Vous êtes sur la page 1sur 3

ENKELE TERMEN, BEGRIPPEN, DEFINITIES EN ANDERE INHOUDELIJKE

ASPECTEN DIE IN DE EERSTE VIER COLLEGES 19DE EEUW TER SPRAKE


ZIJN GEKOMEN:

TERMEN EN BEGRIPPEN:

Symbool: Iets staat symbool voor iets anders. Symbool is een lastig begrip waaraan heel
moeilijk een eenduidige definitie valt te geven. Een symbool is een begrip, of een
voorstelling daarvan, dat een ander begrip vervangt en a.h.w. samenvat. Iedere cultuur
kent zijn eigen symbolentaal.
De Westeuropese kunstgeschiedenis (vooral oude kunst) kenmerkt zich door het
gebruik van talloos veel symbolen, hetzij directe, hetzij indirecte symbolen. Het Lam
Gods is een symbool voor Christus (maar weer het attribuut van Johannes de Doper). Een
hond kan symbool staan voor Trouw (in de 17de eeuw, maar in de 19de eeuw is een hond
gewoonweg vaak een hond). Op verkeersborden staan bv. symbolen; een rond bord met
een streep betekent ‘verboden in te rijden’.

Personificatie: een veel voorkomend symbool is de personificatie, waarbij een figuur een
niet stoffelijk begrip, een abstractie dus, vervangt. Doorgaans is deze figuur een vrouw,
omdat de woorden die in het Latijn abstracte begrippen aanduiden doorgaans vrouwelijk
zijn. Bijvoorbeeld Maria is een personificatie van de Kerk.

Allegorie: Allegorie is in wezen een complex begrip, complexer dan symbool en


personificatie. De allegorie is een product van het filosofisch denken uit de klassieke
oudheid. De allegorie probeert het niet-zichtbare zichtbaar te maken. In tegenstelling tot
symbool, dat men in alle culturen en religies tegenkomt, is het begrip allegorie in
hoofdzaak Westeuropees. Een vrouw, geblinddoekt en met weegschaal, is een allegorie
voor de Rechtspraak.
Kortweg: personificaties kan men ook allegorische figuren noemen. Wanneer deze
figuren handelend optreden, meestal in relatie tot andere figuren, dan spreekt men van
een allegorie. Zeer eenvoudig gezegd: een allegorie bestaat uit een personificatie in actie.

Delacroix’ sleutelwerk 28 juli, de Vrijheid leidt het volk (1830) is een prachtig voorbeeld
van een allegorie. De half ontblote vrouwfiguur (die het volk leidt) staat voor vrijheid en
overwinning. Delacroix maakte gebruik van een oude beeldtraditie en verpakte die in een
modern jasje, liet de figuur opgaan in actie -> we spreken dan van (in het Engels) een
‘naturalized allegorical personification’.

Avantgarde: ook het begrip avantgarde is een lastig begrip. Het begrip is synoniem
geworden voor de meest avontuurlijke en vooruitstrevende manifestaties in de 19de en
20ste-eeuwse kunst, variërend van Manets Olympia (1863), tot Duchamps ready mades en
Damien Hirsts The Physical Impossibility of Death in the Mind of Someone Living
(1991), een tijgerhaai op sterk water die zeer veel commotie veroorzaakte. Het begrip
werd oorspronkelijk toegepast door socialistische theoretici en in verband met kunst voor
het eerst gehanteerd in de late geschriften van Comte de Saint-Simon (1760-1825), de
grondlegger van het Franse socialisme. Een avantgarde kunstenaar loopt per definitie
vooruit op een beweging in de kunst, die de voornaamste uitgangspunten van deze
avantgarde kunstenaar als richtsnoer hanteert en ze tot een meer gemeenschappelijke
kunstopvatting onder een grotere groep kunstenaars maakt.

DEFINITIES VAN KUNSTSTROMINGEN – EN STIJLEN:

NEOCLASSICISME is een kunststroming - waaronder niet alleen de beeldende kunsten,


maar ook de architectuur - die plaatsvond tussen ca. 1770 en ca. 1830, met het werk van
J.L. David als artistiek hoogtepunt. Met name in Frankrijk hebben honderden kunstenaars
in deze stijl gewerkt, maar ook elders in Europa. De term werd pas gelanceerd in de jaren
tachtig van de 19de eeuw.
Het neoclassicisme moet gezien worden als een dominante stijlrichting in de
Verlichtingsperiode (reactie op Rococo) en kenmerkt zich door een gestrengheid in stijl,
sterk geïnspireerd door de toenemende belangstelling voor Griekse en Romeinse kunst-
en cultuuruitingen. Neoclassicistische schilderijen hebben vaak een moralistische
boodschap over deugdzaamheid, trouw, etc. Belangrijk en groot is de invloed geweest
van Johann Joachim Winckelmann, een van de grondleggers van de discipline
Kunstgeschiedenis. Mogelijk is De Eed van de Horatii wel het meest bekende schilderij
dat het predicaat neoclassicisme heeft gekregen.

ROMANTIEK is een kunststroming – waaronder niet alleen de beeldende kunsten, maar


ook muziek en literatuur – die plaatsvond tussen ca. 1800 en 1840 (dus deels
samenvallend met het neoclassicisme). Deze stroming is ook in Duitsland (in het werk
van onder anderen Phillip Otto Runge en Caspar David Friedrich) sterk naar voren
gekomen. In Frankrijk staat Delacroix bekend als de grootste Romantische schilder.
Romantiek is een moeilijk te vatten begrip, dat te pas en te onpas wordt gebruikt, ook
anno 2009. Het gaat in hoofdzaak om de volgende punten:
- emotie, intuïtie en gevoel krijgen in de Romantiek meer aandacht en komen op gelijk
niveau te staan met ratio/rede (Friedrich zei ‘dat de enige wet voor de kunstenaar zijn
eigen gevoel is’.
- in het verlengde hiervan ontstond er meer en meer een geloof/opvatting dat essentiële
ervaringsgebieden door de ratio veronachtzaamd waren;
- meer en meer ontstond een geloof in de belangwekkendheid van het individu, het
subjectieve, het persoonlijke, het gevoelsleven van de kunstenaar (dat af moest stralen in
het kunstwerk). De opvatting over het kunstwerk veranderde, alsmede de rol van de
kunstenaar.
Schilderijen die tot de Romantiek worden gerekend zijn (op het oog) in compositorisch
opzicht minder gestructureerd, maken dus een wat rommeliger indruk. Dat geldt evenwel
weer niet voor veel werk van Friedriech (Frau in der Morgensonne,ca. 1818-20). Kleur
maakt een zeer belangrijk deel uit van de compositie als geheel.

In beide kunststromingen, neoclassicisme en romantiek, neemt de weergave van


realistische elementen (vuile voeten in een werk van Géricault of kleine details in een
schilderij van David) vaak een belangrijke plaats in.
REALISME: is een al even complexe aanduiding voor een belangrijke 19de-eeuwse
kunststroming (ca. 1840-1875) als romantiek. Het is de benaming voor een stroming
(opnieuw: niet uitsluitend in de beeldende kunsten) die in de jaren vijftig en zestig van de
19de eeuw een hoogtepunt beleeft. Het gaat in deze stroming om een nauwkeurige,
onbevooroordeelde weergave van de waarneembare werkelijkheid. (Chu behandelt ook
het zgn. Naturalisme!!). Maar zoveel hoofden zoveel zinnen. Eén duidelijke vorm van
Realisme bestaat niet. Courbet, Millet en Daumier gaven ieder voor zich een geheel eigen
invulling aan hun realistische kunstopvatting en uitgangspunten. Veelal worden in
realistische schilderijen de lagere sociale klassen afgebeeld, in werksituaties of huiselijke
omgeving. De hiërarchie in onderwerpskeuze wordt volledig opzij gezet. Zeer belangrijk
is Daumiers uitspraak geweest: “Il faut être de son temps” (je moet van je eigen tijd zijn,
met je eigen tijd mee gaan, m.a.w. geen mythes meer willen vertellen, geen
historieschilderkunst meer willen bedrijven).
Courbets Atelier van de schilder (1854-55) is volgens de subtitel een ‘reële allegorie’.
Maar zoals Champfleury al opmerkte in een brief aan G. Sand: “Een allegorie kan niet
reëel worden, zoals een werkelijkheid nooit allegorisch kan worden.”

Over de schilderwijze van de IMPRESSIONISTEN, met kunstenaars zoals Monet,


Degas, Renoir, Sisley en anderen, is al veel gepubliceerd. In kunsthistorische literatuur
wordt nogal eens gesproken over het zgn. “prismatische palet” van de impressionisten
(mengen van de verf op het palet, gebroken penseelwerk). POINTILLISTEN zoals Seurat
(4de college) systematiseren dit gebroken penseelwerk en streven naar het optisch mengen
van de kleuren in het oog (de stippeltjes vloeien, vanaf een zekere afstand bekeken, in
elkaar). De stijl en stroming waar we de kunstenaars die deze techniek toepassen toe
rekenen, noemen we het NEO-IMPRESSIONISME (1886-1906). Zij vernieuwen en
systematiseren het impressionisme.

Het POSTIMPRESSIONISME, waar we ‘reuzen’ uit de kunstgeschiedenis zoals Seurat,


Gauguin, Van Gogh en Cézanne toe rekenen, is een verzamelbegrip en duidt de periode
na het impressionisme aan (1886-1906). De preoccupatie van de impressionisten voor
licht en kleur en voor het vluchtige (momentanité) maakt plaats voor een meer
uitgesproken fascinatie voor de vorm (Cézanne, ook Seurat), voor lijn en kleur (Van
Gogh, Seurat, Gauguin), met een zekere nadruk op abstractie (Gauguin, ook Cézanne)
en/of een meer symbolische inhoud (Gauguin).