwezen vorderden, de beraadslagingen
veel langer hadden gerekt dan zij zelve had durven voorzien of
kunnen berekenen.

Haar belangrijk verslag, dat nooit in druk is verschenen en


daarom hier met eenige meerdere uitvoerigheid dan anders zou
te verdedigen zijn, zal worden behandeld, was in drie hoofd
stukken verdeeld, en behelsde 1 de gebreken van het munt

') Althans na 1830 had de 2" Kamer telkens in hare processen-ver


baal den wensch uitgedrukt, dat er verbetering mocht komen in den ellen
digen toestand van ons muntwezen.
*) Als leden werden aangewezen
de heer A. v. GENNEP,

,,
,

,,
,,

P. PoELMAN,
A. WARIN,

Staatsraad als Voorzitter

Inspecteur-Essayeur-Generaal
lid van de 2de Kamer.

,,

,,

C. BEERENBROEK,

,,

,,

J. de LEPEL,

,,

,,

H. CRooCKEwIT, Secret. van de Ned. Bank

,,

,,

J. B. Stoop, die evenwel bedankte.

*) Om den Koning te dienen ,,van consideratin en advies, omtrent de


meest gepaste middelen, om het Nederlandsche muntstelsel verder tot

stand te brengen; voorts aangaande de wijzigingen, die in de bestaande


wettelijke verordeningen, omtrent dat onderwerp, raadzaam mogten voor
komen en eindelijk opzigtelijk de maatregelen, die onder zoodanige wij
zigingen, geschikt zouden mogen geoordeeld worden, om de algemeene

uitvoering der verordeningen, binnen een niet te ruim tijdvak en zonder


een voor de geldmiddelen al te drukkend bezwaar, te verzekeren.

110

HAAR RAPPORT.

BESTAANDE GEBREKEN.

stelsel, bij de Wet van 1816 geregeld en den bestaanden toestand;


2 een voordracht tot regeling van een gewijzigd muntstelsel en
3 eenige overgangs-maatregelen.
Haar kritiek op de Wet van 1816 was niet zeer waardeerend.
Reeds in de eerste paragraaf gaf zij de wenschelijkheid te kennen
om n standaard te bezitten, vervolgens wees zij op den nadee
ligen invloed, die de te hooge koers van den Franc op onze
munt had gehad, een invloed, die niet meer kon worden geneu
traliseerd door het ontnemen van den wettigen koers aan den
Franc in 1825.
Een derden

grooten misslag zag zij in de onjuiste waardeverhou

ding, die tusschen goud eu zilver was aangenomen: immers


terwijl Frankrijk die verhouding op 15.5 : 1 als gemiddelde had
vastgesteld, had men bij ons, (om vroeger gemelde redenen)
15.87 : 1 gekozen, wat in verloop van de 19 jaren te hoog bleek
te zijn, daar het gemiddelde voor de ongemunte 1) metalen was
15.75 : 1.

Dit maakte het bestaan voor onze zilveren stand

penningen onmogelijk. *) Het hier genoemde bezwaar was slechts


een gevolg van den dubbelen standaard.
Ten 4" was de uitvoering der wet allergebrekkigst geweest;
van krachtig aanmunten van nieuwe, en intrekken van oude zil

1) Daar de muntkosten van het zilver hooger zijn dan van het goud
was derhalve 1 : 15,5 vrij juist.

*) Tot zoover is de redeneering der commissie volkomen juist, maar


dan volgt een passage die zeer zwak is:
-

Had men twee standaarden willen hebben dan had men eerder het

goud dan het zilver te laag moeten waardeeren; ,,want in het gemeene
leven kan men den gouden standpenning behouden door middel van agio
wanneer dezelve te veel waard is, doch de zilveren standpenning, gelijk
dit hier te lande ondervonden is, verdwijnt zoodra dezelve in verhouding
tot den gouden standpenning meer waarde inhoudt dan den betrekkelijken
marktprijs der beide metalen in baren.

PLAN TOT MUNTREGELING.

111

veren specie was geen sprake, zoodat er gelegenheid was om steeds


de zwaarste stukken uit te zoeken en te versmelten en de snoeiers

hun handen ruim hielden. Bovendien werden vele gerande Guldens


naar Java gezonden, waar men niet anders dan ongeschonden

munt wilde aannemen. Dat in dezen toestand de regeering de


goudaanmunting sterk bevorderde, zoodat in 1836 aan goud reeds

meer dan f 133 millioen was geslagen en deze munt als regula
teur van den wissel optrad, kon de commissie maar half goed
keuren en veel wenschelijker had het haar geschenen indien het
goud slechts in beperkte mate had gecirculeerd, aan den Franc
de wettelijke koers van 47'/, cent terstond ontnomen ware en
men de zilveraanmunting met kracht had voortgezet, zoodat de
oude specie spoedig had kunnen worden ingewisseld en het zilver
onze werkelijke standaard ware gebleven. ')
-

Maar de commissie leverde nog iets beters dan afbrekende


kritiek. In haar 2" hoofdstuk gaf zij een plan voor een nieuwe
muntregeling, en dat was ongetwijfeld het belangrijkste deel van
haren arbeid. Getrouw aan haar, in het eerste hoofdstuk ont
wikkeld gevoelen, stelde zij voor, het beginsel van den enkelen
standaard te huldigen. Hoemeer zij dit vraagpunt overdacht en
onderzocht had, des te meer was zij tot de overtuiging gekomen,
dat de dubbele standaard in strijd was met een goed en blij
vend muntstelsel. Wel had Frankrijk, dat geacht werd het beste
muntstelsel te bezitten, beide standaarden aangenomen, maar tot
hiertoe had het gebruik dit verkeerde beginsel zoo gewijzigd,
dat alleen het zilver standaard was en het goud zelden of nooit
tot groote handelsbetalingen werd gebruikt.

Doch de commissie durfde niet een plotselingen overgang tot


den enkelen standaard aan te bevelen.

')

Uit den aard der zaak kon den heer WARIN zich daarmee niet

vereenigen. Zie zijn denkbeelden toen ontwikkeld, pag. 78 en 103 noot 3.

112

ZILVEREN STANDAARD.

Er was ontzaggelijk veel gouden munt geslagen ') en dit kon


thans bij de inwisseling der oude zilveren specin uitnemende
diensten bewijzen. Een tijdvak van overgang alzoo achtte zij
onontbeerlijk.
Intusschen had zij door dit advies reeds haar voorliefde voor
den zilveren standaard getoond. Langen tijd waren vele leden
sterke voorstanders van het goud geweest *) m maar bezwaren van
hoogere waarde in de oogen dezer leden hadden hun gevoelen
eindelijk tot het zilver doen overhellen. *) Een lid echter, de

inspecteur-essayeur-generaal P. C. G. PoELMAN, volhardde bij zijn


eens geuitte meening en wel op grond van een aantal practische
redenen, die hij, in een bij het rapport gevoegde bijlage A,

uitvoerig uiteenzette *), al erkende hij, dat de zilveren standaard


1)

Van 1S16-36 circa f 133 millioen, in den loop van dat aar nog

met f 81/3 mill. vermeerderd, waarvan echter veel in het buitenland ver
toefde.

*) Zooals in Engeland bestond. Daarnaast zou dan zilveren pasmunt


noodig zijn op lageren voet geslagen dan de evenredigheid in waarde tot
den standpenning zou aanwijzen en tot beperkt bedrag aan te nemen.
*) Volgens een advies van dr. v. BEEK van 1843 en vooral op aan
drang van de Nederl. Bank.
*) 1". De muntwet van 1816 kon dan wat het goud betrof onver

anderd blijven, hetgeen een groot voordeel zou zijn daar deze specie reeds
feitelijk standaard was, terwijl zoo men den zilveren standaard koos de grooto
hoeveelheid gouden munt toch niet gedoogde vooreerst aan geheele intrek

king dier munt te denken, zoodat zij wettelijk als negotiepenning, feite
lijk naast het zilver tegen vasten prijs, in omloop zou zijn, en men der
halve het voordeel op de goud-aanmunting zou derven, maar het nadeel
van standpenningen in twee muntmetalen behouden.
2. De groote hoeveelheid aangemunt goud zou de invoering gemak

kelijk maken en zeer te stade komen bij de intrekking van de oude zil
veren specie.

3". Men zou slechts een deel van het oude zilver tot nieuwe pasmunt
behoeven te vermunten, de rest tot baren versmolten, kunnen verkoopen
tegen goud.

BEZWAREN TEGEN HET GOUD.

113

in ons land, waar men gewend was aan een zilver-circulatie,


aanbevelenswaardig zou zijn, indien het gold een geheel nieuw
muntstelsel in te richten. Doch zoover wenschte de regeering
niet te gaan; aan de commissie was opgedragen het doen van voor
stellen om door een verandering in de Wet van 28 Sept. 1816 het

Nederlandsch muntstelsel verder tot stand te brengen. Het meeren


deel der commissieleden nochtans, zag geen bezwaar in een ietwat
ruimer interpretatie dezer opdracht en was van gevoelen voor
zulk een belangrijk en ingrijpend onderwerp een stelsel te moe
ten aanbevelen, dat niet tijdelijk, maar wel duurzaam het best was.
Weifeling in de beginselen van het muntwezen achtten zij
zeer nadeelig.
Tal van bezwaren tegen den gouden standaard, als zoovele
aanbevelingen voor den zilveren, werden aangevoerd, waaronder
vooral het gevaar van een plotseling verdwijnen van de tot
den omloop noodzakelijke metalen munt een groot schrikbeeld
was. Goud toch, als van kleiner omvang, kon eerder uitgevoerd
worden dan zilver ') En zoodra slechts eenige uitvoer bespeurd
werd, zou ieder zijn goud bewaren om in geval van nood geld
te hebben. De Ned. Bank zou door aanvragen van specie ge

dwongen worden, haar circulatie sterk in te krimpen, hetgeen


de moeielijkheden zou vergrooten *). Door het verdwijnen van
den gouden standpenning zou in de behoefte van de circu
latie moeten worden voorzien door de zilveren pasmunt, die
op nominale waarde in circulatie was. De hoeveelheid daarvan
noodig, thans op f 20 mill. geschat, zou dan sterk worden uit
*) Voor Engeland kon zoo iets wellicht voordeelig zijn; niet voor ons
land, waar bijna geen goud- en zilverhandel werd gedreven, Engeland immers
had door zijn industriele ontwikkeling bijna steeds een saldo van het
continent te vorderen, hetgeen in metaal werd aangezuiverd, bij ons was
dit geenszins het geval.

*)

Dus volkomen de werking van een crisis. Deze voorstelling schijnt

wel wat erg zenuwachtig en overdreven.

114

INVLOED VAN DE CRISIS VAN 1S36.

gebreid en de zilveren pasmunt feitelijk als minwaardige zilveren


standpenningen voor alle betalingen gelden 1). Het opgespaarde
goud zou met voordeel worden uitgevoerd en de wisselkoers zeer
in ons nadeele gewijzigd worden.
En als men, om dit te voorkomen, de innerlijke waarde der
pasmunt aan haar nominale gelijk maakte, dan verkreeg men
weder twee standaarden *).
De invloed, die de crisis van 1836 op deze zienswijze uitoefende
valt niet te miskennen. Vooral Engeland werd zwaar geteisterd
en de voorstanders van het zilver lieten deze gelegenheid niet
voorbijgaan om te wijzen op de waarschijnlijkheid, dat men daar
weldra door de omstandigheden zou worden gedwongen den gou
den standaard te verlaten. *)

1) Maar aangezien niemand deze voor een groot bedrag behoefde aan
te nemen, zou reeds lang vor zulk een uiterste bereikt werd, het gouden
metaal met groot voordeel tot munt kunnen worden geslagen en de be
talingen van buitenlandsche schuld zouden door de sterke daling der goe

derenprijzen hier te lande volgaarne in producten worden aangenomen,


De bewering der commissie, dat men hier zoozeer aan zilver gehecht

was, dat in het binnenlandsch verkeer de pasmunt, ook voor groote bc


talingen, boven de gouden standpenningen zou worden verkozen, schijnt
wel eenigzins gewaagd.

*) Tot mijn leedwezen is het mij niet mogen gelukken het klemmen
de dezer redeneering te vatten. Moest ik in deze zaak partij kiezen
ik zou mij terstond, zonder mij te doen influenceeren door het overden
ken van de voordeelen, die aan een dergelijke toen gedane keuze voor

ons in den tegenwoordigen toestand zouden zijn verbonden geweest -, ge


heel aan de zijde des heeren PoELMAN scharen, een der weinigen, die
de vertoogen der Ned. Bank omtrent deze zaak als niet geheel in over
eenstemming met het belang des lands achtten.
*) Merkwaardig is het, dat in 1873 op nieuw de invoering van den
gouden standaard hier te lande bestreden werd, met de redeneering, dat
gelijkheid in standaardmetaal met Engeland ons in de Engelsche crisis
zou betrekken.

WAARDEVERHOUDING TUSSCHEN GOUD EN ZILVER.

115

Zoo stelde dus de commissie het beginsel van den zilveren stan
daard vast. Maar tegen de uitvoering onder de bestaande om
standigheden waren groote bezwaren. Hermunting en intrekking
der oude zilveren specie kon niet dan slechts langzaam geschie
den, hiertoe wenschte men echter van het goud gebruik te ma
ken en dus de f 10- en f 5-stukken voorloopig als wettig betaal
middel te behouden. Wel moesten ook deze worden ingewisseld
en zou hierop, bij de toenmalige hooge goudprijzen, geen nadeel
worden geleden; maar de commissie achtte dit 1 nog onuit
voerbaar, omdat men daartoe zeer veel zilver in kas moest hebben,

2 ondoelmatig, omdat indien het goud in omloop mocht terug


keeren, dit juist de inwisseling der oude zilveren specin zeer
zou vergemakkelijken.
Dit groote bedrag van gouden standpenningen en het tijdelijk

in omloop houden daarvan, moesten van overwegend belang zijn


op de innerlijke waarde der nieuw voor te stellen zilveren stand
penningen. De Gulden op 9.61265 gr. f. z. te laten, ging niet
aan. Een waardeverhouding aan te nemen van zilver tot goud
- als 1 : 15.534 1) werd voorgesteld, op grond van berekenin
gen, mwaarbij niet alleen in aanmerking was genomen de middel

bare verhouding van den marktprijs van goud en zilver in baren


(welke naar de marktprijzen van Londen, Hamburg, Parijs en
Amsterdam, over de 19 laatste jaren berekend, middelbaar kon
gesteld worden als 1 : 15.75); maar waarbij ook in het oog
was gehouden, dat de onkosten om een som in zilver te doen
munten, grooter waren dan die voor het munten van een gelijke
waarde in gouden munt. Daaruit zou dus een verlaging van
') Hetgeen nog iets hooger was dan in eenig muntstelsel, met uit
zondering van Spanje en Amerika (sedert 1834, toen daar de verhouding
van 1 : 15 werd veranderd in 1 : 16, door den ds. op 3711/, grein zil
ver te houden, maar den gouden Eagle van 10 ds. van 2471/, op 232 grein
terug te brengen. Na 1834 werd dan ook veel zilver uitgevoerd tegen goud).
Reeds tijdens de bewerking van het ontwerp van den muntwet van

116

REDUCTIE VAN

DEN GULDEN.

de innerlijke waarde van den zilveren standpenning volgen. Doch


hiertegen waren de bezwaren gering, immers de verlaging was
zoo luttel, dat er terwijl er hoogst zelden een zilveren stand

penning werd aangetroffen, al werden vele nog opgepot, geen


pasmunt te vinden was, die hooger innerlijke waarde had. 1)
En voor het buitenland werd immers het goud gebruikt, waarmee
nu de zilveren standpenning juist in overeenstemming werd gebracht.
Het denkbeeld om, nu toch verlaging van den standpenning
plaats zou hebben, de Gulden gelijk te maken aan 2 francs,
moest worden verworpen, omdat hierdoor de afwijking te groot
zou worden om het nieuwe stuk Gulden te blijven noemen, en
bovenal omdat de gouden f 5- en f 10-stukken dan buiten ver
houding tot de nieuwe munt zouden staan.
De nieuwe Gulden zou inhouden 9.408 gr. f. z. *) op een
gehalte van 0.896, dus met een gewicht van 10.5 gr. *) Ook
voor de onderdeelen zou ditzelfde gehalte gelden, hiertoe zou dus
de pasmunt, sedert 1816 geslagen op een gehalte van 0.568, moe
ten worden gefineerd, maar dit leverde geen bezwaar op, daar
toch haar goudgehalte dit noodzakelijk maakte.

1S16 hadden Raden en Generaalmeesters der Munt de Fransche verhou

ding (l : 15.5) aanvankelijk aanbevolen; maar de toenmalige hooge goud

prijs, die nog scheen te zullen stijgen, het voorbeeld van het vroegere
geheel verdwijnen van de gouden Rijders en vooral de voorgenomen beperkte
goudaanmunting, deden een hoogere verhouding vaststellen. De misslag
lag grootendeels in de uitvoering.
1) Een oude schuld, 100 jaar geleden aangegaan in Guldens van
200 a. zou thans, in oude specie voldaan, zeker minder f, zilver opleveren
dan in de nieuwe voorgestelde munt.

*) Ontwerp der commissie art. 1.


*) Ontwerp der commissie art. 5. en 6. Stelde men het gewicht op
10 gr. dan zou het gehalte 0.9408 moeten zijn, hetgeen te hoog was.

Nam men het gewicht op 11 gr. aan dan werd het gehalte te laag
n. l. 0.8583, de kleur minder wit en omvang en afslijting grooter.

OVERIGE MUNTSOORTEN.

I17

Het veelvoud, dat werd voorgesteld op 21/3 gulden, in plaats


van den 3-gulden, die niet paste naast de gouden f 5- en

/ 10-stukken, zou eveneens hetzelfde gehalte verkrijgen. 1)


Een remedie voor gehalte en gewicht werd vooral voor het
zilver noodzakelijk geacht. *)
De Stuiver achtte men vrij overbodig en te klein als zilveren
munt; de Cent en halve Cent bleven in substantie als bij de
Wet van 1816 behouden, met nauwkeurige aanwijzing van de
hoeveelheid uit 1 K.G. te slaan en van hun remedie. *)
Als negotiepenning werd alleen de Gouden Ducaat voorgesteld, *)
de Zilveren Ducaat en Rijder waren in onbruik geraakt.
Deze Gouden Ducaten zou het rijk blijven aannemen tegen een
bij bekendmaking in de Staatscourant van tijd tot tijd vast te
stellen prijs. *)
De aanmunting, ook voor zilveren onderdeelen van den Gul
den zou vrij zijn, voor overvloed behoefde men niet te vreezen,
aangezien de pasmunt op de volle waarde geslagen werd en het
muntloon voor haar fabricatie veel hooger dan voor standpenningen
was. Om deze reden werd het ook onnoodig geacht het bedrag,
dat men in zilveren pasmunt moest aannemen, te beperken.

Voor het koper bleef, als bij de Wet van 1816 het maximum
op en gulden bepaald. )
Zoo luidden de voornaamste bepalingen van het ontwerp van
wet door de commissie opgesteld. Maar zooals reeds gezegd is,
zij wenschte niet tot de plotselinge invoering hiervan te advi
SeeTeIn.

1)
2)
*)

Ontwerp der commissie art. 6.


zo
29
, 7 en 8.
59

29

xy

59

*)

2x

zo

8)

JD

25

29

gep

yo

12. 13

>>

,
,,

16.
20.

52

23

- 2.

-1

CIl

14.

Il S

INTREKKING

DER OUDE ZILVEREN SPECIE.

In het 3" hoofdstuk van haar verslag eindelijk, nam de com


missie ernstig in overweging de middelen tot spoedige inwisseling
van de oude zilveren specin. Voor papieren noodmunt deinsde
zij terug omdat reeds herhaaldelijk elders gebleken was met hoe
veel bezwaar de intrekking daarvan gepaard ging. 1) Ook an
dere middelen, die tot een spoedige inwisseling konden leiden
meende zij te moeten verwerpen *) en zoo bleef er niets anders
over, dan zich met een langzame inwisseling tevreden te stellen,
daar het der regeering wel onmogelijk zou zijn een tijdlang een
kapitaal van f 50 / 60 mill. als voorschot af te zonderen,
om te doen vermunten en daarmee op eenmaal de oude specie
te vervangen; een maatregel die, al was zij overigens mogelijk,
op de ongenoegzame muntkracht moest afstuiten.
Derhalve een inwisseling gaandeweg; de regeering kon een
bepaalde hoeveelheid zilver koopen en doen aan munten om ver
volgens hiermee een zeker soort oude specie in te wisselen, welke
stukken dan op hun beurt vermunt zouden worden.
Voor de uitvoering hiervan was echter ongetwijfeld noodig:
1. uitbreiding der muntkracht, die thans niet meer dan
/ 310.000 per week bedroeg.
-

') Frankrijk, Rusland, Denemarken, Zweden, Oostenrijk en Pruisen

hadden beurtelings van dit middel gebruik gemaakt, maar altijd was
cen depreciatie gevolgd.

*) a. Een deel der oude zilveren specie te randen en te stempelen


en daar tegen oude in te wisselen;

b. in circulatie brengen der zilverbaren in natura, verkregen uit de


versmelting der oude munt;

c. oude specie in te trekken tegen bewijzen, gewaarborgd door het


versmolten zilver en te allen tijde daartegen verwisselbaar;
d. het oprichten van een girobank, die tijdelijk bockeredieten zou ver
leenen voor ingeleverde oude specie.

WAT DAARTOE NOODIG WAS.

| |9

2 herziening der muntloonen, die hier veel te hoog waren ).


3. instelling van een fineerinrichting, daar het gebleken
was uit voorloopige proeven, dat de oude zilveren munt een vrij
aanzienlijk goudgehalte bevatte,
Wat de kosten dezer hermunting betrof, de commissie raamde
deze op minder dan / 6 millioen *), maar wenschte toch, dat dit
bedrag ter beschikking der regeering werd gesteld. TIiervoor
moest zij dan fijn zilver laten aankoopen en doen vermunten
tot grove stukken. Deze, bij de Ned. Bank ingewisseld, zouden
1) In Frankrijk waren zij reeds geruimen tijd lager en den 25sten
Feb. 1S35 nog verminderd, zoodat daar de vermunting van 1 K.G. goud 6
frcs., van 1 K.G. zilver 2 frcs. kostte;

terwijl hier voor 1 KG. goud van f 10-f #2 werd betaald, voor
1 K.G. zilver van f 5.05-/ J.80.

*) De hoeveelheid oude zilveren specin werd geraamd op f 64 mill n. l.


f 2 mill, heele en halve Ducalen
, 2
, Drie Guldens
,, 6
,, 8

,
,,

Guldens
Daalders en Dubbele Daalders

, 111/, ,, Zeeuwsche Rijksdaalders


, 3*/, ,, onderdeelen van Zeeuwsche Rijksdaalders
,, 4 ,, Z. Ducaten, Rijksdaalders en hunne onderdeelen
, 21/2 , 28 Stuiverstukken

, 22

, gereduceerde Schellingen en Zesdhalven

,, 2,86,,

Dubbeltjes

, 0,14, 8-stuiverstukken of Groninger Flabben.


(zie bijlage H van het rapport).
Daaruit zou ongeveer / 60.700.000 nieuwe specie kunnen worden ge
slagen. Dit verlies van f 3.3 mill. zou waarschijnlijk nog verminderd wor

den met de goud-opbrengst, door het inceren van de oude zilveren spe
cin verkregen, een opbrengst, die de commissie wel op f 1 mill. schatte.
Maar daar stonden dan ook nog tegenover, de kosten van inwisseling,
versmelting, fineering en hermunting. Bovendien kon het bedrag der

oude specie belangrijk grooter blijken te zijn, en kon de snoeiing, die


rustig haar gang ging, nog heel wat schade berokkenen.

12()

BEGELEIDEND SCHRIJVEN VAN DEN VOORZITTER.

een voorraad

oude specie

in handen der regeering doen overgaan,

die men vervolgens kon vermunten.

Aan de Ned. Bank moest

men overlaten om de nieuwe specie in circulatie te brengen,


zoodra de toestand van haar kas dit eischen zou.

Mocht het

goud terugkeeren dan zeker zou dat in circulatie brengen lan


gen tijd kunnen worden verschoven, maar de commissie achtte
dit niet eens zeer wenschelijk, wegens het gevaar, dat aan een
dergelijke handelwijze verbonden was. Indien toch het goud we
der in prijs steeg en verdween, zou men gedwongen worden, de
reeds ingewisselde oude specie op nieuw te doen circuleeren.
Een geleidelijk in omloop brengen der nieuwe munt door de
Ned. Bank en hare agenten, was derhalve het meest aanbeve
lingswaardig.
De gelegenheid tot inwisseling der laatste nog in omloop ge
bleven oude stukken moest dan eindelijk op vele plaatsen tege
lijk, maar voor slechts korten tijd 1), worden opengesteld.
Ten slotte legde de commissie een ontwerp van een transi
toire wet over, bestaande uit 4 artikels, waarin bepaald werd, dat
voorloopig alle zilveren en gouden munten in circulatie zouden
blijven, totdat dezelve op een nader door den Koning te bepa
len tijdstip tegen hun nominale waarde zouden worden ingewis
seld en buiten koers gesteld,
Dit rapport ging vergezeld van een missive van den Voor
zitter, den heer A. v. GENNEP, waarin hij verklaarde de bezwaren
tegen den dubbelen standaard geopperd niet te deelen. Volgens
hem was het echec der Wet van 1816 alleen te wijten, aan de
verkeerde verhouding tusschen beide metalen aangenomen, een
verhouding die wel niet constant, maar toch betrekkelijk weinig
afwisselend, was. De voordeelen van het behoud der gouden
munt waren zeer belangrijk en hadden dan ook de meerderheid
-

') Uit vrees voor grooten toevoer uit het buitenland van wellicht daar
gefabriceerde stukken,

ADVIES VAN HET MUNTCOLLEGE.

12]

der commissie tot een tijdelijk behoud der gouden specie over
gehaald.

Het aanmunten van eenig nieuw goud zou wellicht,

bij de intrekking van het slechte zilver, van groot nut kunnen zijn.
Een dergelijk belangrijk en uitvoerig rapport vorderde een

nauwkeurig onderzoek van deskundigen, vandaar dat de regeering


het stelde in handen van Raden en Generaalmeesters der Munt
om hun advies hierover uit te brengen.

Dit volgde dan ook

op den 4" Feb. 1837 en gaf noch in uitvoerigheid noch in


belangrijkheid iets toe aan zijn voorganger. 1)

De daarin uitgedrukte meeningen komen in het kort hierop neder:


dat de Raden en Generaalmeesters der Munt het ongerijmde in
de toepassing van het stelsel van den dubbelen standaard erken
nende, in beginsel en standaard goedkeurden, maar in de
keuze daarvan van de commissie meenden te moeten afwijken. Hen
scheen, waar de wissel zich reeds geheel naar het goud richtte,

de gouden standaard verreweg het verkiesselijkst.


Ook zij wenschten, met de commissie, dat stelsel aan te be
velen, dat duurzaam het best was, maar het bewijs diende nog
geleverd te worden, dat het stelsel van den gouden standaard
daarop geen aanspraak kon maken.
In hare bestrijding van het goud had de commissie op Enge
land gewezen, en niet tevreden met de bewering, als zou dit
metaal speciaal voor ons land minder voordeelen opleveren dan
het zilver, had zij ook twijfel getoond aangaande de mogelijk

heid voor Engeland om zijn stelsel te behouden en had zij in


dat stelsel de oorzaak der tegenwoordige geldcrisis meenen te
moeten vinden.

Wat was hiervan juist?


Ook in Engeland had verschil van gevoelen bestaan toen in
') De copie van beide rapporten, met de daarbij behoorende missiven,
is aanwezig in de bibliotheek van de Munt te Utrecht.

I 22

ENGELSCH

MUNTWEZEN.

1816 een nieuwe wet zou gemaakt worden 1). Na lange en her
haalde beraadslaging had men den gouden standaard gekozen en,
nadat in 1821, bij de hervatting der speciebetaling, deze wet
volkomen in werking was gekomen, had men nooit, op grond
dat het goud standaard was en het zilver alleen tot een bedrag
van 40 sh. in betaling werd genomen, aan de duurzaamheid van
dit stelsel getwijfeld. De crisis had een geheel andere oorzaak
en de voornaamste financieele bladen erkenden, dat zij te wijten
was aan overspanning van industrieele ondernemingen als naam
looze vennootschappen opgericht, en aan een menigte circulatie
bankjes, die als uit den grond opgerezen waren. En toen hun
billetten heel wat specie hadden uitgedreven en eenig wantrou
wen behoefte aan die klinkende munt deed ontstaan, toen kon

den de kleine banken niet aan de aanvragen voldoen en de En


gelsche Bank, de algemeene redder in nood, moest haar disconto

sterk verhoogen. Het antiministerieele blad the Standard had


daarop hevige aanvallen tegen de Bank gericht en als om meer
gehoor te vinden tevens het muntwezen als onhoudbaar uitge
kreten. In die moeielijke tijden heeft dus juist dat muntstelsel
zijn sporen verdiend en er bestaat geen reden, waarom de cri
sis minder hevig zou zijn geweest, indien Engeland den zilveren
standaard had aangenomen. Hieruit bleek dus duidelijk dat ook
de gouden standaard de grondslag kon zijn van een duurzaam
muntwezen.

De Raden en Generaal meesters der Munt konden zich geheel ver


eenigen met de voordeelen door den heer PoELMAN, in de bijlage

1)

In 1797 werden de bankbiljetten oninwisselbaar verklaard, de gou

den standaard bestond er toen niet, maar wel de dubbelc, hocwcl fei

telijk, door de verhooging van den Guinea tot 21 shill., de wichtige


zilveren munt was uitgedreven en alleen sterk afgesleten zilveren stukken
naast het goud in omloop waren.

VOORDEELEN VAN DEN GOUDEN STANDAARD.

123

van het Rapport, aan het goud toegeschreven, en terwijl nu de


commissie zelve verklaarde, deze voordeelen te erkennen, moesten
er wel overwegende redenen bestaan om toch het zilver aan te
bevelen. En wellicht ware in abstracto dit laatste metaal, door

de groote voorliefde, die men er hier te lande voor toonde, wer

kelijk te verkiezen geweest, indien niet de omstandigheden, onder


welke het nieuwe stelsel moest worden ingevoerd, zoo groote be
zwaren hiertegen opleverden.
De commissie was zich die zwarigheden zeer wel bewust ge
weest, maar had getracht de middelen aan de hand te doen om
hen te overkomen. Waarlijk niet zonder grond toonde zij zich
bezorgd over den toenmaligen toestand van ons muntwezen
en achtte zij spoedige intrekking der oude specie noodzakelijk.
Voor den noodigen spoed rekende zij dan ook op den terugkeer
van de gouden specie, waarvan men bij de inwisseling groote
diensten zou vergen.
Maar op dien terugkeer viel wellicht te rekenen indien de gou
den standaard werd aangenomen, niet nu men de gouden munt
als standpenning slechts tijdelijk zou tolereeren. Indien al eenig
handelssaldo vroeger goedkooper in goud dan in zilveren Guldens
van 200 a. ware te voldoen, in hooge mate werd dit onwaarschijn
lijk wanneer de Gulden dermate zou zijn gereduceerd als de com
missie voorstelde en als wellicht onvermijdelijk was geworden.
Ook in 's rijks kassen zou geen goud vloeien.
De door de commissie erkende onuitvoerbaarheid van intrekking
der gouden munt namen ook Raden en Generaalmeesters der Munt
aan; aan verdere aanmunting van zilveren Guldens van 9.613 gr. f.
viel niet te denken. Of men den dubbelen standaard dan wel den

zilveren koos, een reductie van den muntvoet van het zilver,
geregeld door de waarde van het goud was niet te ontgaan, doch
het onderscheid lag daarin, dat bij de keuze van den laatsten het
goud zou moeten worden gedemonetiseerd. Maar zou dit wer

kelijk bereikbaar zijn? Eerst toch moesten de f 64 of meer

l24

VERDERE BEZWAREN TEGEN HET RAPPORT.

millioenen zilveren specie worden ingetrokken en ja, dan kon


het zijn, dat de prijs van het goud, na de daartoe noodige 3 of
4 jaar, zoo laag was, dat niemand zijn goudstukken tegen zilveren
guldens zou wenschen in te wisselen, maar ook het omgekeerde

was mogelijk en dan zou men de pas geslagen zilveren munt


moeten gebruiken om het goud in te wisselen, voor dat goud
zilver koopen en dit op nieuw munten. En indien de regee
ring deze opoffering niet wilde dan zou de gouden standpenning
blijven circuleeren om bij daling van het metaal op nieuw het
zilver geheel te verdringen.
Daalde daarentegen het zilver dan zou de wisselkoers nadeelig
worden en 10 maal 9.408 gr. f. z. minder waard zijn dan het
gouden f 10-stuk; de crediteur zou nieuwe schade lijden.
Daarentegen bestonden al die bezwaren niet tegen den gouden
standaard.

Overigens keurden Raden en Generaalmeesters der Munt het


ontwerp voor een blijvende muntwet, wat de meer onderge
schikte punten betrof, grootendeels goed. Echter hadden zij
wel gaarne in de wet de reden van de verminderde waarde
van den Gulden zien opgenomen, en kwam hen de bepaling van
gehalte en gewicht van de eenheid minder geschikt voor. Een
gewicht toch van 10 gr. met een gehalte van 0.94, wat een
verhouding van zilver tot goud zou opleveren van 1 : 15,521
(terwijl de commissie voorstelde 101/2 gr. op een allooi van 0.896
dus een verhouding 1 : 15.534) *) had naar hunne meening

1) In Frankrijk deed het goud van 5 6 tot 10 12 p. mille agio,


hetgeen een verhouding aanwijst van 1 : 15.577 1 : 15.686, welk
laatste cijfer ook in Belgi is aangenomen. Bij dezen goudprijs zoude
het goud, in geval de voorgestelde verhouding werd vastgesteld, bij
een agio van 2 p. mille reeds wegvloeien. Op zijn hulp bij de hermun
ting behoefde men dus niet te rekenen,

VOORGESTELDE WIJZIGINGEN.

125

veel voordeelen, niet het minst, dat hierdoor alle andere zilveren

specin een eenvoudig gewicht verkregen.


Tegen het hoog gehalte van 0.94 kon geen wezenlijk bezwaar
worden ingebracht, nu er door de fineering allerwege genoeg
zilver van dat gehalte in den handel was en de ondervinding
geleerd had, dat een hoog gehalte bij de bewerking gemakke
lijker was en fraaier munt leverde. 1)
Ook voor de kleinere munt zou een dergelijk gehalte geschikt
zijn, met uitzondering wellicht van het 10-centstuk; voor dit en
het 25-centstuk ware in dat geval 0.8 aan te nemen. *)
Eindelijk gaven zij nog in bedenking, of een regeling van het
muntloon bij K. B. niet beter zou wezen dan bij de wet, of

de remedie van # op het gehalte niet tot # ware terug te


brengen en of een 21/s-centstuk niet van veel nut zou kunnen
zijn, in geval het zilveren 5-centstuk verviel.
Bij de beschouwingen over het 3" hoofdstuk van het Rapport
hadden Raden en Generaalmeesters der munt in hoofdzaak niet

dan lof over voor de zeer uitvoerige en nauwkeurige wijze,

waarop de commissie haar taak had opgevat en uitgevoerd, en


ook zij moesten erkennen, dat er weinig kans bestond een mid
del te vinden om op geschikte wijze de inwisseling der oude
zilveren specie snel te doen plaats hebben. De commissie had
zich bij dat non possumus neergelegd en zich bepaald tot het
*) Onze Zilveren Rijders hadden ongeveer ditzelfde gehalte. De be
kende Zweidrittels (*/, Thalers) hadden een gehalte van 0.99 0.993,
de nieuwe Engelsche Kroon van 0.925. Een rapport van 5 Juli 1837,
uitgebracht door den Beierschen regeeringsraad en president der Munt, den

Wurtemburgschen waradijn, de Badensche en Hessische muntraden en een


Beierschen muntwaradijn, verklaarde, dat proefondervindelijk een gehalte
van 0.916 de grootste hardheid aanbood.

2) In Engeland worden alle zilveren specin, tot den penny toe op


hetzelfde gehalte (0.925) geslagen.

126

NADEELEN VAN

DEN ZILVEREN STANDAARD.

nagaan van de wijze waarop die langzame intrekking het best zou
geschieden, met een nauwkeurigheid, die hoog te waardeeren was.
Het moest erkend worden, dat er tegen de drie voorwaarden,
die de commissie ter noodzakelijke verwezenlijking voorop gesteld
had, van haar standpunt, weinig te zeggen viel: de ver
meerdering der muntkracht, opdat de Munt minstens 1/2 mill.
aan diverse specie per week kon leveren, eischte uitbreiding
van lokalen, van werktuigen en van stoomkracht; de wijziging

der muntloonen, 1) op het voorbeeld van Frankrijk, kon groote


besparing verschaffen, maar men behoorde daarbij de bizondere
omstandigheden in beide landen, billijkerwijze in acht te nemen; *)
het tot stand brengen eener fineerinrichting, waardoor uit de oude
munt het goud zou worden afgescheiden, was dringend noodig
niet alleen om het voordeel, maar ook om de nieuwe munt tegen
versmelting te beveiligen. Drie kapitale verbeteringen, waarvan
echter vooral de eerste veel tijd zou vorderen.
Raden en Generaalmeesters der Munt verzuimden echter niet

er op te wijzen, dat dit nadeelen waren, grootendeels juist aan de


keuze van den zilveren standaard verbonden, want dat de ver

eischte hoeveelheid nieuwe munt, nam men den gouden stan


daard aan, zonder belangrijke uitbreiding der fabriek in veel
korter tijd en met veel geringer kosten kon geleverd worden, al
was er dan ook daarnaast een zekere hoeveelheid zilveren pas
munt noodig. Want in deze behoefte konden vooreerst de oude
specie en de nieuw geslagen 25-, 10- en 5-centsstukken voor
') Geregeld bij K. B. van 21 Dec. 1821 no. 96, bij de Instructie
voor de muntmeesters te Utrecht en te Brussel, van 8 Jan. 1823 n.

59 en bij K. B. van 22 Feb. 1826.


*) In Frankrijk werden de muntgezellen door de muntmeesters be
noemd en dus op voordeeliger voorwaarden voor de laatsten dan hier,
waar zij door de regeering werden aangewezen; de loonen in Frankrijk
waren lager en de Fransche munten waren voorzien van veel verbeterde

werktuigen, die brandstof en arbeid bespaarden.

SPOEDIGE VERBETERING NOODZAKELIJK.

127

zien. 1) Een belangrijken steun zou men ook verwerven, door


in plaats van f: zilver voor de voorgestelde f6 mill. goud te koopen
onder voorwaarde, dat dit voor een deel althans in f5- en f 10
stukken, die nog in grooten getale in het buitenland aanwezig
waren, zou worden geleverd.
m'Van het dringendste belang en ten hoogste waarschijnlijk is
het gewis, zoo eindigde het college zijn belangrijk rapport, mdat
er in 's lands muntaangelegenheden een spoedig en volkomen
herstel plaats vinde; door niemand zal dit ontkend worden, die
alleen de gevolgen van den slechten staat onzer tegenwoordige
specie wat dieper inziet; doch even geredelijk zal voorzeker, een
iegelijk, die de moeijelijke en ingewikkelde gesteldheid van

zaken, regt doorgrondt, waarin wij ten opzigte van het munt
wezen, zoowel wat het verledene, als het bestaande, noch van

kracht zijnde, betreft, verkeeren, erkennen moeten, dat het

beste herstelmiddel het luidste spreekt. De voorzichtigheid eischt


dierhalve, dat men het tot eene volledige overtuiging trachte
te brengen, wat voor het beste en raadzaamste te houden zij,
ten einde men, zoo veel immer doenlijk, de verzekering hebbe,
dat de groote geldsopofferingen, welke er noodwendig gevorderd
worden om het Nederlandsche muntstelsel, op hoedanigen voet
ook gewijzigd en ingerigt in werking, en de daartoe dienende
middelen ten uitvoer te brengen, eenmaal goede vruchten dra
gen zullen. ')
Doch deze goed gemeende wenk, om niet te lichtvaardig een
beslissing te nemen, gaf toch waarlijk den minister geen veront
schuldiging voor een talmen zooals hij deed. Wel had voort
*) De raming der commissie dat f 20 millioen aan zilveren pasmunt
naast de gouden standpenningen zou noodig zijn, achtten zij zeer over
dreven.

*) Den 15den Maart 1837 zond het muntcollege den minister een ont
werp van wet om te kunnen dienen, indien het stelsel door hen aanbe
volen, werd aangenomen.

128

oNTWERP VAN DEC. 1838.

durend overleg plaats tusschen de regeering en het muntcollege


en stelde het laatste nog een ontwerp van wet op, met behoud van
beide zoowel gouden als zilveren standpenningen, hoewel het er
op bleef wijzen, dat goud als feitelijk standaard zijnde, het meest
aanbevelenswaardig was. Het merkte tevens op, dat men door
een Gulden van 9.408 gr. f. z. aan te nemen, het goud te laag

waardeerde en dat, indien men den dubbelen standaard wilde be


houden een stelsel, dat practisch zeker wel eenig gemak op
leverde een Gulden van 9.45 of 9.5 gr., waardoor toch het
goud een agio van 12 p. mille kon doen, alvorens uitvoer was
te vreezen, dan meer te verkiezen was. Maar het was niet voor

1 Dec. 1838, dat de minister een ontwerp van muntwet bij de


2" Kamer indiende, mEn, wie zou het gelooven, zegt prof.
ACKERSDIJK 1), een wet om te doen wat door allen was afgeraden.
De Commissie, de Essayeur-Generaal, het Collegie der Raden en
Generaalmeesters der Munt, allen waren van gevoelen geweest,
dat men om te slagen een der metalen, goud of zilver, tot
standaard moest nemen. De regeering vond beter op den be
proefden dwaalweg voort te gaan, en de twee standaarden te
behouden. *) Zoo scheen het alsof het advies van den staats
raad voorzitter der muntcommissie, in 1836 ter begeleiding van
het rapport gegeven, meer invloed had dan dit doorwerkte rap
port zelf en de beoordeeling daarvan door het muntcollege. De
regeering ging dus op den dwaalweg, dien zij sedert 1816 had
bewandeld, voort. Het moge het noodlot der menschen wezen
1) ,,Nederlands muntwezen 1845 bl. 15, een zeer scherp gestelde bro
chure, waarover de minister van financin in Dec. 1845 zich in de

Kamer beklaagde.
*) Feitelijk te behouden. Maar eigenlijk was de Wet van 1839 de
eerste, waarin een dubbele standaard werd aangenomen, immers die van
1S16 had zilver als standaard erkend, met een veelvoud in goud,
waarvan de aanmunting slechts beperkt zou zijn en daarom aan de regee
ring werd voorbehouden.

MUNTWET VAN 1S39.

129

om waar een innerlijke drang hen steeds naar de waarheid doet


vorschen telkens en telkens te dolen en eerst na veel scherp
zinnig nadenken het juiste pad te vinden, er is wellicht moeie
lijk een tweede voorbeeld aan te halen van een zoo groote ver
blinding, waar een ieder evenzeer bezield was met den wensch
tot verbetering, waar alle zaakkundigen het in hoofdzaak eens
waren, en waar toch een wet tot stand kwam, die slechts lei
den kon tot nieuwe teleurstellingen.
Den 22" Maart 1839 werd de Wet tot wijziging van die
van 28 Sept. 1816 Stbl. n 50, afgekondigd.
-

Daarbij werd het gewicht van den Nederlandschen Gulden be


paald op 10 gr. op een gehalte van 0.945 zoodat hij 9.45 gr.
f, z. inhield, het meervoud (f21/2) en de onderdeelen werden op
gelijk gehalte geslagen met evenredig gewicht 1), terwijl een remedie

voor gehalte en gewicht voor het goud, het zilver en het koper
werd aangenomen. Aan den koning werd overgelaten, tot daar

stelling en uitgifte der volgens deze wet verbeterde muntspecin,


zoodanige maatregelen te nemen, als noodzakelijk zouden worden
bevonden.

De gouden munt bleef behouden, alleen werd de verhouding


tusschen het goud en het zilver, door de wettelijke verzwakking
van den Gulden, meer in overeenstemming gebracht met den ge
middelden marktprijs, m ten einde gevolg te kunnen geven aan een
hermunting van de oude zilveren specin, welke wegens de af
slijting meer en meer noodzakelijk was geworden, zoo zeide de
considerans. *) En in de afdeelingen had men slechts weinig
*) Daardoor werden deze klein en werkte de afslijting ongelijk, zoodat
de evenredigheid in gewicht en waarde toch weldra verloren moest gaan.
De zilveren 5-centstukken waren onmogelijk geworden.
*) De Memorie van toelichting gaf ongeveer deze beschouwing: in
trekking der veelsoortige zilveren muntspecin van vroegere tijdsgewrichten
is het voorname doel en daar nu de in 1816 aangenomen verhouding
9

130

FONDS VOOR HET MUNTWEZEN.

bezwaren. 1) Men maakte zich algemeen eenigermate ongerust


over de gelden in 1822 voor hervorming van ons muntwezen
afgezonderd, immers van dat bedrag (f 12 mill.) moest minstens
nog f 7 mill. aanwezig zijn en niettegenstaande bij zeer ruime
berekening de onkosten waren geraamd op f 6 mill., *) sprak
de minister toch van het geval, dat een (wel is waar) onver
moedelijke ongenoegzaamheid dier middelen, aanvulling zou noodig
maken. *) Eenige weinigen leden achtten het beginsel der wet
onjuist. *) In hun oog, was er slechts en middel om een
van goud tot zilver, het slaan van zilveren standpenningen op den voet
van 9.613 gr. per Gulden niet gedoogde, had men meer goud gemunt
waardoor zonder schade voor de Schatkist de toestand van het

geldwe

zen sterk verbeterde, en tevens de nadeelen van het slechte zilvergeld af

gewend werden. Maar door deze vergroote goudcirculatie was het nog
moeielijker geworden zilver te slaan en in den gouden muntslag was geen
verandering te brengen, zonder groot nadeel voor den handel, daar de

wissel zich naar het goud regelde. Intrekking van het goud was on
mogelijk, daarom was het eenige heilzame middel den zilveren Gulden te
munten op 9.45 gr.

1) Zie het Verslag der centrale afdeeling van 11 Maart 1839 (Stc.
13 Maart).
2) Volgens anderen zou zeker f 71/2 mill. noodig wezen.

*) Vooral voor hen, die op een snelle inwisseling der oude specie
aandrongen, was dit een punt van groot gewicht.

*) Een lid der 2de afd. verlangde echter iets onmogelijks: den Gulden,
met veelvoud en onderdeelen, 200 a. f. z.; intrekking van den gouden
standaard, behoud van de Gouden Willemen alleen als negotiepenningen;

maandelijksche publicatie van het agio op het goud voor de ontvangst in


de schatkist; vervallen verklaring als munt van alle besnoeide Guldens

en verdere prov. munten, terwijl deze voortaan door het rijk alleen zouden
worden aangenomen als muntmateriaal, berekend naar gewicht en gehalte en
inwisselbaar tegen onbesnoeide wichtige Guldens, tegen goud naar den

koers of tegen banknoten na 6 maanden tegen nieuwe munt verwisselbaar.


Een ander achtte het beginsel van den dubbelen standaard op den duur
onhoudbaar, en volgens hem kon men alleen door den gouden standaard aan
te nemen met het zilver voor pasmunt, den muntvoet van het zilver ver

131

EEN STANDAARD GEWENSCHT.

muntverzwakking, thans noodzakelijk, voor het vervolg te voor


komen, n. l. het middel, dat de commissie van 1836 zoo drin

gend had aanbevolen, het invoeren van en standaard.


In dien geest sprak SCHIMMELPENNINCK VAN DER OYE 1) en
hij beval sterk het goud aan. *) Wat zouden de kosten wel
minderen, zonder de goede trouw tegenover de crediteuren te krenken.
Een 3" wenschte, dat indien men dan den dubbelen standaard wilde be
houden, in ieder geval bepaald zou worden in welk metaal in verloop

van tijd zoo noodig de verandering zou plaats hebben, waardoor dan
echter ook terstond het begrip van dubbelen standaard moest vervallen.
1) Zie Staatsc. van 26 Maart 1839 n. 73.
*) ,,Het is te bejammeren, dat men het kwaad niet in den hartader wil
aantasten. Men wil wijzigen, een nieuwe lap op het oude kleed flikken,
en dat kon hij niet goedkeuren.
Hij weet de beweging ten gunste van het zilver vooral aan den in

vloed der Ned. Bank, die voor beperking van eigen werkzaamheid
vreesde, indien de gouden standaard werd aangenomen.

Wel achtte ook hij in abstracto het zilver, vooral wegens zijn grooter
gebruik, meer geschikt voor standaard, immers er bestond dan minder
kans voor groote afwijkingen; bovendien was men er ten onzent zeer
aan gewend. Maar in de bestaande omstandigheden kon men niet aarze
len. In 1839 waren reeds f 141'/3 mill, gouden munt geslagen, waarvan

nog veel buitenlands, onversmolten bewaard werd.

De f 151/2 mill, aan

zilver, nieuw geslagen, was bijna geheel verdwenen en de + f 64 mill.


(wellicht nog veel meer) oude specie in ellendigen toestand. Tech
nisch was het goud beter als ruilmiddel en thans veel minder kostbaar.
Het werd wel goedkooper uitgevoerd, maar gemakkelijker invoer stond

daar geheel tegenover. De handel had behoefte aan een vasten maatstaf
van waarde en feitelijk werd het goud reeds jaren lang gebruikt als waarde
meter, de Gulden was een fictieve eenheid gelijk aan 1/1, van een f 10-stuk.
Maar bovenal gold hier het bezwaar dat een muntverzwakking, -be
hield men den dubbelen standaard of koos men den zilveren - moest plaats

hebben, hetgeen door den gouden standaard werd vermeden ,,dan toch
was de reductie van den Gulden zeer natuurlijk en zonder nadeel of on

billijkheid en zelfs overeenkomstig de inzichten van vroegeren tijd, want

toen de laatste raadpensionaris in 1805 de wettige waarde van 52 st.

132

REDEVOERING VAN VAN ALPHEN.

zijn van een hermunting van die groote hoeveelheid zilver, die
zeker nog f80 mill. bedroeg, en welke door de schaarschte een
waarde van slechts 6 % onder de 200 azen vertegenwoordigde,
maar dan ook slechts als fiduciair ruilmiddel kon gelden?
Het was bij gelegenheid van de openbare behandeling van
bovengemeld wetsontwerp in de 2" Kamer, dat er door den heer
vAN ALPHEN merkwaardige woorden gesproken werden, die

echter door zijn toehoorders niet schijnen te zijn gewaardeerd.


Hij zeide ongeveer: 1)
m'Een zeer eenvoudige vraag is door overvloed van geleerdheid,
abstracte denkbeelden, door opzettelijke kwade trouw en bedrog
in vreemde landen, moeielijk, duister en bedorven geworden.
,,Verschil van stelsel, van denkbeelden doen tot op zekere
hoogte nut, want zij onderhouden de vitaliteit, het levensbe
ginsel van onze beperkte kennis en begrip.
mIk bewonder dan ook den moed en de onvermoeidheid van

die wandelaren in de doolhoven der geleerdheid, die met idealen

in het hoofd naar uitwegen zoeken, waar zij niet te vinden zijn,
omdat men niet erkent en raadpleegt den bestaanden staat van
zaken; eindelijk verlangt men toch den kortsten weg te volgen:
Non quid optimum sed er bonis quid provimum.
aan den Zeeuwschen Rijksdaalder toekende, kon men den Gulden op dien
voet berekend, niet hooger stellen dan 9.374 gr. Zie Staatscourant 26
Maart 1839 no. 73.

De heer CoRvER HooFT echter vreesde, dat, aangezien aan zilveren pas
munt een circulatie van f 4 f 5 mill. dan toch voldoende was, bij rijzing
van den goudprijs al het gouden ruilmiddel zou verdwijnen. Daarom was
hij sterk tegen den enkel gouden standaard. Het valt echter niet gemakke
lijk te begrijpen waartegen al dat goud zou moeten worden uitgevoerd.
Ook den enkel zilveren standaard keurde hij af en het resultaat eener
lange rede, doorspekt met historische uitweidingen, was, dat hij het steksel
der regeering het beste keurde.
1) Zie Staatsc. 4 April 1839 n". 80.

INTERNATIONAAL

BIMETALLISME.

I 33

, Vereenvoudiging dus van maatregelen gegrond op de kennis


en erkenning van den waren staat van zaken met behoud van
al wat behouden kan worden.

,,Goud en zilver zijn het minst aan wisseling van waarde on


derhevig. Is het nu mogelijk een vaste onderlinge verhouding
tusschen beide te bepalen? Ja.. . . . Goud en zilver zijn wel
koopwaren, maar die den hoogsten graad van immutabiliteit en
universaliteit bezitten. Alle regeeringen oefenen er door den
muntslag een overwegenden invloed op uit, alle hebben een groot

belang er bij om fiviteit van prijzen te bevorderen en een vaste


verhouding tusschen beide metalen daar te stellem.

Deze wet nu erkent twee standpenningen 1) en neemt dus


een vaste verhouding tusschen beide aan. Het doel, om groote
variatie van goud- en zilverprijs te voorkomen, is goed, maar
het is onzeker of het bereikt zal worden. Frankrijk heeft den
dubbelen standaard aangenomen, andere landen volgden. Rus

land maakte groote onkosten om dit stelsel te kunnen aannemen,


in Engeland vindt het voorstanders.
mLaat ons dus ook daartoe medewerken door onze wetgeving
en het kan een weldaad worden voor allen handel, voor alle
nijverheid, voor alle volken.

Zou men niet bijna meenen een bimetallist uit onzen tijd te
hooren spreken?
Meestal gaven de voorstanders van den dubbelen standaard
theoretisch de bezwaren tegen hun stelsel toe, maar beweerden,
dat het practisch groot gemak en voordeel opleverde, een be
wering zeer veelvuldig uitgesproken, maar even dikwijls krachtig
weerlegd. Toch bleven nog jaren later sommige Kamerleden uit
*) Waarschijnlijk bedoelde spreker twee standaardmetalen; deze ver
warring van standaard en standpenning komt in die tijden in de Ka
mer meer VOOr,

1:34.

FRANKRIJKS MUNTWEZEN.

dien beweerden merkwaardigen strijd tusschen theorie en praktijk


hun argumenten putten.
Ook het voorbeeld van Frankrijk werd telkens aangehaald,

hoewel dit niets kon bewijzen dan hoogstens, dat door toevallig
gunstige omstandigheden de dubbele standaard wel eens een tijd
lang goed kan werken. 1) En dan, wat was het gebruik daar
geworden: het zilver werd als de ware standaard beschouwd, het
goud deed van tijd tot tijd opgeld; de wet van 1803 had aan
genomen een verhouding van 1 : 15.5, de koopman achtte
1 : 15.78 als gemiddelde juister en berekende soms iets meer,
soms iets minder. En de Staat leed onnoodig verlies door de
goud-aanmunting. Hetzelfde, maar in veel sterker mate, had
bij ons plaats gevonden, doch in stede van de zeer natuurlijke
oorzaak voor het verdwijnen van het wichtige zilver daarin te

vinden, werd dit verklaard uit de te hooge tarifeering van den


') Immers de omstandigheden waren bizonder gunstig, sedert het begin
der eeuw had de wisseling in prijs nooit meer dan 2 "lo bedragen. Voor
heen was dat anders geweest. Zoo vindt men opgegeven, dat de waarde

verhouding tusschen zilver en goud bedroeg:


in 1314

l : 24.9.

, 1349

1 :

,, 14ll

1 : 10.4.

7.2.

Na de ontdekking van Amerika daalde het zilver gaandeweg tot op


1/3 zijner vroegere waarde.
In 1520 werd hier de verhouding als 1 : 10.857 aangenomen,
in 1686

1 : 14.1.

, 1720
, 1728
, 1763

1 : 15.833.

, 1778

1 : 14.5.

1 : 14.5.
1 : 14.8.

Terwijl er een groot onderscheid bestond in die verhouding in ver


schillende landen. En al konden door verbeterd handelsverkeer, veel

ruimer voorraad ete. dergelijke sterke variaties niet meer plaats vinden,
ook een geringere afwijking was voldoende om een stelsel, gebaseerd op
den dubbelen standaard, onhoudbaar te maken,

MUNTVERZWAKKING.

135

Frame, een omstandigheid die zeker wel van eenigen invloed


was geweest, maar toch altijd slechts in de 2" plaats in aan

merking kon komen. Want de Gulden was circa 2.035 centimes


te laag gewaardeerd, maar het gouden Tienguldenstuk was
nauwelijks 10 X 9.45 gr. f. zilver waard, zoodat hier het voor
deel dubbel zoo groot werd. 1)
Intusschen de een zeide het den ander na, bij den Franc
lag de schuld, maar de ondervinding leerde, dat ook na 1825
de regeering geen zilver in circulatie kon brengen, zij verkocht
het reeds gemun/e weder in baren.

Inderdaad, zooals de zaken stonden speelde men gevaarlijk


spel door deze verlaging van den zilveren muntvoet. Had men
den enkelen zilveren standaard aangenomen dan zou hierdoor
voor eens de schade, die men gaandeweg aan de schuldeischers
had berokkend, door groote aanmunting van minwaardige gouden
specie, enkel tot een fait accompli gestempeld zijn, en deze be
vestiging, waardoor op zich zelf dan niets onredelijks ge
schied ware, daar het meerendeel der circuleerende zilveren spe
cie ver beneden de 9.45 gr. fijn zilver per Gulden inhield,
was onvermijdelijk geworden, maar men had dan ook tevens de

voorzorg genomen, dat niet opnieuw een dergelijke onbillijkheid


kon worden gepleegd. Thans evenwel zette men de deur open
voor tal van nieuwe onrechtmatigheden; immers hetzelfde geval

zou zich weer voordoen, zoodra de verhouding der beide metalen


merkbaar afweek van de nu vastgestelde 1 : 15.604; en de
1) 1 KG. goud gaf in Frankrijk 172 Napoleons = 3440 francs
of 165 Willemen, die bij de wet van 1816 gelijk gesteld waren met
f 1650 9,613 gr. f. z. Dus 1 K.G. goud = 15.873 K.G. f. zilver in

Nederland en in Frankrijk = 15.5 KG. f. zilver, een voordeel derhalve van


bijna f 38 op elk K.G. goud, dat tegen nieuwe guldens werd ingewisseld.
Sloeg men nu uit dat zilver Francs en gaf men die uit in ons land

47'/4 cent, dan won men hierop nog f 15.

136

EEN GEVAARLIJK

BEGINSEL.

maatregel kon thans volkomen op een lijn gesteld worden, met


de sterk gegispte munt verzwakkingen uit vorige eeuwen, want
ook toen leidde herstel van verbroken verhouding herhaaldelijk
tot zulk een stap: de regeeringen namen de minst waardige munt
tot grondslag en reduceerden de andere naar de vigeerende ver
houding van goud tot zilver.
De onbillijkheid was dus niet in de reductie van den Gulden ge
legen, herstel vandi en Gulden op 200 a zou inderdaad wellicht
nog sterker de belangen van velen gekrenkt en stellig buiten
sporige en onnoodige kosten veroorzaakt hebben, want het '/1o
van een tien guldenstuk was feitelijk de standpenning geworden,
maar wel in het niet afsnijden der mogelijkheid van herhaling.
Immers, door deze wet werd een beginsel gehuldigd, en wel
een zoodanig, als waardoor aanhoudende munt verzwakking kon
intreden. Gesteld na eenigen tijd verdrong het zilver weder het
goud; zou men dan dit laatste op zijn beurt verzwakken om het
in de circulatie terug te brengen? Met de nu gevolgde practijk
zou dat in volmaakte overeenstemming zijn!
Men bleef hangen aan het denkbeeld om de Wet van 1816
te wijzigen, waar zij had behooren te worden vervangen door
iets beters.

Uit de redeneeringen van vele sprekers bleek, dat zij met de


regeering medegingen, omdat zij wel het zilver als den besten
standaard beschouwden, doch vooralsnog het invoeren van den enke
len zilveren standaard wegens de massa goud ondoenlijk achtten.
Deze wet nu zou de mogelijkheid niet uitsluiten om te eeniger
tijd tot dien zilveren standaard te geraken. 1) De toestand was
onhoudbaar er moest iets geschieden. Doch de omstandigheden
maakten een keuze van standaard niet gemakkelijk: in Rusland

') Zoo kreeg men de handen vrij om, zonder zich van de hulp van
het goud te berooven, zilver op nieuw te munten en te bewaren tot een
voldoende hoeveelheid voor inwisseling gereed was.

137

MOEIELIJKE STANDAARDKEUZE.

hadden sedert 1822 groote goudwasschingen plaats') en bleef dit


voortduren, zonder dat de zilverproductie sterk toenam, dan moest
de waardeverhouding ten gunste van het zilver gewijzigd wor
den. *) Maar ook van dit laatste metaal zou wellicht de hoe

veelheid aanmerkelijk zwellen, immers Mexico scheen onuitput


telijk rijk daaraan te wezen.
')

Was de goudopbrengst in Rusland


van 1741-1760 gemiddeld p. j.

40 K.G.

1761-1780

35

5s

,,

1781-1800

22

130

1801-1820

29

,, ,

240 , ,, geweest,

zij bedroeg in 1821-1830

zy

,, , 3.875

by

, ,, 7.050 , ,,

1831-1840
1841-1850

95 ,,

22.515

(SoETBEER, t. a. p. bl. 110, 111.)


*) Door deze gedachte liet de heer WARIN zich influenceeren en ver
klaarde zich voor den zilveren standaard.

Met de voorgestelde wet kon hij niet mede gaan al was het alleen maar

wegens het laatste artikel, waarbij der regeering een volmacht gegeven was,
veel te ruim met het oog op de opgedane ondervinding in geldzaken. In
1839 toch was men nog juist zoover als in 1823 en toch hadden de ge

deeltelijk nuttelooze inwisseling der Zesdhalven, het onnoodig verlies door


een nieuw tarief in de Zuidel. provincin in 1824 en de aanmunting van
bijna f 29 mill. in zilver naar de Wet van 1816 geslagen, millioenen gekost.
,,Deze daadzaken zijn bekend en zullen in het vervolg, door degenen,
die de geschiedenis van dit tijdperk zullen beschrijven, niet worden over
het hoofd gezien.
,,Men denke niet dat de regeerders van den tijd, wanneer de crisis
zal plaats hebben, de schuld zullen dragen; neen, men zal naar den oor
sprong en naar de eerste tijden van het kwaad opzien en hoe grooter
de onheilen zijn zullen, welke men zal ondervinden, ten gevolge van het
verwaarloozen van de noodige behoedmiddelen, des te donkerder zullen de
-

kleuren zijn, met welke men degenen zal kenmerken, die zullen gekend
worden als oorzaak van die onheilen.

Hij wilde die schuld niet mede dragen en onthield zijn stem aan deze
wetsvoordracht.

138

INVLOED DER NED.

BANK.

Daarbij kwam, dat velen de zaak aan deskundigen wenschten


over te laten omdat zij haar, als te ingewikkeld beschouwden om
anders dan door dezen te worden beoordeeld en het is niet onwaar

schijnlijk, dat die traagheid, meer dan de verdediging des


ministers, 1) in de 2" Kamer den 15" Maart het ontwerp deed
aannemen *), dat den 22" J/aart 1839 tot Wet werd verheven.

Zoo sukkelde men dan voort, gelijk men het reeds 23 jaar
lang gedaan had en dit ten koste van een deel der aan de Staats
zorg toevertrouwde belangen, waarbij niet de minste fout, de
minste verwaarloozing mocht worden geduld, terwijl men alge
meen erkende, dat het geheele beginsel van de Wet van 1816
onjuist was en dat deze maatregel slechts een tijdelijk karakter
kon dragen, als door den nood van het oogenblik afgedwongen.
Algemeen, want de minister zelf, die de wet had ontworpen,
achtte aanvankelijk den gouden standaard meer geschikt, maar
werd door de directie der Ned. Bank van dit denkbeeld terug
gebracht, en de inmiddels nieuw opgetreden minister van finan
cin verklaarde, in een brief van 25 Jan. 1842, dat deze wijziging
een offer was, gebracht aan de directie der Ned. Bank, waarom
1) Volgens Z. Excell. zou het denkbeeld om het zilver tot standaard
te nemen en het goud alleen voor negotiepenningen te gebruiken ,,slechts
schijnbaar een redmiddel voor het bestaande kwaad zijn: want er moet
toch ook een verhouding tusschen die negotiepenningen en het zilver bestaan.
En verder zeide hij:
,,Dat het volstrekt onmogelijk zou zijn om de verhouding tusschen
goud en zilver te vinden, behoort tot die bloot theoretische stellingen,

die men in de boeken leest, maar voor welke men, bij eenig doordenken,
geen genoegzamen grond vindt.
En hoe kwam hij hiertoe, wel dood eenvoudig, door de munt als een
fabriek, de edele metalen als overeenkomende met minder edele als ijzer
en lood te beschouwen; ,,tusschen deze beide zal toch wel een verhouding

bestaan. Staatsc. 10 April 1839 N". 85.


*) Met 34 tegen 15 stemmen.

RAADGEVING VAN DR.

VAN BEEK.

139

hij dan ook bij het werk der hermunting op hare hulp meende
te mogen rekenen.
Intusschen die hermunting moge in het plan des ministers
hebben gelegen, metterdaad was daarvan weinig te bespeuren.
Want al bestond nu de gelegenheid om zilver te munten, in
1813 was nog niet meer dan f 1 millioen, volgens de nieuwe
regeling geslagen. 1) Dit gaf dan ook DR. A. vAN BEEK lid
van het muntcollege aanleiding om in dat jaar eenige beden
kingen ten beste te geven, waarin hij ernstig waarschuwde, toch
nog van de gelegenheid gebruik te maken, om terwijl de wet
vrijheid liet beide metalen te munten, niet of slechts weinig
zilver te doen slaan, het oude te versmelten en in baren tegen
goud te verwisselen om zoodoende gemakkelijk tot den gouden
standaard te geraken. *)
Doch deze goede raad werd in den wind geslagen. De be
langrijke gebeurtenissen in 1840 en de toenemende behoeften
der schatkist stonden een flinke hervorming zeer in den weg.
Eenige millioenen zilver werden op den nieuwen voet vervaardigd,
meest voor rekening van de Ned. Bank of de Handelmaatschappij;
maar dit kon op het geheel van geen invloed zijn. Het rijk

")

Het zilver daalde in de jaren 1840-43 eenigermate in prijs, de

verhouding door de wet aangenomen (15.6 : 1) werd op de open markt


vrij sterk overtroffen, in 1840 was zij nog 15.62: 1, in 1841, 15.70: 1,
in 1842, 15.87 : 1 en in 1843 15.93 : l, een verschil groot genoeg om,
al vielen op het goud iets minder muntkosten, de zilver-aanmunting
voor de regeering voordeelig te maken.
*) Ook raadde de schrijver aan de verbouwing der Munt dan, als
onnut, te staken.
Door den inspecteur-essayeur-generaal dr. A. VRoLIK werd daarop ge
antwoord, dat de regeering in 1839 overtuigd was van de voordeelen die
de zilveren standaard zou aanbieden, maar dat de groote hoeveelheid
gouden munt de invoering daarvan belemmerde, dat inmiddels de prak

tijk drong en dus de dubbele standaard tijdelijk behouden was.

140

MINISTER VAN

HALL.

liet weinig oude specie vernietigen. 1) De geldsnoeiing ging


haar gang, en ieder, zelfs het rijk, gaf de geschonden munt
weer uit en maakte zich dus dagelijks schuldig aan het wan
bedrijf, vermeld in art. 135 van het Wetboek van Strafrecht *).
In het jaar 1844 kwamen goede voorteekenen een verbetering
in den toestand voorspellen. Had men reeds in 1840 den moed
gehad de geheimzinnigheid te laten varen, die tot dien tijd als
noodzakelijk was beschouwd voor het bestuur der Staatsgelden,
thans trad de bekwame vAN HALL als minister van financin op.
Van hem mocht men verwachten, dat hij de zoo dringend ge
ischte verbeteringen in ons muntwezen niet zou verschuiven.
Terwijl de middelen, krachtig gesteund door de Indische baten,
meer dan toereikend waren om de noodzakelijke Staatsuitgaven
te dekken, konden de kosten aan een munthervorming verbonden
geen onoverkomelijke hinderpalen meer opleveren. Wel kon
Nederland niet meer de kapitaalmarkt van Europa zijn, als
vroeger, maar zijn goede naam en het belang van den handel
eischten dat het muntwezen, eenmaal het beste der wereld

niet onderdeed voor dat van naburige beschaafde rijken. Reeds


waren sedert 1839 weder vijf jaren werkeloos voorbijgegaan;
maar het was ditmaal een gedwongen rust geweest. Immers,
terwijl van de f 12 millioen, in 1822 door het Amortisatie
Syndicaat gestort, tot verbetering van ons muntwezen, nauwelijks
f 5 millioen gebruikt waren en nog in 1836 aan de speciale
muntcommissie was opgegeven, dat het overschot door de op
loopende rente tot f 10 millioen aangegroeid en voor de her
munting beschikbaar was, bleek bij onderzoek, dat die gelden

') Een bedrag oude Dubbeltjes van ongeveer f 2'/, mill. werd bij
proefnemingen versmolten.

*) VROLIK t. a. p. bl. S,

TELEURSTELLING EN

POLEMIEK.

14.1

bijna geheel ') tot andere, geheime, doeleinden waren besteed.


Er werd dus niet hermunt, omdat het fonds voor de hermunting
verdwenen was. *)
Bij de opening der Kamers in het najaar van 1844 vermeldde
de Koning, dat de regeering het voornemen had de hermunting
met kracht door te zetten, en werkelijk den 31" Jan. 1845
werd een Ontwerp van wet ingediend, om het fonds voor het
muntwezen te regelen en aan te vullen. Voor velen, die de
Wet van 1839 reeds lang als veroordeeld beschouwden, was dit
een groote teleurstelling. *) Vooral de heer SUERMONDT, voor
malig muntmeester, kwam ernstig op tegen de uitvoering dezer
mellendige empirische wet. Zijn opstel gaf het sein tot een zeer
belangrijke polemiek in het maandblad de Tijdgenoot van 1845,
waaraan door hem en de heeren WARIN, BAKE, CRooCKEwIT,
DEN TEx, VAN DER HooP, VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT en
een zich noemende CT., met meer of minder talent werd deel
genomen. *) Doch die strijd bewoog zich geheel buiten de
voordracht, omdat alle mannen van wetenschap de Wet van 1839
1) In de Memorie van Toelichting gevoegd bij het Ontwerp van 31
Jan. 1845 werd medegedeeld, dat van de bijdrage van het Amortisatie
Syndicaat op l Jan. 1842 nog een som aanwezig was in de schatkist
,,waarvoor eenige voorloopige werkzaamheden waren verricht.
*) Zie ACKERSDIJK ,,Nederlands Muntwezen 1845 bl. 18.
*) ,,Met droefheid zie ik den keer, die de zaken van ons muntwezen

nemen. Daar is nu aan de St. Gen. een ontwerp van wet voorgedragen,
wel is waar tot opruiming der oude besnoeide munten, met welke wij ons
nog behelpen, maar voor het overige ons muntstelsel, zamengesteld uit ver
scheidene, voor een groot gedeelte vervallen en vervallende wetten, ge
brekkig bovendien, latende bestaan. WARIN. Tijdgenoot 1845 bl. 186.
*) De heer WARIN betoogde dan ook de wenschelijkheid, dat er onder
de wetgevers meer eenstemmigheid zou heerschen dan er bestond onder
hen, die in den laatsten tijd in de Tijdgenoot over het muntwezen hadden
geschreven.

142

sUERMONDT vooR HET GoUD.

en het beginsel van den dubbelen standaard als onhoudbaar hadden


gebrandmerkt. 1) Voor hen gold het de vraag welk metaal bij
een nieuwe muntregeling tot standaard moest gekozen worden.
Ontegenzeggelijk had het plan van den heer SUERMONDT veel
aantrekkelijks: hij meende dat het goud als standaard moest
worden aangenomen en wel
1. omdat verreweg het grootste deel onzer circulatie uit dit
metaal bestond en het feitelijk onze standaard was geworden.
2. omdat het zich liet aanzien, dat de waardewisseling van het
goud geringer zou zijn dan die van het zilver, waarvan
de productie, in verhouding tot het gebruik steeds toenam. *)
3. omdat het, bij kleiner volume, gemakkelijker circuleerde en
minder afsleet.

4.

omdat naast de gouden standpenningen zilver pasgeld, van

1) Slechts de heer v. D. Hoop brak een lans voor het behoud van
den dubbelen standaard, evenals lord AsHBURTON (ALEx. BARING) in En
geland. Zij, als bankiers, behoorden tot de sterkeren, die zich wel wisten
te redden. Noch zij, noch de eigenaars van vast goed leden onder waarde
vermindering van het geld, maar zooveel te meer de renteheffers, de be
zoldigde ambtenaren en de schuldeischers.
*) ST. CLAIR DUPORT, die jaren in Mexico had doorgebracht achtte

evenals voN HUMBoLDT een verdubbeling of verdrievoudiging der pro


ductie daar zeer waarschijnlijk, voornamelijk ten gevolge van den grooten

vooruitgang der metallurgie, die het verlies bij de bewerking van de


zilverhoudende ertsen van 35 40 % tot 10 14 % had doen redu

ceeren. (Zie zijn werk ,,de la production des mtaux prcieuw au Mewi
que, Paris 1844.) Voor het goud, dat nagenoeg gedegen gevonden werd,
kon deze factor althans van geen invloed zijn.
- Mexico leverde gemiddeld jaarlijks aan zilver op:
1732-1800 circa f 36.714.000
1801-1810

,,

,, 53,856.000

1811-1840

,,

,, 24.724.000

(door onlusten, burgeroorlogen en revolutin nam de productie tijdelijk af)


in 1841

circa f 40.000.000.

KASBILJETTEN.

143

minder innerlijke dan nominale waarde geslagen, groot


voordeel zou opleveren. ')

5. omdat de muntinrichting dan slechts '/s der kosten zou


noodig maken, vereischt om haar voor den dubbelen stan
daard in gereedheid te brengen, het geheel veel spoediger
geregeld zou kunnen zijn en een onbillijkheid, die veran
dering in den bestaanden muntvoet altijd medebrengt, zou
worden vermeden.

Hij wenschte, dat slechts betalingen beneden de f20 in zilver


zouden behoeven te worden aangenomen, en om overvloedigen
aanmaak van pasmunt door de regeering te voorkomen, inwis
selbaarheid van elk bedrag zilver boven f 20 in goud bij de
gemeente-ontvangers. Bovendien beval hij aan, een klein bedrag,
b. v. f 10 mill., aan kasbiljetten uit te geven, die een deel
der schuld renteloos zouden maken en oninwisselbaar konden

circuleeren, zonder gevaar voor depreciatie, indien men, gelijk in


Pruisen geschied was, eischte, dat een bepaald deel der belas
ting in deze biljetten betaald werd. *)
Maar er waren ook bezwaren tegen dit plan aan te voeren
en daarmee hielden vooral de heeren CT. en BAKE zich on

ledig. Zoo vreesden zij, wel wat wonderlijk, een geheelen uit

voer van de goudcirculatie, een sterke aanmunting van de


minwaardige pasmunt, die door haar overvloed *) een terugkeer

van het goud zou beletten en derhalve tot standaard zou op


groeien, hetgeen niets dan een sterke muntverzwakking zou zijn.
Ook een fabriekmatige aanmaak in het buitenland, van die
zilveren pasmunt was een schrikbeeld, hetgeen echter, nam men
*) Indien f 6 mill. pasmunt werd geslagen met 5 /o winst dan zou
dit f 300.000 opleveren, wellicht voldoende om het geheele muntloon
voor f 54 mill. goud en f 6 mill. zilver te dekken.
*) Deze biljetten waren ,,legal tender en alleen te Berlijn inwissel
baar, waarvan evenwel nooit gebruik werd gemaakt.
*) Door de gedwongen inwisseling van rijkswege echter onmogelijk.

144.

WARIN VOOR HET ZILVER.

de innerlijke waarde niet lager dan 10 % onder de nominale,


niet wel tot verwezenlijking kon komen 1), getuige Engeland *),

waar de pasmunt sedert 30 jaren ruim 8% te hoog gewaardeerd


was, zonder tot eenig nadeel te leiden. Dat reeds een begin van
uitvoering aan de Wet van 1839 was gegeven, kon waarlijk geen
argument heeten om op een verkeerden weg voort te gaan.
Van ernstigen aard was het verzet, dat WARIN tegen dit plan

aanteekende, hij meende het zilver tot standaard te moeten aan


bevelen voornamelijk op grond van zijn minder groote waarde,
waardoor alle betalingen daarin zouden zijn te effectueeren, en
de afslijting en besnoeiing minder nadeel konden toe brengen,
terwijl het algemeen, gewend als het was aan zilver, daarbij
gaarne wilde blijven. Bovendien vreesde hij een sterke toename
van de goudproductie in het Oeralgebergte. *)
Herhaaldelijk werd het werk van FAUCHER *) als autoriteit
geciteerd.
Merkwaardig echter is het gebruik, dat van dit boek werd ge
maakt. Beide partijen beriepen er zich op tot staving van hun
gevoelen. *)
1) Een voordeel geheel onvoldoende om de hooge kosten van clan
destinen aanmaak te dekken.

*) Maar ook hier was men niet algemeen met de gouden standaard inge
nomen, zie o. a. de werken van LoCKE; en PEEL had geen andere redenen
voor het behoud van het goud in Engeland kunnen doen gelden dan het lang

durig gebruik. Bovendien was de Eng. Bank bevoegd '/4 van haar metaal
dekking in zilver te houden en daarin met goedvinden van den biljet
houder te betalen.

*) Gouden negotiepenningen zouden volgens hem van veel nut kun


nen zijn.

*) ,,Recherches sur l'or et sur l'argent considrs comme talons de


la valeur Paris 1843.

*) Zoo citeerde WARIN ten voordeele van het zilver deze plaats:
,,Si les divers tats de l'Europe adoptaient le systme de la Grande
Bretagne, la demande, qu'prouve l'or sur les marchs comme marchan

FAUCHER's wERK.

145

Bijna eenstemmig was men in de bestrijding van het plan


tot uitgifte van oninwisselbare kasbiljetten, hetgeen als u een
pest voor de circulatie werd omschreven.
dise, augmenterait en raison des quantits ncessaires pour toute mon
naie, qui devient le milieu mme de la circulation. Le prix de l'or s'l
verait outre mesure, et l'on verrait se produire en Europe un effet inverse
de celui qu'opre la dprciation de l'argent, mais en effet tout aussi
par le trouble qu'il jetterait dans les transactions. En outre la

funeste

quantit d'or qui circule dans le vieux monde n'tant pas considrable,
et les peuples ayant se la partager, un nouveau pril, un pril poli
tique naitrait de cette situation, le systme montaire se trouverait sub
ordonn, non plus l'tat des rapports commerciaux, mais aux rapports
des gouvernements entre eux. Une nation, en accaparent une certaine
quantit d'or par une combinaison quelconque, pourrait obliger ses voi
sins suspendre leurs payements en espces, et se reduire, pour un
temps du moins, comme l'Angleterre en 1797, la monnaie de papier.
Ce serait une arme trop redoutable que l'on donnerait scs ennemis.
Ce systme comme l'artillerie moderne, n'aurait pas une force dfensive
gale sa puissance de destruction.
Il est bon, il est ncessaire, il est invitable que les peuples adoptent
des mesures diffrentes pour la valeur. Les tats se prtent une mutuelle
assistance, quand le mtal, qui est marchandise en dea de la Manche,
est monnaie au del, et rciproquement.

Maar daarop liet de schrijver volgen: ,,Mais il ne faut pas se dissimuler


que la nation qui a choisi l'or, du consentement tacite de l'Europe, a pris
un avantage immense et que l'on ne peut plus lui disputer; car elle a
saisi l'occasion de donner chez elle une ferme assiette cette base con

ventionelle de la valeur, qui reste abandonne, sur le continent europen,

toutes les variations de l'argent.


En het was dus zeer natuurlijk, dat ook de heer SUERMONDT, als voor
stander van het goud, zich op dit werk beriep.

Het gold hier dezelfde vraag als behandeld werd in de muntconferenties


van 1878 en 1881.

Het viel niet te ontkennen dat verschillend stan

daardmetaal in verschillende landen groote voordeelen opleverde, maar


al erkende een ieder de waarheid daarvan, een verdeeling in goud- en
zilverstaten tot stand te brengen was niet gemakkelijk.
10

146

INZICHT DER REGEERING.

Was het moeielijk zich door deze zeer uiteenloopende in


zichten te laten leiden, zeker had men van den grooten financier,
die aan het hoofd van het departement van financin stond, iets
anders mogen verwachten dan de verklaring dat er aan het
gepaste en nuttige van den dubbelen standaard voor dit land niet
te twijfelen viel. De regeering volhardde bij de uitvoering van
de Wet van 1839; 1) zij bleef eigen wijsheid stellen boven weten
schap en ondervinding. *) En de Kamer, getrouw aan haar
beginsel, om bijna elke voordracht, als zij haar niet tastbaar

1) In de Memorie van Toelichting (zie Staatsc. v. 7 Feb. 1845) werd


gezegd: ,,de Wet van 1839 heeft de verhouding van goud tot zilver vast
gesteld (na rapport van de staatscommissie van 1S36) in de hoop dat

hiermee de zwarigheden zouden zijn overwonnen.

Bij die evenredigheid

dient gebleven te worden.


Het hier aangehaalde rapport is niet dat van 23 Nov. 1836, maar

een later, op bizonder verzoek van den min. uitgebracht, waaraan het
behoud van den dubbelen standaard ten grondslag moest liggen.
Verder werd in die Memorie o. a. als doel der voordracht opgegeven:

,,een einde te maken aan de steeds klimmende schade voor het rijk, aan
het misdrijf, dat bij den slechten staat der oude munten, niet te weren

was, en aan het gevaar, dat, bij verder verval der munten,...... eindelijk
zou kunnen geboren worden.
Welk een voorzorg!

*) ,,Wij hebben gedurende 30 jaren de kennis van het muntwezen


verrijkt met een aantal proeven, welke voortaan kunnen worden aange
voerd als bewijzen uit de ondervinding om te toonen, hoe men niet be
hoort te handelen.

,,Doch zoo die gang van ons muntwezen belangrijk is voor den onpar
tijdigen aanschouwer, die slechts verlangt uit de ondervinding lessen voor
dat gewigtig gedeelte der staathuishoudkunde op te zamelen; bij den
Nederlander moet zij een pijnlijk gevoel verwekken, wanneer hij bedenkt,
dat het de welvaart van zijn Vaderland is, de achting bij vreemde na
tin, welke bij deze rampzalige proeven op het spel gesteld zijn. AC
KERSDIJCK t. a. p. bl. 5.

147

TEGENSTANDERS.

verkeerd scheen, aan te nemen, werkte weder mede om ook aan


deze wetskracht te verleenen. 1) Toch, het zij met genoegen

geconstateerd, geschiedde dit niet zonder hevig protest. Want


al gold het hier slechts de aanwijzing van fondsen tot herstel
van onze munt, men onthield zich reeds in de afdeelingen niet
van beschouwingen over de groote quaestin, die zich voordeden
bij het vestigen der grondslagen van het muntwezen, omdat deze
voordracht verwerpelijk was, indien was aangetoond, dat de Wet
van 1839, wier uitvoering zij zou mogelijk maken, in strijd
was met de gezonde begrippen. Vandaar dat het beginsel van
den dubbelen standaard werd verdedigd *) en aangevallen en dat

*) De voornaamste bepalingen waren:


1. verevening van eenige reeds gedane uitgaven ten bedrage van
f 726.197.148;
2 toestaan van f 6.212.000 voor de werkzaamheden tot verbetering
van het munt wezen in 1845, 46 en 47 te besteden, welk bedrag groo
-

tendeels uit de opbrengst van domeinen en door den verkoop van 1000
aandeelen Ned. Bank zou gevonden worden.
*) Met de bewering dat de ondervinding, de theorie van den enkelen stan
daard nog niet had bevestigd en dat de schokken in Engelands credietwezen
niet schenen te pleiten voor en standaard (!), dat er in geval een der

beide metalen verdween toch altijd nog een overbleef (!);


en dat de dubbele standaard steeds (!) bij ons te lande bestaan had
en nog in alle Europeesche landen (exc. Engeland) zonder merkbaar na
deel bestond.

Alleen dit laatste kon eenigzins als argument dienen, doch daaruit
bleek hoogstens, dat de dubbele standaard geen nadcelen oplevert indien

hij over een zeer ruim veld wordt toegepast.


Maar de tegenstanders verzuimden niet te doen opmerken, dat de er
varing de deugdelijkheid van den enkelen standaard in Engeland reeds lang

had bevestigd, dat de moeielijkheden, die dit land in zijn credietwezen


ondervond, voortsproten uit overmatige emissie van bankpapier, waarmee

de standaard niets te maken had, dat de dubbele standaard wel feitelijk


altijd slechts en standaard is, maar dat altijd het goedkoopste metaal

148

DE STANDAARD VRAAG OP NIEUW

de vraag, welk standaardmetaal verkieselijk was, werd be


handeld. 1)
Ook bij de openbare beraadslagingen in de 2" Kamer der
St. Gen., op den 28" April *) werd aan deze punten groote
belangstelling gewijd. Vooral de heer VAN GoLSTEIN, die
den gouden standaard aanbeval, terwijl hij er ernstig tegen waar
schuwde een algemeen veroordeeld stelsel toe te passen alleen
omdat men meende zoodoende eenige maanden vroeger de geld
snoeierij te kunnen beteugelen, en voorts, ten einde later op
daarvoor fungeert, dat de dubbele standaard bij ons wettelijk eerst in 1749
was aangenomen, en eindelijk dat de wet van 1839 het sprekendst

bewijs leverde van de nadeelen, die er uit konden voortvloeien.


Hadden de St. v. Holland niet reeds in 1663 bij Placaat erkend, dat het
onmogelijk was een verhouding tusschen beide metalen wettelijk vast te stellen!

') Men voerde weinig nieuwe overtuigingsmiddelen aan.


Voor het goud pleitte:
het gemakkelijke vervoer,
de waarschijnlijkheid van geringer prijsverandering,
de mindere afslijting,
de geringere muntkosten,
-

de besparing op de zilveren pasmunt, die met minder innerlijke waarde


kon volstaan,
de groote hoeveelheid gouden munt, die reeds geslagen was,

de omstandigheid, dat de wisselkoers zich naar het goud regelde,


en de grootere spoed, waarmee de hermunting kon worden voltooid.
Voor het zilver werd aangevoerd:
dat de argumenten voor het goud of overdreven of van minder ge
wicht waren,

dat er vrees bestond voor groote goudproductie,


dat het grootste deel van onze gouden munt toch in het buitenland was;
dat de Ned. natie tot 1749 steeds den zilveren standaard had gehad
en eerst daarna den dubbelen had gekregen, en dat het gevaar ontstaande
uit de groote hoeveelheid zilveren pasmunt, die naast de gouden munt
noodzakelijk was, werd vermeden.
*) Zie Staatscourant van 13 Mei 1845 no. 111.

TE BERDE GEBRACHT.

149

het eens ingevoerde stelsel van den dubbelen standaard te kunnen

terugkomen ; DEN TEX, die den dubbelen standaard als een


hoofdfout brandmerkte, waaraan behalve Engeland bijna

alle

Europeesche landen zich schuldig maakten 1), en aan Nederland de


taak aanwees om den verder te volgen weg te toonen, die voor

ons land, vooral met het oog op de gewoonte, tot den enkel
zilveren standaard moest leiden; BROUWER, die eveneens
den zilveren standaard aanbeval, omdat het zilver tusschen de

jaren 1844 en 45 veel minder in waarde had afgewisseld dan


het goud, *) en den Gulden van 200 azen wilde herstellen;

LUZAc, die herinnerde, dat de regeering zelf de onjuistheid


van den dubbelen standaard had erkend en zich verbaasde, dat zij
desniettegenstaande een 3" stap op dien verkeerden weg wilde
doen *) THoRBECKE, die de woorden aanhaalde door
SCHIMMELPENNINCK v. D. OIJE *) in 1839 gesproken, dat men
ook thans weder het kwaad niet bij den hartader greep, maar
slechts een nieuwen lap op het oude kleed zette, DE KEMPENAER
en STORM, zij allen teekenden ernstig protest aan tegen deze
voordracht.

Maar de minister bezat het vertrouwen der Kamer, en niet


ieder merkte op hoezeer hij dwaalde toen hij beweerde, dat de
dubbele standaard in de muntwet vastgesteld, de regeering ge
*) Hoe na was men toen aan hetgeen thans door zoovele bekwame
mannen ernstig wordt gewenscht, een bimetallisme over een zeer ruim

veld verbreid; hoe verwijderde men er zich van bij verhelderde begrippen.
Een dergelijke wijze van ontwikkeling der wetenschap kan men her
haaldelijk opmerken.
*) Volgens hem was het zilver het hoogst in prijs in 1831, het laagst
in 1825 en de verhouding 100 : 101'/1o; het goud het laagst in 1825,
het hoogst in 1832 en de verhouding 100 : 102*/s, welke grootere ver

andering waarschijnlijk aan politieke invloeden was toe te schrijven.


*) De Wetten van 1816 en van 1839 waren de beide eerste.
*) In 1845 min. van binnenl. zaken.

150

MINISTERIEELE

DWALINGEN.

heel vrijliet om te doen munten in welk metaal zij wenschte,


dat dit stelsel verkieselijk was, daar het iederen schuldenaar de
keus liet tusschen betaling in goud of zilver '), en dat hierin
niets irrationeels gelegen was, aangezien ook bij en standaard de
waarde van het metaal afwisselde. Dat het zelfs gevaarlijk zou
zijn den staat te dwingen in en metaal te doen munten, want
dat dit juist zou kunnen dalen, en dat daarom de keuze bij de
regeering moest blijven. *) Altemaal drogredenen, zeker niet in
staat de degelijke argumenten, die tegen dit systeem waren aan
gevoerd, te weerleggen. Toch ging het meerendeel der leden
met de voordracht mede, gedrongen door den wensch om spoedig
1) Het beginsel van den dubbelen standaard brengt mede, dat de
aanmunting voor particulieren in beide metalen geheel vrij is en juist
dit levert groot gevaar op, omdat zoodoende altijd in het minstwaardige
metaal zal betaald worden.

*) Verder redeneerde de minister: bij 2 standaarden kan slechts uit


voer plaats hebben van een metaal, het andere blijft en wordt zelfs wel
licht ingevoerd.

En daarop onthaalde hij zijn hoorders op een voor

beeld:

,,In een land waar de gouden standaard is, circuleert f 100 mill. goud,
indien dit metaal nu in waarde rijst buitenslands, zal er een uitvoer
plaats hebben van stel f 20 mill., de overblijvende f 80 mill. zullen
25 % in waarde stijgen.

,,Was in dit zelfde geval de dubbele standaard in dat land geweest en


had de munt bestaan uit f 50 mill. goud en f 50 mill zilver (welke toe
stand altijd even standvastig is als een kegel op de punt geplaatst) ,,dan
was ook goud uitgevoerd, maar tegen invoer van zilver en een crisis in

goederenprijzen zou minder gevaarlijk of geheel voorkomen zijn geworden.


Hier eindigde de minister zijn schildering, maar indien hij verder gegaan
ware, dan had hij moeten erkennen, dat er nu geen enkele reden be

stond om het overige goud te behouden, immers juist de invoer van het
zilver en de aanmunting daarvan zouden beletten, dat de uitvoer van het

circulatiemiddel, door schaarschte in waarde gestegen, onmogelijk werd.


Al het goud zou worden vervangen door minwaardig zilver en juist
dit is het groote bezwaar aan den dubbelen standaard verbonden.

WET VAN 22 MEI 1845.

NIEUw oNTWERP.

15]

een einde te maken aan het verderfelijk snoeien, door de vrees,


dat bij overgang tot enkel zilver de inwisseling van de ontzettende

massa goud (reeds f 170 mill. was geslagen) groote moeielijk


heden zou kunnen opleveren; overreed door de bewering, dat
feitelijk de bezwaren tegen den dubbelen standaard zoo groot
niet waren, gelijk ook president en directeuren der Ned. Bank,
op grond van de ondervinding hadden betoogd, 1) en bezield
door de hoop, dat men zich den weg niet afsneed om op de
geheele muntregeling terug te komen. *) Zoo werd deze voor
dracht den 28" April door de 2" Kamer aangenomen met 36
tegen 18 stemmen, en den 22" Mei 1845 tot Wet verheven.
Hoe onjuist nu ook de beginselen waren, wier verwezenlijking
hierdoor werd mogelijk gemaakt, men dient te erkennen, dat
door de wijze van toepassing de grondslag werd gelegd tot de
Wet van 1847, die ons muntwezen herstelde; *) maar het blijft
quaestieus of zij niet tevens vrij wel de mogelijkheid afsneed om
tot een anderen standaard dan den zilveren te geraken, en of
nu juist de minst kostbare weg daartoe werd ingeslagen.
Nog in hetzelfde jaar *) kwam een nieuw wetsontwerp *) in,
1) Sterk verklaarden zij zich tegen den gouden standaard: 1, omdat toch
zilveren pasmunt noodig bleef, en wel op lager gehalte, 2, omdat het goud

meer veranderlijk was in waarde, voornamelijk wegens zijn gemakkelijke


verplaatsbaarheid, wat ,,tot verhooging van rente aanleiding moest geven.
*)

Een voorwaarde, waaraan enkele leden hun goedkeurende stem

verbonden.

*) ,,De uitvoering, welke aan de Wet van 20 Maart 1839 werd ge


geven, met de middelen bij de Wet van 1845 toegestaan, heeft de re
gcering geleid tot het wetsontwerp van Maart 1847. Zie Memorie v.
Beantwoording ontwerp 25 Maart 1847.
*) 28 Oct. zie Staatscourant 31 Oet. 1845 n". 258.
") ,,Ontwerp van wet houdende bepalingen omtrent het buiten koers
stellen en inwisselen der nog in omloop zijnde provinciale en generaliteits
muntspecin.

152

MUNTBILJETTEN ALS HULPMUNT VOORGESTELD.

dat meer dan zijn voorganger onverdeelden bijval verdiende.


Volgens de considerans strekte het om aan de regeering de be
voegdheid te verleenen, alle vor het vaststellen der Wet van
28 Sept. 18.16 (Stbl. N. 50) vervaardigde muntspecin, buiten
koers te stellen. Hiertoe achtte de minister een tijdelijke hulp
munt, onder gepaste waarborgen, onontbeerlijk. Deze zou be
staan in muntbiljetten, niet kleiner dan en gulden, uit te geven
tot een zoodanig bedrag als zou blijken noodig te wezen, vol
komen gedekt en door de Ned. Bank gecontrasigneerd.
Voor iedere f 100 aan uitgegeven biljetten zouden 945 gr. f.
zilver of 60,56 gr. f. goud, hetzij in oude of nieuwe specie,
hetzij in muntmateriaal, worden gestort bij de Ned. Bank of
door deze aan 's Rijks Munt te Utrecht worden overgebracht,
om tot fineering en vermunting gebruikt te worden.
Op die wijze zou men zonder groote kosten de oude munt
ter verwerking beschikbaar krijgen. Daar eenige voorloopige
berekeningen hadden aangetoond, dat de hoeveelheid oude munt
grooter was dan oorspronkelijk vermoed werd, moest men, in
dien het tijdvak van overgang niet al te lang zou duren, de
Munt zoo inrichten, dat zij ten minste wekelijks een half millioen
specie kon afleveren. Hiertoe had de regeering zich ook ver
bonden. Doch om dit mogelijk te maken moest in de ver
schillende werkplaatsen f 3 f4 millioen te gelijk in bewerking
zijn, opdat in geen enkel deel der fabriek oponthoud ontstaan
zou. De scheifabriek moest dan + 4000 K.G. per week fineeren
en daartoe moest zij gelijktijdig over f 1 millioen oude specie
kunnen beschikken, welk metaal zij op haar beurt weder ont
vangen moest van de Commissie tot behandeling van 's Rijks
muntmateriaal. ')
')

De Wet van 5 Oct. 18.4l houdende instructie voor de Algemeene

Rekenkamer had in art. 55 aan dit lichaam het recht van toezicht toe

gekend over den voorraad muntmateriaal bij het College van Raden en
Generaalmeesters der Munt voorhanden, maar daar de Grondwet aan dit

WAARBORGEN VOOR

HUN

INTREKKING.

153

Om een half millioen per week te kunnen afleveren moest dus


tusschen f 5 en f 6 millioen aan de circulatie worden ontrokken.
Een aanvulling dezer lacune was noodzakelijk en daartoe koos
men de voorgestelde hulpmunt. Als waarborg tegen misbruik
door de regeering hiervan te maken, werd vastgesteld, dat iedere
maand door het hoofd van het departement van financin aan de
algemeene rekenkamer opgave zou gedaan worden van het bedrag
der uitgegeven en ingetrokken muntbiljetten, en de laatste, aan
de rekenkamer verantwoord, ten overstaan van twee leden zouden
worden vernietigd.
Deze muntbiljetten zouden niet langer mogen circuleeren dan
31 Dec. 1847; 1) maar tot dien tijd door ieder als wettig be
taalmiddel moeten worden aangenomen. Tegen namaak waren
dezelfde straffen bedreigd als tegen vervalsching van muntspecin.
Ten slotte was bepaald dat, geene der Ned. muntspecin naar de
Wet van 1816 en daarop volgende muntwetten geslagen, in 's Rijks
schatkist zouden worden aangenomen, wanneer zij eenigzins ge
altereerd en alzoo vervalscht, verminkt, besnoeid of uiterlijk

geschonden mogten zijn en dat niemand gehouden zou wezen


College voor alles een zelfstandig onafhankelijk karakter wilde verleenen,
zoo achtte men het wenschelijk een afzonderlijke Commissie te benoemen,
die onmiddellijk onder Raden en Generaalmeesters der Munt staande,
toezicht zou houden op de hermunting der oude specie en den voorraad
muntmateriaal. Een K. B. v 17 Maart 1845 n. 77 gaf haar het aan
zijn onder den naam van Commissie tot de behandeling van 's Rijks

Muntmateriaal. Den 31" Maart 1845 werd zij geinstalleerd.


Gedurende de jaren der hermunting was hare werkkring veel omvat

tend en dikwijls van zeer vermoeienden aard. In 4 jaar behandelde zij


niet minder dan f 84 mill. aan oude specie, die niet alleen geteld, maar

bovendien gemiddeld 5 6 maal gewogen moesten worden. Ook de


f 9.9S8.636 aan specie naar de Wet van 1816 geslagen gingen door haar
handen.

') Oorspronkelijk had men ultimo Dec. 1848 genoemd, doch dit werd
door velen te lang geacht.

l 54

INLICHTINGEN IN coMIT-GENERAAL.

wdusdanige gealtereerde, vervalschte, verminkte, besnoeide of


geschonden munten te ontvangen. ) Deze bepaling zou ook
tijdelijk toepasselijk kunnen worden verklaard op sommige der
daarvoor vatbare zilveren munten, geslagen vor de Wet van 1816.*)
Het beginsel, dat aan deze wet ten grondslag lag, verwierf
eenstemmig de goedkeuring van de leden der kamer zoowel als
van hen, die zich buiten dit lichaam om met de munt aange
legenheden bezighielden. Een ieder wenschte eindelijk bevrijd
te worden van die ellendige teekenmunt *), die hier algemeen
circuleerde. *)
Over de middelen, daartoe te baat genomen, was men het
minder eens. In de afdeelingen drong men aan *) op meer
uitvoerige inlichtingen omtrent de wijze van uitvoering en de
minister van financin verklaarde zich in zijn Memorie van Beant
woording bereid deze te geven in comit-generaal. Den 2" Dec.
had deze zitting plaats, waardoor de meeste bezwaren werden
opgeheven.
Toch bleven velen gruwen van het insoliede denkbeeld een

1) Art. 10.
*) Art. 11.
*) ,,Deerlijk besnoeide stukjes zilver, welke met een huivering werden
aangeboden en met weerzin in betaling ontvangen.
*) ,,In de meeste andere landen was men er in geslaagd een goed
muntstelsel in te voeren... waar dit toch met veel grooter moeielijkheden
verbonden was (dan hier), waar in 1813 metaalgeld circuleerde, dat (wel)
voor een gedeelte afgesleten en gesnoeid, maar (toch) voor een groot ge
deelte nog op den ouden muntvoet volwigtig was.

,,Doch terwijl men overal aldus verbetering tot stand bragt, vond bij
ons onafgebroken verslimmering plaats, zoodat wij welligt tot Turkije
moeten afdalen, om een toestand aan te treffen, die nog slechter is dan

de onze. ACKERSDIJK t. a. p. bl. 3 en 4.


*) Zie het algemeen Verslag der centrale commissie. Staatscourant
11 Dec. 1845 n. 293.

ONINWISSELBAARHEID DER

MUNTBILJETTEN.

155

papieren munt in te voeren, die hoewel behoorlijk gedekt, toch


voor een tijd lang oninwisselbaar zou zijn.
Op den 11" Dec. werden de beraadslagingen in de 2" Kamer
geopend 1) Zij waren belangrijk genoeg, al werden zij eenigzins
belemmerd door de mededeelingen in comit-generaal ontvangen,
waaromtrent de minister in het algemeen belang geheimhouding
bleef eischen.

Wel eenigermate gegrond was de aanmerking, dat de beloofde


spoed, waarmee het aangenomen ontwerp van Mei zou verwezen
lijkt worden, niet getoond was, dat de snoeierij derhalve weder
maanden rustig had voortgewoekerd, niettegenstaande de regeering
in het voorjaar een uitstel van enkele weken, om een nieuw
ontwerp, op algemeen als juist erkende grondslagen gevestigd,
samen te stellen, als te gevaarlijk voorstelde, terwijl zij nu zelf
erkende, dat zij voor de geheele hermunting wel twee jaren zou
behoeven. Hoofdzakelijk was dit het gevolg van de zeer on
voldoende muntkracht, aan wier uitbreiding echter ijverig ge
werkt werd.

De voorgestelde uitgifte van muntbiljetten vond vooral wegens


hun oninwisselbaarheid afkeuring, men vreesde een zeer ongun
stigen invloed op den wisselkoers. Een oninwisselbaar papier
kon geen basis voor dien koers opleveren; minstens genomen
zou men interest tot den vermoedelijken dag van inwisseling in
rekening brengen; bovendien beperking van de hoeveelheid cir
culatiemiddel naar de behoefte kon bij een papieren ruilmiddel
niet plaats hebben, en juist dit zou hier bizonder noodzakelijk
worden, waar het muntbiljet, door ongewoonheid verdacht, snel
zou circuleeren en dus dezelfde diensten als het metallieke ruil

middel met geringer bedrag zou kunnen praesteeren. Het ge


volg daarvan moest wezen, dat de weinig overgeblevene specie
werd uitgestooten, en velen zich tegen klinkende munt van hun
1) Zie Staatscourant 16 Dec. 1845 n". 297,

156

ONGEGRONDE VREES VOOR

DEPRECIATIE.

biljet zouden trachten te ontdoen, al was het dan ook met eenige
opoffering. Redenen genoeg derhalve om depreciatie te verwachten. ')
Toch bleek de redeneering onjuist. Een dergelijke waardever
mindering is alleen mogelijk indien een fiduciair ruilmiddel
overvloedig circuleert *) en daarvan was hier geen sprake, want
de biljetten traden tijdelijk in de plaats van een gelijke hoeveel
heid specie, aan den omloop onttrokken.
De circulatie werd dus niet vermeerderd *), en indien zij ook
al op een gegeven oogenblik te groot mocht zijn geweest dan
zou weldra, door uitvoer van gouden of weinig afgesleten zilveren

penningen, het niveau weder bereikt zijn geworden. Wel waren


deze beide soorten schaarsch, maar toch voldoende om den
wisselkoers te beheerschen, want slechts een enkele maal steeg
') Men stelde daarom voor, zie o. a. de brochure van prof. AcKERs
DIJK, dit papier inwisselbaar te stellen tegen goud of zilver in baren of
in specie.
De zekerheid van inwisselbaarheid zou juist maken dat geen enkel bil
jet werd aangeboden.
Hiertegen voerde de minister het groote bezwaar aan, dat men dan
een dubbel depot zou moeten houden, aangezien het metaal onder bewer
king niet tot inwisseling zou kunnen dienen.
Ware er echter gevaar geweest voor depreciatie dan zou deze reden
op zich zelf niet zwaar genoeg gewogen hebben om de oninwisselbaarheid
door te drijven.

Het streven om de meest verwijderde mogelijkheid van depreciatie te


voorkomen, moet in elk geval loffelijk worden genoemd.

*) Bestaat de overvloed in volwaardige munt of inwisselbaar papier


dan zal uitvoer terstond het evenwicht herstellen en geen wettelijk verbod
is dan bij machte den onnatuurlijken toestand te bestendigen.
*) De beperking der hoeveelheid leverde grooter waarborg op, dan
de meest volledige dekking. Maar terwijl de regeering geen gehoor kon
geven aan den wensch van enkelen om een maximum vast te stellen,

omdat het bedrag, dat noodig was niet dan bij gissing viel te schatten,
was die volledige dekking een uitstekend middel om te groote uitgifte
te voorkomen.

PAPIER BETER DAN AFGESLETEN

ZILVER.

157

de koers op Londen tot f 12.30 12.32'/s. De goud-pariteit


was destijds 12.089. ') en dat de wissel zoover daarboven steeg,
bewees natuurlijk gebrek aan goud voor uitvoer. (De gulden
0.6056 gr. f) Maar hoeveel hooger zou hij gestegen zijn
indien de innerlijke waarde der zeer slechte zilveren munt in
circulatie, tot maatstaf had moeten dienen. Bovendien werd de

toestand door de uitgifte van het papier niet gevaarlijker dan

hij reeds was; immers ook het zilver, dat er voor werd inge
wisseld was door zijn gebrekkigen toestand als een fiduciair ruil
middel te beschouwen, en de praktijk zou nog hebben moeten
toonen of men aan deze specie dan wel aan de muntbiljetten,
die over eenigen tijd tegen volwichtige, nieuwe munt zouden
worden ingewisseld, waarvoor reeds de benoodigde hoeveelheid
metaal aanwezig was, in het buitenland een grooter innerlijke
waarde toekende.

De groote vrees voor het papieren ruilmiddel sproot wellicht


ten deele voort uit een analogie, die men tusschen deze munt
biljetten en de in 1830 uitgegeven schatkistbiljetten meende te
ontdekken.

Geheel ten onrechte evenwel, want daar werd de

depreciatie (weldra tot 80 /o) niet voorkomen door beperking


der hoeveelheid, noch door dekking of door bepalingen omtrent
intrekking of aflossing *), en bovendien waren die schatkistbiljetten
1)

1 ounce standard goud bevat 31.1 gr. = 3. 17 sh. 101/3 d. en

heeft een gehalte van 220/34o.

1 ounce standard goud is dus gelijk aan 934.5 pence


1 pence houdt in 0.03328 gr goud op een gehalte van *"/sto
240 pence op een gehalte van 220/34o houdt in 7.3216 gr. f. goud
1 8 houdt in 7.3216 gr. f. g.
lf 1 in 1847 bevatte 0.6056 gr. f. g.

*) Ook had men de moeielijkheden voor oogen, waarmede langen tijd


de bankbiljetten te worstelen hadden, niettegenstaande zij steeds te Am
sterdam konden worden ingewisseld.

Maar dit papier was geen wettig

betaalmiddel, niet door het rijk uitgegeven en de coupures waren voor


het platteland dikwijls te groot.

15S

TUSSCHENKOMST DER NED.

BANK.

geen papieren geld, maar schuldbewijzen van den staat, die der
halve in de algemeene daling van onze staatsfondsen in 1830
deelden.

Ook de geruchtmakende voorbeelden, die de historie in andere


landen kon aanwijzen, werkten op de verbeelding, maar men
mocht niet vergeten, dat Oostenrijk in zijn Wiener-Whrung,
Pruisen in zijn Tresor- of Kassen-Scheine een ongedeprecieerd
papier bezat, dat groot gemak opleverde.
Tegen misbruik van te groote biljet-uitgifte door de regee
ring waren zoovele waarborgen, dat alle wantrouwen daaromtrent
wel moest wijken. De dekking, die indirect de hoeveelheid
beperkte, alsook de bepaling van den uitersten termijn van inwis
seling en de tusschenkomst der Nederlandsche Bank leverden
genoeg zekerheid op.
Wel werd beweerd, dat dit lichaam door de hem opgedragen
taak buiten zijn werkkring ging 1) en dat het er niet toe ge
schikt was *), vooral omdat de Nederlandsche Bank niet op
goede gronden gebaseerd, slechts volgens K. B. van 21 Aug.
1838 voor 25 jaar vergunning van bestaan had en dus volstrekt
niet onafhankelijk van de regeering genoemd kon worden;
terwijl art. 47 van dat K. B. stipte geheimhouding omtrent
alle handelingen der bank beval, en openbaarheid hier juist
noodig was. *) Doch hoezeer vele van deze opmerkingen hunne
') Nl. het in bewaring nemen van gelden en goederen van den
Staat. Maar ontving de bank dan niet rekening-courant saldo's?
*) Omdat een disconto- en beleeningsbank aan winst en verlies is bloot
gesteld.

Een deposito- of bewaarbank achtten sommigen verkieselijker.


*) Vooral in de brochure van prof. AcKERSDIJK vonden deze bezwaren
een plaats.

De toon waarin dit geschriftje is gesteld, gaf den minister aanleiding


tot de volgende opmerking:

,,Voorlichting van bekwame mannen, zelfs ongevraagd, is mij altijd

GELIJKTIJDIGE INTREKKING VAN ALLE OUDE SPECIE GEWENSCHT. 159

waarde mogen hebben gehad, voor de maatregelen hier te nemen


waren zij van geen belang, immers het ging toch niet aan, de
soliditeit dier gevestigde instelling te betwijfelen, terwijl het
bepaald onjuist was te beweren, dat de bedoelde taak buiten
haar werkkring lag. De eisch, dat openbaarheid zou worden
gegeven aan de overeenkomst tusschen het rijk en de directie
der bank was echter allezins gewettigd.
Ook dat niet alle specie op eenmaal kon worden ingewisseld,
stelde velen te leur '), en zij meenden, dat als men toch een
maal biljetten uitgaf, een eenigzins grootere hoeveelheid den weg
tot de plotselinge intrekking, gemakkelijk zou maken. Men
zou dan tevens voorkomen het gelijktijdig circuleeren van oude
en nieuwe munt, hetwelk men thans vreesde, dat het snoeien
wellicht zeer zou bevorderen. *) Hiervan kon echter geen sprake
zijn omdat het der regeering onmogelijk zou vallen een som van
aangenaam, maar waarom voert een hoogleeraar aan een rijksacademie
een taal vol bitterheid en gal, die hem tot pamphlettist vernedert.
De schrijver had dit reeds zelf eenigermate gevoeld, want hij eindigde

zijn geschriftje met de verzekering, dat de toon wel eens wat scherp was
geworden onder ,,den invloed der innige overtuiging: dat de weg open

stond om zonder eenig gevaar het beste muntstelsel in te voeren, terwijl


nu om een uiterst gebrekkig stelsel in te voeren niet alleen veel meer

opofferingen gevorderd, maar zeer hagchelijke middelen aangewend zou


den worden.

*) Te dien aanzien gaf de redactie der memorie van toelichting aan


leiding tot verwarring. Daar werd de hulpmunt aanbevolen ,,omdat het
anders ondoenlijk is eene genoegzame hoeveelheid nieuwe specie spoedig

genoeg te verkrijgen om alle de oude specin op eens tegen nieuwe in


te trekken.

En toch was de regeering zelf overtuigd, dat van in

trekking in eens geen sprake kon zijn. Zie art. 3 der wet.
*) Vrees dat de nieuwe munt zou worden versmolten was geheel on
gegrond, aangezien dit alleen voorkomt bij overvloed van ruilmiddel,
en de omloop van besnoeide specie naast volwichtige daarop nooit van
invloed is.

160

DOELTREFFENDE MAATREGELEN.

40 60 mill. guldens tijdelijk bij de Ned. Bank te deponeeren.


Bovendien zou het snoeien toch voorkomen worden, indien men
slechts zorg droeg telkens het geheele bedrag van een soort der
in omloop zijnde oude specie in te trekken. ')
Bij stemming bleek de oppositie zeer gering, in de 2" Kamer

werd het voorstel met 49 tegen 6 stemmen aangenomen en op


den 18" Dec. werd het tot Wet verheven.

Dat het thans der regeering ernst was om met spoed tot de
hermunting over te gaan bleek wel uit de koninklijke machtiging
haar reeds den 27" Dec. daaraanvolgend verleend, om munt

biljetten tot een bedrag van 10 mill. gulden uit te geven. *)


Het bleek ook uit de oordeelkundige wijze, waarop de verbouwing
der Muntfabriek plaats had, zonder dat de werkzaamheden be
hoefden te worden geschorst *) konden reeds in het laatst van
1846 f 530.000 per week aan nieuwe munt worden afgeleverd. *)
Eigenaardige voorziening eischte de omstandigheid, dat de oude
zilveren specie een vrij aanzienlijk goudgehalte inhield, welk
goud aan de vroegere, minder nauwkeurige waarneming ontgaan
was, doch thans, door den vooruitgang der chemische wetenschap
met eenig voordeel kon worden afgescheiden. De beveiliging

der nieuwe specie tegen versmelting maakte deze bewerking


noodzakelijk, ook al had men het geringe te verwachten voor
1) Zie de discussin Staatscourant van 15, 16 en 18 Dec. 1845
n. 296, 297 en 299.

*) Verdeeld in biljetten van f 500.-, f 100.-, f 20.-, f 10.


en f 5-.

*) Eenige aangrenzende perceelen werden tot die uitbreiding gebruikt,


nieuwe grootere ruimten voor smelten, justeeren, pletten etc. aangewezen,
een krachtiger stoommachine geplaatst en het aantal pletstoelen en wal
zen uitgebreid.
*) In 1847 was deze capaciteit gemiddeld f 612.000, en in 1848 tot
jf 1 mill. gestegen.
-

161

FINEEREN

deel willen opofferen. ") Hiertoe moest het zilver gefineerd


worden, iets wat door het lage gehalte van veel der oude
munt toch, althans ten deele, noodzakelijk geweest zou zijn. *)
De regeering wenschte deze bewerking aan particulieren op te
dragen, en daartoe deed zich een uitstekende gelegenheid voor
door

het bestaan van de scheifabriek van den heer BooM te

Amsterdam, waarvan het rijk bij wijze van proefneming zich


reeds meermalen had bediend. *)
Een overeenkomst werd gesloten, waarbij de firma BooM & C.
zich verbond, haar fabriek zoo in te richten, dat zij wekelijks
minstens 4000 K.G. zou kunnen verwerken, tegen een fineer
en smeltloon van f 0.84 p. K.G., het Collegie van Raden en
Generaalmeesteren der Munt werd met het toezicht belast, het
geen voor dit lichaam door den heer VAN MARSELIs HARTsINCK
werd waargenomen. *) Doch hoezeer deze inrichting ook aan
*) Gemiddeld was de opbrengst 0.6 0.725 gr. per K.G.
*) De Wet van 1839 nam als gehalte aan 0.945, terwijl dit bij de
oude specie van 0.935 tot 0.475 verschilde. Proeven genomen om de tot
baren versmolten oude specie te verkoopen schenen aanvankelijk met een
niet onvoordeeligen uitslag bekroond te worden, vooral door den zeer

hoogen zilverprijs in 1842 en 1843. In Feb. 1845 leverde echter een


nieuwe dergelijke maatregel vrij belangrijk nadeel op, waartoe niet wei
nig werd medegewerkt door de onnauwkeurige wijze van essaieeren in
den handel toenmaals gebruikelijk.
*)

In 1839 was gefineerd f 100.000


, 1842 ,
, 1843 ,,

')

,,
99

Geineerd werd in 1845

,,
20.000
, 1.000.000
17.789

K.G.

,, 1846 140.70l'/2 ,, ,,
,, 1847 233.030'/2 , ,,
, 1848 194 625 , ,,
te samen

586.146

K.G.

waarvoor werd betaald.f452.133,80, terwijl het verkregen goud f566.555.58


opbracht.
Deze en vele andere bizonderheden omtrent dit tijdperk van onze munt
11

162

AANKOOP VAN ZILVER.

alle billijke eischen voldeed, zij was niet op eenmaal bij machte
om zooveel fijn zilver af te leveren als de uitgebreide munt
kracht, tot geregelde verwerking, behoefde, en de minister,
daartoe gemachtigd bij K. B. van 7 Juni 1815 n". 93 moest
zijn toevlucht nemen tot aankoop van zilver op de open markt,
waarvoor, met tusschenkomst van de Ned. Bank, f 105.55 tot
f 106 moest betaald worden. ')
Zoo werd in 1815 voor ruim / 2 mill. zilver gekocht, maar
de kosten waren zoo aanzienlijk, dat men naar een ander middel
omzag om zich genoegzaam van metaal te voorzien. Het gevolg
was een overeenkomst met de directie der Ned. Bank, den 2"
Febr. 1846 gesloten, waarbij deze zich verbond tijdelijk zooveel
zilver, als noodig was tot onafgebroken voortzetting der munt
werkzaamheden, te leveren. Het rijk zou dit betalen in nieuw
gemunte Rijksdaalders en Guldens en werd zoodoende onafhankelijk
van den marktprijs van het zilver. Zoo leverde de Ned. Bank

in 1846 ruim f 3'/, mill. aan zilver en in 1847 werd dit


contract nog eens hernieuwd.
Intusschen leverde ook de intrekking en versmelting der oude
specie heel wat moeielijkheden op.
Een der eerste noodzakelijke werkzaamheden was wel het vast

stellen van een nieuw tarief, naar hetwelk de verschillende


muntsoorten den affineurs en den muntmeester zouden worden

in rekening gebracht.

Het gehalte dier specin was zeer ver

schillend, zelfs waar het betrof stukken van een zelfde soort,

en de bestaande tarieven van 1821 en 1830 waren bij eenige


voorloopige proeven, in 1836 genomen, volkomen onvoldoende
gebleken. De groote verbeteringen in de methode van het
essaieeren brachten hiertoe veel bij. Dat een nauwkeurige be
geschiedenis kan men vinden in het reeds meermalen aangehaalde werk
van DR. VROLIK.

') Terwijl daarvoor konden worden geslagen 105 82 Gulden, zoodat


minstens genomen een verlies gelijk aan alle muntkosten werd geleden.

163

INTREKKING DER OUDE SPECIE.

paling der waarde noodzakelijk was springt duidelijk in het oog,


indien men bedenkt, dat bij een hoeveelheid van 883.500 K.G.
oude specie, de bepaling van '/2 duizendste in gehalte meer of
minder een verschil opleverde van f 46.700.
Het bleek, dat de oude stukken gemiddeld 3 4 duizendsten
te hoog in gehalte waren vervaardigd, hetgeen een tegemoetko
ming was in het noodzakelijk verlies door afslijting etc. veroorzaakt.
Had men reeds in 1842 en 1843 een bedrag van f 2.389.000
A"

aan oude munten, meest Dubbeltjes, ingetrokken, en werd in

1845 ruim f4 mill. aan allerlei specin door de commissie tot de


behandeling van 's Rijks muntmateriaal ter vernietiging afgele
verd; eerst na de Wet van 18 Dec. 1845 kon men dien arbeid

ruimer opvatten. Een serie van Koninklijke Besluiten werd


daartoe uitgevaardigd.
Het K. B. van 2 Feb. 1846 (Stbl. n. 5) bepaalde, dat op
15 Feb. de Dubbeltjes, Stuivers en Achtstuiverstukken buiten
koers werden gesteld en wees den 10" tot 14" Feb. ter inwisseling
aan. Doch slechts een gering bedrag werd aangeboden, daar

reeds vroeger vele stukken waren ingewisseld of teruggehouden.


Het K. B. van 14 Feb. 1846 (Stbl. n0. 7) stelde buiten
koers op den 8" Maart de heele en halve Ducatons, de Zil
veren Rijders en de heele, halve en kwart Rijksdaalders.

Het K. B. van 2 Maart 1846 (Stbl. n. 10) bepaalde, dat


op 22 Maart de Acht-en-twintigstuiverstukken of Florijnen hun

kracht als wettig betaalmiddel zouden verliezen.


Het K. B. van 24 Maart (S/b/. n0. 14) wees 19 April aan
voor de buitenkoersstelling van de Drieguldens, 10-Schelling
stukken en Tweeguldens.
Telkens werd, gedurende enkele dagen vr en twee dagen
na 1) deze onttrekking aan de circulatie, de gelegenheid tot

inwisseling opengesteld.
w

')

Deze maatregel was gebleken, noodzakelijk te zijn wegens de me

164.

DE ZEEUWEN.

Meer moeielijkheden leverde de intrekking der Zeeuwsche


Rijksdaalders op. Hun verminking was zeer aanzienlijk en hun
aantal zoo groot, dat de regeering niet te gelijk het geheele
bedrag inwisselbaar durfde stellen.

Het K. B. van 25 April 1846 (Stbl. n". 22) opende de ge


legenheid om de geschonden en ongerande stukken in te wisselen.
Door art. 10 van de Wet van 18 Dec. 1845 1) toepasselijk te
verklaren op de Zeeuwen trachtte men de gave stukken tegen
snoeiing te beschermen en daarin slaagde men vrij wel, al was
het ook niet altijd gemakkelijk, bij de vroegere onnauwkeurige
bewerking der muntstukken, uit te maken of een stuk al dan
niet geschonden was.
Bij deze gedeeltelijke inwisseling werd voor een waarde van
f 15.756.000 aangeboden, waaruit bleek hoe juist men gezien
had met het geheele bedrag te hoog te schatten voor intrekking
in eens, vooral omdat de regeering zich verbonden had niet
meer dan f 30 mill. aan biljetten uit te geven. *)
Een K. B. van 15 Aug. 1846 (Stbl. n". 49) stelde vervolgens
de Daalders en Vijfschellingen buiten koers en een K. B. van
10 Dec. daaraanvolgend (Stbl. n0. 64) bepaalde, dat de Guldens
en halve Guldens ingewisseld zouden worden.
Op deze wijze was gedurende 1846 ruim f44 mill. aan oude
specie ingetrokken; in Jan. en Feb. 1847 volgde nog een be
nigvuldige aanvragen tot inwisseling van specin na hun buitenkoers
stelling.
1) Waarbij bepaald werd, dat het rijk geene muntspecin, volgens
de Wetten van 1816 en volgende jaren geslagen, zou aannemen indien
zij vervalscht, verminkt of op eenige wijze geltereerd waren, en dat zulke
stukken ook hun kracht van wettig betaalmiddel zouden hebben verloren.
Vergelijk bl. 154.

*) Bij de Koninklijke Besluiten van 2 en 9 Maart, 7 Mei en 9 No


vember werd telkens gemachtigd tot de uitgifte van f 5 mill. muntbil
jetten, hetgeen gevoegd bij de in 1845 uitgegeven f 10 mill, juist de
f 30 mill. voltallig maakte.

oNKOSTEN IN 1845 EN 1846.

165

drag van f 15.7 mill. aan oude Guldens. Zoo werd dus in
betrekkelijk korten tijd ruim f 60 mill. oude specie aan de
circulatie en aan de geldsnoeiing onttrokken, ') terwijl een

bedrag van ruim / 11 mill. ongeschonden Zeeuwen tevens werd


beveiligd.

Waarlijk een zeer gunstig resultaat, hetgeen men

zonder aanwending van muntbiljetten zeker niet zou hebben


kunnen verkrijgen, want gedurende 1846 kon door de nog on
voldoende capaciteit van munt- en scheifabriek slechts ongeveer
f 20'/, mill. van oude specie worden vernietigd.
Wat de kosten betrof voor deze hermunting noodzakelijk: van de

bij Wet van 22 Mei 1815 toegestane f6.212.000 was in 1845


slechts een klein bedrag, ongeveer f600.000 gebruikt.

Bij de

Wet van 1 April 1846 (Stbl. n. 16) ) werd de overblijvende som,


f 5.612.000 op de begrooting voor dat jaar overgebracht. Toen
bleek ongeveer f2.038.000 noodig. *) De rest zijnde f3.574.000
werd bij de Wet van 31 Maart 1847 (Stbl. n. 15) op den
dienst van 1847 overgebracht. 4) Hoe groot dit overschot ook

mocht zijn het bleek niet voldoende om de zeer belangrijke


kosten der volgende werkzaamheden geheel te bestrijden.

1)

Hierop werd een verlies geleden van ruim f 4'/2 milliocn.

2) In de 2de Kamer aangenomen met 21 tegen 20 stemmen.


*)

Daarvoor was aangemunt

f 17.642.000 aan Rijksdaalders


, 8.221.762 , Guldens.
Het dienstjaar wees een overschot aan van f 400.000 en het overige
-

deel, zijnde f 1.600.000, zou men verkrijgen uit de opbrengst van den ver
koop der 1000 aandeelen Ned. Bank, die den staat behoorden. Een prijs
van 160/o verwachtte men te kunnen bedingen. Aan vele leden kwam
grooter domeinverkoop meer gewenscht voor.

*) Tot bestrijding hiervan zou de wet later wel middelen aanwijzen,


waarschijnlijk zou het fonds voortspruitend uit de koopprijzen der domei
nen, (verkocht uaar aanleiding van art. 7 der Wet van 27 Dec. lS22)

daartoe voldoende zijn.

1 66

ONTWERP VAN 25 MAART 1 S 47.

Toen men nu zoover gevorderd was, achtte de minister van


financin eindelijk den tijd gekomen tot herziening van de in
richting van ons munt wezen in dier voege, dat de voordeelen,

met zoo aanzienlijke kosten verkregen, bewaard zouden blijven.


Hij was daartoe aangemoedigd door de verklaring van de 2"

Kamer in 1815, dat volgens haar overtuiging algemeen en


overal de slotsommen der wetenschap en ervaring leidden tot aan
neming van den enkelen standaard. De regeering had toenmaals
reeds den zilveren standaard als wenschelijk beschouwd, maar
achtte het oogenblik tot discussie ongeschikt, omdat voor alles
de snoeierij moest beteugeld en de ellendige munt verbeterd
worden. Het ontwerp, dat den 25" Maart 1817 werd ingediend,
trachtte het bovengemelde doel te bereiken door drie maatregelen:
1. Invoering van den enkelen, zilveren standaard ')
2. Regeling van de aanmunting der zilveren pasmunt.
3". Samenvatting van alle bepalingen omtrent het Nederl.
muntwezen in een wet.

Wat het eerste punt betreft, hieromtrent heerschte als het


gewichtigste ook het meeste verschil van gevoelen. Op nieuw
voerden de voorstanders der drie stelsels, gebaseerd op den
gouden, den zilveren en den dubbelen standaard, een hevigen strijd.
Reeds bij de beraadslagingen over de Wetten van 22 Maart
1839 en 22 Mei 1845 had men, zoo zeide de minister op men
standaard aangedrongen, maar toen was alleen de gouden moge
lijk, een middel, hetwelk de regeering zich verheugt niet aan
genomen te hebben; terwijl om tot den zilveren standaard te
*) De regeering wilde aan het goud de hoedanigheid van standpen
ning ontnemen en het derhalve, na behoorlijke gelegenheid tot inwisse
ling tegen zilver gegeven te hebben, tot negotiepenning reduceeren. Tot

vergemakkelijking van een dusdanigen maatregel wenschte zij gemachtigd te


worden tot uitgifte van recepissen tot een maximum van b. v. f 20 mil
lioen. Met het oog op de nog circuleerende muntbiljetten, die eerst in

1848 zouden worden ingetrokken, vond dit plan weinig ondersteuning.

NoGMAALs: GoUD oF ZILVER?

167

geraken het behoud van den dubbelen standaard althans voor


loopig door de omstandigheden dringend werd bevolen.... De
overtuiging vestigde zich meer en meer dat goud ongeschikt was
voor ons land. Een uitspraak waarmede lang niet ieder in
stemde. Velen waren er, die het goud bleven aanprijzen en
nog steeds niet instemmen konden met hen, die (op grond van
m meerdere overeenkomst met de nationale rijkdom (?), met de

prijzen der dagelijksche behoeften, met onze zeden en gewoonten


en

met den inhoud van bestaande verbintenissen, meerdere

veiligheid, daar het goud gevaren opleverde, welke geen voor


zichtig regent behoorde voorbij te zien) het zilver voorstonden.
Hadden niet zeer bevoegde beoordeelaars, zoowel hier als buiten
lands, ') zich vroeger of later voor het goud verklaard? Had
voN HUMBoLDT *) niet gewezen op het ernstig dreigende gevaar
van groote zilverproductie zoodra de Mexicaansche mijnen door
Amerikanen werden gexploiteerd? Was een dergelijke vermeer
dering van productie met grond voor het goud te verwachten? *)
') A. SMITH en LoRD LIVERPOOL verdedigden het goud, LoCKE, HAR
RIs en RICARDo het zilver.

*) Zie zijn Essai politique sur la nouvelle Espagne en ook DR. A.


vAN BEEK , Verhandeling over de edele metalen in het Koninklijk
Instituut. 1846 n". 3. 1ste Kl.
*) SoETBEER t. a. p. geeft op voor de zilverproductie over alle landen:

1761-1780 gemiddeld jaarlijks 652.740 K.G.


17S1 1800

,,

879.060 , ,,

1801-18 10

1811 1820

,
,,

894.150 ,, ,,
540.770 ,, ,,
460.560 ,, ,,

1821-1830

l83'-1 S40

,,

596.450 , ,,

l 841-1850

,,

780.415

Voor Mexico:

1761-1780 per jaar 366.400 K.G.


1781-1800 , ,, 562.400 ,, ,,
1801 - 1810 ,,

,,

553.800 ,, ,,

168

BEZWAREN EN VOORDEELEN.

En daarbij kwamen dan de andere voordeelen van secundairen


aard: mindere afslijting en grootere duurzaamheid, gemakkelijker
vervoer, mindere muntkosten, en eenvoudiger bewerking. Dat
in 1845 de kosten om den gouden standaard in te voeren grooter
1811-1820 per jaar 312.000 K. G.
1821-1830 ,,

pen

1831-1840 ,,

264.800 ,, ,,
331.000 ,, ,,

1841-1850 ,,

420.300 ,, ,,

1851-1855 ,,

22

466.100 ,, ,,

1861-1865 ,,

ny

473.000 ,, ,,

1866-1870 ,,

23

520.900 ,, ,,

1871-1875

601.800 ,, ,,

1856-1860 ,,

447.800 , ,,

,,

Van bizonder snelle vermeerdering was dus geen sprake.


Daartegenover stond de goudproductie, die omstreeks 18.45 enorme
tOCIlam C aan WCCS.

1821-1830 goudprod, jaarlijks in Rusland 9.416 K.G.


1831-1840

,,

py

my

92

1841-1850

,,

zp

95

25.

19.669 , ,,
62. S] 7

1851-1855

,,

2.)

,,

,,

68.997 ,,

55

pp

een vermeerdering, die dus maakte, dat de depreciatie van goud en zilver
vrij wel hand aan hand kon gaan.
De waarde der goudproductie in Rusland bedroeg
in 1839 (530 pud 16*/, K.G. f 1660) f 14.736.650
,, 1840

, 14.013.720

, 184l
,, 1842

,, 19.185.450

,, 1843

,, 36.007.475

, 26.998.655

,, 1844

,, 37.296.505

, 1845

, 47.880.210

De tegenstanders van het zilver vreesden ook van de ontdekking om


langs galvanischen weg zilver te zuiveren een veel vermeerderde productie.
Terwijl zij bovendien aanvoerden, dat de handelsbalans met Azi, die
jaren lang in het voordeel van Azi was geweest, thans ten gunste van
Europa was gekeerd en dus dat de millioenen francs, die 30 40 jaar
geleden daar heen gingen, thans zouden terugkeeren.

AAN

HUN INVOERING VERBONDEN.

169

zoude zijn geweest dan door den zilveren waren veroorzaakt, was
nauwelijks aan te nemen; ') thans zou zeker die invoering meer

bezwaren opleveren, maar daarvoor mocht men niet terugdeinzen


om de begane fout te herstellen. Want al was in 1845 het
beginsel van den zilveren standaard niet wettelijk vastgesteld,
de regeering had door haar dralen en het inmiddels ijverig
munten van zilver, *) den overgang tot den gouden standaard *)
zeer bezwaarlijk gemaakt. )

') De minister beweerde dat de onkosten dan en millioen hooger


zouden zijn geweest; de voorstanders van het goud daarentegen raamden

ze op een half millioen minder, voornamelijk omdat de gouden standaard


uitbreiding van de hoeveelheid pasmunt noodig maakte.

Volgens hen zou hiertoe f 14 millioen van de f 70 millioen, die naar


schatting circuleerde, noodig zijn geweest, f 56 mill. bleef dus nog in te
wisselen tegen goud.

Indien deze f 56 mill. oude specie per Gulden inhielden 8.5 gr. dan
hadden zij een waarde van f 50.370.370, waarvan aan muntloon f 594.000
moest worden afgetrokken, zoodat f 49.776.370 de thans verkregen

waarde was, terwijl, naar den gemiddelden zilverprijs van 1845-46, die
hoeveelheid bij verkoop zou hebben opgeleverd (goud tot zilver als
15.636 : 1) bijna 30.442 K.G. f. g. hetgeen in f 10 stukken 6.056 gr.
zou bedragen hebben f 50.267.280.
De mindere kosten voor de herbouw van de Munt zouden dan het
muntloon hebben kunnen dekken.

De juistheid van deze berekeningen was echter moeielijk na te gaan,


daar de markt zeer zeker door aan- en verkoop van het eene of het an
derd metaal zou genfluenceerd worden en bovendien de hermuntings
kosten in 1847 nog volstrekt niet geheel bekend waren.

*) Na 1845 was reeds voor f 40 mill. zilver gemunt.


*) In 1843 had de laatste aanmunting van goud plaats gehad. Het
rijk liet toen eenige 5-gulden-stukken slaan als proeve van de nieuwe
beeldtenis van Z. M.

*) Volgens sommigen was de invoering van den gouden standaard reeds

feitelijk onmogelijk geworden, volgens anderen was alleen het tijdstip on


gunstig, hun advies luidde: ,,laat ons wachten, een raadgeving die

170

DUBBELE STANDAARD.

Eenige stemmen werden ook gehoord ten voordeele van den


dubbelen standaard, het scheen waarlijk of dit beginsel veld had
gewonnen. Wel moest men toegeven, dat in theorie een wette
lijke bepaling van een vaste waardeverhouding tusschen beide
metalen ongerijmd was, maar praktisch leverde dit niet die groote
nadeelen op, die er steeds van werden voorspeld. ') In de meeste
landen bestond nog steeds de dubbele standaard en nergens ont
moette men daardoor groote moeielijkheden.
Slechts Engeland had enkel goud en toch moest de Bank
aldaar steeds een groot bedrag aan zilver in kas houden, met
het oog op den handel met Zuid-Amerika. ')
Belgi had onlangs den dubbelen standaard bevestigd en vrees
voor storing in de waardeverhouding scheen, volgens de toen
3
overgelegde staten, ongegrond. *)
n

vooral na de verklaring der regeering, dat geen dringend of oogenblik

kelijk bezwaar bestond, bij velen ingang vond.


Ook tegen het demonetiseeren van de f 172 mill. goud mocht men
met grond opzien: een verandering in de verhouding van goud tot zilver
van 16 : 1 tot 15.447 : 1 werd bij zulk een bedrag voelbaar door
/ 6.095.000 meer of minder.

') Integendeel de voorstanders kenden den dubbelen standaard groote


voordeelen toe bij den handel, met Rusland en de andere Noordsche rij
ken; bij gebrek aan wissels zond men goud, werd dit nu negotiepen
ning dan bestond geen zekerheid meer tegen daling der waarde. (!)

*) De vergunning om zilverdekking te houden, mits niet meer dan '.


van het bedrag der gouddekking, bij de Peel-act in 1844 aan de Bank of
England verleend, maakte geen inbreuk op het beginsel van den enkelen

gouden standaard, de biljetten bleven alle in goud betaalbaar.


*) Men vergete niet, dat de dubbele standaard steeds is een alter
natieve standaard, dat naarmate het grondgebied grooter is, waarop hij

geldt, de waarschijnlijkheid van onheilen door sterke depreciatie van een


der metalen, minder wordt en dat men zich onder die omstandigheden,
met kans op gunstig gevolg, aan een waardebepaling wagen kan, omdat
de verhouding, zonder buitengewone invloeden, slechts geringe afwisse
lingen zal toonen.

171

PASMUNT.

Maar de verdedigers, meest allen bankiers, konden het alge


meen nadeel, dat betaling, die altijd in het minst waardige der beide
metalen geschiedt, moet opleveren, niet wegredeneeren, terwijl
het daarenboven nog te versch in het geheugen lag, hoe juist
dit beginsel onder de Wet van 1816 gehuldigd, aanleiding had
gegeven tot de muntverzwakking in 1839.
De 2" maatregel, regeling van de pasmunt, ontmoette geen
bezwaren. In afwijking van het beginsel in 1839 aangenomen,
wilde men thans een lager gehalte ') voor deze munt dan voor
de standpenningen vaststellen, om de kosten der hermunting te
dekken achtte men het ook wenschelijk, de innerlijke waarde

iets te verminderen. In aansluiting hiermede zou men nu ook


niet meer dan f 10 in zilver pasgeld, f 1 in koper behoeven
aan te nemen.

De 3" maatregel, vereeniging van alle bepalingen omtrent het

Nederlandsche muntwezen in een wet, vond algemeene instem


ming en toejuiching.
Overigens liet het ontwerp de munt vrij wel onveranderd.
De Gulden en het Twee-en-een-halve-guldenstuk, voortaan Rijks
daalder geheeten, bleven gelijk zij waren en ook de Cent en de
halve Cent hoe vreemd ook hun gewicht gekozen was *), bleven
op denzelfden voet behouden.
-

1)

De Halve-gulden zou standpenning blijven.


Het 25-centstuk zou wegen 3.5 gr.
,

10

1.4

59

0.7 ,

op een gehalte van 0.64 met een ruimte van 0.004. In de afdcelingen
vreesde men, dat dit lage gehalte al te zeer den namaak zou uitlokken
en beval 0.66 0.665 als minimum aan. Het gewijzigd ontwerp stelde
0.645 voor.

2) Zij wogen respectievelijk 3.S45 en 1.922 gr., aldus aangenomen


bij de Wet van 1816, toen het gewicht tevens in azen werd vermeld en
dit 80 en 40 azen bedroeg.

172

NEGOTIEPENNINGEN.

AANMUNTING.

Wat de negotiepenningen betrof, naast den Gouden Dukaat zou

nu ook de Gouden Willem worden ingevoerd, die wat innerlijke


waarde aanging, volkomen gelijk zou zijn aan het f 10-stuk,

een reden waarom de regeering wel mocht toezien, dat deze


penningen niet geslagen werden, voordat aan het goud de kracht
van wettig betaalmiddel was ontnomen.

De aanmunting, zou vrij zijn voor particulieren, voor zoover het


gold zilveren standpenningen en gouden negotiepenningen, wanneer
geen werkzaamheden voor het rijk dit verhinderden. Bovendien
werd een hoeveelheid vastgesteld beneden welke de muntmeester
niet verplicht zou zijn te munten. ") Hiertegen hadden enkelen
bezwaren; zij zagen daarin een beperking van de vrije aan
munting voor particulieren. Maar dit mocht zoo zijn, de be
paling was onvermijdelijk waar slechts en Munt in het land aan
wezig was, en die Munt, bijna als particuliere fabriek, voor
rekening van den muntmeester gedreven werd. *)
Was de ontvangst van het ontwerp in de afdeelingen reeds
niet zeer welwillend geweest, ook bij de openbare beraadslagingen
in de 2" Kamer was de oppositie krachtig. De velen, die den
gouden standaard vor alles wenschten, en zich liever nog een
tijdlang den toenmaligen toestand wilden getroosten dan het, in
hun oog, zoo gevaarlijke zilver zien zegepralen; de enkelen, die
den dubbelen standaard uit het oogpunt van de praktijk bezien,
bleven aanbevelen, vereenigden zich met diegenen, die, huiverig
om iets verkeerds te doen, zich verscholen achter de bewering,
dat geen dadelijke voorziening noodig was, omdat aan inwisseling
van het goud, *) wegens de lage prijzen, toch voorloopig niet
1) Art. 18 Ontwerp. 100 K.G. goud en 1000 K.G. zilver.

*) Immers op kleine partijen was de winst te gering om de kosten


van het weder in werking brengen, bij eventueelen stilstand der Munt,
goed te maken.
*) Merkwaardig was de bewering van sommigen, die het goud steeds
duur vonden omdat het opgeld deed. Maar dit opgeld sproot alleen

HET ONTWERP AFGESTEMT.

173

kon gedacht worden '); en die allen brachten het ontwerp ten
val *), dat aan de andere zijde weinig verdediging vond, omdat
men bijna eenstemmig het tijdstip voor munthervorming ongunstig
gekozen achtte, daar mislukking der oogst eene crisis deed ver
wachten, waarvan de voorteekenen zich reeds vertoonden. Noch
de erkende dringende regeling der pasmunt *), noch de droevige
schildering, dat men later, indien het zilver sterk daalde, bij
een waarschijnlijke circulatie van f80 mill. zilver en f 172 mill.
goud tot geen van beide standaarden zou kunnen komen, waarop
de minister zich beriep, noch eindelijk de wijzigingen, die
in het oorspronkelijk ontwerp werden gemaakt, voornamelijk
door weglating van de bepalingen op de inwisseling der gouden
munt en door eenige verhooging van het gehalte der pasmunt,
mochten hier baten.

Inmiddels werd het werk der hermunting ijverig voortgezet,


doch hoezeer men zich ook haastte, de termijn voor intrekking

de muntbiljetten, bij de Wet van 1845 op 31 Dec. 1847 ge


steld, bleek te kort te zijn en de Wet van 26 Nov. 1847
moest toestaan dat hoogstens f 21 millioen tot 31 Dec. 1848
in omloop zouden mogen blijven. )
voort uit de wijze van noteering van den goudprijs, waarbij de f 1442.60
als vaststaand beschouwd werd en de prijs daarboven (en dat was natuur
lijk altijd het geval) in percenten werd aangewezen. Vergelijk bl. 65 noot 4.

*) Die redeneering vooruitschuivende kon men zeker zijn, altijd de


geschikte oogenblikken te missen.

*). 28 Juni 1847 met 27 tegen 26 stemmen.


*) Bij verwerping zou een afzonderlijke wet hiervoor moeten gemaakt
worden, waardoor ons muntwezen zou worden beheerscht door bepa
lingen in 4 verschillende wetten verstrooid (1816, 1839, 1845 en deze
nieuwe); zoo dreigde vAN HALL.
*) Bij K. B. van 30 April 1847 werden ingetrokken de biljetten
van f 20; bij K. B. van 13 Mei 1848 die van f 500 en f 100; bij
K. B. van 13 Nov. 1848 die van f 10 en f 5.

174

MUNTBILJETTEN.

KOSTEN

VAN

IN WISSELING

De muntbiljetten hebben uitstekende diensten bewezen bij de


hermunting, en de gegeven waarborgen tegen depreciatie bleken
alleszins voldoende. Met groote graagte werden vooral de kleine
coupures in de provincie aangenomen, waar zij voldeden aan de
behoefte van minder volumineus ruilmiddel. Vrij algemeen
wenschte het publiek dan ook deze zoo lang mogelijk te behou
den, en meer en meer gingen stemmen op ten gunste van het
voorstel van SUERMONDT in 1845 in den Tijdspiegel aangegeven,
om een klein bedrag, b. v. f 10 millioen oninwisselbaar munt

papier blijvend te doen circuleeren, waarvoor 4 /o staatsschuld


gekocht en dus f 400.000 aan rente bespaard kon worden.
Een K. B. van 2 Oct. 1847 stelde op 24 Oct. buiten koers
de gerande Zeeuwsche Rijksdaalders; de bepaling, dat alle ge
snoeide stukken moesten worden geweigerd, werd, om vroeger
gemelde redenen, met eenige toegevendheid toegepast. ')
En toen nu in het daarop volgend jaar bij K. B. van 11
Feb. de onderdeelen der Zeeuwen en bij K. B. van 3 Oct. de
Zesdhalven *) werden inwisselbaar gesteld, verdwenen eindelijk
de laatste oude provinciale en generaliteits munten.
De geheele maatregel had een verlies opgeleverd van f6.606.230 *),

waarbij wegens fineer- en smeltloon dient gevoegd te worden


f 452.133.80.
De raming in Januari 1815 van f 4.970.000 was dus verre
overtroffen, maar men kon toen ook niet weten, dat het bedrag

der oude specie niet f 64.750.000 maar f 83.862.883 zou be

1)

Een bedrag van f 11.150.000 werd aangeboden.

*) Slechts voor f 5 mill. werd aangeboden, terwijl men, met het oog
op de ondervinding in 1823 opgedaan, op veel groot bedrag had meenen
te moeten rekenen en een bedrag van f 10 mill. door de regeering ge
raamd, in de 2de Kamer te laag werd geacht.

*) Op een bedrag van f 60.127.575.721/s aan oude specie werd


vorloren f 4.765.601.26.

EN VERSMELTING DER OUDE SPECIE.

175

loopen. Het verlies op de innerlijke waarde der oude specie


bedroeg 7.7 /o ') gemiddeld tegen een raming van 7.6 /o.
Mocht men met voldoening op het reeds gedane werk terug
zien, volbracht was de taak nog in geenen deele en heel wat
moeite en geldelijke opofferingen zou het nog kosten eer ons
land in het bezit zou zijn van een muntstelsel , voldoende aan
de hooge eischen die het verkeer kon stellen, onze geschiedenis
waardig en in geen enkel opzicht achterstaande bij het munt
-

wezen van andere beschaafde rijken.

N- Tv- A. v. ATN-/ v. ATN / v. ATN-ATN-/ N-A -

1) Wat bij den verregaand verminkten toestand nog gering mag heeten,
sommige partijen waren tot 20 % verminderd. De afslijting was veel
minder dan 1/go, gelijk bij de raming, op autoriteit van JACOB, was
aangenomen.

HOOFDSTUK IW.

DE MUNTWEI WAW 25 MW. IMT EN DE MAATREGEIEN DIE DAARDOOR


MOUMAKELIJK WEEDEV.
A currency may be considered
as perfect, of which the standard

is invariable, which always con


forms to that standard and in the

use of which the utmost economy


is practised.
RICARDo.

Had de minister in Juni 1847, toen hij nog hoopte zijn ont
werp te redden, ook al gedreigd met een afzonderlijke regeling
der pasmunt bij verwerping; nu hij voor het geval stond, be
sefte hij, wellicht beter dan iemand anders, het nadeel van deze
versnippering, door dergelijke partieele wijzigingen in ons munt
wezen, en de noodzakelijkheid om de voordeelen der maatregelen,
die men tot nog toe zoo gelukkig had volbracht, niet weder
verloren te doen gaan, waartoe, zoolang men den dubb. stand
aard behield, de mogelijkheid geopend bleef, ') terwijl de gouden
f 10- en f 5-stukken bij de inwisseling geen dienst hadden be
wezen. Hij besloot dus liever in het najaar nog eens een ont
werp van een algemeene muntwet in te dienen, waarbij wel in
*) Zoodra toch maar het goud eenigermate in prijs daalde, waartoe

(o. a. volgens ST. CLAIR DUPONT) wel kans bestond, zou zeer veel van
het thans in het buitenland verblijf houdende goud, als wettig betaalmiddel
hier te lande terugkeeren en al het nieuw geslagen zilver verdrijven.

ONTWERP VAN Nov. 1847.

177

hoofdzaak de zelfde beginselen waren behouden, maar aan som


mige ondergeschikte bezwaren was te gemoet gekomen.
Met het oog op de zeer geringe meerderheid, waardoor het
voorgaand ontwerp was gevallen, kon hij dit te geruster onder
nemen. Zoo onderwierp hij dan deze nieuwe vrucht van zijn
arbeid, den 8" Nov. 1847 aan het oordeel der Kamer.

Omtrent de inwisseling van het goud was nu alleen een eind


termijn vastgesteld, vor 31 Dec. 1850 zou het karakter van
wettig betaalmiddel door een wet er aan ontnomen moeten zijn.
Het gehalte van de pasmunt bleef als in het eerste ontwerp van
1847 op 0.64 gesteld, maar het gewicht van het 25-centstuk

werd op 3.575 gr. gebracht, dat van het 5-centstuk tot 0.685 gr.
gereduceerd. )
De Kamer, die wellicht verbaasd geweest was over eigen
stoutmoedigheid, was ditmaal bereid met meer goedwilligheid
de bepalingen te toetsen. Een meer welwillende toon sprak ook
uit het Algemeen Verslag van Rapporteurs. De strijd in de
afdeelingen had voornamelijk geloopen over de oude standaard
quaestie en met ongeveer dezelfde argumenten had men tegen
elkander over enkelen of dubbelen standaard getwist. Een feit
waarover de minister in de Memorie van Beantwoording van 16
Nov. zijn verbazing niet kon verzwijgen. Bovendien beantwoordde
hij andere opmerkingen van geringer belang, omtrent de koperen
munt, de wettelijke vaststelling van de afmetingen der munt

stukken, bepaling van het muntloon en een gewenschte op


somming van alle muntwetten, die thans stonden vervangen te
worden. Op den 19" Nov. werden de openbare beraadslagingen

1) Men zou dan besparen per K.G.


25-centstukken

f 2.20

10

, 3.70

oy

5.26

hetgeen voldoende zou zijn om de fabrikatiekosten te dekken.


12

178

WET VAN 26 NOV. 1S47.

in de 2" Kamer geopend.

Het moeten wel de innige overtui

ging en de wensch om te verwachten onheilen af te keeren, zijn


geweest, die zoo menig afgevaardigde den moed gaven over het
zelfde onderwerp nogmaals en nogmaals zijn gevoelen in het
breede te ontwikkelen. Of zou toen reeds een zekere ijdelheid
menigeen gedrongen hebben tot spreken, ook al was hij overtuigd
over de zaak geen nieuw licht te kunnen werpen.
Men bedenke echter, dat voor de voorstanders van den gouden
standaard zeer zeker zwijgen zilver was en spreken wellicht goud
kon brengen. Hoe het zij, de lengte der discussie was in over
eenstemming met de belangrijkheid van het onderwerp. De minis
teriele rede had buiten twijfel, de meeste waarde en de proeve
daarbij gegeven van muntgeschiedenis over het tijdperk van af
het midden der 18" eeuw was een voorbeeld van heldere uiteen

zetting en juiste appreciatie der feiten.


Daaraan knoopte hij een schildering van de toekomst vast:
reeds waren f 50 mill. aan zilver gemunt en tegen het einde
van 1848 zouden f 70 f 80 millioen aanwezig zijn. Daalden
de goudprijzen dan zouden al deze kosten en moeiten te vergeefs

zijn geofferd, tenzij thans de enkele zilveren standaard werd


aangenomen. Verbod van uitvoer toch van het meest waardige
metaal bij het stelsel van den dubbelen standaard, hetgeen nog

in Juni 1847 beproefd was in Spanje, zou altijd blijken vruchte


loos te zijn. Bij de hierop gevolgde stemming werd het ont
werp door de 2" Kamer aangenomen met 29 stemmen voor en
27 tegen; waarlijk niet meer dan een succes door den nood af
geperst. Den 26" Nov. kwam de wet tot stand, den 8"
Dec. 1847 verscheen zij in het Staatblad (n. 69.) en nog vor
31 Dec. werden f 550.000 aan Ha/re-guldenstukken, volgens

deze wet geslagen, afgeleverd.


Men heeft later, ook in het buitenland gelegenheid gevonden
om de wijsheid en vooral den verstandigen spoed van den Neder

GROOTE GOUDPRODUCTIE.

179

landschen wetgever te roemen, die nog juist bij tijds den zilveren
standaard invoerde.

Die lof is echter niet verdiend.

Immers

van de groote goudproductie in Californi kon in 1847 nog

niets bekend zijn, (en ook Australie leverde eerst later zijn
schatten), maar al ware dit ook het geval geweest dan nog zou
dit op het besluit der Kamer al zeer geringen invloed uitge
oefend hebben, daar de geschiedenis leert, dat reeds in 1845
vele leden zich voor het zilver verklaarden en de minister sedert

dien tijd de hermunting zoo geleid had, dat de quaestie vrij


wel gepraejudicieerd was. Bovendien bleek het voldoende uit de
discussin, dat beurtelings de Mexicaansche zilverproductie en
de Russische goudwasscherijen met even goed gevolg door de
partijen werden aangewend, om hunne tegenstanders bevreesd te
maken voor het metaal, dat deze durfden voorstaan.

Zonder dan van verstandig inzicht te spreken zou men het


toch wellicht een geluk kunnen noemen, dat het toeval de stem

men zoo juist heeft geleid? Doch ook dit is voor het minst
twijfelachtig. Tot dergelijken uitspraak was men zeker wel ge
neigd toen de goudproductie, die voor de Vereenigde Staten van
N. Amerika in 1848 nog slechts ds. 10 mill. bedroeg, in 1849

tot ds. 40 mill. en in het volgend jaar zelfs tot ds. 50 mill.
klom. 1) Maar toen deze productie jaar in jaar uit zeer groot
1) Volgens SoETBEER leverde N. Amerika
in 1851 ds. 55 mill.
,, 1852 , 60

,, 1853 , 65

,,

, 1854 , 60

,,

, 1855 , 55

, 1856 , 55
,, 1857 ,, 55

,,
,,

, 1858 , 50

In de volgende jaren was de productie over het algemeen weder eenig


zins dalend.

180

GERINGE STOORNIS

DAARDOOR VEROORZAAKT.

bleef, en voor den oppervlakkigen beschouwer de invloed daarvan


nauwelijks merkbaar werd, toen rees de vraag, of het zware
verlies op den verkoop van het ingewisselde goud geleden, wel
nuttig besteed was.
Voornamelijk twee omstandigheden veroorzaakten, dat de groote
goudproductie niet die verschijnselen teweeg bracht, die men
vrij algemeen en, naar het scheen, op goede gronden had ver

wacht. Ten eerste nam ook de zilverproductie in die jaren


steeds toe, zoodat dus wel de waarde van het ruilmiddel in het
algemeen daalde, 1) maar de verhouding tusschen goud en zilver
minder sterk werd gewijzigd. *) In de tweede en voornaamste
Australi leverde:
in 1851

897.013

,, 1852 ,,

9.473.298

,, 1853 , 10.406.049
,, 1854 , 10.259.036
,, 1855 , 11.067.667
,, 1856 ,, 12.545.377
,, 1857 , li.329.537
, 1858 , 11.419.552

1) Prof LASPEYREs heeft door vergelijking van de prijzen van 312


artikelen, die vermindering op 18.5 /o meenen te moeten stellen.

Prof.

PIERSON en JEvoNs kwamen beiden tot een uitkomst, die vrij wel
hiermee overeenstemde.

*) Productie van edele metalen over de geheele wereld, gemiddeld per


Jaar:

goud.

zilver.

1831-40

596.450 K.G.

1841-50 780.4l 5 ,,
1851-55 886.115 ,,
1856-60 904.990 ,,
1861-65 1.101.150 ,,
1866-70 1.339.085 ,,
1871-75 1.969.425 ,,
Vergelijk SoETBEER t. a. p. bl. 111

,,
,,
,,
,,
,,
,,
en

20.289 K.G.

54.759 ,, ,,
197.501
206.058
l 85.123
191.900 ,, ,,
170.675 , ,,
v.

181

HEILZAME WERKING VAN HET BIMETALLISME.

plaats was de oorzaak van dit feit te vinden in de sterke uit


breiding van werkkring voor het goud en de daarmee gepaarde
uitstooting van zilver, niet als een gevolg van een toevalligen
samenloop van omstandigheden, maar juist omdat de verhouding
tusschen de goud- en zilverproductie gewijzigd WaS.
De dubbele standaard heerschte destijds in vele landen van
Europa, aan de spits stond Frankrijk, waar wettelijk een ver
houding van 15.5 : 1 was aangenomen, doch feitelijk de circu
latie meest uit zilver bestond, en het weinige goud gewoonlijk
eenigen agio deed. ')
t

Hierin werd thans verandering gebracht, nu door een geringe


daling van den goudprijs uitgedrukt in zilver, de aanmunting
van goud voordeel opleverde. Het zilver werd verdrongen en de

Hiertegenover stonden echter weder de groote zilververzendingen maar


Azi in deze jaren; zij worden begroot:
voor 1844 op

2.495.959

,,

1845 ,, ,,

2.939.922

,,

1846 ,, ,,

1.973.39l

1847 ,, ,,

4.204.503

,,

1848 ,, ,,

3.396.807

,,

1849 ,, ,,

3.811.809

1850 ,, ,,

5.052.059

1851 , ,,

1.715.100

1852 ,, ,,

2.447.450

,
,,

1853 ,, ,,
1854 ,, ,,

3.117.980
3.095.490

1855 , ,,

6.431.733

1856 ,, ,, 12.113.991

,
,
,,

1857 , ,, 16.731.915
1858 , ,, 4.753.933
1859 ,, ,, 14.828.521

,,

1860 , ,,

8.478.739

*) Zeer matig berekend circuleerde in Frankrijk + fr. 2400 mill aan


zilver. Zie de ,,brief van Mr. BAKE aan den heer SUERMONDT bl. 15/16

182

FRANKRIJK

NEEMT HET GOUD OP.

Latijnsche Munt-unie verwisselde in weinige jaren een zeer be


langrijk deel van haar ruilmiddel van zilver in goud.

Het eenig nadeel wat werkelijk ontstond, was een mindere


standvastigheid van den zilverprijs, want het gebied van dit

metaal werd zeer verkleind.


De aanmuntung in Frankrijk bedroeg:
in goud in zilver
(millioenen francs)
van 1832-47

156

l441

1848-52

418

531

1S53-56

1795

89

1857-66

3515

lS67-73

S77

418

De compenseerende kracht van deze beweging moest zeer groot


zijn, want niet alleen muntte Frankrijk in eenige jaren tal van
milliarden aan goud, maar het was daardoor in staat een massa

zilver uit te stooten en op die markt te brengen, die het


vroeger slechts als kooper betrad. De verandering in de waarde
verhouding der beide metalen was dan ook slechts gering 1) en
Frankrijk heeft daardoor, zonder het juist te willen, aan de
geheele beschaafde wereld een grooten dienst bewezen. Het heeft
een crisis afgewend, die zeer zeker het gevolg had moeten zijn
van de anders onvermijdelijke wijziging in de goud- en zilver
1)

In 1847
Van 184S 50

,,

1850-53

in lS54

bedroeg die verhouding 15.80 : 1


gemiddeld
15.7S : l.
33

15.46 : 1

15.33 : l

, 1855

15.3S : 1

.,, 1856

2x

15.3S : l.

,, 1857

5.2

15.27 : 1

, 1858

25

l 5.3S : 1

,, 1859

3)

van 1860 - 66 (langzaam stijgend)

15.19 : 1
15,35 : ]

WINGERWIJZING

DER HISTORIE.

183

verhouding, een crisis, wellicht heviger in hare gevolgen dan die,


welke wij in onze dagen beleven. En toch zou dan niet de zedelijke
verantwoordelijkheid daarvan behoeven gedragen te worden door
een staat, want geheel onvoorziene en niet af te weren om
standigheden zouden haar hebben veroorzaakt.
Hoe scherp komt hier de leemte uit , waaraan alle metalen
ruilmiddel steeds lijden zal, n. 1. de veranderlijkheid in waarde.

Dat de edele metalen het minst van alle voortbrengselen aan


snelle waardewisseling onderhevig zijn, voornamelijk ten gevolge
hunner duurzaamheid en de groote voorraad, die er daardoor
op de wereld aanwezig is, maakt hen, naast verschillende an
dere uitstekende hoedanigheden, het meest geschikt voor ruil
middel en waardemeter. Doch er dient dan ook naar gestreefd te
worden, dat die onvermijdelijke waardewisselingen zoo geleidelijk
mogelijk plaats hebben, en zoolang beide metalen naast elkander
als muntstandaard gebruikt worden 1), is het van het uiterste ge
wicht, dat vooral de onderlinge waardeverhouding zooveel mogelijk
constant blijve. Groote, plotselinge vermeerdering van productie
van een van beide, gelijk die in 1848 en volgende jaren plaats
had, zal steeds hevige stoornis in het verkeer door verandering in de
onderlinge waardeverhouding, veroorzaken, tenzij ook dan, gelijk
in die jaren, van elders een nivelleerende kracht kunne optreden.
Wat toen plaats had met het goud, en thans sedert 1871 met
het zilver, (want demonetiseeren of produceeren van eene groote
massa op eenmaal heeft op den prijs denzelfden invloed) kan
nog herhaaldelijk voorkomen. Zal men dan telkens blootgesteld
worden aan een crisis met al zijn nadeelen! Of zal men de
lessen der historie in acht willen nemen en door een bimetal

lisme op uitgebreid terrein, de beide metalen in zoodanig con


') En het schijnt wel onmogelijk, dat ooit een van beide zal ophouden
die functie te vervullen,

184.

MUNTKOSTEN TOT 1849.

tact met elkander brengen, dat de schokken, die het eene in

zijn waarde ondervindt, zich mededeelen aan het andere en de


gevolgen daardoor minder ernstig worden.
Het eenig nadeel, wat men in de jaren na 1848 van de plot
selinge toename der goudproductie ondervond, was een mindere
standvastigheid in den zilverprijs, doordat het gebied van dit
metaal sterk werd ingekrompen, maar wat beduidt dit, vergeleken
bij de algemeene malaise, die men sedert 1878 bijna in elken
beschaafden staat op het zoo belangrijk gebied van het munt

wezen ondervindt, bij de groote nadeelen aan den handel door


onvaste wisselkoersen toegebracht, bij de enorme onkosten, die
muntverandering noodzakelijk met zich voert.
Bij de voorbereiding van het aldus tot wet verheven ontwerp
van Nov. 1847 hadden Raden en Generaalmeesteren der Munt

geadviseerd, daarin een artikel op te nemen, waarin bepaald werd,


dat na afloop van de inwisseling der oude generaliteits- en
provinciale specin, de intrekking der munt, volgens de wetten
van 1816 en volgende geslagen, zou worden ter hand genomen.
De minister achtte die bepaling echter in deze wet minder op
haar plaats en maakte zoodoende latere voorziening onvermijdelijk;
want nu men eenmaal zoover gevorderd was mocht men niet
halverwege blijven staan.
Reeds was weder een jaar verloopen en op nieuw moesten.
fondsen worden aangewezen om de kosten voor het herstel van
ons muntwezen gemaakt, te dekken.

De Wet van 31 Maart

1847 had f 3.574.000 beschikbaar gesteld; de gemaakte kosten


overtroffen dit bedrag nog eenigermate, men achtte een aan
vulling met f 110.000 noodig. Dit geschiedde bij de Wet van
18 Maart 1848, waarbij tevens voor verdere onkosten een som
van f 2.823.000 werd toegestaan 1). Hiervan werd in 1848
') Wegens voltooiing van de verbouwing der Munt, verlies op de
nominale waarde der oude zilveren specin, muntloon, aanschaffing van

TWEE NIEUWE

185

MUNTONTWERPEN.

besteed, f 1.630.000. Zoo stegen dan reeds de totale uitgaven


ten bate van het muntwezen tot ruim f9 millioen, en nog moest
het goud, en het zilver, naar de Wet van 1816 geslagen,
worden gedemonetiseerd. Tot deze maatregelen strekten nu de
beide ontwerpen in den zomer van 1849 1), door den tijdelijken
minister van financin vAN BossE *), der Kamer aangeboden.
Het eerste ontwerp betrof het zilver, geslagen volgens de Wet
van 1816. Dat de behoefte aan voorziening hieromtrent drin
gend was, bleek wel uit het feit, dat de Ned. Bank de nieuwe
pasmunt, waarvan op 31 Mei 10.723.768 25-centstukken en
6.854.747 10-centstukken aanwezig waren, niet in omloop wilde
brengen zoolang de oude, onder de Wet van 1816 geslagene
nog circuleerde. Deze was volwichtig, van hoog gehalte, haar
aanmunting was ook aan particulieren toegestaan geweest *), en
als wettig betaalmiddel was zij slechts beperkt tot '/s van iedere
betaling, gene op nominale waarde geslagen, van een gehalte
het stempelwerk, vereischt volgens de Wet van 26 Nov. 1847 n. 69
en verdere onkosten, daaronder begrepen, die welke voortvloeiden uit de
Wet van 18 Dec. 1845 n. 90.

Voor de Munt werd nog uitgetrokken f 18.000 (zij had reeds


f 235.309.11 gekost).

Voor reeds in het dept aanwezige oude specie f 1.283.540.52


Voor verlies op Zeeuwsche Rijksdaalders
Voor verlies op Schell. en Zesdhalven

180.000

700.000

Voor smelt- en fineerloon

260.500

Voor muntloon

,,

275.000

29

9.500

Voor stempelwerk
Voor uitgifte van muntbiljetten
Aan de Ned. Bank

,,
,

45.959.47',
50.000

1) 6 Aug.
2) Den opvolger van ridder vAN RAPPARD, die met 1 Jan. 1848 als
minister van financin was opgetreden.

*) Wegens de hooge muntkosten werd daarvan slechts bij groote


schaarschte gebruik gemaakt.

1S6

INTREKKING DER SPECIN NA 1S1 6 GESLAGEN.

van 0.610, alleen voor rekening van den staat aan te munten
en wat het zilver betrof tot een bedrag van f 10.-, voor het
koper tot f 1. als wettig betaalmiddel erkend.
Door circulatie van beide soorten naast elkander zou groote
verwarring en moeite ontstaan zijn.
De kosten van inwisseling en vermunting dezer oudere pas
munt zou gering zijn, omdat de winst op de hoogere innerlijke
waarde, die muntkosten geheel bestrijden kon en dus slechts
het verlies moest gedekt worden door afslijting en snoeiing
geleden.
Eenige proefnemingen toonden aan, dat dit voor het 25-cent

stuk + |11oo, van het 10-centstuk + '/soo per jaar bedroeg.


Een uiterst geringe uitgaaf werd hiervoor dus vereischt; bij
een raming van f7 mill. kwartjes en f 1.5 mill. dubbeltjes zou
f 78.800 noodig zijn. Voorzichtigheidshalve rekende men op
f 85.000, een som gemakkelijk te bestrijden uit de f500.000,
die bij de Wet van 30 Oct. 1848 (Stbl. n. 76) voor het dienst
jaar 1849 waren toegestaan tot herstel van ons muntwezen.
Die som was uitgetrokken met het oog op de nog uit te voeren
inwisseling van de onderdeelen der Zeeuwen en van de Zesdha/ren
en voor nog eenige andere zeker in 1849 te maken kosten. Slechts
f 155.000 was daartoe noodig gebleken en uit de overige
f 345.000 kon men nu deze inwisseling van pasmunt bekos
tigen. Op de intrekking van de f 3-, f 1-, en f 0.50 stuk
ken, naar de Wet van 1816 geslagen, zou zeker geen verlies
geleden worden, ') wellicht zou zij zelfs een klein voordeel op
') In het rapport van den Inspecteur-Essayeur-Generaal der Munt,
DR. A. VRoLIK, aan Z. Excell. den minister van financin, ter zake van
deze voordracht den 30ten Mei 1849 uitgebracht, werd een omstandig

verslag gegeven van een onderzoek omtrent de afslijting, waarin de be


wering van JACOB, dat de zilverafslijting '/2oo per jaar bedroeg, sterk werd
gelogenstraft.
Daartoe waren 198.198 stukken nauwkeurig onderzocht,

GEEN NOEMENSWAARDIGE TEGENSTAND.

187

leveren, waarmee de kosten voor de 5-centstukken zouden kunnen


worden gedekt. In de afdeelingen opperden slechts enkelen twij

fel aan de noodzakelijkheid van dezen maatregel, de groote


meerderheid keurde hem goed, maar meende te moeten waar
schuwen voor te groote aanmunting van pasmunt, waartegen
echter waarborgen waren gegeven in art. 20 van de Wet van
1847 en in de bepaling, dat de regeering jaarlijks het door haar
aangemunte bedrag moest openbaar maken. Ook in de 2" Kamer
verhieven slechts enkele stemmen zich tegen het voorstel. De
tegenstanders achtten den maatregel niet strikt noodzakelijk en
dus te kostbaar. ') Van de 56 stemmen vereenigden 50 zich
met het ontwerp.
30 zakken 1000 stuks 3-guldens
22

,, 3000 ,

,,

,, 1000

halve Guldens

50

,,

,, 1000

25-centstukken

,,
,, 1000 ,
10-centstukken
aan vuil vond men per stuk
voor de f 3-stukken
'4.52 m. G.
92

,,

,,

55

52

1-

3.S9

93

50-centstukken

22

2.49 ,,

,,

10-

3.01

29

3s

pp

de 3-guldenstukken vooral werden bij voorkeur bewaard, vandaar dat


hun afslijting slechts gemiddeld p. j. bedroeg 1/1ssel van hun gewicht.
de Guldenstukken hadden '/oste van hun gewicht verloren,
de halve-Guldenstukken '/acos,
de 25-centstukken 1/111s,
de 10-centstukken '/s15,

Tot deze grootere afslijting der kleinere munt, werkte vooral mede

het blancheeren, waardoor een laag nagenoeg fijn zilver aan de oppervlak
ten der munt zich vertoont, welke derhalve het eerst afslijt.
1)

Een der leden zeide pathetisch:

,,En wanneer ik het mij dan herinner, hoe men vroeger het ongerief
heeft weten te dragen om Zesdhalven, Baker-schellingen en Scheepjes
schellingen, alle stukken van ongelijke grootte en gewicht in omloop te

188

ONTNEMING VAN

DE KRACIIT VAN

Van meer betwistbaren aard was de strekking van het 2" ontwerp,

dat ten doel had, ontneming van de hoedanigheid van standpenning


aan de gouden specie, naar de Wetten van 1816 en 1825 gemunt.
De Wet van 1847 had den Gulden zoodanig vastgesteld, dat
daaruit een verhouding van zilver tot goud voortvloeide als 1 :
15.604. ) Doorgaans was het goud echter meer waard, de
f 10-stukken deden dus agio en waren feitelijk negotiepenningen.
Deze omstandigheid, van het uiterste belang voor het behoud
van onze zilveren munt, kon echter licht wijziging ondergaan, en
toch was nog altijd niets beslist over de intrekking der gouden
f 10- en f 5-stukken dan alleen, dat vor ultimo Dec. 1850
nadere wettelijke bepalingen zouden moeten worden gemaakt.
Daaraan wenschte de regeering thans gevolg te geven, opdat
de schade zoo gering mogelijk zou zijn, want zij achtte een
sterke daling van den goudprijs, veroorzaakt door de groote Cali
fornische gouddelvingen, onvermijdelijk, hoewel op dat oogenblik
de invloed daarvan nog nauwelijks merkbaar was *).
hebben

en te behandelen.........

dan geloof ik, dat er geen zoo groote

ongelegenheid zal ontstaan om nu een gelijk ongerief, maar van veel


minder omvang, te verduren.
1) Immers de Gulden

hield in 9.45 gr. f. zilver

het 10-guldenstuk , ,, 6.056 , f. goud.


2) SoETBEER t. a. p. bl. 131 geeft de waardeverhouding van de beide
edele metalen op als
in 1840 15.62 :

, 184l 15.70 :
,,

1842 15.87 :

,, 1843 15.93 :
1844 15.85 :
1845 15.92 :

,,

2846 15.90 :

,,

1847 15.80 :

,,

1848 15.85 :

,, 1849 15.78 :

, 1850 15.70 :

WETTIG BETAALMIDDEL AAN

HET GOUD.

189

Gelegenheid tot inwisseling van het goud tegen zilver moest


aan de ontneming van de wettige betaalkracht der gouden munt,
voorafgaan. Hiertoe zoo spoedig mogelijk aan de regeering
vrijheid te verleenen, opdat een gunstig tijdstip tot verkoop niet
ongebruikt voorbij zou gaan, was nu het doel, maar de minister
verheelde het niet, dat men wellicht het ingewisselde goud een
tijdlang zou moeten bewaren ) en daarom scheen het hem
wenschelijk nogmaals de hulp in te roepen van behoorlijk gedekt
papieren geld. *)
Vrij algemeen was men het met deze beschouwingen eens,
slechts sommigen geloofden niet aan die groote gouddepreciatie,

omdat deze 10 niet dan zeer langzaam zou kunnen geschieden


2. mom nadeelig te zijn, toch altijd nog gepaard zou moeten
gaan met verhooging van den zilverprijs. *)
Tevens nam men de gelegenheid te baat om de uitgifte van
blijvend papieren geld aan te bevelen *) en den minister te waar
1) De stand van den wissel op Engeland was hoofdzakelijk de maat
staf van den goudprijs. Indien zij was f 12.15 dan was goud zonder
nadeel inwisselbaar, de pariteit tusschen Engeland en ons land was
f 12.09 waarbij een '/3 /, kwam voor assurantie, vracht etc.
Een tijdlang had de koers op Londen zelfs f 12.30 f 12.32'/, gestaan,
waaruit wel genoegzaam bleek, dat althans toen niet meer het goud, dat dan
ook schaarsch geworden was, de basis van den wissel vormde. Verg, bl. 157.
*) De uitgifte van muntbiljetten zou gepaard gaan met het over
brengen van een gelijk bedrag 10- en 5-guldenstukken bij de Ned. Bank.
Uiterlijk op 31 Dec. 1852 zouden alle biljetten tegen zilveren munt moe
ten zijn ingetrokken. (art. 3 en 4 ontwerp).

*) Een zeer verstandige argumentatie!


*) Gelijk ook reeds bij de behandeling van de Wet van 1847 door
van GoLSTEIN dit denkbeeld was geopperd.

Voor hen, die de polemiek in den Tijdgenoot van 1845 hebben gelezen,
kan het niet twijfelachtig zijn of aan SUERMONDT komt de eer toe dit
denkbeeld het eerst in ons land uitvoerig te hebben uiteengezet.
Een krachtig pleidooi ten gunste van dezen maatregel werd ook nu
weder gehouden.

190

UITGIFTE VAN MUNTBILJETTEN.

schuwen tegen het gevaar om al het goud, geschat op f 172

mill. op eenmaal inwisselbaar te stellen.

De regeering dacht

hier echter anders over: men behoefde de inwisseling van het


Ned. goud, dat in het buitenland was, en dat was zeer
veel niet uit te lokken, daar toch was het louter negotie
munt. Een maximum van f 30 mill. muntbiljetten ') zou dan
ook, zoo meende zij, ruim voldoende blijken.
Nog eenmaal, bij deze laatste wet, die de kroon zou zetten
op ons hervormd muntwezen, traden de voorstanders van den
dubbelen standaard in het strijdperk en nog eenmaal moesten
zij al de theoretische en practische bezwaren tegen hun stelsel
vernemen. En thans legden zij er zich ook bij neder, omdat
de omstandigheden een groote verandering in de waardeverhouding
der beide metalen schenen voor te bereiden, en zelfs een MICHEL

CHEVALIER, eertijds zoo sterk bevreesd voor zilverdepreciatie,


Papieruitgifte was wenschelijk, omdat het muntbiljet een zeer gemak
kelijk ruilmiddel opleverde en dus in een behoefte voorzag, die het bank
biljet, - als niet wettig betaalmiddel, zonder kleine coupures en slechts
te Amsterdam inwisselbaar niet kon vervullen.

Dit papier behoefde niet gedekt te zijn, indien de hoeveelheid slechts


zoo geregeld werd, dat zij steeds emplooi vond.

Dan leverde het papier een zeer groot voordeel op, een gelijke hoe
veelheid zeer kostbaar ruilmiddel zou het land verlaten. In geval van
geldcrisis kon het bovendien uitnemende diensten bewijzen, zooals was ge
bleken in Belgi. Toen na 184S de industrie aldaar in groote verlegenheid was
en de stremming der geldsomloop, loonsbetaling onmogelijk maakte, mach
tigde de regeering de fabrikanten op hun persoonlijk crediet biljetten
uit te geven, later inwisselbaar in onopvraagbaar bankpapier. Gretig
werd dit genomen en geen depreciatie kwam voor.
Een matig bedrag zou evenwel niet mogen overschreden worden, het
gezond verstand, de ondervinding, de lessen der wetenschap, de bera
denheid der regeering en wetgeving en vooral de groote huivering van
velen om dezen onschadelijken stap te doen, waren zoovele waarborgen
tegen overdrijving,
') Niet kleiner dan van f 10,

INWISSELING

DER

OUDE MUNT.

101

zich nu ernstig beducht maakte voor de waardevastheid van


het goud. De minister mocht de voldoening smaken dat zijn
ontwerp met algemeene stemmen werd goedgekeurd. Zoo kwamen
de Wetten van 17 Sept. 1849 (Stbl. n". 45 en 46) tot stand. ')
Tot uitvoering van de eerste strekte het K. B. van 5 Oct.
1849 (Stbl. n". 51), de 3-, 1- en halve guldens, naar de Wet van
1816 geslagen, werden met 28 Oct. buiten koers gesteld, terwijl
gelegenheid tot inwisseling werd gegeven van 22-27 en op den
29" en 30" Oct. Slechts het geringe bedrag van f 850.000
werd ingeleverd, terwijl met proeven reeds vroeger voor ruim
f 168.217.50 was vernietigd. Deze maatregel wierp een voor
deel af van f 17.435.80.
Bij K. B. van 12 Nov. 1849 (S/b/. n. 57) werd nu de in

wisseling der 25-centstukken bevolen, op 3-15 en 17 en 18


December. Een bedrag van f 7.381.066.25 werd aangeboden
en gaf een verlies van f 40.817.93.
Bij K. B. van 13 Sept. 1850 (Stb/. n. 60) eindelijk volg

den de 10- en 5-centstukken. Op 7-26, en 28 en 29 Oct.


werden voor f 1.467.663.80 aan Dubbeltjes, voor f 115.655.95
aan Stuivers ingewisseld, verliezen van f 53.729.99 en f5141.
opleverende.
De aldus ingewisselde bedragen waren zeer gering als men
nagaat, dat van 1816-39 in de Munten te Utrecht en Brussel

voor ruim f 29'/, mill. geslagen was. Van de standpenningen


werd nauwelijks '/1e aangeboden.
De wet van 17 Sept. 1849 (Stb/. n. 46) had der regeering

overgelaten de tijdstippen en wijzen te bepalen, waarop de gouden


f 10- en f 5-stukken zouden ophouden wettig betaalmiddel te
*)

,,Het ontmunten van het goud kon niet missen invloed uit te oefe

nen op de omringende rijken. In waarheid begon men zich in Frankrijk


ongerust te toonen, een commissie werd daar benoemd, maar haar rap
port in Juni 1851 uitgebracht, adviseerde tot afwachten. Zie TEGoBoRsK1
,,des Gites aurifres en Californie et en Austraulie. pag. V, VI.

192

ONVOORDEELIGE GOUDVERKOOP.

zijn. De minister hield zich dus bezig met nauwkeurige beschouwing


van den goudprijs. ') Bleef zij hooger dan 1 : 15.604 dan was er
weinig gevaar voor groote inwisseling van goud, en zou bovendien het
verlies gering zijn, maar met daling van dien prijs steeg natuurlijk
het verlies en tevens de kans op aanzienlijke goud-aanbiedingen.
Bij K. B. van 9 Juni 1850 (Stbl. n. 30) werd bepaald, dat
de gouden 10- en 5-guldenstukken op den 23" Juni daaraan
volgend zouden ophouden wettig betaalmiddel te zijn en dat de
inwisseling zou kunnen geschieden van 17-22 en op 24 Juni.
De wisselkoers op Engeland, langen tijd boven de f 12 (tot
f'12.125 toe in Jan. 1848 en Sept. 1849) steeg voortdurend en
terwijl hij Juli 1850 nog stond 12.06 was hij reeds in de vol
gende maand 12.02% en in Nov. 11.75. Een zeer onvoordee
lige positie dus voor ons land om goud in te wisselen tegen
zilver. Van de f 172'/, mill. geslagen, werd f 50 mill. aan
geboden.
De verkoop van het goud was hoogst kostbaar; zij geschiedde
in 1850 en 1851 bij dalende prijzen van f1640.95 tot 1604.89
per K.G. *) met een verlies van f 1.061.124.06, wat wegens
kleinere onkosten met bijna f 120.000 moest vermeerderd
worden, zoodat deze zoo merkwaardige episode in de geschiedenis
van ons muntwezen totaal gekost heeft f 1.180.993.55.
Maar hoe belangrijk deze kosten ook waren, men troostte er
zich over, omdat juist door de daling van den goudprijs gebleken
-

was op welk een gevaarlijk punt men stond, en hoe groot de


kans was geweest, om weder al het nieuw gemunte zilver te
verliezen. De verhouding van 1 : 15.604, in onze munt aan

genomen, zou, vooral in 1851 en volgende jaren toen zij op de


') Zoolang men 141/3 % agio (boven de f 1442.60) per K.G. fijn
goud kon bedingen werd geen verlies geleden, men maakte dan f 1651.77
per K.G. en het K.G. in f 10 en f 5 bedroeg f 1651.22".

*) Een agio van 13*/4-11'/. "/o.

ToTALE KosTEN DER HERMUNTING.

193

markt daalde tot 1 : 15.46 en lager, ') zeer verderfelijke ge

volgen hebben gehad.


De hermunting was hiermede voltooid, het totaal der buiten
gewone uitgaven hiertoe noodzakelijk bedroeg, volgens een ge
detailleerde en nauwkeurige berekening van Dr. WRoLIK (in zijn
Verslag bl. 182 en v.) van 1812-1851 f 10.165.022.335,
waartegenover eenige baten ten bedrage van ruim f45.000 stonden,
zoodat de schatkist heeft bijbetaald bijna f 10.120.000.-'),
hetgeen geheel kon bestreden worden zonder een leening aan te

gaan of buitengewone offers van de natie te vorderen.


Van de bij de Wet van 30 Maart 1848 (Stb/. n. 7) toegestane
som van f 2.823.000 was overgebleven f 1.193.000. .
De Wet van 30 Oct. 1848 (S/b/. n. 76) achtte het voldoende

voor 1849 een som van f 500.000 toe te staan, hetgeen nog
voor gedeeltelijke uitvoering van de wet van 17 Sept. 1849 (S/b/.
n". 46) met f250.000 werd verhoogd. *) Voor 1849 bleek echter

slechts noodig f 175.000, het restant f575.000 op de begrooting


van 1850 overgebracht bij de Wet van 2 Mei 1850 (S/b/. n". 22),
werd bij de Wet van 17 Dec. 1851 (Stbl. n". 169) verminderd met
f75.000, terwijl tevens voor 1851 werd aangewezen f915.869.22,
noodzakelijk ter bestrijding van de kosten van den nadeeligen
goudverkoop. *)
') Terwijl toen de goudverkoop hier te lande niet meer van invloed
kon zijn.

*) Een zeer aanzienlijk bedrag n. l. f 5.289.058.93 werd gedekt uit


de opbrengst der domeinen, f 2.550.000 werd gevonden uit gewone in
komsten, f 1.610.000 uit den verkoop van de 1000 acten der Ned. Bank
161 % en de rest had het bizonder fonds voor de kosten van uitvoering
van de wet op het Nederlandsche muntwezen van 22 Mei 1845 geleverd.
*) Die f 750.000 waren bestemd voor opruiming van de laatste oude
zilveren specie, intrekking van zilveren munt naar de Wet van 1816 ge
slagen, en ontneming van de hoedanigheid van standpenning aan de gou
den f 10- en f 5-stukken.

*)

Bij gelegenheid van de behandeling van deze wet werd in het


13

194

REGELING VAN

HET

MUNTLOON.

De jaren 1851 en 1852 werden nog gewijd aan ijverige ver


vaardiging van zilveren speci, zoodat ten slotte bleek te zijn aan
gemunt voor bijna f 143.500.000 '), waarvan ruim f 56'/,
mill. voor particuliere rekening. Het muntloon, dat reeds in 1840

bij K. B. van 1 Aug. 1840 (Stb/. n". 87) belangrijk verminderd


was en van f 1.80 per K.G. Guldens en 3-guldens op f 1.50
per K.G. Guldens en Rijksdaalders was gebracht, onderging in
1846 opnieuw een reductie en werd per K.G. Guldens op f 1.40,
per K.G. Rijksdaalders op f 1.30 gesteld, terwijl bij bizondere
overeenkomsten in de volgende jaren, het muntloon voor parti
culieren niet hooger was dan f 1 per K.G. Rijksdaalders.
Op den 12" Feb. 1850 bood de minister van financin v.
BossE op nieuw aan de 2" Kamer een wetsontwerp aan, met
betrekking tot het muntwezen. Maar terwijl de tot nog toe ge
nomen maatregelen hadden gestrekt tot hervorming en verbete
ring onzer munt zelve, zou deze thans voorgedragen wet het
Verslag van de Commissie van Rapporteurs den wensch geuit ,,dat aan
de Kamer een algemeen verslag mogt worden overgelegd van al het ge

beurde betrekkelijk het herstel van ons Muntwezen, met opgave der daar
aan verbonden kosten.

Deze eervolle taak, door den minister aan dr.

VROLIK, Voorzitter van het muntcollege, opgedragen, is door dezen met


groote nauwgezetheid vervuld. Zijn meermalen aangehaald werk in 1853

verschenen kan er de getuigenis van afleggen. Menige belangrijke bizon


derheid heeft daarin een plaats gevonden.

') Waaronder een vrij aanzienlijk getal koperen munt. Sedert 1816 was ge
munt aan Centen voor f 1.624.760.80 en voor f 466.865.70 aan halve Centen.

Bij gelegenheid van de behandeling van het ontwerp van de Wet van
2 Mei 1850 (Stbl. n". 22) werd gevraagd, waarom zoo weinig halre Centen
circuleerden; ook de regeering had die behoefte opgemerkt, in 1847 had
zij weder halve Centen laten slaan en in 1849 3845 K.G. halve cents
plaatjes aanbesteed.
Over het Belgische koper werd ook hevig geklaagd, een zeer aanzien
lijk bedrag circuleerde o. a. in Friesland. De winst op Belgische Centen
was circa 6 /o. Het voorbeeld van Java met zijn groote kopercirculatie
werd tot afschrikkend voorbeeld aangehaald.

TOEZICHT OVER

DE ZAKEN VAN

DE MUNT.

195

toezicht en de zorg over de zaken der munt regelen. Belangrijke


wijzigingen werden daarbij gemaakt in vergelijking van de bepa
lingen der nog altijd geldende Wet van 19 Mei 1819 (Stbl. n. 31.)
Toen was het, volgens de Wet van 11 Juli 1814 (Stbl. n". 78)
uit 3 leden bestaande college van Raden en Generaalmeesteren
der Munt, ') versterkt tot 6 met het oog op de Zuidel. provin
cin. Na de afscheiding van Belgi waren de 3 ambtgenooten
voor het Zuiden overtollig geworden.
Het muntcollege derhalve thans weder uit 3 leden bestaande,
moest een onafhankelijk lichaam vormen; vandaar dat in 1814
en 1819 de benoeming der leden was opgedragen aan den Koning,
uit een voordracht door de 2" Kamer op te maken. Het moest
toen zelfstandig tegenover de regeering kunnen optreden, in
geval deze mocht afwijken van de wetsvoorschriften. Het be
ginsel der ministriele verantwoordelijkheid in 1840 erkend, in
1848 meer uitgebreid, *) bracht hierin, volgens de memorie van

toelichting bij dit ontwerp van 1850 gevoegd, een verandering.


Indien thans aan dit college een deel der uitvoerende macht, onaf
hankelijk van het departement van financin ware opgedragen zou
dit zelfs zeer belemmerend kunnen werken. *) Daarom, zoo
1) Een instelling herinnerend aan die, welke tijdens de republiek be
stond op grond van art. 12 van de Unie van Utrecht, en eerst in 1798

was opgeheven. Van 1798-1814 had men telkens de regeling gewij


zigd: in 1798 werd de zorg van het muntwezen opgedragen aan den
Agent van financin, in 1801 aan drie Raden van Financin, in 1805 aan
een Secretaris van Staat en Financin, en in 1806 aan een Minister van
Financin.

*)

Maar eerst in 1855 ten deele geregeld.

*) Het zou echter een gevaarlijke misvatting zijn om op grond van


de ministriele verantwoordelijkheid alle andere waarborgen tegen on

wettige of verkeerde handelingen in het bestuur van den Staat weg te


ruimen. Daaruit toch ontstaat een ondragelijk stelsel van centralisatie
gelijk in Frankrijk. Zie AcKERSDIJK ,,Over het College van Raden en
Generaal meesters der Munt. l S50 bl. 12.

196

WIJZIGING

IN

HET MUNTCOLLEGE.

betoogde de minister verder, was er in de grondwet met geen


woord melding van gemaakt. ')
Alleen om inlichtingen te verschaffen zou het blijven bestaan,
omdat en ambtenaar daartoe niet zoo in staat zou zijn en een
vergadering tevens gelegenheid bood om bij geschillen van tech
nischen aard, over allooi, essai etc., te beslissen. Daarom
stelde het ontwerp voor, een college van drie leden (Raden en Gene
raalmeesters der Munt) te behouden, hetgeen voor de regeering
een adviseerend, voor de Munt een toeziend karakter zou dragen.
Ter vereenvoudiging zouden de leden zelve een meer werk
dadig aandeel in de werkzaamheden der Munt nemen en een
afzonderlijk waardijn, inspecteur-essayeur-generaal en secretaris

derhalve onnoodig worden.

Hierdoor werd een bezuiniging

verkregen, maar men vergete het niet, ook tevens slechts de


uiterlijke nabootsing van het vroegere muntcollege. Want het
Indien dit lichaam belemmerend optrad zou het zijn tot afwering van
verkeerdheden en tot handhaving van de voorschriften der wet.
1) - Er was bij gelegenheid der grondwetherziening in 184S geen
kalmte genoeg om dit onderwerp grondig te behandelen. Bovendien de

wijziging, die het art 201 (grdw. 1815/10) onderging als art. 175 (grdw.
1848), besliste niets; later zou men bij het samenstellen eener afzonderlijke
wet een nauwkeurig onderzoek kunnen instellen.

Dit college nu, belast met het strengste toezicht over de Munt, en
met de meest nauwlettende zorg voor de nakoming van de wetten omtrent

het muntwezen, bestemd om alle vragen, die zich daarbij konden voor
doen te beslissen, onpartijdig geplaatst tusschen regeering en muntmeester,
aangewezen om de rekening tusschen die beide te onderzoeken als grondslag
voor de goedkeuring der Rekenkamer, en gevestigd op de plaats zelve,
waar het de muntwerkzaamheden kon gadeslaan, bij uitnemendheid ge
schikt om bij het maken van wetten of verordeningen omtrent de munt
voorlichting te geven, dit college zou thans vernietigd worden. Prof.
ACKERSDIJK t. a. p. bl. 6 v. veroordeelde deze handelwijze dan ook scherp,
en hij beriep zich daarbij op de bittere ondervinding, die men in Indi
had opgedaan, waar, bij gebrek aan een dergelijk lichaam, zoovele mis
slagen waren begaan.

WET VAN 1 JUNI 1850.

197

nieuwe college zou bestaan uit afzetbare ambtenaren, die den


minister moesten gehoorzamen. Zou een dergelijk lichaam zijn

taak, juist thans tot Indi uitgebreid, zoo kunnen vervullen


als zijn voorganger gedaan had?

Het beheer over de zaken van den waarborg werd nu over


gebracht naar het departement van financin. Door de Wet

van 19 Brumaire an VI, volgens welke dit behoorde tot de


werkzaamheden van de Commission des monnayes, was het
eertijds aan het muntcollege opgedragen.
Na een langdurig debat over de bevoegdheid van dit nieuwe
lichaam werd het voorstel den 16" April 1850 in de 2" Kamer

aangenomen met 33 tegen 16 stemmen en den 7" Juni ver


scheen de Wet van 1 Juni 1850 in het Stbl., onder n. 25.

Toen dan eindelijk in 1854, op den eersten Mei, ook het

muntwezen in Nederlandsch Indi op gelijken voet als in het


moederland was geschoeid, 1) was onze munthervorming ten
einde gebracht. Jaren lang had men er aan gewerkt, milli
oenen er aan opgeofferd, maar thans was men na zoo heftigen
en telkens herhaalden strijd ook gekomen tot een geregeld munt
wezen, gevestigd op breede grondslagen, voldoende aan de eischen
van wetenschap, traditie en verkeer. Onze nieuwe munt werd
algemeen bewonderd, onze Rijksdaalders waren beter en nauw

keuriger geslagen dan de 5 francsstukken uit de beroemde Munt


van Parijs.

Het goud kwam alleen nog voor als negotiepenning, het


zilver voerde onbelemmerd zijn heerschappij, en de omstandig

heden waren van dien aard, dat men, althans eenigen tijd,
juichte over de keuze.

') Zie de Wet tot regeling van het Muntwezen van Nederlandsch
Indi van 1 Mei 1854 (Stbl. n". 75.)

198

ONTWERP TOT HET UITGEVEN VAN MUNTBILJETTEN.

Het goud bleef langzaam dalen tot het in 1859 ) de laagste


verhouding van 15.19 : 1 had bereikt; van toen af had weder
stijging plaats.
Een groot ongerief van het zilver was echter zijn aanmerke
lijk volume.
Wellicht was dit de voorname reden waarom de inwisseling
der muntbiljetten zoo uiterst langzaam plaats had. Bij de in
trekking van het goud hadden deze weder uitstekende diensten
bewezen en een zoo gunstig onthaal gevonden bij de bevolking,
dat hoewel de gelegenheid tot inwisseling reeds van af 1 Juni

1851 was gegeven, op 21 Oct. nog slechts voor f 16.893.190


was aangeboden. *)
Op grond van de hierbij opgedane ondervinding en aangemoe
digd door het besparen van een rente, die anders over ver
moedelijk uit te geven schatkistbiljetten zou moeten worden be
taald, diende de minister van financin, in overeenstemming met
de wenschen in meer dan een afdeeling van de 2" Kamer ge
uit, in Nov. 1851 een wetsontwerp in, houdende de bepaling,
dat voor een bedrag van 5 millioen gulden aan muntbiljetten,
inwisselbaar bij de Ned. Bank tegen zilveren specie, als wettig
betaalmiddel in circulatie zou worden gebracht. Als onderpand
zou de Ned. Bank schatkistbiljetten, wier uitgifte bij de Wet
van 18 Juni 1851 (Stbl. n". 65) was toegestaan, ontvangen in
verhouding van f 1.20 per gulden in muntbiljetten.
Het ontwerp zooals het daar lag moest vallen. Van wie zou
het steun ontvangen? Niet van hen, die nog steeds zenuwachtig
bevreesd waren voor al wat papieren munt was, onverschillig of
het al dan niet waarborgen aanbood, maar evenmin van hen,
1) Zie omtrent de goudproductie over de geheele wereld voor de jaren
1S31-75 de opgave op blz. 180 noot 2.

*) Ruim f 13 mill. bleef dus toen nog circuleeren, zie de Wet van
17 Sept. 1849.

wET VAN 28 APRIL 1852.

199

die het beginsel van beperkte, blijvende papier-circulatie hadden


aanbevolen, als SUERMONDT, VAN GoLSTEIN e. a. wellicht op het
voetspoor van RICARDo. Immers de voordeelen waren hier tot
een minimum ingekrompen, want zij zouden slechts 3% van
de 5 millioen schatkistbiljetten of f 150.000 uitmaken voor
elk jaar dat anders deze schatkistbiljetten in omloop zouden zijn
geweest. En een wantrouwen in eigen voorstel bleek daaren
boven uit de vrees voor depreciatie, die de meer dan volkomen,
maar volmaakt nuttelooze dekking door schatkistbiljetten te
kennen gaf.
Was het meerendeel der Kamerleden dus, vooral op grond
der opgedane ondervinding, zeer gunstig gestemd voor het be
ginsel dezer voordracht, herhaalde besprekingen waren noodig
vor het ontwerp zich in een aannemelijken vorm voordeed. Toen
het dan ook eindelijk den 28" April 1852 tot Wet verheven
was, luidde de redactie geheel anders:

Er zouden f 10 mill. aan muntbiljeten worden uitgegeven in


coupures van f 10, f 50 en f 100; daarvoor zou worden
aangekocht 21/, 9/o Ned. Werk. Schuld, die ingeschreven in de

grootboeken der nationale schuld, onder het hoofd Fonds tot


verzekering van de verzilvering der rentelooze schuld onder be
waring der directie van de Ned. Bank, als waarborg zou dienen.
In dien vorm zegevierde dan het lang bestreden beginsel en
vond het bijna algemeenen bijval, slechts 3 van de 60 leden
stemden in de 2" Kamer tegen. Of vele der meer gevan
ceerde leden, echter de dekking wel zeer noodig achtten is een
quaestie, die niet te beslissen valt. Zeker heeft de ondervinding
geleerd, dat het bedrag der uitgifte geenszins te groot was, dat er
nooit misbruik door uitbreiding van dat bedrag is gemaakt en
dat het fonds tot verzilvering steeds onaangeroerd is gebleven.
Gelukkige bevestiging door de praktijk van een beginsel, dat

jaren lang als een verschrikkelijk kwaad heftig is bestreden.


Hierbij houde men echter in het oog, dat het saldo van de

200

OMLOOP VAN VREEMDE MUNTSPECIN.

schatkist bij de Ned. Bank tot vor korten tijd altijd belang
rijk meer heeft bedragen dan de som der uitgegeven muntbil
jetten, en deze dus steeds zeer ruim in geld gedekt waren.
De eeuw waarin het nationale munt begrip zich ontwikkelde
en de voordeelen daarvan genoten werden, leerde ook eenige
nadeelen daaraan verbonden, kennen. Aangezien de Europeesche
Staten, onafhankelijk van elkander hun muntwezen hadden ge
regeld en niet alleen de eenheid, het gehalte, het gewicht, en
het metaal der munt verschilden, maar ook de een het 10-tallig
stelsel, de ander het 12-tallig bij voorkeur tot grondslag van de
onderdeelen en veelvouden had aangenomen, sprak het van zelf dat
er wel eens twee muntstukken uit verschillende landen ongeveer
dezelfde gedaante vertoonden, terwijl zij innerlijk in waarde ver
schilden; een omstandigheid, die veroorzaakte dat meermalen
minwaardige buitenlandsche specie in omloop werd gebracht.
Thans was het niet meer de vraag of de munt was getolereerd of
niet, geen muntsoort had wettigen koers in een ander land, zoo
dat, indien zich eenige vreemde exemplaren in den omloop ver
toonden, deze door bedrog waren binnengesmokkeld. Ongetwij

feld was dit een leemte aan de scherpe afscheiding der nationale
systemen verbonden, maar waartegen slechts repressieve maatre
gelen konden worden genomen, zoolang geen samenwerking der
staten tot een internationaal muntsysteem leidde. En zoover was
men nog niet, al waren er wel, die er van droomden.
Ons land had vrij veel te lijden van circulatie van bui
tenlandsche muntsoorten. In de grensprovincin kwamen Bel
gische, Fransche en Duitsche munten voor, maar het was voor
namelijk onder het kopergeld dat veel vreemd geld, 2-centimes
stukken, circuleerde. Reeds meermalen was daarover geklaagd,
en bij de beraadslaging over de Wet van 2 Mei 1850, omtrent
de middelen voor ons muntwezen toegestaan, kwam deze quaestie

in de 2" Kamer ter sprake. Zeer zeker was het onaangenaam

BELGISCH KOPERGELD.

201

ons pas geregeld muntstelsel op deze wijze te zien deterioreeren.


Het verschil immers in conventioneele waarde der 2-centimes

met onze Centen was vrij aanzienlijk. Zelfs al had geene clandes
tine aanmaak plaats, dan nog bedroeg het voordeel circa 6 /o.
Wel was de innerlijke waarde van het 2-centimesstuk iets hooger
dan dat van onzen cent, maar dit deed hier niets ter zake.

De groote hoeveelheid Belgisch kopergeld in alle provincin


en vooral in Noord-Braband 1) in omloop, gaf reden tot ernstige
ongerustheid. Indien geen afdoende maatregelen werden genomen
zou menige gulden er door worden uitgedreven, te meer daar het
vreemde koper in sommige deelen van ons land zelfs tot be
talingen van vrij aanzienlijke bedragen werd gebezigd, en f 10
en f 25 tot ettelijke honderd guldens toe in knappers (rolletjes
centen ten getale van 50 stuks), werden voldaan. In die streken,
waar dit het meest voorkwam was de gulden dan ook reeds
eenigermate gedeprecieerd. *)
Jaren lang had men reeds gepoogd middelen tot herstel te

vinden; legio waren de klachten omtrent den bestaanden toestand


en dat daartoe grond bestond valt niet te ontkennen. Ook aan
adviezen gevraagd en ongevraagd had het niet ontbroken. Vooral
het tarifeeren der vreemde munt werd herhaaldelijk aangeraden,

hetgeen zeer verklaarbaar was met het oog op de gunstige


resultaten, die men verkregen had op verschillende plaatsen, waar
de fabrikanten zich hadden vereenigd om de vreemde koperen
pasmunt niet dan tegen een laag tarief aan te nemen.
Doch meer nog was het hun besluit om de aldus ontvangen

vreemde specie niet weder binnenlands uit te geven, dat dit

') Gaandeweg hadden die 2-centimesstukken zich zoodanig met onze


vermengd, dat in Braband */s */4, in de andere provincin '/,

Centen

1/2 der geheele kopercirculatie er uit bestond.

*) Zie het hierna te vermelden Rapport aan den Koning, uitgebragt


door de Staatscommissie van 5 Sept. 1855 bl. 37 v.
n

202

VERGEEFSCHE POGINGEN TOT WERING.

succes te weegbracht. Maar zou datgene wat in een kleinen


kring goed werkte ook, in het groot toegepast, gunstige resultaten
opleveren? Tengevolge van een missive van Raden en Generaal
meesteren der Munt van 19 Juni 1840 werd een Ministeriele
Resolutie van 27 Aug. 1840 in het Staatsblad bekend gemaakt, .
waarbij ernstig werd gewaarschuwd tegen de aanneming van
vreemde koperen munt, en medegedeeld, dat bij de agenten van
den rijkskassier steeds Nederlandsche Centen zouden verkrijgbaar
zijn voor bedragen boven de tien gulden.
In 1845 werd bij de toenmalige tariefswijziging verbod van
invoer van vreemde koperen munt opgenomen. Doch het resultaat
dezer maatregelen was gering. Telkens kwamen adressen en
requesten in om te verzoeken maatregelen tot wering van het
kwaad te nemen. Het algemeen munt verslag van 1852 slaakte
den wensch, dat onze circulatie, thans overigens in zulk een
voldoenden toestand, eenmaal mogt gezuiverd worden van het
Belgisch kopergeld, dat zich meer en meer indringt, tot groot
nadeel van onze nijvere bevolking, en in 1853 en 1854 koos
men voor dezelfde gedachte eenige andere woorden.
Daarom was het een gelukkige gedachte van den minister
WRoLIK, den Koning voor te dragen, een commissie te benoemen
ten einde een onderzoek in te stellen naar de circulatie van vreemde

muntspecin hier te lande. Bij K. B. van 5 Sept. 1855 (Stb/. n".


118) werden tot leden dier commissie benoemd de heeren: m'. W.
Z. F. C. RIDDER VAN RAPPARD 1) als voorzitter; jhr. A. CALKoEN,')
m'. W. C. MEEs, *) J. C. ELEN, 4) J. A. vAN DER BURGH, *)
G. C. ARNTzENIUs, ") H. L. ZEHENDER FRANs 7) en HUBERT
1) Pres. v. het prov. gerechtshof v. Gelderland.
*) Voorzitter v. het muntcollege.
*) Secretaris v. de Dir. der Ned. Bank.
*) Voorzitter v. de K. v. Kooph. te s Bosch.
*)
Breda.
*)
Goes.
')
y
wy
p
yn
zin
,, Oldenzaal,
- ,

Jp

op

yo

3x

2x

35

2,

pp

zo

py

ED

2 p.

55

22

RAPPORT VAN DE COMMISSIE VAN 1855.

203

PIJLs ') tot leden en tot secretaris m'. J. L. DE BRUIJN KoPs.


Een uitvoerig verslag werd den 8" Mei 1856 door deze com
missie uitgebracht, waarin zoowel de oorzaken en de invloed
werden uiteengezet als de middelen tot bedwang van het toene
mende kwaad aangewezen.
Merkwaardige feiten bracht dit rapport aan het licht.

Reeds 25 jaren geleden was de uitbreiding van de circulatie


der uitheemsche munten begonnen.
De grensplaatsen lagen het eerst aan de beurt, van daar drong
het kwaad door de geheele provincie.
Zoo waren dan Limburg, Noord-Brabant en Zeeland de streken,
waar de meeste Fransche en Belgische munten werden gevonden,
voornamelijk waren het twee-centimesstukken tot knappers van 50
stuks gedraaid *), die in betaling werden gegeven, tot bedragen
van f 500 vooral te Eindhoven, Tilburg en Helmond, Breda en
Bergen-op-Zoom. De kopermunt had daar dan ook geheel het
karakter van pasmunt verloren en het zilvergeld werd uitgedreven.
Maar ook nieuwe zilveren pasmunt en standpenningen kwamen
voor: als de 20-centimestukken, dikwijls uitgegeven voor de
Nederl. Dubbeltjes en eveneens tot knappers ter waarde van f 5
vereenigd, en de 50-centimesstukken, bij wijze van Kwartjes
gebruikt. Wel waren deze niet geregeld in omloop, maar hun
aantal was toenemend en vooral sedert het benoemen der commissie

schenen zij de Centimes-knappers te vervangen, waarvan de invoer


als bij tarief verboden ook veel gevaarlijker en bovendien kost
baarder en lastiger was.
Eindelijk waren het de 5-francsstukken, wier omloop zeer alge
meen was geworden. Berekend naar het tarief van 1816, waarbij

den Franc wettelijken koers werd verleend 471/4 cent, waren


') Plaatsvervangend Voorzitter v. de K. v. Kooph. te Maastricht.
*) Waarin meermalen eenige exemplaren of geheel ontbraken, of door

oude duiten of koperen plaatjes van uiterst geringe waarde waren ver
vangen.

204

KOERS VAN

HET VREEMDE GELD.

zij f 2.361/4 waard, maar vele, vooral de Fransche stukken,


waren sterk afgesleten en verminkt, zoodat ook dit te hoog
bleek en deze koers, die in den handelsomloop in Limburg ge

bruikelijk was, de Ned. munt deed verdwijnen.


Erger was evenwel, dat zij daar in het dagelijksch verkeer,
wegens hun talrijkheid algemeen werden aangenomen en wel
tegen f 2.10, terwijl zij eindelijk in koper voldaan op f 2.50,
of gelijk aan den Ned. Rijksdaalder werden gesteld. In Noord
Brabant golden zij veeltijds f 2.35.
De regeering was tegen dit verschijnsel niet bestand geweest.

Had zij den 23" Feb. 1825 ook al aan den Franc den wettigen
koers ontnomen, bij beschikking van 9 Juli 1825 van de algem.
Ned. maatschappij ter begunstiging van volksvlijt te Brussel
werd de Franc toch tegen 46'/4 cent aangenomen, terwijl 5 jaren
later, den 11" Aug. 1830 door dat zelfde lichaam de koers op
47'/4 cent werd hersteld.
Het K. B. van 12 Juni 1839, dat de inbezitneming van de
onder Nederlandsch gezag terugkeerende landstreken regelde, liet
de Belgische en Fransche munt gangbaar 47 cent de franc,
doch de gewone koers bleef 47'/4 cent en gold algemeen.
Noch de nieuwe muntwet van 26 Nov. 1847, noch de minis
triele circulaire van 7 Jan. 1851, tot verbod aan alle rijks
comptabelen om Belgische of Fransche gouden of zilveren mun
ten aan te nemen, mochten iets baten. De rijksontvangers waren

zelf wisselaars en dwongen dikwijls de belasting-schuldigen de


5-francs tot den koers van f 2.29 af te geven.
Tal

van

adressen

over het

onhoudbare van dezen toestand

bereikten den minister, die daarop bij Besluit van 28 Mei 1852
bepaalde, dat de 5-francs (maar niet zijn onderdeelen) f 2.33
door de ontvangers zou worden aangenomen.
In het Oosten van ons land drong de Pruisische en Hanno

versche munt binnen, zoowel standpenning als pasmunt verving


in Overijsel (vooral Twenthe), Gelderland, Drenthe en zelfs Gro

NADEELEN

205

VOOR DE ARBEIDERS.

ningen, in meerdere of mindere mate de Nederlandsche specie.


In Overijsel gold de Thaler sedert tal van jaren f 1.80, en
werden geregeld de arbeidsloonen daarin en in de onderdeelen
dier munt voldaan, terwijl de Munstersche wisselkoers op Am
sterdam, die bij groote partijen als de maatstaf van waarde gold,
afwisselde van f 1.77 tot f 1.78. De Gulden Overijse/sch cou
rant was dan ook steeds minder waard dan de Ned. Gulden en

stond soms 3 /o lager.


De schade, die hieruit voor de arbeiders ontstond, mag niet
gering geacht worden, want:
1. werden de winkelprijzen, dikwijls meer dan de mindere
muntwaarde vereischte, verhoogd, omdat de gelegenheid daartoe zoo
gemakkelijk geboden werd en bovendien de aanneming dier vreemde
specie ook wel eenige bizondere moeite en kosten veroorzaakte,
2. werden de arbeidsloonen, die dikwijls reeds tot een
uiterste grens gezonken zijn, intrinsiek verminderd, terwijl de
ondervinding heeft geleerd, dat wel ten slotte de loonen evenzeer
als de prijzen van alle goederen zich naar de wijziging in de
waarde der munt regelen, maar dat de loonen dit altijd het
laatst doen en wel zoo lang daarmee dralen, dat het zelfs twijfel
-

achtig was of in Overijsel, waar 25 jaar die toestand bestond,


een dergelijk evenwicht reeds verkregen was,
Bovendien al ware het nu geheel geregeld zoodanig dat voor
geen der partijen meer schade ontstond dan was dit verschijnsel
toch hoogst ongelukkig, omdat daaruit bleek, dat men met een
inkankerend kwaad te doen had en dus bij de poging tot ver
betering een hinderpaal te meer zou aantreffen.
Een merkwaardige toelichting, tot de ontwikkeling van den
munttoestand in de 16", 17" en 18" eeuw gaf de historie hier zelf.
Ook toen was vreemde minwaardige munt herhaaldelijk binnen
gedrongen en de landsmunt geapprecieerd en verdwenen. Soms
had men dan om de eigen munt te behouden haar koers ver
hoogd, getuige Zeeland, dat zijn Rijksdaalder tot 52 stuivers
-

206

OORZAKEN VAN

DEN ONGUNSTIGEN TOESTAND.

opvoerde en welks wisselkoers dus steeds een paar percent hooger


was dan die van de andere provincin. En was thans in Overijsel
niet een dergelijke toestand ontstaan, was ook daar niet de Ned.
Gulden soms 3 /o hooger dan de 20-stuivers Overijselsch
courant!

Als oorzaken van dezen ongunstigen stand van zaken gaf de


commissie van 1855 op:
10. het zeer veelvuldige grensverkeer, waaraan nauwelijks
door eenig ambtenaar moeielijkheden werden in den weg gelegd;
20. de omstandigheid, dat de innerlijke metaalwaarde onzer
munt in geen zuivere verhouding stond tot die van de omringende
rijken, en de daaruit voortvloeiende gelegenheid tot winst bij een
uitgifte van die vreemde specie hier te lande.
De Pruisische Thaler toch hield in 16.704 gram f z.. wat
gelijk stond met f 1.76'), Nederlandsch, een onbruikbare verhou
ding, welke echter in het dagelijksch verkeer tot f1.80 werd ge
bracht. Hierdoor verkreeg men een cijfer, dat n wegens zijn
groote deelbaarheid n vooral als veelvoud van den welbekenden
schelling, waarbij men nog zoo gaarne rekenen mocht, spoedig
ingang vond en beter paste dan de inderdaad meer juiste ver

houding van f 1.75.


De Franc was geslagen op 4.5 gr., f z., de Gulden op 9.45 gr.,
nu was wel het verschil te groot om den 2-franc f 1 te doen
circuleeren, maar in het koper ging dit zeer goed en honderd
2-centimes werden aangenomen voor f 1.
Daarbij kwam dan nog: dat de zoogenoemde Belgische cent
als muntstukje te verkiezen was boven de Nederlandsche, want

zijn gewicht was juist 4 gr. (van den Ned. cent slechts 3.845)
en het muntje was sierlijker,
dat Noord-Braband en Limburg reeds gewend waren aan
-

groote kopercirculatie, omdat Belgi bij de afscheiding den


gulden verliet en den cent op 2-cem/imes, dus + 5 /o te laag,

MIDDELEN TOT VERBETERING.

207

tarifeerde. Het Nederlandsche koper stroomde dus in groote


massa terug naar het Noorden;
dat de talrijke fabrieken den afzet der vreemde munt bijzonder

ruim, gemakkelijk en voordeelig maakten,


en dat de hooge wisselkoers op Nederland, die gedurende vele
jaren aanhield, betalingen in specie uitlokte, en deze bij de be
staande omstandigheden veelal in koper geschiedden.
Waar het gold middelen aan de hand te doen tot verdrijving
van het kwaad, achtte de Commissie van 1855, aan wie voor

lichting, door de Directie der Ned. Bank en door het Munt


college zeer welkom was, tarifeering nutteloos, omdat deze om het
nieuwe element te weren laag zou moeten zijn en bij de groote
hoeveelheid en het algemeen gebruik dan krachteloos zou blijken.
Een 2" middel: direct verbod van omloop van vreemde munten
met strafbepaling, werd door een deel der commissie als het
beste beschouwd, maar andere leden ontveinsden zich niet de
bezwaren aan de handhaving van dergelijke verbodsbepalingen
altijd verbonden. Ook wees de geschiedenis der 18" eeuw niet
op het heilzame dezer methode ') al was ook toen niet gelet op
') Telkens was herhaling van placaten tegen vreemde koperen munt

noodzakelijk geweest. Zoo verboden de Staten van Holland en West


Friesland bij Placaten van 20 Oct. 1702, 11 Jan. 1704, 7 Feb. 1706,

29 Oct. 1707 en 15 Dec. 1714 alle Duiten behalve die, welke sedert 1702
in Holland waren gemunt, met boete van f 12 voor elke Duit, die tegen
dit verbod werd ontvangen of uitgegeven. Bij Placaat van 24 Mei
1769 werden de gemelde placaten hernieuwd, doch een termijn van 3 maan
den gesteld voor de ingezetenen om zich te ontdoen van de aanwezige
oude Duiten. Den 17den Aug. 1769 volgden de St. v. Zeeland dit na.
En den 13"en Nov. 1769 bevalen de St. Gen. dat de Duiten in alle munt

huizen van den Staat op gelijken muntslag zouden moeten worden geslagen.
En toch hielp dit alles weinig, want in Holland klaagde men weldra
algemeen over den toevloed van vreemde Duiten en werd in 1790 het

placaat van 1769 nog eens herhaald. Ook in de andere provincin


werden van tijd tot tijd dergelijke maatregelen genomen. Vergelijk blz. 33.

20S

ADVIES

DER COMMISSIE.

het voorhanden hebben der vreemde specie, hetgeen thans, hoe


bezwaarlijk het in sommige gevallen zijn mocht, toch ook zou
moeten worden gestraft.
Een 3" middel: belemmering van den omloop door stand
vastige weigering van de zijde der rijksambtenaren om de vreemde
munt aan te nemen, was tot nog toe gebleken onvoldoende te

zijn, omdat de maatregel zonder gelijktijdige andere voorbehoed


middelen niet was uit te voeren.

De commissie gaf dan ook in overweging eenigermate combi


neerend te werk te gaan, zij raadde aan:
1. aankondigingen aan het publiek in alle couranten te
doen plaatsen, vergezeld van publicatie in alle gemeenten om
te waarschuwen en te dreigen, dat indien het euvel mocht voort
duren, de regeering andere, scherper middelen zou moeten te
baat nemen, en een ieder uit te noodigen om door gestadige
afwijzing, zelfs van het minste vreemde koperstuk, het kwaad
te helpen stuiten zonder zich, door de vrees voor schijn van
kleingeestigheid, van de vervulling van dien burgerplicht te
laten weerhouden.

2. Verbod tot aanneming van alle vreemde munt door rijks


comptabelen, met verzachting van dezen maatregel voor de grens
bewoners, van wie de vreemde munt tegen een vast tarief zou
worden aangenomen.
3. Nauwlettende zorg dat van staats- en gemeentewege de
in-omloop-brenging van vreemde specie werd belemmerd, b. v.
door bij aanbestedingen 10% van het bedrag te korten voor
alle fabrikanten, die 3 maanden te voren werklieden in vreemde
munt hadden uitbetaald; de gemeentelijke subsidie voor de arm
besturen te binden aan het terughouden van vreemd koper door
die besturen ontvangen.
4. Dergelijke bepalingen ook toe te passen bij het verleenen
van het laag tarief van invoer op Java en Madura.
5. Gestrengere handhaving van het verbod van invoer van

ADVIES

200

DER COMMISSIE.

vreemd koper en uitbreiding daarvan tot de zilveren pasmunt


van naburige rijken. ')
60. Deze maatregelen te gelijk in het geheele land in te

voeren en tevens te zorgen voor een voldoende hoeveelheid Ned. pas


munt vooral 10- en 5-centstukken, maar niet meer centen te slaan.

70. Gelegenheid te geven tot inwisseling van de vreemde


specie, die voorhanden was. Want al was de regeering hier zeer
zeker niet toe verplicht, in het algemeen belang zou het nood
zakelijk zijn, om te kunnen verwachten, dat deze pogingen met
goeden uitslag zouden worden bekroond.
Bij al deze voorgeslagen maatregelen gaf de Commissie te kennen,
dat zij vooral op den goeden wil en de medewerking van de ingezete
nen rekende, terwijl zij er ten slotte aan toe voegde, dat wellicht een
hermunting van de koperen pasmunt zeer wenschelijk zou zijn.
Dit zeer uitvoerig verslag, dat ook in druk verschenen is,
had voorloopig geen ander gevolg dan dat wellicht hier en daar,
waar de mare doordrong van de raadgevingen tot herstel door
de commissie aanbevolen, eenige heilzaam werkende schrik ver
spreid werd, en dat gedurende 1857 geen centen, maar wel
4.154.800 halve centen werden aangemunt.
Eerst 4 jaren later, den 16" April 1860 ), verscheen van
den minister van financin v. HALL een circulaire, waarin hij
mededeelde, dat het de bedoeling van de regeering was de noodige
voorstellen te doen bij de wetgeving om de 2-centimes te weren,
door een hermunting van onze centen en halve centen, ten einde
stukken te verkrijgen in vorm en kleur verschillend van de
Belgische kopermunt. Bovendien werden de waarschuwingen
")

Hetgeen consequent volgt uit de zorg, aan de regeering opgedragen,

dat de hoeveelheid pasmunt niet te groot worde, opdat zij haar nominale
waarde behoude.

*) Midderwijl had men de enorme hoeveelheid koper in Indi eeniger


mate verminderd.
14

210

DAAROP GEVOLGDE MAATREGELEN.

aan het publiek hernieuwd, dat bij eventueele hermunting aan


zienlijke schade zou lijden indien het in het bezit was van veel
Belgisch koper, daar dit niet zou worden ingewisseld.
Aan alle rijkscomptabelen werd aangezegd, in den strengsten zin
des woords geen vreemde munt meer aan te nemen (met uit
zondering van de 5-francsstukken in Limburg, waar deze ge
tarifeerd waren,) een bevel, dat reeds vroeger gegeven, maar
niet nageleefd was.
In aansluiting aan bovengemelde missive verscheen er ook
een van het departement van binnenlandsche zaken, gedagteekend
4 Mei 1860, waarbij de minister vAN HEEMSTRA met verwijzing
naar de circulaire van zijn ambtgenoot beval, dat de vreemde munt
bij alle publieke kassen zou geweerd worden, en aan de Commis
sarissen des Konings in de provincin verzocht, hun invloed aan
te wenden bij de Gedeputeerde Staten zoowel als bij gemeente

en polderbesturen, opdat ook aan de rekenplichtige ambtenaren


dezer lichamen de weigering van vreemde munt werd bevolen.
Bovendien werd in dat stuk gewezen op de noodzakelijkheid

tot strenge handhaving van het in de bestekken van openbare


aanbesteding van Rijks werk voorkomende verbod om het werk
volk met vreemde munt te betalen, en de wenschelijkheid be

toogd, dat bij onderhandsche aanbestedingen door den hoofd


ingenieur van den waterstaat nauwkeurig daarop zou worden
toegezien, terwijl Gedeputeerde Staten werden uitgenoodigd, wat
het beheer der provinciale werken betrof, insgelijks tegen de
verspreiding der vreemde munt te waken. Altemaal zeer ge
schikte bepalingen om uitbreiding of herhaling van het kwaad,
indien het eenmaal overwonnen was, te voorkomen, maar niet

bij machte het thans bestaande euvel te verdrijven. Daartoe kon


alleen een geheele hermunting van het koper voeren, maar eerst het
herhaaldelijk schipbreuk lijden van alle andere middelen heeft later
gedrongen tot het besluit om dezen radicalen maatregel te nemen.
--------------- ---- -- --N- -

- - -

HOOFDSTUK W.

DE INTERNATIONALE MUMTBEWEGING. MOEIELIJK||EIJEN W00RTVLOEIEMI)


UIT DE DEMOMETISATIE VAN HET WILVER. IW47-W0W. |WW2.
Money is the creature of law.
TIDMAN.

Tot dusverre was het mogelijk, zonder veel acht te slaan op


de maatregelen door de ons omringende rijken genomen, de
ontwikkeling van ons muntwezen te schetsen. Met de zelf
standigheid van ons volksbestaan had zich ook een zelfstandig
muntstelsel ontwikkeld, opgegroeid met onze nationaliteit, be
antwoordende aan de behoeften, was het geplooid en gewijzigd
naar de veranderde eischen van het verkeer, maar had het steeds
een sterk locale kleur behouden.

Gelijk onze taal was ook ons muntwezen bewaard en de


nationale munteenheid, de gulden, bleef gehandhaafd al sloot zij
zich ook moeielijk aan bij de muntstelsels onzer naburen.

En als een deel onzer zelfstandigheid, als symbolen onzer


vrijheid, waren de taal en de munt beide kostelijke goederen,
waarop men fier was. Maar elke ontwikkeling heeft hare ge
volgen, die nieuwe idealen doen scheppen.
Met de verbeterde verkeersmiddelen begon zich een solidariteit

te openbaren, die heilzaam in vele opzichten, de scherpe af


scheiding der nationaliteiten ernstig bedreigde.
Wenschen tot nauwer aaneensluiting, tot meerder toegeven
aan de internationale behoeften, tot minder stugge vasthoudend

212

INTERNATIONALE

BEHOEFTEN.

heid aan het historisch verworven eigendom, werden vernomen


en kregen vorm en gedaante.
Want de handel bekommerde zich niet meer om politieke
grenzen, hij eischte de geheele beschaafde wereld als zijn terrein.
Het vrijhandelstelsel zegevierde in Engeland. In 1S60 mochten
CoBDEN en de zijnen de voldoening smaken, een zeer vrijzinnig
tarief tusschen Engeland en Frankrijk te zien tot stand komen.
In Duitschland had de groote m nationaal-econoom LIST zich
een krachtig voorstander getoond van een verbroedering van alle
Duitsche landen en reeds den 29" Aug. 1837 was tusschen

de Zuid-Duitsche Staten: Baden, Beieren, Wurtemberg, Nassau,


Hessen en Frankfort een muntconventie gesloten, waarbij de
Florijn. 60 Kreuzer als eenheid werd aangenomen.
Had ons land in 1848 den dubbelen standaard verlaten, dit
stelsel werd nog gehuldigd in Frankrijk, 1) Belgi, *) Zwitserland,
Lombardye, Napels, *) Spanje, *) Pruisen, *) Rusland en
Turkije. *) Doch in vele dezer landen had het zilver sterk de
overhand.

1) Sedert 1785 had Frankrijk 15.5 : 1 aangenomen als waardever


houding tusschen de beide edele metalen. Vergelijk Procs-Verbauer
van de muntconferentie in 18S1 dl. II. bl. 41.

2) Krachtens de Wet van 31 Maart 1847 was de regeering gemach


tigd gouden 10- en 20-francsstukken te doen slaan, tot een maximum
van 20 millioen francs. De daarbij aangenomen verhouding van goud
tot zilver was 15.793 : 1.

*) In Lombardye gold de verhouding 15.287 : 1 in Napels 15.209 : 1.


*) Voor 1796 was de verhouding 16 : 1 geweest, met dat jaar werd
zij gebracht op 16.508 : 1 om bij de Wet van 15 April 1848 tot 15.77 : 1
te worden gereduceerd.

*) De Friedrich dor in zeer beperkte hoeveelheid (sedert 1S21 onge


veer 211/2 millioen Thaler) aangemunt, werd in 1830 getarifeerd op 5*/s
Thaler en stelde dus als verhouding vast 15.692 : 1.

*) In Rusland gold 15: 1, doch sedert de Keizerlijke Ukase van lS50


15.48 : 1; in Turkije 15.1 : 1.

DUITSCHE MUNTOVEREENKOMST.

213

Alleen Engeland, Portugal en Bremen en feitelijk ook de


Amerikaansche republiek 1) hadden den enkelen gouden standaard.
De Californische en Australische goudontdekkingen hadden
geen ander gevolg dan dat die landen, die den dubbelen standaard
hadden (met onbeperkte aanmunting), hun zilver bijna geheel
tegen goud verwisselden, waardoor de waardeverhouding tusschen
beide metalen op de open markt ongeveer dezelfde bleef. *)

Toen reeds hebben enkele personen hier te lande er op ge


wezen, dat het wellicht wenschelijk zou zijn op het besluit van
1847 terug te komen.
Den 24" Jan. 1857 werd te Weenen een muntverdrag ge

sloten, *) waardoor de thaler van Noord-Duitschland in een


voudige verhouding werd gebracht met den Oostenrijkschen en
met den Zuid-Duitschen gulden, 4) en als Vereinsthaler de een
heid werd voor geheel Duitschland. De staten, die zich hiermee
vereenigden, *) verbonden zich alle het Vereinsthaler-stuk en het
Zwei-Vereinsthaler-stuk aan te munten *) en als wettig betaal
')

In naam bestond er de dubbele standaard met een verhouding

van 15.99 : 1.

*) Vergelijk Hoofstuk IV blz. 180. v.


*) Om den 1sten Mei van dat jaar in werking te treden.
*) Als grondslag voor de munt nam men aan het Zollpfund van 500
gr. f. zilver. Daaruit zouden geslagen worden 30 Thaler of 45 Oos
tenrijksche Gulden of 52l/, Zuid-Duitsche Gulden, zoodat de Vereins

thaler gelijk werd aan 1'/, O. Floryn en 1'/, Z. D. Floryn.


") Oostenrijk (met Lichtenstein), Pruisen, Beieren, Sachsen, Hannover,
Wurtemberg, Baden, Keur-Hessen, Hessen-Darmstadt, Sachsen-Meiningen,

Sachsen-Coburg-Gotha, Sachsen-Altenburg, Brunswijk, Nassau, Anhalt,


Dessau-Cthen, Anhalt-Bernburg, Schwarzburg-Sondershausen, Schwarz

burg-Rudolstadt, Waldeck-Pyrmont en Frankfurt a/M.


") Iedere staat van 1857 tot 31 Dec. 1862 ten minste 24 stuks per
100 inwoners, van 1. Jan 1863 elke vier jaren ten minste 16 stuks
per 100 inwoners.

214.

LATIJNSCHE MUNT-UNIE.

middel onbeperkt te doen circuleeren. De zilveren standaard


gold dus over dit geheele gebied.
Den 23" Dec. 1865 kwam tusschen Frankrijk, Belgi,
Itali en Zwitserland de Latijnsche Munt-Unie tot stand. 1)
Daarbij verbonden deze staten zich geen andere gouden munt
te doen vervaardigen dan stukken van 100, 50, 20, 10, en 5
francs *) en als zilveren standpenning een munt ter waarde van
5 francs. *) De kleinere zilvermunten van 2, 1, 0.50 en
0.20 .fr. zouden wel in de genoemde landen op gelijke wijze
geslagen worden, doch als pasmunt *) slechts in eigen land in
circulatie komen, *) en niet tot grooter bedrag dan 6 francs

per inwoner "), terwijl zij tot een bedrag van 50 francs wettig
betaalmiddel zouden zijn.
1) Om den 1sten Aug. 1866 in werking te treden. Haar ontstaan
was voornamelijk te danken aan de bemoeiingen van graaf MAURIN
NAIIUYs ter wiens eere, door de Socit royale de Numismatique een
gedenkpenning werd geslagen.
*) Met een gewicht van respectievelijk:
32.25806 gr.

remedie

16.12903

'hoo

6.45161 ,,
3.22580

'hoo

1.61290 ,
"hoo
op een gehalte van 0.9 met een remedie van */1ooo.
*) Met een gewicht van 25 gr. (remedie *Hoo) en op een gehalte van
0.9 (remedie */1oo).
*) Hun gehalte zou 0.835 bedragen, hun gewicht resp. 10, 5, 2.5
en 1 gram.

") Terwijl zij, zoodra zij door afslijting 5 o/o verloren hadden moesten
worden hermunt.

") De hoeveelheid werd volgens de jongste volkstellingen vastgesteld


voor Frankrijk
op 239 mill. francs
,, Belgi
,, Itali
,, Zwitserland

32
14l

17

52

xy

UITBREIDING VAN

II.AAR GEBIED.

215

De eenheid droeg in de verschillende landen verschillende


namen. De particulieren behoefden de buitenlandsche stukken
niet aan te nemen, de regeeringen over en weder wel 1).
Deze Unie was derhalve gebaseerd op het Fransche stelsel,
den dubbelen standaard met een verhouding tusschen beide me
talen als 15.5 : 1.

Hierbij trad Rumeni in 1867 toe (doch zonderde het 5-francs


stuk uit) en in 1868 Griekenland, dat evenwel zijn eigen slechte
munt behield, terwijl Spanje, in Oct. 1868 den peseta, gelijk

aan den franc, als munteenheid aannam ), en zilveren en gouden


standpenningen deed slaan zooals de conventie van 1865 had
bepaald, en Oostenrijk een bewijs van toenadering gaf door het
besluit van 31 Juli 1867, volgens hetwelk, te beginnen met
1 Jan. 1870, twee gouden munten zouden worden geslagen overeen
stemmende met het 10- en 20-francsstuk der Latijnsche Unie.
Zij zouden 4 en 8 florijnen gelden. *)
Men kon derhalve de staten van Europa naar hun muntwe
zen in drie groepen verdeelen:
1. enkel goud hadden:

Engeland en Portugal en feitelijk Noord-Amerika, 1)


20.

enkel zilver hadden :

Duitschland, Nederland en Scandinavi,


30.

dubbelen standaard hadden:

de Latijnsche Unie en de staten, die zich daarbij min


of meer hadden aangesloten.
Maar tusschen de 2" en 3" groep was zeer goed eenig ver
band denkbaar. Zweden deed een stap in die richting door, bij
') Doch elkanders pasmunt slechts tot een bedrag van 100 francs.
*) Om in 1871 in werking te treden.
*) De Wet van 9 Maart 1870 gaf daaromtrent bepalingen.

') Wettelijk gold er de dubbele standaard, doch met de verhouding


16 : 1.

21 6

MUNTCONFERENTIE VAN 1867.

ordonnancie van 31 Juli 1868, het aanmunten van gouden Caro


linen, overeenkomend met de 10-francsstukken, te bevelen, en
het muntwezen in Duitschland was van dien aard, dat een her

ziening hoogst wenschelijk was. Nam men daar dan een munt
als eenheid aan overeenkomende met den franc, hetgeen door
velen gewenscht werd, dan zou men op den goeden weg zijn,
die leiden moest tot internationale munteenheid of althans munt

overeenstemming. Want om de Engelsche en Amerikaansche


gouden munt in eenvoudige verhouding tot den/rane te brengen
was geen groote wijziging in innerlijke waarde noodig.
Werkelijk scheen de verwezenlijking van dit denkbeeld niet
ver meer af toen Napoleon in 1867 te Parijs een conferentie
bijeenriep met het doel, mde prparer l'uniformit montaire en
ce sens, qu'on substituerait la varit des types montaires
actuellement en usage, des espces mtalliques frappes suivant
des rgles uniformes. En bij velen vond dit streven instem
ming, omdat zeer zeker de verwezenlijking van dit denkbeeld de
afwijkingen van den wisselkoers tot enger grenzen zou beperken, en
bij prijsvergelijking groot gemak zou opleveren. Tal van brochures
werden aan deze zaak gewijd. De muntquaestie begon overal
actueel te worden en er waren er zelfs, die reeds van een wereld

munt 1) begonnen te gewagen.

Ongelukkigerwijze verklaarde

') Maar om deze op deugdzame grondslagen te vestigen zou minstens


genomen noodig zijn:
a. overeenstemming in al de onderdeelen der verschillende muntwet
gevingen.

b. gelijke zorg in alle staten bij muntvervaardiging, streng beant


c.

woordend aan de wettelijke voorschriften van gewicht en gehalte.


overal dezelfde bepalingen omtrent afgesleten munt, en de verplich
ting aan iederen staat opgelegd om eigen minwaardige munt in te
trekken.

d. beperking van de pasmuntuitgifte voor iederen staat.


e, volstrekt verbod tegen uitgifte van oninwisselbaar papier.

BEWEGING IN

DUITSCHLAND.

217

de conferentie zich voor den enkel gouden standaard. ') Aan


gezien nu bij een internationaal muntsysteem allerwege dezelfde
standaard moet worden aangenomen, doch aan verwezenlijking
daarvan niet te denken valt, zoolang men het monometallieke
beginsel voorstaat, had de bijeenkomst geenerlei resultaat hoe
genaamd. *) Toch bleven de voorstanders hoop koesteren, en

het waren gunstige verschijnselen voor hen toen in 1868 de 4"


Duitsche Handelsdag er bij het praesidium van den Noord
Duitschen Bond en bij de regeeringen van Beieren, Wurtemberg,
Baden en Hessen op aandrong den enkel gouden standaard in
te voeren met aansluiting aan het systeem der Latijnsche Unie,
en den 13" Juli van datzelfde jaar de Rijksdag het Bonds
praesidium uitnoodigde om een nieuw streng decimaal stelsel te
ontwerpen, wat in de toekomst voor alle beschaafde landen zou
kunnen gelden.
') Zij achtte het eenstemmig onmogelijk tot munteenheid te geraken
door het samenstellen van een geheel nieuw muntsysteem, onafhankelijk
van alle bestaande, maar achtte dit doel bereikbaar door aansluiting
aan het systeem van de Latijnsche Unie, doch op den grondslag van
den gouden standaard, terwijl het iederen staat vrij moest staan zilveren
munt als overgangsmaatregel te behouden.
Alleen de afgevaardigde van Nederland, de heer MR. W. C. MEEs,

was van een ander gevoelen: 1. zou hij liever een geheel nieuw systeem
hebben zien ontwikkelen, indien daarvan reeds voor de naaste toekomst

eenige vrucht te verwachten ware, 2. gaf hij met nadruk te kennen,

dat hoewel voor iederen staat op zich zelf de enkele standaard (hetzij
goud, hetzij zilver) aan te bevelen was, een munteenheid van alle Euro

peesche Staten op dien voet hoogst gevaarlijke gevolgen moest hebben,


en dat maar zijne meening in het geval van algemeene munteenheid
slechts de dubbele standaard heilzaam zou kunnen werken.

Aan een

spoedige verwezenlijking van dit plan meende onze afgevaardigde echter


te moeten twijfelen.

*) Alleen hebben de toenmalige beraadslagingen Duitschland in 1871


en volgende jaren tot profijt gediend. De Duitsche wetgever nam het
programma van 1867 in alle deelen over.

2I 8

DUITCHLANDs MUNT IN 1 S7 l.

De Fransch-Duitsche oorlog, deed al deze plannen in rook


verdwijnen. Zou er veel bij verloren zijn?
Zeker is het, dat een klein land als het onze eenige nadeelen
van zijn nationale afzondering ondervindt, maar behalve dat
natuurlijkerwijze bij internationale munteenheid ons guldenstelsel
zou moeten worden opgeofferd en een andere eenheid worden
aangenomen, waarin alle schulden moesten worden geconverteerd,
zou men, volgens velen, een deel zijn er nationaliteit opofferen,
terwijl men bovendien zonder eenige contrle, zou afhangen
van de goede trouw der andere staten, en de geheele munteen
heid illusoir werd zoodra een der leden, door moeielijke omstan
digheden gedwongen, oninwisselbaar papier, als wettig betaalmiddel
in circulatie bracht. In dat geval zouden de groote opofferingen,
die elke wijziging van muntstelsel met zich voert, tot niets
dienstig geweest zijn.
Sedert de muntconventie van 23 Dec. 1865 was voortdurend

-f

de vraag over munthervorming in Duitschland aan de orde ge


weest. Te meer werd deze beweging gevoed na het tot stand
komen van den Noord-Duitschen bond, nog sterker, na de vesti
ging van het Duitsche Rijk, in 1871. De Rijksregeering
rekende het zich nu tot een plicht het muntwezen geheel te
regelen.
In de gecombineerde staten trof men twee muntstelsels aan:
in het Noorden, het thalerstelsel, dat echter niet metriek ver

deeld was, in het Zuiden, den Zuid-Duitschen gulden of florijn, geen


van beide uitstekend genoeg om als het rijksmuntstelsel te
worden aangenomen. De Hanzesteden, Hamburg en Bremen
pleitten, wegens hun uitgebreide handelsrelatin met Engeland,
voor den gouden standaard, de publieke opinie was geneigd tot
algemeene munthervorming en achtte den gouden grondslag niet

verwerpelijk, en zoo besloot de regeering van het nieuwe Duitsche


Keizerrijk, wellicht min of meer verontrust door alarmberichten

NEIGING TOT

DEN

GOUDEN STANDAARD.

219

omtrent de sterke toename der zilverproductie 1), den zilveren


standaard voor den gouden te verlaten.
Die beweging in Duitschland ten gunste van een nieuw munt

stelsel, gebaseerd op het goud, kreeg weldra ruchtbaarheid. Zij


verschrikte velen ook hier te lande, en men was er terstond op

bedacht maatregelen te beramen tot afwering van het gevaar,


dat dreigde indien het gebied van het zilver zoodanig werd inge
krompen en zijn prijs dientengevolge sterk daalde.
Reeds in de vergadering van de Vereeniging voor de statistiek
') Productie der edele matalen over de geheele wereld, in K.G.
1851-55 per jaar

zilver
886.115

goud
197.515

lS56 60

904.990

206.058

lS61-65

1.101.150

185.l 23

1S66-70

1.339.0S5

191.900

1871-75

1.969.425

170.675

goud
77.6

dus in

zilver

185 l -55

22.4 %

1856-60

22.1

1S61-65

27.7

1866-70

31.0

69.0

1871-75

42.7

57.3

77.9

72.3

Van 1493-1850 was de gezamenlijke productie van edele metalen onge


veer f 35.000.000.000 en van 1851-75 niet minder dan f 11.300.000.000,
terwijl van het eerste bedrag naar de waarde circa 44.8 "/o goud en

55.2 % zilver, van het tweede 70.8 % goud en 29.2 % zilver was. (De
laagste gemiddelde verhouding sedert 1687 bedroeg 1 : 14.14 in 1760,
de hoogste 1 : 16.25 in 1813 en beide jaren kunnen als abnormaal worden
beschouwd.) (Zie SoETBEER t. a. p. bl. 117.)
Daaruit volgt dus, dat de toename der zilverproductie, die sedert

1860 plaats had en samenviel met een vermindering in de goudproductie


op den duur al van zeer geringe beteekenis moest zijn op de verhouding
van beide metalen, indien beider werkkring zich nagenoeg in gelijke

verhouding bleef uitzetten,

220

GEVAAR GEDUCHT VOOR ONS LAND.

in Nederland, gehouden den 30"Sept. 1871, werd door den


hoogleeraar VissERING de vraag gesteld: ,,Zal Nederland zijn
tegenwoordig muntstelsel kunnen behouden, wanneer eerlang in
het Duitsche rijk een nieuw muntstelsel wordt ingevoerd? Zoo
niet, welk muntstelsel zal Nederland dan in het belang van zijn
handel, van het binnenlandsch verkeer en van de volkswelvaart

moeten aannemen? Zooals de vraag luidde drukte zij niet


volkomen de bedoeling van den steller uit. Uit de toelich
ting blijkt, dat bepaaldelijk het geval werd verondersteld, dat
het Duitsche rijk den zilveren standaard verliet en een nieuwe
eenheid aannam, in eenvoudige verhouding tot het stelsel der
Latijnsche muntunie. In dit geval nu zouden wij een zeer ge
soleerde stelling in Europa innemen, want ook de Scandinavische
landen verlieten reeds den zuiver zilveren standaard.

Voor den

groothandel was het zeer wenschelijk een munt te bezitten in


overeenstemming, zoowel wat metaal als indeeling betreft, met
die van de groote staten der beschaafde wereld. Voor het bin
nenlandsch verkeer evenwel verdiende de zilveren standaard verre

de voorkeur boven den gouden, omdat naast den gouden altijd


een groote hoeveelheid minwaardige zilveren pasmunt 1) noodig
is, en vele dagelijksche transactin slechts in die pasmunt zou
den plaats vinden.
Voor de algemeene volkswelvaart achtte de heer WIssERING
het wenschelijk zoolang mogelijk den zilveren standaard te be
houden, omdat hij bij aanneming van den gouden, een stijging
van alle prijzen in het dagelijksch verkeer verwachtte, maar hij
achtte het niet onmogelijk, dat wij toch eenmaal zouden ge
dwongen worden afstand te doen van onzen zilveren standaard,

,
1) Die bij grooten overvloed en daling van den zilverprijs het goud voor
een goed deel zou kunnen verdrijven, bij schaarschte zelfs agio zou
kunnen gaan doen. Terwijl zij bovendien aan namaak en versmelting
bloot zou staan.

oPINIE VAN VISSERING, MEES EN VROLIK.

221

en wel zoodra Duitschland en eenmaal het geheel overig Europa 1)


en Amerika het goud tot standaard zouden hebben aangenomen.
De hoogleeraar raadde ten slotte aan, om, in overleg met het
Pruisisch gouvernement, te trachten een Germaansche muntunie
met den zilveren standaard te vestigen; *) of zoo dit onmogelijk
bleek, naast onzen zilveren standaard, gouden standpenningen te
doen slaan, voor den buitenlandschen handel geschikt, met een
binnenlandschen koers, van tijd tot tijd bij officiel tarief te regelen
naar de marktwaarde van het goud en zilver.
Daarop voerde MR. W. C. MEEs het woord, die, indien
Duitschland tot den dubbelen standaard met gelijke verhouding
als de Latijnsche Unie wilde overgaan, en spreker meende
dat dit niet volkomen onmogelijk was, geen gevaar duchtte.
Nam Duitschland nog daarenboven als eenheid den franc *)
aan dan moest Nederland zich daarbij aansluiten. Doch in het
tegenovergestelde geval raadde hij aan, de omstandigheden af
te wachten. DR. VRoLIK, die over dit belangrijk onderwerp

eveneens zijn meening ten beste gaf, was ongeveer van gelijk
gevoelen.
Niet lang zou men echter in onzekerheid verkeeren. Weldra
bleek het maar al te zeer, dat niet de dubbele, maar de gouden
standaard het einddoel was waarnaar Duitschland streefde.

Een dergelijk uiterst moeielijke en gewichtige zaak kon echter


niet dan behoedzaam worden uitgevoerd, zoo men althans groote

verliezen vermijden wilde. Men begon met eenheid te brengen

*) Een invloedrijke partij in de landen van de Latijnsche muntunie


drong sterk op de invoering van den gouden standaard aan.

*) Waartoe dan ook de Scandinavische rijken zouden moeten toetreden.


*) Die dan weder tot zijn vroeger gehalte van 0.9 zou moeten wor
den teruggebracht.
Uit vrees voor te veel zilververlies had Frankrijk zijn Franc tot een
gehalte van 0.835 en dus tot pasgeld vernederd.

222

DUITSCHLAND VOERT DEN

MARK

IN.

in het muntstelsel en nam bij de wet van 4 Dec. 1871 1) den


Mark *) ( 1/, Thaler) verdeeld in 100 Pfennige als rekenings
eenheid aan, terwijl gouden stukken van 10- en 20 Mark *)
zouden worden geslagen. In S 10 verbood de wet de aanmun
ting van zilver voor rekening van particulieren, bij S 6 werd
een nadere wet toegezegd omtrent de demonetisatie van de
mgroben Silbermnzen, terwijl S 12 den Rijkskanselier machtigde
het omloopende zilver in te trekken. Deze voorschriften werden
zoo krachtdadig uitgevoerd, dat reeds op het einde van 1872
voor meer dan 400 millioen Mark aan goud gemunt was.
Dergelijke maatregelen konden op den duur niet zonder invloed
blijven op de waardeverhouding tusschen goud en zilver *),

vooral indien Duitschland zijn zilvervoorraad ging verkoopen,


hetgeen de regeering wel vooralsnog onraadzaam had geacht,
maar waartoe men toch zou moeten overgaan.
Den 30" Oct. 1872 werd hier te lande een staatscommissie

benoemd, bestaande uit de heeren Mr. P. P. v. BossE, Dr. A.


WRoLIK, Mr. W. C. MEEs, Mr. G. WIssERING en Jhr. Mr. Dr.
A. D. VAN RIEMSDIJK, mom te onderzoeken welke nadeelen

voor Nederland, te duchten waren ten gevolge van de maat


regelen in den laatsten tijd in de naburige rijken op het gebied
van het muntwezen genomen en om aan Z. M. bij de mede
deeling van de uitkomst van haar onderzoek zoo noodig de
middelen voor te stellen, die zouden kunnen worden aangewend
om de voor Nederland gevreesde nadeelen te voorkomen.
') Gesetz betreffend die Ausprgung von Reichsgoldmnzen.
*) Met een inhoud van 5.5555 gr. f. zilver of 0.3584 gr. f. goud;
een verhouding van 15.5 : 1 werd derhalve aangenomen.
*) Met een inhoud van 3.58425 en 7. 1685 gr. f. zilver.
*) In 1871 en 1872 gold het zilver nog gemiddeld 60'/2 p. per onnce
standard, maar in Nov. en Dec. 1872 daalde de prijs tot 59'/s gemiddeld
en de Ned. Bank besloot toen hare zilveraankoopen te staken.

EERSTE RAPPORT VAN ONZE STAATscoMMIssIE. DEC. 1872. 223

Een uitvoerig rapport zag reeds den 28" Dec. van datzelfde
jaar het licht. Toen was er nog een flauwe hoop aanwezig,
dat Duitschland den dubbelen standaard, die het als overgangs
maatregel had moeten aannemen, zou behouden, gedwongen
door de groote financiele bezwaren, die zich bij de uitvoering
van zijn plannen zouden voordoen en door den tegenstand der
Zuid-Duitsche Staten tegen de nieuwe munteenheid. De commissie stelde dan ook voor als tijdelijke maatregel, een
gouden f 10-stuk te doen aanmunten met een inhoud van
6.0966 gr. f. goud, waardoor de gewone verhouding van 15.5 : 1
tusschen goud en zilver zou worden gehuldigd. Bleef Duitsch
land dan bij zijn plan volharden, dan was ook Nederland op
weg om tot den enkel gouden standaard over te gaan. Een
achter het rapport opgenomen ontwerp van wet behield den gulden
als rekeneenheid, omdat aansluiting bij een machtigen nabuur ge
vaar zou opleveren en geen eenvoudige verhouding haar in de
hand werkte. 1)
Dat Duitschlands handelingen ons tot richtsnoer strekten was
een gevolg van verschillende omstandigheden.
De Latijnsche Unie toch had veel van haar kracht en haar

reguleerend vermogen verloren, want Itali had sinds eenigen


tijd gedeprecieerd papieren geld *), en Frankrijk had zijn goud
en zilver grootendeels uit de circulatie zien verdwijnen, terwijl
reeds 3200 millioen frcs. aan bankbiljetten met gedwongen koers
in omloop waren gebracht.
Oostenrijk noch Rusland hadden metaalcirculatie en de drie
Scandinavische rijken helden tot het aannemen van den gouden
standaard sterk over. *)

1) Zie de bij het ontwerp gevoegde toelichting.


*)

Reeds in 1866, dus slechts weinige maanden na de ratificatie van

het tractaat van 23 Dec. 1865, nam het hiertoe zijn toevlucht.
*)

Den 18den Oct. 1872 kwam een overeenkomst tusschen Denemarken

224

DE ZILVERMARKT.

Zoo zou dus al het zilver, dat op de markt moest komen,


slechts Nederland als afnemer vinden.

Wel had ook Azi zilver noodig, maar de behoefte was zeer
afwisselend en in deze jaren juist gering, aangezien de hooge
katoenprijzen, tengevolge van den Amerikaanschen burgeroorlog,
zeer veel zilver naar Indi hadden gedreven. Bovendien zou de
invloed van lage zilverprijzen in het gunstigste geval toch slechts
langzaam een hoeveelheid daarheen doen vloeien, groot genoeg
om het verbroken evenwicht te herstellen; maar intusschen kon

men rekenen op een uiterst onvasten zilverprijs, waardoor de


wisselkoersen aan voortdurende daling en rijzing zouden worden
blootgesteld.
De invloed
te worden op
voorraad, die
penningen en

van dit alles begon reeds eenigermate merkbaar


de zilvermarkt; 1) vermeerdering van onzen zilver
in 1872 reeds bestond uit f 143.798.000 stand
f 6.369.000 pasmunt *) was te verwachten.

en Zweden tot stand. Daarbij werd de enkel gouden standaard aange


nomen met den kroon als eenheid.

Noorwegen, dat ten gevolge van een wet van 4 Juni 1873 op den
1sten Jan. 1874 den gouden standaard invoerde, trad eerst in Maart 1875
tot deze Scandinavische Unie toe.

1) De zilverprijs bedroeg in
Oct 1872
Nov. ,,
Dec.
,,
Jan. l 873
Feb. ,,
Maart ,
April ,
Mei
,,

59*/s 597/s

Juni

59/16-591/2

,,

60 -601/,
591/4 59*/4
595/s 59*/4
59*/4 5915/1e
59*/4 -5915/1e
593/4 597/s
59 8/,

zie SoETBEER t. a. p. bl. 131.


*) Vergelijk de uitvoerige tabellen van MR. W. C. MEEs in de
Gids van Oct. 1882.

DUITSCHLAND NEEMT DEN GOUDEN STANDAARD AAN.

225

Om dit te voorkomen kwam den 21" Mei 1873 hier te


lande een Wet tot stand, 1) (Stb/. n". 61), waarbij aan de
regeering de bevoegdheid werd verleend schorsing of beperking
der zilver-aanmunting uiterlijk tot 1 Nov. van dat jaar te
bevelen.

Bij Kon. Besluit van 27 Mei (Stb/. n". 77), werd die schor
sing tot 1 Aug. afgekondigd, en vervolgens *) verlengd tot 1
November.

Daardoor verbrak men den band, die tusschen de munt en


het ongemunt edel metaal, waaruit zij vervaardigd is, behoort te
bestaan. Kon vroeger ten gevolge der vrije aanmunting de waarde
van het eene niet gewijzigd worden zonder ook op het andere te
influenceeren, zoodat daling van den zilverprijs aanmunting, rijzing
daarentegen ontmunting uitlokte, thans was de waarde van beide
zaken geheel onafhankelijk van elkander geworden, omdat de
voorraad van de munt niet uit het metaal kon worden aangevuld.

Zoodra de 3" lezing van het nieuwe Duitsche muntontwerp,


waarbij de gouden standaard werd gehuldigd, had plaats gehad
en het duidelijk was, dat het tot wet verheven zou worden,
zette onze staatscommissie zich op nieuw aan den arbeid en

bood als vrucht daarvan den 26" Juni 1873 aan de regeering
een Nader Verslag aan, waarin zij de wenschelijkheid voor ons

land bepleitte om thans insgelijks tot den gouden standaard over


te gaan.

Wel verwachtte zij, dat een dergelijke overgang met

bezwaren zou gepaard gaan, maar op den anderen weg meende


zij nog grooter moeielijkheden te ontwaren.

De toestand van Frankrijk en Itali was dezelfde gebleven;


in Belgi had sterke zilveraanmunting plaats, *) wat echter
') Den 16den Maart werd het ontwerp ingediend.
*) Bij K. B. van 19 Juli 1873 (S/b/. n". 110)
*) Een tijd lang werd tot 500.000 francs per dag geslagen, totdat

de minister van financin, MALou, om aan veler bezwaren tegemoet te

komen, als maximum 150.000 francs per dag vaststelde. De Wet van
15

226

TWEEDE RAPPORT VAN

DE NED.

STAATSCOMMISSIE.

waarschijnlijk te meer kracht zou verleenen aan hen, die voor


den gouden standaard ijverden. Het Duitsche rijk had haar
goudaanmunting steeds voortgezet ') en was daarmee in April
1873 zoover gevorderd, dat er voorloopig genoeg voor het ver
keer was verkregen, nu volgde dan ook den 9" Juli 1873 de
2" wet, die de munthervorming moest voltooien. Het intrek
ken der zilveren standpenningen *) moest met beleid geschieden,
en de overgangstoestand waarin Duitschland verkeerde zou nog
lang duren, al stond het ook vast dat Duitschland onherroepelijk
zijn zilveren standaard door den gouden geheel zou vervangen.
In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika nam het congres
in 1873 the Coinage act aan, waarbij het goud tot eenig
standaard-metaal werd verheven en dus de toestand, die feitelijk
door de overschatting van het goud reeds bestond, wettelijk werd
geconsacreerd. *)
Een dalende, sterk afwisselende zilvermarkt was te verwachten,
en hoewel vroeger de algemeen verspreide meening juist was,
dat door hier te lande hetzelfde metaal tot muntstandaard te

kiezen als in Engeland, onze credietmarkt aan sterke schokken


zou zijn blootgesteld, zou dit thans, nu het terrein van het

goud zich zoo had uitgebreid, geen bezwaar meer opleveren.


Zoo adviseerde de Commissie in haar 2" Rapport tot den
gouden standaard en geheel in aansluiting met het daarbij ge

18 Dec. 1873 gaf de bevoegdheid aan de regeering om zoo noodig het


munten van zilver geheel te staken.
-

1) In het begin van Juni 1873 was reeds nagenoeg 677 millioen Mark
gemunt, op 4 Oct. 946 millioen Mark.

2) Beginnende met de Zuid-Duitsche Guldens.


*) De Dollar bleef munteenheid met 1.50464 gr. f. goud, terwijl de
halve Dollar, die evenwel slechts pasmunt was, 11.250 gr. f. zilver inhield,
een verhouding dus van 14.95 : 1.

ONTWERP VAN OCT. 1873.

227

voegde Wetsontwerp 1) diende de minister van financin v. DEL


DEN den 28" Oct. 1873 een voorstel bij de 2" Kamer in.

De voornaamste bepalingen daarin voorkomend waren: (art. 1)


dat de gouden standaard zou worden aangenomen *) en de Gul
den, die de rekeningseenheid zou blijven, op 0.60561 gr. f.
goud gesteld werd, zoodat de verhouding van 15.604 : 1 *), in
de Wet van 1816 vastgesteld, op nieuw werd aangenomen. *)
Het bezwaar tegen dit voorstel aangevoerd, dat daardoor de
gelukkige eenheid van munt met Indi, sedert 1854 tot stand
1) Waarbij een uitvoerige toelichting behoorde, terwijl nog drie andere
ontwerpen volgden, respect. tot regeling van het muntwezen in O. en W.
Indi en tot het geven van een bepaling omtrent de inwisselbaarheid

der muntbiljetten.
*) Door de aanmunting van gouden f 10- en f 5-stukken (art. 3.)
*) Men beschouwde den toenmaligen toestand als abnormaal en bracht
hem dus bij de vaststelling der verhouding niet al te sterk in rekening.
In 1870 was gemiddeld 15.586 : 1,
1871
yy
15.586 : 1,
, 1872

,,

15.629 : 1

9p

de verhouding geweest, dus gemiddeld in 3 jaar 15.6003 : 1.


Wel was in Oct. 1873 de verhouding reeds 16.034 : 1, maar deze als
maatstaf aan te nemen achtte de regeering onrechtvaardig tegenover de
schuldeischers.

Vele leden in de 2de Kamer achtten het juister den inhoud van den
Gulden op 0.6048 gr. f. z. te stellen, om zoodoende door een f 12-stuk
later tot gemakkelijke aansluiting aan het veel besproken 25:/rancsstuk
te kunnen komen. Want men had de hoop op internationale muntovereen
stemming nog niet verloren.
Een Sovereign
toch bevatte 7.322 gr. f. goud.
, 25-Francsstuk zou bevatten 7.2581 , ,,
,,
,, 20-Markstuk
,,

12-Guldenstuk ,,

,, 5-Dollarstuk

,,

7.1685

7.2576

7.523

*) Voor de bizonderheden omtrent gewicht, gehalte, beeldenaar, in


deeling der pasmunt etc. zie men het ontwerp.

228

VERWORPEN.

gebracht, werd verbroken, mocht niet zwaar wegen, aangezien


de voordeelen daarvan verwacht, vooral wat betrof standvastigen
wisselkoers, niet zoo groot waren gebleken 1) dat zij konden
opwegen tegen de gevaren, die dreigden, indien men volhardde
bij den zilveren standaard. Toch was het inderdaad een leemte,
dat niets omtrent het muntwezen in Ned.-Indi daarbij bepaald
was. Doch de regeering durfde die quaestie, waarover tusschen
de staats-commissie en

MR.

N.

P.

vAN

DEN BERG zulk een

groot verschil van gevoelen bestond, nog niet aan.


Het ontwerp dat zoo uitstekend door de staatscommissie was
voorbereid werd niet gunstig in de Kamer ontvangen. Het werd
bestreden, deels om politieke redenen, deels omdat men de zaak
niet begreep en het gevaar van eenig afwachten zoo sterk niet
duchtte, want velen geloofden niet aan een duurzame daling

van het zilver, deels ook uit overtuiging *), en zelfs nu nog
worden er leden onzer Vertegenwoordiging gevonden, die het
toen genomen besluit volkomen goedkeuren, niettegenstaande

de omstandigheden ons gaandeweg tot het nemen van al de in dit


ontwerp voorgestelde maatregelen dwingen en de volvoering daar
van thans met veel grooter opoffering zal gepaard gaan. Den
2" Maart 1874 werd het voorstel verworpen met 40 tegen 29
stemmen. *)
Kort vor het indienen van dit wetsontwerp in de 2" Kamer,
was een 2" Schorsingswet *) voor de zilver-aanmunting afge
') Van 1847-1S54 bleef die koers steeds 95.
Na 1854 werd hij zeer afwisselend, in en jaar zag men zelfs verschil
len van 12 "lo.
*) Voor de beraadslagingen zie men de ,,Handelingen. De bizon
derheden van deze discussie liggen nog te versch in het geheugen om
hier uitvoerig vermeld te worden.
s) Men wachtte toen heil van ,,doorzieken zooals de schilderachtige
kunsterm voor onzen toestand luidde.

*)

Wet van 26 Oct. 1S73 (S/hl. n0. 148.)

ZILVER AANMUNTING.

NIEUWE SCHORSING.

229

kondigd, waardoor deze heilzame maatregel tot 1 Mei 1874


verlengd kon worden. 1) Toen nu evenwel dit tijdstip bereikt

ras en inmiddels geen nieuwe muntregeling tot stand was ge


komen, waardoor in de behoefte aan standpenningen op andere
wijze kon worden voorzien, meende de minister dat er geen
termen aanwezig waren om op nieuw machtiging tot schorsing
aan te vragen.

De zilver-aanmunting werd hervat en wel op zoo ruime schaal,


dat van Mei tot Dec. voor circa f 32 mill. gemunt werd. Men
kon zich het gevaar van dezen toestand niet langer ontvein
zen *), en den 3" Dee. 1874 kwam een 3" Schorsingswet *)
tot stand. *)
De Kon. Besluiten van 11 Dec. 1874 (Stbl. n. 208) en van
16 Maart 1875 (Stb/. n". 28) machtigden de regeering om
uiterlijk tot 1 Juli 1875 de aanmunting van zilveren stand
penningen, anders dan voor rekening van den staat, te verbieden.

Op die wijze verkreeg men althans een waarborg tegen depreci


atie van de munt en dus tegen de rijzing van den wissel op

het buitenland, want daar het bedrag van onze munt niet ver
groot kon worden en gemiddeld een zelfde aantal transacties er

door tot stand moest komen, zou, indien ook al een oogenblik
ongunstige wisselkoers tot uitvoer van onze innerlijk gedepreci
eerde specie dreef, terstond een schaarschte intreden, *) die aan
1) Bij Kon. Besl. van 26 Oct. (Stbl. n. 151) werd de aanmunting
geschorst tot 1 Feb. 1875, bij Kon. Besl. van 15 Jan. 1874 (Stbl. n". 5)
tot 1 Mci daaraanvolgend.

*) De zilverprijs was reeds tot 57'/4 */ gedaald en de gemiddelde


waardeverhouding voor het jaar 1874 was 16.17 : 1.
*) Stbl. no. 191.

*) Sedert Aug. 1874 was JHR. MR. H. J. VAN DER HEIM opgetreden
als min. v. financin.

*) Zie RICARDo , Proposals for an economical and secure currency


Me. Culloch edition p. 39S.

230

DALENDE ZILVERPRIJS.

de munt een waarde verleende, hooger dan haar zilver-gehalte


kon rechtvaardigen. 1) -

De zilverprijs bleef steeds dalen, in Mei 1875 bereikte hij


den laagsten stand van dat jaar, 55'/, p., en op spoedig herstel
viel wel niet te rekenen.

Immers een samenloop van omstandigheden had dezen onge


lukkigen stand van zaken veroorzaakt:
In de eerste en voornaamste plaats, Duitschlands standaard
wijziging, een ongevenaard eit in de muntgeschiedenis. Want
niet alleen hield de gewone jaarlijksche zilvervraag van Duitsch
land geheel op, maar bovenal werd de zilverprijs sterk gedrukt
door de meer dan 1000 millioen mark in dit metaal, die op
een gunstige gelegenheid wachtten om ter markt te komen. *)
Daarbij kwam in de 2" plaats, dat de nivelleerende kracht
van de Latijnsche munt-unie, die in 1852 en volgende jaren
-

1) Terwijl de pariteit op Londen, bij een zilverprijs van 571/2 pence


(1874) ongeveer f 12.50 was, daalde onze wisselkoers, die in 1872 van
11.76 tot 12 en in 1873 van 11.82 tot 11.98 had gevarieerd, tot 11.65.

De koers op Parijs daalde tot 46.45 in Oct. 1874 en zelfs tot 45.80
in Feb. 1875; die op Berlijn tot 57.07'/3 56.25.
2)

In 1873 werd verkocht een bedrag van


9.296.682.77 mark , 59/16 p. o. st.
in 1874 61.135.670.29 ,, ,, 58/4 , ,, ,,
,, 1875 18.208.449.08 ,, ,, 57'/4 , ,, ,,

, 1876 93.936.482,37 , , 52'', ,, ,, ,,


,, 1877 230.424,238.51
,, 1878 126.203.852.08

,
,,

,, 54/1g ,, ,, ,,
,, 52/1e ,, ,, ,,

,, 1879

,,

,, 50

27.934.417.89

,, ,, ,,

567.139.992.99 gemid,,, 531"/1o ,, ,, ,,

Sedert zijn de zilververkoopen gestaakt. Langen tijd was Duitschlands


regeering zeer optimistisch gestemd omtrent den loop van den zilverprijs;
zoo weigerde zij, toen zich op het einde van 1873 eenige kooplust tegen
een prijs van 59'/2 p. openbaarde, het zilver beneden 60 p. af te staan.

vooRNAAMSTE ooRZAKEN.

231

zoo heilzaam had gewerkt, geheel gebroken was. In 1873 werd


door Frankrijk, 1) Itali, Belgi en Zwitserland nog voor een

bedrag van ruim 300 mill. francs aan zilveren standpenningen


gemunt. *)

Doch deze landen durfden den zilvervloed niet

alleen het hoofd te bieden, en reeds den 31" Jan. 1874 kwam
een

convention additionnelle la convention mondtaire du 23

Dec. 1865 tot stand, waarbij partijen zich verbonden om ge


jaar 1874 niet meer 5-/res. stukken te doen slaan

durende het

dan: Belgi 12 mill. /res., Frankrijk 60 mill. /res., Itali 40


mill. fres. en Zwitserland 8 mill. fres. Voor 1875 werd dit
bedrag voor ieder der 4 landen op 11/4 van deze hoeveelheden
gesteld. Terwijl Frankrijk in 1874 bovendien voor 50 mill. /res.;
Belgi voor 61 mill. frcs. aan goud muntte.
Ten 3" hadden de Scandinavische rijken hun overgang tot
den gouden standaard krachtig ten uitvoer gelegd, en ook Amerika

muntte een niet onaanzienlijk bedrag in goud aan: van 1 Juli


1872 tot 30 Juni 1873 voor 35.249.000 ds., van 30 Juni

1873 tot 1 Juli 1874 voor circa 50 mill. ds., waartegen de


aanmunting van eenige zilveren 10-, 25- en 50-centstukken niet
kon opwegen.
40. De zilverbehoefte van Azi bleef betrekkelijk gering. Had
alleen Nederland naar zijn O. I. Kolonin van 1840 tot 72
1) In 1873 muntte Frankrijk voor 173 mill, frcs. aan 5-frcs. stuk
ken. Een ministerieel besluit verbood den 6" Sept. dat voortaan meer
dan 200.000 frcs. per dag te Parijs en 80.000 frcs. te Bordeaux zou
den worden geslagen.

Bij min. besluit van 19 Nov. werden deze bedragen op 100.000 en


50.000 frcs. gesteld en op den 28sten Mei van het volgend jaar werd bepaald
dat van 1 Jan 1875 af niet meer dan 75.000 frcs. te Parijs en 25.000
frcs te Bordeaux per dag zouden mogen worden aangemaakt.

*) In 1872 hadden Frankrijk en Belgie de zilveraanmunting echter


reeds onverplicht sterk beperkt. Frankrijk muntte in dat jaar nog niet
1 millioen aan zilver.

2:32

VooRNAAMSTE ooRZAKEN.

f 410.000.000 aan zilver verzonden 1) en Engeland en de ha


vens der Middellandsche zee van 1851 tot 1871

aan goud f 610.920.000


aan zilver

m 2.112.000.000 naar

het Oosten uitgevoerd, thans was daar eerst een sterke vermin
dering en vervolgens een betrekkelijk slechts langzame klimming
op gevolgd. *)
Wel moest op den duur de uitvoer van zilver naar Indi be
vorderd worden door de depreciatie van dit metaal in Europa;
maar dit bleek niet zoo spoedig te werken, dat het den nadee
ligen invloed van den groot en zilvervoorraad kon opheffen.
5. Juist in deze jaren nam de productie van het zilver sterk
toe, die van het goud daarentegen af; zoo geeft SoETBEER in
zijn meermalen aangehaalde tabellen de gemiddelde jaarlijksche
productie op als volgt:
zilver
goud
-

1S66-1S7 ()

1.339.0S5 K.G.

19 1.900 K. G.

l S7 1-1S75

1.969. 125

170.675

m m

m m

') Een deel hiervan werd weder uitgevoerd naar Britsch-Indi, omdat
de Nederl. regeering de munt kosteloos naar Indi zond en zij dus feitelijk
meer waard was dan de prijs, waarvoor zij in de circulatie werd gebracht.
Van 1861 tot 66 bedroeg die uitvoer f 46 mill.
,,

1867 tot 72

12''.

,,

*) De uitvoer van Europa naar Egypte en Indi bedroeg in

Vergel. blz. 1S1 noot.

1866

7.0S0.000

1867

, 2.052.000

1868

,, 3.558.000

1869

,, 6.564.000

1S70

, 2.231.000

1871

, 3.S92.000

1S72

, 6.531.000

l S73

,, 3.47S.000

lS74

, 7.770.000

233

ONVASTHEID VAN WISSELKOERSEN.

Bovendien werkte de vrees, die men allerwege gekoesterd had


voor daling van den zilverprijs, tot het intreden van dit ver
schijnsel krachtig mede.
Terwijl het eindelijk niet onmogelijk is dat de waarde van
het goud door de meerdere vraag 1) was gestegen *) en dit dus
eveneens van invloed was op de wijziging in de waardeverhou
ding van beide metalen.

Veel kans op spoedige verheffing van den zilverprijs be


stond er dus niet, terwijl hij in ieder geval aan sterke wisseling
onderhevig bleef, en het was licht verklaarbaar, dat de minister
van financin nogmaals een poging waagde om den toestand van
ons muntwezen eenigermate te verbeteren en de onheilen, die uit
het lange toezien en afwachten konden voortspruiten, te verkleinen.
Hij werd daarin gesteund door adressen van groothandelaren
te Rotterdam en van de Kamers van Koophandel te Amsterdam
en Rotterdam, die den toestand als onhoudbaar afschilderden.
Feitelijk bestond er geen standaard meer, en de schorsingswetten,
die dienen moesten om aan de wisselkoersen een lagere grens
te stellen dan door den zilverprijs werd aangewezen, en aan dat
doel ook volkomen beantwoord hadden, brachten het nadeel
met zich, dat een grens voor de daling ontbrak. Want de
Bank kocht geen goud en aanmunting van zilver was verboden.
')

Duitschland muntte tot 1 Jan. 1874


VOOr
1.015.837.020 mark goud
gedurende 1874
l" Jan.-27 Maart 1875

95.000.000
20.000.000

,
,,

92
53

De nieuwe Duitsche bankwet van 14 Maart 1875 belemmerde boven


dien de uitgifte van bankpapier en maakte dus de behoefte aan goudcir
culatie grooter.
*) Zoo beweert o. a. GIFFEN ; Prof. NAssE meent echter dat een
zoodanige stijging niet is ingetreden. Zie Conrad's Jahrbucher dl XXXVI,
evenals STEPHEN BoURNE in the Journal of the Stat. Society Juni 1879
-

bl. 406-443.

234.

INGEWONNEN ADVIEZEN.

De crisis van 1873 had vele onzer kapitalisten bevreesd gemaakt,


hun kapitaal in buitenlandsche ondernemingen te steken, men
trok het zooveel mogelijk daaruit terug, vandaar een groot aan
bod van buitenlandsche wissels, waartegenover slechts een kleine
vraag stond, zoodat een daling het onvermijdelijk gevolg was.
Een daling, die echter straks als men weer wat van den schrik
bekomen was, kon plaats maken voor een rijzing. Vandaar een
sterke onzekerheid omtrent den loop der wisselkoersen, tot groot
ongerief van den buitenlandschen handel, vooral met ver verwij
derde streken.

Voorzichtigheidshalve won de minister de adviezen in van de


Amsterdamsche Kamer van Koophandel, de Ned. Bank, de
Amsterdamsche en Rotterdamsche Banken, de Twentsche Bank

vereeniging, en de Handelmaatschappij door hen een viertal


vragen ter beantwoording voor te leggen. Hij verzocht in zijn
schrijven van 9 Maart 1875 hunne beschouwingen mede te deelen
1. omtrent de verschillende oorzaken van den tegenwoordigen
lagen stand van onzen wissel op het buitenland;
2. omtrent de gevolgen van dien lagen wisselstand voor
handel en nijverheid;
3. omtrent de vraag of door maatregelen op het gebied van
het muntwezen te nemen, in de nadeelen, welke van dien lagen
wisselstand het gevolg mogten zijn, verbetering zou kunnen
worden aangebracht; en zoo ja
4. omtrent de vraag, welke maatregelen daartoe het meest
wenschelijk zouden zijn.
De antwoorden der geraadpleegde lichamen hadden bijna alle
ne strekking.
De lage wisselstand was veroorzaakt door minder vertrouwen
in de buitenlandsche fondsen, waardoor de betalingsbalans zeer
in ons voordeel stond, terwijl de toestand van ons muntwezen
de betaling van het saldo in edelmetaal niet toeliet. Niet de lage,
maar wel de wisselvallige koersen benadeelden handel en nijverheid,

ONTWERP VAN APRIL 1875.

235

Overgang tot den gouden standaard, of althans vrije aan


munting van gouden standpenningen, was het eenige middel om
in dien toestand verbetering te brengen. 1)
Op verzoek van den minister gaf de directie der Nederl.

Bank nog een nader advies, waarin zij als haar gevoelen te
kennen gaf: dat rijzing van den zilverprijs vooreerst niet waar
schijnlijk was, dat een wijziging in ons munt wezen zeer wenschelijk
was te achten; dat aan invoering van gouden munt, met behoud
van de tegenwoordige zilveren, zeker wel bezwaren waren ver
bonden, omdat bij eventueele stijging van den wisselkoers het
goud toch zou wegvloeien en omdat de mogelijkheid bestond, dat
de Nederl. munt in Indi, die innerlijk minder, maar in circulatie
meer waard was dan b. v. de Mexicaansche piaster, eerlang naar
het moederland zou terugkeeren, dat derhalve aanneming van
den enkel gouden standaard haar gewenschter voorkwam, maar
dat een voorloopige invoering van goud naast het bestaande
zilver veel beter was dan niets te doen. Dat in dit geval de
beste verhouding was die, welke reeds in 1816 bij ons had ge
golden n.. l. 15.604 : 1, waardoor 0.60561 gr. f. goud per

gulden werd gerekend, en dat het rijk zich van alle aanmunting
kon onthouden zoodra de muntkracht ter beschikking der parti
culieren stond. Bijna geheel in overeenstemming met dit advies
werd den 17" April 1875 een ontwerp van wet bij de Kamer
ingediend, tot nadere tijdelijke voorziening omtrent het munt
WeZen.

Daarbij werd voorgesteld de gelegenheid te openen tot vrije


aanmunting van goud door, nevens de zilveren standpennin
gen, bij de Wet van 26 November 1847 aangenomen, ook als
zoodanig te erkennen het gouden tien- en vijfguldenstuk, met

') Men zie vooral het advies der Amsterdamsche Bank, dat zeer helder

en uitvoerig de feiten en hunne gevolgen uit elkander zet.

236

ONTWERP VAN APRIL 1S75.

een inhoud van 0.6048 gr. 1) f. goud per gulden, en een gehalte

van 0.9 met een ruimte van 1.5 duizendste, zoowel boven als
onder dat gehalte. *)

Het gewicht met de ruimte, de beeldenaar en het muntloon


voor de aanmunting van deze standpenningen werd in de verdere
artikelen bepaald.
Hierdoor zou althans isolement, op ltet gebied van het munt
wezen zoo hoogst gevaarlijk voor ons land, dat grootendeels van
den buitenlandschen handel leeft, voorkomen worden. In plaats
een onhoudbaren, zou men een houdbaren provisoiren toestand
scheppen. Zoolang er goud was zou de wisselkoers niet boven
de f 12.17 stijgen, terwijl daling beneden de f 12.01 onmoge
lijk was, want de Londensche pariteit was f 12.11.
De vrije zilveraanmunting werd tevens tot 1 Jan. 1877, vr
welken datum deze wet moest herzien zijn, geschorst. *)
Den 12" Mei verscheen het voorloopig verslag der Commissie
van Rapporteurs uit de 2" Kamer. Daarin werd medegedeeld:
hoe door sommige leden de regeering van inconsequentie 1) en
van een parti-pris tegen het zilver beschuldigd werd. Want de
1) Aan den wensch, geuit bij de behandeling van het ontwerp van
1874, werd dus toegegeven, om op deze wijze niet de mogelijkheid uit
te sluiten zich bij de munt van andere staten aan te sluiten.
*) Zoo werd dus een verhouding van 15 625 : 1 aangenomen, waar
door men niet onbillijk tegenover de schuldeischers te werk ging, want
het was slechts een zeer geringe ("ioo) afwijking van het gouden f 10
stuk van 1816.

*) Zie art. 7 (Bijlage F.) Aan heropening daarvan kon dan ook -

wel niet gedacht worden, daar het voordeel ongeveer 9 % zou hebben
bcloopen.
*)

Want in 1874 ter gelegenheid van de schorsingswet had de

minister beweerd niet op de wisselkoersen te willen influencceren en nu

trachtte hij dit wel te doen. Doch toen was het motief der schorsing,
vrees voor de groote verliezen, die, bij eventueelen overgang tot het goud,
zouden voortvloeien uit een bovenmatige aanmunting van zilver.

VERSLAG

VAN

RAPPORTEURS.

OPENBARE DISCUSSIE.

2:37

malaise in den handel achtten zij niet uitsluitend het gevolg van
onzen munttoestand, immers overal in het wereldverkeer trof

men dit verschijnsel aan.


Diezelfde leden verweten de Nederlandsche Bank, dat zij de
verheffing van den zilverprijs tegenhield '), terwijl zij eindelijk
op goede gronden meenden te mogen betwijfelen of de redene
ringen omtrent het verhoogde koop-vermogen onzer munt in het
wereldverkeer wel juist waren.
De meeste leden echter waren voor het ontwerp gestemd, want
de voorstanders van het zilver zagen hierin slechts een tijdelijken
maatregel; de voorstanders van het goud beschouwden het als een
stap in de goede richting en bijna allen waren het eens, dat er
iets voor onzen handel moest gedaan worden. Vrij algemeen was
ook de wensch naar voorziening in het Indisch muntwezen.

In een uitvoerige memorie van beantwoording, van 15 Mei


1875, weerlegde de minister op afdoende wijze de argumenten
tegen zijn handelwijze en het ontwerp ingebracht.
De openbare discussie in de 2" Kamer ving aan den 24"
Mei. Veel verkwikkends kwam daarbij niet te voorschijn. Het
is waar, enkele zaakkundige mannen spraken met talent en be
wezen uit de historie hoe de tegenwoordige toestand zonder
eigen schuld, louter door de omstandigheden was ontstaan en
hoe het eenige redmiddel thans de gouden standaard was ge
worden. Maar vele anderen bleven op hun oude aanbeelden klop
pen en herhaalden slechts uitgediende, ontzenuwde argumenten.

Tal van amendementen werden voorgesteld zoowel om den


inhoud fijn goud van het nieuwe f10-stuk in meer eenvoudige
verhouding te brengen tot de munten der omringende rijken,
als ook om het 12- en 6-guldenstuk in te voeren.

Doch het

ontwerp onderging slechts n wijziging, men verwierp de invoe


') Een hoogst onbillijk verwijt. Zij stelde de gelegenheid open om
tegen zeer lagen interest goud te beleenen, opdat de wisselkoers daardoor
eenige standvastigheid zou verkrijgen.

238

WET VAN 6 JUNI l S75.

ring van het f 5-stuk en behield dus alleen het f 10-stuk als
nieuw in te voeren gouden munt. Het zou op een gewicht van
6.72 gr. met een gehalte van 0.9 geslagen worden en derhalve
6.048 gr. f. goud inhouden. In dien vorm werd het ontwerp
door de 2" Kamer met 43 tegen 16 stemmen aangenomen en

den 6" Juni 1875 tot Wet verheven. 1) Waarschijnlijk influ


enceerde het terugloopen van den zilverprijs wel eenigermate op
deze beslissing.
De Munt werd daarop den 1" Juli voor den gouden munt
slag geopend en gretig werd van deze gelegenheid gebruik ge
maakt. *)
De bepaling in de Wet van 1875, dat zij herzien moest wor
den vr 1 Jan. 1877, werd door den minister van financin

niet uit het oog verloren. Den 9" Mei 1876 diende hij een
voorstel in met de strekking om het Nederl. muntwezen blijvend
te regelen op den grondslag van den enkel gouden standaard.
Op eenige kleine wijzigingen na was het gelijkluidend met
het verworpen ontwerp van 1873/74 *)
1) Stbl. n. 117.
*) Volgens de tabellen van MR, W. C. MEEst. a. p. bedroeg de aan

munting van goud


tot 31 Dec. 1875 f 41.100.000
in 1876 , 15.S11.060

,, 1877 , 11.0S1.490
, 1878 ,
niets
, 1879 ,,

5.810.360

, 1880,
501.000
, 1881 ,
niets
*) Toen kort na de verwerping van het ontwerp van 1873 in de 21e
Kamer, de regeering (in het najaar van 1874) een voorstel indiende tot
schorsing der zilveraanmunting voor particulieren, gaf de minister van

financin te kennen, dat hij niet aarzelen zou op nieuw de herzienning


van het muntwezen aanhangig te maken, zoodra de feiten zijn over
tuiging hadden bevestigd.

MUNTONTWERPEN VAN 1S76.

239

Hierbij was gevoegd een ontwerp ter verhooging en aanvulling


van hoofdstuk VII B der Staatsbegrooting voor het dienstjaar
1876 met f 2 millioen, welke som echter als een crediet moest
beschouwd worden, daar onmogelijk vooruit te berekenen viel
hoeveel zilver en tot welken prijs het zou moeten worden ver
kocht. Een 3" ontwerp diende tot nadere bepalingen omtrent
de inwisselbaarheid der muntbiljetten, welke noodig waren bij
de verandering van standaard, omdat die biljetten krachtens hun
inhoud en volgens art. 2 van de Wet van April 1852, alleen
tegen zilveren standpenningen verwisselbaar waren.
Het Duitsche rijk kwam zijn doel steeds nader, tot 15 April

1876 was daar aan goud gemunt voor M. 1.392.881.740, ter


wijl bij een wet van 6 Jan. van dat jaar, de Bondsraad gemach
tigd werd te bepalen, dat n maand na de afkondiging der
daartoe strekkende verordening de zilveren nthalerstukken nog
slechts als Rijks zilveren munt en dus voor betalingen van
hoogstens 20 mark behoefden te worden aangenomen. De La
tijnsche Unie behield haar afwachtende houding, ook voor 1876
werd overeengekomen, dat ieder der betrokken Staten slechts
een beperkt bedrag in zilver zou aanmunten.
De zilvermarkt zag er droevig uit, de zilverprijs varieerde in
Mei tusschen 54 en 52 p. 1) en de vooruitzichten waren weinig
bevredigend. Een sterke toeneming van productie in Amerika *)
ging gepaard met een steeds verminderende vraag.

Terwijl uit de Wet van 1875, uit de daarbij gevoegde Memorie van
Toelichting en uit de beraadslaging daarover gevoerd, duidelijk bleek, dat
de gouden standaard het doel was waarnaar de minister streefde.
*) Hetgeen een verhouding tusschen goud en zilver aangeeft als
17.46 18.13 : 1.

*)

In 1870 bedroeg zij

384.900 K.G.

,, 1871

,,

553.300 , ,,

,, 1872

691.600 , ,,

24.0

BUITENLANDSCHE WISSELKOERSEN.

De stand van de buitenlandsche wisselkoersen hier te lande

was zeer gunstig; de koers was langzamerhand opgeloopen '), en


een hoeveelheid van circa f86 mill. goud *), (waarbij ook datgene
was, wat de Ned. Bank voor Juli 1875 reeds bezat) was aan
wezig, waarvan tot 1 April ruim f 56 mill. was vermunt. Het
disconto van de Bank werd tot 3% verlaagd, terwijl het elders
op 5 6/o moest worden gehouden om gouduitvoer te voor
komen. *)

In 1878 bedroeg zij 860.000 KG.

1)
1875
Mei

, 1874

,,

,,

769.800 , ,,

, 1875

,,

,,

769.800 ,, ,,

,, 1876
,, 1877

,,
,,

,,
,,

998.300 ,, ,,
937.000 ,, ,,

,, 1878

,, 1.124.000 ,, ,,

Wisselkoersen op
Londen.
Parijs.
11.73-11.S6

46.55 47.l5

Hamburg.
56.75-57.50

. Juni

ll.89-l1.99

47.15-47.45

57.50- 5S.

Juli

11.93-11.9S

47.20-47.30

58

Aug.
Sept.

l 1.93-11.961/2 47.25-47.55
11.96-12.04
47.55 47.75

-5S.35

58.2558.65
58.65-58.90

Oct.

12.01 12.03', 47.65-47.80 59

Nov,

12.01-12.04

47.70-47.90

59.0559.15

59.20

Dec.

12.01-12.03

47.S0 - 47.90

5S.S5-59.05

1S76
Jan.

12.02

-12.04

47.65-47.90

59

Febr.

12.04

-} 2.07

47.85-48

5S.S5-5S.90

59.05

Maart

12.07 1/2-12.11 47.90-48

58,S0-58.S5

April

12.06 -12.10 47.73-48

5S 70-5S.80

Mei

12.02

5S.75-58 S5

-12.08

47.70-47.80

*) Geheel overeenkomstig het uitvoerig advies van Maart 1875 door


de Amsterdamsche Bank uitgebracht.

*) Vooral de Duitsche Rijksbank leed daaronder ,,Die Reichsbank hat


neben ihren Bankgeschften auch noch Mnzpolitik zu treiben und ist
zuweilen lediglich durch Rcksichten, welche die letztere veranlaszt, zu

einer Erhhung des Zinsfuszes gezwungen, ohne das der marktgngige

VERSLAG VAN

241

RAPPORTEURS.

Deze toestand kon echter hier niet duurzaam zijn en daarom


achtte de minister den tijd gekomen om het gevaar, dat zou
dreigen, zoodra sterke goud-uitvoer en zilver-aanvoer uit Indi
plaats had, te voorkomen. Indien toch eenmaal ons goud was
uitgevoerd 1), zou het zilver weder de standaard worden, waarnaar
de wissel zich richtte, en zou de wisselkoers tot f 13.50 (bij
een zilverprijs van 531/3 p.) kunnen stijgen, eer daaraan door
zilver-uitvoer paal en perk kon worden gesteld. Dit alles werd
in het breede uiteengezet in de Memorie van Toelichting, waarin
ook een raming der kosten op ongeveer f 6 mill. voorkwam.
Kort daarop werd een ontwerp tot vaststelling van nadere be
palingen omtrent het Muntwezen in Nederlandsch Indi ingediend.
Den 13" Juli 1876 bracht de commissie van Rapporteurs der
2" Kamer haar voorloopig verslag over deze 4 ontwerpen uit. Een
uitvoerig en belangrijk stuk, waaruit echter wel wat veel angst
spreekt om tot daden over te gaan. Vele leden meenden, dat
het gevaar zoo groot niet kon zijn, omdat men er nog niets van
bemerkte; zij adviseerden tot wachten, *) waarschijnlijk totdat

(sogenannte privat-) diskonto eine entsprechende Bewegung machte.


Stehen aus irgend einem Grunde die Course vorbergehend fr Deutschland
so ungnstig, dasz der Export von Gold lohnend wird, so musz zuvr
derst die Reichsbank in die Bresche treten und durch Erhhung des
Diskonts einen Gegendruck auf die Wechselcourse aus zu ben suchen,
Zie ,,Check und Giro-Verkehr der Deutschen Reichsbank. door Harting.
Zoo verhoogde b.v. de Reichsbank den 13"en Aug. 1879 haar disconto
van 3 op 4 % uit vrees voor den wisselkoers, die uitvoer van goud
naar London voordeelig maakte. Den 12"en Aug, stond Londen 20.52,

(terwijl de pariteit 20.38 is) op 14 Aug. 20.50, op 18 Aug. 20.49, op


19 Aug. 20.48, op ultimo 20.47.
') En daarvoor was de f 86 mill. lang niet geheel beschikbaar,
want een deel der circulatie zou worden opgesloten en niet dan tegen

hoogeren koers te krijgen zijn.


*) Ook omdat volgens hen het zilver nu wel zoo laag was als het
16

242

BEZWAREN.

men er wel wat van merken zou. *) Die leden waren ook sterk
in het breed uitmeten van het niet intreden van sommige door
deskundigen verwachte verschijnselen *) en grondden daarop de
hoop, dat hier of daar nog wel een deus ex machina zou te
voorschijn treden, die alles ten beste zou keeren. Velen klampten
zich ook vast aan de mogelijkheid van een internationaal bime

tallisme *), waarvan volgens hen sprake was bij de regeeringen van
verschillende landen.

Inderdaad bleken zij op dit punt beter ingelicht te zijn dan


de regeering, die verklaarde van plannen daartoe niets te weten.

Maar wellicht hadden zij de pogingen, die hiertoe in het werk


konden worden gesteld meer in de hand gewerkt door dit ont
werp te steunen dan door het te verwerpen. Anderen echter
achtten dit bimetallisme over een uitgestrekt veld niet te ver
worden kon. Doch aangezien de zilvermarkt zeer gevoelig was en ter
stond werd genfluenceerd door aanhangig maken van een dergelijk ontwerp
zou de meergeschikte tijd daartoe vooreerst wel op zich doen wachten.
1) Want de zilverproductie bleef stijgen, de verzending naar Britsch
Indi uit Engeland had in 1875 slechts 3.714.404 bedragen en bleef
zeer afwisselend, terwijl Duitschland voortging zilver te verkoopen en

Frankrijk noch Belgi zilveraanmunting voor particuliere rekening toeliet.


*) Als het niet plotseling dalen van den zilverprijs door het overstroo
men der markt met honderden millioenen Duitsch zilver (wat inderdaad
geen redelijk mensch, zeker dus wel geen deskundige, kon verwachten);
het niet absorbeeren van zilver voor Indi etc.

*) Duitschland ondervond steeds groote moeielijkheden bij de ont


munting en was nog niet daarmee tot de 1- en 2-Thalerstukken gekomen.
De landen der Latijnsche Unie wachtten steeds af, en verwierpen
nog het denkbeeld om den gouden standaard in te voeren.

Engeland ondervond groote bezwaren van het verschil in standaard


metaal met Britsch-Indi en zou, daar aan een invoering van den gouden

standaard in die uitgebreide kolonie nauwelijks ernstig gedacht kon wor


den, tot concessin in eigen land moeten overgaan.
Noord-Amerika zou den zilveren standaard kunnen aannemen, wanneer

het, zooals was bepaald, in 1879 zijn oninwisselbaar papier zou intrekken.

BEZWAREN.

243

wezenlijken of althans de ten uitvoerlegging met tal van bezwaren


verbonden.

Zou men een dergelijke eenstemmigheid van zoovele staten


kunnen verkrijgen, waar het gold:
1. volkomen vrije aanmunting van beide metalen,
2. gelijk muntloon in alle contracteerende landen aan te nemen?
Gelukte dit nochtans, dan was het zeker wenschelijk. Zoo
niet, dan bleef volgens deze leden geen andere weg over dan
die tot den gouden standaard leidde.
Verwijtingen, als zou de minister een parti-pris tegen het zilver
hebben, werden op nieuw gehoord. Bovendien was men ontevreden
dat voor de West-Ind. Kolonin niets was geregeld ) en het
voorstel voor de muntregeling in O.-Indi zoo weinig in overeen

stemming was met hetgeen men voor het moederland wenschte, ter
wijl ook de minister van financin zich onthouden had dit voorstel,
van zijn ambtgenoot van Kolonin uitgegaan, te onderteekenen. *)
De keuze, die men voor Indi had gedaan: een gouden stan
daard naast de zilveren standpenningen, wier aantal zelf

niet door de regeering kon worden vermeerderd, en alleen te


verminderen was door versmelting en verkoop op bevel van den
Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met voorschriften van
de regeering in het moederland, - in te voeren op het oogen

') Kort na de vaststelling van het voorloopig verslag werden voor


stellen betreffende de West Ind. Kolonin ingediend, doch in Dec. ten
gevolge van het lot der andere ontwerpen ingetrokken. Den 28sten

Juni 1881 kwamen wetten tot stand tot nadere voorziening omtrent het
muntwezen in Suriname en Curaao (Stbl. n". 120 en 121), waarbij
het gouden f 10-stuk werd ingevoerd en bepaald werd, dat de enkele,
Valve en dubbele Gouden Willem zouden ophouden negotiepenning
te zijn.
*) Volkomen onjuiste gevolgtrekkingen werden daaruit gemaakt; de Wet
Van 1 Mei 1854 omtrent het Ned. Ind. muntwezen en alle latere wetten,
voerden eveneens slechts het contreseign van den Minister van Kolonin.

&E+

NIH)IZ'IW :)

NVA

LGIH

'T3ILSRIOOA

IIIq 1ep utout Toul on oput 1Ip w1 511uloelsoo loslo)s loop op u


lotuo opno5 u puurpuuls 5u15 A uotulio omulot: uout Iooz '5ppinpoiiuo
uoIN oploooq Iowooz luio nuoi op 5u!IoolAoon A uit lospul loAllz
.It!t!UI loul topoout puut st: 1uolluto op uo5u15od lol utoo lonu! -opluut
luttu outsIIIulouq u Iopt Nooztopuo uto Alun lofilloo Hool '5u!lulo
uoL ohols omulot: uout op uolsoet A oo om 5eel putertoij Ierp fiq
uop uo5Heutuoon IdioAIIz s A ui: Ig */ 'd lot A to soll do / g6
IIIul toAIIz noz uodooloq / I g: IIIut A puo lotl A Iolsloo op oAItald
looA 5ulptilsoq lot ploA A uit otoput utopiz Iooz wo5 ploopter uo
punalso Aio) I op Ilosuow uto lo) uoo plo501.05 uozowlunu
Ion 5n op uoloot looz uoouio5It w 'st:
III uoo looA1m 51 5ooloq In uomulot. doleep op slo1stuttu uuA
uepuvuil no uauolo, op onstututo5 uoluwzoq on 'uo55oltoow A ut:
opetto!nuutohu loutIq oilosIns!It 5u!lo5ol utopilootu iz lou A Ioo on
uoloout IoA uontlouw It! Ito uopuo iz nep ooz uoo ortiloftop -oot
5ull lol puels uot uouiot iz Iotoz on looz outuzlloul Ao5 uoio
moz 'uoplol A too It lout nou 5oo do op woq 5u150 uon olsunii
uuA lou toAINZ u! op A opiiluooto utolelS upA 'N V tout tll noz
op 5u11005ot lollloo ou,Iut Uio5u15od u! lou Sllow ollols u om nou
u355oloq louoo 'olluoLottoo sloppluTuT pIow loo) ZIooA 5u!uto!
luloslao5 uo5on op oifilo5out 5uHooIA5ow uuA suo pmo5 Ito -ulouuu
5u15,1 uut: op 5uHoo5ot om uouoolloA uuo ooz poot 5 u! 1up Ao5 In
toAllz om toA uodool It: moz lip 'Too lout looI5 solltoA pIuud05
uut:5 JooIq Iloo) Ioulosuow elf uJ uorp 1soo5 plow lou wauto duo
upA low too wo5 p5,zt 1upooz op opno5 u ls plutput 1steu Alto -lo
toploout oud utotoAllz is u05utuuodput noz I uoA uuulsoq (I -uut
loop 5u15 peuplopu! lou oAoIllujop IIUA loul toplutte top toon muloeup uo oouuuup A Loo A uu 1au Hoplotnuut: oi! 'uouoltoA uuuut
plow Too sudAol lou AloA 1t A uit 5ulpIoulos A uit loul lostpuI
utozoAlumul wuttozhuo 'p

o510A05uoL A ut lip (Iollolsum uuA u.oo poIIOA o5 5uuuuuulou


plow sloo loul Aouet u op5et lopolo do / I uooIIIllu tol 'luloeudonijn
N tpt. 5ou 95tuoo topuntu 15utloq oet w uto5u15,z u! op -1uo

WERWERPING.

REGELING VAN

DE PASMUNT.

245

werpen waren gemaakt, werden zij door de 2" Kamer in openbare


behandeling genomen en vonden in dezen verminkten vorm ge
made in de oogen der meerderheid. 1)
Reeds juichte de minister, die dan toch, al ware het met op

offering van het hoofdbeginsel der wet, de bevoegdheid zou


krijgen om op kritieke oogenblikken zilver te ontmunten, toen
de 1" Kamer een bewijs van behoedzaamheid meende te moeten
geven door het ontwerp den 18" Dec. inzonderheid op ad
vies van den heer Pincoffs te doen vallen; 16 van de 27

leden verklaarden er zich tegen. *)


Het ontwerp omtrent de regeling van het Indisch munt wezen
werd eveneens door de 1" Kamer verworpen den 29" Dec,
daaropvolgend. *)
Toen aldus ten 2" male een wetsontwerp tot verheffing van
ons muntwezen uit den onhoudbaren toestand, waarin het zich

bevond, was verworpen, had de minister VAN DER HEIM geen moed
meer nogmaals een regeling voor te stellen. Hij vergenoegde
zich met de artikelen, die op de hervorming van onze pasmunt
betrekking hadden, in een afzonderlijk ontwerp te vereenigen.
Daar dit geen beginsel betrof, maar slechts de verdrijving
van een reeds bestaand kwaad, ontmoette deze voordracht

geen ernstig verzet en werd zij den 28" Maart 1877 tot Wet
verheven. Deze Wet betreffende de vervanging der koperen
door bronzen pasmunt bracht eindelijk in vervulling wat de
') 37 stemmen waren er voor, 25 tegen.

*) Bij Wet van den 30 ten Dec. (Stbl. n. 272) daaraanvolgend werd
art. 7 van de Wet van 6 Juni 1875 (Stbl. n". 117) in dien zin gewijzigd
dat de zilveraanmunting kon geschorst blijven tot 1 Jan. 1878. (Al. 2 zou

luiden: ,,Zij wordt herzien vor 1 Jan. 1878. Zie bijlage F).
En bij de Wet van 9 Dec. 1877 (Stbl. n". 215) werd deze termijn
verlengd ,,totdat daaromtrent bij de Wet zal zijn voorzien.
*) Den 28sten Maart 1877 kwam een regeling tot stand waarbij het
Indisch muntwezen op dezelfde leest werd geschoeid als het Nederlandsche.

246

DE ZILVERMARKT IN 1 S76 EN 1877.

commissie van 1855 als eenig afdoend middel tegen den omloop
van vreemde specie had aanbevolen. De koperen pasmunt,
volgens de Wetten van 1816 en 1847 geslagen, zou door bronzen
stukken worden vervangen. Een nieuw 2 1/2 , een 1 en een ''s

centstuk, slechts tot een bedrag van 25 cents wettig betaal


middel, zouden worden geslagen 1) en op straffe van f 3 tot
f 75 werd aan alle Rijks- provinciale- gemeentelijke- en water

schapsambtenaren verboden vreemde koper- of nikkelmunt aan


te nemen. *)
Inmiddels begonnen de vooruitzichten op de zilvermarkt zich
iets gunstiger voor te doen. De prijs, die in Juli 1876 zelfs
een oogenblik tot 46*/4 gedaald was, *) steeg gaandeweg,
zoodat in Dec. 1876 en Juni 1877 reeds tot 581/, p. betaald
werd. *) Kort daarna echter trad weder een daling in en
langen tijd bleef de prijs tusschen 53 en 54 p. dobberen.
De geruchten omtrent een naderend overleg tusschen de Eu

') Jammer dat de minister in 1875 3 mill. koperen Centen en 2 mill.


halve Centen, in 1876 zelfs 13 en

2 mill. had doen munten. Terecht

werd daarop in het Verslag v. Comm. v. Rapp. aanmerking gemaakt.


En ook gedurende het volgend jaar werden weder resp. 11 en 1.4 mill.
stuks daarvan geslagen.
Eerst in Nov. 1882 werden maatregelen genomen om de koperen Cen
ten uit de circulatie te doen verdwijnen.
*) Slechts in de grensgemeenten werd het toegelaten tot een bedrag

van 20 centen, mits de koers niet hooger was dan bij alg. maatr. v. inw.
bestuur was bepaald.
*) Waartoe ook het hier te lande aanhangig wetsontwerp, dat het

vooruitzicht op ontmunting van circa f 100 mill. opende, wel eeniger


mate zal hebben medegewerkt.
*) Onder den invloed van den Russisch-Turkschen oorlog en den
Britsch-Indischen hongersnood. In 1877 werd een bedrag van 17 mill.
aan zilver naar Indi verzonden.

MUNTCONFERENTIE VAN 1S7S.

247

ropeesche Staten bleken gegrond te zijn geweest. Op uitnoodi


ging van de Vereenigde Staten van N. Amerika 1) zonden de
meeste Europeesche Staten in 1878 hunne afgevaardigden naar
Parijs om aan een conferentie over het muntwezen deel te nemen.
Na lange redevoeringen nam men unaniem het besluit (voor
gesteld door den afgevaardigde van Engeland, GosciIEN): wil est
ncessaire de maintenir dans le monde le rle momtaire de

l'argent aussi bien que celui de l'or.

Maar over de vraag,

welke staten daartoe dan zouden moeten medewerken, kon men

het niet eens worden. De verdeeling in goud en zilverstaten,


zeer zeker het moeielijkst van den arbeid, kwam niet tot stand. *)
Ongelukkig genoeg voor ons land, dat naar men gezien heeft
in een zeer ongunstige positie verkeerende, voornamelijk op den

1) Welke staat sedert 1878 weder zilver liet munten. Volgens de


Bland-bill moest het gouvernement maandelijks tusschen 2 en 4 mil. ds.

aan zilver doen slaan (waarbij een verhouding van 16 : 1 werd aan
genomen) omdat men geloofde, dat de voorgenomen hervatting der specie

betaling (1 Jan. 1879) niet uitvoerbaar zou blijken, indien men den
enkelen gouden standaard aannam.
De aanmunting van zilveren dollars heeft bedragen tot ult Juni 1881
91.372.705 ds. Hiervan waren op dat tijdstip in omloop 28.193.902 ds.

terwijl de regeering bovendien nog tegen 39.216.999 ds. zoogenaamde


zilvercertificaten heeft uitgegeven.

Deze certificaten een soort van

muntbiljetten, maar voor het volle bedrag door zilver vertegenwoordigd


zijn van lieverlede een gewild ruilmiddel geworden. De regeering heeft
ze in omloop gebracht, toen het bleek, dat tegen het zilvergeld bij velen
bezwaar bestond, niet omdat aan de waarde-vastheid van dat geld werd
getwijfeld, maar wegens zijn volume.
2)

Het directe gevolg was dus gering, het indirecte veel grooter, want

meer dan ooit was de belangstelling voor het bimetallisme levendig ge


worden en zooals prof. PIERsoN terecht in het Gidsnummer v. Aug. 1881
opmerkt, toen bleek duidelijk, dat f de eenheid op het gebied van het

muntwezen ten eeuwigen dage een droombeeld zal blijven, f dat zij zal
worden verkregen, door het algemeen aannemen van den dubbelen standaard.

248

GUNSTIGE VERSCHIJNSELEN

VOOR ONS LAND.

uitslag dezer poging zijn verwachtingen had gebouwd. Niet dat


de omstandigheden van dien aard waren, dat zij tot een be

slissenden stap dwongen, maar het zou ook juist een bewijs zijn
van goed inzicht en politiek beleid wanneer men dien dwang
ontgaan kon. ')
Werkelijk bleven de verschijnselen voor ons land merkwaardig
gunstig. Wel waren de zilverprijzen op het eind van 1 S78 en
in het begin van het volgend jaar weder zeer gedrukt, doch dit
was voor ons van geen ingrijpend belang indien de wisselkoersen
maar niet langdurig boven de goudpariteit bleven staan, en dat
geschiedde gelukkig niet.
Het disconto, sedert 25 Aug. 1875 steeds 3/o, werd den
2" Mei 1878 tot 31/,/o, den 9" Oct. tot 10% verhoogd. *)
Doch

reeds

den

5" Feb.

1879 vond de Ned. Bank termen

het weder op 31/29/o te stellen.

En geen wonder, want haar

1) Bij conventie van 5 Nov. 1878 waren de staten der Lat. munt
unie overeengekomen de beperkte aanmunting van zilver te staken, met
de bepaling, dat zij deze niet voor 1 Jan. 18S6 zouden hervatten,

tenzij gemeenschappelijk overleg hen eerder daartoe aanleiding gaf.


Met 1 Jan. 1880 trad de herziene Latijnsche muntunie in werking.

Volgens de daarbij gemaakte bepalingen bleven van de zilveren pasmunt


slechts in omloop:
1. de Fransche twee- en n-francsstukken van 1866 en volgende
jaren en de 50- en 20-centimes-stukken van 1864 en v. j.
2. de Belgische, Zwitsersche en Grieksche munten van 1864 en v. j.
*) De wisselkoers had een zeer gelijkmatig verloop:
187S
Londen
Parijs. 1878
Londen
Parijs.
Jan.
12.0S -12.12
Juli
12.02'/2-12.061/2
Feb.
12.07 -12.09
Aug.
12.031/3-12.09

Maart

12.08:/-12.11

Sept

12.08 -12.12

April

12.10 -12.12

Oct.

12.0S

Mei

12.10

12.12

Nov.

12.08 1/2-12.ll

Juni

12.06

-12.ll

Dec.

12.09'/2-l2.15

-12.13

249

GOUD-TOEVLOEI ING.

voorraad munt en muntmateriaal was geklommen tot circa f 124


mill. bij een schuld van f217 mill. bankbilj. en rek. cour.
saldo's; en in Mei werd het nogmaals gereduceerd tot 3% ten
gevolge van de merkwaardige toevloeiing van goud, die toen weder
plaats had. 1)
Duitschland had zijn zilver-verkoop geschorst, *) de Califor
nische zilvermijnen leverden minder op *) en de zilverprijs
klom weder tot 53 p. op het einde van 1879. Vele leden
der Vertegenwoordiging moeten een gevoel van groote zelfvoldoe
ning hebben gesmaakt bij het beschouwen van al die gunstige
verschijnselen. Doch het kwaad was nog niet geleden. Nog
steeds was geen zilver gedemonetiseerd. Sedert de Wet van
1847 was voor circa f 461 mill. van dat metaal gemunt,
waarvan slechts f 140 f 150 mill. in Nederland en dus zeker
nog een groote hoeveelheid in Indi voorhanden was, hoeveel
ook van daar naar andere deelen van Azi mocht zijn verzonden.
Een terugvloeiing daarvan naar het moederland behoorde volstrekt
1) Het muntmateriaal bij de Ned. Bank aanwezig (hetgeen alleen uit
goud bestond) bedroeg:
31 Maart 1879

7 April

7.617.217

,,

7.897.465

9 Juni

1S79

24.229.469

,
,,

,
,,

26.951.496
28.240.739

,,

,,

28.804.949

29.900,716

15

,,

9.289.937

16
23

22

,,

,,

9.811.836

30

28

,,

,,

10.454.091

5 Mei

13.426.561
15.903.700
18.552.936

25

26 Oct.

12

,,

19

,,

,
,

26

,,

20.003.116

99

22.104 40S

2 Juni

7 Juli
14

,,

,,

30.581.154

4 Aug.

,,

34.054.463

,,

36.839.326

,,

87.126.736

De Ned. Bank kocht het goud voor f 1645 en verkocht het tegen

f 1652 f 1655 het K.G. fijn.


*) In Mei 1879.
*) Voor 1878 werd hun opbrengst op 1.124.000 K.G.
25

1879

981.000 , , geschat.

250

MUNTCONFERENTIE VAN l S81.

niet tot de onmogelijkheden 1) en dit dreigend gevaar had dus


wel eenige overeenkomst met het zwaard van DAMoCLEs.
Voor allen, zoowel voor hen, die vertrouwden op de toekomst,
als voor de zorgvollen van harte, was het een zeer aangename tijding
toen men vernam, dat op nieuw een muntconferentie zou gehou
den worden, en wel ditmaal op uitnoodiging van Frankrijk en
de Vereenigde Staten van Amerika, die wilden trachten tot een
vergelijk te komen omtrent een internationaal bimetallisme. Die
bijeenkomst had werkelijk plaats in het voorjaar van 1881. Den
19" April werd de eerste vergadering gehouden. Daar waren
aanwezig afgevaardigden van de beide ontwerpers van het plan,
van Duitschland, Oostenrijk, Itali, Belgi, ons land *), Spanje,
de Scandinavische rijken, Engeland, Britsch-Indi, Griekenland,
Rusland, Portugal en Zwitserland. Belangrijke redevoeringen
werden gehouden *), naar aanleiding van verschillende vraag
punten, ter tafel gebracht in de volgorde van een programma
door de Nederlandsche

afgevaardigden

ontworpen.

Na een achttal zittingen te hebben gehouden, ging de confe


rentie den 19" Mei uiteen met het doel om de afgevaardigden
gelegenheid te geven met hunne respectieve regeeringen te raad
plegen over de te nemen maatregelen.
Doch de hoop, die velen bezield had bij het samenkomen,
was merkbaar verflauwd. Duitschland en Engeland hadden ver
klaard, dat zij als bewijs hunner belangstelling zich hadden doen
vertegenwoordigen, maar geenszins van plan waren hun gouden

1) Want de Mexicaansche Dollar, houdt in 24,3 gram en is toch


nominaal thans nog minder waard dan de Rijksdaalder, die 23,625 gram
fijn zilver inhoudt. Maar hoelang zal dit duren?
*) De heeren dr. A. WRoLIK en Prof. Mr. N. G. PIERsoN.

*) Zie de Procs-Verbauw hiervan verschenen.

MUNTCONFERENTIE VAN 1881.

251

standaard op te offeren. 1) En van de medewerking van ten


minste een dezer staten hing, volgens zeer velen, het welslagen
der poging af.
Zoo kwam men den 30" Juni 1881 op nieuw te zamen; 5 zittingen werden gehouden, uiterst belangrijke gegevens mede
gedeeld, maar tot een regeling kwam het niet. Een verdaging
tot den 12"April 1882 had plaats. Maar vr dit tijdstip was
aangebroken schijnen zich omstandigheden te hebben voorgedaan,
die een langer uitstel noodzakelijk maakten. De stemming der

verschillende regeeringen, wier medewerking onontbeerlijk wordt


geacht, doet maar al te zeer vreezen, dat vooreerst niet te
rekenen valt op het tot stand komen eener algemeene bimetal
listische unie.

In dien tusschentijd was in ons land geen verandering in


den stand van zaken gekomen, doch de wisselkoers had her
haaldelijk den goudexportkoers bereikt *) zoodat de voorraad van
dat metaal bij de Bank aanwezig in Feb. 1882 zelfs niet meer

bedroeg dan f8 mill. in f 10-stukken, terwijl haar zilvervoorraad

') Terwijl de Duitsche afgevaardigde van zijn regeering in last had


mede te deelen, dat zij zich, in geval van het tot stand komen cener
bimetallistische unie wilde verbinden in een aantal jaren geen zilver

meer te verkoopen. De voorraad zilver, die Duitschland dan te bewaren


had, zou tusschen de 400 en 500 mill. mark bedragen.
*) Tengevolge van den zeer ruimen oogst in Amerika (gepaard met een
middelmatig succes in ons werelddeel) overtrof de uitvoer van dat land

den invoer met 50.000.000 ds. (zie Economist 21 Feb. 1880.) De ver

bazende ontwikkeling, die daar plaats vindt, eischt jaarlijks meer circulatie
middelen, en zoo ontving Amerika
in 1879 ds 741/3 mill. goud.
, 1880 , 70'/2 ,
,,
sy
1SS1 oy 57*/, go
ps

252

VERMEERDERING VAN

DEN ZILVERVOORRAAD.

steeds vermeederde '). Inderdaad een zeer gevaarlijk verschijnsel,


want weldra kon de bank voor het dilemma geplaatst worden
om f haar disconto sterk te verhoogen, ten einde, hoewel haar
metaaldekking bestaande uit wettig betaalmiddel aanzienlijk was,
zoo mogelijk goudinvoer uit te lokken, maar tevens daardoor
den handel groote schade te berokkenen, omdat die verhooging,
wilde zij baten, vrij aanzienlijk zou moeten zijn; f dit niet te
doen, haar goud weldra geheel te zien verdwijnen en genood
')

In Mei 1880 bedroeg hij ruim


f
Aug.
35
, gemiddeld ,
, Nov.
,
, Dec.
9p
f 82.9-,
,, Jan. 1881
,,
,, 84.5-,
,, Feb.
53
E9
,, 85.2-,
,, Maart
,
,, 87. -,
, April
>>
,, 88.4-,
,, Mei
, 88.3-,
,, Juni
39
32
,, SS.7-,
,, Juli
,, SS.5-,
Aug.
,, 88. -,
, Sept.
, 88. -,
my

95

JJ

79

72

op

EE)

no

py

55

80'/2 mill.
81.4 ,,
S

84.8

,,

p>

85. l

,,

86.8

,,

39

88.5 ,

5x

88.8

,,

2x

89.5

,,

2p

py

35

90

8S.7

,,

89.2

,
,,
,,
,,

,, Oct.

JJ

J 2

22

88.2
88. l
,, 87.1-, 87.3

, Nov.

22

,, 86.9-, 87.6

,,

,, Dec.

59

25

Jy

,, 87.7-, 88.7

,,

Jan.
,, Feb.

1882

,, Maart
,, April

,,

52

53

22

py

,, S8.3-, 88.9
,, 88.8-, 90.l

,,
,,

,,

, 90.2-, 91.7

,,

,, 91.3-, 91.7
yo 91.3-, 91.8

2.

91.7-, 92.l

,,

25

: p.

25

:y

29

Mci

92

J)

22

59

Juni

35

on

25

by

,,

, Juli

>>

>>

, 91.1-, 91.9

Aug.

,,

,,

,,

,, 906-, 90.9 ,,

, Sept.

,, 90.l-, 90.6 ,,

,,

,,

by

Oct.

JJ

p>

92

J)

89,6,, S9.S

JJ

by

Nov.

55

32

92

89.2-,, 89,5

p>

BIJ

DE NEDERLANDSCHE

BANK.

253

zaakt te worden, indien metaal voor uitvoer werd gevraagd, in


zilver te betalen, om daardoor plotseling den wisselkoers op het
buitenland sterk te doen rijzen en den handel op deze wijze
eveneens aan groote verliezen bloot te stellen.
Maar zou de keuze van de bankdirectie in zulk een geval
wel twijfelachtig zijn? Zij had gedaan wat in haar macht was
om de nadeelige gevolgen van de leemten in ons muntwezen
te voorkomen.

Doch rust op een circulatiebank dan de plicht, wanneer de


omloopende munt van een land uit twee metalen bestaat, door
de regeling van haar disconto te verhoeden, dat de waarde van
een dier geldsoorten vermindering onderga? Is het zelfs in het

publiek belang, dat zij deze schier onuitvoerbare taak op zich


neme? Staat het vast, dat het land meer gebaat is door sta
biliteit in het ruilmiddel dan door een matigen rentestand?
Op geen dezer vragen kan een bevestigend antwoord volgen.
Toen de hoeveelheid beschikbaar goud zoo sterk was vermin
derd begon men dan ook bevreesd te worden. Een tijdlang
was de muntquaestie weder aan de orde. De Amsterdamsche
Kamer van Koophandel wijdde op nieuw hare aandacht aan
de zaak en benoemde zelfs eene commissie uit haar midden om

te onderzoeken wat tot verbetering kon geschieden. Op advies


dezer commissie besloot zij voorloopig geen adres aan den mini
ster te zenden.

Juist bij tijds daalden de koersen, men achtte de ongerust


heid van velen voorbarig. 1)

1) Itali meende niet langer te moeten wachten met het nemen van
maatregelen tot hervatting der speciebetaling, bij de bestaande omstandig
heden kon men niet anders dan tot den gouden standaard overgaan.

Een leening van 644 mill. frcs. werd aangegaan, waarvan 400 fres. in
goud moesten voldaan worden. De laatste storting heeft onlangs plaats
gehad.

254

PARTIELE BIMETALLISTISCHE UNIE.

En thans is op nieuw de goudvoorraad der Bank sterk ver


minderd. 1) Hoe lang zal het nog duren eer het goud agio gaat
doen en dus het zilver weder onze standaard zal zijn geworden?
Wel bestaat nog de mogelijkheid dat een partiele bimetallis
tische unie, ondersteund door welwillende maatregelen in
Engeland en Duitschland, tot stand komt. Maar de gebeurte
nissen van den laatsten tijd wijzen er niet op dat dit reeds
spoedig zal geschieden. Want indien deze unie heilzame resul
taten zal kunnen afwerpen, moet het bimetallistisch beginsel door
een groot aantal Staten worden aangenomen. En zoover is men
nog lang niet. Telt ook het bimetallisme schier in iederen

beschaafden staat talrijke en geleerde aanhangers, heeft het in


enkele jaren zeer veel terrein gewonnen, getuige o. a. de vele

*)

De voorraad gemunt en ongemunt goud der Ned. Bank bedroeg in


April van f 9.147.000 tot f 13.790.000
Mei
,, ,, 15.321.000 , ,, 20.987.000
Juni

,, ,, 21.829.000 ,, ,, 21.974.000

Juli ,, ,, 21.979.000 ,, ,, 22.057.000


5 Aug.
f 22.048.654.57
doch begon van toen af te dalen:

op 12 Aug, bedroeg hij f 21.875.000


, 19

,,

,, 21.199 000

,, 26

,,

,, 18.526.000

,,

2 Sept.

,, 16

,,

,, 23

,,

,,

,, 17.568.000
,, 16.783.000
,, 15.537.000
,, 13.526.000

, 29 ,,
,, 7 Oct.

,, 12.900.000
,, 11.791.000

,, l 1 Nov.

25

,, 11.256.000

terwijl de wisselkoers op Londen circa 12.13, op Hamburg circa 59.30 is


en de wissel van New-York op Londen reeds weder enkele dagen zoo

laag was dat een geringe hoeveelheid goud naar Amerika verzonden werd.

PARTIEELE BIMETALLISTISCHE UNIE.

255

Engelsche ') en Duitsche ') voorstanders, het geloof aan het


welslagen eener proef is nog niet algemeen, want vele staten
zijn huiverig zonder de medewerking van Engeland of Duitsch
land het zilver in zijn vroegeren rang van standaardmetaal te
herstellen.
1) In Engeland bezit de beweging een eigen orgaan in the Bullionist.
Den 8sten Maart j. l. werd er een bimetallistische meeting gehouden, waar

de volgende stellingen werden besproken en aangenomen.


10. ,,Dat de beperking van den metallieken grondslag van het courante

geld der wereld door de uitsluiting van het zilver van zijn bestemming
als binnenlandsche en internationale munt moet worden voorkomen, daar

zich anders waarschijnlijk storingen in de koopkracht van het goud zou


den voordoen.

2. ,,Dat het van overwegend belang voor Engeland is, dat het zilver
deel uitmake van den waardestandaard der beschaafde natin, aangezien
het grootste deel van haar handelsomzet geschiedt met landen die zilver

gebruiken.
3. ,,Dat de handelsbelangen van Engeland niet kunnen worden af
gescheiden van die der wereld en dat daarom een internationale over

cenkomst, gelijk men nu tracht tot stand te brengen door middel der con
ferentie van Parijs, hoogst gewenscht is en den steun verdient van de
regeering Harer Majesteit.

*) In Oct. j. l. kwam te Keulen een congres van bimetallisten bijeen,


onder de 150 personen aanwezig waren echter slechts weinigen buiten
landers.

De slotsom was de aanneming van een motie, door Prof LExIs voor
gesteld en door den bekenden Engelschman PAUL TIDMAN ondersteund:
,,Ten einde een vaste waardeverhouding tusschen goud en zilver te
herstellen, is voor Duitschland en Engeland wenschelijk:
1. dat in beide landen het gebruik van zilver, door aanmunting
van volwichtige zilverstukken naast de zilveren pasmunt worde uitgebreid.

2. dat Duitschland al zijn goud en papier beneden 10 mark in


trekke.

3.
4.

dat Duitschland niet voortga met den verkoop van zilver.


dat de Engelsche Bank van haar recht gebruik make om een

gedeelte van haar reserve uit zilver te doen bestaan.

256

HARE VOORDEELEN.

Of nu een partieele bimetallistische unie goed zou werken,


daarover is met zekerheid niets te zeggen. Van zeer bevoegde

hand verscheen ten vorige jare een opstel in de Gids'), waarin


o. a. ook die vraag werd gesteld en op grond van vroeger ver
kregen uitkomsten zoowel als van verschillende beschouwingen,
bevestigend beantwoord werd. Ons land moest zich in ieder
geval bij een dergelijke beweging aansluiten; beter ware het
evenwel nog indien Nederland het initiatief daartoe nemen wilde.
Want men verkeert hier, onder alle vroegere zilverlanden, in de
meest gevaarlijke positie en slechts voordeel ware voor ons te
putten uit volkomen herstel van het zilver als muntmetaal.
Onze toestand is op den duur onhoudbaar geworden. Een
bimetallisme dat niet geheel slaagt zou toch waarschijnlijk den

zilverprijs veel bestendiger doen zijn en misschien tot 59 60 p.


doen rijzen.

Wel zou onze circulatie dan uitsluitend uit zilver

bestaan en bij een waardeverhouding van 16 : 1 eenige percenten


gedeprecieerd zijn, maar welk een groot voordeel stond daartegen
over: vrije aanmunting zou aan den wisselkoers weder zijn enge
grenzen stellen, terwijl na eenigen tijd, indien de omstandigheden
eenigzins medewerkten, weder een waardeverhouding van 15.5 : 1,
met grond zou zijn te verwachten.
Doch hoeveel redenen er voor Nederland mogen pleiten voor
de krachtige ondersteuning van het plan tot een partieele bime
tallistische nnie, voor de verwezenlijking is de medewerking
van vele nog wijfelende staten noodig. Zal men intusschen hier
te lande niets doen? Is het niet oneindig verstandiger maat
regelen te treffen om zoo mogelijk de noodlottige gevolgen af te
weren, die moeten ontstaan indien het goud blijft wegvloeien?
Wat zal men doen als straks alleen zilver voor uitvoer beschik

baar is en de wisselkoers zoo stijgt dat metaaluitvoer onver


') Zie het nummer van Juli 1881 ,,de Muntguaestie door prof.
N. G. PIERsoN.

wAT NEDERLAND INTUssCHEN DOEN MoET.

257

mijdelijk wordt. Want tijdelijk is dit zeer goed denkbaar. Hoe


zal de handel dan lijden!

Op nieuw zal het ministerie over

stroomd worden door adressen met verzoek om, hoe dan ook, een

einde te maken aan zulk een groote afwisselbaarheid van den


koers, en waar in 1875 de exporteurs in eersten gelid stonden
zullen het thans de importeurs zijn, die het bitterst klagen.
Hoe gelukkig het ook geweest zou zijn, indien ons land met
dezelfde loffelijke voortvarendheid als de Scandinavische rijken

den gouden standaard had ingevoerd, thans nog tot dien maat
regel te besluiten zou zeer groote kosten na zich sleepen, ')
waartoe men niet mag overgaan dan in de overtuiging, dat
hierdoor een muntwezen wordt verkregen, dat zoo volmaakt mo
gelijk is, of zoo men genoopt wordt door de noodzakelijkheid
om dreigende onheilen af te weren.
Zoover is men echter thans nog niet gekomen, de weg, die
de minister vAN DER HEIM in 1876 op wilde, toen hij gedwon
gen door den onwil der 2" Kamer om de invoering van den
enkelen gouden standaard goed te keuren, zijn oorspronkelijk plan
moest wijzigen, staat nog open. Indien de regeering gemachtigd
werd tot een zeker bedrag zilver te verkoopen, zoodra zij den tijd
daarvan gekomen achtte, dan zou daardoor betrekkelijke overvloed

van ruilmiddel terstond verdwijnen, een sterke rijzing van den


wissel kunnen worden voorkomen *) en tevens alle vrees voor
') In 1881 bedroeg (zie tabellen van Mr. W. C. MEEst. a. p.) de
hoeveelheid Ned. groote zilveren munt f 147.825.000, kleine zilveren
specie f 7.274.000.

Bij invoering van den gouden standaard zou wellicht f 10 per hoofd
aan zilveren pasmunt noodig zijn in de circulatie, zoodat daartoe ruim
jf 40 mill. zilver werd geischt, en f 115 f 120 mill. ten verkoop zou
overblijven.
*) Dc gewone grenzen van dcn wisselkoers zouden niet kunnen worden
overschreden en betalingen aan het buitenland, als de rente van onze

staatsschuld aan buitenlandsche houders, niet blootgesteld zijn aan een be


langrijke reductie.
17

258

EEN NIEUW MUNT-ADVIES.

disconto-verhooging der Ned. Bank om haar goudvoorraad te


versterken, worden weggenomen.
Onlangs hebben de heeren WRoLIK en PIERsoN aan den mi
nister van financin een advies gezonden, gegrond op dit denk
beeld. ') Ontegenzeglijk zouden door een dergelijken maatregel
de bezwaren aan ons muntwezen verbonden, met een minimum
van kosten, sterk worden verminderd. De minister heeft dit

stuk aan verschillende handelslichamen gezonden met verzoek


hun oordeel over de daarin voorgestelde maatregelen mede te
deelen. *)
Dat van die zijde eenig ernstig bezwaar tegen het plan zal
worden aangevoerd, is hoogst onwaarschijnlijk. *)
Dat een zoodanige muntpolitiek van ongunstigen invloed zou
kunnen zijn op het tot stand komen eener zoo gewenschte bi
metallistische unie, zou moeielijk te bewijzen vallen, maar al
ware het zoo, dan zou men zich daardoor toch niet mogen laten
weerhouden.

Het groote voordeel aan de verwezenlijking van dit voorstel


verbonden, ligt in de zekerheid, dat de wisselkoersen voor he
vige schokken zullen beveiligd worden, wat voor den handel
dringend noodig is, en dit doel, een plicht van den staat, zal
kunnen bereikt worden met geringe opofferingen.
De kosten toch, aan den voorgestelden maatregel verbonden
zullen waarschijnlijk niet groot zijn, want het laat zich nauwelijks
1) Zie Bijlage H.

*) Zie Alg. Handelsbl. van 3 Nov. 1882 Avondblad, waarin een hoofd
artikel hieraan gewijd voorkomt, dat volkomen instemming betuigd met
dit voorstel van onze beide verdienstelijke afgevaardigden ter Parijsche
conferentie.

*) De Kamer van Koophandel van Amsterdam betuigde reeds haar

instemming met de beginselen, doch maakte eenige weinig beteekenende


aanmerkingen op de wijze van uitvoering zooals die in het advies kor
telijk was aangegeven.

Ook de Rotterdamsche Kamer van Koophandel verleende haar adhaesie.

UITSTEL VAN DEFINITIEVE KEUZE.

259

denken, dat, indien eenmaal de geheele goudvoorraad der Ned.


Bank zal zijn uitgeput, de vraag naar metaal voor het buitenland
nog belangrijk zal zijn.

Echter ware het wenschelijk dat er maatregelen werden ge


nomen om aan het Indisch zilver de terugvloeiing te beletten.

De mogelijkheid daartoe blijft immers nog steeds bestaan al


heeft dit verschijnsel zich gelukkigerwijze tot heden niet in
sterke mate geopenbaard.
Dat op den duur onze munttoestand onhoudbaar is, zal wel
niemand betwisten. Het goud is feitelijk standaard, maar binnen
korten tijd zal wellicht de binnenlandsche circulatie slechts uit
minwaardig zilver bestaan, dat tot elk bedrag wettig be
taalmiddel is. Doch de opschorting eener definitieve keuze kan
nu geen nadeel meer toebrengen. Moest die keuze thans gedaan wor
den, dan ware alleen overgang tot den zuiveren gouden stan
daard mogelijk, door afwachten zal men tot de tot standkoming
eener bimetallistische unie krachtig kunnen medewerken, terwijl
de mogelijkheid, dat de zilvervraag voor Azi toeneemt en de
prijs van dit metaal na verloop van enkele jaren ') weder eeniger
mate stijgt, blijft bestaan.
Moge dan onze vertegenwoordiging de noodzakelijkheid van
voorziening in onzen munttoestand inzien en haren steun ver
leenen aan een maatregel, die beter dan eenige andere berekend
is om de onheilen af te weren, die elk oogenblik uit den tegen
woordigen toestand dreigen voort te spruiten.
-

Men bedenke het wel: die onheilen zouden niet alleen van

beteekenis zijn voor den groothandel. Zij zouden bestaan in een


waardevermindering van het ruilmiddel, een algemeene prijsver

hooging.

')

De uitvoer naar Azi bedroeg in 1882 tot heden ruim 1 7 mill.

BIJLAGEN.

Bijlage A.
(zIE HooFDSTUK I BL. 38.)
Tafereel van de prijzen van den Ducaat en van den Rijder
mitsgaders van de daaruit afgeleide betrekkelijke waarde van
Goud en Zilver of van den prijs van het Goud: berekend door
J. H. v. SwINDEN.
-

=-===
MAAND.
JAAR. " GOUDEN a" of
|

G.

St.

RIJDER.

G.

ZILVER.

St.

10. 5

1489

15

#"

#ds

1572
1576 |
1579 |

27
1 | 13
118
38
38

12.42

4 Augustus... 1586
19 December... 1589
2 Maart....... | 1596
1598

2 April......... | 1603
21 Maart.......

DUCAAT,

1606

10.66
10.66

| Leicester.

| Staten Gencraal.

391/3

10.90

312

l 1.29

3| 14

1 1.64
10| 2

11 92

10|12
1016
10|16

12,54
12.03
12.10

44

11|04

12. 5

4|5

11 6

12.65

23 April......... | 1639

410

12| 0

13.39

23 October..... | 1640
6 Maart....... 16.45
23 Mei.......... | 1652

4 15

12|12

14 l 3

5
21
12
20

Junij.........| 1621 |
Julij......... 1622
Augustus... 1626
April........ 1633

-- --

10.62

3|16

13 Februari.... | 1619

Keizer Karel V.

### # Philips II.

40
4|l
42

6 Julij......... 1610
28 September... 1615

| Maximiliaan.

9 October..... | 1638

6 Januarij..... 1653 WNB.


5 October ..... | 1663

l 1.80

1i Ali: E iii) | 55 | 14 0 | i 72
NB. Sedert 6 Jan. 1653 treft men geen plakaat meer aan waarbij de
prijs van den Ducaat of van den Rijder bepaald wordt.
-

Er is dus een schrijfeil in de missive van Raden en Generaalmeesters


der Munt van 16 Nov. 1749 als zij zeggen dat de laatste valuatie ge
weest is op 6 Maart 1645.

264

MUNTwET VAN 28 SEPTEMBER 1816.

Verschillend hiervan berekend SoETBEER in zijn meermalen


aangehaald werk de waardeverhouding van Goud tot Zilver. Hij
neemt haar voor Duitschland ongeveer aan op:
in l 1S5 10.5

: I

in 1605 l 2.0 l : 1

in l (534 l 5.1 () : l.

m l 542 11.27: 1

, 1611 12.0S: 1.

m 1 640 15.10 : 1.

m 1575 ll.0 l : 1

m 16.15 12.31 : 1

m l 648 15. 10 : 1.

1587 12.03: 1

, 1618 12.11: 1

m l 657 15.10 : 1

m 1597 l 1.78: 1

m 162.2 l 1.74 : 1

m 1672 15.10 : 1

m 1603 12.21 : 1

m 16:21 12.58 1:3. 12 : 1

m l 719 l 1.80 : 1

HBijlage B.
(Hoo FD sT UK III, BL z.. 7 7.)
WET vAN 28 SEPTEMBER 1816. (Staatsblad n 50,)
w

tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen.

Wij Willem, enz.


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:

Alzoo Wij in aanmerking genomen hebben, aan den eenen kant,


de verscheidenheid van muntspecin, die in de verschillende
provincin van ons rijk zijn circuleerende, mitsgaders de nadeelen
en ongelegenheden welke daaruit, zoowel voor de algemeene
schatkist, als voor de ingezetenen des Rijks zijn voortspruitende,
in het bijzonder, omdat vele dier muntspecin geenszins als
's Rijks munten kunnen worden beschouwd, maar enkel getole
reerd en volgens bepaalde tarieven aangenomen worden; en aan
den anderen kant, de voordeelen, die er uit eenheid van mun
ten en een wel ingerigt en een eenvoudig muntstelsel voor het
Rijk en voor Onze goede onderdanen zullen ontstaan;

MUNTwET VAN 28 SEPTEMBER 1816.

265

Zoo is het dat Wij, in al die ongelegenheden willende voor


zien, en het voordeel van 's Rijks ingezetenen, ook in dit stuk
willende behartigen, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan,
te ordonneren en te staturen, gelijk. Wij ordonneren en sta
turen bij deze, als volgt:
ART. 1. 's Rijks muntspecin zullen voortaan bestaan uit zil
veren en gouden standpenningen, uit koperen stukken
en uit zilveren en gouden negotiepenningen.
ART. 2 's Rijks zilveren muntspecin zullen zijn:
1. De gulden, als munt-eenheid voor dezelfde in
trinsique waarde als de voormalige Generaliteits
gulden, in de Noordelijke provincin gemunt, en
derhalve houdende twee honderd azen (9.612 gr.)
f, zilver, vervolgens stukken van drie gulden, ten
gelijken allooije als den gulden, en in gewigt naar
advenant.

De verdeeling van den gulden, dat is van de


munteenheid zal zijn tiendeelig, wordende de gulden
verondersteld te bestaan uit honderd deelen, genoemd
cen /s.

29. De onderdeelen van den gulden zullen zijn:


Stukken van een halve gulden of vijftig cents.

Stukken van een kwart gulden of vijf-en-twintig cents.


Stukken van een tiende gulden of tien cents.

A RT.

Stukken van een twintigste gulden of vijf cents.


3". De koperen stukken zullen zijn cents of honderd
ste gedeelten van den gulden en halve cents of
twee honderdste gedeelten van den gulden.
3. De gouden penningen zullen zijn stukken van tien

ART.

1. De zilveren stukken zullen, op den volgenden voet,

gulden.

gemunt worden,

MUNTwET VAN 28 SEPTEMBER 18] 6.

266

De gulden zal houden een gewicht van zeven engels


trooisch (10.766 gram) en gealloijeerd zijn op ***/loo,
beide uiterlijk en zonder remedie, opdat dezelve aldus
zouden houden 200 azen (9.613 gram) fijn zilver.
De stukken van drie gulden en die van 50 cents

of de halve gulden zullen zijn ten gelijken allooije en

ART.

ART.

ART.

5.

in gewicht naar advenant.


De kwart gulden, of het stuk van vijf-en-twintig
cents, zal zijn ten allooije van 0.569 en houden een
gewigt van 88 azen (4.230 gram) om aldus een klomp
fijn zilver van 50 azen (2.103 gram) te bevatten.
Het stuk van een tiende gulden of van 10 cents
en dat van een twintigste gulden of van 5 cents zullen
zijn ten gelijken allooije als de kwart gulden en ten
gewigte naar advenant.
De koperen muntstukken, of cents en halve cents,
zullen vervaardigd worden uit zuiver koper, ten gewigte
van 80 azen (3.845 gram) en 10 azen (1.922 gram)
het stuk respectivelijk.
De gouden penning van tien gulden zal gemunt wor
den ten allooije van "hoog en ten gewigte van 110
azen (6.729 gram) zonder remedie.
De beeldenaar des standpennings zal zijn, als volgt:
Op de voorzijde 's Konings borstbeeld, met het rand
schrift, wILLEM, KoNING DER NEDERLANDEN, GRoot

HERTOG VAN LUXEMBURG , met zoodanige verkorting in


de woorden, als de grootte der stukken zal vereischen.
Op de keerzijde het wapen des Rijks tusschen de
getallen:
10... guldens 3... guldens 1... gulden '/, ... gulden.
Het

randschrift MUNT

VAN

HET

KONINKRIJK

DER

NEDERLANDEN en het jaartal, met de noodige ver


korting in de woorden.

MUNTWET VAN 28 SEPTEMBER 1816.

267

Op de stukken van eenen gulden en van een halven


gulden zal onder het wapen staan 100 cents of 50
cents, respectivelijk.
Gemelde stukken zullen gemunt worden in den
ring, met een rand van ingedrukte letters, bevattende
de woorden: GoD ZIJ MET oNs.

De stukken van 25, van 10 en van 5 cents gelijk


mede de koperen stukken van een cent en van een halven
cent, zullen op de voorzijde slechts voeren een ge
kroonde W en op de keerzijde het wapen des Rijks,
tusschen de letters 25... c., 10... c., 5... c, 1...
c., 's ... c.
De drie eerstgemelde zullen gerand zijn.
De negotiepenningen zullen zijn en blijven, die welke
in de Noordelijke Provincin des Rijks gemunt zijn
en wel zonder eenige verandering hoegenaamd in der
zelver grootte, gehalte of gewigt, te weten:
De zilveren dukaat op een gewigt van 18 engels
8****/11,oo aas (28,78 gram) en gealloijeerd op 10
penningen 10 grein (0.868) beide genomen op de
uiterste remedie; de zilveren rijder op een gewigt van
21 engels 5"/so aas (52.574 gram) en gealloijeerd op
-

ART.

S.

11 penningen 5', grein (0.937), beide genomen op de

ART.

9.

uiterste remedie, en de gouden dukaat op een gewigt


van 2 engels S), aas (3.494 gram) en in gehalte
houdende 23 karaat 7 grein (0.983), beide genomen
op de uiterste remedie.
De beeldenaar der negotiepenningen zal zijn als volgt:
Voor den zilveren dukaat, als van ouds, de gehar
naste man, houdende in de linkerhand, voor de knie,
het wapen des Rijks; het randschrift Mo. ARG. REG.
BELGII; of de keerzijde het wapen des Rijks tusschen
de letters, die het jaartal aanduiden, met een rand

268

MUNTWET VAN 28 SEPTEMBER 1816.

schrift, als van ouds CoNcoRDIA RES PARvAE CREscUNT.

Voor den zilveren rijder: op de voorzijde, de gewone


ridder te paard, onder denzelven het wapen des Rijks,
randschrift Mo. ARG. REG. BELGII; op de keerzijde
's Rijks wapen, tusschen de letters van het jaartal
het randschrift: CoNCORDIA RES PARvAE CRESCUNT.

Voor den gouden ducaat: op de voorzijde de gehar


naste man, tusschen de letters, die het jaartal aan
duiden, met het randschrift: CoNcoRDLA RES PARvAE

CREscUNT, als van ouds, op de keerzijde binnen het


gewoon vierkant, de letters Mo. AUR. REG. BELGII
AD LEGEM. IMPERII.
ART. 10.

ART. ll.

ART. 12.

ART. l 3.

ART. 14.

De negotiepenningen, zoo de gouden als de zilveren,


zullen worden gekarteld.
De negotiepenningen zullen alleen voor rekening van
particulieren worden gemunt. De gulden en het drie
guldenstuk zullen ook voor rekening van particulieren
mogen vervaardigd worden, doch de gouden standpen
ming, de zilveren onderdeelen van den gulden en de
koperen stukken zullen volstrektelijk niet voor reke
ning van particulieren, maar alln voor die van het
gouvernement, en op deszelfs order mogen worden
vervaardigd.
De muntspecin voorheen in de Noordelijke provincin
als Provinciale- of Generaliteits-munten vervaardigd,
zullen op den tegenwoordigen voet aldaar blijven cir
culeeren en in 's Rijks schatkist worden aangenomen.
Te beginnen met den 1" December a. s., zal de
tegenwoordige rekenmunt, genaamd gulden Bra
ham/sch wisselgel/, gelijk gesteld worden met den
Nederlandschen gulden, in het 2" artikel vermeld.
De muntspecin in de Zuidelijke provincin, voorheen
als provinciale of landelijke munten vervaardigd, gelijk

MUNTwET VAN 28 sEPTEMBER 181 6.

ART. 15.

2 (59)

mede de oude Fransche munten, nog in dezelve circu


lerende, zullen aldaar aangenomen worden in 's Rijks
schatkist en in de circulatie, volgens de thans bestaande
tarieven in francs, en voor zoo verre eenige der voor
melde provinciale of landelijke munten op die tarieven
niet gevonden worden, volgens de bestaande usantin.
In de Zuidelijke provincin zullen met den 1" De
cember a.s. de francs in 's Rijks schatkist en in de
circulatie aangenomen worden op den voet van 47'/4
cents van den Nederlandschen gulden of van den
gulden Brabandsch wisselgeld, of in andere woorden,
iedere Nederlandsche gulden en iedere gulden Bra
brandsch wisselgeld zullen gehouden worden te bedra
gen 2 frames 11"/uo centimes, alles met dien verstande
echter, dat al de ordonnantin, assignatin en manda
ten ten laste van 's Rijks schatkist loopende, welke ge
dagteekend zijn vor den 1" Dec. a. s., betaald zul
len worden op de wijze, thans bij de schatkist ge
bruikelijk.

ART. 16. Alle verdere munten zullen als vreemd worden beschouwd

en dien volgens niet in 's Rijks schatkist aangenomen


worden.
ART. 17.

ART. 18.

De penningen, als negotiepenningen in de Noordelijke


provincin gemunt en hierboven opgenoemd, zullen
provisioneel in 's Rijks schatkist kunnen worden ge
stort, en aldaar aangenomen worden: de dukaat, mits
gerand en wigtig zijnde voor f 5.50, de zilveren du
caat voor f 2.50, en de zilveren rijder voor f 3.15.
Niemand is verplicht meer dan een vijfde gedeelte van
hetgeen aan hem voldaan moet worden, aan te nemen
in stukken van 25, 10 en 5 cents, of daarbij te ont
vangen in koperen stukken, meer dan de waarde van
eenen gulden.

270

MUNTwET VAN 22 DECEMBER 1825.

ART. 19. Onverminderd de straffen bij het lijfstraffelijk wetboek


gesteld, tegen degenen, welke zich zouden veroorloven
de muntspecin te verminken, zullen geene der bij deze
wet daargestelde nieuwe 's Rijks munten in 's Rijks
schatkist worden aangenomen, wanneer dezelve eenig
zins besnoeid of verminkt mogten zijn, en zal niemand
gehouden wezen dusdanige verminkte of besnoeide
muntspecin te ontvangen.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden

geinsereerd, en dat alle ministerile departementen, autoriteiten,


kollegin en ambtenaren aan de naauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.

BBijlage C.
(H oo FD sT UK III , B L z. 1 05.)

WET VAN 22 DECEMBER 1825 (Sub/. n. s0.)


houdende bepaling, dat er gouden standpenningen van vijf
gulden zullen worden gemunt.
Wij Willem, enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te


weten:

Alzoo Wij in aanmerking genomen hebben, dat het gebruik


van de gouden Nederlandsche standpenningen van tien gulden,
in den dagelijkschen handel zoude worden bevorderd, en in het

bijzonder, dat de scheiding bij handelingen van minder belang,


wanneer de betaling in gedachte stukken geschiedt, gemakkelij
ker zoude worden gemaakt, indien, boven en behalve opgemeld
goud muntstuk, nog een gouden standpenning werd gemunt,
welke in de volkomenste juistheid de helft van voorgezegd tien

MUNTwET vAN 22 DECEMBER 1825.

271

guldenstuk zoude behooren te zijn en waaraan alzoo de waarde


van vijf gulden werd toegekend;
Gelet op de wet van den 28" September 1816 (Staatsblad
n". 50), tot regeling van het Nederlandsch Muntwezen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk. Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ART. 1. Boven en behalve de gouden standpenningen van tien
gulden, volgens de wet van den 28" September 1816
daargesteld, zullen er gouden standpenningen van vijf
gulden worden gemunt.
ART. 2 . Even gezegde gouden standpenningen zullen in gehalte
moeten houden ""/1ooo, en een gewigt hebben van
3****/, ooo wigtjes.
ART. 3. De beeldenaar dezer gouden vijf-guldenstukken zal de
zelfde zijn, als die der gouden tien-guldenstukken, zul
lende op de keerzijde van den stempel, tusschen het
getal 5 . . . . gulden, het wapen van het Rijk voeren;
gemelde stukken zullen gemunt worden in den ring.
ART. 4. De verdere bepalingen, ten aanzien van den gouden
standpenning van tien gulden, bij de wet van den
-

28" September 1816 gemaakt, zullen op den gouden


standpenning van vijf gulden toepasselijk zijn.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden ge
plaatst, en dat alle ministeriele departementen, autoriteiten,
kollegin en ambtenaren, aan de naauwkeurige uitvoering de
hand zullen houden.

272

MUNTwET VAN 22 MAART 1 839.

HBijlage ID.
(ii oor Ds T U K III B L z. 1 2 9)
WET v A N 22 MAART 1 s 39, (S/b/. w. ()
tot wijziging van die van den 28" Sept. 1816 (S/b/. n0. 50)
omtrent het Neder/am/sch Mumfacezen.

Wij Willem, etc.


Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat zich in de


uitvoering van de Wet tot regeling van het Nederlandsche
Muntwezen, van den 28" September 1816 (Stb/. n. 50) zwa
righeden hebben opgedaan, vooral voortgevloeid uit de daarbij
aangenomen betrekkelijke waarde tusschen de gouden en zilveren
standpenningen, nadat eene aanzienlijke uitbreiding van den
muntslag der eerstgenoemden heeft plaats gevonden;
Dat het wenschelijk is deze zwarigheden op te heffen, ten
einde gevolg zou kunnen worden gegeven aan eene hermunting
van de oude zilveren muntspecin, welke wegens de afslijting
meer en meer noodzakelijk is geworden, en dat ook sommige
andere bepalingen van gezegde wet wijziging vereischen;
Zoo is het dat Wij, den Raad van Staten gehoord en met
gemeen overleg van de Staten-Generaal, met wijziging in zoo
verre van de wet van 28 September 1816 (Stbl. n 50) hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk. Wij goedvinden en verstaan
bij deze:
ART. 1. De zilveren Nederlandsche gulden zal bevatten mogen
wig/jes vier honderd en vijftig duizendsten (9. w. 150)
fijn zilver.
Het gehalte zal zijn negen honderd vijf en veertig
duizendsten (""/1ooo).

MUNTwET vAN 22 MAART 1839.

273

Het gewicht van den gulden zal zijn van tien wigjes.

Het meervoud en de onderdeelen van den gulden

ART. 2.

zullen op hetzelfde hiervoren bepaalde gehalte vervaar


digd worden, en ten aanzien van derzelver gewigt in
evenredigheid met dat van den gulden moeten staan.
In plaats den drie gulden zullen voortaan, als veel
voud van den gulden worden gemunt zilveren stand
penningen ter waarde van twee en een halven gulden,
welke, behalve de hieruit voortvloeijende verandering
in de aanduiding der geldswaarde (21/3 G.) overigens,
voor zooveel den beeldenaar betreft, zullen worden ge
slagen naar de bepalingen ten aanzien van den drie
gulden bestaan.

ART.

3.

In het gehalte der standpenningen, wordt een ruimte


toegestaan van een duizendste voor de gouden stand

penningen, en van drie duizendsten voor de zilveren


standpenningen, in beide gevallen ter helfte van deze
ruimte boven en ter helfte beneden de bepalingen van
de wet.
ART. 4.

De ruimte in het gewicht der standpenningen bij den


muntslag veroorloofd, zal hoogstens mogen bedragen:
Goud.

Voor de stukken van tien en vijf gulden, een en


een half duizendste gedeelte van het gewigt van ieder
stuk, zooveel boven als beneden dat gewigt;
Zilver.

Voor het twee en een halven gulden-stuk twee dui


zendste gedeelten; voor den gulden drie duizendste ge
deelten; voor den halven gulden vier duizendste gedeel
ten; voor het 25-centstuk zes duizendste gedeelten,
voor de 10 en 5-centsstukken tien duizendste gedeel
ten, van het gewigt van ieder stuk, zoowel boven als
beneden dat gewigt.
18

274

MUNTWET VAN 26 NOVEMBER 1847.

Op de koperen stukken van en en van een halven


cent, zal deze ruimte hoogstens mogen bedragen een
vijftigste van het gewigt van ieder stuk, mede zoowel
boven als beneden dat gewicht.
ART. 5. Aan den Koning blijft voorbehouden, tot daarstelling
en uitgifte der volgens deze wet verbeterde zilveren
muntspecin zoodanige maatregelen te nemen, als nood
zakelijk zullen worden bevonden.
we

Lasten en bevelen etc.

Bijlage E.
li oor DsT U K IV, B L z. 17 8.
WET vAN 26 NOVEMBER 1847, (S/b/. n0. 69.)
tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen.

Wij Willem II enz.


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat op het stand
punt, waarop de hermunting der oude zilveren geldspecin be
reids is gekomen, het wenschelijk moet geacht worden, in het
Nederlandsche muntwezen, het stelsel van den enkelen zilveren

standaard aan te nemen, daarbij andere verbeteringen in te voe


ren en voorts al de bepalingen, dat muntwezen voor de toekomst
betreffende, in ene wet te zamen te vatten.

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk. Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ART. 1. 's Rijks muntspecin zijn standpenningen, pasmunt
en negotiepenningen.
ART. 2. De standpenningen zijn de volgende zilveren munt
stukken:

MUNTWET VAN 26 NOVEMBER 1847.

275

de gulden, zijnde de eenheid van het Nederlandsche


muntstelsel,

de rijksdaalder of het stuk van twee en een ha/re gm//en,

de halve gulden of het stuk van rijf/ig cem/s.


ART.

ART.

. Zilveren pasmunt zijn:


het stuk van vijf en twintig cents,
het stuk van tien cen/s,
het stuk van vijf cem/s.
. Koperen pasmunt zijn:
de cent of het honderdste gedeelte van den gulden,
de halve cem/.

ART.

5.

De negotiepenningen zijn:
de gouden Willem,
de gouden dukaat,
van beide deze stukken kunnen dubbele geslagen
worden en van het eerste stuk ook halve.

ART.

. De gulden bevat negen wigtjes, vierhonderd vijftig


duizendsten van een wigtje fijn zilver.
Het gewigt van den gulden is tien wigtjes, met
een ruimte van drie duizendsten van een wigtje,
zoowel boven als onder hetzelve.

ART.

Het gehalte is negen honderd vijf en veertig dui


zendsten (0.945), met een ruimte van anderhalf duizend
sten, zoowel boven als beneden dat gehalte.
. Het gewigt van den rijksdaalder is vijf en twintig
wigtjes,

van den halven gulden vijf wigtjes,


van het stuk van vijf en twintig cents drie wigtjes
vijf honderd vijf en zeventig duizendsten van een wigtje,
van het stuk van tien cents een en vier honderd dui

zendsten van een wigtje,


van het stuk van vijf cents zes honderd vijf en tachtig
duizendsten van een wig/je.

276

ART.

MUNTwET VAN 26 NovEMBER 1847.

8.

De ruimte in gewicht is, voor den rijksdaalder twee


duizendsten, voor den halven gulden vijf duizendsten,
voor het stuk van vijf en twintig cents zes duizend
sten, voor het stuk van tien cents tien duizendsten,
en voor het stuk van vijf cents twaalf duizendsten
gedeelten van het gewigt voor elk stuk bepaald, zoo
wel boven als beneden dat gewigt.
Het gehalte van den rijksdaalder en van den halven
gulden is aan dat van den gulden gelijk en dezelfde
ruimte wordt voor hetzelve toegestaan.
Het gehalte der zilveren pasmunt is zes honderd
veertig duizendsten (0.640) met een ruimte van vier

ART.

duizendsten zoowel boven als beneden dat gehalte.


Het gewigt van den cent is drie wigtjes, acht honderd
vijf en veertig duizendsten van een wigtje, dat van
den halven cent een wigtje, negen honderd twee en
twintig duizendsten van een wigtje; beide worden ver
vaardigd uit zuiver koper.
Op deze stukken wordt een ruimte in het gewigt
toegestaan van een vijftigste gedeelte van het gewigt
van elk stuk, zoowel boven als beneden hetzelve.

ART. 10.

De beeldenaar der standpenningen is als volgt:


op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift
voerende den naam des Konings, met de woorden:
KoNING DER NEDERLANDEN, GROOT-HERTOG VAN LUXEM

BURG, met zoodanige verkortingen als de grootte der

stukken vereischt;
op de keerzijde het wapen des Rijks, tusschen de
aanduiding der geldswaarde: 2'/2 . . . . G., 1 . . . . G.
en 1/, . . . . G., tot omschrift voerende: MUNT VAN
HET KoNINGRIJK DER NEDERLANDEN, met de noodige

verkortingen en het jaartal.


Op de stukken van eenen gulden en eenen halven

MUNTwET van

26 NOVEMBER 1847.

277

gulden staat onder het wapen 100 cents en 50 cents, met

zoodanige verkortingen als noodig wordt bevonden.


Gemelde stukken worden gemunt in den ring.
De rijksdaalder en de gulden hebben tot randschrift
de woorden: God zIJ MET oNs.

ART. ll.

De halve gulden wordt met eenen staanden kartel


rand gemunt.
De beeldenaar der zilveren pasmunt is aan de voorzijde
's Konings borstbeeld met een omschrift gelijk aan dat
der standpenningen, en aan de keerzijde 25, 10 en 5
cents, tusschen twee eiken takken, benevens het
jaartal.
Deze stukken worden in den ring gemunt, met een
staanden kartelrand.

ART. 12.

De beeldenaar der koperen pasmunt is, aan de voor


zijde de gekroonde naamletter des Konings, benevens
het jaartal, en aan de keerzijde het wapen des Rijks,
tusschen de cijfers 1 . . . . C en '/, . . . . C.
Deze stukken worden in den ring gemunt.
ART, 13. De gouden Willem bevat zes wigtjes, zes en vijftig
duizendsten van een wigtje fijn goud. Het gewigt
van den gouden Willem is zes wigtjes, zeven honderd
negen en twintig duizendsten van een wigtje, met
eene ruimte van anderhalf duizendste gedeelte van dat
gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.
Het gewigt van den dubbelen gouden Willem is
dertien wigtjes, vier honderd acht en vijftig duizendsten
van een wigtje, met eene ruimte van een duizendsten
van dat gewigt zoowel boven als beneden hetzelve.
Het gehalte van den gouden Willem, alsmede dat
van den dubbelen en halven, is negen honderd dui
zendsten (0.900); met eene ruimte van een half dui
zendste, zoowel boven als beneden hetzelve.

278
ART. 14.

MUNTWET VAN 26 NOVEMBER 1847.

De beeldenaar van den gouden Willem is als volgt:


Op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift
voerende den naam des Konings, met de woorden:
KoNING DER NEDERLANDEN, GRooT-HERTOG VAN LUXEM

BURG met zoodanige verkortingen als de groote van


het stuk vereischt.
Op de keerzijde het wapen des Rijks, tusschen twee

eiken takken, hebbende tot omschrift aan de eene zijde


van het wapen de cijfers 6 w. 729 en aan de andere
zijde 0.900, met het jaartal boven het wapen.
De beeldenaar van den dubbelen en halven gouden
Willem is aan dien van den enkelen gelijk, met dien
verstande echter, dat op de wapenzijde de cijfers
6 w 729 voor het eerste stuk door 13 w 458 en voor

het laatste door 3 w 3615 vervangen worden. Deze


stukken worden in den ring gemunt.
De enkele en dubbele gouden Willem hebben tot
randschrift de woorden: GoD zIJ MET oNs.

De halve gouden Willem heeft eenen staanden kar


telrand.
ART. 15.

De gouden dukaat bevat drie wigtjes, vier honderd


vier en dertig en een half duizendsten van een wigtje

fijn goud.
Het gewigt van den gouden dukaat is drie wigtjes,
vier honderd vier en negentig duizendsten van een
wigtje, met een ruimte van anderhalf duizendste ge
deelte van dat gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.
Het gewigt van den dubbelen dukaat is zes wigtjes,
negen honderd acht en tachtig duizendsten van een
wigtje, met eene ruimte van een duizendste van dat
gewigt, zoowel boven als beneden hetzelve.
Het gehalte zoowel van den enkelen als van den
dubbelen gouden dukaat is negen honderd drie en

MUNTwET VAN 26 NovEMBER 1847.

279

tachtig duizendsten (0.983), met eene ruimte van een


half duizendste, zoowel boven als beneden hetzelve.
ART. 16.

De beeldenaar van den enkelen en dubbelen gouden


dukaat is:

Op de voorzijde een geharnarste man, tusschen het


jaartal, met het omschrift:

CoNCORDIA RES PARvAE CREscUNT, en op de keer


zijde, binnen een vierkant: Mo. AUR. REG. BELGII AD
LEGEM

IMPERII.

Deze stukken worden op den vrijen stempel gemunt


en hebben eenen kartelrand.

. De middellijnen der verschillende muntspecin worden


door ons bepaald bij een in het Staatsblad te plaat
sen besluit.
ART. 18.

Het staat ieder vrij de zilveren standpenningen en de


gouden negotiepenningen te doen munten in 's Rijks
munt, wanneer geene werkzaamheden voor het Rijk
zulks verhinderen.

De muntmeester is niet verpligt partijen goud be


neden de honderd Nederlandsche ponden, noch par
tijen zilver beneden de duizend Nederlandsche ponden
aan te munten.

Door ons wordt het muntloon, hetwelk door bij


zondere personen wordt voldaan, vastgesteld bij een

in het Staatsblad te plaatsen besluit.

ART. 19.

ART. 20.

De zilveren en koperen pasmunt wordt alleen voor


rekening van het Rijk geslagen.
In de Staats-Courant wordt jaarlijks medegedeeld hoe
veel van elke muntspecie in het laatst voorgaande jaar
aan 's Rijks munt voor het Rijk, en voor bijzondere
personen is aangemunt geworden.
De negotiepenningen zijn geen wettig betaalmiddel.
Niemand is verpligt zilveren pasmunt tot een hoo

MUNTwET VAN 26 NOVEMBER 1847.

ger bedrag dan van tien gulden, of koperen pasmunt


tot een hooger bedrag dan van n gulden, in beta
ling aan te nemen.
ART. 21.

ART. 22.

Geene nagemaakte of valsche muntspecin, noch ook


muntspecin, naar deze wet of naar de wet van den
28" September 1816 (Staatsblad n. 50) en latere
wetten vervaardigd, wanneer die eenigzins vervalscht,
in waarde verminderd, verminkt of geschonden zijn,
worden in 's Rijks schatkist aangenomen en niemand is
gehouden dusdanige muutspecin aan te nemen.
De muntspecin, in het vorig artikel vermeld, in
vervalschten, in waarde verminderden, verminkten of

geschonden toestand aan de landskantoren aangeboden,


worden aldaar, evenzeer als alle nagemaakte en valsche
muntspecin, aangehouden, en na het afgeven van bewijs
der aanhouding, aan Raden en Generaal meesteren der
Munt opgezonden; om na onderzoek of, en na uit
spraak dat dezelve zich werkelijk in zoodanigen toe
stand bevinden, te worden doorgesneden en alzoo aan
de aanbieders te worden teruggegeven.
Op dezelfde wijze wordt door Raden en Generaal
meesteren der Munt gehandeld ten opzichte van alle
muntspecin, welke aan hun onderzoek worden onder
worpen, wanneer die in onvoldoenden toestand zijn
bevonden.
ART. 23. Voor den 31" December 1850 worden nadere wette

lijke bepalingen gemaakt omtrent de gouden stukken


van tien en vijf gulden, volgens de wetten van 28
September 1816 (Staatsblad n". 50) en 22 December
1825 (Staatsblad m. 80) gemunt.
Die muntspecin blijven wettig betaalmiddel, zoo
lang de bij het vorig lid bedoelde wettelijke bepalingen
niet tot stand zijn gebragt.

MUNTWET VAN 6 JUNI 1875.

281

ART. 24. Al de wetten tot regeling van het Nederlandsche munt


wezen, van vroegere dagteekening dan de wet van 18

December 1845 (Staatsblad n". 90) 1) worden inge


trokken.

De krachtens de ingetrokken wetten geslagen munt


specin blijven echter op den voet der wet, waarbij
zij werden ingesteld, gangbaar, voor zoover zij niet
bij de wet zijn of worden buiten omloop gesteld.
Lasten en bevelen enz.

Bijlage F.
(HooFDSTUK V, BLz. 238.)

WET vAN 6 JUNI 1875, (Stbl. n 117.)


tot nadere tijdelijke voorziening omtrent het Nederlandsche
muntwezen.

Wij Willem III, enz.


Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten :

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk


is eenige nadere tijdelijke voorziening te nemen omtrent het
muntwezen;

Zoo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord etc.


ART. 1. Standpenning is, nevens de zilveren, vermeld in art. 2
der wet van 26 Nov. 1847 (S/b/. 69.):
het gouden tien guldenstuk.
ART. 2. De gouden standpenning bevat zes duizend acht en veer
1) De wet welke betrekking had op de inwisseling der nog in omloop
zijnde provinciale en generaliteits muntspecin.

2 S2

ART. 3.

MUNTWET VAN 6 JUNI 1875.

tig tienduizendste gedeelten (0.6018) van een gram (wigtje)


fijn goud op den gulden.
Het gehalte van den gouden standpenning is 0.900
met een ruimte van 1.5 duizendste zoowel boven als

ART. 1.

onder dat gehalte. Het gewigt is 6.720 grammen.


De ruimte in gewigt is 2 duizendsten van het
gewigt zoowel daarboven als daaronder.
De beeldenaar van den gouden standpenning is:
op de voorzijde 's Konings borstbeeld, tot omschrift
voerende den door het woord KoNING voorafgeganen
naam des Konings en de spreuk: GoD ZIJ MET oNs;

op de keerzijde het wapen des Rijks met de konink


lijke kroon, tusschen de waarde-aanduiding 10 G,
wijders het jaartal en het omschrift: KoNINGRIJK DER
NEDERLANDEN, benevens het munttecken en het munt
meestersteeken.

Dit stuk wordt in den ring gemunt en heeft een


kartelrand.
ART. 5.

De artt. 17, 19, 21, 22 der wet van 26 Nov. 18.17 (Staats
blad n". 69) zijn op den gouden standpenning toepasselijk.
Het staat ieder vrij gouden tien guldenstukken te
doen munten in 's Rijks Munt, wanneer geene werk
zaamheden voor het Rijk zulks verhinderen.
De muntmeester is niet verpligt partijen goud be
neden de honderd kilogrammen (pond) aan te munten.
Door Ons wordt het muntloon door bijzondere per
sonen te voldoen, vastgesteld bij algemeenen maatregel
van inwendig bestuur.

Het muntloon kan echter niet hooger worden gesteld


dan op vijf gulden per kilogram (pond) tiengulden
stukken.
ART. 6.

Er heeft geen aanmunting meer plaats van den enkelen


dubbelen en halven gouden Willem, bedoeld bij artt.

MUNTWET VAN 2S MAART 1877.

283

5, 13 en 14 der wet van 26 Nov. 1847 (Stb/. n". 69)


en bij art. 5 der wet van 1 Mei 1854 (S/b/. n. 75.
ART. 7. Deze wet treedt in werking den 1" Julij 1875.
Zij wordt vr den 1" Januarij 1877 herzien.
Tot dat tijdstip blijft de bevoegdheid tot aanmunting
van zilveren standpenningen, anders dan voor reke

ning van den Staat, geschorst.


Lasten en bevelen etc.

HBijlage G.
(HooFDSTUK V, B L z. 245.)
WET vAN 28 MAART 1877, (S/bl. n". 43.)
tot vervanging der koperen door bronzen pasmunt.

Wij Willem III, enz.


Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenschelijk


is om, in afwachting eener volledige regeling van het Neder
landsche muntwezen, de bestaande koperen pasmunt door bron
zen te vervangen en tevens tegen den omloop van vreemde
koperen, bronzen en nickel munten eenige voorziening te nemen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk. Wij goedvinden en verstaan bij deze.
ART. 1. De koperen pasmunt, welke thans ingevolge de
wetten van 28 September 1816 (Staatsblad n". 50)
en 26 November 1847 (Staatsblad n". 69) in omloop
is, wordt vervangen door bronzen.

284

ART.

MUNTWET VAN 28 MAART 1877.

2. Bronzen pasmunt zijn:


het twee-en-een-halve-centstuk;
het een centstuk;
het halve-centstuk.

ART.

3. Het metaal der bronzen pasmunt is zamengesteld uit


0.950 koper, 0.040 tin en 0.010 zink, met zoodanige
ruimte als voor elk dier metalen door Ons nader zal

ART.

worden bepaald bij een algemeen en maatregel van in


wendig bestuur.
Het gewigt is:
van het twee-en-een-halve-centstuk 4 grammen (wigtjes)
van het een-centstuk 2.5 gram (wigtje)
van het halve-centstuk 1.25 gram (wigtje)
De ruimte in gewigt is voor elke diersoorten en stuk
op honderd.
. De beeldenaar der bronzen pasmunt is:
op de voorzijde de gekroonde leeuw met het zwaard
en den bundel pijlen, in het met blokken bezaaide
veld, zonder het wapenschild, voorzien, maar door een
parelrand afgescheiden van het omschrift: KoNINGRIJK
DER NEDERLANDEN, met het jaartal, benevens het
muntteeken en het munt-meesterteeken;

op de keerzijde in cijfers de waarde-aanduiding 21/,


cent, 1 cent, 1/, cent tusschen twee oranjetakken.
Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben
een kartelrand.
ART.

ART.

ART.

Niemand is verpligt bronzen pasmunt aan te nemen


tot een hooger bedrag dan vijfen-twintig cent.
(5 Door Ons worden de kantoren aangewezen, waar de
bronzen pasmunt tegen standpenningen kan worden
ingewisseld, mits de aangeboden nominale waarde niet
minder bedrage dan tien gulden.
7. De artt. 17, 19, 20 en 22 der wet van 26 Novem

MUNTWET VAN 28 MAART 1877.

285

ber 1847 (Staatsblad n". 69) zijn op bronzen pas


munt toepasselijk.
ART. 8. Het is verboden vreemde koperen, bronzen en nickel
munten in betaling te geven.
In de door Ons bij algemeen en maatregel van in
wendig bestuur aan te wijzen grensgemeenten is het
echter geoorloofd van die vreemde munten voor eene
waarde van ten hoogste twintig centen in betaling te
geven, mits de in betaling geving plaats hebbe met
toestemming van dengenen aan wien zij geschiedt en
op geen hoogeren koers dan door Ons bij algemeenen
maatregel van inwendig bestuur is vastgesteld.
ART. ) . Het is aan Rijks-, provinciale-, gemeentelijke en wa

terschapsambtenaren en aan pachters en onderpachters


van Rijks-, provinciale-, gemeentelijke en waterschaps
inkomsten insgelijks verboden, bij ontvangsten, welke
zij als zoodanig doen, die vreemde munten in betaling
aan te nemen.

ART. 10.

ART. ll.

Overtreding van de bepalingen der artt. 8 en 9 wordt


gestraft met een geldboete van ten minste drie en ten
hoogste vijf en zeventig gulden.
Indien de schuldige binnen de laatste twee jaren
wegens deze overtreding is veroordeeld, kan de geld
boete tot vijfhonderd gulden worden verhoogd.
De koperen pasmunt, die overeenkomstig de wetten
van 28 September 1816 (Staatsblad n". 50) en 26
November 1847 (Staatsblad n". 69) geslagen is, wordt
op de door Ons bij algemeen en maatregel van inwen
dig bestuur vast te stellen tijdstippen en wijze, hetzij
in eens, hetzij achtereenvolgens, buiten omloop ge
steld, nadat tot inwisseling daarvan gedurende ten
minste veertien dagen, gelegenheid is gegeven.

Tot die buitenomloopstelling blijft zij op den be

2S6

MUNT-ADVIES

staanden voet, behoudens de bepalingen van de artt.


5 en 6, wettig betaalmiddel.
ART. 12. Deze wet treedt in werking op den l" Julij 1877.
Wij behouden. Ons echter voor, de bepalingen van
de artt. 8, 9 en 10 bij algemeenen maatregel van
inwendig bestuur vroeger in werking te brengen.
Lasten en bevelen etc.

Bijlage H.
(Hoor DSTUK V, B1, z. 258.)
Advies van de heeren Vro/jk en Pierson aan den Minister

ram Financin, 30 Sept. 1 SS2.

Aan Z. E. den Minister van Financin.

Hoewel de opdracht, ons bij 's Konings besluit van 18 Maart


1881 verleend, niet de verplichting inhoudt om over de regeling
van het Nederlandsche munt wezen in het algemeen, buiten ver
band met de Parijsche conferentin, adviezen te geven, zoo
meenen wij toch dat het bij die opdracht geschonken vertrouwen
ons vrijwaart van het verwijt van onbescheidenheid, wanneer
wij in bijzondere gevallen ons daartoe gedrongen gevoelen.

Zulk een geval schijnt ons thans aanwezig. Wij kunnen noch
mogen voor Uwe Excellentie verbergen, dat de toestand van het
Nederlandsche muntwezen, naar onze meening, op dit oogenblik
voorziening eischt. In korte trekken zij het ons vergund uiteen
te zetten, ten eerste op welke gronden die voorziening ons
noodig schijnt, ten tweede, waarin zij, naar wij oordeelen,
zou kunnen bestaan.

1.

Het bedenkelijke in den toestand is de hernieuwde weg

vAN DE HEEREN VROLIK EN PIERSON.

2S7

vloeiing van het goud uit de Nederlandsche Bank. Het kan


Uwe Excellentie niet onbekend zijn om welke reden de Bank
gemeend heeft, die wegvloeiing naar den vreemde in geenerlei
opzicht te mogen belemmeren. Haar door geen kunstmiddelen
te stremmen, al het goud dat voor uitvoer wordt gevraagd,
zonder agio af te geven, was het eenige middel, waardoor zij een
depreciatie van ons zilveren ruilmiddel kon tegengaan. Want
behoefte aan edel metaal voor uitvoer wijst altijd op een betrek
kelijke overmaat in de geldcirculatie, en zoo die overmaat geen
uitweg kan vinden naar het buitenland, moet waardeverminde
ring van het ruilmiddel, zich openbarende in rijzing van wis
selkoersen, ten slotte in algemeene prijsverhooging, noodwendig
intreden.

De goudvoorraad bij de Nederlandsche Bank vervult dus een


hoogst belangrijke rol. Door steeds zonder opgeld voor uitvoer
beschikbaar te zijn, dient hij inderdaad tot afwering der nadee
len, die de ongezonde en volkomen abnormale toestand van ons
ruilmiddel anders zou doen ontstaan. Hieruit volgt echter, dat,
zoodra die voorraad is uitgeput, de gebreken van het Neder
landsche muntstelsel aan het licht zullen komen, tenzij wordt

omgezien naar andere middelen, om ze te verhelpen.


De vraag zal gesteld worden, of uitputting van den goud
voorraad niet kan worden tegengegaan door renteverhooging?

Zonder twijfel is dit mogelijk, want renteverhooging heeft de


strekking om de ongedekte circulatie van bankpapier te vermin
deren en alzoo de overmaat van ruilmiddelen, wanneer die aan

wezig is, tegen te gaan. Het remedie, echter, is even erg als
de kwaal, en het zou zeer te bejammeren zijn als, de rente
stand voortdurend hoog moest worden gehouden, de handels
zaken bijgevolg een gestadige belemmering moesten ondervinden,
wegens den toestand van ons muntwezen. Waar de regeering
van hare zijde alles doet, wat binnen haar bereik ligt, tot ver
betering en uitbreiding der middelen van verkeer en tot bevor

288

MUNT-ADVIES

dering van den bloei van nijverheid, veeteelt en landbouw, kan


zij gewis niet verlangen, dat de voornaamste credietinstelling
van ons land door renteverhooging dit alles te keer ga, en hare
krachten voor een deel ongebruikt late, alln om de munt
voor depreciatie te behoeden. Er moet na een beter middel
worden ongezien, en wij wenschen nu aan te toonen, dat er
zulk een middel bestaat.

20. Wij geven Uwe Excellentie in overweging om een wets


ontwerp in te dienen bij de Staten-Generaal, waarbij de regeering
gemachtigd wordt:
a. om achtereenvolgens en naarmate zulks voor een gezonden
toestand van ons ruilmiddel noodig wordt bevonden, een bedrag
van uiterlijk f 20,000,000 in Nederlandsche rijksdaalders te doen

versmelten tot zilveren baren.


b. om van die baren, door bemiddeling der Nederlandsche
Bank, achtereenvolgens een zoodanig bedrag en tot zoodanige
prijzen voor den handel beschikbaar te stellen, als noodig zal
blijken tot verhindering eener waardevermindering van het zil
veren ruilmiddel tegenover het gouden.
c. de kosten dezer operatie te doen dragen door den Staat
der Nederlanden.

Wij denken ons de praktische werking van dezen maatregel


aldus.

Gesteld na eenigen tijd is de goudvoorraad der Nederlandsche


Bank uitgeput en de vraag naar edel metaal voor remise naar
het buitenland houdt aan. Nu zal de Bank, indien het door
ons voorgedragen ontwerp tot wet is verheven, wel is waar geen
goud meer kunnen geven, omdat zij geen goud meer heeft, doch
zij zal de bankiers van zilveren baren kunnen voorzien, tot prij
zen, die een even goedkoope metaalremise geven als zonden zij
goud. Daar de zilverprijs te Londen dagelijks zeer nauwkeurig
wordt genoteerd, is het voor de Bank een zeer eenvoudige zaak,
telkens te berekenen hoe hoog of hoe laag zij den zilverprijs,

*-

VAN DE

HEEREN VROLIK EN

28%)

PIERSON.

als agent der Regeering, heeft te stellen, voor de behoorlijke


uitvoering der wet, en wij twijfelen er geen oogenblik aan, of
zij zal terstond bereid worden gevonden, deze taak op zich te
IlGIMDCIl.

Een ander middel zou insgelijks kunnen worden aangegrepen:


de Regeering zou het versmolten zilvergeld buitenslands tegen
goud kunnen verkoopen en de Bank van dat goud voorzien,
met lastgeving om het voor uitvoer zonder opgeld beschikbaar
te stellen.

Hiertegen bestaan echter gewichtige bezwaren. Deze weg zou


namelijk veel kostbaarder zijn. Ten eerste zou de Regeering dan
de transportkosten van het goud hebben te voldoen, en ten
tweede zou zij den aankoop van dat goud bewerkstelligen op een
onvoordeelig tijdstip, immers op een tijdstip van hooge wissel

koersen. Maar een veel gewichtiger bezwaar ware het volgende,


waarop wij bijzonderen nadruk leggen, omdat het ons gelegen
heid zal geven, een zeer belangrijke lichtzijde van het door ons
gedane voorstel aan te wijzen.
Het is zeer denkbaar, dat de behoefte van uitvoer van edel
metaal, wanneer al het aanwezige goud bij de Bank reeds ver
dwenen is, niet zeer levendig meer blijft. Dienaangaande iets
te voorspellen, is onmogelijk; zoo wij echter bedenken; dat de
goudvoorraad bij de Bank in Augustus 1881 nog f 40 millioen
bedroeg, uitputting van dien voorraad dus met wegstrooming van
datzelfde bedrag zal gelijk staan, komt het ons verre van on
waarschijnlijk voor, dat er geen zeer sterke behoefte aan uitvoer
van edel metaal meer zal bestaan, wanneer die toestand dr

is. Nemen wij aan, dat deze verwachting zich verwezenlijkt, dan
zou het zeer te betreuren zijn, dat het Rijk zich groote offers
had getroost om de Bank van eenige millioenen goud te voor
zien, die zij dan niet noodig had. Wordt daarentegen ons
voorstel aangenomen, zoo zal het Rijk geen onnoodige verliezen
lijden. Immers met de uitvoering van het eerste gedeelte der
19

290

MUNT-ADVIES.

wet versmelting tot baren kan zoolang mogelijk worden


gewacht, en wordt er eindelijk toe overgegaan, zoo kan de ver
smelting aanvankelijk tot een zeer klein bedrag worden beperkt.
Stel, de goudvoorraad der Bank daalt tot / 5 millioen; nu zou
men f 1 millioen rijksdaalders versmelten. De voorraad slinkt
tot f 4 millioen, thans versmelt men andermaal f 1 millioen.
Houdt daarna de goudvraag geheel en al op, zoo wordt er niets
meer versmolten. Om kort te gaan, door ons voorstel aan te
nemen, voorkomt de Regeering misschien belangrijke uitgaven,
en stellig onnoodige.
Middelerwijl zal de zekerheid, dat er, bij eventueele uitput
ting van het goud, een voorraad zilveren baren bij de Bank
aanwezig is, die gelijke diensten zal bewijzen, door den handel
in hooge mate gewaardeerd worden. Men zal zich dan beveiligd
weten, n tegen een rijzing der wisselkoersen boven de thans
bestaande maxima, n tegen renteverhooging van de zijde der
Bank, enkel tot bescherming van ons muntwezen tegen depreciatie.
Twee zaken van groote beteekenis voor den handel.
Misschien wordt door Uwe Excellentie nog de vraag gesteld,

in hoever een maatregel, als de hier bedoelde, het tot stand


komen eener bimetallieke muntconventie of andere maatregelen
tot rehabilitatie van het zilver, zou kunnen belemmeren? Wij
vreezen dit gevaar niet.
Wij stellen ons eerder voor, dat, voor zoover de maatregel
eenigen invloed zal hebben op de gezindheden der buitenlandsche
Regeeringen in zake het bimetallisme, de werking eer gunstig
dan ongunstig zal zijn, want de overtuiging zal er door gewekt
of versterkt worden, dat de toestand, waarin het muntwezen

van Europa verkeert, op den duur onhoudbaar is te achten.


Wat de kosten van den maatregel betreft, die hangen na
tuurlijk af van den prijs, dien het versmolten zilvergeld zal
bedingen en de hoeveelheid, die ontmunt zal worden. Bij de
actueele zilverwaarde zal de ontmunting van elk millioen on

VAN

DE HEEREN VROLIK

EN

PIERSON.

291

k World
In de Ver

beperkt,

; llll ZUll

d slinkt

millioen.
er niets
lilll lt

glwell,

geveer f 150,000 kosten. Een belangrijke som voorwaar. Geen


te groot offer nochtans, zoo daarvoor wordt verkregen: vastheid
in de waarde van het ruilmiddel, geringer afwisseling in den
rentestand met een doorgaans lager peil, voorts zekerheid voor
den handel op het punt der wisselkoersen.
Die zekerheid, ook dit zij nog aangemerkt, is vooral thans
een belangrijk offer waard. Een groote staatsleening, ja meer
dan eene, vermoedelijk, is ophanden, en voor den te bedingen
koers is het ver van onverschillig, of het buitenland krachtig
daarin zal deelnemen.

itput

landel

Bij de jongste leening, die van 1878, heeft het aan buiten
landsche deelneming op groote schaal niet ontbroken, doch zal
men hierop even sterk kunnen rekenen als toen, nu de goud

eiligd

voorraad der Bank bijna is uitgeput en de vreemdeling, als die

halls

uitputting volkomen is, op geen 15 percent kan nagaan, hoeveel


een Nederlandsche coupon hem in zijn eigen munt zal opbrengen?
In 1878, naar het schijnt, is op den abnormalen toestand van
ons muntwezen weinig acht geslagen. Thans echter zal dit wel
degelijk geschieden, want de geringe voorraad goud bij de Bank
begint in het buitenland sterk de aandacht te trekken, en
zoodra de staatsleening is uitgeschreven, zal met nadruk de
vraag worden gesteld, welke maatregelen Nederland heeft be
raamd om zijne schuldeischers te beveiligen tegen depreciatie
hunner vorderingen. Het is van groot gewicht, dat alsdan te
wijzen is op een wet in den geest der hierboven bedoelde.
Met het oog daarop is het dan ook van veel gewicht, dat
het bedrag der te ontmunten som niet te klein worde gesteld.
Het schaadt in geen enkel opzicht, indien dit bedrag zeer ruim
wordt genomen, want meer dan de behoefte medebrengt, zal
er, naar ons plan, niet worden versmolten. Maar een flinke
som maakt indruk naar buiten; zij toont, dat het Nederland
ernst is met de zorg voor zijn muntwezen en met de eerbiediging
van de rechten zijner schuldeischers.

Blik

, der

tie.

292

MUNT-ADVIES.

De regeering, wel is waar, zou ook een goudleening kunnen


sluiten, gelijk bijv. door Oostenrijk is geschied, en daar
mede zou deze zijde van het vraagstuk zijn opgelost. Doch op

dezen weg zal zij zich niet gaarne begeven, en terecht. Wordt
de rente der nieuwe leening in goud betaalbaar gesteld, zoo zal
dit ongunstig werken op de beurswaarde der bestaande Rijks
schuld, hetgeen natuurlijk zorgvuldig te vermijden is. In landen,
waar oninwisselbaar papier in omloop is en het goud opgeld
doet, moge het te verdedigen zijn, dat de Regeering onderscheid
maakt tusschen de verschillende soorten van wettelijk betaal
middel; bij ons, waar die toestand gelukkig niet bestaat, zou
het maken van zulk een onderscheiding, naar onze bescheiden
meening, een groote dwaling zijn, immers de depreciatie van
het zilvergeld in de hand werken.
Wij onderwerpen deze denkbeelden aan het oordeel Uwer
Excellentie en voegen daarbij de hernieuwde verzekering onzer
bijzondere hoogachting.

STELLING EN.

I.

Het stelsel van vrije circulatiebanken levert groote gevaren op.


II.

Hooge goederenprijzen zijn in het algemeen een bewijs voor


de welvaart van een land.

III.

De bewering van RICARDo, dat de edele metalen te allen


tijde, volgens dezelfde wetten als alle andere goederen over de
wereld worden verspreid is juist.
-

IV.

Werkstakingen oefenen een ongunstigen invloed op de loo


nen uit.
W.

Bij volkstellingen is het wenschelijk zich van de zoogenaamde


mbulletins individue/s te bedienen, en geen andere opgaven te
verlangen dan die wezenlijk bewerkt kunnen worden.

VI.

Ook de maatregelen, die de gemeente als decentraliseerend


orgaan neemt, kunnen door den Koning vernietigd worden.
VII.

Art. 1401 B. W. mag nooit worden toegepast op ambtenaren,


die bij de uitoefening van hun ambt door een onrechtmatige daad
aan een ander schade hebben berokkend.

VIII.

Provinciale Staten noch gemeentebesturen mogen de lijst van


ziekten, opgenomen in de Wet tot voorziening tegen besmettelijke
ziekten van 4 Dec. 1872 (S/b/. n0. 131), bij verordening uitbreiden.
IX.

Bij vernietiging of wegruiming van voorwerpen op openbaar


gezag heeft er geen onteigening plaats.
X.

Bij de samenstelling van het Indisch Regeerings Reglement

heeft men ten onrechte bijna uitsluitend het oog gehouden op


Javaansche toestanden.

XI.

De bestaande regeling der gouvernementscultures is onhoud


baar.

XII.
Ten onrechte huldigen de Engelschen nog steeds de leer van
de conditioneele contrabande.

XIII.

Neutrale staten behooren niet toe te laten dat prijsgemaakte


schepen in hunne havens worden gebracht.
XIV.

Ook tegenover die staten, die het oorlogsrecht niet kennen,


moet het worden in acht genomen.

STELLING EN
TER VERKRIJGING

30urfur iII lt

VAN DEN GRAAD VAN

Rrrlauttenering,

AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,

op gezag van den Rector-Magnificus

ID F.

WV.

JE JE ER IL I N,

3Googtestaat iw Me Jaculteit Det lUis- ew tatuutkitude,

voor de Faculteit te verdedigen

op Zaterdag den 2den. Decennber 1882 des namiddags te 2 ure,

DOOR

WILLEM FREDERIK SCHIMMEL,


GEBOREN TE AMSTERDAM.

AAL NA N-NL NA AANL-v AAA-AAN-A-NL/NAAL NAA-rw-vro-ANAL N-A-rw-AA-/NAA-A-AATN-/N. "N-AAN-AAN- - - - - - - - -

De rechter mag niet beslissen of een wet in strijd is met de


Grondwet.
II.

De vrouw moest ook na scheiding van tafel en bed haar


wettelijk domicilie bij haren man behouden.
III.

De schoonmoeder behoeft hare schoondochter niet meer te

onderhouden zoo deze een tweede huwelijk gesloten heeft.


IV.

Geen zwagerschap ontstaat tusschen het kind van de ouders


van een overleden echtgenoot, dat geboren is na dat overlijden,
en de overgebleven echtgenoot.
V.

Het beginsel in art. 1297 B. W. uitgedrukt, dat de voor


waarde, die vervuld is, eene terugwerkende kracht heeft tot op
het tijdstip, waarop de verbindtenis geboren is, is onjuist en
onmogelijk consequent door te voeren.

VI.

De wet dient te bepalen wanneer de wilsovereenstemming van


twee partijen, op verschillende plaatsen verblijf houdende, moet
worden beschouwd tot stand te zijn gekomen.
Het vaststellen van een tijd, gedurende welke de offerent aan
zijn aanbod gehouden is, verdient aanbeveling.
VII.

Evenals geweld, behoorde ook bedrog door een derde gepleegd,


grond op te leveren tot vernietiging eener overeenkomst.
VIII.

De strekking van art. 1 103 al. 1 B. W. wordt niet beperkt


door de gevallen in de overige alinea's van dat artikel opge
noemd.

IX.

De bewering van prof. OpzooMER, als zou art. 1341 al. 1


B. W. slechts in zeer beperkten zin moeten worden opgevat, is
onjuist.
X.

Onder de schade in art. 140l vermeld, behoort alleen te

worden gerekend, die, welke het onmiddellijk gevolg is der on


rechtmatige daad of nalatigheid.
XI.

De extinctieve verjaring begint te loopen terstond na het ter


leen geven, indien geen termijn voor den duur van het ge
bruik is bepaald.

XII.
ing van
'

e, moet

Ook bij uiterste wilsbeschikking moest een onverstaanbare of


een onmogelijke voorwaarde de geheele wilsverklaring nietig
maken.

ent alll

XIII.

Het beding, dat, in geval van overlijden van een der vennooten,

de maatschap met de erfgenamen moet worden voortgezet, is ook


toe te passen al zijn die erfgenamen minderjarig.

epleegd,
XIV.

beperkt

De chertepartij heeft geen invloed op de rechtsverhouding


tusschen hem, die de goederen ontvangt en den schipper, dan
alleen voor zoover daarnaar in het cognoscement is verwezen.

el opge
XV.

1 al. 1
evat, is

Ten onrechte bepaalt art. 729 W. v. K., dat bij het berekenen
der avarij-grosse de overboord geworpen goederen gewaardeerd
worden naar den marktprijs van de plaats der ontlading van
het schip, na aftrek d e r vr a c h t.
XVI.

lleen te

nationale regeling
regeling omtrent
omtrent aanvaring
ie
OUI
Internationale
aanvaring is
is gebiedend
nood
zakelijk.

ler 0ll
XVII.

het ter

Ook personen, die hoewel niet medebeklaagden, toch zoodanig


bij het strafbare feit betrokken zijn, dat hunne handelingen binnen
het bereik der strafwet vallen, moesten als getuigen worden

het ge

geweerd.

XVIII.

De wettelijke bewijstheorie, zooals zij in het Nederlandsche


wetboek van strafvordering is gehuldigd, strijdt met de belangen
van de maatschappij en met de eischen van het recht.
X| \.

Er bestaat geen strijd tusschen art. 3 der Grondwet en de


bepalingen van de uitleveringswet.
XX.

De tegenwoordige redactie van de Grondwet laat niet toe, dat


bij wijziging in de rechterlijke organisatie, de Hooge Raad zou
worden een hof van appl.
XXI.

De regeling van onze strijdkrachten is niet in overeenstem


ming met het voorschrift in art. 178 van de Grondwet gegeven.
XVII.

Men behoeft niet Nederlander te zijn om deel te nemen aan


een vergadering van ingelanden van een Nederlandsch waterschap.
N NIII.

De intellectueele dader is verantwoordelijk voor alle strafbare


handelingen, onder zijn invloed gepleegd en de gevolgen daar
van, die hij had kunnen voorzien.
\\IV.

Goederen aan zedelijke lichamen toebehoorend kunnen niet


worden verbeurd verklaard.

-- --