Vous êtes sur la page 1sur 85

Koperplatenwrak Noordzee

Beschrijving eerste vondsten

Periplus Archeomare rapport 19A008-01


Auteurs:
S. van den Brenk en A.B.M. Overmeer

Met bijdragen van:


A. Pappot (promovendus Conservator Rijksmuseum)
S. van Daalen (Van Daalen Dendrochronologie)
H.E. Vink, J. Opdebeeck en B. van Os (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
A.D. Vos (Batavialand)
A. Welle (Metameer)
B.E.J.M van Mierlo en R. Cassée (Periplus Archeomare)

In opdracht van:

Rijkswaterstaat Zee en Delta

Document Controle
Revisie 5.0 (definitief)
Datum 9 mei 2019
Periplus Archeomare Referentie 19A008-01
Klant (Project) Referentie Wrakvondst Noordzee bij berging containers
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Colofon

Periplus Archeomare Rapport 19A008-01

Eerste beschrijving vondsten Koperplatenwrak Noordzee


Auteurs S. van den Brenk en A.B.M. Overmeer

In opdracht van: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Contactpersoon: Mw. J.F.M. Bos
© Periplus Archeomare mei 2019
Foto’s en tekeningen: Periplus Archeomare, tenzij anders vermeld

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt
worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers.
Periplus Archeomare aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend
uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

ISSN 2352-9547

Revisie details

Revisie Omschrijving Auteur Controle Autorisatie Datum


5.0 Definitief SvdB/AO BvM BvM 09-05-2019
4.0 Concept 4 SvdB/AO BvM BvM 08-05-2019
3.0 Concept 3 SvdB/AO BvM BvM 28-04-2019
2.0 Concept 2 SvdB/AO BvM BvM 19-04-2019
1.0 Concept 1 SvdB/AO BvM BvM 14-04-2019

Autorisatie:

B.E.J.M van Mierlo


KNA Senior prospector waterbodems

Periplus Archeomare
Kraanspoor 14
1033 SE - Amsterdam
Tel: 020-6367891
Email: info@periplus.nl
Website: www.periplus.nl
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Inhoudsopgave
Samenvatting .......................................................................................................................................3
Inleiding .....................................................................................................................................5
Aanleiding ..................................................................................................................................5

Doelstelling van het onderzoek ............................................................................................................. 5

Onderzoeksvragen................................................................................................................................. 6

Bevoegd gezag....................................................................................................................................... 7

Leeswijzer .............................................................................................................................................. 7
Vooronderzoek ........................................................................................................................... 9
Onderzoek op locatie en loswal ................................................................................................. 11
Onderzoek vondstmateriaal ...................................................................................................... 15

Scheepshout ........................................................................................................................................ 15

5.1.1. Methoden en technieken houtonderzoek .......................................................................................... 15

5.1.2. Beschrijving scheepshout .................................................................................................................... 16

5.1.3. Datering van het scheepshout ............................................................................................................ 24

5.1.4. Interpretatie en vergelijking ................................................................................................................ 24

5.1.5. Aanbevelingen voor verder onderzoek ............................................................................................... 26

Kopervondsten .................................................................................................................................... 27

Merktekens ......................................................................................................................................... 28
Hydrografische opnamen .......................................................................................................... 31
Relatie met vergelijkbare vondsten ........................................................................................... 33
Beantwoording van de onderzoeksvragen ................................................................................. 37
Conclusies en advies ................................................................................................................. 41
Evaluatie en selectierapport ...................................................................................................... 43
Lijst met afbeeldingen ........................................................................................................................ 44
Lijst met tabellen ................................................................................................................................ 44
Afkortingen en woordenlijst ............................................................................................................... 45
Referenties......................................................................................................................................... 46
Bijlage 1. Bergingsrapport MV Geosund .............................................................................................. 47
Bijlage 2. Tekeningen scheepshout ...................................................................................................... 49
Bijlage 3. Rapportage dendrochronologisch onderzoek ........................................................................ 54
Bijlage 4. Inventarislijsten van de koperplaten ..................................................................................... 56
Bijlage 5. Foto’s en beschrijvingen van de merktekens ......................................................................... 58
Bijlage 6. Rapportage XRF metingen .................................................................................................... 62
Bijlage 7. DVD met digitale bestanden ................................................................................................. 64

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 1
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Tabel 1. Archeologische perioden

Periode Tijd in jaren


Nieuwe tijd Laat 1850 na Chr. - heden
Nieuwe tijd Midden 1650 na Chr. - 1850 na Chr.
Nieuwe tijd Vroeg 1500 na Chr. - 1650 na Chr.
Late-Middeleeuwen 1050 na Chr. - 1500 na Chr.
Vroege-Middeleeuwen 450 na Chr. - 1050 na Chr.
Romeinse tijd 12 voor Chr. - 450 na Chr.
IJzertijd 800 voor Chr. - 12 voor Chr.
Bronstijd 2000 voor Chr. - 800 voor Chr.
Neolithicum (Nieuwe Steentijd) 5300 voor Chr. - 2000 voor Chr.
Mesolithicum (Midden Steentijd) 8800 voor Chr. - 4900 voor Chr.
Paleolithicum (Oude Steentijd) 300.000 voor Chr. - 8800 voor Chr.

Tabel 2. Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied

Provincie Nvt
Gemeente Nvt
Plaats Noordzee, vaargeul TSS
Beheerder gebied Rijkswaterstaat Zee en Delta
Toponiem Koperplatenwrak TSS Noordzee
Nationaal Contact Nummer (NCN) 11068
RWS SonarReg nr. 21527
Kaartblad 1811-1
Centrumcoördinaten E 646135 / N 5934157 (ETRS89 UTM31N)
X 142294 / Y 616668 (RD)
Oppervlakte onderzoeksgebied 100 m2
Waterstaatkundige gegevens Zout water, getijdestroming, diepte 23.0 m t.o.v. LAT
Bevoegd gezag Rijkswaterstaat Zee en Delta
Adviseur bevoegd gezag Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
ARCHIS onderzoeksmelding (Zaak-code) 4681139100
Periplus Archeomare -projectcode 19A008-01
Periode van uitvoering Februari - april 2019
Beheer en plaats documentatie Periplus Archeomare, Amsterdam

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 2
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Samenvatting

In opdracht van Rijkswaterstaat Zee en Delta heeft Periplus Archeomare in samenwerking met
scheepsarcheoloog A.B.M. Overmeer een aantal vondsten van een scheepswrak onderzocht.

Tijdens de berging van verloren containers op de Noordzee boven de Waddeneilanden zijn op 26 februari
2019 onverwachts resten van een scheepswrak naar boven gekomen. De resten bestaan uit eikenhouten
scheepsdelen en koperen platen (lading). Op basis van het eerste onderzoek naar het scheepshout kan
geconcludeerd worden dat het gaat om een gladboordig zeevarend schip met een minimale breedte van 7,5
meter, en een lengte van vermoedelijk meer dan 25 meter. Omdat onbekend is van welk deel van het schip
de huidplanken komen (het vlak (scheepsbodem) of het boord), is nog niet zeker of de gehele scheepsromp
gladboordig was gebouwd, of alleen het vlak. Op basis van dendrochronologisch onderzoek is vastgesteld
dat het hout gekapt is in de herfst/winter van 1536/1537. De koperen platen zijn gedateerd in de periode
1508-1540 en bevatten merktekens waaronder een drietand symbool dat gerelateerd kan worden aan de
bankiersfamilie Fugger, die in de 15de en 16de eeuw het monopolie had op de metaalhandel in Oost-Europa.
Het kenmerkende drietand symbool van de Fuggers was in gebruik tot 1546, toen Anton Fugger zijn
bemoeiingen met de Oost-Europese mijnbouw beëindigde. Het schip is dus mogelijk vergaan in de periode
1538-1550, en is hiermee formeel de oudst bekende scheepsvondst op het Nederlands deel van de
Noordzee tot nu toe.

Advies met betrekking tot het scheepshout:


Het scheepshout van het Koperplatenwrak heeft tot nog toe al veel informatie opgeleverd wat betreft
scheepsconstructie, bouwwijze en (globale) afmetingen. Er zijn nog vele vragen te stellen die mogelijk in de
toekomst beantwoord kunnen worden. Te denken valt aan:
- Houtdeterminatie van de houten pennen, verschil tussen die met wig en zonder wig.
- Houtdeterminatie van de spijkerpennen uit huidplanken KPW-4 en -15. Zijn deze van eikenhout of is
daar wellicht een andere houtsoort voor gebruikt?
- Determinatie van de concretie/korst, mogelijk harpuis, op huidplank KPW-4.
- Determinatie van de concretie die vermoedelijk afkomstig is van de koperplaten.
- Vormreconstructie van het vlak, op basis van de geborgen leggers.
- Vergelijking met scheepsvondsten in binnen- en buitenland uit dezelfde periode, of gebouwd in
dezelfde bouwtraditie. Ten denken valt onder meer aan het overnaadse schip U34 en het gladboordige
Wrak Ritthem en wellicht ook de replica van het schip van Willem Barentsz.
- Literatuuronderzoek voor nadere studie naar de bouwwijze van dit schip. Te denken valt aan Witsen,
Hoving, etc.
- Verder onderzoek naar de rest van het scheepswrak dat nog op de zeebodem aanwezig is. Hierbij kan
specifiek gekeken worden naar verdere informatie over de bouwwijze, zodat het schip in een bredere
(scheepsvaart-) context geplaatst kan worden.

Advies met betrekking tot de wraklocatie:


Geadviseerd wordt, om de wraklocatie nader te onderzoeken om vast te stellen wat nog meer aanwezig is
op de vindplaats, en zodoende de omvang en begrenzing van de vindplaats vast te bepalen.
Om de begrenzing van de nog eventueel aanwezige afgedekte wrakdelen en vondsten in kaart te brengen
zou een aanvullend geofysisch onderzoek uitgevoerd kunnen worden, bijvoorbeeld met
bodempenetrerende technieken zoals een (3D) subbottom profiler of Electro Magnetische (EM) apparatuur.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 3
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Om meer details zichtbaar te maken over de zichtbare objecten aan het oppervlak kan een hoge frequentie
(>= 700 kHz.) multibeam of side scan sonar ingezet worden.

Advies met betrekking tot de kopervondsten:


De huidige (en toekomstige) vondsten kunnen verder worden geanalyseerd, en een studie kan worden
gemaakt naar de relatie met vergelijkbare vondsten in Europa en daarbuiten om zodoende meer inzicht te
krijgen in de (koper) handel van de zestiende eeuw. Ook kan contact worden gezocht met het (privé) archief
van de familie Fugger in Dillingen, Duitsland om te zien of daar nog relevante informatie aanwezig is.

Advies aan de berger:


De berger van de containers is geïnstrueerd dat tijdens de bergingswerkzaamheden op andere locaties nog
meer resten aan het licht kunnen komen. Het gaat hierbij om objecten en structuren die volledig zijn
afgedekt door sedimentlagen en/of contacten die niet als archeologisch object of structuur zijn herkend
tijdens het vooronderzoek. De uitvoerder is conform de Erfgoedwet (2016) verplicht om dergelijke vondsten
te melden bij de bevoegde overheid.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 4
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Inleiding

In opdracht van Rijkswaterstaat Zee en Delta heeft Periplus Archeomare in samenwerking met
scheepsarcheoloog A.B.M. Overmeer de vondsten van een scheepswrak onderzocht die per ongeluk tijdens
een berging van containers op de Noordzee naar boven zijn gekomen.

Afbeelding 1. Ligging van de vondstlocatie

Aanleiding

Op 26 februari 2019 zijn tijdens het bergen van de verloren containers van het containerschip MSC Zoe per
ongeluk historische wrakresten naar boven gehaald. In totaal is de knijper van het bergingsschip ‘Geosund’
drie keer in de wraklocatie gezet. De eerste twee keer kwamen koperen platen boven waarvan aanvankelijk
gedacht werd dat het om lading van de verloren containers ging. Bij de derde keer kwamen grote houten
wrakdelen boven en zijn de bergingswerkzaamheden gestaakt.

Doelstelling van het onderzoek


Dit onderzoek heeft tot doel de gevonden wrakresten veilig te stellen, te onderzoeken en te documenteren
om zodoende meer inzicht te krijgen in de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 5
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Onderzoeksvragen
Voor de specifieke vondsten zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:

- Welke archeologische resten zijn aangetroffen?


- Wat zijn de uiterlijke kenmerken (artefacten, type indicatoren)?
- Wat is de aard, datering, gaafheid en conservering van de resten?
- Wat is de (diepte)ligging en lithostratigrafische context van de vondsten?
- Kan de vindplaats worden begrensd?
- Hoe sluiten de resultaten van het onderzoek aan op de gespecificeerde archeologische verwachting
zoals die in het vooronderzoek voor het onderzoeksgebied is vastgesteld?
De volgende vragen uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) kunnen van toepassing zijn:
- Waar worden uiteenlopende typen scheepswrakken aangetroffen, en hoe kan de aanwezigheid van
wrakken worden verklaard? (NOaA 2.0-vraag 12) 1
- Hoe verliep de ontwikkeling van de houten scheepsbouw (materiaalgebruik, technologie, innovatie,
typologie)? (NOaA 2.0-vraag 11)
- Waar komen niet-lokale grondstoffen van gebruiksvoorwerpen vandaan? (NOaA 2.0-vraag 139)
- Waar en hoe werden bouwmaterialen gewonnen, gemaakt en gedistribueerd? (NOaA 2.0-vraag 138)

Het onderzoek is uitgevoerd in de periode 1 maart tot en met 3 april 2019 door Seger van den Brenk (Senior
KNA Archeoloog Waterbodems) en Alice Overmeer (Senior KNA Archeoloog Waterbodems en Senior
Specialist Scheepsarcheologie). Het onderzoek is uitgevoerd conform de BRL 4000/ Kwaliteitsnorm
Nederlandse Archeologie (KNA) waterbodems 4.1.

De volgende personen hebben meegewerkt aan het onderzoek en de onderhavige rapportage:


 De medewerkers van duikbedrijf Aquatech Diving in Joure;
 De medewerkers van bergingsbedrijf Ardent;
 Johan Opdebeeck, Heidi Vink en Bertil van Os, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;
 Arie Pappot, promovendus Rijksmuseum;
 Sjoerd van Daalen, Van Daalen Dendrochronologie;
 Arent Vos, Batavialand;
 Anneke Welle, Metameer;
 Janneke Bos, bodembeheerder Rijkswaterstaat;
 Medewerkers onderzoeksschepen Arca en Zirfaea, Rijkswaterstaat
 Rens Cassée en Bart van Mierlo, Periplus.

1 Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA 2.0), RCE, maart 2016.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 6
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bevoegd gezag
Voor het uitgevoerde onderzoek is Rijkswaterstaat het bevoegd gezag. Voor Rijkswaterstaat treedt de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op als adviseur en heeft dit rapport mede beoordeeld.

Leeswijzer
In hoofdstuk 3 wordt het vooronderzoek beschreven. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 het onderzoek op
de vondstlocatie besproken. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van de vondsten gepresenteerd. Hoofstuk
6 beschrijft de hydrografische opnamen, en in hoofdstuk 7 wordt een relatie gelegd met vergelijkbare
vondsten. Op basis van de resultaten worden de onderzoeksvragen beantwoord in hoofdstuk 8. Het rapport
wordt afgesloten met conclusies en een advies in hoofdstuk 9.

Schuingedrukte woorden worden toegelicht in de verklarende woordenlijst op bladzijde 45. In bijlage 1 is


het originele bergingsrapport van de MV Geosund opgenomen. De tekeningen van het scheepshout zijn
opgenomen in bijlage 2. De rapportage van het dendrochronologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 3.
Een inventaris van de kopervondsten en beschrijvingen van de merktekens zijn opgenomen in bijlagen 4 en
5. Het rapport met de resultaten van de XRF metingen staat in bijlage 6. Digitale bestanden waaronder
onderhavig rapport in PDF formaat, zijn opgenomen op de DVD in bijlage 7.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 7
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten ten behoeve van dubbelzijdig afdrukken

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 8
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Vooronderzoek

In de nacht van 1 op 2 januari 2019 verloor het containerschip MSC Zoe, op weg naar Bremerhaven, meer
dan 300 containers in de vaarweg boven de Waddeneilanden. Direct na dit ongeval werd een grootschalige
zoekcampagne gestart met meerdere surveyschepen om de verloren containers met inhoud in kaart te
brengen, zodat deze geborgen konden worden. Het gebied en omgeving waar de containers verloren zijn,
werd onderverdeeld in vakken die systematisch met behulp van side scan sonar en multibeam in kaart
gebracht werden. Vervolgens werden de ruwe opnamen geanalyseerd, en de locaties waar mogelijke
containers en containerresten zichtbaar in een zogenaamde Master Target List gezet. Voordat een afgeleide
versie van lijst aan de bergingsschepen werden verstrekt vond een controle plaats om er zeker van te zijn
dat de locaties geen bekende objecten zoals scheepswrakken betroffen.

De locatie waar de vondsten naar boven zijn gekomen lag in het onderzoeksgebied C-TSS-S, in clearance box
nr. 5662. Dit zijn gebieden van één bij één kilometer die gedefinieerd zijn om het gebied systematisch te
onderzoeken en vrij te maken van containerresten.

Afbeelding 2. Ligging van de vondstlocatie in het zoekgebied

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 9
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Eén locatie binnen clearance box 5662 kon gerelateerd worden aan een bekend scheepswrak, de Miami,
een Deense viskotter die in 1979 is gezonken.

Afbeelding 3. Sonar- en multibeamopnamen van de locatie door de MS Arca op 25-01-2019

De sonar- en multibeamopnamen van de locatie, gemaakt op 25 januari door de MV Arca, laten een
cirkelvormige depressie met een diameter van ongeveer 9 meter en een diepte van 0,6 meter zien in de
zeebodem, waarin enkele objecten zichtbaar zijn. Veel locaties waar containers geborgen zijn vertonen een
vergelijkbaar beeld. De meeste containers zijn uiteengevallen, en rondom de resten vormen zich snel
slijpgeulen onder invloed van de getijdestromingen. De archeologische vindplaats is dus per abuis als een
locatie met containerresten aangezien, en onbedoeld door de bergers verstoord.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 10
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Onderzoek op locatie en loswal

Op 26 februari 2019 was het bergingsschip Geosund bezig met het bergen van containerresten. Het
aangewezen werkgebied betrof clearance box 5662. Binnen dit gebied van 1 x 1 km waren tijdens de survey
op vier locaties objecten aangetroffen. Door middel van een vergelijking met de gegevens van bekende
objecten kon het object op één van de locaties al geïdentificeerd worden als het wrak van de Deense
viskotter ‘Miami’, vergaan in 1979. Voor de overige drie locaties waren geen gegevens bekend.

Afbeelding 4. Locaties binnen clearance box 5662

Voorafgaande aan de berging op de mogelijke containerresten op de drie locaties werd de bodem bekeken
met een echoscope om de aard van de objecten vast te stellen. Van twee locaties kon worden vastgesteld
dat hier geen containerresten lagen. Op de derde locatie waren duidelijke objecten zichtbaar, en zijn deze
vervolgens met een grijper omhoog gehaald. Bij de eerste twee knijpen kwamen koperen platen naar boven,
waarvan men aanvankelijk dacht dat het om de lading van een container ging. Bij de derde knijp kwamen er
houten balken boven en is men direct gestopt met de bergingsoperatie.

Vervolgens zijn aan boord van de Geosund foto’s gemaakt van de resten en is een bergingsrapport
opgemaakt (zie bijlage 1). De vondsten zijn dezelfde dag nog telefonisch gemeld door Ardent (Pieter van der
Sanden) aan Rijkswaterstaat (Richard van Belzen). De geborgen delen bestonden uit zware houten balken
en planken, en koperen platen.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 11
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 5. Foto’s van de vondsten aan boord van de MV Geosund

Na overleg tussen Rijkswaterstaat en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft Rijkswaterstaat op 27
februari 2019 Periplus Archeomare de opdracht gegeven om de vondsten veilig te stellen en nader te
onderzoeken. Vervolgens zijn alle resten apart in een werkcontainer gelegd en opgehaald door het
transportschip ‘Blue Bella’. De bemanning van de ‘Blue Bella’ werd geïnstrueerd om de houtvondsten nat te
houden en af te schermen tegen direct zonlicht, om uitdroging te voorkomen. Op 28 februari 2019, twee
dagen na de vondst, arriveerde de container bij BDS in Harlingen.

Afbeelding 6. Aankomst van de werkcontainer op de loswal van BDS in Harlingen

Op de loswal zijn alle vondsten met zoet water onder lage druk schoongemaakt, waarbij zand en schelpen
verwijderd zijn. Op deze loswal van BDS werden ook de geborgen containerresten gesorteerd en verwerkt,
dus verzocht werd om de wrakvondsten zo snel mogelijk af te voeren.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 12
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 7. Schoonmaken van de vondsten op de loswal

Na het schoonmaken zijn alle vondsten overgeheveld naar een transportcontainer.

Afbeelding 8. Overhevelen van de vondsten naar een transportcontainer.

Het was aanvankelijk de bedoeling om alle vondsten direct naar het depot in Batavialand te transporteren,
maar het bleek dat het depot (nog) niet gereed was om een vondstencomplex met een dergelijk omvang te
ontvangen. Daarom is in overleg met Rijkswaterstaat en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed besloten
om de vondsten tijdelijk op te slaan en verder te onderzoeken in een loods van het duikbedrijf Aquatech
Diving in Joure. Op zaterdag 2 maart zijn de vondsten overgebracht. In de periode 4 tot en met 31 maart zijn

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 13
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

de vondsten onderzocht en de houten delen getekend. Op maandag 1 april zijn alle kopervondsten en een
deel van de houtvondsten (vier stuks) overgedragen aan het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed in Amersfoort. De overige houtvondsten zijn na de documentatie in overleg met Rijkswaterstaat en
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gedeselecteerd en konden dus in principe afgevoerd worden, maar
op verzoek2 werd afgesproken om de delen nog tijdelijk te bewaren in Joure. Op donderdag 25 april zijn een
vijftal houten delen (twee balken en drie planken) opgehaald door het Fries museum ten behoeve van een
tentoonstelling in Leeuwarden. Op verzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in samenspraak
met de maritiem archeologische specialisten van Batavialand, heeft Periplus de resterende scheepsdelen in
eigen beheer opgeslagen voor eventueel nader onderzoek.

De locatie van het wrak is in de SonarReg contactendatabase van Rijkswaterstaat opgenomen als
Nationaal Contact Nummer (NCN) 11068.

2 Op verzoek M. Manders, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, e-mail 15 april 2019

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 14
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Onderzoek vondstmateriaal

Scheepshout
5.1.1. Methoden en technieken houtonderzoek
De documentatie van het scheepshout heeft plaatsgevonden tussen 5 en 29 maart 2019. Het hout is
gedocumenteerd volgens de richtlijnen van de KNA 4.1 en de handleiding ‘Scheepshout herkennen,
documenteren en behandelen’ van de Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water (LWAOW).3 De
onderdelen zijn handmatig getekend op schaal 1:10, volgens de Amerikaanse projectie. Naast de vier
aanzichten van het hout zijn, waar mogelijk, de kopse kanten getekend. Waar dit niet mogelijk was is
minimaal één doorsnede van het scheepsonderdeel getekend.
Er is getekend op een maatvaste polyester tekenfilm voorzien van een millimeterverdeling, op A0-formaat
(1189 x 841 mm). De A0-vellen zijn vervolgens gescand door de RCE (bijlage 2).
Verder zijn alle stukken scheepshout beschreven op zogenaamde beschrijvingsformulieren. Hierop zijn de
belangrijkste maten en kenmerken vastgelegd. Verder zijn foto’s gemaakt van details in het scheepshout.
Van vier onderdelen zijn foto’s genomen ten behoeve van nadere uitwerking met fotogrammetrie (KPW-1,
-2, -10 en -17). Het tekenwerk is uitgevoerd door A.B.M. Overmeer, enkele dagen ondersteund door S. van
den Brenk (Periplus Archeomare) en H.E. Vink (Maritiem Erfgoed Nederland, RCE).

Afbeelding 9. Meten en tekenen van het scheepshout door Heidi Vink en Alice Overmeer.

3 Overmeer, Oosting & Zandstra 2018.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 15
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

5.1.2. Beschrijving scheepshout


Algemeen

In totaal zijn 23 stukken scheepshout boven water gekomen, met een totaal gewicht van ca. 1000 kg. Ze
hebben de vondstnummers KPW-0 tot en met KPW-22 gekregen, waarbij KPW staat voor KoperPlatenWrak
(tabel 3).45 Het kleinste stuk hout heeft een lengte van 57 cm, het grootste meet maar liefst 555 cm. Het
scheepshout bestaat uit 9 planken (of fragmenten daarvan), en 14 spanten, lange balken die de
dwarsverbindingen in het schip vormden, ook wel de ribben van het schip.
Over het algemeen kan gezegd worden dat het hout in vrij goede staat is. Het heeft weinig tot geen
aantasting van de paalworm, soms alleen wat oppervlakkig. Sommige balken en planken zijn wat verweerd,
waarschijnlijk door de eroderende werking van zand in stromend water.

Nummer Onderdeel Beschrijving (alle delen bestaan uit eikenhout)


KPW-0 inhout kort fragment van spant, mogelijk deel van legger?
KPW-1 plank plankfragment, mogelijk van huid of wegering
KPW-2 inhout legger met boutgat voor bevestiging kiel
KPW-3 inhout lange legger met kromming voor kim en sponning voor zaathout
KPW-4 plank huidplank met spijkerpennen
KPW-5 inhout legger met boutgat voor bevestiging kiel en sponning voor kiel
KPW-6 inhout legger met lichte sponning voor kiel
KPW-7 inhout legger
KPW-8 inhout legger met boutgat voor bevestiging kiel en mogelijk sponning voor kiel
legger met sponning voor zaathout en mogelijk sponning voor kiel en horizontaal
KPW-9 inhout
pengat.
KPW-10 plank plank, mogelijk van huid of wegering, met afdrukken van koperplaten
KPW-11 inhout legger
KPW-12 inhout legger, met houten pennen langs rand balk
KPW-13 inhout legger
legger met boutgat voor bevestiging kiel en sponning voor zaathout, houten
KPW-14 inhout
pennen langs rand balk
KPW-15 plank huidplank met spijkerpennen
KPW-16 inhout legger met horizontaal pengat in kim
KPW-17 inhout legger met haaklas
KPW-18 plank plankfragment, mogelijk van huid of wegering
KPW-19 plank plankfragment, mogelijk van huid of wegering
KPW-20 plank plankfragment, mogelijk van huid of wegering
KPW-21 plank plankfragment, mogelijk van huid of wegering
KPW-22 plank plankfragment, mogelijk van huid of wegering

Tabel 3. Vondsten Scheepshout Koperplatenwrak

4 Aan het wrak is de werknaam Koperplatenwrak gegeven, omdat een officieel toponiem (vaak gerelateerd aan de vindplaats) nog niet is
toegekend.
5 KPW-0 is tijdens de bemonstering voor dendrochronologisch onderzoek aan een inhout toegekend, omdat het laatst uitgegeven nummer

niet bekend was. Aangezien dit nummer ook aan het dendromonster was toegekend is besloten om de nummering niet meer te wijzigen.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 16
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

De planken

Tussen het geborgen scheepshout zaten negen planken, of fragmenten van planken (tabel 4). Twee ervan
konden duidelijk geïdentificeerd worden als planken van de scheepshuid. De overige zeven missen duidelijke
herkenningspunten en worden behandeld onder overige planken.

Afstand
Lengte Breedte Dikte Bijzonderheden Spijker
Nummer Beschrijving pennen
(cm) (cm) (cm) (alle delen zijn van eikenhout) pennen?
(cm)
positie van 6 spanten, met elk
KPW-1 huid/weger 236 20 7,5 21-40 twee pennen, afstand 15 cm, nee
pennen met wiggen (0,9 cm)
positie van 7 spanten, elk 3
ja, 0,7 x
KPW-4 huid 262 45 6,5 30-38 pennen, geen wig, origineel
0,7 cm
uiteinde met 3 spijkers
positie van 8 spanten met elk
KPW-10 huid/weger 280 32,5 7 27-41 2 pennen, geen wig. Afdruk 2 nee
koperplaten
positie van 7 spanten, elk 3
ja, 0,7 x
KPW-15 huid 234 43 5 25-38 pennen, geen wig, origineel
0,7 cm
uiteinde met 2 spijkers
positie van 2 spanten, 1 pen
KPW-18 huid/weger 107 24 5,2 41 nee
per spant, geen wig
positie van 2 spanten, elk 1
KPW-19 huid/weger 101 23 5 35 nee
pen, geen wig
positie van 3 spanten, elk 1
KPW-20 huid/weger 111 15 5,5 35 nee
pen, geen wig
positie van 2 spanten, elk 1
KPW-21 huid/weger 57 12,5 5,5 30 nee
pengat
KPW-22 huid/weger 59 12,5 5,5 x half pengat nee

Tabel 4. Planken en fragmenten Koperplatenwrak.

Huidplanken

Planken KPW-4 en KPW-15 zijn planken van de huid. Beide planken zijn vrij compleet in breedte (43-45 cm)
en hebben één origineel uiteinde. Aan het andere uiteinde zijn de planken gebroken. Het betreft twee
huidplanken van een gladboordig gebouwde huid. Dit betekent dat de huidplanken met de lange zijde tegen
elkaar aanstonden en zo een gladde huid vormden en dus niet als dakpannen overlapten en op de overlap
waren verbonden. Omdat onbekend is van welk deel van het schip de huidplanken komen (het vlak
(scheepsbodem) of het boord), is nog niet zeker of de gehele scheepsromp gladboordig was gebouwd, of
alleen het vlak.
KPW-4 is 262 cm lang en heeft een dikte van 6,5 cm (afbeelding 9). Het originele uiteinde loopt iets schuin,
maar eindigt niet in een vlakke las, maar als een stuik. Er zijn hier drie spijkergaten te zien van 1,5 bij 1,5 cm.
In de plank zijn zeven posities van spanten herkenbaar, die op 30 tot 38 cm afstand (hart-op-hart) staan. Elk
spant is met drie houten pennen aan de huidplank vastgezet. De pennen zijn aan de onderzijde van de plank
vlak en afgezaagd, maar niet voorzien van een wig of ark.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 17
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Aan de bovenzijde van de plank is te zien dat de huidplank ter plaatse van de spanten hoger is dan ernaast.
Tussen de spanten in is de plank wat afgesleten tijdens gebruik. Ook lijkt een wat gelige korst of concretie
ter plaatse van de spanten aanwezig te zijn, mogelijk harpuis.
Verder zijn op de plank, op zowel boven- als onderzijde, kleine houten plugjes te zien. De plugjes zijn 0,7 bij
0,7 cm groot en zijn direct naast een rij houten pennen te vinden. Vier keer is een enkele plug te zien, één
keer zijn twee plugjes in dezelfde lijn te zien en één keer zijn drie plugjes in dezelfde lijn te vinden (afbeelding
11). Het gaat hier om zogenaamde spijkerpennen. De spijkerpennen tonen aan dat het gladboordige deel
van dit schip huid-eerst gebouwd was. Bij deze methode werd eerst de huid -of een deel van de huid- van
het schip opgebouwd, en daarna pas werden de spanten erin geplaatst. De huidplanken werden tijdelijk aan
elkaar verbonden door middel van vastgespijkerde houten klampen. Na plaatsing van de spanten werden
de klampen verwijderd en de spijkergaten opgevuld met houten6 plugjes, de spijkerpennen.

Afbeelding 10. Tekening van huidplank KPW-4.

6 De houtsoort is nog niet vastgesteld. Zie aanbevelingen voor verder onderzoek (paragraaf 5.1.5)

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 18
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 11. Drie spijkerpennen in huidplank KPW-4, direct boven de grote houten pennen

KPW-15 heeft een recht, origineel uiteinde, waarin nog twee spijkergaten van 1,2 cm in diameter te zien
zijn. In deze plank zijn acht posities van spanten te zien, die op 25 tot 38 cm afstand van elkaar staan (hart-
op-hart). Aan één kant, vermoedelijk de onderzijde, zijn nog zeven spijkerpennen te vinden. Drie
spijkerpennen staan op zichzelf, en twee keer zijn twee spijkerpennen boven elkaar aangebracht. De
bovenzijde is verweerd, maar er lijkt nog wat slijtage tussen de spantposities aanwezig te zijn. Deze plank is
iets dunner dan de andere huidplank, namelijk 5 cm tegenover 6,5 cm. Mogelijk heeft dit te maken met de
mate van verwering, of de positie in het schip.
Het rechte plankeinde van beide huidplanken is overigens opvallend. Een vlakke liplas is makkelijker
waterdicht te krijgen dan een stuiklas. Mogelijk zijn deze planken afkomstig van een deel boven de waterlijn?

Overige planken

De overige zeven plank(fragment)en zijn niet zonder meer toe te schrijven aan de scheepshuid. Geen van
de planken heeft spijkerpennen. Ze variëren in dikte van 5 tot 7,5 cm. De onderdelen KPW-18 tot en met
KPW-22 zijn niet compleet en fragmentarisch. Ze hebben houten pennen of pengaten, maar verder zijn er
geen duidelijke kenmerken te zien. Mogelijk zijn ze onderdeel geweest van andere planken. Zo lijken KPW-
18 en KPW-19 bij elkaar te horen, maar passen niet naadloos op elkaar.
Twee andere planken zijn interessanter. KPW-1 is 236 cm lang, 20 cm breed, 7,5 cm dik. De plank lijkt aan
alle zijden gebroken. In de plank zijn zes posities van spanten te zien, die elk met minimaal twee houten
pennen aan de plank waren bevestigd. Opvallend is dat in de twee houten pennen die resteren wiggen zijn
aangebracht (afbeelding 12). De wiggen zijn 0,9 cm breed. In alle andere houten pennen in planken en
inhouten zijn geen wiggen of arken aangetroffen.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 19
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 12. Houten pen met wig in plank KPW-1.

KPW-10 is 280 cm lang, heeft een (niet-complete) breedte van 32,5 cm en is 7 cm dik. Acht spanten waren
elk met minimaal twee houten pennen aan deze plank bevestigd. Interessant zijn twee halfronde
zwartblauwe concreties aan de binnenzijde van de plank. Het zijn de afdrukken van twee koperplaten,
waarbij de kleur wijst op typische blauwe corrosie van het koper. Aan de afdrukken te zien waren het ronde
koperplaten met een diameter van respectievelijk 75 cm en 88 cm (afbeelding 12) Gezien deze afdrukken
ligt het voor de hand dat dit een wegeringplank is, het is namelijk aannemelijk dat de lading koperplaten op
de wegering was geladen. Als het een huidplank zou zijn zou het betekenen dat de scheepsconstructie
behoorlijk op de kop is getrokken, en de koperplaten op de omgetrokken huidplank terecht zijn gekomen.
Dit is minder aannemelijk, maar niet onmogelijk.

Afbeelding 13. Fotomozaïek van plank KPW-10 met twee afdrukken van koperen platen. De plank lijkt
krommer dan hij in werkelijkheid is.

De inhouten

Een totaal van 14 lange en rechte spanten is tijdens de berging omhoog gehaald. De kortste is 1,42 m, de
langste is 5,55 m (tabel 5). Het feit dat deze spanten zo lang en recht zijn, toont aan dat het zonder
uitzondering leggers zijn, spantdelen afkomstig van het vlak. Twee spanten hebben een lichte kromming,
een aanzet tot de kim. De geborgen spanten geven alleen informatie over de bodem van het schip, over de
kim of de boorden is geen informatie.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 20
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Nummer Onderdeel Beschrijving L B D Afstand Bijzonderheden Bout j/n Diameter Vlakbreedte Sponning Sponning
(cm) (cm) (cm) houten bout (cm) (m) zaathout (cm) kiel (cm)
pennen
(cm)
tussen twee pengaten grote afstand
KPW-0 inhout legger? 142 15,5 11 13-80 nee ?
van 80 cm, mogelijk hart schip?
KPW-2 inhout legger 248 16,5 20 12,5-22 ja 3x3 3,86
KPW-3 inhout legger 555 19 21,5 12-22 horizontale pen in kim (schuin) nee 6,60 61 x 2,5
KPW-5 inhout legger 326 20 23,5 12-22 verdikking en sponning kiel ja 4x4 3,86 43 x 3
onregelmatige afstand pennen, veel
KPW-6 inhout legger 391 26,5 21 3-67 nee 5,60 45
spijkers
KPW-7 inhout legger 298 18 22 13-21 SB of BB nee 5,96
KPW-8 inhout legger 395 16 20,5 12-23 ja 4x4 5,24 40?
KPW-9 inhout legger 301 16 20/27 12-23 horizontale pen (niet door?) nee 5,40 60 x 4
KPW-11 inhout legger 236 20 19 11-19 nee 4,72
SB of BB schip, pennen niet in hartlijn,
KPW-12 inhout legger 267 21 21 12-19 nee 5,34
maar aan de rand
geen pennen voor 78 cm, hier hart
KPW-13 inhout legger 302 16 20 15-16 nee 4,46
schip
KPW-14 inhout legger 290 17 21 13-22 sponning zaathout en bout ja 4x4 4,74 65 x 2
SB of BB schip, horizontale pen in kim
KPW-16 inhout legger 273 14 20 13-18 nee 5,46
doorkruist of gaat langs verticale pen.
SB of BB schip, haaklas van 58 cm lang
KPW-17 inhout legger 260 16 20 16-22 nee 5,20
en 6 cm diep

Tabel 5. Inhouten Koperplatenwrak

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 21
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

De geborgen spantdelen zijn 14 tot 26,5 cm breed en 19 tot 23,5 cm hoog (gemeten zonder verdikkingen).
Ze zijn glad afgewerkt, zonder inkepingen voor de huid. Er heeft hier dus een gladboordige huid tegenaan
gezeten.
Ze waren verbonden aan de huid- en wegeringsplanken met houten pennen van 3 tot 3,5 cm in diameter,
zonder wig. De onderlinge afstand van de pennen was 11 tot en met 23 cm. In het hart van het schip, ter
hoogte van de kiel/zaathout en zandstroken, zijn geen houten pennen aangebracht. In sommige leggers
(KPW-2, KPW-5, KPW-8 en KPW-14) was op deze plaats een ijzeren bout van 4 bij 4 cm gebruikt om de kiel
aan de spanten te bevestigen (afbeelding 14). Echter niet elke legger was met een ijzeren bout aan de kiel
vastgezet.
De lange rechte leggers waren niet voorzien van loggaten aan de onderzijde van de balk. Mogelijk sloten de
zandstroken niet naadloos aan, zodat er ruimte was voor stromen van het buiswater, maar misschien is dit
ook wel in de kimmen gebeurd. Dit is bijvoorbeeld ook het geval in scheepswrak U34, een overnaads
gebouwd schip dat in dezelfde periode is gebouwd en vergaan.7

Afbeelding 14. Vierkant gat voor bout (4 x 4 cm) in KPW-2

In drie leggers (KPW3, KPW-9 en KPW-14) is aan de bovenzijde een lichte sponning aangebracht (afbeelding
15). De sponning is 62 tot 66 cm breed en 2 tot 4 cm diep, waarbinnen het zaathout viel. Niet elke legger
was voorzien van een sponning voor het zaathout. Waarschijnlijk zijn sommige leggers tijdens het plaatsen
van het zaathout iets bewerkt voor een betere pasvorm, en was dat bij andere leggers niet nodig.

7 Overmeer 2017, 202.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 22
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 15. Sponning voor zaathout (61 cm) in KPW-3

In twee andere balken (KPW-5 en KPW-6) is aan de onderzijde een verdikking te zien, met daarin een
sponning. Deze sponning is 43 tot 45 cm breed en bedoeld om over de kielbalk te vallen. Opvallend is weer
dat niet elke legger voorzien was van een sponning voor de kielbalk. Bij KPW-9 is een zeer lichte sponning
aan de onderzijde te zien, mogelijk een kielsponning. Dit zou betekenen dat deze balk sponningen voor
zowel het zaathout als de kielbalk had.

Afbeelding 16. Haaklas in KPW-17.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 23
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Twee balken, mogelijk drie, hebben aan het uiteinde een horizontale houten pen (KPW-3, KPW-16 en
mogelijk KPW-9).8 Vermoedelijk is met deze houten pen de legger vastgezet aan een spantdeel dat verder
doorloopt in de kim, een zogenaamde krommer of zitter. Dit zou betekenen dat de spanten niet in dezelfde
lijn waren verlengd, maar dat de onderdelen naast elkaar lagen. Er zijn dan ook geen duidelijke lassen in de
leggers aangetroffen. Uitzondering hierop is KPW-17. Deze legger eindigt in een haaklas van 58 bij 6 cm
(afbeelding 16). In de las zijn echter geen spijkers, bouten of houten pennen aanwezig waarmee deze legger
aan een ander spantdeel vastgezet was.

5.1.3. Datering van het scheepshout


In totaal zijn acht scheepsonderdelen -twee planken en zes inhouten- bemonsterd voor dendro-
chronologisch onderzoek.9 Bij vijf monsters was nog spinthout aanwezig, de buitenste jaarringen van de
boom. Bij het monster van legger KPW-9 was zelfs nog de wankant aanwezig, de jaarring net onder de bast.
Hierdoor kon een kapinterval worden bepaald in de herfst/winter van 1536/1537. De andere monsters
onderstrepen dit interval.

Vondst nr. Kapinterval


KPW00 rond 1531 (1525 – 1545)
KPW02 rond 1531 (1525 – 1545)
KPW03 rond 1534 (1529 – 1548)
KPW04 na 1492
KPW05 na 1520
KPW07 rond 1531 (1521 – 1545)
KPW08 rond 1534 (1529 – 1548)
KPW09 herfst/winter 1536/37

Tabel 6. Schatting van de kapintervallen

Interessant is de grote onderlinge gelijkenis van de monsters. Waarschijnlijk gaat het om één partij hout uit
hetzelfde gebied. De gelijkenis tussen monsters KPW-0 (kort fragment legger) en KPW-2 (legger met boutgat
kiel) enerzijds en tussen monsters KPW-3 (langste legger) en KPW-8 (legger met boutgat kiel) anderzijds is
dusdanig sterk dat deze elementen uit dezelfde boom lijken te komen. De indicaties voor de herkomst van
het hout liggen overwegend in het noordwesten van Duitsland en dit mag dan ook als het herkomstgebied
beschouwd worden. Het complete rapport van het dendrochronologisch onderzoek is opgenomen in
bijlage 3.

5.1.4. Interpretatie en vergelijking


Van het scheepwrak dat we nu het Koperplatenwrak noemen, zijn slechts een paar onderdelen geborgen,
die niet meer in hun oorspronkelijke verband zitten. Het is dan ook moeilijk om een uitspraak te doen over
bouwwijze, scheepstype en functie van het schip. Toch kunnen we met die paar geborgen onderdelen het
een en ander reconstrueren. Het is een -tenminste gedeeltelijk- gladboordig gebouwd schip geweest,

8 Bij KPW-16 heeft het horizontale pengat een verticaal pengat doorkruist. Dit zal de sterkte niet ten goede zijn gekomen.
9 S. van Daalen, van Daalen Dendrochronologie

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 24
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

waarbij de planken van de huid met de lange zijden tegen elkaar aan lagen en een gladde huid vormden. De
spijkerpennen in de huidplanken tonen aan dat het een huid-eerst gebouwd schip was. Bij deze methode
werd eerst de huid van het schip opgebouwd, en daarna pas werden de spanten erin geplaatst. De
huidplanken werden tijdelijk aan elkaar verbonden door middel van vastgespijkerde houten klampen. Na
plaatsing van de spanten werden de klampen verwijderd en de spijkergaten opgevuld met houten plugjes,
de spijkerpennen (afbeelding 17). Deze bouwwijze is typerend voor Noord-Holland en met name de streek
rondom Amsterdam. Het is uitgebreid beschreven in het scheepsbouwhandboek van Nicolaes Witsen,
burgemeester en scheepsbouwer uit Amsterdam (1671).10 Een variatie hierop was de bottom-based
methode, oftewel de 'bodem/vlak-eerst’ bouwwijze. Hierbij werden na het aanbrengen van de plankgangen
tot aan de kim, voorgevormde zitters vastgemaakt aan enkele 'hoofdspanten', die al heel vroeg in het
bouwproces geïnstalleerd waren, lang voordat de rest van de spanten werd geplaatst.11
Opvallend is dat in twee leggers rond de kim een dwarse pen heeft gezeten, mogelijk om een zitter te
bevestigen. Dwarsverbindingen tussen leggers en zitters worden over het algemeen gezien als indicatie dat
het schip op de 'spant-eerst' bouwwijze gebouwd is. Mogelijk is het een aanwijzing dat het hier om de variant
gaat, de bottom-based methode, waarbij ook spantonderdelen op cruciale posities met elkaar werden
verbonden.12

Afbeelding 17. Het ontstaan van spijkerpennen door het verwijderen van tijdelijke klampen (tekening:
C.P.P. Lemée 2006).

De geborgen inhouten waren zonder uitzondering leggers, de onderste spantdelen van het vlak. Uit het feit
dat het gaat om lange en zeer rechte leggers kan geconcludeerd worden dat het een schip was met een
vlakke en brede bodem, geschikt om veel lading mee te vervoeren. Afgaande op de lengte van enkele leggers

10 Vos 1991; Witsen 1671.


11 Witsen 1671, Hocker 1991, Hocker & Ward 2004.
12 Hoving 2012, 63-64; Adams 2013. Scheepsvondsten met vergelijkbare kenmerken zijn onder meer de Sea Venture, de Elefanten en de Mars.

In een vervolgonderzoek zullen deze vondsten met het Koperplatenwrak vergeleken moeten worden.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 25
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

was de breedte van het vlak minimaal 6,60 meter. Naar boven toe kan de breedte van het schip zeker een
meter of 8 zijn geweest. Bij een dergelijke breedte hoort een lengte van minstens 25 tot 30 meter.
De inhouten hebben op een onderlinge afstand van 25 tot en met 41 cm gestaan, gemeten van hart-op-hart.
De geborgen inhouten variëren in breedte van 14 tot 26,5 cm, met een gemiddelde van 18 cm. Ze stonden
dus op een korte onderlinge afstand van elkaar. De inhouten waren met houten pennen aan huid en
wegering vastgezet. Het lijkt erop of er nauwelijks wiggen zijn aangebracht in de houten pennen, om de
verbinding steviger en waterdichter te krijgen.
Verder komt uit het houtonderzoek naar voren dat het schip een kielbalk heeft gehad van 43-45 cm breed.
Deze kielbalk was met ijzeren bouten van 4 bij 4 cm vastgezet aan de leggers, maar niet aan iedere legger.
Sommige leggers vielen met een lichte sponning over de kielbalk.
Het schip heeft ook een zaathout, een soort binnenkiel, van ca. 60 tot 65 cm breedte gehad. Er zijn geen
aanwijzingen dat dit zaathout aan de leggers was vastgezet, maar mogelijk is dat incidenteel gebeurd met
de bouten van de kiel. In sommige leggers is een lichte sponning voor het zaathout aangebracht.

5.1.5. Aanbevelingen voor verder onderzoek


Het scheepshout van het Koperplatenwrak heeft tot nog toe al veel informatie opgeleverd wat betreft
scheepsconstructie, bouwwijze en (globale) afmetingen. Er zijn nog vele vragen te stellen die mogelijk in de
toekomst beantwoord kunnen worden. Te denken valt aan:
- Houtdeterminatie van de houten pennen, verschil tussen die met wig en zonder wig
- Houtdeterminatie van de spijkerpennen uit huidplanken KPW-4 en -15. Zijn deze van eikenhout of is daar
wellicht een andere houtsoort voor gebruikt?
- Determinatie van de concretie/korst, mogelijk harpuis, op huidplank KPW-4.
- Determinatie van de concretie die vermoedelijk afkomstig is van de koperplaten.
- Vormreconstructie van het vlak, op basis van de geborgen leggers.
- Vergelijking met scheepsvondsten in binnen- en buitenland uit dezelfde periode, of gebouwd in dezelfde
bouwtraditie. Ten denken valt onder meer aan het overnaadse schip U34 en het gladboordige Wrak
Ritthem en wellicht ook de replica van het schip van Willem Barentsz.13
- Literatuuronderzoek voor nadere studie naar de bouwwijze van dit schip. Te denken valt aan Witsen,
Hoving, etc.
- Verder onderzoek naar de resten van het scheepswrak dat nog op de zeebodem aanwezig is. Hierbij kan
specifiek gekeken worden naar verdere informatie over de bouwwijze, zodat het schip in een bredere
(scheepsvaart-) context geplaatst kan worden.

13 De replica is gedoopt de ‘Witte Swaen’ (www.debarentsz.nl)

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 26
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Kopervondsten

Afbeelding 18. Een overzicht van de geborgen koperen vondsten

De kopervondsten kunnen onderscheiden worden in twee hoofdcategorieën:

 Rechthoekige platen met gemiddelde afmetingen van 84 x 61 cm, een dikte van 1 of 2 mm en een
gewicht van 6 of 9 kilo.
 Ronde platen met een gemiddelde diameter van 104 cm, een dikte van 2 mm (rand) tot 3 mm (midden)
en een gewicht van gemiddeld 30 kilo.

De rechthoekige losse platen waren oorspronkelijk verpakt per 30 tot 33 stuks in een omslag van koper.

Afbeelding 19. Foto van één van de pakketten met rechthoekige platen

In totaal zijn vier intacte pakketten geborgen. Daarnaast zijn ongeveer 15 (fragmenten van) verpakkingen
en 433 losse rechthoekige platen geborgen. Dit komt overeen met een totaal aantal van ca. 19 pakketten
met 30 tot 33 platen. De oorspronkelijke pakketten zijn waarschijnlijk tijdens de berging opengegaan
waardoor de verpakking gescheiden is van de inhoud.

In totaal zijn 36 ronde platen geborgen. Het merendeel heeft een diameter van gemiddeld 104 cm en een
gemiddeld gewicht van 28 kg. Twee platen zijn kleiner met een diameter van 72 en 86 cm. Een overzicht van
alle afmetingen en gewichten van zowel de rechthoekige als ronde platen is opgenomen in bijlage 4.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 27
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 20. Voorbeeld van vier van de ronde platen (de schaalbalk is 50 cm lang).

Een aantal platen heeft een opvallende groene verkleuring (patina) aan de rand. Vermoedelijk staken deze
delen uit de bodem waardoor ze in aanraking zijn geweest met zuurstof. Hierdoor is een groene
kopersulfaatverbinding ontstaan (brochantiet). De rode corrosie bestaat uit cupriet (koperoxide).14

Op verschillende koperplaten zijn door A. Pappot (promovendus Rijksmuseum) XRF metingen uitgevoerd.15
XRF staat voor X-Ray Fluoresence. De XRF-meter meet diverse elementen door de uitzending van
röntgenstraling, waaronder zware metalen. Door de verhouding van de elementen te bepalen en te
vergelijken met referentie curves uit de database van het Rijksmuseum konden de vondsten gedateerd
worden (onderstaande tabel). Naast de datering kon ook de vermoedelijke bron van het koper worden
bepaald: de mijnen rondom Neuhsohl in het huidige Slowakije.

Vondst Datering Fe Ni Cu Zn AsKb Ag Snk Sb Pb Bi


Kleine ronde plaat 1506 ± 10 0.02 0.12 98.29 0.08 0.08 0.06 0.01 0.77 0.96 0.02
Kleine rechthoekige plaat 1530 ± 12 0.01 0.10 99.17 0.08 0.06 0.04 0.00 0.51 0.44 0.01
Grote rechthoekige plaat 1531 ± 9 0.07 0.08 98.80 0.08 0.08 0.04 0.00 0.50 0.71 0.02
Stuk verpakking 1528 ± 8 0.04 0.07 98.68 0.08 0.04 0.10 0.01 0.44 0.90 0.04

Tabel 7. Datering en analyse kopervondsten

Merktekens
Op zowel de ronde platen als op de verpakkingen van de rechthoekige pakketten zijn merktekens
aangetroffen. Op de verpakkingen staan verschillende cijfers en symbolen.

14 Analyse Bertil van Os, RCE


15 A. Pappot, Rijksmuseum

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 28
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 21. Voorbeeld van merktekens op de verpakking

De betekenis van de verschillende cijfers en symbolen is nog niet duidelijk. Het getal 30 refereert
waarschijnlijk aan het aantal platen dat per pakket verpakt zit, en de cirkels erboven op de dikte van de
platen (1 of 2 mm) of het gewicht (6 of 9 kilo). Dit kan geverifieerd worden door één van de nog vier dichte
pakketten open te maken. Het (nog niet geïdentificeerde) visgraat motief komt voor op vrijwel alle
verpakkingen met merktekens, hoewel het soms nauwelijks herkenbaar is.

De ronde platen bevatten steeds drie schijnbaar identieke symbolen langs de rand: een cirkel met daarin
een drietand met een kleinere cirkel rechtsonder.

Afbeelding 22. Voorbeeld van merktekens op de ronde platen (links) en gedigitaliseerd symbool (rechts)

De herkomst van dit drietand symbool (in Engels Trident, in het Duits: Dreizack) werd door Arie Pappot
(promovendus Rijksmuseum) herkend als handelsmerk van de familie Fugger. De Duitse bankiersfamilie
Fugger had in de 15de en 16de eeuw het monopolie op de lood-, zilver en koperhandel in Oost Europa. Het
kopererts werd gedolven in de omgeving van Neusohl (Slowakije) en van daaruit uit verhandeld richting het
oosten en Noordwest-Europa.16

In totaal zijn merktekens aangetroffen op zes ronde platen en op zes (overblijfselen van) verpakkingen.
Foto’s van alle aangetroffen merken zijn opgenomen in bijlage 5. Vergelijkbare merktekens zijn aangetroffen
op koperladingen in scheepswrakken in Nederland, Namibië en Kenia (zie hoofdstuk 7).

16 Kluger 2015

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 29
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 23. Het merkteken van de Fuggers: Dreizack met cirkel17

Het drietand merkteken was in gebruik tot 1546, toen Anton Fugger zijn bemoeiingen met de Oost-Europese
mijnbouw beëindigde.18

Een complete inventarislijst van alle kopervondsten is opgenomen in bijlage 4. Foto’s van alle aangetroffen
merktekens zijn opgenomen in bijlage 5.

17 Bron: Das Geheime Ehrenbuch der Fugger, 1545-1548 und Fuggerorum et Fuggerarum imagines, 1618
18 Jansma, 1976

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 30
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Hydrografische opnamen

Voor de zoektocht naar de verloren containers is de locatie opgenomen met hydrografische meetapparatuur
op 25 januari 2019. De opnamen met side scan sonar en multibeam zijn uitgevoerd door de MS Arca van
Rijkswaterstaat. Na de vondst van de wrakresten zijn controlemetingen uitgevoerd op 26 maart 2019 door
de MS Zirfaea van Rijkswaterstaat met dezelfde apparatuur: een Kongsberg EM2040C multibeamsysteem
en een Klein 5000 side scan sonar. Onderstaande afbeelding toont de verschillende multibeamopnamen
voor en na de berging van de vondsten.

Afbeelding 24. Kleurendieptebeelden op basis van multibeamopnamen Rijkswaterstaat

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 31
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 25. Side scan sonar opnamen Rijkswaterstaat voor en na de berging van de vondsten

De side scan sonaropnamen laten een beeld zien dat vergelijkbaar is met de multibeamopnamen; een
depressie in de zeebodem en (vaag) enige structuren.

De opnamen hebben een te lage resolutie om details te tonen, en laten alleen het bodemoppervlak zien,
dus onbekend is nog wat onder het sediment schuil gaat. Om de begrenzing van de nog eventueel aanwezige
afgedekte wrakdelen en vondsten in kaart te brengen zou een aanvullend geofysisch onderzoek uitgevoerd
kunnen worden, bijvoorbeeld met bodempenetrerende technieken zoals een (3D) subbottom profiler of
Electro Magnetische (EM) apparatuur. Om meer details zichtbaar te maken over de zichtbare objecten aan
het oppervlak kan een hoge frequentie (>= 700 kHz.) multibeam of side scan sonar ingezet worden.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 32
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Relatie met vergelijkbare vondsten

In de literatuur zijn enkele wrakvondsten bekend, die vergelijkbare koperlading (met het handelsmerk van
de Fuggers) vervoerden. Een overzicht wordt gegeven in onderstaande kaart en tabel.

Afbeelding 26. Kaart met vergelijkbare wrakvondsten

Tabel 8 Scheepswrakken met koper als lading.

Nr Omschrijving
1 Het koperplatenwrak op de Noordzee, gevonden op 26 februari 2019, datering 1538-1550
2 De koperplaten uit de Westergronden / Thomas Smit gat, gevonden in 198019
3 Het koperwrak in Gdansk, datering 1430
4 Het Portugese scheepswrak Bom Jesus, datering 1533, gevonden in 200820
5 Ras Ngomeni scheepswrak, Malindi Kenia, datering 16de eeuw, gevonden in 200821

19 Maarleveld, 1988
20 Hauptmann et al. 2016
21 Kluger, 2015

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 33
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Het merkteken van de Fuggers is teruggevonden op kopervondsten in alle bovengenoemde wrakken,


behalve het wrak in Gdansk. De kopervondsten uit dit wrak zijn sterk verweerd, maar het vermoeden is, dat
ook dit koper afkomstig is uit de kopermijnen van de Fuggers in Slowakije.22

In 1980 zijn door een visser een aantal koperplaten met merktekens opgevist op een locatie 18 kilometer
ten zuidwesten van het koperplatenwrak.23

Afbeelding 27. De locatie van de vondsten uit de Terschellinger Gronden

De voornamelijk rechthoekige platen bevatten symbolen/merktekens in het midden die sterk lijken op het
drietand symbool (zie afbeelding 28). De vondsten zijn beschreven door Thijs Maarleveld, maar nooit
gepubliceerd.24 Ook deze platen zijn door middel van XRF geanalyseerd25. De resultaten hiervan zijn
opgenomen in bijlage 6.

22 Ossowski 2014
23 ARCHIS zaaknr. 3039641100
24 Maarleveld, 1988

25 Van Os, 2019

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 34
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afbeelding 28. Koperen platen opgevist uit de Terschellinger Gronden in 1980

Deze locatie is overigens ook geïnventariseerd tijdens de zoektocht naar de verloren containers, maar hier
zijn geen zichtbare wrakresten aangetroffen.

Het wrak van de ‘Bom Jesus’, een Portugese koopvaarder vergaan in 1533 en gevonden in 2008 voor de kust
van Namibië, bevatte onder andere een groot aantal koperen halffabricaten met het drietand symbool.26

Afbeelding 29. Kopervondsten met het Fugger merkteken in het wrak van Bom Jesus

26 Hauptmann et al. 2016

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 35
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

In 2008 werd bij Ras Ngomeni, Kenia een houten Portugees scheepswrak gevonden uit de 15de of 16de eeuw.
Het wrak is (deels) opgegraven in 2013.27 Het opgravingsrapport is (nog) niet beschikbaar. In een interview
zegt het hoofd van de afdeling kustarcheologie hier het volgende over:

Head of Coastal archeology Caesar Bita says the Ngomeni shipwreck was found to contain copper ingots
with the Fugger emblem, similar to those recovered in a shipwreck in Oranjemund, Namibia. “The Namibia
shipwreck has been fully been identified as Portuguese. Provisional dates from analysis of artifacts collected,
place the site at 15th – 16th centuries AD. This is also the period the Portuguese were dominant in this coast
controlling the Western Indian Ocean trade.”. He observes that, provisionally, Ngomeni shipwreck is now the
most ancient shipwreck site in Kenya28.

27 Haro & Bita, 2014


28 Bron: https://www.the-star.co.ke

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 36
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Beantwoording van de onderzoeksvragen

Op basis van de resultaten van het onderzoek worden de onderzoeksvragen beantwoord.

Welke archeologische resten zijn aangetroffen?


Bij de berging zijn twee typen vondsten naar boven gekomen: houten wrakdelen en koperplaten (lading).

Wat zijn de uiterlijke kenmerken (artefacten, type indicatoren)?


Hout: de geborgen houten wrakdelen bestaan uit inhouten, huidplanken en overige planken. De inhouten
bestaan zonder uitzondering uit leggers, spanten van het vlak. In de huidplanken zijn zogenaamde
spijkerpennen aangebracht, kleine houten plugjes, die aantonen dat dit schip een gladboordige huid heeft
gehad, die huid-eerst was gebouwd. Het hout is in beperkte mate aangetast door de paalworm (Teredo
Navalis).

De kopervondsten kunnen onderscheiden worden in twee hoofdcategorieën:


 Rechthoekige platen met gemiddelde afmetingen van 84 x 61 cm en een dikte van 1 of 2 mm.
 Ronde platen met een gemiddelde diameter van 104 cm en een dikte van 2mm (rand) tot 3 mm
(midden).

De rechthoekige losse platen waren oorspronkelijk verpakt per 30 tot 33 stuks in een omslag van koper.
Een aantal ronde platen heeft een opvallende groene verkleuring (patina) aan de rand. Vermoedelijk staken
deze delen uit de bodem waardoor ze in aanraking zijn geweest met zuurstof. Hierdoor is een groene
kopersulfaatverbinding ontstaan (brochantiet).

Wat is de aard, datering, gaafheid en conservering van de resten?


Zowel de hout- als kopervondsten zijn (licht) beschadigd door het bergen. Delen van de vondsten zijn niet
aangetast door de paalworm (houten delen) of geoxideerd (koper) waaruit opgemaakt kan worden dat deze
delen afgedekt onder het zand hebben gelegen. Het hout is waarschijnlijk ook beter bewaard gebleven door
de aanwezigheid van koper, wat giftig is voor organismen. Op basis van de vergelijking van de chemische
samenstelling met referenties uit de database van het Rijksmuseum is het koper gedateerd in de periode
tussen 1508 en 154029. Uit het dendrochronologisch onderzoek blijkt dat het hout is gekapt in de
herfst/winter 1536-1537. Na transport van het bos naar de scheepswerf zal de bouw van het schip nog zeker
9 tot 12 maanden hebben geduurd30. Het schip zal dus op zijn vroegst begin of midden 1538 in gebruik zijn
genomen. Uit historische bronnen is gebleken dat de merken op het koper in gebruik waren tot uiterlijk
154631. Dit houdt in, dat het schip vermoedelijk vergaan is in de periode 1538-1550.

29 A. Pappot, Rijksmuseum
30 Vos, 2019, 121
31 Jansma, 1976

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 37
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Wat is de (diepte)ligging en lithostratigrafische context van de vondsten?


De diepteligging van de zeebodem op de locatie bedraagt 22 tot 24 meter ten opzichte van LAT. Delen van
de vondsten zijn niet aangetast door de paalworm (houten delen) of geoxideerd (koper) waaruit opgemaakt
kan worden dat deze delen afgedekt onder het zand hebben gelegen.

Kan de vindplaats worden begrensd?


Nee. De geofysische opnamen (multibeam en side scan sonar) van voor- en na de berging van de vondsten
laten een cirkelvormige tot ovalen depressie zien in de zeebodem met een doorsnede van 10 meter
waarbinnen (vaag) objecten zichtbaar zijn. Delen van de vondsten zijn niet aangetast door de paalworm
(houten delen) of geoxideerd (koper) waaruit opgemaakt kan worden dat deze delen afgedekt onder het
zand hebben gelegen. De kans is dus aanwezig dat meer wrakdelen en vondsten nog onder het zand
liggen.

Hoe sluiten de resultaten van het onderzoek aan op de gespecificeerde archeologische verwachting zoals
die in het vooronderzoek voor het onderzoeksgebied is vastgesteld?
Voor het gebied is geen formeel archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Echter, voorafgaande aan de
werkzaamheden, die bestonden uit het bergen van verloren containers, zijn officiële en informele bronnen
geraadpleegd om te voorkomen dat bekende archeologische resten of wrakken verstoord zouden worden.
Op de locatie waren geen aanwijzingen bekend dat hier resten van een scheepswrak zou liggen. De
dichtstbijzijnde bekende vondst is het wrak van een Deense viskotter “Miami”, vergaan in 1979 op 300
meter ten westen van de onderhavige wraklocatie.

Waar worden uiteenlopende typen scheepswrakken aangetroffen, en hoe kan de aanwezigheid van wrakken
worden verklaard? (NOaA 2.0-vraag 12)
In het Nederlandse deel van de Noordzee zijn ruim 1760 (resten) van scheepswrakken bekend.32 Van ruim
500 wrakken is bekend wanneer ze zijn vergaan. Het merendeel hiervan bestaat uit relatief recente wrakken;
voornamelijk schepen die gezonken zijn tijdens WO1 of WOII. Een klein deel (19%) bestaat uit 19de eeuwse
wrakken, voornamelijk stoomschepen. Resten van voor 1800 zijn zeldzaam; hiervan zijn in totaal 11 bekend.
Het koperplatenwrak is het oudste tot nu toe bekende wrak in het Nederlands deel van de Noordzee.

Periode vergaan Totaal Percentage


16de eeuw 1 0.2
17de eeuw 1 0.2
18de eeuw 9 1.8
19de eeuw 61 12.0
20ste eeuw 426 83.7
21ste eeuw 11 2.2
Totaal 509 100.0
Tabel 9. Statistieken gedateerde wrakken Noordzee

32 Van den Brenk et al. 2018

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 38
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Het is aannemelijk dat veel meer schepen voor 1800 vergaan zijn dan tot nu toe zijn gevonden. De reden
hiervoor is waarschijnlijk het feit dat houten scheepsresten in de loop der tijd geërodeerd zijn door
getijdestroming en aantasting van de paalworm. Alleen resten die onder het zand liggen, of afgedekt zijn
met ballast of lading kunnen bewaard blijven. De vondsten van het 17de-eeuwse wrak “Aanloop Molengat”33
en het 16de-eeuwse koperplatenwrak tonen dit aan.

Hoe verliep de ontwikkeling van de houten scheepsbouw (materiaalgebruik, technologie, innovatie,


typologie)? (NOaA 2.0-vraag 11)
De geborgen scheepsconstructie toont aan dat het gaat om de resten van een gladboordig, huid-eerst
gebouwd schip, dat op zijn vroegst in 1538 in gebruik was. Het is een typerende bouwwijze voor Noord-
Holland, en met name de streek rond Amsterdam, maar het Koperplatenwrak is het vroegst bekende
archeologische bewijs hiervoor, tot nu toe. Nader onderzoek van de wrakresten is nodig om meer over de
plaats van dit schip in de ontwikkeling van de Nederlandse scheepsbouw te weten te komen.

Waar komen niet-lokale grondstoffen van gebruiksvoorwerpen vandaan? (NOaA 2.0-vraag 139)
Vastgesteld is dat de platen koper afkomstig zijn uit de mijnen rondom Neusohl in het huidige Slowakije.

Waar en hoe werden bouwmaterialen gewonnen, gemaakt en gedistribueerd? (NOaA 2.0-vraag 138)
De indicaties voor de herkomst van het hout liggen overwegend in het noordwesten van Duitsland en dit
mag dan ook als het herkomstgebied beschouwd worden.

33 Maarleveld and Overmeer, 2012

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 39
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten ten behoeve van dubbelzijdig afdrukken

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 40
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Conclusies en advies

Tijdens de berging van verloren containers op de Noordzee boven de Waddeneilanden zijn op 26 februari
2019 onverwachts resten van een scheepswrak naar boven gekomen. De resten bestaan uit eikenhouten
scheepsdelen en koperen platen (lading). Op basis van het eerste onderzoek naar de houten delen kan
geconcludeerd worden dat het gaat om een gladboordig zeevarend schip met een minimale breedte van 7,5
meter, en een lengte van vermoedelijk meer dan 25 meter. Omdat onbekend is van welk deel van het schip
de huidplanken komen (het vlak (scheepsbodem) of het boord), is nog niet zeker of de gehele scheepsromp
gladboordig was gebouwd, of alleen het vlak. Op basis van dendrochronologisch onderzoek is vastgesteld
dat het hout gekapt is in de herfst/winter van 1536/1537. De koperen platen zijn gedateerd in de periode
1508-1540, en bevatten merktekens waaronder een drietand symbool dat gerelateerd kan worden aan de
bankiersfamilie Fugger, die in de 15de en 16de eeuw het monopolie hadden op de metaalhandel in Oost-
Europa. Het kenmerkende drietand symbool van de Fuggers was in gebruik tot 1546, toen Anton Fugger zijn
bemoeiingen met de Oost-Europese mijnbouw beëindigde. Het schip is dus mogelijk vergaan in de periode
1538-1550, en is hiermee formeel de oudst bekende scheepsvondst op het Nederlands deel van de
Noordzee tot nu toe.

Advies met betrekking tot het scheepshout:


Het scheepshout van het Koperplatenwrak heeft tot nog toe al veel informatie opgeleverd wat betreft
scheepsconstructie, bouwwijze en (globale) afmetingen. Er zijn nog vele vragen te stellen die mogelijk in de
toekomst beantwoord kunnen worden. Te denken valt aan:
- Houtdeterminatie van de houten pennen, verschil tussen die met wig en zonder wig
- Houtdeterminatie van de spijkerpennen uit huidplanken KPW-4 en -15. Zijn deze van eikenhout of is daar
wellicht een andere houtsoort voor gebruikt?
- Determinatie van de concretie/korst, mogelijk harpuis, op huidplank KPW-4.
- Determinatie van de concretie die vermoedelijk afkomstig is van de koperplaten.
- Vormreconstructie van het vlak, op basis van de geborgen leggers.
- Vergelijking met scheepsvondsten in binnen- en buitenland uit dezelfde periode, of gebouwd in dezelfde
bouwtraditie. Ten denken valt onder meer aan het overnaadse schip U34 en het gladboordige Wrak
Ritthem en wellicht ook de replica van het schip van Willem Barentsz.
- Literatuuronderzoek voor nadere studie naar de bouwwijze van dit schip. Te denken valt aan Witsen,
Hoving, etc.
- Verder onderzoek naar de rest van het scheepswrak dat nog op de zeebodem aanwezig is. Hierbij kan
specifiek gekeken worden naar verdere informatie over de bouwwijze, zodat het schip in een bredere
(scheepsvaart-) context geplaatst kan worden.

Advies met betrekking tot de wraklocatie:


Geadviseerd wordt, om de wraklocatie nader te onderzoeken om vast te stellen wat nog meer aanwezig is
op de vindplaats, en zodoende de omvang en begrenzing van de vindplaats vast te stellen.
Om de begrenzing van de nog eventueel aanwezige afgedekte wrakdelen en vondsten in kaart te brengen
zou een aanvullend geofysisch onderzoek uitgevoerd kunnen worden, bijvoorbeeld met
bodempenetrerende technieken zoals een (3D) subbottom profiler of Electro Magnetische (EM) apparatuur.
Om meer details zichtbaar te maken over de zichtbare objecten aan het oppervlak kan een hoge frequentie
(>= 700 kHz.) multibeam of side scan sonar ingezet worden.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 41
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Advies met betrekking tot de kopervondsten:


De huidige (en toekomstige) vondsten kunnen verder worden geanalyseerd, en een studie kan worden
gemaakt naar de relatie met vergelijkbare vondsten in Europa en daarbuiten om zodoende meer inzicht te
krijgen in de (koper) handel van de zestiende eeuw. Ook kan contact worden gezocht met het (privé) archief
van de familie Fugger in Dillingen, Duitsland om te zien of daar nog relevante informatie aanwezig is.

Advies aan de berger:


De berger van de containers is geïnstrueerd dat tijdens de bergingswerkzaamheden op andere locaties nog
meer resten aan het licht kunnen komen. Het gaat hierbij om objecten en structuren die volledig zijn
afgedekt door sedimentlagen en/of contacten die niet als archeologisch object of structuur zijn herkend
tijdens het vooronderzoek. De uitvoerder is conform de Erfgoedwet (2016) verplicht om dergelijke vondsten
te melden bij de bevoegde overheid.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 42
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Evaluatie en selectierapport

(conform protocollen OS12wb en OS13wb KNA 4.1 Waterbodems)

Tijdens het onderzoek zijn twee categorieën vondsten onderzocht:

 Houten balken en planken (scheepsconstructie, 23 stuks).


 Koperen platen (491 stuks, totaalgewicht 4717 kg).

Alle 23 houten delen zijn op de onderzoekslocatie bemonsterd, gefotografeerd en getekend op schaal 1:10.
De tekeningen op A0-vellen zijn gescand (bijlage 7). Acht houten delen zijn bemonsterd voor
dendrochronologisch onderzoek.

Een relevante selectie van de koperen platen is beschreven en gefotografeerd, en op vier verschillende
stukken zijn XRF metingen uitgevoerd. XRF staat voor X-Ray Fluoresence. De XRF-meter meet diverse
elementen door de uitzending van röntgenstraling, waaronder zware metalen. Door de verhouding van de
elementen te bepalen en te vergelijken met referentie curves konden de vondsten gedateerd worden, en
de herkomst worden bepaald.

Bij de evaluatie behoort ook een advies door de uitvoerder over de selectie en afstoting van vondsten en
monsters. Het definitieve besluit hierover wordt genomen door Rijkswaterstaat in overleg met de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Hieronder staat per categorie aangegeven wat wel en niet voorgedragen wordt voor afstoting. Een deel van
de niet-geselecteerde vondsten en monsters kunnen eventueel worden geschonken aan educatieve
instellingen of musea, zoals het Rijksmuseum, het Fries Museum en Kaap Skil. Overige niet geselecteerde
vondsten worden afgevoerd ter destructie.

Koperplaten
Alle koperplaten zijn op 1 april 2019 gedeponeerd bij het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
in Amersfoort. De inventarislijsten zijn opgenomen in bijlage 4.

Hout
Alle houten delen zijn na het tekenen, fotograferen en bemonsteren in overleg met de Rijkdienst voor het
Cultureel Erfgoed gedeselecteerd.

Vier delen (KPW 2, 5, 10 en 17) zijn ten behoeve van een persmoment op maandag 1 april overgedragen aan
de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Een aantal delen (twee balken en drie planken) zijn op 25 april
2019 overgedragen aan het Fries Museum voor een expositie. De resterende delen worden tot augustus
2019 bewaard door Periplus Archeomare, daarna zullen ze worden afgevoerd ter destructie.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 43
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Lijst met afbeeldingen

Afbeelding 1. Ligging van de vondstlocatie ...................................................................................................... 5


Afbeelding 2. Ligging van de vondstlocatie in het zoekgebied ........................................................................ 9
Afbeelding 3. Sonar- en multibeamopnamen van de locatie door de MS Arca op 25-01-2019 .................... 10
Afbeelding 4. Locaties binnen clearance box 5662 ........................................................................................ 11
Afbeelding 5. Foto’s van de vondsten aan boord van de MV Geosund ......................................................... 12
Afbeelding 6. Aankomst van de werkcontainer op de loswal van BDS in Harlingen ..................................... 12
Afbeelding 7. Schoonmaken van de vondsten op de loswal .......................................................................... 13
Afbeelding 8. Overhevelen van de vondsten naar een transportcontainer. ................................................. 13
Afbeelding 9. Meten en tekenen van het scheepshout door Heidi Vink en Alice Overmeer. ....................... 15
Afbeelding 10. Tekening van huidplank KPW-4. ............................................................................................ 18
Afbeelding 11. Drie spijkerpennen in huidplank KPW-4, direct boven de grote houten pennen ................. 19
Afbeelding 12. Houten pen met wig in plank KPW-1. .................................................................................... 20
Afbeelding 13. Fotomozaïek van plank KPW-10 met twee afdrukken van koperen platen. De plank lijkt
krommer dan hij in werkelijkheid is. ....................................................................................................... 20
Afbeelding 14. Vierkant gat voor bout (4 x 4 cm) in KPW-2 .......................................................................... 22
Afbeelding 15. Sponning voor zaathout (61 cm) in KPW-3 ............................................................................ 23
Afbeelding 16. Haaklas in KPW-17. ................................................................................................................ 23
Afbeelding 17. Het ontstaan van spijkerpennen door het verwijderen van tijdelijke klampen (tekening: C.P.P.
Lemée 2006). ........................................................................................................................................... 25
Afbeelding 18. Een overzicht van de geborgen koperen vondsten ............................................................... 27
Afbeelding 19. Foto van één van de pakketten met rechthoekige platen..................................................... 27
Afbeelding 20. Voorbeeld van vier van de ronde platen (de schaalbalk is 50 cm lang). ............................... 28
Afbeelding 21. Voorbeeld van merktekens op de verpakking ....................................................................... 29
Afbeelding 22. Voorbeeld van merktekens op de ronde platen (links) en gedigitaliseerd symbool (rechts) 29
Afbeelding 23. Het merkteken van de Fuggers: Dreizack met cirkel ............................................................. 30
Afbeelding 24. Kleurendieptebeelden op basis van multibeamopnamen Rijkswaterstaat ........................... 31
Afbeelding 25. Side scan sonar opnamen Rijkswaterstaat voor en na de berging van de vondsten ............ 32
Afbeelding 26. Kaart met vergelijkbare wrakvondsten.................................................................................. 33
Afbeelding 27. De locatie van de vondsten uit de Terschellinger Gronden................................................... 34
Afbeelding 28. Koperen platen opgevist uit de Terschellinger Gronden in 1980 .......................................... 35
Afbeelding 29. Kopervondsten met het Fugger merkteken in het wrak van Bom Jesus ............................... 35

Lijst met tabellen

Tabel 1. Archeologische perioden .................................................................................................................... 2


Tabel 2. Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied ....................................................................... 2
Tabel 3. Vondsten Scheepshout Koperplatenwrak ........................................................................................ 16
Tabel 4. Planken en fragmenten Koperplatenwrak. ...................................................................................... 17
Tabel 5. Inhouten Koperplatenwrak .............................................................................................................. 21
Tabel 6. Schatting van de kapintervallen ....................................................................................................... 24
Tabel 7. Datering en analyse kopervondsten................................................................................................. 28
Tabel 8 Scheepswrakken met koper als lading. ............................................................................................. 33
Tabel 9. Statistieken gedateerde wrakken Noordzee .................................................................................... 38

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 44
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Afkortingen en woordenlijst

AMZ Archeologische Monumenten Zorg


Antropogeen Door menselijk handelen
Echoscope Akoestisch instrument voor het maken van opnamen van objecten onder water;
technisch gezien vergelijkbaar met multibeam (zie aldaar)
Gladboordig (Ook karveel): constructie van de scheepshuid, waarbij de langskanten van de planken
tegen elkaar aansluiten
Huid De buitenbekleding van een schip
Inhouten Verzamelterm voor de stukken hout die het geraamte van het schip vormen en zorgen
voor het dwarsverband van het schip en het verband tussen de planken onderling
Kim overgang tussen vlak en zijde
KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
Las Verbinding tussen twee houten verbanddelen die in de lengterichting aan elkaar
worden bevestigd zonder dat de dikte of breedte ervan worden gewijzigd (B). Bij (laat)
middeleeuwse vaartuigen wijzigt de dikte soms wel
Legger Recht stuk hout, gebruikt voor het verband tussen de delen van het vlak en de kiel
Multibeam Vlakdekkend akoestisch meetinstrument dat met verschillende bundels of beams de
waterdiepte onder een meetvaartuig meet, waarna een gedetailleerd topografisch
model van de waterbodem kan worden gemaakt
NOaA Nederlandse Onderzoeksagenda Archeologie
Overnaads Bouwwijze van de scheepshuid waarbij de gangen elkaar dakpansgewijs overlappen in
langsscheepse richting
RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Side scan sonar Akoestisch meetinstrument dat vlakdekkend de sterkte van reflecterende
geluidssignalen van de waterbodem onder een meetvaartuig registreert. Vergelijkbaar
met het maken van een zwart/wit foto van de waterbodem; wordt gebruikt om
objecten op te sporen en bodemmorfologie en type te classificeren
Sponnning Gleuf of groeve
Vlak Het min of meer vlakke gedeelte van de romp van een schip
Wegering Alle overlangse planken waarmee de romp van een schip aan de binnenzijde bekleed is.
Zaathout Zware balk over de inhouten boven de kiel van een schip; versterking van het
langsscheepse verband
Zitter Dwarsscheepse verbinding, tussen vlak, kim en zijde. Afhankelijk van het type schip ook
een kimknie, een kromhout, een kurf of een spant genoemd

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 45
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Referenties

 Adams, J., 2013. A Maritime Archaeology of Ships: Innovation and Social Change in Medieval and Early
Modern Europe. Oxford: Oxbow Books.
 Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL SIKB 4000, versie 4.1).
 Bita, C., 2014. Maritime and underwater archaeological explorations in Kenya: Recent discoveries.
 Chirikure, S. A. Sinamai, E. Goagoses, M. Mubusisi and W. Ndoro, 2010. Maritime Archaeology and Trans-
Oceanic Trade: A Case Study of the Oranjemund Shipwreck Cargo, Namibia. Journal of Maritime
Archaeology, Vol. 5, No. 1 (October 2010), pp. 37-55
 Garbacz-Klempa, S. Rzadkosz, R. Klempka, W. Ossowski, 2014. Metallographic and corrosion research of
copper from archaeological sites.
 Haro, J. & C. Bita, 2014. 2013 Excavation Report of Ngomeni Ras Shipwreck Site in Malindi, Kenya. Journal
of National Museum of China 9: 6–23
 Hauptmann, A., G. Schneider and C. Bartels, 2016. The Shipwreck of Bom Jesus, AD 1533: Fugger Copper in
Namibia. Journal of African Archaeology Vol. 14 (2), 2016, pp. 181–207
 Hocker, F.M., 1991. The development of a bottom-based shipbuilding tradition in Northwestern-Europe and
the New World (Ph D.diss.), Texas.
 Hocker, F.M. & C. Ward (eds), 2004. The Philosophy of Shipbuilding: Conceptual Approaches to the Study of
Wooden Ships. College Station: Texas A&M University Press.
 Hoving, A.J., 2012. Nicolaes Witsen and shipbuilding in the Dutch Golden Age. Franeker.
 Jansma, T.S. 1976. Hanze, Fugger, Amsterdam. Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der
Nederlanden. Deel 91. Martinus Nijhoff, Den Haag 1976
 Kluger, M., 2015. Kupfer der Fugger vor Afrika. Ngomeni Schiffswrack. Top Schwaben ausgabe 58
 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie waterbodems (KNA-wb, versie 4.1).
 Lemée, C.P.P. 2006. The Renaissance Shipwrecks from Christianshavn: An Archaeological and Architectural
Study of Large Carvel Vessels in Danish Water, 1580-1640 (Ships & Boats of the North 6).
 Maarleveld, Th., 1988. Terschellinger Gronden/Thomas Smit-gat. In: A 17th Century metal-trader in the
North Sea. A testcase for Dutch ancient monuments legislation; its background, its handling and its
potential (unpublished manuscript).
 Maarleveld, Th. and A.B.M. Overmeer, with contributions by O. Brinkkemper, F. van Deijk, W.M. Gijsbers,
E.M. Jacobs, C. Joosten, M. Terhorst, A.D. Vos 2012. Aanloop Molengat – Maritime archaeology and
intermediate trade during the Thirty Years’ War. Journal of Archaeology of the Low Countries.
 Ossowski, W., 2014. The copper ship. A medieval shipwreck and its cargo. Published by the National
Maritime Museum in Gdańsk. Gdańsk.
 Overmeer, A.B.M., R. Oosting & A. Zandstra, 2018. Scheepshout herkennen, documenteren en behandelen.
LWAOW uitgave.
 Overmeer, A.B.M., 2015: A missing link in a period of change: shipwreck U34 in Flevoland, the Netherlands.
In: Ossowski, W. (eds.), Baltic and beyond. Change and continuity in shipbuilding. National Maritime
Museum, Gdańsk 21-25 September 2015. Gdańsk, 199-206.
 Vos, A.D., 1991. Scheepsbouw in de 17e eeuwse Republiek : huid eerst of skelet eerst? In:
Scheepsarcheologie : prioriteiten en lopend onderzoek: inleidingen gehouden tijdens de Glavimans
symposia in 1986 en 1988. (Flevobericht 322).
 Vos, A.D. et al., 2019. Wereldvondsten uit een Hollands schip : basisrapportage BZN17/Palmhoutwrak.
Zwolle: WBooks.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 46
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 1. Bergingsrapport MV Geosund

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 47
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten ten behoeve van dubbelzijdig afdrukken

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 48
Target Status Form

1. General Information
AR_SSS_1493 &
Conttract number: 190006/MSC ZOE Report: AR_SSS_2064
Date: 26-02-19 Time on deck: 12:27:00
Project: MSC ZOE Project Number: 190006
Vessel: Geosund Area code: 5662
OCM: Douwe Idzinga

2. Position of Target (ETRS89 UTM31N)


Target List Easting: 646134.42 Target List Northing: 5934158.57
Target List Lat: 53.53597967 Target List Long: 5.205085518
As Given Easting: 646134.42 As Given Northing: 5934158.57
As Found Easting: 646139.00 As Found Northing: 5934157.00
Relocated Easting: Relocated Northing:

3. Site conditions
On corridor On the slope of corridor Other:
Besides corridor On the sea floor
Good vis
4. Object Classification
Object Description: Old wooden wreck with copper disc cargo and square copper sheets, part recovered
Object: Container Part of container Cargo (without container)
Container size: Sort container:
Container status: Standard / Reefer / etc. Open top container: Tank container:

Aditional info: Container empty / cargo lost

Some of item recovered before realised that it was old and not zoe related, kept in separate container on deck
5. General Information
Container number (if visible):
Contents known? No
Cargo complete? No
Other Nothing found
If there is no container, note size (l-w-h)
6. Images
Insert images (or screenshot)

7. Comments
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 2. Tekeningen scheepshout

De volgende drie bladzijden tonen de tekeningen van het scheepshout in lage resolutie. De hoge resolutie
scans van de oorspronkelijke A0 tekeningen zijn opgenomen op de DVD in bijlage 6.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 49
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten ten behoeve van dubbelzijdig afdrukken

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 50
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Tekeningen KPW 1 tot en met 7

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 51
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Tekeningen KPW 8 tot en met 15

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 52
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Tekeningen KPW 16 tot en met 22

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 53
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 3. Rapportage dendrochronologisch onderzoek

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 54
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten ten behoeve van dubbelzijdig afdrukken

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 55
Vaargeul Terschelling-Borkum – Koperplatenwrak
Dendrochronologisch onderzoek

Van Daalen Dendrochronologie


Projectnummer: 19.027
Afgerond: maart 2019
Auteur: ir. S. van Daalen
Contact:
H.G. Gooszenstraat 1, kamer 15, 7415 CL Deventer
vandaalen@dendro.nl
www.dendro.nl
tel: +31 (0)630114237

In opdracht van:
Periplus Group
Kraanspoor 14
1033SE Amsterdam

Copyright: Periplus Group en/of Van Daalen dendrochronologie


Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie,
microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Periplus Group
en/of Van Daalen Dendrochronologie.
INLEIDING

Bij bergingswerkzaamheden in de vaargeul tussen Terschelling en Borkum in de Noordzee zijn


de resten van een scheepswrak samen met een deel van een lading koperplaten aangetroffen. Op
de koperplaten is het merk van de handels- en bankiersfamilie Fugger aanwezig welke in de 15e
en vroege 16e eeuw haar hoogtepunt kende. Om de ouderdom van het wrak vast te stellen zijn
van de enkele spanten en huidplanken monsters genomen voor dendrochronologisch
onderzoek.
Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Periplus Group en vond plaats in maart 2019 op
het laboratorium van Van Daalen Dendrochronologie te Deventer.

METHODE

Selectie en vooronderzoek
Voor ieder element is nagegaan of het een dateerbare houtsoort betrof, of het voldoende
jaarringen leek te hebben (minimaal 70) en of het jaarringpatroon vrij was van verstoringen.
Waar mogelijk wordt voorkeur gegeven aan monsters met spinthout of wankant (zie hieronder).
Voor monsters waarvan de houtsoort niet met het blote oog bepaald kon worden is aan de hand
van microscopische coupes en een determinatiesleutel1 de houtsoort bepaald.

Meting(en)
Geschikt bevonden monsters hebben elk een unieke metingcode toegekend gekregen en zijn
volgens standaard methodes langs één of meerdere radiale trajecten geprepareerd.2 Langs ieder
radiaal traject zijn de jaarringbreedtes ingemeten met een daartoe ingerichte meetopstelling.3
Waar meerdere metingen aan hetzelfde monster verricht zijn, zijn deze gemiddeld tot één
meting zodat ieder individueel element altijd door één meting vertegenwoordigd wordt (zie
tabel 2).

Bij het inmeten is gelet op aanwezigheid van spinthout of wankant.4 Deze informatie wordt
gebruikt voor het schatten van een kapjaar of kapinterval. Hierbij worden de volgende situaties
onderscheiden (zie tabel 1). De codering is gebaseerd op Baillie (1982, p.61) en wordt toegelicht
in bijlage 1.

1 Schweingruber 1990.
2 Pilcher 1990.
3 Een Velmex meetopstelling met Acu-Rite QV10-V lineaire codeerder met een nauwkeurigheid van 10 µm
gekoppeld aan een Euromex binoculair microscoop met een vergroting van 10 en 30 maal.
4 De termen spinthout en wankant worden toegelicht in bijlage 1.

1
Tabel 1. Verschillende schattingsmethoden voor kapintervallen voor een datering in het jaar x.
code omschrijving notatie
A wankant aanwezig, kapinterval vastgesteld buiten herfst/winter x/x+1
groeiseizoen van laatste jaar.
A1 wankant aanwezig, kapinterval vastgesteld tijdens zomer x
groeiseizoen van laatste jaar.
A2 wankant aanwezig; kapinterval vastgesteld in aanvang lente x+1
van volgend groeiseizoen.
B geen wankant, spinthout deels aanwezig; Bayesiaanse mediaan, (2•δ interval)
schatting van een kapinterval (alleen voor eik)
C alleen spinthoutgrens aanwezig; schatting van een mediaan, (2•δ interval)
kapinterval (alleen voor eik)
D geen spinthout aanwezig (alleen voor eik) na x+min. aantal spinthout
E geen spinthout aanwezig na x

Dateringsonderzoek
De metingen zijn met behulp van dendrochronologische software5 met elkaar en met
referentiecurven vergeleken. Voor iedere positie tussen de metingen zijn twee parameters
berekend:
1. Student t-waarde. De t-waarde beschrijft de overeenkomst tussen twee getallenreeksen
voor een gegeven positie. Hoe hoger deze waarde, hoe sterker de gelijkenis is; een t-waarde
hoger dan 5 komt grofweg neer op een kans van 1 op 10.000 dat de gevonden uitslag op
toeval berust en kan als een indicatie voor een datering beschouwd worden. Voorafgaand
aan het berekenen van de t-waarde worden de jaarringbreedtes logaritmisch
getransformeerd6 zodat deze een normale verdeling benaderen.
2. Gleichläufigkeit (GLK); het percentage van de intervallen tussen twee jaren waarin de
meting en referentiecurve gelijktijdig een stijging of daling in het jaarringpatroon laten
zien. In de praktijk wordt een GLK van minder dan 62 als zwak beschouwd.
Synchronisaties die aan de statistische vereisten voldoen zijn door de dendrochronoloog visueel
beoordeeld. De synchronisatie is vervolgens geaccepteerd of verworpen. Onderlinge dateringen
zijn uitgevoerd om metingen uit dezelfde boom te identificeren en/of één of meerdere
middelcurven samen te stellen die het dateren faciliteren.

5 PAST4. Uitgegeven door SCIEM, Wenen (Oostenrijk). www.sciem.com


6 De zogeheten transformatie van Hollstein (Hollstein 1980).

2
RESULTATEN

Selectie en vooronderzoek
Met het blote oog is vastgesteld dat alle (beschikbare) elementen van eik (Quercus sp.) gemaakt
waren. Hiervan zijn er 8 geschikt bevonden en bemonsterd. In enkele gevallen is het spinthout
deels aanwezig en op één spant is zelfs de wankant bewaard gebleven (zie tabel 2).

Metingen

Tabel 2. Overzicht van de meetgegevens. n:aantal jaarringen, n(s): aantal spintringen, type:
schattingswijze voor het kapinterval conform tabel 1.
vondstnr. omschrijving houtsoort meting n n(s) type
KPW00 huidplank eik 19.027.001 90 - D
KPW02 spant eik 19.027.002 127 10 B
KPW03 spant eik 19.027.003 117 3 B
KPW04 huidplank eik 19.027.004 105 - D
KPW05 spant eik 19.027.005 138 - D
KPW07 spant eik 19.027.006 106 12 B
KPW08 spant eik 19.027.007 99 0 C
KPW09 spant eik 19.027.008 61 15 A

Dateringsonderzoek
Onderlinge synchronisatie van de metingen levert voor de meeste metingen goede resultaten op.
In enkele gevallen is de gelijkenis dusdanig sterk dat de elementen uit dezelfde boom lijken te
komen. Hierbij gaat het om KPW00 en KPW02 enerzijds en KPW03 en KPW008 anderzijds.
Hiervoor zijn de middelcurves 19.027.B01 en 19.027.B02 gemaakt.
Deze middelcurven en metingen zijn vergeleken met referentiecurven wat in alle gevallen tot een
datering leidde (zie tabel 3).
Deze boom-middelcurven zijn samen met de overgebleven metingen opgenomen in de
middelcurve 19.027.M01 die het wrak vertegenwoordigt.

De vermelde referentiecurven staan in tabel 4 toegelicht.

3
Tabel 3. Overzicht van de dateringen met statistische onderbouwing. De grafische weergave van de
metingen met de onderstreepte referentiecurve staat in bijlage 2. eind(m)/eind(r): positie van de laatste
jaarring van de meting/referentie.
meting eind(m) referentie eind(r) overlap GLK t-waarde middelcurve
19.027.001 1509 19.027.002 1525 90 75,0 10,30 19.027.B01
19.027.003 1518 19.027.007 1515 99 76,8 11,40 19.027.B02
19.027.004 1486 NL.VME-NT 1835 105 68,1 6,81
19.027.005 1514 NL.VME-NT 1835 138 69,2 6,35
19.027.006 1529 NL321.2.12 1593 106 66,0 5,30
19.027.008 1536 NL212.2.14 1655 61 69,7 7,17
19.027.B01 1525 NL.VME-NT 1835 127 70,1 8,16
19.027.B02 1518 NL211.2.21 1714 95 65,8 6,42
19.027.M01 1536 NL.VME-NT 1835 160 74,1 11,10

Tabel 4. Overzicht van vermelde referentiecurven.


referentie omschrijving
NL.VME-NT Nederland, algemeen. Referentiecurve voor eik (282 - 1835). Van Daalen, niet
gepubliceerde data.
NL211.2.21 Kampen; gebouwen binnenstad (import uit Westfalen). Referentiecurve voor eik (1424
- 1714). Van Daalen, niet gepubliceerde data.
NL212.2.14 Deventer; gebouwen binnenstad (import uit Westfalen). Referentiecurve voor eik
(1390 - 1655). Van Daalen, niet gepubliceerde data.
NL321.2.12 Enkhuizen, Hoorn; bouwhout (import uit Westfalen). Referentiecurve voor eik (1342 -
1536). Van Daalen, niet gepubliceerde data.

4
INTERPRETATIE

Het onderzoek is er in geslaagd een datering te vinden voor de monsters. Aan de hand van de
wankant op KPW08 kan een kapinterval in de herfst/winter van 1536/37 vastgesteld worden.
De overige – minder nauwkeurige - kapintervallen onderstrepen dit interval (zie tabel 5).
De onderlinge synchronisaties geven eveneens aan dat het om één partij hout gaat.

Tabel 5. Schatting van de kapintervallen. Het type is de schatting volgens tabel 1.


vondstnr. meting eind kapinterval type
KPW00 19.027.001 1509 rond 1531 (1525 – 1545) D
KPW02 19.027.002 1525 rond 1531 (1525 – 1545) B
KPW03 19.027.003 1518 rond 1534 (1529 – 1548) B
KPW04 19.027.004 1486 na 1492 D
KPW05 19.027.005 1514 na 1520 D
KPW07 19.027.006 1529 rond 1531 (1521 – 1545) B
KPW08 19.027.007 1515 rond 1534 (1529 – 1548) C
KPW09 19.027.008 1536 herfst/winter 1536/37 A

De indicaties voor de herkomst van het hout liggen overwegend in het noordwesten van
Duitsland (zie afb. 1) en dit mag dan ook als het herkomstgebied beschouwd worden.

Afbeelding 1. Geografische weergave van de synchronisatieresultaten. De grootte van de blauwe cirkel


geeft de (relatieve) sterkte van de t-waarde aan, een grijze stip geeft aan dat een meting wel voldoende
overlap heeft met een referentiecurve, maar een t-waarde lager dan 4 en/of een GLK lager dan 60.
geeft aan waar het hout is aangetroffen.

5
LITERATUUR

Baillie, M.G.L., 1982: Tree-ring dating and Archaeology. ISBN 0-7099-0613-7. Croom Helm
Ltd. London.

Bronk Ramsey, C., 2009: Bayesian analysis of radiocarbon dates. In: Radiocarbon, 51(1), pp.
337-360.

Hollstein, E., 1980: Trierer Grabungen und Forschungen. Band XI, Rheinisches Landesmuseum
Trier. ISBN 3-8053-0096-4. Verlag Philipp von Zabern, Mainz am Rhein.

Pilcher, J.R., Sample preparation, Cross-dating, and Measurement. In: Cook, E.R., Kairiukstis,
L.A., (eds) 1990: Methods of Dendrochronology, Applications in the Environmental Sciences.
Kluwer Academic Publishers. ISBN 0-7923-0586-8.

Schweingruber, F.H., 1990: Mikroskopische Holzanatomie. Formenspektren mitteleuropäischer


Stamm- Und Zweigölzer zur Bestimmung von recentem und subfossilem Material. 226 pp.
Zürcher AG. ZugOxf.: 811.1 __ 016 : 810 : 814.7 (4). 3e druk.

6
BIJLAGE 1

A. Wankant aanwezig: De jaarringgrens van de buitenste jaarring direct onder de bast maakt
het mogelijk het seizoen te bepalen waarin de boom gekapt is. Aanwezigheid van de
wankant betekent per definitie dat het spinthout volledig aanwezig is. Het seizoen waarin
de boom gekapt is volgt uit de mate waarin de buitenste ring gevormd is:
1. A: De buitenste jaarring is volledig gevormd. Het kapinterval valt buiten het
groeiseizoen van de laatste (gedateerde) jaarring.
2. A1: De buitenste jaarring is niet volledig gevormd. Het kapinterval valt in het
groeiseizoen van de laatste (gedateerde) jaarring.
3. A2: Alleen de aanzet tot de buitenste jaarring is aanwezig. Deze jaarring wordt niet
ingemeten. Het kapinterval valt aan het begin van het groeiseizoen volgend op de
laatste (ingemeten) jaarring.
B. Spinthout aanwezig: Het spinthout is de buitenste zone van de stam waar het hout nog
niet is omgezet in kernhout. Niet alle houtsoorten vormen kernhout en alleen bij eik is het
aantal jaarringen in het spinthout statistisch te omschrijven zodat een schatting gemaakt
kan worden van het aantal ontbrekende jaarringen tot de wankant. Voor het bereken van
het kapinterval wordt OxCal7 gebruikt met door de auteur samengestelde
spinthoutstatistieken. Hieruit volgt een jaartal dat het meest waarschijnlijk is (de
mediaan), met daarom heen een 2·δ (95,4%) betrouwbaarheidsinterval.
Spinthoutstatistieken verschillen zijn niet voor alle herkomstgebieden hetzelfde,
waardoor naar gelang de herkomst van het hout andere spinthoutstatistieken toegepast
kunnen worden.
C. Spinthoutgrens aanwezig: Als (een deel van) de contouren van een monster één en
dezelfde jaarring volgen dan kan dit geïnterpreteerd worden als de overgang tussen het
kernhout en het (niet meer aanwezige) spinthout. Hierbij wordt op dezelfde wijze als
hierboven een kapinterval berekend. Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat
dit alleen met redelijke zekerheid vastgesteld kan worden als dit langs een voldoende
groot deel van de contouren van het monster zichtbaar is.
D. Geen spinthout aanwezig: Hierbij is het niet mogelijk een kapinterval te schatten en kan
alleen gesteld worden dat in ieder geval een klein aantal spinthoutringen (6 stuks) volgt
op het kernhout. De vroegst mogelijke datering wordt dan met een corresponderend
aantal jaarringen gecorrigeerd. Dit geldt alleen voor eik.
E. Geen spinhoutstatistieken beschikbaar of geen kernhoutvorming: Hierbij is het niet
mogelijk een kapinterval te schatten en kan alleen gesteld worden dat het kapjaar ná de
datering van de buitenste ring valt. Dit wordt zowel toegepast voor houtsoorten die geen
kernhout vormen, of waarvoor het aantal spinthoutringen niet rekenkundig te
omschrijven is.

7 Bronk Ramsey 2009.

7
BIJLAGE 2

Hier onder staan de metingen afgebeeld met de in tabel 3 aangegeven referentie. Op de x-as
staan de jaartallen, op de y-as de ringbreedtes op een logaritmische schaal, uitgedrukt in 1/100
mm. Het spinthout is gestippeld aangegeven. De grijze banen geven intervallen met een
positieve GLK aan.

1000

19.027.001

[D 1509][B 1525]
100
19.027.002

10 1350 1400 1450 1500 1550


1000

19.027.007
[B 1518]
19.027.003 [C 1515]
100

10 1350
1400 1450 1500 1550
1000

19.027.004
[D 1486]

100

10 1350 1400 1450 1500 1550


1000

19.027.005
[D 1514]
100

10
1350 1400 1450 1500 1550
1000

[B 1529]
100
19.027.006

10 1350 1400 1450 1500 1550

8
1000

19.027.008

NL212.2.14

100 [A 1536]

10 1350 1400 1450 1500 1550


1000

[B 1525]
100
19.027.B01

10
1350 1400 1450 1500 1550
1000

[B 1518]
19.027.B02
100
NL211.2.21

10 1350
1400 1450 1500 1550
1000

19.027.M01

100 [ 1536]

10 1350
1400 1450 1500 1550

9
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 4. Inventarislijsten van de koperplaten

Ronde platen Kg Bijzonderheden Diameter (cm)


1 28.8 106
2 33.0 108
3 30.0 106
4 34.0 Merktekens 108
5 33.7 108
6 33.0 Merktekens 108
7 18.8 96
8 19.7 96
9 31.2 108
10 27.1 102
11 27.1 102
12 24.3 100
13 29.4 102
14 24.8 Merktekens 102
15 32.2 XRF analyse 108
16 33.2 104
17 22.6 Merktekens 100
18 30.6 108
19 26.9 102
20 26.8 108
21 30.2 106
22 30.2 Merktekens 106
23 35.7 108
24 36 108
25 22.6 96
26 31.1 108
27 25.7 98
28 30.7 Merktekens 106
29 21.6 102
30 32.1 106
31 31.0 Merktekens 104
32 28.0 106
33 11.8 klein, merktekens 72
34 16.6 klein, verbogen 86
35 21.3 Merktekens 96
36 24.0 102
37 11.8 XRF analyse 72
Totaal 1007.6

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 56
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Pakketten Gewicht Bijzonderheden Afmetingen


P1 199 Merktekens 99x75x9
P2 199 Merktekens 99x75x9
P3 199 Merktekens 99x75x9
P4 199 Geen merktekens, rand weg 99x75x9
Totaal 796

Verpakking Kg Bijzonderheden Afmetingen


V1 11.7 99x75
V2 11.7 99x75
V3 20.2 Merktekens 99x75
V4 14.1 99x75
V5 14.8 99x75
V6 12.4 99x75
V7 15.1 99x75
V8 15.4 Merktekens 99x75
V9 16.7 99x75
V10 15.8 Merktekens 99x75
V11 14.3 99x75
V12 19.5 99x75
V15 9.5 Fragment met merktekens Deel
V16 11.7 Merktekens 99x75
V17 9.1 Fragment met merktekens Deel
Totaal 212

Platen 84x61cm Aantal Afmetingen kg p/s Totaal


Dunne platen 319 52x82 tot 70x90 5.37 1713
Mediumplaten 114 52x82 tot 70x90 8.053 918
Totaal 433 2631

Totalen Aantal Kg
Ronde platen 37 1008
Rechthoekige platen 1mm 319 1713
Rechthoekige platen 2mm 114 918
Verpakking 17 212
Losse fragmenten Ca 20 70
Pakketten rechthoekige platen 4 796
Totaal 491 4717

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 57
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 5. Foto’s en beschrijvingen van de merktekens

Merktekens op de omslagen van drie van de vier pakketten. Bij pakket nr. 4 ontbreekt het deel waar een
merkteken zit.

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 58
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Merktekens op de omslagen van de losse verpakkingen (V3 – V12).

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 59
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Merktekens op de omslagen van de losse verpakkingen (V15 – V17).

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 60
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 61
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 6. Rapportage XRF metingen

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 62
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Deze bladzijde is met opzet leeg gelaten ten behoeve van dubbelzijdig afdrukken

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 63
B. van Os, 16 april 2019, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
XRF-analyse van de koperen platen Terschellinger Gronden 2

Inleiding

In de Waddenzee zijn in het recente verleden op verschillende locaties koper halffabricaten


gevonden in de vorm van rechthoekige en ronde platen waarvan sommige zijn voorzien
van het logo van de familie Fugger uit Augsburg, soms samen met het embleem van de
famile Thurzó. Deze families hebben samen in 1495 het eerste kapitalistische bedrijf in
Europa opgericht, en hadden een monopoly op de handel en productie van koper en andere
metalen zoals tin en lood. Gedacht wordt dat de koperen vondsten met de wapens van
deze families stammen uit de periode dat ze op het hoogtepunt van hun macht waren
(1525-1540). Dat hun koperimperium de hele wereld omspande bleek na de vondst van
het wrak de Bom Jésus dat in 1535 gezonken 1 is en vol lag met 1845 koperbaren met een
gewicht van meer dan 20 ton (2,3 m3).

Al in de middeleeuwen is koper een belangrijke grondstof. Het kent vele toepassingen zoals
kook en keuken gerei, geld, gereedschap, instrumenten, wapens en als belangrijkste
grondstof voor de fabricage van brons en messing. Zeker in het begin van de 16de eeuw
neemt het kopergebruik enorm toe door de toename in scheepshandel en uitrusting van
oorlogsschepen. Deze grondstof komt niet voor in de gebieden die nu Nederland vormen.
Deze moest daarom worden aangevoerd uit de productie locaties.

Uit eerdere studies naar de samenstelling van het Fugger koper blijkt dat deze afkomstig
zijn uit zogenaamde fahlores (ofwel faalerts) waarin koper in sulfidevorm voorkomt samen
met de elementen arseen, antimoon, nikkel, zilver en andere chalcophiele elementen. Om
de zilver uit dit erts te halen werd het gemengd met een lood, dat een lager smeltpunt
kent dan koper, en waar het in het kopererts aanwezige onoplosbare zilver in oploste en
eruit gesmolten kon worden (liquatie methode)2. Andere metalen uit het erts zoals
antimoon en nikkel zijn slecht oplosbaar in lood en zullen achterblijven in het koper.

In deze studie worden de eerste resultaten van elementanalyses uitgevoerd met p-xrf van
vondsten uit de Waddenzee (Koperplatenwrak en vondst LV-37/Terschellinger Gronden 2)
behandeld. Deze resultaten zullen worden vergeleken met de uitkomsten van de 80
onderzochte koperbaren van de Bom Jésus.

Methode

De meetlocaties zijn ontdaan van een eventueel aanwezige corrosielaag door te schuren
met 300 korrel SIC schuurpapier tot de metaalkleur zichtbaar was. Vervolgens zijn de
schoongemaakte locaties gemeten met een Niton XL3-t goldd+ p-XRF gedurende 110
seconden in de “electronic mode”. Deze meetstand is gekalibreerd voor het meten van de
meeste in moderne elektronica voorkomende koperlegeringen en vooral voor het aantonen
van lood. De kalibratie is gecontroleerd door het analyseren van de CHARM 3standaard set
bronzen, die als basis de meest voorkomende brons samenstellingen bevat gevonden in
archeologisch en kunsthistorische bronzen voorwerpen. De gemeten waarden wijken voor
alle gerapporteerde elementen minder dan 0.1% absoluut of 1,5% relatief af van de
referentiewaarde, zonder systematische afwijking.

1
Hauptmann, Schneider & Bartels 2016
2
Agricola & Hoover n.d.
3 Heginbotham et al. 2014
B. van Os, 16 april 2019, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
XRF-analyse van de koperen platen Terschellinger Gronden 2

Resultaten

In tabel 1 staan de uitkomsten van de koperplaten van het koperwrak.

Tabel 1 Uitkomsten XRF analyses koperwrak

koperplaten 378 379 380 381 382


scheepswrak
splits nummer grote ronde kleine ronde strip kleine grote vierkant
plaat plaat vierkant plaat plaat
nummer geschuurd geschuurd geschuurd geschuurd geschuurd

Cu % 98,50 98,29 98,83 98,89 98,67


Sn % <0,0 <0,0 <0,0 <0,0 <0,0
Pb % 1,02 0,93 0,68 0,54 0,76
Zn % <0,1 <0,1 <0,0 <0,1 <0,1
As % <0,1 <0,1 0,10 <0,1 <0,1
Ag % <0,0 <0,0 <0,0 <0,0 <0,0
Sb % 0,37 0,66 0,36 0,51 0,47
Ni % 0,08 0,09 0,07 0,07 0,08
Bi % <0,0 <0,0 <0,0 <0,0 <0,0
Au % <0,1 <0,0 <0,0 <0,0 <0,0
Hg % <0,0 <0,0 <0,0 <0,0 <0,0

383 384
grote ronde grote ronde plaat
plaat
groene rode
corrosie corrosie
Brochantiet cupriet
Cu % 97,18 97,99
Sn % <0,0 <0,0
Pb % 1,44 1,19
Zn % <0,0 <0,0
As % 0,24 0,15
Ag % <0,1 <0,1
Sb % 0,44 0,50
Ni % 0,10 0,09
Bi % 0,02 <0,0
Au % <0,0 <0,0
Hg % <0,0 <0,0

De platen zijn redelijk zuiver en bevatten tussen de 0,5 en 1% lood en tussen de 0,37 en
0,66 % antimoon. Ook is in alle platen ongeveer 0,1% nikkel aangetoond.

In tabel 2 staan de uitkomsten aan de koperplaten van vondst LV-37/Terschellinger


Gronden 2
B. van Os, 16 april 2019, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
XRF-analyse van de koperen platen Terschellinger Gronden 2

Tabel 2. XRF uitkomsten koperplaten uit vondst LV-37/Terschellinger Gronden 2

meetnummer object vondst Cu Pb Sb Sn Bi Ag

XRF nummer splitsnr nummer


% % % % % %
422 koperplaat LV-37 98,04 1,42 0,32 <0,0 <0,0 <0,0
423 koperplaat LV-37 98,24 1,59 0,10 <0,0 <0,0 <0,0
424 koperplaat LV-37 97,79 1,94 0,13 <0,0 <0,0 <0,0
425 koperplaat LV-37 97,95 1,42 0,38 <0,0 0,04 0,07
426 koperplaat LV-37 98,19 1,66 0,12 <0,0 <0,0 <0,0
427 koperplaat LV-37 98,38 1,13 0,37 <0,0 <0,0 <0,0
428 koperplaat LV-37 96,88 2,96 0,10 <0,0 <0,0 <0,0
429 koperplaat LV-37 98,31 1,47 0,13 <0,0 <0,0 <0,0
430 koperplaat LV-37 98,16 1,70 0,10 <0,0 <0,1 <0,0
431 koperplaat LV-37 98,12 1,45 0,29 <0,0 <0,0 <0,0
432 koperplaat LV-37 97,77 1,62 0,26 <0,0 <0,0 0,08
433 koperplaat LV-37 97,78 1,58 0,37 <0,0 <0,0 <0,0
434 koperplaat LV-37 98,03 1,40 0,44 <0,0 <0,0 <0,0
435 koperplaat LV-37 97,75 1,98 0,13 <0,0 <0,0 <0,0
436 koperplaat LV-37 98,70 1,15 0,08 <0,0 <0,0 <0,0
437 koperplaat LV-37 98,44 0,95 0,47 <0,0 <0,0 <0,0
438 koperplaat LV-37 98,01 1,49 0,31 <0,0 <0,0 0,07
As Ni Zn Fe Hg

Mostly
% % % corrosion
422 koperplaat LV-37 0,11 0,05 <0,1 0,05 <0,0
423 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 <0,0 <0,0
424 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 0,08 <0,0
425 koperplaat LV-37 0,12 0,06 <0,1 0,05 <0,0
426 koperplaat LV-37 <0,1 0,04 <0,1 <0,0 <0,0
427 koperplaat LV-37 <0,1 0,07 <0,1 <0,0 <0,0
428 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 <0,0 <0,0
429 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 <0,0 <0,0
430 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 <0,0 <0,0
431 koperplaat LV-37 <0,1 0,06 <0,1 <0,0 <0,0
432 koperplaat LV-37 0,13 <0,0 <0,1 0,14 <0,0
433 koperplaat LV-37 0,12 0,06 <0,1 0,10 <0,0
434 koperplaat LV-37 <0,1 0,06 <0,1 <0,0 <0,0
435 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 <0,0 <0,0
436 koperplaat LV-37 <0,1 <0,0 <0,1 0,03 <0,0
437 koperplaat LV-37 <0,1 0,07 <0,1 <0,0 <0,0
438 koperplaat LV-37 <0,1 0,05 <0,1 <0,0 <0,0
B. van Os, 16 april 2019, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
XRF-analyse van de koperen platen Terschellinger Gronden 2

Uit tabel 2 valt af te lieden dat net als in de koperplaten uit koperwrak de elementen lood,
antimoon en in mindere mate nikkel aantoonbaar zijn met de XRF en dat de overige
elementen meestal lager zijn dan de detectiegrens.

In figuur 1 zijn de antimoon en lood waarden tegen elkaar uitgezet en is van deze
elementen een histogram geproduceerd. In deze figuur zijn ook de waardes van het Bom
Jésus wrak opgenomen.

Afbeelding 1. x-y plot van lood tegen antimoon voor het Koperwrak (groen) vondsten LV-
37 (rood), en Bom Jésus wrak (zwart).
B. van Os, 16 april 2019, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
XRF-analyse van de koperen platen Terschellinger Gronden 2

Uit de vergelijking volgt dat in alle onderzochte baren en platen antimoon en lood de
hoogste gehaltes hebben gevolgd door nikkel. Afb.1 geeft aan dat de vondsten van het
koperplatenwrak een gemiddeld iets hoger antimoon en iets lager loodgehalte hebben
vergeleken met de LV-37 vondsten en het Bom Jésus wrak. De LV-37 vondsten vallen
uiteen in twee groepen. Een groep heeft vergelijkbare lood en antimoon gehaltes met het
Bom Jésus wrak, de andere groep heeft een antimoon gehaltes die lager liggen dan alle
andere samples maar een relatief hoger loodgehalte.

Discussie en conclusie.

Alle onderzochte voorwerpen houden waarschijnlijk verband met koper dat door de Fugger
en of Thurzo familie is verhandeld. Het kenmerkt zich door een loodgehalte variërend
tussen de 0,5 en 2% met een enkele uitschieter naar 3%. Daarnaast hebben alle
voorwerpen een hoog meetbaar antimoongehalte van tussen de 0,1 en 0,5%. Ook bevatten
de meeste geanalyseerde platen met de XRF meetbaar nikkel tussen de 0,05 en 0,1 %.
Nikkel en antimoon wordt niet verwijderd met het liquatieproces maar zijn waarschijnlijk
uit een fahlore erts uit het Slovaakse ertsgebergte4 afkomstig, dat als bron voor het koper
heeft gediend. Koper afkomstig uit het chalcopyriet erts van Falun (Zweden) bevat veel
lagere loodgehaltes omdat deze niet ontdaan werden van zilver5. Ook is de productie van
Zweeds koper later dan het Fugger koper. Daarnaast is de noodzaak om zilver te
verwijderen vanaf 1540 verminderd door het op de markt komen van het zilver uit de
nieuwe wereld, met name uit Potosi6. De uitkomsten van de analyse laten zien dat er geen
grote verschillen zitten tussen de kopervondsten van de diverse locaties. De ogenschijnlijke
negatieve correlatie tussen het antimoon en loodgehalte geeft aan dat de
procesparameters voor het liquatieprocedé waarschijnlijk niet vastlagen maar varieerden
naar gelang er meer of minder zilver in het erts aanwezig was of omdat de ertskwaliteit
varieerde in antimoon en nikkel samenstelling.

4
Hauptmann, Schneider & Bartels 2016
5
Ayres, Ayres & Råde 2002
6
Flynn & Giráldez 2002
B. van Os, 16 april 2019, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
XRF-analyse van de koperen platen Terschellinger Gronden 2

Referenties

Agricola, G., & H. Hoover n.d.: De re metallica. Translated from the first Latin ed. of 1556,
with biographical introd., annotations, and appendices upon the development of mining
methods, metallurgical processes, geology, mineralogy & mining law fr, [New ed.], New
York,.

Ayres, R.U., L.W. Ayres, & I. Råde 2002: The Life Cycle of Copper, its co-products and by
products Mining, Minerals and Sustainable Development 8–10.

Flynn, D.O., & A. Giráldez 2002: Cycles of silver: Global economic unity through the mid-
eighteenth century, Journal of World History 13, 391–427.

Hauptmann, A., G. Schneider, & C. Bartels 2016: The Shipwreck of Bom Jesus, AD 1533:
Fugger Copper in Namibia, 14, 27.

Heginbotham, A., J. Bassett, D. Bourgarit, C. Eveleigh, L. Glinsman, D. Hook, D. Smith,


R.J. Speakman, A. Shugar, & R. Van Langh 2014: The Copper CHARM Set: A New Set of
Certified Reference Materials for the Standardization of Quantitative X-Ray Fluorescence
Analysis of Heritage Copper Alloys*, Archaeometry , n/a-n/a.
Koperplatenwrak Noordzee – beschrijving eerste vondsten

Bijlage 7. DVD met digitale bestanden

Inhoud DVD

Map Beschrijving
Foto’s Alle verzamelde foto’s tijdens het project, inclusief foto’s t.b.v. fotogrammetrie
Geofysische Side scan sonar- en multibeamopnamen voor en na de berging van de vondsten en
opnamen wrakdelen
Literatuur Diverse literatuur
Rapport Rapport in pdf formaat met bijlagen
Tekeningen Gescande AO tekeningen in pdf en jpg formaat

Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Zee en Delta


Periplus Archeomare rapport 19A008-01 64

Centres d'intérêt liés