Vous êtes sur la page 1sur 11

‘People, planet, profit en pneuma ’

Themabijeenkomst over duurzaamheid in het licht van Pinksteren op 18 mei 2018, in


het Emmaüshuis te Apeldoorn

De volgende stappen naar een duurzame wereld


Presentatie door Teun Wolters (voorzitter werkgroep duurzaamheid ABvK)

Inleiding
De term duurzame ontwikkeling – vaak afgekort tot duurzaamheid – werd vooral bekend door de
publicatie van de VN’s Brundtland-commissie met de titel ‘Our Common Future’ (1987), ofwel ‘Onze
Gemeenschappelijke Toekomst’.

Bij duurzame ontwikkeling werd dan ook vooral gedacht aan de toekomstige generaties. Er is pas
sprake van een duurzame ontwikkeling als de toekomstige generaties, zeg maar onze kinderen,
kleinkinderen en achterkleinkinderen, uitzicht hebben op een leven dat hen in staat stelt in een
levensbehoeften te voorzien, zoals voedsel, kleding, onderdak en onderwijs.

Daarbij werd onderkent dat er in de wereld nog veel armoede was. Om de armoede te kunnen
bestrijden was er nog steeds economische groei nodig. Die groei moest dan wel milieuvriendelijker
gebeuren dan tot dan toe het geval was.

We zien dat op beide terreinen er wel iets gebeurd is: met name door de uitbesteding van werk zijn
in bijvoorbeeld China een paar 100 miljoen uit de armoede gekomen en er is al veel milieuwetgeving
met positieve effecten. Maar, de grondstof verslindende en vervuilende productie en consumptie zijn
zo sterk dat per saldo de algehele situatie op het gebied van duurzaamheid er niet beter op
geworden.

Neem Nederland. Op dat te illustreren verwijs naar dagblad Trouw van twee dagen geleden (16 mei
2018): ‘Wie alleen naar geld kijkt, ziet dat het in Nederland heel goed gaat. Wie breder kijkt ziet dat
de welvaart ten koste gaat van het milieu.’ Zie het onderstaande tekstkader. Nederland is nog ver
verwijderd van een duurzame samenleving en als doorgaat op de huidige, wordt het alleen maar
slechter.

Dat het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ zo populair is, dankt het in grote mate aan het feit dat het
bedrijfsleven aangaf het serieus te willen nemen; dat komt in sterke mate, naar ik inschat, doordat
economische groei nog steeds mogelijk was, ook al bleek de relatie met armoedebestrijding vaag.

Theoretisch gezien, kan men zich economische groei voorstellen die het gebruik van natuurlijke
grondstoffen constant houdt door waarden te creëren met behulp van nieuwe kennis en technologie
(meer doen met dezelfde input). In termen van kilo’s materiaal zien we dat al gebeuren. Een modern
groot gebouw bevat bijvoorbeeld veel minder gewicht aan materialen dan vroeger mogelijk was en is
ook veel beter geïsoleerd dan vroeger. En er wordt al veel meer hergebruikt en gerecycled. En zo zijn
er nog veel meer voorbeelden uit allerlei bedrijfstakken. Maar alles bij elkaar genomen, door meer
mensen op de wereld en vooral door het toenemende gebruik van natuur voor grondstoffen en
energie en door het gebruik van de aarde (grond, water en lucht) als afvalput, is wat gedaan wordt

1
niet genoeg, verre van dat. Dat betekent dat we moeten zoeken naar radicalere manieren om
duurzaamheid dichterbij te brengen.

Uit ‘Trouw’ 16 mei 2018.


“Nederlanders hebben het financieel goed, maar de welvaart legt een grote druk op het milieu.
Ook zorgt die voor uitputting van grondstoffen in het buitenland. Dat blijkt uit onderzoek van het
Centraal Bureau voor de Statistiek naar de brede kwaliteit van leven.
Met de eerste editie van 'brede welvaartsmonitor' probeert het CBS een beter beeld te schetsen
van de welvaart dan het bruto binnenlands product biedt. Er is niet alleen gekeken naar financieel-
economische cijfers maar ook naar factoren als werken en leren, gezondheid, milieu, wonen,
veiligheid en samenleving. Het onderzoek, in opdracht van het kabinet, wordt voortaan jaarlijks
gedaan voor het verantwoordingsdebat in de Tweede Kamer.
Het CBS kijkt bovendien niet alleen naar de brede welvaart ‘hier en nu’, maar richt de blik ook op
‘later en elders’. Daaruit wordt duidelijk dat de Nederlandse welvaart consequenties heeft voor
mensen in andere landen. De goederen en diensten die Nederland invoert zijn in andere landen
geproduceerd. Dat levert daar banen en inkomens op, maar belast ook het milieu. Zo is de
Nederlandse ‘broeikasgasvoetafdruk’, die duidelijk maakt hoeveel broeikasgas andere landen
uitstoten vanwege Nederlandse vraag naar producten, vorig jaar gestegen.
Nederland zelf is binnen de Europese Unie een van de grootste uitstoters van broeikasgassen zoals
CO2 per hoofd van de bevolking. Ook op het gebied van natuur staat het welvarende Nederland
onderaan in Europa: in geen ander land is de hoeveelheid bos en natuur in verhouding tot het
totale landoppervlak zo klein.
Andere factoren duiden er eveneens op dat Nederland ten opzichte van andere landen rijk is maar
niet duurzaam. Inwoners van Nederland produceren bijvoorbeeld veel afval, met gemiddeld 560
kilo per persoon staan zij vrijwel onderaan de Europese ranglijst. En bijna alle andere landen in
Europa gebruiken méér duurzaam opgewekte energie dan Nederland. Geen ander land importeert
zoveel fossiele brandstoffen als Nederland.” ………………..
“De Monitor Brede Welvaart toont volgens het CBS aan dat er ‘een fors gat’ zit tussen de manier
waarop Nederland nu voedsel en andere goederen produceert en ‘een duurzaam productieniveau
dat het milieu niet te veel aantast’. Tevens blijkt eruit dat aan de transitie naar een meer
duurzame samenleving een prijskaartje hangt.”

Waarom gedragen we ons vaak zo destructief en beschadigen we de


natuurlijke omgeving?
Er is al veel onderzoek gedaan naar de psychologie achter het tekortschietend gedrag op het gebied
van onze natuurlijke omgeving. Voor dit essay beperk ik mij tot Griskevicus et al. (2012).

Oorspronkelijk helpen verschillende eigenschappen de mens om zich aan te passen aan zijn
omgeving maar in de moderne tijd is die aanpassende functie er vaak niet meer. Bijvoorbeeld op het
gebied van voedsel was er duizenden jaren lang vaak een tekort aan calorierijk eten; zodra dergelijk
eten beschikbaar was, dan maakte je daar gebruik van. Daarom zijn we nog steeds geneigd calorierijk
voedsel te kiezen. Een dergelijke evolutionaire verklaring is, wat genoemd wordt, een ultieme
verklaring of oorzaak.

Daarnaast worden directe verklaringen onderscheiden ter verklaring van bepaald gedrag.
Gedragswetenschappers hebben zich vooral met directe verklaringen beziggehouden. Het gaat
hierbij om wat een bepaald gedrag direct uitlokt. Directe verklaringen zijn vaak: cultuur, prikkels,
voorkeuren, aangeleerd, nuttig, genoegen, geluk, waarden, emoties en persoonlijkheid. Echter,
vanuit een evolutionair perspectief, is het belangrijker je af te vragen hoe mensen ertoe komen zich

2
op een bepaalde manier te gedragen. Directe en ultieme verklaringen bijten elkaar niet; ze zijn
eerder complementair; ze verklaren gedrag op diverse analyseniveaus.

Volgens een populaire opvatting, afkomstig van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau, zijn
mensen van nature geneigd het milieu/de natuur te sparen (de edele wilde). Veel sociale
problematiek en aantasting van het milieu dat we in werkelijk zien, zou dan zijn voortgekomen uit de
verkwistende Westerse cultuur. Hoewel veel traditionele samenlevingen geloven dat de natuur een
sacrale betekenis heeft, betekent niet dat er voorzichtig met het milieu werd omgegaan. De
betrekkelijk geringe milieuschade die de manier van leven opleverde wordt vooral toegeschreven
aan de kleine aantallen mensen en een tekort aan technologie. De oude nomadische stammen die
leefden van de jacht en het verzamelen van voedsel uit het bos trokken naar andere gebieden zodra
het gebied waar zijn waren geen voedsel meer opleverde of door veel afval onaantrekkelijk was
geworden. Deze achtergrond suggereert dat de mens geneigd is tot het zoveel mogelijk onttrekken
van voorhanden voedsel uit de omgeving in plaats van de omgeving in stand te houden. In plaats van
te leven als nobele wilden, heeft ons soort een lange geschiedenis van het veroorzaken van
ecologische en sociale rampen, zij het dat er telkens een betrekkelijke simpele uitweg was.

De evolutionaire verklaring waarom mensen destructief gedrag vertonen als het gaat om milieu- en
sociale problemen bestaat uit vijf punten:

1. Er is een genetisch bepaalde geneigdheid om eigen belangen voorop te stellen (boven die
van de groep)
2. De eigen status wordt bepaald door zich te vergelijken met anderen (relatieve status)
3. Men is geneigd om onbewust anderen na te doen
4. Mensen hebben de eigenschap om kortzichtig te zijn (het heden is belangrijker dan de
toekomst)
5. Mensen zijn geneigd ongrijpbare zaken terzijde te schuiven

Ad 1. Bekend is de ‘tragedy of the commons’. Als er een stuk gemeenschappelijk land is (zoals in
vroegere tijden), dan probeert (zo is de veronderstelling) iedere boer zoveel mogelijk vee op het land
te laten grazen, ook al weet hij dat er een moment komt dat het land overbegraasd zal zijn, en dus
voor niemand meer nuttig zal zijn. Zelfbeperking is erg moeilijk omdat men denkt dat de ander dat
niet zal doen; er zal in ieder geval een aantal ‘free-riders’ zijn. Dat vertaalt zich ook bij andere
situaties waarbij niemand als eerste ‘het goede voorbeeld’ wil geven.

Ad 2. Het universele menselijk streven naar status draagt ook bij aan de milieuproblematiek. Dit
streven leidt namelijk tot excessieve consumptie, vooral door de aanschaf van buitenissige,
pronkerige producten die verder voor het leven van weinig nut zijn. Hierbij kijkt men vooral wat
mensen in de directe omgeving hebben. Er is hier geen eindpunt; zolang de welvaart toeneemt is er
een impuls om door meer te hebben dan de andere, of iets groters of beters zich een bepaalde status
te verwerven.

Ad 3. Het onbewust nadoen van het gedrag van anderen ziet er bij mensen diep in. Dat kan voor het
milieu nadelig uitpakken. Hoewel, ook is gebleken dat het gedrag van buren op energiegebied in
belangrijke mate bepalend is voor het eigen gedrag op energiegebied.

Ad 4. De overgang van het leven als jagers en verzamelaars naar het leven als boeren betekende dat
het vooruitzien naar de toekomst belangrijk is geworden, heeft de mens, zo is de redenering, nog
steeds veel van het gedrag dat hoort bij jagers en verzamelaars. Nog steeds speelt het onmiddellijke
voldoen aan bestaande wensen in plaats van uitstel voor een groter goed een niet te ontkennen rol

3
in de huidige samenleving. We zien een geneigdheid het heden belangrijker te vinden dan de
toekomst. Jan Terlouw geeft in zijn boekenweekpublikatie een interessante illustratie hiervan.

Ad 5. De gerichtheid op het heden zorgt ook voor het afgaan van de alarmbel wanneer er zich nieuwe
gevaren voordoen zoals vervuiling op grote doch niet steeds zichtbare schaal. Er is ook vaak geen
directe relatie tussen wat mensen consumeren of doen en de vervuilende effecten. Het is daarom
geen onbegrijpelijk verschijnsel te zien mensen nauwelijks een antenne heeft voor niet direct
zichtbare milieuproblematiek. We zien niet hoe bijvoorbeeld ons voedsel wordt gemaakt of hoe
producten in fabrieken worden geproduceerd.

Jan Terlouw in zijn Boekenweekessay in 2017 getiteld ‘Natuurlijk’ kwam met een interessante
vergelijking als het gaat om de korte versus de lange termijn. Hij schreef: “Toen de Merwedebrug
in de A27 door haarscheurtjes in de draagconstructie minder veilig werd geacht, moest het
vrachtverkeer meteen vijftig kilometer omrijden. …… Maar toe Shell begin jaren negentig een film
maakte waarin op grond van een deugdelijke analyse bleek dat bij ongewijzigd beleid het in 2050
op aarde vier graden warmer zou zijn, gebeurde er niets.

Op basis van deze uitgangspunten, doen Griskevicus et al. (2012) voorstellen over hoe men mensen
kan bewegen om oog te krijgen voor de milieuproblematiek. De auteurs stellen dat hoewel de
menselijke natuur bijgedragen heeft aan veel problemen, dezelfde natuur het ook in zich heeft te
werken aan de oplossing ervan. Niettemin is inspelen op de uit het voorouderlijk verleden komende
natuur niet voldoende. Er is een beroep nodig op verantwoordelijkheid, op medemenselijkheid, op
het treden buiten je comfortzone ter wille van het welzijn van allen.

Een interessante parallel in de geschiedenis is aangedragen door Naomi Klein (2015). Zij stelt dat
sociale verandering vaak vereist dat er een crisis ontstaat doordat individuen en organisaties
bepaalde realiteiten onaanvaardbaar vinden. Ze wijst onder andere op de afschaffing van de
slavernij. Eeuwenlang was slavernij geaccepteerd. Vooral door protesten en acties van
protestantse groepen in Engeland (met name Quakers en Baptisten) kwam er een tegenbeweging
die uiteindelijk leidde tot de afschaffing van de slavernij. Naomi Klein (2015) suggereert dat het
niet ondenkbaar is dat ook als het gaat om de omslag die duurzaamheid vereist, langs een
dergelijke weg werkelijkheid wordt.

Grenzen aan de groei


Hoewel menselijk gedrag wereldwijd verschillen vertoont, ziet het ernaar uit dat de wereldwijde
verspreiding van de consumentencultuur op basis van industriële productie zonder veel culturele
weerstand alle uithoeken van de wereld bereikt heeft (Kopnina, 2015). Ook Kopnina sluit aan bij
degenen die menen een aantal universele menselijke eigenschappen te zien waaraan je niet voorbij
kunt gaan. Bij het bedenken van beleid kun je maar beter met deze eigenschappen rekening houden.
Bovendien is het nog niet altijd duidelijk wat het juiste duurzaamheidsbeleid zou zijn. Er zijn veel
partijen bij betrokken met eigen gezichtspunten en belangen. Niettemin bestaat hierbij het gevaar
dat door deze discussie velen een afwachtende houding aannemen en dus geen stap verder komen.
Een ding moet duidelijk zijn, daarin volg ik Kopnina en anderen, ‘business as usual’ (hoe mooi ook
verpakt) is strijdig met duurzaamheid en economische groei zoals we die al lang kennen kan niet
meer. Er is nog steeds veel ‘greenwashing’, dat is bedrijfsbeleid dat in feite geen of slechts marginale
verbeteringen oplevert, maar, als het erop aankomt, duurzaamheid niet dichterbij brengt.

4
Vaak wordt ‘duurzaam ondernemen’ vertaald op basis van de drie P’s: People, Planet en Profit. Het is
duidelijk wat de ‘uitvinder’ van dit concept (Elkington, 1998) bedoelde: het gaat niet alleen om
winstmaken, maar ook om waarden op sociaal en ecologisch gebied. Bedrijven dienen naast
economisch te kunnen functioneren, in milieuopzicht gezond te zijn en ook op sociaal gebied
verantwoordelijkheid te tonen.

Je kunt natuurlijk zeggen dat op lange termijn de drie P’s sowieso bij elkaar komen, dat wil zeggen, ze
beïnvloeden elkaar. Maar, het gaat er om wat er in de ‘tussentijd’ gebeurt. Dan zie je dat de drie P’s
bijvoorbeeld betekenen “we houden ons aan de wet”, wat op zichzelf al best wat voorstelt (helemaal
vanzelfsprekend is dat niet, zeker als het gaat om milieuwetten of sociale wetten). Dus, de drie P’s
vormen al een interessante opstap naar duurzaam ondernemen. Je komt een stap verder bij het
helder maken van doelstellingen die een bedrijf nastreeft. Het is dan vervolgens mogelijk uit te
spreken wat daarbij de waarden zijn die belangrijk worden gevonden. Op basis daarvan kan men een
missie en een visie verwoorden die vertaald kunnen worden in een concrete strategie. Hieruit kun je
afleiden hoe men de verhouding ziet tussen het winststreven op korte termijn en de condities voor
waardecreatie en continuïteit op lange termijn (Wolters, 2013). Dan wordt duidelijk wat voor bedrijf
je echt wilt zijn.

Het valt daarbij op dat in de praktijk werkelijke actie op het gebied van duurzaamheid door bedrijven
en andere organisaties niet op grond van eenduidige impulsen tot stand komt. Uiteindelijk kan men
drie krachten onderscheiden:

- De kracht van de eigen waarden en oriëntaties (die onder andere gevoed worden door je
geloofsovertuiging)
- De noodzaak om te veranderen voortkomend uit maatschappelijke druk en regelgeving (de
moraal om daaraan mee te doen zonder de kantjes ervan af te lopen wordt onder andere
gevoed door je geloofsovertuiging)
- Kansen die er zijn om door duurzaam te handelen nieuwe waarden te creëren in de markt en
op andere wijzen (de wens om niet alleen voor jezelf te zorgen maar ook bij te dragen aan
een duurzame en rechtvaardige samenleving wordt gevoed door je geloofsovertuiging).

Voor de een is de ene kracht belangrijker dan de andere maar alle drie zijn nodig om tot een
duurzame samenleving te komen.

We dienen er ook verdacht te zijn dat ideologische denkbeelden gebaseerd zijn op verouderde
uitgangspunten. Als economiestudent, dat is lang geleden, werd ik geconfronteerd met de gedachte
dat de aarde onuitputtelijk is en dat menselijke behoeften oneindig zijn. Tezamen betekende dat er

5
altijd ruimte is voor economische groei. Dat leverde een optimistisch gevoel op. Als we de economie
goed managen dat is er altijd activiteit en werk. Ook in het begrip van duurzame ontwikkeling zit dit
optimisme besloten (zij het wat meer verdekt). Dat is een van de redenen dat het door het
bedrijfsleven werd omarmd. Inmiddels weten we beter. De economische groei zoals we die kennen
en meten, hoewel die in de beginjaren echt wel tot welvaart en welzijn heeft geleid, is aan het eind
van zijn Latijn gekomen. Deze leidt tot voortgaande ongelijkheid, kan het armoedevraagstuk
onvoldoende oplossen en maakt een onverantwoord gebruik van de natuurlijke rijkdom van de
aarde. Naomi Klein (2015) vertelt dat ze bijeenkomsten van conservatieve groepen in de VS heeft
bijgewoond die de klimaatproblematiek en andere duurzaamheidsproblemen ontkennen. Ze
ontdekte dat deze groepen heel goed door hadden wat het betekent als men zou erkennen dat de
mens wel verantwoordelijk zou zijn voor klimaatverandering. Dat zou betekenen dat ze hun visie op
de (heilzame werking van de) vrije markt zouden moeten opgeven en moeten erkennen dat de
overheid een grote rol zou moeten spelen in de oplossing van de gerezen problematiek. Dat was
tegen hun ideologie.

Maar, misschien moet de gedachte die bij anderen leeft dat we niets van de markt te verwachten
hebben, ook bijgesteld worden. Op allerlei manieren zijn er mensen bezig, in onderzoek, techniek, in
nieuwe businessmodellen bezig duurzaamheid dichterbij te brengen. Misschien heeft het iets met
het Pneuma te maken, rekening houden met het onverwachte, met het schijnbaar onmogelijke, met
betrokkenheid en doorbraken vanuit hoeken die je niet in gedachten had. Ik kom daar nog op terug.

In de volgende paragraaf komt de donuteconomie ter sprake. Deze biedt een goede kijk op de
uitdagingen waarvoor we gesteld zijn.

De Donuteconomie
Volgens Kate Raworth (2012; 2017) is de uitdaging van de 21ste eeuw het overwinnen van armoede
en het bereiken van een goed leven voor iedereen binnen de grenzen die de aarde stelt. Zij stelt de
bestrijding van armoede voorop. Voor een goed deel is die afhankelijk van het vermogen van de
mensheid om het gebruik van natuurlijke bronnen binnen bepaalde grenzen te houden.

De ruimte voor duurzame ontwikkeling wordt hierbij voorgesteld als een ‘donut’ (zie de afbeelding
hierna). Binnenin bevindt zich een kritische ruimte onder het sociale fundament dat nodig is voor een
goed leven. Het model laat 11 dimensies van het sociale bestaan zien, zoals water, energie, voedsel
en gezondheid.

Mensen die leven onder dat sociale fundament uitkomen, leven in armoede; zij ontberen allerlei
essentiële zaken om in hun levensonderhoud te voorzien. De armoedesituatie kan per regio en stad
en ook per huishouding sterk verschillen. Mensen uit de armoede halen, is, zoals al vermeld, een
belangrijk prioriteit.

Tegelijkertijd vereist duurzame ontwikkeling dat het gebruik die mensen maken van de natuurlijke
bronnen binnen bepaalde milieugrenzen blijft. De milieugrenzen worden nu vaak overschreden, of
althans de risico’s dat dit gebeurt zijn groot. Dit alles leidt tot bekende verschijnselen als
klimaatverandering, verlies van biodiversiteit en verslechtering van de kwaliteit van land, lucht en
water.

Tussen het sociale fundament dat beschermt tegen armoede aan de ene kant en de uiterste
milieugrenzen aan de andere kant ligt een veilige ruimte voor menselijke ontwikkeling. Het is de
ruimte waar zover menselijk welbevinden als planetaire gezondheid verzekerd zijn en rekening wordt
gehouden met hun onderlinge afhankelijkheid.

6
Bron: Raworth (2017). De Donut: 11 dimensies van de sociale basis en 9 dimensies van de
ecologische grenzen.

Het sociale fundament


De verschillende sociale prioriteiten kunnen als volgt worden ingedeeld:

- Welbevinden: voedselveiligheid, voldoende inkomen, verbeterde situatie op het gebied van


water en sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg.
- Productief zijn: goed onderwijs, verantwoord werk, moderne energievoorziening en buffers
om tegenslagen op te vangen.
- In je kracht gezet worden (empowerment): gelijkheid tussen mannen en vrouwen, sociale
rechtvaardigheid en politieke mondigheid.

Niemand zou op deze gebieden ernstig tekort moeten komen, maar de realiteit laat zien dat op al
deze gebieden mensen zich in een situatie onder het sociale fundament bevinden. De afgelopen
jaren zijn op enkele gebieden verbeteringen gerealiseerd (zoals op het gebied van het
basisonderwijs, medicijnen tegen HIV en schoon drinkwater). Niettemin blijft er nog veel te wensen
over gegeven de ongelijkheid die op vele plekken op de wereld aanwezig is.

7
Het milieuplafond: de grenzen die de aarde stelt
Het denken in termen van planetaire grenzen is belangrijk om voor de natuurlijk bronnen en
processen die mensen nodig hebben voor een duurzame ontwikkeling. In 2009 heeft een groep
wetenschappers negen kritische natuurlijke processen (samenhangend met de aarde als systeem)
aangegeven, waarbij de risico’s van gevaarlijk omslagpunten in kaart werden gebracht. Als deze
omslagpunten overschreden worden dan zou dat een verwoestende uitwerking hebben, vooral voor
de mensen die in armoede leven.

Daarom is zo belangrijk om binnen de grenzen die de aarde stelt te blijven. Dat vereist politieke
samenwerking op een wereldwijde schaal en de vertaling van afspraken naar nationaal en regionaal
beleid. We zien al dat de negen kritische processen sterk raken aan de milieuzorgen van diverse
overheden. Zo kwantificeerde de Stockholm Resilience Centre dat de milieugrenzen op tenminste
drie gebieden al zijn overschreden: klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit en het gebruik van
stikstof, terwijl bij ongewijzigd beleid ook drinkwater en landgebruik op hun grenzen zullen stuiten.

Het gebied tussen het sociale fundament en het milieuplafond


Mensenrechtenadvocaten wijzen al gedurende een lange periode op het recht dat mensen hebben
op het kunnen voorzien in hun basisbehoeften terwijl ecologische economen al geruime tijd wijzen
op de noodzaak om de economie binnen bepaalde milieugrenzen te houden. De donut brengt deze
beide zienswijzen samen in een overzichtelijke afbeelding. Het gebied tussen de sociale fundering en
het milieuplafond is waar de economische ontwikkeling, die inclusief en duurzaam is, dient plaats te
vinden. Deze benadering laat ook relaties zien tussen armoede en milieu. Bijvoorbeeld, door gebrek
aan gas of zonne-energie gebruikt men veel hout om te koken (is slechts voor de gezondheid en het
milieu); biobrandstoffen worden verbouwd, wat ten koste kan gaan van bestaande bossen;
voedselprijzen kunnen hierdoor omhooggaan; er vindt ook mede hierdoor het inpikken van land
plaats waarvan het eigendom niet (strikt) is vastgelegd. Armoedebestrijding kan ook zo gebeuren dat
het milieu belast wordt; dit moet en kan worden voorkomen.

Belangrijk mogelijkheden om armoede te bestrijden dat in overeenstemming is met duurzaamheid,


zijn:

- Vrouwen de mogelijkheid bieden aan gezinsplanning te doen door professionele zorg


- Isoleren van woningen waardoor veel energie bespaard kan worden
- Verminderen van het verloren gaan van voedsel (nu gaat wereldwijd een derde van al het
geproduceerde voedsel verloren (bij de oogst, bij de opslag of bij de consument).

De wereldwijde armoedebestrijding heeft een hoge prioriteit. Dat kan gebeuren met maar een zeer
geringe toename van de milieudruk. Dat geldt voor voedsel en energie; ook in termen van inkomen is
naar verhouding maar weinig nodig. De echte problemen liggen bij de rijke landen die veel van het
wereldinkomen opeisen, naar verhouding zeer veel energie en stikstof verbruiken. De technologie is
echter beschikbaar om tot een verandering te komen zonder dat daardoor de directe welvaart
wezenlijk hoef te dalen.

8
De duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, te
bereiken in 2030.
In 2015 heeft de VN nieuwe doelstellingen afgekondigd. Er zijn 17 doelen geformuleerd (de SDG’s)
die tot concrete programma’s moeten leiden in alle landen die deze agenda voor duurzame
ontwikkeling hebben ondertekend.

De doelstellingen zijn als volgt:

1. Beëindigen van armoede overal ter wereld.


2. Beëindigen van honger, bereiken van voedselzekerheid, betere voeding en duurzame
landbouw.
3. Zorgen voor gezondheid en welzijn voor mensen van alle leeftijden.
4. Zorgen voor inclusieve, kwalitatief goed onderwijs en leven lang leren.
5. Bereiken van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en versterken van de positie van
vrouwen en meisjes.
6. Zorgen voor de beschikbaarheid van water en sanitair voor iedereen.
7. Zorgen voor de beschikbaarheid betaalbare, betrouwbare en duurzame energie voor
iedereen.
8. Zorgen voor een aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en
productieve werkgelegenheid en goede banen voor iedereen.
9. Bouw een goede, aangepaste infrastructuur, bevorder een inclusieve en duurzame
industrialisatie en koester innovatie.
10. Verminder ongelijkheid binnen en tussen landen.
11. Maak streden en vestigingsplaatsen inclusief, veilig, zich aanpassend aan nieuwe
omstandigheden en duurzaam.
12. Zorg voor duurzame productie- en consumptiepatronen.
13. Neem snelle actie om klimaatverandering en de gevolgen ervan tegen te gaan.
14. Bewaar en maak duurzaam gebruik van de oceanen, zeeën en mariene bronnen ten behoeve
van duurzame ontwikkeling.
15. Bescherm, herstel en bevorder een duurzaam gebruik van de ecosystemen op land, zorg voor
duurzaam bosbeheer, bestrijd verwoestijning en stop en draai terug de achtergang van
bodems en roep het verlies aan biodiversiteit een halt toe.
16. Bevorder vreedzame en inclusieve samenlevingen ten behoeve van duurzame ontwikkeling,
zorg voor toegang tot een goede rechtsgang voor iedereen en bouw effectieve, open en
inclusieve instituties voor alle lagen van de bevolking.
17. Versterk en middelen en wereldwijde partnerschappen ten behoeve van duurzame
ontwikkeling.

Werken aan de bereiken van deze doelstelling dient op nationaal niveau uitgewerkt te worden. Voor
Nederland zijn veel aspecten er redelijk gunstig uit. Hoewel de fysieke leefomgeving in Nederland
redelijk op orde is, worden met het huidige en voorgenomen beleid veel van de bestaande
doelstellingen niet gehaald, zo blijkt uit de Balans van de Leefomgeving 2014. Doelstellingen omtrent
lucht, water en natuur kunnen alleen worden gehaald met een intensivering van het beleid, terwijl
voor het halen van doelstellingen omtrent voedselverspilling en de milieudruk op natuur een
fundamentele beleidsherziening nodig is. De Balans constateert verder een afname in het tempo van

9
vooruitgang, waardoor verschillende lange-termijndoelstellingen buiten bereik zijn komen te liggen.
Dit is een belangrijke notie bij het bepalen van het Nederlandse ambitieniveau voor de nationale
implementatie van de SDG’s.

Wat kunnen en moeten we doen? Hoe staan we daarin?


Het voorgaande geeft een inkijk in wat er op het gebied van duurzaamheid speelt. De donut geeft
een belangrijke verbintenis tussen de sociale problematiek en duurzaamheid.

Wat zou de P van pneuma kunnen bijdragen aan het omgaan van de problematiek. Uitgaande van
Galaten 5 zou de Geest ons helpen om boven onze beperkingen uit te stijgen. Dat hoeft niet op basis
van het voelen van beklemmende verplichtingen. Vanuit een gevoel van vrijheid kunnen we
handelen. Het hoeft niet, het mag.

Dat kan vooral als het economische een niet al te dominerende rol vervult. Het belang van het
economisch is niet uit te vlakken. Als het bijvoorbeeld gaat om armoede en sociale ellende is dat in
grote mate een economisch vraagstuk, hoe kun je middelen en tijd ter beschikking stellen.

Het tekort van onze economie – ongelijkheid en het overschrijden van milieugrenzen – zorgt ervoor
dat die constant te veel aandacht krijgt. Die aandacht is nodig maar zou als we de goede richting
opgaan, minder moeten worden. Dan komt er meer tijd en energie voor de ‘leuke dingen’, voor
vrijheid, voor ontmoeting voor de ontmoeting, niet om iets te bereiken.

Ook op het kerkelijk erf speelt dat. De officiële kerk kun je zien als het georganiseerde huishouden,
een economie dus, van de kerk als gemeenschap; deelname daaraan is niet vrijblijvend; er wordt wat
van je gevraagd in verschillende opzichten. De middeleeuwse mystica Marguerite onderscheidde,
wat zij noemde, de kleine kerk. De kleine kerk was in haar ogen de officiële kerk met al zijn ambten
en kathedralen. De grote kerk is wat er in de praktijk gebeurde. Het is niet verbazend dat haar relatie
met de kerkelijke leiding niet zo goed was. Maar, het kernidee spreekt me wel aan. De kleine kerk is
belangrijk maar mag niet te veel opeisen en daardoor haar doel voorbijschieten (zo interpreteer ik);
het gaat om de ‘grote kerk’; die is er op allerlei manieren. Van Paul van Geest, hoogleraar
kerkgeschiedenis in Tilburg, zag ik laatst een videopresentatie waarin hij de vraag stelde waarom
vertegenwoordigers van het Vaticaan in vele situaties welkom zijn bij diplomatiek overleg terwijl het
Vaticaan zelf niet groter is dan enkele voetbalvelden. Hij kwam met het verhaal dat de RK kerk in veel
landen op het gebied van onderwijs en gezondheidzorg een belangrijke rol speelt (dat wordt in
Nederland niet zo erg beseft). Hij noemde dit een vorm van ‘soft power’, die niet uit te vlakken was.
Hierbij was er trouwens sprake van een beperkte hiërarchie. De betrokken organisaties
(congregaties, ordes e.d.) die voor de dienstverlening verantwoordelijk zijn opereren behoorlijk
zelfstandig. ‘Een keer per jaar’ is een vertegenwoordiging van die organisaties in Rome om hun
aanhankelijkheid aan de paus te betuigen. Maar, dat is het, zo’n beetje. Dit is waarschijnlijk wat kort
door de bocht (door mij) uitgelegd. Maar het beeld spreekt me aan; het gaat om de ‘grote kerk’, de
dienst aan de wereld.

Bij alle urgentie die het duurzaamheidsvraagstuk oproept en bij alle besef dat er niet genoeg gedaan
wordt, is het goed te beseffen dat in allerlei situaties mensen actief werken aan duurzaamheid. Het is
ook hartverwarmend en enthousiasmerend te merken hoeveel jonge mensen besef hebben van
duurzaamheid. En ook bij allerlei bedrijven zie je een grote betrokkenheid bij duurzaamheid. Schone
technologie is een grote bron van economische vernieuwing.

10
Voor iedereen geldt, en niet in het minst voor bedrijven, dat veel meer dan voorheen het
maatschappelijk belang in ons handelen voorop dient te staan. Onze volgende stappen naar een
duurzame wereld dienen daardoor gekenmerkt te worden.

Duurzaamheid is geen bijzaak, geen zaak nadat alle andere belangen veilig gesteld zijn. Dat moet in
het onderwijs doorklinken, en ook in de kerk een plaats krijgen, ook in de liturgie. Duurzaamheid is
geen ‘keuzevak’ maar een kernvak met gevolgen voor de traditionele vakgebieden die we kennen.
Het moeten komt voort uit een besef van urgentie, uit het besef dat het anders moet om de planeet
voor toekomstige generaties leefbaar te houden. Het handelen dat erbij hoort kan dankzij de Geest
zich in vrijheid afspelen. Dan krijgt ook creativiteit een kans. Dan verstaan we de tekens. En of het nu
om de kleine of de grote kerk gaat, voor ons als Christenen is het leven een ‘guided tour’, een pad
met een gids, ook al speelt die vaak alleen op de achtergrond een rol en laat die keuzes aan ons:
keuzes in vrijheid.

References
John Elkington (1998) Cannibals with forks. The triple bottom line of the 21st century. Gabriola Island
BC (Canada): New Society Publishers

Vladads Griskevicius, Stephanie M. Cantu, and Mark de Vugt (2012) ‘The Evolutionary Bases for
Sustainable Behavior: Implications for Marketing, Policy, and Social Entrepreneurship’, Journal of
Public Policy & Marketing, 31 (1), pp. 115-128

Naomi Klein (2015) This Changes Everything. Capitalism versus the Climate. Penquin Books.

Helen Kopnina (2017) ‘Sustainability: new strategic thinking for business’, Environment, Development
and Sustainability, 19 (1), pp. 27–43

Kate Raworth (2017) Doughnut Economics. Seven ways to Think Like a 21st-Century Economist.
Penquin Books

Teun Wolters (2013) Sustainable Value Creation as a Challenge to Managers and Controllers.
Apeldoorn (NL): Wittenborg University Press

World Commission on Environment and Development (1987) Our Common Future. New York: United
Nations

11