Vous êtes sur la page 1sur 6

LEERSTOF CHAPITRE 2

Grammaire
1 Grammaire C, Tegenwoordige tijd: Vocabulaire
présent
2 Grammaire F, Kloktijden 6 Vocabulaire A
3 Grammaire H, Ontkenning Français Néerlandais
Phrases-clés
4 Phrases-clés D
le/la prof(esseur) de leraar / de lerares
5 Phrases-clés I
Vocabulaire le/la prof principal(e) de mentor

6 Vocabulaire A
la salle het lokaal
7 Vocabulaire B
8 Vocabulaire E le français Frans
9 Vocabulaire F
l'histoire-géo v geschiedenis-aardrijkskunde
10 Vocabulaire G

rencontrer ontmoeten

entrer naar binnen gaan

qui wie

nouveau / nouvelle nieuw

bienvenue welkom

l'école v de school

la cinquième de eerste klas

la cour het schoolplein

la classe de klas

le collège de middelbare school (onderbouw)

à pied te voet

à droite (naar) rechts

à gauche (naar) links

loin (de) ver (van)

près (de) dicht bij

Néerlandais Français

de school l'école v

de middelbare school le collège

de klas la classe

de eerste klas la cinquième

de leraar / de lerares le/la prof

de mentor le/la prof principal(e)

geschiedenis-aardrijkskunde l'histoire-géo v

te voet à pied

(naar) rechts à droite

(naar) links à gauche


ver (van) loin (de)

dicht bij près (de)

ontmoeten rencontrer

nieuw nouveau / nouvelle

Néerlandais Français

In welke klas zit jij? Tu es en quelle classe?

Ik zit in de eerste klas. Je suis en cinquième.

Wie is je leraar Frans? Qui est ton prof de français?

Het is meneer Videau. C'est monsieur Videau.

Woon je ver van school? Tu habites loin de l'école?

Nee, het is 5 minuten lopen. Non, j'habite à 5 minutes à pied.

Ik weet het niet. Je ne sais pas.


LEERSTOF CHAPITRE 2

Grammaire
1 Grammaire C, Tegenwoordige tijd: Vocabulaire
présent
2 Grammaire F, Kloktijden 7 Vocabulaire B
3 Grammaire H, Ontkenning Français Néerlandais
Phrases-clés
4 Phrases-clés D
à vélo m met de fiets
5 Phrases-clés I
Vocabulaire au collège op de middelbare school

6 Vocabulaire A
les maths / les mathématiques v mv wiskunde
7 Vocabulaire B
8 Vocabulaire E le latin Latijn
9 Vocabulaire F
sévère streng
10 Vocabulaire G

l'élève m/v de leerling

le/la camarade de classe de klasgenoot

la note het cijfer

le cours de les

les devoirs m mv het huiswerk

la semaine de week

la journée de dag

long(ue) lang

différent(e) anders, verschillend

le premier / la première de eerste

aider helpen

donner geven

déjà al

moi ik (los / met nadruk)

toi jij (los / met nadruk)

Néerlandais Français

met de fiets à vélo m

de leerling l'élève m/v

wiskunde les maths / les mathématiques v mv

Latijn le latin

het cijfer la note

de les le cours

het huiswerk les devoirs m mv

de week la semaine

de dag la journée

anders, verschillend différent(e)


helpen aider

geven donner

ik (los / met nadruk) moi

jij (los / met nadruk) toi

Néerlandais Français

Hoe vind je de leraar? Comment tu trouves le prof?

Hij is aardig, maar ook streng. Il est sympa, mais il est aussi sévère.

Hou je van Engels? Tu aimes l'anglais?

Nee, ik heb een hekel aan Engels. Non, je déteste l'anglais.

Heb je goede cijfers? Tu as de bonnes notes?

Het gaat wel. Ik sta een 6. Ça va, j'ai 12 sur 20.


LEERSTOF CHAPITRE 2

Grammaire
1 Grammaire C, Tegenwoordige tijd: Grammaire
présent
2 Grammaire F, Kloktijden 1 Grammaire C, Tegenwoordige tijd: présent
3 Grammaire H, Ontkenning De meeste Franse werkwoorden eindigen op -er. Bijna al deze werkwoorden worden op
Phrases-clés dezelfde manier vervoegd. Dit zijn de regelmatige werkwoorden.
4 Phrases-clés D Als je de letters -er weghaalt, dan houd je de stam van het werkwoord over. Achter de
5 Phrases-clés I stam komt een uitgang.
Vocabulaire
6 Vocabulaire A uitgang donner geven
7 Vocabulaire B
8 Vocabulaire E je e je donne ik geef

9 Vocabulaire F
tu es tu donnes jij geeft
10 Vocabulaire G
il/elle e il/elle donne hij/zij geeft

on e on donne wij geven

nous ons nous donnons wij geven

vous ez vous donnez jullie geven / u geeft

ils/elles ent ils/elles donnent zij geven

Il donne beaucoup de devoirs. Hij geeft veel huiswerk.

Tu aimes le français? Vind je Frans leuk?

Tip Er zijn zes verschillende uitgangen, maar je hoort er maar drie, want -e, -es en -ent
worden hetzelfde uitgesproken!

je verandert in j' voor een klinker of een stomme h.

j'oublie ik vergeet

j'habite ik woon

De volgende werkwoorden vervoeg je net als donner:

aimer (houden van, leuk vinden)


arriver (aankomen)
chercher (zoeken)
commencer (beginnen)
détester (een hekel hebben aan)
écouter (luisteren naar)
habiter (wonen)
organiser (organiseren)
oublier (vergeten)
parler (praten)
regarder (kijken)
travailler (werken)
trouver (vinden)
enzovoort
LEERSTOF CHAPITRE 2

Grammaire
1 Grammaire C, Tegenwoordige tijd: Phrases-clés
présent
2 Grammaire F, Kloktijden 4 Phrases-clés D
3 Grammaire H, Ontkenning
Om te vragen Pour demander
Phrases-clés
4 Phrases-clés D 1 In welke klas zit jij? Tu es en quelle classe?
5 Phrases-clés I
2 Wie is je leraar Frans? Qui est ton prof de français?
Vocabulaire
6 Vocabulaire A 3 Hoe vind je de leraar? Comment tu trouves le prof?
7 Vocabulaire B
4 Houd je van Engels? Tu aimes l'anglais?
8 Vocabulaire E
9 Vocabulaire F
5 Heb je goede cijfers? Tu as de bonnes notes?
10 Vocabulaire G
6 Woon je ver van school? Tu habites loin de l'école?

Om te antwoorden Pour répondre

1 Ik zit in de eerste klas. Je suis en cinquième.

2 Het is meneer Videau. C'est monsieur Videau.

3 Hij is aardig, maar ook streng. Il est sympa mais il est aussi
sévère.

4 Nee, ik heb een hekel aan Engels. Non, je déteste l'anglais.

5 Gaat wel, ik heb een 6. Ça va, j'ai 12 sur 20.

6 Nee, het is 5 minuten lopen. Non, j'habite à 5 minutes à pied.

Als je iets niet weet

Ik weet het niet. Je ne sais pas.

Vous aimerez peut-être aussi