Vous êtes sur la page 1sur 7

ECLI:NL:OGEAC:2018:290

Instantie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak 09-11-2018
Datum publicatie 15-11-2018
Zaaknummer CUR201803645
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Kort geding
Inhoudsindicatie
Executiegeschil; dwangsommen al dan niet verbeurd; uitleg vonnis waarin
dwangsom is opgelegd; gedeeltelijke opheffing executoriaal beslag

Vindplaatsen Rechtspraak.nl 

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de stichting
STICHTING ANTILLIAANS ADVENT ZIEKENHUIS,
gevestigd te Curaçao,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar,

tegen

[GEDAAGDE],
wonende te Curaçao,
verweerder in conventie,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. M.M. Bloem.

Partijen worden hierna aangeduid als Advent en [gedaagde].
1 Verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, binnen gekomen op 2 november 2018;
- de aanvullende producties van Advent;
- de producties van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 6 november 2018;
- de door beide gemachtigden overgelegde pleitnota’s.

1.2. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [ gedaagde] is gynaecoloog en verloskundige.

2.2. Sinds 2005 stelt Advent aan [gedaagde] als toegelaten specialist ruimte, personeel en
apparatuur ter beschikking, opdat hij medische ingrepen kan uitvoeren. Deze toelating vindt plaats
op basis van een brief van Advent aan [gedaagde] van 27 april 2005, waarin staat dat het bestuur
van Advent heeft besloten

to grant Hospital privileges to [gedaagde] to admit patients in the Hospital for […] surgeries […].

2.3. In april 2013 heeft Advent de samenwerking met [gedaagde] beëindigd per eind juli 2013
vanwege de verstoord geraakte verhoudingen.

2.4. [ gedaagde] heeft die beëindiging eerst in kort geding en vervolgens in een bodemprocedure met
succes aangevochten. Het Hof heeft in het kort geding bij vonnis van 1 april 2014 Advent bevolen

om [gedaagde] – en zijn patiënten die hij verwijst naar de instelling van het Advent – binnen 24
uur na betekening van dit vonnis – op gebruikelijke wijze conform de toelating van 27 april 2005
zonder enige belemmering toe te laten tot de gebouwen van het Advent c.q. het ziekenhuis van
het Advent en [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zijn medische werkzaamheden uit te
voeren c.q. zijn patiënten te behandelen conform de toelating van 27 april 2005, voor zover deze
niet door de inspectie der volksgezondheid werd verboden;

Het Hof heeft dit bevel versterkt met een dwangsom.

2.5. Bij onherroepelijk vonnis van 8 mei 2017 heeft dit gerecht in de bodemprocedure onder meer het
volgende beslist:

- verklaart voor recht dat de opzegging van de (toelatings)overeenkomst door Advent op 22 april
2013 geen stand kan houden nu deze onrechtmatig, althans in strijd met de redelijkheid en
billijkheid, is;

- beveelt Advent de (toelatings)overeenkomst van 27 april 2005 met [gedaagde] voort te zetten
c.q. na te komen, voor zover deze niet door de inspectie der volksgezondheid werd verboden;

- bepaalt dat Advent een dwangsom van NAf 2.500,= verbeurt voor iedere dag of gedeelte van
een dag dat Advent in gebreke zal zijn met de nakoming van dit bevel, met een maximum van NAf
250.000,=;

2.6. Advent heeft na betekening van dit vonnis [gedaagde] toegelaten tot haar ziekenhuis.

2.7. In november 2017 heeft Advent [gedaagde] een nieuwe toelatingsovereenkomst ter
ondertekening voorgelegd. Over de inhoud daarvan is tussen partijen geen overeenstemming
bereikt. [gedaagde] heeft niet getekend.

2.8. Advent heeft [gedaagde] vervolgens met ingang van augustus 2018 de toegang tot haar
ziekenhuis ontzegd. Door [gedaagde] te verrichten operaties die gepland stonden voor 2
augustus 2018 zijn niet doorgegaan en Advent heeft [gedaagde] niet meer ingepland voor het
uitvoeren van operaties.

2.9. Bij vonnis in kort geding van 23 oktober 2018 heeft het gerecht, voor zover hier van belang,
Advent veroordeeld om aan [gedaagde] bij wijze van voorschot een bedrag te betalen van NAf
2.500 voor iedere week die hij sinds 1 augustus 2018 niet is of wordt toegelaten tot het
ziekenhuis van Advent.

2.10. Advent is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

2.11. Vanaf 29 oktober 2018 heeft Advent [gedaagde] weer ingeroosterd en toegelaten tot haar
ziekenhuis, op basis van een rooster van één dagdeel in de twee weken.

2.12. Op 29 oktober 2018 heeft Advent aan [gedaagde] een bedrag van NAf 35.000 betaald.

2.13. Op 31 oktober 2018 heeft de deurwaarder op verzoek van [gedaagde] ten laste van Advent
beslag gelegd onder de SVB en de MCB-bank. In de exploten wordt melding gemaakt van een
vordering van NAf 212.500 ter zake van verbeurde dwangsommen.

3 Het geschil

3.1. Advent vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, primair opheffing van de door
[gedaagde] gelegde beslagen en een verbod aan [gedaagde] om over te gaan tot executie van
dwangsommen met betrekking tot de periode 1 augustus 2018 tot 25 oktober 2018, een en ander
op straffe van een dwangsom, subsidiair [gedaagde] te bevelen over te gaan tot opheffing van de
beslagen binnen 24 uur na het verstrekken door Advent van een bankgarantie ten belope van NAf
200.000, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de
proceskosten.

3.2. [ gedaagde] vordert, deels voorwaardelijk, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,
samengevat verhoging van de dwangsom opgelegd in het vonnis van 8 met 2017 tot NAf 25.000
per dag en Advent te bevelen hem 28 operatie-uren per maand toe te kennen, op straffe van een
dwangsom.

3.3. Partijen voeren over en weer verweer.

4 De beoordeling

In conventie
4.1. Advent heeft gesteld dat door de beslagen op haar vorderingen op de SVB en de MCB-bank haar
bedrijfsvoering, en dus de zorg aan patiënten, op korte termijn in gevaar komt. Gelet op de
omvang van de vordering waarvoor beslag is gelegd, heeft Advent aldus voldoende aannemelijk
gemaakt dat sprake is van spoedeisend belang.

4.2. [ gedaagde] heeft het beslag gelegd omdat hij meent dat Advent (van 1 augustus 2018 tot 7
november 2018) een bedrag van NAf 212.500 aan dwangsommen heeft verbeurd. Advent meent
daarentegen dat zij de in die periode verbeurde dwangsommen al aan [gedaagde] heeft voldaan,
evenals het voorschot op de schadevergoeding dat zij ingevolge het vonnis van 23 oktober 2018
aan [gedaagde] is verschuldigd. Per saldo heeft [gedaagde] dan ook geen vordering meer op
Advent, zo betoogt zij.

4.3. Het betreft hier een executiegeschil, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat
een bevel al dan niet is nageleefd. In een dergelijke zaak heeft de rechter niet tot taak de door de
dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij
zich ertoe te beperken de ter zake relevante handelingen te toetsen aan de inhoud van de
veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel
en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet
verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De gerechtvaardigde belangen
van de veroordeelde vergen voorts dat hij met voldoende mate van zekerheid moet kunnen
vaststellen onder welke voorwaarden hij een dwangsom verbeurt.

4.4. Het Advent is bij vonnis van 8 mei 2017 bevolen om de toelatingsovereenkomst met [gedaagde]
“voort te zetten c.q. na te komen, voor zover deze niet door de inspectie der volksgezondheid
werd verboden.” Gesteld noch gebleken is dat de toelatingsovereenkomst zelf een beschrijving
bevat van wat onder de toelating moet worden verstaan. Het gerecht acht echter aannemelijk dat
daaronder niet slechts valt de toelating van [gedaagde] op het vaste aantal uren op de vaste dag
in de week in de operatiekamer dat hij door Advent wordt ingeroosterd. Volgens Advent zelf
worden uren in de operatiekamer die vrijvallen, bijvoorbeeld omdat de desbetreffende chirurg
verhinderd is, toegewezen aan een of meer van de andere chirurgen, voor zover die daar
behoefte aan hebben. Ook [gedaagde] komt daarvoor in beginsel in aanmerking, zo volgt uit het
betoog van Advent. Aangenomen moet worden dat ook de toelating van [gedaagde] voor
dergelijke – extra – operatie-uren plaatsvindt op basis van de toelatingsovereenkomst. Ook acht
het gerecht aannemelijk dat [gedaagde] in voorkomend geval ook reden heeft om buiten de
operatie-uren in het ziekenhuis te zijn, bijvoorbeeld om overleg te plegen met medewerkers of om
een patiënt bezoeken. Een redelijke uitleg van de toelatingsovereenkomst brengt mee dat Advent
hem ook daartoe gelegenheid moet geven.

4.5. De nakoming van de toelatingsovereenkomst, waartoe Advent in het vonnis van 8 mei 2017 is
veroordeeld, heeft naar voorlopig oordeel dus betrekking op alle aspecten van uitvoering van die
overeenkomst. Op schending van die – algemene – verplichting tot nakoming is de dwangsom
gesteld. Zou beoogd zijn de dwangsom slechts te stellen op schending door Advent van haar
verplichting om [gedaagde] toe te laten tot de vaste vooraf ingeroosterde operatie-uren, dan zou
in de rede hebben gelegen dat dit in het dictum tot uitdrukking zou zijn gebracht. Nu dat niet is
gebeurd, moet het dictum van het vonnis van 8 mei 2017 zo worden begrepen dat de dwangsom
is gesteld op verhindering door Advent van alle vormen van uitvoering van de
toelatingsovereenkomst.

4.6. De ontzegging van de toegang van [gedaagde] tot het ziekenhuis door Advent verhindert
categorisch alle vormen van uitvoering van de toelatingsovereenkomst. Dit heeft naar voorlopig
oordeel tot gevolg dat Advent op alle dagen dat zij [gedaagde] de toegang tot haar ziekenhuis
heeft ontzegd een dwangsom heeft verbeurd.

4.7. Steun hiervoor ziet het gerecht in de hoogte van de dwangsom. Zou de door Advent bepleite
uitleg worden gevolgd, dan zou zij voor een volle maand waarin zij [gedaagde] de toegang tot het
ziekenhuis ontzegt slechts een dwangsom van NAf 5.000 verbeuren (op basis van één
ingeroosterde donderdag per twee weken). Dit kan bezwaarlijk worden beschouwd als afdoende
financiële prikkel om het door het gerecht gegeven bevel na te komen. Het ligt niet voor de hand
dat deze consequentie is beoogd met het vonnis van 8 mei 2017.

4.8. Het voorgaande laat onverlet dat de werkzaamheden van [gedaagde] uit hoofde van de
toelatingsovereenkomst kennelijk in hoofdzaak bestaan uit het uitvoeren van operaties. Uit de
stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken, meer concreet de roosters voor de
operatiekamers, leidt het gerecht af dat in beginsel alleen op doordeweekse dagen wordt
geopereerd en niet ook in het weekend. Een redelijke uitleg van het dictum van het vonnis van 8
mei 2017 brengt daarom mee dat een dwangsom alleen kan worden verbeurd over doordeweekse
dagen. Dat er in spoedeisende gevallen ook wel eens in het weekend wordt geopereerd, zoals
[gedaagde] heeft aangevoerd, doet hier niet aan af.

4.9. De slotsom van al het voorgaande is dat Advent, naar voorlopig oordeel, over alle doordeweekse
dagen in de periode van 1 augustus 2018 tot 29 oktober 2018 een dwangsom heeft verbeurd.
Daarmee is een bedrag aan dwangsommen van in totaal NAf 155.000 (namelijk, rekening houdend
met de sluiting van de operatiekamers op 10 oktober 2018 (productie 11 van Advent), 62 dagen x
2.500). Dat bedrag is aanzienlijk hoger dan het totaalbedrag dat Advent aan [gedaagde] heeft
betaald
(NAf 35.000 inclusief het voorschot op schadevergoeding ingevolge het vonnis van 23 oktober
2018; met dat voorschot is volgens de onbetwiste stellingen van Advent NAf 17.500 gemoeid). In
zoverre faalt het standpunt van Advent dat [gedaagde] geen grond had om tot
executiemaatregelen over te gaan.

4.10. [ gedaagde] heeft voor een hoger bedrag executoriaal beslag gelegd, namelijk voor een
hoofdsom van NAf 212.500. Gelet op het hiervoor overwogene zal het gerecht de gelegde
beslagen opheffen voor zover zij een bedrag van (155.000 – 17.500 =) NAf 137.500 in hoofdsom
te boven gaan en [gedaagde] verbieden over te gaan tot executie van het meerdere. Aannemelijk
is immers dat voor het meerdere geen executoriale titel bestaat, zodat [gedaagde] niet gerechtigd
is executiemaatregelen te treffen. Aan het verbod zal een dwangsom worden verbonden zoals in
het dictum omschreven.

4.11. Advent heeft subsidiair gevorderd dat het beslag wordt opgeheven indien zij een bankgarantie
stelt. Deze subsidiaire vordering zal worden afgewezen. Ter zitting heeft Advent desgevraagd
verklaard dat met de bankgarantie zekerheid kan worden gesteld totdat het Hof op het hoger
beroep tegen het vonnis van 23 oktober 2018 heeft beslist. Die procedure heeft strikt genomen
echter niets te maken met de vraag in de onderhavige procedure, namelijk of Advent ingevolge het
vonnis van 7 mei 2018 dwangsommen heeft verbeurd. Niet gebleken is van zwaarwegende
belangen aan de zijde van Advent die meebrengen dat van haar niet kan worden gevergd de
verdere executie te dulden.

4.12. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Advent worden veroordeeld in de
proceskosten. Deze worden begroot op NAf 1.500 aan salaris.

In reconventie
4.13. Het voorwaardelijke deel van de vordering van [gedaagde] strekt ertoe dat de in het vonnis van
8 mei 2017 opgelegde dwangsom wordt verhoogd tot NAf 35.000. Deze vordering is ingesteld
onder de voorwaarde dat het gerecht Advent volgt in haar standpunt dat de dwangsom slechts
wordt verbeurd over de dagen dat Advent [gedaagde] niet toelaat op de vaste en vooraf
ingeroosterde uren in de operatiekamer. Uit de beoordeling in conventie volgt dat niet aan deze
voorwaarde is voldaan. Dit deel van de vordering van [gedaagde] blijft daarom buiten
beschouwing.
4.14. Met het onvoorwaardelijke deel van zijn vordering beoogt [gedaagde] te bereiken dat het
aantal uren per maand dat hij vast wordt ingeroosterd wordt verdubbeld van 14 naar 28. De
vordering is niet toewijsbaar. Het gerecht overweegt hiertoe als volgt.

4.15. Het gerecht zal moeten beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het
oordeel zal komen dat [gedaagde] aanspraak heeft op toekenning van 28 vaste operatie-uren.
[gedaagde] stelt dat hij die uren nodig heeft om aan de behoeften van zijn patiënten tegemoet te
kunnen komen. Ook stelt hij dat de operatie-uren door Advent oneerlijk worden verdeeld: andere
artsen krijgen meer uren toebedeeld dan hij, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat.
Advent heeft hier tegen in gebracht dat alle artsen te kampen hebben met wachtlijsten en dat dus
iedereen meer operatie-uren wil krijgen. Eventuele extra uren die beschikbaar komen worden
gelijktijdig aan alle artsen aangeboden, op basis van een systeem van ‘wie het eerst komt, die het
eerst maalt’. De arts die als eerste reageert, krijgt in principe extra uren toebedeeld. Sommige
artsen hebben meer uren dan [gedaagde], sommigen ook minder, aldus Advent.

4.16. Het gerecht is van oordeel dat, gelet op dit debat, onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de
vraag of [gedaagde] tekort wordt gedaan met het hem ter beschikking gestelde aantal uren.
Onvoldoende inzicht bestaat in de bijzonderheden die (mogelijk) gelden voor de verschillende
artsen en de medische gebieden waarop zij actief zijn. Niet ondenkbaar is dat louter het aantal
toegekende uren niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] oneerlijk wordt
behandeld. De omstandigheid dat [gedaagde] niet elders kan opereren en andere artsen mogelijk
wel, kan relevant zijn, maar kan niet geacht worden zonder meer bepalend te zijn. Van belang is
ook dat, zoals Advent onbetwist heeft gesteld, het totaal aantal beschikbare uren (te) beperkt is,
zodat een uitbreiding van het aantal uren van [gedaagde] onherroepelijk ten koste gaat van uren
van anderen. Mogelijk is dit een aanvaardbare consequentie, maar het ontbreekt aan voldoende
aanknopingspunten om op dit punt een verantwoorde beslissing te nemen. De vordering komt dus
niet voor toewijzing in aanmerking.

4.17. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten van
Advent, die worden begroot op NAf 750 voor salaris.

5 Beslissing

Het gerecht, rechtdoende in kort geding

In conventie

5.1. heft op de op 31 oktober 2018 ten laste van Advent door [gedaagde] onder de MCB-bank en de
SVB gelegde beslagen en verbiedt [gedaagde] om tot executie over te gaan van dwangsommen
over de periode van 1 augustus 2018 tot 26 oktober 2018 voor zover deze beslagen en deze
executie een bedrag in hoofdsom van NAf 137.500 te boven gaan, het bedoelde verbod op straffe
van een dwangsom van NAf 1.500 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] daarmee in
strijd handelt met een maximum van NAf 150.000;

5.2. veroordeelt Advent in de proceskosten van [gedaagde], begroot op NAf 1.500;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde;
In reconventie
5.5. wijst de vorderingen af;

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Advent, begroot op NAf 750;

5.7. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en
in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.