Vous êtes sur la page 1sur 20

Préparation d’une séquence d’enseignement

Renseignements concernant Renseignements concernant


L’étudiante-stagiaire : L’école de stage :
Godeau Sonja Notre Dame, Braine-le-Comte &
Année et section : 3 Langues germaniques
e
école Saint-Remy, Ecaussinnes
Pédagogues et professeurs : Mme Lecocq, Mme Maitre de stage : Mme Palmieri
Alberghi Discipline enseignée : Néerlandais
Thème : ‘de kleren’
Classe : 6e primaire

Compétence finale communicative (ou tâche d’aboutissement) :


Au terme de 4 leçons de 50 minutes, l’élève sera capable de citer oralement les vêtements décrivant
tenue vestimentaire et la couleur de chaque vêtement d’un camarade de classe lors d’un défilé organisé
en classe en utilisant la structure ‘hij/ze draagt…’, ‘zijn/haar (kleren) is/zijn (kleur)’.
Concrétisation de la compétence attendue :
Hij draagt een trui met een broek en laarzen. Zijn broek is groen, zijn trui is rood en zijn laarzen zijn bruin.
Hij draagt handschoenen en een muts. Zijn handschoenen zijn zwart en zijn muts is wit.

Analyse de la tâche d’aboutissement


Savoirs et fonctions langagières :

Vocabulaire : de jas, de jurk, de rok, de broek, de jeans/spijkerbroek, de hoed, de trui, het hemd, het T-
shirt, het vest, de short/korte broek, de pet, de handschoenen, de muts, de laarzen, de sjaal/sjerp.

Fonctions langagières :
- Ze draagt….
- Hij draagt
Savoir-faire :
- Articuler de façon claire.
Savoir-être :
- Savoir se tenir avec prestance debout devant une classe ;
- Oser s’exprimer devant la classe ;
- S’exprimer avec un maximum d’aisance ;
- S’exprimer sans pauses ou hésitations devant la classe.
Prérequis : les couleurs, utilisation de ‘ze’, ‘hij’, ‘haar’, ‘zijn’.

Leçon 1
Objectif général :
Au terme de la leçon de 50 minutes, l’élève sera capable de remettre dans l’ordre les
images du conte ‘de nieuwe kleren van de keizer’ dont il aura écouté le récit juste
avant.

Activité 1 : EO : ‘rituels’

Objectif spécifique : l’élève sera capable de dire qu’il est présent, de dire comment il se sent, de
dire comment est le temps et de dire et écrire la date du jour en langue cible.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : /

- Goeiedag. Ik ben juffrouw Sonja en ik geef


jullie lessen deze week en na de ski.
- Aanwezig of afwezig?
- De datum. Wat is de datum? - Aanwezig.
- Dinsdag 29 januari 2019.
- Ja. - Mag ik de datum schrijven?
- Hoe voel je je? Naar links, naar rechts, voor
en achter.
- Herhaling: stap op. Ga naar links van je bank.
Ga naar rechts van je bank. Ga voor je bank.
Ga achter de bank.
- X, hoe voel je je, naar links.
- Etc.

Vraag aan iemand naar links “hoe voel je je?”

Antwoord op de vraag.

Activité 2 : CA : vocabulaire du conte

Objectif spécifique : à l’aide d’images et de mots écrits au tableau, l’élève sera capable d’expliquer,
montrer du doigt ou de mimer les mots de vocabulaire vu dans le but de faciliter la comprehension
du conte.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : flashcards, tableau


- We gaan ‘de nieuwe kleren van de keizer’
lezen. Maar ik moet eerst een beetje
woordenschat uitleggen. Wat betekent dat?
- Dat zijn mijn kleren.
- Dat is een keizer. Dat is een soort koning.
- Kijk naar het beeld, dat zijn dienaars. Ze
werken voor de keizer.
- Kleermakers: ze maken nieuwe kleren.
- Bedriegers: ze liegen (zoals pinocchio) om
veel geld te krijgen.
- Dat is geld: 1€ 5€…
- Slim en dom. Slim is een synoniem van
intelligent. Dom is een synoniem van idioot.
- Prachtig: dat betekent heel mooi.
- Zacht: dat is zacht. Bij voorbeeld: je huid is
zacht.
- Duidelijk? Ja! Jullie zijn slim!

- Laten we alles herhalen. Kleren: toon mij


jullie kleren.
- Wat is een keizer?
- Goed! Wat is een dienaar? Wat doet hij/ze?
- Wat is een kleermaker?
- Prima! Wat is een bedrieger?
- Slim en dom?
- Prachtig?
- Zacht?

- (montre ses vêtements)


- Dat is een soort koning.

- Ze/hij werkt voor de keizer.


- Hij maakt nieuwe kleren.
- Hij liegt en wil veel geld.
- Slim is intelligent en dom is idioot.
- Heel mooi
- (mime)

Activité 3 : lecture du conte

Objectif spécifique : suite à la lecture d’un conte, l’élève sera capable de dire ce que font les
personnages, qui parle, quelle est l’humeur des personnages, etc.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 20 min
Matériel : de kleren van de keizer (image +
texte)

Première lecture du conte.

- Wat gebeurt er? De nieuwe kleren van de


- Er zijn geen kleren.
keizer. Wat zijn die nieuwe kleren?
- Waarom? Wat zeggen de bedriegers over de
kleren? - Ze maken speciale kleren.
- Alleen maar slimme mensen kunnen de kleren
zien.
- Nee.
- En zien de mensen de kleren? - Er zijn geen kleren.
- Waarom?
- Goed! Op de dag van de optocht draagt de
keizer geen kleren dus… wat zeggen de
mensen? - Ze zeggen ‘mooi kostuum’ ‘prachtige kleren’.
- Een klein meisje.
- Hij wordt rood en loopt terug naar zijn
- En wie zegt dat hij geen kleren draagt?
paleis.
- Hoe reageert de keizer?

- Heel goed!

2e lecture:

Het verhaal gaat over een keizer. Hij houdt van


mooie kleren. Wel tien keer per dag trekt hij
nieuwe kleren aan, zodat hij zeker de mooiste
man in het paleis is.

- Wat doet de keizer tien keer per dag? - Hij probeert nieuwe kleren.
Op een dag komen er twee bedriegers naar de
stad. Ze hebben gehoord dat de keizer van
kleren houdt. ‘We zijn de beste kleermakers van
het land!’ roepen de bedriegers. ‘We willen
kleren voor de keizer maken.’

- Wat willen de bedriegers? Waarom zijn ze


daar?

De keizer vraagt ‘maken jullie echt de mooiste


kleren?’
- Ze willen met de keizer praten.
‘Ja, zeker!’ antwoorden de bedriegers. ‘Ze zijn - Ze zeggen dat ze kleermakers zijn.
ook heel speciaal: alleen slimme mensen kunnen
ze zien. Domme mensen zien helemaal niets.’

- Wat zeggen ze? Waarom zijn de kleren


speciaal?
Heel goed idee! Zegt de keizer. ‘Ik wil nieuwe
kleren. Ik zal zien als mijn dienaars wel slim zijn.
Dan stuur ik de dommeriken weg.’ En hij geeft
veel geld om nieuwe kleren te maken.

- Wat wil de keizer doen? Wat denkt hij? Wat


zegt hij over zijn dienaars?
- Domme mensen zien de kleren niet.

De bedriegers doen alsof ze hard werken. Op


een moment komt een dienaar te kijken, ziet hij
er niets. ‘Misschien ben ik niet slim genoeg’
denkt hij. ‘De keizer moet het niet weten.’

- Wat doen de bedriegers?

- Wat gebeurt er met de dienaar? Wat doet


hij? Wat denkt hij?
- Waarom moet de keizer niet weten dat hij - Hij wil zien als de dienaars slim zijn. Als ze
ziet geen kleren? dom zijn, stuurt hij de dienaars weg.

Enkele dagen later.

De keizer wil weten of zijn nieuwe kleren bijna


klaar zijn. ‘Ik stuur mijn eerste minister om eens
te gaan kijken’, zegt hij. ‘De minister is heel slim
en eerlijk: hij zal die speciale kleren zeker
kunnen zien.’ - De creeren kleren maar er zijn geen kleren.
- De dienaar zien geen kleren. Hij denkt dat
- Wat zegt de keizer?
hij dom is.
- Waarom?
- Goed!
De minister gaat naar de bedriegers. ‘De kleren - Want de keizer stuurt de domme dienaar
zijn bijna klaar! Wat denk je van de kleuren?’ De weg.
minister ziet geen kleren. ‘Ben ik echt zo dom?’
denkt hij. ‘De keizer moet het niet weten!’
daarom zegt hij tegen de bedriegers: ‘wat een
prachtige kleren! Dat hebben jullie goed gedaan.’

- Wat gebeurt met de minister? Ziet hij de


kleren?
- Wat denkt hij dus?
- En wat zegt hij tegen de bedriegers?

- Goed! - De minister moet de kleren gaan zien.


De volgende dag de tweede minister gaat naar - Hij is slim, denkt de keizer.
de bedriegers. Maar ook de tweede minister ziet
niets. ‘Ben ik echt zo dom? Dat kan toch niet! Ik
wil niet dat de keizer me wegstuurt! Hij moet
het niet weten.’

De tweede minister loopt terug naar de keizer.


‘Uw kleren zijn bijna klaar’, zegt ze. ‘De kleuren
zijn prachtig! Alle mensen in de stad spreken
over uw mooie nieuwe kleren.’

- Wat gebeurt met de minister? Ziet hij de


kleren?
- Wat denkt hij dus?
- En wat zegt hij aan de keizer?
- Nee, hij ziet niets.
- De keizer moet het niet weten.
- ‘Wat een prachtige kleren! Dat hebben jullie
goed gedaan!’
De keizer gaat naar de bedriegers. ‘Ik wil mijn
nieuwe kleren zien!’ Maar hij ziet helemaal niets!

‘Oh nee, ben ik echt zo dom? Ik zie mijn speciale


kleren niet. Mijn dienaars moeten het niet
weten’ denkt de keizer. ‘Waw, dat is zo mooi!’
zegt hij tegen de bedriegers.

- Wat gebeurt er met de keizer?


- Wat denkt hij?
- Dus wat doet hij? Wat zegt hij?
Enkele dagen later.

De keizer moet een optocht houden. ‘Morgen


moeten mijn kleren klaar zijn’

De bedriegers doen de hele nacht alsof ze


werken.

De keizer gaat naar de bedriegers om zijn


nieuwe kleren te dragen. ‘Kijk, het hemd is klaar.
En hier is de broek’ zeggen ze. ‘Zijn ze niet - Nee, hij ziet niets.
prachtig? De stof is zo zacht. Het lijkt wel alsof - De keizer moet het niet weten.
je geen kleren draagt!’ ‘Wilt u de nieuwe kleren - De kleuren zijn prachtig! Alle mensen in de
aantrekken?’ vragen de bedriegers. Ze doen stad spreken over uw mooie nieuwe kleren.
alsof ze hem kleren geven en de keizer doet
alsof hij ze aantrekt. ‘Wat mooi!’ roepen zijn
dienaars.

- Wat gebeurt er nu? Welke dag is het?


- Wat draagt de keizer?

- Wat zeggen de dienaars?


- Zien ze de kleren?
De keizer kijkt nog eens goed in de spiegel. Hij
ziet nog altijd geen kleren.
- Hij ziet geen kleren.
Het is tijd voor de optocht. Gaan ze naar buiten. - Dat hij is dom.
- Hij zegt dat de kleren heel mooi zijn.
Alle mensen van de stad komen naar de optocht
te kijken. Niemand zegt dat ze geen kleren zien,
want dan zou hij dom zijn. ‘Wat een prachtig
kostuum!’ roepen de mensen, en ze klappen in hun
handen. De keizer heeft nog nooit zoveel succes
gehad.

- En nu, wat gebeurt er? Waar zijn ze? Wat


doen ze?

- Zien ze de kleren?
- Goed
Op een moment, zegt een klein meisje ‘Maar de
keizer heeft helemaal geen kleren aan!’
‘Sssst’ zegt de mama. Maar haar beste vriendin
heeft het gehoord en ze herhaalt.

- Wie zegt wat?

- Hoe reageert haar mama?


- Hoe reageert haar beste vriendin? - Het is de dag van de optocht.
- Ja, en dus… herlaling, herhaling, herhaling. - Hij draagt de nieuwe kleren, dus geen kleren.
Iedereen weet het. - ‘wat mooi’
- Goed! - Nee.
‘Niemand kan ze zien! Maar we kunnen toch niet
allemaal dom zijn?’ zegt iemand. ‘Die kleermakers
zijn bedriegers. De keizer heeft geen kleren
aan!’

- Wat zeggen de mensen?


- Wat begrijpen de mensen dus?
De keizer dat hoort en hij wordt rood. Hij loopt
naar zijn paleis. In het paleis trekt hij zijn
dikste broek aan.

- Hoe reageert de keizer?

Zo leert de keizer dat kinderen soms slimmer


zijn dan grote mensen!

- Wat is de conclusie?

- Het is de optocht. De mensen zeggen dat de


kleren prachtig zijn. Ze klappen in hun
handen.
- Nee.
- Een klein meisje zegt ‘de keizer heeft geen
kleren aan’
- Ze zegt ‘ssssst’
- Ze herlaalt.

- De keizer heeft geen kleren.


- De kleermakers zijn bedriegers!

- Hij gaat terug naar zijn paleis en draagt een


dikke broek.

- Kinderen zijn soms slimmer dan de grote


mensen.

Activité 4 : EO +CL : remettre le conte dans l’ordre.

Objectif spécifique : suite à la lecture d’un conte, l’élève sera capable de remettre les images du
conte dans l’ordre.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 10 min

Matériel : images du conte.

- Kijk naar het bord. Dat zijn de beelden van


het verhaal. Maar ze zijn niet in de juiste
volgorde.
- Wat is het eerste beeld?
- Ja, dat is een verhaal over een keizer. Hij is
dol op kleren.
- Wat is het tweede beeld?
- Ja, daar zijn de twee bedriegers. Ze zeggen
dat ze kleermakers zijn.
- Wat is het volgende beeld?
- Ja, de bedriegers praten met de keizer.
- Wat is het volgende beeld?
- Ja, de keizer wil nieuwe kleren en hij geeft
geld aan de bedriegers.
- Wat is het volgende beeld?
- Ja, de bedriegers werken, ze maken kleren.
En hier is een dienaar. Hij ziet geen kleren.
- Wat is het volgende beeld?
- Ja, de keizer denkt aan zijn eerste minister.
- Wat is het volgende beeld?
- De eerste minister gaat naar de bedriegers.
Hij ziet geen kleren.
- Wat is het volgende beeld?
- De minister zegt dat de kleren heel prachtig
zijn.
- Wat is het volgende beeld?
- De tweede minister gaat naar de bedriegers.
Ze ziet geen kleren.
- Wat is het volgende beeld?
- De tweede minister gaat naar de keizer en
zegt ‘uw nieuwe kleren zijn bijna klaar!’
- Wat is het volgende beeld?
- De keizer gaat naar de bedriegers. Hij ziet
geen kleren.
- Wat is het volgende beeld?
- De keizer zegt dat de kleren zeer mooi zijn.
- Wat is het volgende beeld?
- De keizer zegt dat er een optocht is.
- Wat is het volgende beeld?
- De bedriegers doen alsof ze werken.
- Wat is het volgende beeld?
- Dat is de dag van de optocht. De bedriegers
tonen de kleren aan de keizer.
- Wat is het volgende beeld?
- De keizer probeert zijn nieuwe kleren.
- Wat is het volgende beeld?
- Het is de optocht. Ze gaan buiten. De keizer
is klaar.
- Wat is het volgende beeld?
- De mensen klappen in hun hand, ze zeggen
dat de kleren heel mooi zijn.
- Wat is het volgende beeld?
- Het meisje zegt dat hij geen kleren draagt.
- Wat is het volgende beeld?
- Herhaling, herhaling, herhaling. Ze zeggen
‘hij draagt geen kleren!”
- Wat is het volgende beeld?
- De keizer wordt rood.
- Wat is het volgende beeld?
- De keizer is terug in zijn paleis en draagt een
dikke broek.

Leçon 2

Objectif général :

Au terme de la leçon de 50 minutes, à l’aide du vocabulaire sur le thème des


vêtements, l’élève sera capable de décrire oralement sa tenue vestimentaire en
utilisant la structure ‘ik draag’.

Activité 1 : EO : ‘rituels’

Objectif spécifique : l’élève sera capable de dire qu’il est présent, de dire comment il se sent, de
dire comment est le temps et de dire et écrire la date du jour en langue cible.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : /

- Goeiedag. Ik ben juffrouw Sonja en ik geef


jullie lessen dit week en na de ski.
- Aanwezig of afwezig?
- De datum. Wat is de datum? - Aanwezig.
- Donderdag 31 januari 2019.
- Ja. - Mag ik de datum schrijven?
- Hoe voel je je? Naar links, naar rechts, voor
en achter.
- Herhaling: stap op. Ga naar links van je bank.
Ga naar rechts van je bank. Ga voor je bank.
Ga achter de bank.
- X, hoe voel je je, naar links.
- Etc.

Vraag aan iemand naar links “hoe voel je je?”

Antwoord op de vraag.

Activité 2 : EO rappel du conte.

Objectif spécifique : à partir d’extraits du conte et des images de celui-ci, l’élève sera capable
d’associer l’extrait du conte à l’image qui l’illustre.
Méthodologie Matière enseignée

Temps : 10 min

Matériel : images du conte + extrait du conte.

Je place au tableau les images du conte dans


l’ordre. Par 2, ils doivent associer un extrait du
conte avec la bonne image.

- Daar zijn de beelden van het verhaal ‘de


nieuwe kleren van de keizer’.
- Ik geef jullie de tekst van de beelden. Lees
je tekst en zet je tekst met het juiste beeld.
- Het eerste beeld. Wie heeft de tekst? Lees
je tekst.
- Gaan jullie akkoord?
- Ok goed.
- het volgende…

Activité 3 : EO : intro aux vêtements

Objectif spécifique : à l’aide de mots de vocabulaire sur le thème des vêtements, l’élève sera
capable de dire les différents vêtements que portent les personnages d’une image issue d’un conte,
et il sera également capable de dire de quelle couleur sont les vêtements.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 15 min

Matériel : images du conte, mots de vocabulaire


de vêtements

Je décris la tenue tout en plaçant au tableau les


mots de vocabulaire.

- Kijk op deze beeld. Wat draagt die


personnage?
- Ik doe de eerst personnage met jullie.
Bedrieger naar links : hij draagt een broek,
en hemd, een jas, een vest, schoenen, sokken.
Zijn schoenen zijn zwart, zijn sokken zijn
groen, zijn broek is bruin, zijn hemd is wit,
zijn jas is blauw en zijn vest is rood.
- Wat draagt de keizer?

- De keizer: hij draagt een pyjama. Een slip en


een T-shirt (of hemd?). Zijn slip is rood met
roze gestippeld en zijn T-shirt is wit met
- Wie draagt een T-shirt?
blauwe strepen.
- Wat draagt de bedrieger naar rechts?
- Ik draag een T-shirt.
- hij draagt schoenen, sokken, een broek, een
hemd, een jas en een vlinderdasje. Zijn
schoenen zijn zwart, zijn sokken zijn bruin,
zijn broek is beige (lichtbruin), zijn hemd is
lichtblauw, zijn jas is rood en zijn
vlinderdasje is donkerblauw.
- Ik draag scheonen
- Ik draag sokken
- Wie draagt schoenen? - Ik draag een broek
- Wie draagt sokken? - Ik draag een hemd
- Wie draagt een broek? - Ik draag en jas
- Wie draag een hemd?
- Wie draagt een jas?
- Hij draagt schoenen, een broek, een hemd
met schouderbandjes, een jas en een hoed.
- Kijk naar die beeld. Wat draagt de minister? Zijn schoenen zijn bruin, zijn broek is groen,
zijn hemd is paars en zijn shouderbandjes
zijn rood. Zijn jas is blauw en zijn hoed is
groen.

- Ze draagt schoenen, een jurk, een tasje en


een hoed. Haar schoenen zijn rood, haar jurk
is geel en groen, haar tasje is rood en haar
hoed is oranje en roze.
- Kijk naar die beeld. Wat draagt de tweede
- Ik draag een jurk.
minister?

- Wie draagt een jurk?


- Wie draagt een hoed?

Activité 4 : EO : introductions à de nouveaux mots

Objectif spécifique : à l’aide de vêtements apportés par le professeur et des vêtements que
portent les élèves, l’élève sera capable de dire s’il porte le vêtement demandé ou non.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : vêtements.

- Dat is een muts. Wie draagt een muts hier?


- Goed. Wie draagt laarzen?
- Ik draag een muts.
- Wie draagt een trui?
- Ik draag laarzen.
- Wie draagt een pet?
- Ik draag een trui.
- Wie draagt handschoenen?
- Ik draag een pet.
- Wie draagt sportschoenen?
- Ik draag handschoenen.
- Wie draagt laarzen?
- Ik draag sportschoenen.
- Wie draagt een sjerp of een sjaal?
- Ik draag laarzen.
- Ik draag een sjerp.
Activité 5 : SSFL : exercices écrits

Objectif spécifique : à l’aide des mots de vocabulaire sur le thème des vêtements, l’élève sera
capable faire un mot croisé, de relier l’image au mot de vocabulaire adéquat, de choisir le bon mot
de vocabulaire parmi un choix multiple, de classer les vêtements selon la saison, de dire ce qu’il
porte comme vêtement et de décrire la tenue de 2 personnages.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 20 min

Matériel : feuilles « de kleren »

- Oefening 1: vul het kruiswoordraadsel aan.


Jullie hebben de woorden daar om jullie te
helpen. Pas op, er zijn 8 woorden maar er zijn
6 woorden in het kruiswoordraadsel.
- Oefening 2: verbind. Gebruik kleuren.
- Oefening 3: kies het juiste woord. Alleen
maar één woord is juist. Kijk goed naar het
beeld.
- Oefening 4: welke kleren voor welke seizoen.
Schrijf de kleren in de juiste kolom.
- Oefening 5: jullie hebben een voorbeeld om
jullie te helpen.
- Pas op hier. Kijk goed. ‘ik draag schoenen. Ik
draag een broek.’ -> de broek = een broek (1
pantalon) maar de schoenen = schoenen (car
pluriel).
- Oefening 6: beschrijf de kleren van de
kinderen.

Leçon 3

Objectif général :

Au terme de la leçon de 50 minutes, à l’aide du vocabulaire sur le thème des


vêtements, l’élève sera capable de décrire oralement les vêtement qu’il porte en
utilisant la structure ‘Ik draag…’ ‘hij/ze draagt…’ et en en précisant de quelle couleur
est le vêtement cité en utilisant la structure ‘mijn/haar/zijn (kleren) is/zijn (kleur)’.

Activité 1 : EO : ‘rituels’

Objectif spécifique : l’élève sera capable de dire qu’il est présent, de dire comment il se sent, de
dire comment est le temps et de dire et écrire la date du jour en langue cible.

Méthodologie Matière enseignée


Temps : 5 min

Matériel : /

- Aanwezig of afwezig? - Aanwezig.


- De datum. Wat is de datum? - Dinsdag 12 februari 2019.
- Mag ik de datum schrijven?
- Ja.
- Hoe voel je je? Naar links, naar rechts, voor
en achter.
- Herhaling: stap op. Ga naar links van je bank.
Ga naar rechts van je bank. Ga voor je bank.
Ga achter de bank.
- X, hoe voel je je, naar links.
- Etc.

Vraag aan iemand naar links “hoe voel je je?”

Antwoord op de vraag.

Activité 3 : EO : intro aux vêtements

Objectif spécifique : l’élève sera capable de répéter oralement le nom des vêtements qu’il porte en
utilisant la structure « ik draag … ».

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 15 min

Matériel : vêtements

- Ik draag een T-shirt. Wie draagt een T-


shirt? - Ik draag een T-shirt.
- Welke kleur is je T-shirt? - Mijn T-shirt is (kleur)
- Ik draag een trui. Wie draagt een trui? - Ik draag een trui.
- Welke kleur is je trui? - Mijn trui is…
- Ik draag een broek. Wie draagt een broek?
- Welke kleur is je broek?
- Ik draag schoenen. Wie draagt schoenen? - Ik draag een broek.
- Welke kleur zijn je schoenen?
- Ik draag sokken. Wie draagt sokken? - Mijn broek is …
- Welke kleur zijn je sokken? - Ik draag schoenen.
- Ik draag een vest. Wie draagt een vest? - Mijn schoenen zijn …
- Welke kleur is je vest? - Ik draag sokken.
- XX (Ze) draagt laarzen. Wie draagt laarzen? - Mijn sokken zijn…
herhaal: ze draagt laarzen. - Ik draag een vest.
- Welke kleur zijn je/haar laarzen? - Mijn vest is …
- XX draagt een hemd. Wie draagt een hemd?
/ herhaal : hij/ze draagt een hemd. - Ik draag laarzen.
- Welke kleur is zijn/haar/ hemd? - Mijn/ haar laarzen zijn …
- XX (Ze) draagt een jurk. Wie draagt een
jurk? / herhaal: ze draagt een jurk.
- Ik draag een hemd./ ze/hij draagt een hemd.
- Welke kleur is je/haar jurk?
- Mijn/haar hemd is …
- XX (Ze) draagt een rok. Wie draagt een rok?
/ herhaal: ze draagt een rok.
- Welke kleur is je/haar rok? - Ik draag een jurk./ ze draagt een jurk.
- Ze/hij draagt een hoed. Herhaal: ze/ hij - Mijn/haar jurk is …
draagt een hoed.
- Welke kleur is zijn/haar hoed? - Ik draag een rok./ ze draagt een rok.
- Ze/hij draagt een muts. Herhaal: ze/ hij - Mijn/haar rok is …
draagt een muts.
- Welke kleur is zijn/haar muts? - Ze/hij draagt een hoed.
- Ze/hij draagt een short. Herhaal: ze/ hij - Haar/zijn hoed is …
draagt een short.
- Welke kleur is zijn/haar short?
- Ze/hij draagt een muts.
- Ze/hij draagt een pet. Herhaal: ze/ hij
- Haar/zijn muts is …
draagt een pet.
- Welke kleur is zijn/haar pet?
- Ze/hij draagt een sjaal. Herhaal: ze/ hij - Ze/hij draagt een short.
draagt een sjaal. - Haar/zijn short is …
- Welke kleur is zijn/haar sjaal?
- Ze/hij draagt een jas. Herhaal: ze/ hij
draagt een jas. - Ze/hij draagt een pet.
- Haar/zijn pet is …
- Welke kleur is zijn/haar jas?
- Ze/hij draagt handschoenen Herhaal: ze/ hij
draagt handschoenen. - Ze/hij draagt een sjaal.
- Welke kleur zijn zijn/haar handschoenen? - Haar/zijn sjaal is …

- Ze/hij draagt een jas.


- Haar/zijn jas is …

- Ze/hij draagt handschoenen.

- Haar/zijn handschoenen zijn …

Activité 4 : EO : drill oral des vêtements

Objectif spécifique : en se regardant les uns les autres, les élèves seront capables de dire
oralement quel élève porte le vêtement demandé en utilisant la structure « hij/ze draagt … »

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : /

- Sta op. Kijk jullie kleren.


- Wie draagt een vest? - Ze/hij draagt een vest.
- Welke kleur is haar/zijn vest? - Zijn/haar vest is …
- Wie draagt een trui? - Ze/hij draagt een trui.
- Welke kleur is haar/zijn trui? - Zijn/haar trui is …
- Wie draagt een hemd? - Ze/hij draagt een hemd.
- Welke kleur is haar/zijn hemd? - Zijn/haar hemd is …
- Wie draagt handschoenen? - Ze/hij draagt handschoenen.
- Welke kleur zijn haar/zijn handschoenen?
- Wie draagt een T-shirt? - Zijn/haar handschoenen zijn …
- Welke kleur is haar/zijn T-shirt? - Ze/hij draagt een T-shirt.
- Wie draagt laarzen? - Zijn/haar T-shirt is …
- Welke kleur zijn haar/zijn laarzen? - Ze/hij draagt laarzen.
- Wie draagt een sjerp of een sjaal? - Zijn/haar laarzen zijn …
- Welke kleur is haar/zijn sjaal/sjerp? - Ze/hij draagt een sjerp/sjaal.
- Zijn/haar sjaal/sjerp is …

Activité 5 : SSFL : exercices écrits

Objectif spécifique : à l’aide des mots de vocabulaire sur le thème des vêtements, l’élève sera
capable faire un mot croisé, de relier l’image au mot de vocabulaire adéquat, de choisir le bon mot
de vocabulaire parmi un choix multiple, de classer les vêtements selon la saison, de dire ce qu’il
porte comme vêtement et de décrire la tenue de 2 personnages.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 20 min

Matériel : feuilles « de kleren »

- Oefening 1: vul het kruiswoordraadsel aan.


Jullie hebben de woorden daar om jullie te
helpen. Pas op, er zijn 8 woorden maar er zijn
6 woorden in het kruiswoordraadsel.
- Oefening 2: verbind. Gebruik kleuren.
- Oefening 3: kies het juiste woord. Alleen
maar één woord is juist. Kijk goed naar het
beeld.
- Oefening 4: welke kleren voor welke seizoen.
Schrijf de kleren in de juiste kolom.
- Oefening 5: jullie hebben een voorbeeld om
jullie te helpen.
- Pas op hier. Kijk goed. ‘ik draag schoenen. Ik
draag een broek.’ -> de broek = een broek (1
pantalon) maar de schoenen = schoenen (car
pluriel).
- Oefening 6: beschrijf de kleren van de
kinderen. Neem een groen potlood en kleur
de jurk en de laarzen van het meisje in groen.
Neem een blauw potlood en kleur het T-shirt
van de jongen in het blauw. Neem een oranje
potlood en kleur de short van de jongen in
het oranje. En neem een rood potlood en
kleur de schoenen van de jongen in het rood.

verbetering

- Oefening 1: nummer 1.
- Nummer 2…

- Jas
- Schoenen
- Hemd
- Broek
- Oefening 2: de eerste foto… - Vest
- Sokken
- De muts.
- De sjaal/sjerp
- De rok
- De trui
- Oefening 3: de eerste foto. Is het een rok,
een jurk of een hemd?
- De jurk
- De hoed
- De handschoenen
- De laarzen.

- Oefening 4: winterkleren of zomerkleren. De


- Winterkleren
jas, winterkleren of zomerkleren?
- De jurk, zomerkleren
- De rok, zomerkleren
- De broek, winterkleren of zomerkleren
- De jeans, winterkleren
- De hoed, zomerkleren
- De trui, winterkleren
- Het hemd, winterkleren
- Het T-shirt, zomerkleren
- Het vest, winterkleren
- De short, zomerkleren
- De pet, zomerkleren
- De handschoenen, winterkleren
- De must, winterkleren
- De laarzen, winterkleren
- De sjaal/sjerp, winterkleren.
- Ik draag….
- Mijn (kleren) is/zijn (kleur)

- Ze draagt een jurk met/en laarzen.


- Haar kleren zijn groen.
- Hij draagt een T-shirt, een short en
schoenen.
- Zijn kleren zijn blauw, oranje en rood.

- Oefening 5: ik draag… wat draag je?


- Welke kleur is je .. ?

- Oefening 6: het meisje. Wat draagt ze?

- Wat draagt de jongen?

Leçon 4
Objectif général :

Au terme de la leçon de 50 minutes, l’élève sera capable de décrire oralement les


vêtement que porte un camarade de classe en utilisant la structure « Hij/ze draag… »
et de dire de quelle couleur sont les vêtements en utilisant la structure « haar/zijn
(kleren) is/zijn (kleur) »

Activité 1 : EO : ‘rituels’

Objectif spécifique : l’élève sera capable de dire qu’il est présent, de dire comment il se sent, de
dire comment est le temps et de dire et écrire la date du jour en langue cible.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : /

- Goeiedag. Ik ben juffrouw Sonja en ik geef


jullie lessen dit week en na de ski.
- Aanwezig of afwezig?
- De datum. Wat is de datum? - Aanwezig.
- Dinsdag 12 februari 2019.
- Ja. - Mag ik de datum schrijven?
- Hoe voel je je? Naar links, naar rechts, voor
en achter.
- Herhaling: stap op. Ga naar links van je bank.
Ga naar rechts van je bank. Ga voor je bank.
Ga achter de bank.
- X, hoe voel je je, naar links.
- Etc.

Vraag aan iemand naar links “hoe voel je je?”

Antwoord op de vraag.
Activité 2 : EO : rappel

Objectif spécifique : en se regardant les uns les autres, les élèves seront capables de dire
oralement quel élève porte le vêtement demandé en utilisant la structure « hij/ze draagt… »

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 5 min

Matériel : /

- Sta op. Kijk jullie kleren.


- Wie draagt een vest?
- Ze/hij draagt een vest.
- Welke kleur is haar/zijn vest?
- Zijn/haar vest is …
- Wie draagt een trui?
- Ze/hij draagt een trui.
- Welke kleur is haar/zijn trui?
- Zijn/haar trui is …
- Wie draagt een hemd?
- Ze/hij draagt een hemd.
- Welke kleur is haar/zijn hemd?
- Zijn/haar hemd is …
- Wie draagt handschoenen?
- Ze/hij draagt handschoenen.
- Welke kleur zijn haar/zijn handschoenen?
- Wie draagt een T-shirt?
- Welke kleur is haar/zijn T-shirt? - Zijn/haar handschoenen zijn …
- Wie draagt laarzen? - Ze/hij draagt een T-shirt.
- Welke kleur zijn haar/zijn laarzen? - Zijn/haar T-shirt is …
- Wie draagt een sjerp of een sjaal? - Ze/hij draagt laarzen.
- Welke kleur is haar/zijn sjaal/sjerp? - Zijn/haar laarzen zijn …
- Ze/hij draagt een sjerp/sjaal.
- Zijn/haar sjaal/sjerp is …

Activité 3 : EO : CFC : mini projet « défilé »

Objectif spécifique : l’élève sera capable de citer oralement les vêtements décrivant tenue
vestimentaire et la couleur de chaque vêtement d’un camarade de classe lors d’un défilé organisé en
classe en utilisant la structure ‘hij/ze draagt…’, ‘zijn/haar (kleren) is/zijn (kleur)’.

Méthodologie Matière enseignée

Temps : 30 min

Matériel : vêtements

- Ik doe een voorbeeld. Hier zijn mijn kleren.


Ik geef je mijn kleren. Trek mijn kleren aan.
Draag mijn kleren.
- Ze draagt een muts, handschoenen, een rok
en een jas. Haar muts is wit, haar
handschoenen zijn zwart, haar rok is groen
en haar jas is grijs.
- Bregepen?
- X neem je kleren aan Y.
- Y trek de kleren aan.
- X. wat draagt Y?
- Welke kleur zijn haar/zijn kleren?

- Hij/ ze draagt …
- Zijn/ haar … is …