Vous êtes sur la page 1sur 22

REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

En dan staat het stil.

Muurvast, geblokkeerd, op de A7 tussen Joure en Oudehaske, op zaterdagochtend 18 november


2017. 45 minuten lang.

Deze blokkade wordt één van de meest besproken blokkades ooit in Nederland. Niet omdat de
blokkade in Friesland is, niet omdat het zaterdagochtend is en niet omdat de blokkade 45 minuten
duurt. Wél omdat hij moedwillig is veroorzaakt en is gericht tegen anti-Zwarte Piet-demonstranten
die op weg zijn naar Dokkum.

Niet de intocht van Sinterklaas in Dokkum domineert op 18 november 2017 het nieuws, maar de
blokkade op de A7.

Twee groepen mensen staan lijnrecht tegenover elkaar op de snelweg. Anders gezegd:
diepgewortelde gevoelens, gebruiken en meningen staan tegenover elkaar. Niet alleen op de A7,
maar in het hele land.

De blokkade van de A7 heeft gezorgd voor een verheviging van het al langer gevoerde
maatschappelijke debat over Zwarte Piet. Dit verklaart waarom deze rechtszaak zoveel media-
aandacht krijgt. Niet alleen de verdachten en de aangevers, maar ook heel veel andere mensen
vinden dit een belangrijke rechtszaak. Dat realiseren wij ons.

Maar: deze rechtszaak gaat helemaal niet over Zwarte Piet, of over de vraag wie gelijk heeft in die
maatschappelijke discussie. Deze zaak gaat over het gedrag van deze verdachten.

Het doel van de verdachten is het verhinderen dat de demonstranten kunnen betogen in Dokkum.
Het middel dat zij daarvoor aanwenden is het blokkeren van de snelweg. Zowel het middel als het
doel is strafbaar. Verdachten hebben de veiligheid van het verkeer in gevaar gebracht en de
grondrechten van anderen ingeperkt.

Grondrechten, zoals het recht om geen fysiek gevaar op te lopen door het handelen van anderen, of
het recht om niet te worden beknot in de vrijheid om te bewegen of in de vrijheid van
meningsuiting, behoren tot de meest essentiële fundamenten van een democratische rechtsstaat.
Inbreuken op deze grondrechten zijn dan ook niet voor niets strafbaar gesteld in het Wetboek van
Strafrecht. Wij kunnen niet genoeg benadrukken dat, zelfs als je denkt dat je volledig gelijk hebt in je
standpunt, dit geen enkele legitimatie is om de uiting van tegengestelde standpunten te beknotten.

Het belang van de vrijheid van meningsuiting is treffend tot uitdrukking gebracht met de volgende
beroemd geworden zinsnede uit een boek over de Franse filosoof Voltaire: “ik ben het niet eens met
wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen tot mijn dood toe verdedigen.”

De vrijheid van meningsuiting geldt ook de ander en juist ook als je denkt dat die ander volstrekt
verkeerd zit. Respect voor het recht van de ander om zijn mening te mogen uiten, is onmisbaar in
een democratische rechtsstaat, waarin de belangen en gevoelens van een ieder gehoord moeten
1
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

kunnen worden. En daarom zijn inbreuken op dat soort grondrechten strafbaar, zoals gezegd,
ongeacht het onderwerp van discussie.

Het recht op vrije meningsuiting en het recht op betoging komt de demonstranten én de verdachten
toe. Beide groepen hebben hun eigen mening over Zwarte Piet. Die verschillende meningen dienen
beide te worden gerespecteerd. Want Nederland is een vrij land, waarin we het hartstikke oneens
mogen zijn met elkaar.

Het recht op de vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in artikel 15 van de Grondwet en artikel 10
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens de jurisprudentie van het
Europese Hof voor de rechten van de Mens is dit geen absoluut recht. Het recht van vrije
meningsuiting kan op grond van het tweede lid van artikel 10 EVRM worden beperkt, maar dat moet
wel (1) bij wet zijn voorzien, (2) een geoorloofd doel dienen en (3) noodzakelijk zijn in een
democratische samenleving.

De demonstranten maken voor het uiten van hun mening gebruik van hun betogingsrecht bij de
landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum. Er is op dat moment geen reden om dat recht in te
perken, ook niet het feit dat het om een kinderfeest gaat. De burgemeester heeft het betogingsrecht
niet ingeperkt en heeft voorschriften gegeven voor een goed verloop van de betoging.

Toch grijpen verdachten het kinderfeest aan om het betogingsrecht van de demonstranten te
frustreren als gevolg waarvan zij de veiligheid van het verkeer in gevaar brengen. Eén oproep op
Facebook werkt als een olievlek en heeft tot resultaat dat tientallen mensen zich mobiliseren om de
snelweg te blokkeren en de demonstranten de pas af te snijden.

Door plotseling en massaal met voertuigen stil te gaan staan op de A7, wordt de snelweg versperd,
waardoor wordt verhinderd dat de anti-Zwarte Piet-demonstranten kunnen demonstreren in
Dokkum en waardoor de inzittenden van de bussen en andere weggebruikers onder dwang van de
blokkeerders geen kant meer op kunnen en zich geïntimideerd voelen.

Deze gedragingen zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet
1994. Verdachten hebben daarmee de wettelijke grens aan hun recht van vrije meningsuiting
overschreden.

Dit zijn de redenen waarom we hier nu staan.

Wij, officieren van justitie, staan hier als handhavers van de wet in een democratische rechtsstaat,
waarin wij magistratelijke vertegenwoordigers zijn van het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft
de taak de rechten van alle burgers in Nederland te bewaken en de wet te handhaven. Als iemand
door middel van een strafbaar feit inbreuk maakt op de rechten van een ander, is het OM aan zet.
Dat geldt ook wanneer algemene belangen, zoals de veiligheid van het verkeer of de openbare orde,
geweld wordt aangedaan. Om rechten van mensen en algemene belangen te beschermen, moeten
inbreuken daarop worden bestraft. Juist omdat we die rechten in Nederland zo belangrijk vinden.

2
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

2. Onderzoek en vervolging

2.1 Inleiding
Wat doe je als OM wanneer je met deze blokkade van de A7 wordt geconfronteerd?

2.2 Onderzoek
Al snel is duidelijk dat de blokkade niet door een ongeval of een verkeerstechnische oorzaak is
ontstaan, maar door het plegen van strafbare feiten. Op basis van meldingen door
medeweggebruikers, informatie van de politie en de door blokkeerders gegeven interviews in de
media wordt al snel duidelijk dat, na de oproep van verdachte D. via social media, burgers zich op
grote schaal hebben verzameld met auto’s en motoren, voorzien van Friese vlaggen en attributen,
met het opzet om de demonstranten die op weg waren naar Dokkum, de pas af te snijden.

Het OM in Noord-Nederland besluit op 21 november 2017, drie dagen na de blokkade, om een


nader strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de gepleegde strafbare feiten en door wie die zijn
gepleegd. Niet alleen de ernst van de gepleegde strafbare feiten, maar ook de maatschappelijke
impact van deze blokkade rechtvaardigt naar de mening van het OM een nader strafrechtelijk
onderzoek waaraan prioriteit wordt gegeven.

De politie stelt een onderzoeksteam samen dat begin december 2017 aan de slag gaat. Het
onderzoek beperkt zich zoveel mogelijk tot de blokkeerders van de A7, omdat het op de A7 tot een
daadwerkelijke blokkade van langere duur is gekomen.

Uit het onderzoek blijkt dat enkele mensen namens de Stichting Nederland wordt Beter en de
actiegroep Kick Out Zwarte Piet aangifte hebben gedaan van het verhinderen van een betoging. De
aangevers hebben beeldmateriaal aan de politie afgestaan. Daarnaast zijn er openbare bronnen,
zoals Facebook en Twitter waarop beeldmateriaal is te zien. Er zijn interviews en media-optredens
geweest naar aanleiding van de blokkade. Chauffeurs en inzittenden van de bussen hebben ook
verklaringen afgelegd bij de politie.
Enkele blokkeerders hebben zelf ook bij de politie aangifte gedaan van strafbare feiten die zouden
zijn gepleegd door de buschauffeur en de reporter die bij de demonstranten aanwezig waren.
Eén van de demonstranten heeft onder een andere naam deelgenomen aan een groeps-chatsessie
op Facebook. Hij overhandigt deze chatgesprekken aan de politie.
Eind december 2017 is al een behoorlijk aantal blokkeerders door de politie geïdentificeerd. Foto’s
op Facebookprofielen blijken bijvoorbeeld overeen te komen met foto’s van de mensen op de A7.

Op 8 januari 2018 worden de eerste oproepen aan verdachten uitgereikt. Dit gebeurt zoveel
mogelijk in persoon. De rechercheurs zoeken de verdachten persoonlijk op, zodat zij mondeling
uitleg kunnen geven over de brief die zij overhandigen. Dit is een uitzonderlijke werkwijze, maar
daar is door de politie en het OM goed over nagedacht. Het resultaat is dat alle verdachten ook zijn
verschenen voor hun verhoor en dat er wederzijds respect voor elkaar is tussen de politie en
verdachten.

Eén van de eerste verdachten neemt zijn telefoon mee naar het verhoor. Die wordt in beslag
genomen en op ons bevel onderzocht op voor het onderzoek relevante contacten. En die blijken er
te zijn, op WhatsApp: “A7 besloten groep”. Waarover wordt gezegd: “Mensen deze groep is wel voor
de A7 die wel de kans krijgen om vervolgd te worden.” Dit vergemakkelijkt de zoektocht naar de
verdachten die op dat moment nog niet zijn geïdentificeerd.
3
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Tot deze WhatsApp-groep behoort ook verdachte D.. Zij is voorafgaand aan de blokkade ook al in
beeld bij de politie. Hoewel verdachte D. zelf niet op de A7 aanwezig is geweest, is haar rol zodanig
dat ook zij als verdachte wordt meegenomen in het onderzoek.

In januari en februari van dit jaar zijn alle verdachten gehoord. Het dossier is op 1 maart 2018
afgerond.

2.3 Vervolging
Het dossier ligt vervolgens op het bordje van de officieren van justitie. Uit het dossier volgt naar
onze mening dat er bewijs is voor de ten laste gelegde strafbare feiten.

Deze strafbare feiten, waardoor grondrechten van medeburgers zijn gefrustreerd én de grote
maatschappelijke impact hiervan, rechtvaardigen een strafrechtelijke vervolging, gelet op de taak
van het Openbaar Ministerie binnen een democratische rechtsstaat, luidende (art. 167 Sv):
“Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.“Indien naar
aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van oordeel is dat
strafvervolging moet plaats hebben (…) gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over. Van vervolging
kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend.”
Strafrechtelijke vervolging is ingrijpend voor verdachten. Bij de beslissing om deze 34 verdachten te
vervolgen hebben wij zo veel mogelijk rekening gehouden met alle belangen van de betrokkenen.

De vervolgingsbeslissing voldoet aan de beginselen van een goede procesorde. Op twee van die
beginselen, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, gaan wij nu verder in.

2.4. Vertrouwensbeginsel
De beslissing om de verdachten te vervolgen kan niet bij iedereen rekenen op begrip. Is bij de
verdachten het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij niet zullen worden vervolgd?
Deze vraag zou in twee afzonderlijke kwesties aan de orde kúnnen komen: de vervolging van
verdachte D. ter zake van opruiing en die van de andere 33 verdachten die op de A7 hebben
stilgestaan.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, leidend tot niet-ontvankelijkheid van het
OM, is het volgende vereist, zo volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.

“2.4.1. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in
zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke
gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging
op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van
een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, LJN BX4280,NJ 2013/109).
2.4.2.
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat
door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of
daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben
gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de
vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging
achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, LJN BW5002).”

4
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Optreden politie op de A7
Met betrekking tot de 33 verdachten die op de A7 hebben stilgestaan zal het optreden van de
politiemensen die als eerste op de A7 ter plaatse waren vermoedelijk ter discussie worden gesteld.
Drie politieagenten zijn bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Uit het dossier leiden wij het
volgende af: ongeveer 7 minuten na het begin van de blokkade op de A7 komen de eerste
politiemensen ter plaatse. Zij gaan in gesprek met de blokkeerders die op hen af komen lopen.
Daarbij worden ook handen geschud.
Door demonstranten in de bussen wordt dit overigens opgevat als zou de politie de blokkeerders
kennen en hun actie goedkeuren. Daar is echter geen sprake van. Als de politie bij wat voor melding
dan ook ter plaatse komt, worden handen geschud. Dit zijn heel normale omgangsvormen bij een
begroeting, ook voor de politie, dus er is geen enkele reden om dit te interpreteren als een
goedkeuring van het strafbare gedrag. De politiemensen blijven hoofdzakelijk in de buurt van de
blokkeerders en hebben de opdracht om escalatie te voorkomen en gaan daarom niet meteen naar
de demonstranten in de bussen. Wel wordt gesproken met enkele demonstranten die buiten de
bussen stonden. De politie heeft dit als volgt verwoord: “Deze gaven (…) aan aangifte te willen doen
tegen de mensen die hen de doorgang belemmerden en hen het recht tot demonstreren volgens hen
ontnamen. Wij (…) hebben aan deze personen uitgelegd dat onze prioriteit op dit moment bij de
handhaving van de openbare orde lag…”
De demonstranten voelen zich in de steek gelaten door het optreden van de politie. Dat is
invoelbaar. Echter, de politie had de opdracht te de-escaleren en de groepen uit elkaar te houden.
Het is te begrijpen dat de politie zich daarom concentreerde op de blokkeerders. Wij realiseren ons
dat de politie zich op de A7 in een buitengewoon moeilijke positie bevond. Met aanvankelijk slechts
vier politiecollega’s ter plaatse, te midden van twee groepen bestaande uit tientallen mensen die
lijnrecht tegenover elkaar stonden.

Feit is dat de blokkade, in aanwezigheid van de politie, voortduurt tot het moment waarop officier
van dienst Van der Heide ter plaatse komt. Maar het is niet zo dat de politiemensen niets hebben
gedaan om te proberen de blokkade op te heffen.
De agenten hebben daarover het volgende geverbaliseerd. “Wij kregen van de (…) Meldkamer
Noord-Nederland het verzoek om te gaan naar de A7 ter hoogte van Oudehaske, richting Groningen.
Wij hoorden dat aldaar de snelweg werd geblokkeerd voor het doorgaande verkeer door een aantal
bestuurders van personenauto’s en dat de sfeer grimmig was. (…) Wij hoorden dat de personenauto’s
die de A7 blokkeerden, een drietal autobussen wilden tegenhouden waarin actievoerders zaten die
anti zwarte Piet waren. Wij (…) hoorden dat men mogelijk zelfs al op de vuist zou gaan ter plaatse.”
Met die informatie zijn de agenten ter plaatse gegaan. Het is goed om dat in het achterhoofd te
houden.
Op de A7 aangekomen “zagen wij (…) dat er tientallen mensen op de rijbaan liepen aldaar, waarbij
een aantal met capuchon op en gezichtsbedekking.” ”Wij zagen dat over beide rijbanen en de
vluchtstrook van de A7 rechts meerdere personenauto’s stilstonden. Deze auto’s stonden dermate
midden op de rijbaan, dat ander verkeer, inclusief de bussen in de file, niet verder konden rijden. Ook
zagen wij dat al deze voertuigen verlaten waren en wij geen bestuurders konden aanspreken. (…) Wij
hebben hier en daar wat mensen aangesproken en gevraagd of zij bestuurder waren van de
stilstaande auto’s. Alle personen die wij aanspraken, wensten onze vragen niet te beantwoorden.
Teneinde escalatie tussen anti en pro zwarte pieten te voorkomen, zoveel mogelijk bemiddelend
opgetreden en continu contact met de meldkamer onderhouden.”
Uiteindelijk lukt het de officier van dienst wel om de blokkeerders in hun auto’s en aan het rijden te
krijgen. “Ik heb vervolgens een groep van ongeveer 25 tot 30 mensen aangesproken en gezegd dat zij
hun “punt” hadden gemaakt en dat hun actie al ruim in de publiciteit was gekomen. Het feit dat er
inmiddels een lange file op zowel de A6 als de A7 staat verzocht ik alle deelnemers in de auto of bus

5
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

te stappen en de weg weer vrij te maken. Voorts werd mij gevraagd hoe langzaam zij mochten rijden
op de autosnelweg. Ik heb daarover gezegd dat zij minimaal 60 kilometer per uur mochten rijden, als
zij nu maar vertrokken.”
De keuze voor 60 kilometer per uur hangt samen met de toenmalige situatie ter plaatse en artikel 42
van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV).

De politiemensen die als eerste ter plaatse waren zijn als getuige gehoord door de rechter-
commissaris. Agent 1 noemt de sfeer gespannen. De-escalerend optreden is noodzakelijk omdat er
anders een grote kans is dat het uit de hand zal lopen. Agent 1 schat in dat er ondersteuning nodig
is, omdat zij het met zijn vieren niet gaan redden. Er is een ernstig openbare orde-probleem. Vanuit
de Meldkamer volgt de opdracht om het rustig te houden en te wachten op ondersteuning door de
Mobiele Eenheid.

Meerdere verdachten leggen in hun verklaringen de medeverantwoordelijkheid voor de blokkade bij


de politie. Daarvan is absoluut geen sprake. Het is duidelijk dat de politieagenten ter plaatse
prioriteit hebben gegeven aan de handhaving van de openbare orde. Dat is één van de kerntaken
van de politie. Na de eerste poging om de blokkade te beëindigen, die geen effect had omdat geen
van de bestuurders zich als zodanig bekend wilde maken, hebben de agenten foto’s gemaakt van de
blokkeerders en de kentekens, en hebben zich verder gericht op het handhaven van de openbare
orde. Enkele incidenten daargelaten hebben zich geen grootschalige confrontaties tussen beide
groepen voorgedaan, dankzij het optreden van de politie.

Conclusie vertrouwensbeginsel inzake vervolging aanwezigen A7


Uit dit optreden van de politieagenten ter plaatse kan op geen enkele wijze worden geconcludeerd
dat de politie de blokkade heeft goedgekeurd. Dat geldt ook voor de opmerkingen van de officier
van dienst, dat verdachten hun punt hadden gemaakt en dat zij met minimaal 60 kilometer per uur
verder mochten rijden.

Er is door de politieagenten geen enkele toezegging of uitlating gedaan die betrekking had op niet-
vervolging. Ook de gedragingen van de politieagenten zijn niet zodanig dat verdachten erop
mochten vertrouwen dat het OM hen niet zou vervolgen.
Een eventueel beroep op het vertrouwensbeginsel kan naar ons oordeel niet slagen.

Het is bovendien niet aannemelijk geworden dat de verdachten ook werkelijk erop hebben
vertrouwd dat zij er zonder strafvervolging vanaf zouden komen. Op 20 november 2017 is de
WhatsApp-groep aangemaakt met de opmerking dat die besloten is, alleen voor degenen die kans
lopen te worden vervolgd. Dat was al op de dag vóórdat het OM bekend maakte een strafrechtelijk
onderzoek in te stellen. Daarnaast is er een boetefonds ingesteld. Niet alleen verdachten, maar ook
hun sympathisanten zijn zich er kennelijk van bewust geweest dat strafbare feiten zijn gepleegd
waarop een sanctie zal volgen.

2.5 Gelijkheidsbeginsel
Zowel door verdachten als in de media wordt gewezen op andere, soortgelijke zaken, waarin het OM
niet tot vervolging is overgegaan. Staat het gelijkheidsbeginsel in de weg aan het vervolgen van deze
verdachten voor het blokkeren van de A7?

Artikel 1 van de Grondwet luidt: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen
gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras,
geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

6
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Vooraf zij opgemerkt dat er zelden sprake is van zaken die wat betreft haalbaarheid én opportuniteit
geheel met elkaar overeen komen. Een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel komt daarom
zelden voor. En in dat geval hoeft het ook niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

Wij hebben onze beslissing om deze verdachten te vervolgen aan het gelijkheidsbeginsel getoetst. In
de Nederlandse rechtspraak inzake het blokkeren van een openbare weg is namelijk vaker een
beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Dat is ook in deze zaak te voorzien.
Bij onze beslissing in de zaak van verdachte D. hebben wij bij het gelijkheidsbeginsel stilgestaan.
Daarop komen wij later terug.

Erasmusbrug Rotterdam, 18 november 2017


We willen ingaan op één voorbeeld, op dezelfde dag. Op 18 november 2017 vinden er ook in
Rotterdam diverse Sinterklaasintochten plaats. Tegenstanders van Zwarte Piet lopen op enig
moment op een rijbaan van de Erasmusbrug. Door enkele verdachten in deze zaak is dat voorval ook
aangehaald.

Wij hebben contact gelegd met onze collega’s van de politie en het OM in Rotterdam en hebben
onder andere de volgende informatie teruggekregen.
“We werden die dag verrast door de aanwezigheid van anti-Zwarte Pieten demonstranten op de
Erasmusbrug. Dit was om 12:00 uur. Kader was dat men mocht demonstreren, maar wel op het
daarvoor aangewezen vak op het Willemsplein. Blokkeren van de rijbaan werd niet getolereerd. Het
spandoek mocht blijven hangen in het kader van de vrijheid van meningsuiting. Afspraak was dat de
politie dit zou aangeven aan de demonstranten en dat zij zo mogelijk in goed overleg bewogen
zouden worden richting het demovak. Omstreeks 12:30 is groep van de rijbaan van de Erasmusbrug
van Noord naar Zuid afgeleid naar het trottoir/het fietspad zodat het verkeer van Noord naar Zuid
weer over de brug kon. Van Zuid naar Noord was de rijbaan niet geblokkeerd. Er is ter plaatse niet tot
aanhouding over gegaan omdat het in de beleidsuitgangspunten opgenomen was om daar waar
mogelijk een demo te faciliteren en omdat er afspraken te maken waren met de demonstranten dat
zij de weg weer vrij zouden maken. Er was sprake van verkeersoverlast en na het maken van hun
statement zijn de demonstranten opgegaan in het winkelend zaterdagpubliek met achterlating van
hun spandoek. Nadien is er niet besloten om alsnog een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. De
noodzaak daartoe werd niet gevoeld.”

De mensen in Rotterdam houden een demonstratie die ook door de burgemeester wordt
gefaciliteerd. Zij hebben een demonstratievak toegewezen gekregen in de buurt van de
Erasmusbrug. Bij het ophangen van een spandoek aan de brug, wat door de autoriteiten als passend
bij de demonstratie wordt gezien, wordt één van de twee rijbanen geblokkeerd. Deze blokkade
betreft een weg binnen de bebouwde kom, waar het verkeer aan weerszijden van de brug wordt
gereguleerd door verkeerslichten. Met deze blokkeerders is de afspraak gemaakt dat zij de rijbaan
weer zouden vrijmaken.

Er zijn relevante verschillen tussen de blokkade van de A7 en die bij de Erasmusbrug. Zo,
bijvoorbeeld, houden de blokkeerders op de A7 geen demonstratie in de zin van de wet, maar zijn
alleen maar bewust bezig met het tegenhouden van demonstranten en zij plegen daarbij strafbare
feiten. Ter plaatse van de blokkade op de rijksweg A7 bedraagt de toegestane snelheid 130
kilometer per uur. Het te duchten gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers op de A7 verschilt
aanmerkelijk in vergelijking met de Erasmusbrug, waar de maximumsnelheid 50 kilometer per uur is.

7
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Het besluit van het OM in Rotterdam om geen strafrechtelijk onderzoek en vervolging in te stellen is
gebaseerd op wezenlijk andere feiten en omstandigheden dan in de A7-zaak.
Conclusie: de vervolging van de verdachten in deze zaak is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.5.3 Politieacties
In dit verband gaan wij ook in op politieacties. Ook die worden door verdachten genoemd als
voorbeelden van blokkades waarin geen strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden.
Deze acties zijn niet vergelijkbaar met de blokkade van de A7. In 2015 voert de politie langzaamaan-
acties, waarbij in estafettevorm van Groningen naar Limburg politieauto’s over de volle breedte van
de snelweg rijden met een snelheid van 60 kilometer per uur. Deze acties zijn van tevoren in de
media aangekondigd, met de geplande routes en tijden erbij. Het rijden op de snelwegen wordt niet
onmogelijk gemaakt en bij parkeerplaatsen wordt soms even uitgeweken zodat het verkeer weer
kan doorrijden.
Bij de politieacties is geen sprake geweest van strafbare feiten, nu de minimumsnelheid voor een
snelweg is aangehouden en er in het geheel geen versperring van de weg in de zin van artikel 162
van het wetboek van Strafrecht (Sr) heeft plaatsgevonden. De politieacties en de blokkade op de A7
zijn daarmee niet vergelijkbaar.

3. Impact

En dan loop je daar, wegblokkeerder.

Op de rijbaan. Uit de auto gestapt. Met je medestanders. Van tevoren afgesproken. Verzameld in
Damwoude, Drachten, Noordbergum, op de Afsluitdijk of bij Joure. Nu is het moment daar. De
bussen staan stil, jij staat ervoor. En nu?
Je loopt wat rond op de rijbaan. Jouw doel is bereikt. Dit was het plan: demonstranten tegenhouden.
Dat ben je nu aan het doen. Met gebalde vuist, teksten roepend. Of met je handen in de zakken en
met je hoofd in een capuchon. Het is koud en guur, maar jij hebt het er graag voor over.
Denk je ook na, daar op de snelweg? Of jij je het nu wel realiseert of niet: je staat strafbare feiten te
plegen.
Denk je ook na over wat jouw gedrag voor anderen betekent?

In de inleiding hebben wij al opgemerkt dat het gedrag van verdachten een grote impact heeft gehad
op het maatschappelijke debat over Zwarte Piet. Verdachten hebben ook een inbreuk gemaakt op
grondrechten en vrijheden die aan iedereen toekomen. In die zin heeft het gedrag van verdachten
impact gehad op de rechtsorde in Nederland.

Niet onbelangrijk is de persoonlijke impact op de buschauffeurs en de inzittenden van de bussen.


Voor hen begint het al kort na het vertrek uit Duivendrecht. De buschauffeuse van de witte bus
verklaart daar het volgende over: “Ik zag een auto tussen de bussen inrijden, dat was al vanaf
Duivendrecht. Deze bleef tussen ons inrijden. Het is niet logisch dat iemand tussen de bussen in blijft
rijden.”
Later vertelt zij over wat er in Friesland gebeurt, op de A6. “Ik denk dat ik afgesneden werd op een
meter. Dat ging rakelings langs de bus. Toen remde die auto nog. Ik moest vol in de remmen.” “We
werden in gehaald door een wit bestelbusje dat met hoge snelheid over de vluchtstrook reed. Die
snijdt mij af en schiet voor mijn bus langs en gaat keihard remmen. (…) Ik zag in de linker
buitenspiegel dat hij aan het wijzen was en met vuisten zwaaien.”

8
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Over de A7 verklaart zij het volgende: “Op zeker moment stond alles stil. De motorrijder kwam naar
mij toegelopen en wees op een agressieve manier naar mij en gaf aan waar ik moest gaan staan met
de bus. ”
De blokkade is de buschauffeuse niet in de koude kleren gaan zitten. Tot eind januari 2018 mag zij
niet aan het werk van de Arbo-arts. Ruim een maand na de blokkade zegt zij daarover: “Ik werk nog
niet weer na die dag. Door het afsnijden en door de bejegening van de mensen buiten de bus heb ik
angst. (…) De mensen rondom de bus met mutsen en hoody’s, dat maakte mij angstig. De gebaren
die werden gemaakt en de woeste blikken hebben nog meer impact op mij gehad.”

De buschauffeuse is niet de enige op wie de blokkade impact heeft gehad. Een inzittende van de
groene bus heeft ook een getuigenverklaring afgelegd. “Ik voelde als eerste dat er ontzettend hard
werd afgeremd en voelde de tafel voor mij in mijn buik. (…) Ik zag toen een witte bestelauto vanaf de
linkerkant voor de bus komen rijden. Ik zag dat deze schuin voor de bus kwam, de bus sneed. (…) de
buschauffeur moest toen weer hard op de rem. Vanaf dat moment vond ik het heel erg eng worden.
(…) Ik vond het een hele nare enge situatie. Dat is mij niet in de koude kleren gaan zitten. Ik heb daar
nog steeds last van. Ik voelde mij kwetsbaar en ik was bang. Ik kon niet altijd werken omdat ik er
toch last van had. Ik ben schrijver. De dag hierna heb ik wel een groot stuk geschreven dat in Vrij
Nederland is gepubliceerd. Daarna ben ik ingestort.”

Ook het feit dat deze beide getuigen, meer dan een maand na de blokkade, nog steeds emotioneel
worden als zij over de blokkade spreken, toont aan hoe beangstigend het gedrag van verdachten
voor hen is geweest.

Aangever A. verklaart dat de blokkade erg bedreigend op hem overkomt. “De bedreiging bestond uit
het uitgebreid onderzoeken van de bus aan de buitenzijde door verschillende mensen. (…) Ik zag en
hoorde dat er ook tegen de bus werd geslagen door de mensen die de blokkade opwierpen. Mensen
in de bus begonnen zich zorgen te maken. (…) Het was voor mij al wel duidelijk dat de mars die wij als
demonstranten zouden gaan doen geen doorgang meer kon vinden. Deze was inmiddels verhinderd
door de blokkade. Wij zouden de demonstratie nog wel gaan uitvoeren.” Meneer A. doet ook
aangifte van het verhinderen van de betoging.

Aangever E. verklaart dat er in de bus een gespannen situatie ontstaat. “Veel demonstranten waren
er voor het eerst. Ook was er een kind in de bus aanwezig.” Meneer E. doet ook aangifte van
opruiing. “Ik doe dit omdat mijn grondrecht en die van de demonstratiegroep op vrije meningsuiting
en vrije demonstratie is afgenomen. (…) Er wordt op deze manier een beeld geschetst dat iedereen
voor eigen rechter kan gaan spelen en dat vind ik er gevaarlijk aan. (…) Ik weet ook dat veel mensen
nu bang zijn om een volgende keer deel te nemen aan een demonstratie.”

In de groene bus zit ook aangever Kwarten, in een vierzit. “De chauffeuse moest (…) een noodstop
maken. Ik klapte met de bovenkant van mijn nek op de rugleuning. Ik zat namelijk voorover met mijn
rug naar de chauffeur.” Meneer Kwarten heeft een hersenschudding, hoofdpijn, heeft last van zijn
nek en van duizeligheid en heeft moeilijk kunnen lopen. “Ik heb een afspraak met de GGZ, althans ik
heb een intakeformulier. Ik heb angsten van die opa, de motorrijder. (…) Toen ik naar de ogen van de
motorrijder keek zag ik haat in zijn ogen.”

De gevolgen van de blokkade blijven echter niet beperkt tot de inzittenden van de bussen.
Daarachter staat een file van 3 kilometer. Een aantal mensen belt de politie, omdat zij ernstig hinder
van de blokkade ondervinden of zelfs in gevaar of in paniek zijn. Er belt iemand die met zijn vader op
weg is naar het UMC in Groningen, zij moeten à la minute naar de spoedeisende hulp komen. De

9
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

inzittenden van een andere auto zijn op weg naar een begrafenis. En er is iemand die zijn auto heeft
verlaten, omdat hij last heeft van paniekaanvallen. Later verzoekt hij om zijn auto weg te takelen,
omdat hij niet meer verder durft te rijden.

Dit wordt allemaal veroorzaakt door een groep mensen met oogkleppen op: zij houden drie bussen
vol mensen tegen en denken niet na over alle andere mensen die zij duperen met hun actie.

4. Versperren van de A7 (art. 162 Sr)

4.1 Inleiding
De feitelijke gang van zaken is tijdens de afgelopen dagen van dit proces al uitgebreid met de
verdachten besproken. Wij zullen er niet nog eens uitgebreid op ingaan. De beelden die wij zojuist
hebben getoond zeggen genoeg.

4.2. Beschermd belang


Artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht beschermt de veiligheid van lucht-, water- en
wegverkeer tegen gevaarlijke handelingen van personen. De tekst van dit artikel stamt uit 1881. De
Memorie van Toelichting is summier: “Door zeer onderscheidene middelen, onmogelijk volledig in de
wet te noemen, kan het verkeer onveilig worden gemaakt. Eene algemeene omschrijving is te zeer
wenschelijk, nu de bepaling èn voor land èn voor waterwegen moet gelden.”

4.3 Bestanddelen delictsomschrijving


‘Versperren’
Een weg versperren is zodanige belemmering op die weg aanbrengen, dat hij aan zijn bestemming
niet kan voldoen. Zo is een rijweg versperd wanneer het rijden onmogelijk is gemaakt, ook al is het
lopen niet belet.
Ten aanzien van de middelen heeft de wetgever zich met opzet van enige specificatie onthouden: elk
middel komt in aanmerking. (…) Onder versperren behoeft niet alleen de handeling waardoor
afsluiting wordt bewerkstelligd verstaan te worden. Ook hij verspert de weg die een, zelfs op zich
zelf niet ongeoorloofde, afsluiting niet opheft zodra hij door het gesloten houden verhindert dat de
weg volgens zijn bestemming gebruikt wordt. Het laten liggen van een belemmering door hem die
verplicht is de belemmering weg te nemen, is versperren. Dit is dus een voortdurend delict.

Een tijdelijke belemmering die niet strijdig is met de bestemming van de weg is niet versperren. Dat
heeft de Hoge Raad al overwogen in arresten uit 1897 en 1901. De Hoge Raad acht bijvoorbeeld het
niet willekeurig kortstondig laten staan van een paard en wagen op de weg noch belemmeren noch
versperren. Dat impliceert dat in deze termen als het ware moet worden ingelezen de woorden
‘zonder (verkeers) noodzaak’.

In oktober 2015 heeft voor de rechtbank in Leeuwarden een strafzaak gediend, waarin de verdachte
een ijzerdraad over een fietspad had gespannen. Daar is de bestuurder van een bromscooter
tegenaan gereden en vervolgens ten val gekomen. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de
verdachte een openbare landweg had versperd.

De versperring moet zodanig zijn dat doorrijden niet mogelijk is. Zo werd op enig moment het
verkeer op de rijksweg A10 (de ring van Amsterdam), volgens een vooraf besproken plan, door
actievoerders van de Arabisch Europese Liga (AEL) gedwongen langzamer te gaan rijden. Op alle drie
de rijbanen reed een auto die werd bestuurd door een actievoerder. Daarvoor reed een bus. Toen
10
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

het verkeer nauwelijks snelheid meer had is de bus gestopt en hebben de inzittenden in een schuine
lijn pionnen en een roadblock op de weg geplaatst, waardoor het verkeer van drie rijstroken naar
één rijstrook werd geleid. Ter hoogte van die doorgang hebben de actievoerders een ‘checkpoint’
nagebootst en aan passerende automobilisten vlugschriften uitgedeeld. Door de trechtervorming die
voor het verkeer ontstond heeft zich een file gevormd en is er verkeer achter die blokkade tot
stilstand gekomen.
De rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een versperring in de zin van
artikel 162 Sr, omdat het rijden van auto’s over de rijksweg A10 niet geheel onmogelijk is gemaakt.

De blokkade van de A7 is zonder meer te kwalificeren als een versperring in de zin van artikel 162 Sr.
Verdachten hebben hun auto’s op alle rijstroken en de vluchtstrook van de A7 geparkeerd. Zij
hebben het de achteropkomende automobilisten geheel onmogelijk gemaakt om door te rijden.
Weliswaar hebben enkele automobilisten de blokkade in het begin nog weten te omzeilen via de
middenberm, maar dat doet niet af aan de versperring. Het gaat er immers om dat de ríjbaan niet
meer toegankelijk is voor het bestemde gebruik.

‘Gevaar te duchten’
Voor bewezenverklaring van artikel 162 Sr is vereist dat er gevaar te duchten is voor de veiligheid
van het verkeer. Hiervan is sprake als ongelukken zouden kunnen gebeuren. Daadwerkelijk gevaar
hoeft er niet te hebben bestaan.

De afdeling Verkeersongevallenanalyse (VOA) van de politie heeft over de gevaarzetting het


volgende opgemerkt: “Iedere beperking van de doorstroming voor het verkeer op wegen is in min of
meerdere mate gevaarzettend. Hierbij kan worden gedacht aan tijdelijke snelheidsbeperkingen
waardoor het verkeer, vanuit het normale snelheidsregiem wordt afgeremd tot en met plotseling
ontstane verkeersongevallen of voorwerpen op de weg die rijbanen volledig kunnen versperren.”

Factoren die invloed hebben op de mate van gevaarzetting zijn het verwachtingspatroon en het
attentieniveau van bestuurders, de verkeersintensiteit en de mate van geleidelijkheid van
afremmen.

Anderhalve kilometer vóór de plaats van de blokkade zijn zowel de snelheidsbeperking van
maximaal 70 km per uur als de rijbaanversmalling op de A7 weer opgeheven. Dat heeft te maken
met de wegwerkzaamheden die daar toen plaatsvonden en nu nog steeds plaatsvinden. Ter hoogte
van die wegwerkzaamheden is een hoger attentieniveau vereist, vanwege de smallere rijbanen en
mogelijk invoegend werkverkeer.

Zodra die situatie voorbij is, zal het verwachtingspatroon ten aanzien van belemmeringen weer
veranderen. Juist op het moment dat verkeersdeelnemers geen verkeersbelemmeringen meer
hoeven te verwachten en de toegestane snelheid 130 km per uur bedraagt, remmen de verdachten
die een auto besturen hun auto af. Zonder enige verkeersnoodzaak!
Daar komt bij dat je op de A7 bij Joure, in de richting van Heerenveen, geen file hoeft te verwachten,
zeker niet op zaterdagochtend.

Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat er gevaar voor de veiligheid van het verkeer te
duchten is geweest.

11
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

4.4 Conclusie artikel 162 Sr


Voor de ten laste gelegde feitelijke handelingen is wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Bij
bewezenverklaring kan dit worden gekwalificeerd als het versperren van een openbare landweg.
Bij de bespreking van de afzonderlijke verdachten gaan wij nader in op ieders betrokkenheid, opzet
en het medeplegen.

5. Recht op vrijheid van meningsuiting en recht van betoging

5.1 Inleiding
Je kunt niet verder, demonstrant. Je mag niet verder. En je kunt je mening niet uiten.

Je staat niet in Dokkum. Wel op de A7 tussen Joure en Oudehaske. Je wilt graag je stem laten horen,
maar je krijgt die kans niet. Je blijft hopen. Misschien rijdt het zo weer verder en kun jij misschien
toch je bestemming bereiken. Je leeft tussen hoop en vrees. Maar het is hardnekkig. Niemand maakt
aanstalten om verder te rijden. Intussen tikt de tijd door. 45 minuten lang. Nog geen meter
opgeschoten.
Je blijft in de bus en kijkt naar buiten. Wat je ziet zijn stilstaande auto’s. En mensen die erbij staan.
Met boze blikken, gebalde vuisten en van alles roepend. Zij staan daar niet zomaar. Nee, ze staan
daar om jou tegen te houden. Je bent gevolgd en opgewacht.
Na verloop van tijd komt er eindelijk weer beweging in. Maar jouw stem wordt die dag niet gehoord
in Dokkum.

5.2 Vrijheid van meningsuiting


De verdachten beroepen zich op het recht van vrije meningsuiting, waarbij zij door het plegen van
strafbare feiten juist anderen dat recht ontnemen.

Wij zijn van mening dat het door blokkeerders uitgedragen standpunt door middel van het plegen
van strafbare feiten niet is toegestaan en lichten dit toe aan de hand van de jurisprudentie van het
Europese Hof van de Rechten voor de Mens.

Het belang van internet of het zich anderszins uiten om een vrij openbaar debat te voeren wordt
door iedereen onderkend. Ook door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het internet
en social media bieden de mogelijkheid om op een laagdrempelige manier een groot publiek te
bereiken.

De vrijheid van meningsuiting, neergelegd in artikel 10 van het EVRM, vormt in de visie van het
EHRM één van de essentiële fundamenten van een democratische rechtstaat en is één van de
grondvoorwaarden voor de ontwikkeling van een democratie en de zelfontplooiing van ieder
individu. Het is niet alleen van belang dat zaken van algemeen belang aan de kaak kunnen worden
gesteld. Het publiek heeft ook het recht om (die) informatie te ontvangen.
Het EHRM is steevast van oordeel dat zonder de eisen van pluralisme, tolerantie en
ruimdenkendheid geen democratische samenleving kan bestaan. Dit betekent dat niet alleen
onomstreden, maar juist ook meningen, denkbeelden en informatie die naar de terminologie van
het Europese Hof ‘offend, shock or disturb’, onder de bescherming van artikel 10 EVRM vallen. Met
andere woorden, ook meningen die confronterend of choquerend zijn dan wel beroering kunnen
veroorzaken mogen in het openbaar worden geuit.

12
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Internet of andere uitingsvormen zijn echter geen vrijbrief om strafbare uitlatingen te doen of tot
strafbaar handelen over te gaan. De uitoefening van genoemde uitingsvrijheid brengt namelijk
plichten en verantwoordelijkheden mee. De geschetste vrijheid is niet onbeperkt en kan worden
beperkt als is voldaan aan de in artikel 10 lid 2 EVRM opgenomen voorwaarden. Beoordeeld dient te
worden of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting (1) bij wet is voorzien, (2) of de inbreuk een
geoorloofd doel dient en (3) of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Dit laatste criterium omvat de vragen of sprake is van een dringende maatschappelijk behoefte
(pressing social need), of de inbreuk in verhouding staat tot het nagestreefde legitieme doel
(proportionaliteit) en of de door de nationale autoriteiten gegeven motivering relevant en
voldoende is. De aard en ernst van de sanctie zijn een factor van belang bij de beoordeling van de
proportionaliteit van de inbreuk.

Het EHRM gunt de nationale autoriteiten een bepaalde beoordelingsruimte (margin of appreciation)
bij de bepaling of er een pressing social need bestaat.
Bij de beoordeling van de noodzaak om deze uitingsvrijheid te beperken, weegt het EHRM alle
omstandigheden van het geval mee.

Ad 1:
In deze A7-blokkade zaak is een inbreuk bij wet voorzien, namelijk in de artikelen 162 Sr, 143 Sr, 284
Sr en 5 WvW 1994.

Ad 2:
Tevens dient een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting een geoorloofd doel, te weten het belang
van de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Ad 3:
Wat betreft de noodzakelijkheid van de inbreuk op het recht van vrije meningsuiting het volgende.
Als sprake is van deelname aan een maatschappelijk debat over een kwestie van algemeen belang, is
er weinig ruimte tot beperking van de vrijheid van meningsuiting. Uitlatingen die niet te verenigen
zijn met de uitgangspunten van het Europees verdrag en derhalve niet passen in een democratie,
worden niet getolereerd.Het gaat dan onder meer om discriminerende uitlatingen, meer specifiek
rassendiscriminatie en ‘hatespeech’ . Het gaat ook om uitlatingen inzake het verheerlijken van of het
oproepen tot geweld of het belemmeren van het uitoefenen van grondrechten van andere burgers,
zoals het beperken van de bewegingsvrijheid en het beletten van het recht op betoging. In die
gevallen is er een positieve verplichting voor de overheid om hiertegen op te treden.

Het Europees Hof van de Rechten voor de Mens heeft ook duidelijk gesteld dat onzedelijke of
obscene uitingen geen essentiële rol hebben bij het uitdrukken van ideeën, en dat een beledigende
uiting buiten de bescherming van de vrijheid van meningsuiting kan vallen als het enige doel daarvan
is te beledigen.

Waar het internet een groot podium biedt om een mening te uiten, is de keerzijde dat er een groter
risico is dat schade wordt toegebracht aan de uitoefening en het genot van bepaalde rechten.
Specifiek ten aanzien van het recht op respect voor iemands privé-leven, zijn bewegingsvrijheid, zijn
recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam, recht op geestelijke integriteit en het recht op
betoging. De potentiële impact van een uitlating is een factor van belang.

13
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Kortom, het in deze zaak door de blokkeerders uiting geven aan hun meningen en opvattingen, door
het in strijd met de openbare orde op te ruien tot strafbare gedragingen, door het vervolgens
overgaan tot het blokkeren van een snelweg waardoor de algemene veiligheid van personen of
goederen in gevaar is gebracht, waardoor het recht op betoging van medeburgers is verhinderd,
waardoor de vrijheid van handelen van medeburgers wederrechtelijk is beperkt en burgers zijn
geïntimideerd, waarbij hen angst is ingeboezemd, zijn ernstige strafbare feiten.

Verdachten hebben hun recht op vrije meningsuiting door het plegen van strafbare feiten tot
uitdrukking gebracht en hebben tegelijkertijd het recht op vrijheid van meningsuiting van andere
burgers om zeep geholpen en hen het recht van betoging ontnomen, zich beroepende op het
voorkomen van het verzieken van het Sinterklaasfeest.

5.3 Recht van betoging


Voor zover verdachten mochten aanvoeren dat hun actie ook een demonstratie is, dan komt hen
slechts bescherming toe indien hun actie primair het karakter had van gemeenschappelijke
meningsuiting.

Kan de blokkade van de A7 worden gekwalificeerd als een betoging in de zin van de (Grond)wet?

Een ieder in Nederland – dus ook pro- en anti-Zwarte Piet-demonstranten – heeft op grond van
artikel 9 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het
recht om te demonstreren. Dit recht is volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een
fundamentele pijler van onze democratische rechtsstaat.
Demonstranten zijn in beginsel vrij om niet alleen de inhoud van hun demonstratie zelf te kiezen,
maar ook het tijdstip, de plaats en de vorm ervan. Ten aanzien van de inhoud geldt dat zelfs uitingen
die beledigen, choqueren of onrust veroorzaken verdragsrechtelijk zijn beschermd, aldus het EHRM.

Er zijn in elk geval twee grenzen aan het recht om te demonstreren. In de eerste plaats mag je niet
van dit recht gebruikmaken op een wijze die strafrechtelijk is verboden (zie bijvoorbeeld artikel 162
Wetboek van Strafrecht (Sr)) en die tevens een onevenredige inbreuk maakt op de rechten en
belangen van derden, zo blijkt uit de rechtspraak en literatuur.
In de tweede plaats mag je dit recht niet gebruiken met het doel om een ander zijn demonstratie
onmogelijk te maken. Naast dat dit een strafbaar feit kan opleveren indien dit doel wordt
verwezenlijkt (artikel 143 Sr), heeft dit volgens de wetsgeschiedenis alsmede de rechtspraak van de
Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook tot gevolg dat de demonstratie
geen grondwettelijke en verdragsrechtelijke bescherming (meer) toekomt.

Zo merkt de regering in de memorie van toelichting bij de Wet openbare manifestaties op dat
‘acties, die niet of niet primair het karakter van gemeenschappelijke meningsuiting hebben, doch
waarbij andere elementen, zoals bijvoorbeeld feitelijke dwang, overheersen’ geen betogingen zijn in
de zin van artikel 9 van de Grondwet. ‘Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en
waterwegen, samenscholingen, volksoplopen en dergelijke’, aldus de regering.
De Hoge Raad verwijst naar precies deze passage uit de wetsgeschiedenis in een arrest van 11 april
2017. De Hoge Raad wijst in dit arrest ook op de rechtspraak van het EHRM: ‘Volgens vaste
rechtspraak van het EHRM strekt art. 11 EVRM niet tot bescherming van ‘a demonstration where the
organisers and participants have violent intensions.’

In een arrest, over krakers in Amsterdam, die een ontruiming van een pand verhinderden en zich
daarbij beriepen op hun recht van betoging, overwoog de Hoge Raad in het eerder aangehaalde

14
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

arrest van 11 april 2017 het volgende “Het Hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat "de
samenkomst tot doel had een confrontatie met de ME op te zoeken en de ontruiming (fysiek) te
verhinderen". Daarin ligt als oordeel van het Hof besloten dat de samenkomst niet (primair) het
karakter had van gemeenschappelijke meningsuiting, maar was gericht op het beletten van de politie
de aangekondigde ontruiming door te zetten door middel van de uitoefening van feitelijke dwang.
Mede in aanmerking genomen de onder 4.3.3 weergegeven passage uit de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet openbare manifestaties, geeft het oordeel van het
Hof dat "geen sprake was van een manifestatie in de zin van de WOM" (…) niet blijk van een onjuiste
rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.”

Ergo: wij stellen ons op het standpunt dat de blokkeerders hun actie niet als een demonstratie in de
zin van de Wet op de openbare manifestaties hebben aangemeld. Daarnaast had hun actie het doel
om de anti-Zwarte Piet-demonstranten tegen te houden en had die niet het karakter van een
gemeenschappelijke meningsuiting.

Voorts zijn wij van mening dat de blokkeerders de twee eerder genoemde grenzen hebben
overschreden, te weten het plegen van strafbare feiten en het onmogelijk maken van een
demonstratie van de anti-Zwarte Piet-demonstranten.

6. Verhinderen van een betoging (art. 143 Sr)

In artikel 143 Sr is het verhinderen van een betoging strafbaar gesteld. Het beschermde rechtsgoed
is de openbare orde in termen van het rustig verloop van de betoging.

‘Geweld of bedreiging met geweld’


Er moet een zodanige kracht worden aangewend, te duiden als geweld of dreigen met geweld, dat
de betoging daardoor in gevaar wordt gebracht. Het geweld of de dreiging van geweld moet van
dien aard zijn, dat die gebeurtenissen er inderdaad door worden verhinderd. Het geweld kan zowel
tegen personen als tegen goederen zijn gericht.

Machielse schrijft: “De wet zegt niet wat men precies onder ‘geweld’ moet verstaan. De meest
algemene betekenis is de aanwending van fysieke kracht (tegen personen of goederen), welke met
zo’n hevigheid geschiedt, dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde
rechtsgoed in gevaar te brengen. Voor zoveel het tegen personen gericht is, zal zij geëigend moeten
zijn (schijnen) de weerstand, die de wederpartij kan bieden, te breken. Hiermee wordt dus
uitgeschakeld een kracht van geringe intensiteit, die niet als wezenlijk ‘contrair’ kan worden
aangemerkt. Niet noodzakelijk is het evenwel, dat het geweld enig lichamelijk gevolg heeft gehad.

Het geweld zal zich meestal voordoen als ‘actief’ geweld, bijvoorbeeld als het werpen van stenen, het
trachten iemand omver te duwen enz. Vaak zal dat betekenen, dat er voor degenen tegen wie het
geweld is gericht gevaar voor laesies ontstaat, maar dat is niet noodzakelijk, kans op breking van
tegenstand is voldoende. In dit verband attendeer ik op HR 6 april 1908, W 8693, waar van geweld
werd gesproken als omvattende een gewelddadige krachtsuiting die zich zonder rechtstreekse
lichamelijke of stoffelijke uitwerking op personen of goederen, toch door waarneembare
gewelddadige handelingen openbaart en de indruk moet maken, dat men die handelingen op
personen of goederen wil aanwenden. Men bedenke bij lezing hiervan overigens, dat het ging om
openlijke geweldpleging (art. 141).”

15
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

“De bedreiging met geweld moet hier, zoals elders waar zij genoemd wordt, een ernstig voorkomen
hebben. Al is het niet nodig dat zij ernstig gemeend is dat hij die bedreigt werkelijk ook het
voornemen heeft aan zijn bedreiging gevolg te geven, zij moet althans uiterlijk van die aard zijn dat
de bedreigde met grond voor het gevolg beducht kan zijn.

Er moet zijn een werkelijke bedreiging, het opzettelijk iemand vrees aanjagen voor een als ernstig
voorgenomen te kennen gegeven handeling. Dat nu zodanige vrees opgewekt is kan als het enige
noodzakelijke gerekend worden. De aard der bedreiging behoort derhalve niet getoetst te worden
aan de indruk die zij in het algemeen op redelijke mensen zou maken.”

‘Betoging’
Bij het bestanddeel betoging gaat het om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten
of wensen op politiek of maatschappelijk gebied. In casu ging het om het anti-Zwarte Piet standpunt.

‘Verhinderen’
Onder het bestanddeel verhinderen valt zowel het van de aanvang af niet laten doorgaan van de
betoging (door geweld of bedreiging daarmee) als het verstoren van een reeds aangevangen
betoging, zodanig, dat deze niet ten einde gevoerd kan worden. Dat hiervan in deze zaak sprake is, is
evident.

Uit het dossier blijkt dat sprake was van een ernstig openbare orde probleem en dat door het
toepassen van dwang, een versperring, intimidatie, het in gevaar brengen van de veiligheid van
personen en goederen de betoging in Dokkum is verhinderd. Verbalisanten Agent 1 en Agent 2
verklaren bijvoorbeeld op 28 september 2018 bij de rechter-commissaris dat er een “grimmige”,
“gespannen” sfeer was die dreigende te ontaarden in geweld, waarbij de politie deëscalerend moest
optreden, omdat anders de vlam in de pan zou slaan. Het was een geluk dat de demonstranten in de
bussen zijn gebleven, anders was het wellicht tot een fysiek treffen gekomen.
Naar onze mening is sprake van geweld en dreiging met geweld. Door fors te remmen en door een
motor dwars voor een bus te zetten en een botsing te veroorzaken hebben 20 automobilisten de
bussen tot stilstand gebracht en vervolgens intimiderend en dreigend (gebalde vuisten, boze blikken,
slaan tegen de bus, roepen van teksten, blote kont laten zien) de reis naar Dokkum belet, alwaar de
betoging zou plaatsvinden.

De opmerkingen van de loco-burgemeester en de verdachten dat de betogers te laat zijn vertrokken


berust op schattingen en is niet gebaseerd op geverifieerde feiten.
De loco-burgemeester heeft op 4 oktober 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij rond
11.00 uur informatie kreeg aangereikt op grond waarvan zij de betoging heeft verboden. Op dat
moment was de blokkade op de A7 al ongeveer 20 minuten opgeheven. Het oponthoud op de A6
heeft enkele minuten geduurd. Ten tijde van de blokkade op de A7 die aanving omstreeks 9.52 uur
was er derhalve nog steeds sprake van een geoorloofde betoging. Het houden daarvan is ten tijde
van de blokkade verhinderd.
Volgens aangever A. zijn de bussen om 8.45 uur vertrokken vanaf station Duivendrecht richting
Dokkum. De buschauffeuse van de witte bus heeft verklaard dat zij tot aan de blokkade op de A7
tussen de 90 en 100 kilometer per uur reed. Feit is dat de bus al rond 9.45 uur in de buurt van Joure
was.Uit het dossier blijkt dat de drie bussen achter elkaar hebben gereden.
Volgens de routeplanner van de ANWB (zie bijlage) is de reistijd van station Duivendrecht naar het
tankstation aan de A7 bij Oudehaske 1 uur en 9 minuten. De reistijd van het tankstation naar De Zijl,
in het centrum van Dokkum, al waar de dynamische betoging zou starten, bedraagt 42 minuten.

16
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

De reistijd van de bussen met de demonstranten wijkt niet veel van af van het schema van de
routeplanner.
Onze conclusie, gebaseerd op onderzochte feiten en omstandigheden, is dat zonder het oponthoud
op de A6 en de blokkade op de A7 de demonstranten tijdig waren aangekomen in Dokkum.

Op deze wijze is het de demonstranten onmogelijk gemaakt Dokkum te bereiken. Dit blijkt ook uit de
verklaringen van de verdachten, waarin wordt gezegd dat hun doel, te weten het verhinderen van
de betoging, was bereikt.

7. Dwang (art. 284 Sr)

Een wezenlijk kenmerk van dit delict is, dat de dader een gevolg veroorzaakt dat de burger niet wil.
Uit de bewijsmiddelen moet blijken dat de betrokkene gedwongen is iets te doen, niet te doen of te
dulden. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat iemand op een wederrechtelijke manier
in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt doordat er dwang ten aanzien van hem of haar wordt
uitgeoefend.
In het woord ‘dwingen’ ligt een opzet-eis besloten (‘ingeblikt’ opzet). Dit opzetvereiste heeft ook
betrekking op de wederrechtelijkheid van de gedraging. Dit kan opzet in de voorwaardelijke vorm
zijn. Naar geldend recht betekent het bestanddeel wederrechtelijk in strijd met het recht.
‘Feitelijkheden’ zijn in het algemeen alle handelingen die niet onder ‘geweld’ vallen. Wel moeten
deze handelingen van zodanige aard zijn, dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een
zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kan bieden.
Hiervoor is al door ons uitgelegd dat er sprake is van geweld en bedreiging met geweld. Zoals
gezegd, door fors te remmen en door een motor dwars voor een bus te zetten en een botsing te
veroorzaken hebben 20 automobilisten de bussen tot stilstand gebracht en vervolgens intimiderend
en dreigend gedrag laten zien, zoals: gebalde vuisten, boze blikken, slaan tegen de bus, roepen van
teksten, het laten zien van de blote kont. Dit is niet alleen intimiderend, maar minachtend gedrag.
Conclusie: het is evident dat de verkeersdeelnemers hun weg niet konden vervolgen op de A7 als
gevolg van het medeplegen van de wederrechtelijke dwang van verdachten. Hiermee staat vast dat
de verdachten de demonstranten hebben beperkt in hun grondwettelijke recht om zich vrij te
kunnen bewegen.

8. Bewijs tegen individuele verdachten

Het strafbare feit opruiing is alleen aan verdachte D. ten laste gelegd. Onze algemene opmerkingen
over opruiing zullen wij maken als wij toekomen aan de individuele verdenking tegen verdachte D..

Wij zullen nu per verdachte ingaan op het bewijs voor de aan hem of haar ten laste gelegde
strafbare feiten. Dat doen wij in de volgorde van het proces-verbaal van de politie. Wij verwijzen u
hiervoor maar het persoonsdossier – overwegingen bewijs.

9. Algemene overwegingen strafeis

Wij zijn van oordeel dat uw rechtbank de ten laste gelegde feiten kan bewijzen, zoals hiervoor per
verdachte is geconcludeerd.

17
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Er zijn geen rechtvaardigingsgronden voor het strafbare gedrag van de verdachten. Bij geen van de
verdachten is sprake van gronden die hun strafbaarheid verminderen of uitsluiten. De verdachten
kunnen dan ook worden gestraft.

Bij de vraag of en zo ja, hoe verdachten moeten worden gestraft, spelen diverse factoren een rol,
waaronder de aard en ernst van de zaak.

Deze zaak is uniek en niet of nauwelijks te vergelijken met andere strafzaken. Bij het formuleren van
onze eisen kunnen wij dan ook geen aansluiting vinden bij vergelijkbare strafeisen van het OM of de
straftoemeting van rechters.

Alvorens per verdachte een eis op maat te formuleren, brengen wij de volgende overwegingen
onder uw aandacht, die bij alle verdachten aan de eis ten grondslag liggen.

In de inleiding hebben wij het belang van het beschermen van grondrechten benadrukt. In deze zaak
gaat het meer specifiek om het recht op de vrijheid van meningsuiting en het recht op betoging.
Deze rechten heeft iedereen, dus ook de demonstranten en ook de verdachten. Het recht van de
één is niet meer en ook niet minder waard dan het recht van de ander.

De kernvraag is: Hoe ga je in een democratische samenleving met elkaar om als je het niet eens bent
met elkaar?

In ieder geval niet zo als deze 34 verdachten hebben gedaan.

Verdachten hebben géén gebruik gemaakt van de mogelijkheden die zij in deze democratische
samenleving hebben om in het openbaar uiting te geven aan hun standpunten. In plaats daarvan
was het hun doel om het betogingsrecht van de demonstranten om zeep te helpen.
De standpunten van verdachten mogen er zijn en ook voor hun emoties is er begrip. Maar in onze
samenleving uit je je weerwoord door tegenspraak of tegendemonstratie, niet door tegenhouden.

Verdachten hebben er wél voor gekozen om strafbare feiten te plegen.


Het doel, verhinderen dat de demonstranten kunnen betogen, is strafbaar. Het middel, blokkeren
van een snelweg, is ook strafbaar.

Verdachten hebben de door de wetgever beschermde maatschappelijke belangen geweld


aangedaan. Dat zijn de volgende belangen:
1. Het abrupt versperren van de snelweg A7 alwaar de toegestane snelheid 130 km per uur
bedraagt, is een misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in
gevaar wordt gebracht. Het geschonden belang is de veiligheid van het verkeer tegen
gevaarlijke handelingen van personen. De wetgever heeft het strafmaximum voor dit delict
gesteld op een gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.
2. Het verhinderen van een betoging is een misdrijf tegen de openbare orde. Het geschonden
belang is de openbare orde, toegespitst op vergaderingen en betogingen. De wetgever heeft
het strafmaximum voor dit delict gesteld op een gevangenisstraf van ten hoogste negen
maanden.
3. Dwang is een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid. Het geschonden belang is het
voorkomen dat iemand op een wederrechtelijke manier in zijn vrijheid van handelen wordt
beperkt doordat er dwang ten aanzien van hem wordt uitgeoefend. De wetgever heeft het
strafmaximum voor dit delict gesteld op een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

18
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

4. Opruiing is een misdrijf tegen de openbare orde. Het geschonden belang is het voorkomen
dat met bepaalde middelen tot het (op grote schaal) begaan van strafbare feiten of van
agressie tegen het openbaar gezag wordt aangezet. De wetgever heeft het strafmaximum
voor dit delict gesteld op een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Deze strafbare feiten hebben een forse impact gehad, vooral op de inzittenden van de bussen. De
actie was specifiek op hen gericht. Zíj mochten er niet langs van de verdachten, zíj mochten niet in
Dokkum komen van de verdachten.
Het gedrag van de verdachten is intimiderend, bedreigend en beangstigend voor de inzittenden van
de bussen geweest, waaronder ook kinderen. Er zijn zelfs mensen die er psychische klachten aan
over hebben gehouden.

Ook dit gegeven maakt de strafbare feiten ernstig. Eén van de verdachten spreekt van een “ludieke
actie”. Ludiek betekent: speels, lichtvoetig, luchtig, niet zwaarwichtig, niet al te serieus. Dit staat
echter in sterk contrast met hoe de actie door de gedupeerden is beleefd. Het staat ook in contrast
met de kwalificatie en het strafmaximum zoals de wetgever in het Wetboek van Strafrecht heeft
vastgelegd.

Met een gecoördineerde actie heeft een grote groep verdachten een paardenmiddel ingezet: het
blokkeren van een snelweg. Onmogelijk om daar nog langs te komen.
Het gedrag van deze verdachten is niet alleen strafbaar, maar ook laakbaar. Afkeurenswaardig. Dit
past niet bij hoe je in een vrije democratische samenleving respectvol en fatsoenlijk met elkaar
omgaat.

Een aantal verdachten doet daar erg luchtig over. Daarmee gaan zij niet alleen voorbij aan de
gevoelens van de aangevers, maar ook aan het expliciet intimiderende gedrag dat een aantal
verdachten heeft laten zien.
Er zijn ook verdachten die zich iets beter kunnen inleven in de aangevers en zij kunnen zich
voorstellen dat de blokkade bedreigend is overgekomen op de inzittenden van de bussen.
De persoonlijke omstandigheden van verdachten zijn een factor bij het bepalen van een geschikte
afdoening. Daarover komen wij later per verdachte afzonderlijk te spreken.
Wel veroorloven wij ons enkele algemene opmerkingen over de verdachten als groep.

Er is niet te ontkomen aan het feit dat alle verdachten Friezen zijn. De Friese identiteit is door
toedoen van verdachten zelf een thema geworden in deze zaak. Dat begint al bij de oproep op
Facebook die is gericht tot ‘oprjochte’ Friezen. De Friese vlag en attributen zijn rondom de blokkade
duidelijk in beeld geweest en ook in en buiten deze rechtbank is dat niet anders. De verdachten
hebben de Friese identiteit gebruikt om hun strafbare acties kracht bij te zetten.
Een groep van 34 Friezen claimt, zonder enige onderbouwing, namens het gehele Friese volk te
spreken. “Friesland wil dit gewoon niet” en ”je ziet dat de Friezen het met elkaar eens zijn en dat er
dus een enorme saamhorigheid is”, tekent de Telegraaf op 18 november 2017 in Dokkum op uit de
mond van verdachte D.. Ter zitting is bijvoorbeeld door meneer Groen verklaard dat hij de grenzen
van Friesland moest bewaken.
Met deze uitlatingen wordt echter tekort gedaan aan de overige 650.000 Friezen met een eigen,
oprechte mening. Lang niet alle Friezen herkennen zich in de woorden en daden van de verdachten
en lang niet iedereen vindt het wenselijk dat zijn of haar Friese identiteit met deze strafbare acties in
verband wordt gebracht. Er zijn ook Friezen die zich plaatsvervangend schamen voor het gedrag van
deze verdachten.

19
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Wat ook allemaal de intenties van de verdachten zijn geweest – en die dienen te worden
gerespecteerd – het effect van het plegen van deze delicten is dat de chauffeurs en inzittenden van
de bussen zijn geïntimideerd, dat hen angst is ingeboezemd, dat zij letterlijk en figuurlijk zijn
klemgezet, dat hen de pas is afgesneden, dat zij zijn geminacht en dat hen de mond is gesnoerd. Hét
moment om te demonstreren, dáár waar dat het meest effect heeft, is hen ontnomen.

Net als de verdachten hebben ook de demonstranten een hoger doel voor ogen. Ook zij hechten
veel waarde aan hun identiteit en aan hun standpunten. Tijdens het spreekrecht is dat helder
verwoord. Ook de mening en intenties van de demonstranten dienen te worden gerespecteerd. De
landelijke intocht van Sinterklaas is voor hen een belangrijke gelegenheid om uiting te geven aan
hun mening over Zwarte Piet. Het is wrang dat het hen, die volgens de wettelijke regels een betoging
zouden houden, door zoveel mensen níet werd gegund om hun geluid in Dokkum te laten horen.

Verdachten hebben het gezag van de bestuurders en handhavers van de wet ondermijnd en zich de
autoriteit aangematigd dat zij met 34 personen kunnen bepalen hoe het openbare leven zich zal
voltrekken tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas op 18 november 2017.
Met hun geplande actie trekken zij willens en wetens de aandacht van nationale en internationale
media, al dan niet na die zelf actief te hebben benaderd. Voor de camera en op social media
etaleren verdachten hun trots, zich beroepend op hun allerbeste bedoelingen om de goedgelovige
kinderen een veilig en ongestoord kinderfeest te bezorgen. Zij willen voorkomen dat in het in
Dokkum komt tot gewelddadige confrontaties en danken het uitblijven daarvan helemaal aan
zichzelf.

Vast staat dat door de oproepen van verdachte D. tientallen burgers zijn aangespoord tot het plegen
van strafbare feiten. Haar oproepen op Internet, met een groot bereik, zijn te vergelijken met een
ongeleid projectiel dat alle kanten kan opvliegen. Zij heeft mensen die zij niet persoonlijk kent ertoe
aangezet om strafbare feiten te plegen op het Friese wegennet, met alle grote en onaanvaardbare
risico’s van dien.

De rol van de burgemeester is herhaaldelijk door de verdachten tijdens de inhoudelijke behandeling


aan de orde gesteld. Ondanks dat wij de verdachten hebben uitgelegd wat de rol van de
burgemeester is in het kader van de Wet op de openbare manifestaties, blijven verdachten
halsstarrig weigeren het laakbare van hun handelen in te zien. De veiligheid in Dokkum is een
verantwoordelijkheid van de driehoek, bestaande uit de burgemeester, de officier van justitie en de
chef van de politie.

In de Dikke Van Dale wordt eigenrichting als volgt gedefinieerd: het zichzelf recht verschaffen,
zonder tussenkomst van de rechter.

Verdachten hebben niet alleen voor eigen rechter gespeeld, maar ook voor eigen burgemeester,
eigen officier van justitie en eigen politieagent.

Verdachten hebben aan een al langer durende maatschappelijke discussie een nieuw element
toegevoegd, namelijk de eigenrichting van de burger die het niet eens is met zijn opponent en hem
monddood probeert te maken.
De tegenstellingen in het maatschappelijke debat zijn door deze 34 verdachten op scherp gezet.

20
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

Dat is een tegenovergesteld effect van hoe het hoort in een democratische rechtstaat: het met
elkaar in gesprek gaan, discussies voeren, naar elkaar luisteren en degenen die verantwoordelijk zijn
voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid aan zet laten en in hun waarde laten.

Een belangrijk doel van straffen is preventie. Met een straf wordt aan deze n een signaal afgegeven
dat hun gedrag niet wordt geaccepteerd, met het oog op het voorkomen van nieuw strafbaar
gedrag. Ook aan andere burgers wordt dan duidelijk gemaakt dat, hoe hoog een meningsverschil ook
oploopt, burgers nooit strafbare feiten mogen gaan plegen om op die manier hun gelijk te halen.

Met een straf worden verdachten op het onaanvaardbare van hun gedrag aangesproken en wordt
aan de slachtoffers recht en genoegdoening gedaan.

Tenslotte wordt, zoals al eerder is opgemerkt, met straffen recht gedaan aan de maatschappij als
geheel. In deze zaak gaat het naast de bescherming van de slachtoffers immers ook om de
bescherming van de grondrechten van iedereen in Nederland. De rechtsorde is door de actie van
verdachten geschaad en met het bestraffen van die actie wordt de rechtsorde weer hersteld.

Het Openbaar Ministerie is van mening dat op de grondrechten van vrije meningsuiting, betoging en
bewegingsvrijheid een grove inbreuk is gemaakt en dat de verkeersveiligheid in gevaar is gebracht.

Alle zojuist genoemde factoren in aanmerking nemend en alle belangen van de betrokkenen in deze
zaak afwegend, zijn wij van oordeel dat aan alle verdachten een straf moet worden opgelegd.

Op voorhand geven wij te kennen dat het opleggen van een geldboete niet op zijn plaats is. Een
geldboete zou geen recht doen aan de aard, ernst en impact van de gepleegde strafbare feiten. Daar
komt dat bij dat verdachten naar ons oordeel hun straf zelf dienen te ondergaan. Aan dit
uitgangspunt wordt geen recht gedaan als de veroordeelden hun geldboete kunnen voldoen uit een
fonds dat door sympathisanten is opgericht.

Wij zullen nu per verdachte ingaan op hun persoonlijke omstandigheden en op hun rol in deze zaak.
Op basis daarvan zullen wij tegen iedere verdachte een straf eisen.

10. Slotbeschouwing

In deze strafzaak zijn juridische vragen aan de orde gesteld, waarop de rechtbank een antwoord zal
geven.

Zoals wij eerder hebben opgemerkt, moeten mensenrechten en fundamentele vrijheden worden
beschermd tegen inbreuken die daarop worden gemaakt.

De kernvraag is: hoe ga je met elkaar om in Nederland als je het niet eens bent met elkaar?

Ieders eigen, persoonlijke mening mag er zijn en mag worden geuit. Wat die mening ook is.
Tegenstrijdige meningen moeten zonder problemen naast elkaar kunnen bestaan. Dat vraagt iets
van ons allemaal.

Dit sluit aan op het spandoek dat boven de ingang van de rechtbank hangt: “Rechtspraak maakt
mienskip mogelijk”. Mienskip staat voor gemeenschapszin, het geven om elkaar, aandacht voor
21
REQUISITOIR BLOKKADE A7 – ALGEMEEN DEEL

elkaar, liever samen dan alleen. Voor mienskip is nodig dat je de mening, de rechten en de vrijheden
van de ander erkent, ook al ben je het niet met de ander eens.
In onze democratische rechtsstaat is het uitgangspunt dat ieder mens gelijkwaardig is en rechten
heeft. Wanneer rechten worden geschonden, is onpartijdige rechtspraak nodig om het evenwicht
weer te herstellen, zodat mienskip weer mogelijk wordt en blijft.

Dat geldt wat ons betreft ook in deze zaak.

Dank u voor uw aandacht.

22