Vous êtes sur la page 1sur 15

Mannelijkheid en detentie

De waarde van mannelijkheidsstudies voor gevangenissociologie


Valesca Lippens Gender-criminologisch onderzoek bestaat voornamelijk uit studies naar vrouwelijke misdrijfplegers. Hoewel de verwevenheid van masculinities en criminaliteit internationaal al meer dan twee decennia gexploreerd wordt, werd dit sterk verwaarloosd in Nederlandstalig onderzoek. Dit artikel onderschrijft deze internationale kritiek en introduceert de mannelijkheidsbenadering in de Nederlandstalige penologie. Gevangenissen worden immers steevast omschreven als ultramasculiene settings (Toch, 1998), maar deze hypothese wordt zelden onderbouwd vanuit een genderperspectief. Mannelijkheid tentoonspreiden vormt nochtans d copingstrategie voor mannelijke gedetineerden (Jewkes, 2005). Dit hiaat wordt bediscussieerd op twee niveaus: (1) de operationalisering van het concept hegemoniale mannelijkheid en (2) een kritische analyse van bestaande inzichten over detentiebeleving, gevangeniscultuur en gevangenishirarchie vanuit een mannelijkheidsperspectief. Dit artikel wil de gangbare stereotypen inzake mannelijkheid aan de kaak stellen: klassieke penologische bevindingen zijn immers niet noodzakelijk valide vanuit genderperspectief (Evans & Wallace, 2008). We analyseren dan ook de meerwaarde van mannelijkheidsstudies voor de penologie. Prison is an ultramasculine world where nobody talks about masculinity. (Sabo e.a., 2001, 3) Gender is een belangrijk ordeningsprincipe dat een van de voornaamste voorspellers voor deviant gedrag uitmaakt (Heidensohn & Gelsthorpe, 2007). De enorme discrepantie tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke daders (in alle sectoren van de strafrechtelijke keten) wordt in de literatuur omschreven als het genderratio probleem in de criminaliteit. Maar als dit probleem in het verleden al onderzocht werd, gebeurde dit vooral vanuit het oogpunt van vrouwen. Hoewel mannen nochtans sinds het ontstaan van de criminologische wetenschap gezien worden als d te onderzoeken subjecten bij uitstek (criminaliteitsanalyses gebeurden zowel door als over mannen), wordt deze malestream-wetenschapsbeoefening gedurende lange tijd dus niet in vraag gesteld (Lippens, 2005). Hoewel het erg verdienstelijk is dat vrouwen door de feministen vanaf de jaren zestig en zeventig in de criminologische analyses werden gekatapulteerd, impliceert dit echter tegelijk dat gender gedurende de eerste decennia na de introductie van dit concept als het ware synoniem stond voor onderzoek naar vrouwen. Mannen leken als het ware geen gender te hebben, zij waren de norm waaraan vrouwelijk gedrag werd afgemeten, zonder meer.

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

433

Valesca Lippens

Toch menen wij dat het belang van het gender van mannen niet verwaarloosd mag worden. Om deze essentialistische onderzoeksvisie te hekelen en ook mannen als gegenderde onderzoekssubjecten te (h)erkennen, hebben we in navolging van Messerschmidt (1993) elders geopperd dat niet onderzocht moet worden waarin vrouwen zo verschillen van mannen in het plegen van criminaliteit, maar juist waarom mannen zoveel criminaliteit plegen in vergelijking met vrouwen (Lippens, 2010). Aldus worden mannen (en hun criminaliteit) niet langer als de norm gezien, waaraan vrouwen worden afgemeten in hun niet-conform zijn (Verschaeve, 1999). De mannelijkheidsstudies die vanaf de jaren tachtig ingang vinden, spelen daarbij een cruciale rol. Hoewel internationale wetenschappers intussen duidelijk het belang erkennen van mannelijkheid voor traditionele criminogene inzichten, hinkt de Nederlandstalige criminologie er duidelijk achteraan. De enorme hoeveelheid internationale literatuur die criminaliteit vanuit een mannelijkheidslens onder de loep neemt, heeft in Nederlandstalige tijdschriften immers nog geen ingang gevonden. Daarom introduceert dit artikel de mannelijkheidsbenadering in het Nederlandstalige penologische onderzoek met de volgende onderzoeksvraag: welke nieuwe inzichten dragen mannelijkheidsstudies bij aan traditionele gevangenissociologische inzichten (zoals gevangenishirarchie, detentiebeleving en gevangeniscultuur)? Of zoals Morgan (1992) suggereert: the re-examination of some classical texts within sociology in order to bring out the hidden stories about masculinity that they tell. Dit artikel wil de gangbare stereotypen inzake mannelijkheid aan de kaak stellen en het concept wetenschappelijk onderbouwen aan de hand van (voornamelijk Angelsaksische) literatuur. Het beoogt een operationalisering en conceptuele discussie van hegemoniale mannelijkheid1 (hegemonic masculinity Connell, 1987), een cruciaal begrip in Messerschmidts theorie van crime as structured action die specifiek werd ontwikkeld voor gender-criminologisch onderzoek (Messerschmidt, 1993; 1997). Dit raamwerk vormt doorgaans d operationalisering van mannelijkheid die in legio studies empirisch werd onderzocht en bekritiseerd. Deze bondige status quaestionis vormt de aanloop naar het tweede deel, waarin een brug geslagen wordt tussen genderstudies en de penologie. De vraag rijst immers of gangbare penologische bevindingen ook valide zijn vanuit een genderperspectief, aangezien onderzoek indiceert dat genderinzichten bepaalde penologische vooronderstellingen sterk ter discussie kunnen stellen (zie bijvoorbeeld Bandyopadhyay, 2006; Evans & Wallace, 2008; Hua-Fu, 2005; Jewkes, 2002; 2005; Seymour, 2003). We besluiten met de vraag naar de meerwaarde van mannelijkheidsstudies voor het penologische onderzoeksdomein. Over hegemoniale en ondergeschikte mannelijkheden Gender is een belangrijk ordeningsprincipe, dat samenhangt met macht. De introductie van het concept gender in de sociale wetenschappen laat dynamischere ana1 De auteur gebruikt normaal gesproken de term hegemonische mannelijkheid, maar voor de uniformiteit van het themanummer is hier gekozen voor hegemoniale mannelijkheid.

434

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

lyses toe dan de voordien gehanteerde categorie sekse, die louter op biologische verschillen duidt (Lippens, 2005). Gender impliceert kortweg de culturele invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid, die bepaald wordt op een bepaald moment binnen een gegeven sociale setting. In de jaren tachtig evolueerde het onderzoek naar mannelijkheid bijgevolg van het bestuderen van n kenmerk (de mannelijke sekserol) naar de vraag hoe mannen multipele mannelijkheden aanwenden (Schrock & Schwalbe, 2009). De publicatie van Tolsons The limits of masculinity (1977) was op dit vlak baanbrekend: het was de eerste bijdrage die gedetailleerd de sociale constructie van mannelijkheid bestudeerde vanuit de dominantie van machtige mannen over hun (relatief) machteloze soortgenoten. Voordien werd immers enkel de dominantie van mannen over vrouwen onderzocht, het zogenoemde patriarchaat (Jewkes, 2002), en was er nog geen aandacht voor machtsrelaties tussen mannen onderling. Vervolgens introduceerde Connell (1987) het concept hegemoniale mannelijkheid om dynamischere genderanalyses in de sociale wetenschappen mogelijk te maken. Hij paste de aan Gramsci ontleende notie van hegemonie, die duidt op de maatschappelijke onderdrukking van de arbeidersklasse, toe op genderverhoudingen. Zoals we verder ook bij Messerschmidt zullen zien, staat deze normatieve mannelijkheid steeds in verhouding tot andere ondergeschikte mannelijkheden en vrouwelijkheid. Connell pleit er dan ook voor om steeds de meervoudige term (masculinities) te gebruiken, die een veelheid aan bestaande mannelijkheden impliceert. De meeste (pro)feministische auteurs zijn het er vandaag inderdaad over eens dat de enkelvoudige vorm een biologische reductie van de werkelijkheid is, die evenzeer neigt naar essentialisme als de mannelijke sekserol. Vooral de interactie tussen diverse mannelijkheden is cruciaal: het concept (h)erkent namelijk dat ook mannen (en niet enkel vrouwen) onderdrukking kunnen ervaren ten gevolge van hun etnische achtergrond, hun seksuele en religieuze voorkeur, de klasse waartoe ze behoren, en andere verschilpunten (Jewkes, 2002).2 Gedurende de laatste twee decennia zijn heel wat boeken en artikelen verschenen die hegemoniale mannelijkheid als centraal uitgangspunt nemen. In het British Journal of Criminology verscheen er zelfs al in 1996 een themanummer over (Carlen & Jefferson, 1996), in Theoretical Criminology gebeurde dat in 2002.3 Volgens Connell (1987; 2005) bestaat er in westerse samenlevingen een historisch gevormde machtshirarchie, met de hegemoniale mannelijkheid aan de top (zijnde de blanke, heteroseksuele middenklasse) en een enorme variatie aan daaraan ondergeschikte mannelijkheden (minderheidsgroepen behorend tot een andere klasse, etnische origine, met een homoseksuele voorkeur, enz.). Hegemo2 3 In dit artikel wordt omwille van de leesbaarheid in het Nederlands meestal de enkelvoudige vorm gebruikt, hoewel ook wij expliciet het bestaan van meerdere mannelijkheden onderschrijven. Een exhaustief overzicht van de conceptuele discussie valt buiten het bestek van dit artikel, we schetsen slechts kort de belangrijkste punten om ze in een tweede deel op de gevangenissociologie toe te passen. Dit artikel kent bovendien een sociologische insteek; er zijn ook meer psychologische benaderingen van mannelijkheid, die hier wegens plaatsgebrek niet aan bod komen. Voor een extensief overzicht van bestaande theorien en onderzoek over mannelijkheden, zie Kimmel e.a., 2005; voor een uitgebreide samenvatting van de voornaamste discussiepunten en kritieken op hegemoniale mannelijkheid, zie Connell & Messerschmidt, 2005.

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

435

Valesca Lippens

niale mannelijkheid duidt dan op de cultureel gedealiseerde en verheerlijkte vorm van mannelijkheid in een bepaalde samenleving en op een gegeven tijdstip (Connell, 2005). Het is die vorm van mannelijkheid waarnaar dient gestreefd te worden en die zich op de sociale ladder onderscheidt van andere, ondergeschikte vormen van mannelijkheid en van vrouwelijkheid (Messerschmidt, 1997). Hegemoniale mannelijkheid is dus geen vooraf vaststaande categorie, maar omvat een set van karakteristieken die onderworpen is aan verandering. Een genderidentiteit is bijgevolg steeds een situationele verworvenheid en nooit een vaststaand of afgewerkt product (Messerschmidt, 1993).4 Een opmerkzaam lezer herkent hierin de structuratietheorie van Giddens (1976), die zowel de handelingen van actoren als de hun omringende structuren benadrukt. Dit impliceert evenwel niet dat de hegemoniale mannelijkheid de meest voorkomende vorm is in de maatschappij, noch dat elke man er noodzakelijkerwijze naar streeft. Wel dwingt het hegemoniale concept alternatieve vormen van mannelijkheid of vrouwelijkheid in ondergeschikte posities, waardoor het sociologische analyses van machtsverhoudingen mogelijk maakt. Mannen moeten in elke situatie steeds opnieuw bewijzen dat ze man zijn: ze construeren hun mannelijkheid in elke specifieke sociale setting, afhankelijk van hun of andermans verwachtingen over hoe een man hoort te zijn, uit een breed spectrum aan potentile mannelijkheden. Messerschmidt (1993; 1997) levert met zijn theorie van criminaliteit als gestructureerde actie een belangrijke verklaring voor de verwevenheid van gender en criminaliteit. Volgens hem kan net die sociale constructie van gender (en klasse en etniciteit) de grote discrepantie tussen mannelijke en vrouwelijke criminaliteitscijfers verklaren (het gender-ratio probleem in de criminaliteit). Hij past Connells hegemoniale concept toe op de criminologie, om aan te tonen dat de constructie van een dominante mannelijkheid mannen ertoe aanzet criminaliteit te plegen. Hij beroept zich daarbij ook op Giddens structuratietheorie (1976) en op een doing gender-perspectief (West & Zimmerman, 1987), dat cruciaal zal blijken in verder gender-criminologisch onderzoek. We doen namelijk actief aan gender (-agency) op basis van de sociale structuren waarbinnen we leven en dus rekening houdend met de mogelijkheden of beperkingen van elke unieke situatie. Mannen willen zich tijdens sociale interacties gedragen op een manier die aantoont dat ze echte mannen zijn, aan de hand van symbolen zoals specifiek mannelijk (macho)gedrag en uiterlijk statusvertoon. Bij gebrek aan andere mogelijkheden om hun mannelijkheid te bewijzen, kan criminaliteit voor bepaalde mannen een manier zijn om een mannelijke status en identiteit te bereiken. Criminaliteit is dan, eenvoudig gezegd, een alternatieve strategie om aan gender te doen en een mannelijke identiteit te verwerven. Criminaliteit plegen is dus niet louter een gevolg van de stereotiepe mannelijke sekserol (men is man en dus pleegt men criminaliteit, want dat hoort zo en is er inherent aan), maar het is een sociale prak4 Om verwarring te vermijden, willen we hier geenszins bedoelen dat alleen mannen een genderidentiteit kunnen ontwikkelen conform het voorgestelde theoretische raamwerk van Connell en Messerschmidt. Wel ligt de sterkte van deze theorie erin dat ze voor het eerst het gender van mannen als uitgangspunt neemt. Later werd dit ook voorzichtig toegepast op vrouwen, maar een bespreking daarvan valt gezien de bewuste keuze voor een mannelijkheidsinvalshoek buiten de insteek van dit artikel.

436

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

tijk die gehanteerd wordt om mannelijkheid te verwerven indien andere mogelijkheden daartoe ontbreken binnen een bepaalde sociale setting. Messerschmidt benadrukt wel dat er veel verschillende manieren bestaan om aan mannelijkheid te doen: criminaliteit plegen is er daar maar n van. Mannelijkheid is dus duidelijk afhankelijk van sociale interacties die uniek zijn en wordt telkens weer opnieuw afgewogen. Zo ook binnen de gevangeniscontext: gedetineerden maken specifieke keuzes in specifieke situaties en kiezen daarbij uit een variatie aan mannelijkheden. Volgens Messerschmidt is het cruciaal om deze sociale praktijken van gedetineerden nader te onderzoeken en te exploreren in welke mate mannelijkheid, samen met andere ordeningsprincipes zoals etniciteit, klasse en seksuele orintatie, de bestaande machtsrelaties benvloedt. Alvorens we dit verder exploreren, willen we er nog op wijzen dat het concept hegemoniale mannelijkheid en de theorie van Messerschmidt in legio studies als raamwerk werden gehanteerd, verfijnd en verdiept, maar eveneens bekritiseerd. Kritiek kwam er voornamelijk vanuit psychosociale hoek (Jefferson, 2002) op het feit dat hegemoniale mannelijkheid een nogal eng beeld weergeeft van een aantal negatieve karakteristieken waaraan mannen lijken te moeten voldoen (Collier, 1998; Hearn, 2004). Maar ook vanuit meer sociologisch-theoretische hoek rezen belangrijke vraagtekens bij de empirische toepasbaarheid van het concept (zie bijvoorbeeld Beasley, 2008; Demetriou, 2001; Hall, 2002). Messerschmidt noch Connell schuwden een constructieve reactie op de empirische toepassing en verfijning van hun raamwerk (Connell, 2002; Messerschmidt, 2002; 2008; 2009). In 2005 leidde dit zelfs tot een conceptuele herformulering door henzelf (Connell & Messerschmidt, 2005). De institutionalisering van hegemoniale mannelijkheid werd verder nog onderzocht op vele andere gebieden,5 maar de meest bij gevangenissociologische literatuur aanleunende analyse gebeurde in een psychiatrische instelling, waar het ontwikkelen van hegemoniale mannelijkheid binnen een dergelijke totale institutie onder de loep werd genomen (Leyser, 2003). We concentreren ons in het tweede deel van dit artikel dan ook op de invloed van hegemoniale mannelijkheid binnen een detentiesetting. In the mix: traditionele gevangenissociologische inzichten en mannelijkheidsstudies Aspecten van het gevangenisleven werden traditioneel bijna steeds onderzocht vanuit het standpunt van mannelijke gedetineerden (Newton, 1994). Het gebrek aan onderzoek naar vrouwen en detentie werd vaak ingegeven door hun kleine aandeel in de totale gevangenisbevolking. Het is inderdaad een continu gegeven, zowel in tijd als ruimte, dat nagenoeg 90 tot 95 procent van de gevangenisbevolking uit mannen bestaat (Lippens e.a., 2009). Toch werd de complexe masculiene aard van de gevangenissetting zelden onderzocht vanuit een specifiek genderperspectief en dit vormt een belangrijk hiaat in gevangenis-sociologisch onderzoek.
5 Een uitgebreid literatuuroverzicht over de institutionalisering van hegemoniale mannelijkheid kan aangevraagd worden bij de auteur.

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

437

Valesca Lippens

Sim pleitte er nochtans al in 1994 voor: het is hoog tijd om de gedetineerden als man te onderzoeken, eerder dan gedetineerden die toevallig man zijn. Aangezien het merendeel van de penologische studies het gender van hun onderzoekssubjecten niet problematiseert of zelfs op zijn minst in overweging neemt (Jewkes, 2002), willen we mannelijkheid in deze bijdrage expliciet centraal plaatsen. We zijn er immers van overtuigd dat een gendergevoelige analyse een aantal traditionele inzichten6 uit de gevangenissociologie naar een hoger niveau kan tillen. De gevangenissetting staat bekend als een institutie die extreem gegenderd is (Jewkes, 2002; Newton, 1994; Phillips, 2001; Seymour, 2003) met een totalitair karakter (Goffmann, 1961). In de literatuur worden gevangenissen dan ook steevast voorgesteld als hypermasculiene settings (Toch, 1998), maar het is cruciaal dat onderzoek hieromtrent vertrekt vanuit een genderperspectief dat voorbijgaat aan common sense-vooronderstellingen. Steeds meer onderzoekers lijken dan ook het belang van mannelijkheden binnen de gevangenissetting in te zien (zie onder meer Bandyopadhyay, 2006; Evans & Wallace, 2008; Hua-Fu, 2005; Jewkes, 2002; 2005; Karp, 2010; Lutze & Murphy, 1999; Newton, 1994; Seymour, 2003). Om de werkelijke betekenis van mannelijkheid voor gedetineerden in de diepte te kunnen analyseren, opteert het merendeel onder hen voor kwalitatief en bij voorkeur etnografisch onderzoek. Aan de oppervlakte lijkt het leven binnen de muren immers extreem mannelijk te verlopen, dat is meteen ook de reden waarom een hypermasculiene gevangeniscultuur als de normale gang van zaken beschouwd wordt in de meeste gevangenisstudies die niet specifiek vanuit een genderperspectief vertrekken (Evans & Wallace, 2008). Dit stereotiepe beeld over het gevangenisleven wordt ook duidelijk zo naar voren geschoven in de media (Jewkes, 2002). Gendergevoelig onderzoek kan echter een diepgaandere, emotionelere en complexere private levenssfeer in de gevangenis blootleggen, die evenwel achter de schermen in het veilige cocon van de eigen cel plaatsvindt, maar ontegensprekelijk bestaat (Evans & Wallace, 2008). De pains of imprisonment revisited door een genderbril: deprivatie, import of integratie? Dat gevangenissen gewelddadige mannen herbergen, is wellicht weinig nieuws, maar de precieze aard van de machocultuur, de mate waarin zij bepaald wordt door de depriverende gevangenissetting dan wel gemporteerd wordt binnen de muren door gedetineerden en de precieze wijze waarop machtsrelaties gecreerd en bestendigd worden, dient nog uitvoerig te worden onderzocht (Jewkes, 2002). Traditionele gevangenisonderzoeken vertrekken immers vaak vanuit de vraagstelling of aanpassing aan het gevangenisleven vooral gebeurt op basis van de depriverende gevangenissetting, dan wel gefundeerd is op kenmerken, eigenschappen en denkbeelden die vanuit de buitenwereld binnen de muren gemporteerd wor6 We willen erop wijzen dat dit artikel geenszins een volledige genderanalyse van detentiebeleving, gevangenishirarchie en -cultuur ambieert: het gaat hier immers om een relatief nieuw onderzoeksdomein, waar nog heel wat pistes onderzocht dienen te worden. Wel willen we de lezer een overzicht verschaffen van de belangrijkste bestaande inzichten binnen de mannelijkheidsgeorinteerde gevangenissociologie.

438

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

den (Lippens e.a., 2009). Dit is tevens een bijzonder interessant raamwerk voor onderzoek naar gevangenismannelijkheden. Ook op dit vlak zijn auteurs het niet eens over de vraag of mannelijkheid vooral gevormd wordt op basis van de pains of imprisonment (Sykes, 1958), dan wel rechtstreeks gemporteerd wordt vanuit de buitenwereld (Irwin & Cressey, 1962). We exploreren hierna de belangrijkste bevindingen uit de huidige mannelijkheidsgeorinteerde gevangenissociologie. Newton (1994) opent de discussie over prison masculinities en herinterpreteert het werk van Sykes (1958) om het bestaan van mannelijkheid in de gevangenisgedragscode aan te tonen en meer algemeen de invloed ervan op machtsrelaties in de gevangenis. Hij (h)erkende toen immers als eerste al het belang van mannelijkheid binnen de gevangeniscontext, maar zijn werk kwam niet vanuit een bredere mannelijkheidstheorie tot stand. Newton toonde succesvol aan hoe het raamwerk van de pains of imprisonment kan toegepast worden op de studie van hedendaagse gevangeniscultuur. Volgens haar is het namelijk niet toevallig dat de rollen en hirarchie in de gevangenis direct gerelateerd zijn aan mannelijkheid. In de gevangenissetting bestaan inderdaad weinig mogelijkheden om aan de traditionele, in de buitenwereld geldende normen voor mannelijkheid te voldoen: gedetineerden hebben weinig middelen, zijn grotendeels gedepriveerd van heteroseksuele contacten, kunnen zich niet of beperkt onderscheiden aan de hand van statussymbolen zoals kleding en goederen, ze hebben slechts een beperkte autonomie, geen vrijheid, en de meesten onder hen hebben geen of een beperkte opleiding genoten en behoren tot een etnische minderheidsgroep. De link tussen de pains of imprisonment en mannelijkheid is dus niet veraf: gedetineerden die hun mannelijkheid willen manifesteren, kunnen zich enkel beroepen op de daartoe beperkte bronnen (Karp, 2010). Een uitvergrote, hypermannelijkheid, waarvan sprake in vele gevangenisstudies, wordt dus geconstrueerd om aan de pains tegemoet te komen en deze copingstrategie wordt gereflecteerd in de gedragscode van gedetineerden (Sabo e.a., 2001): er wordt duidelijk voorgeschreven hoe zij zich als een echte man dienen te gedragen. Toch (1998) observeerde bijvoorbeeld dat waardige mannen zich letterlijk met man en macht en veel uiterlijk vertoon en agressie verdedigen tegen vervrouwelijkte of ondergeschikte medegedetineerden en zo de macht over hen verwerven. Machtsverwerving in de gevangenissetting heeft dus overduidelijk ook te maken met beelden over hoe mannen en vrouwen horen te zijn, en dus met hegemoniale en ondergeschikte mannelijkheden. Een harde reputatie manifesteren bij het toetreden tot totale instituties lijkt dan ook noodzakelijk (Jewkes, 2002). In dat opzicht denken we ook aan de inwijdingsrituelen waaraan nieuwkomers onderworpen worden om hun mannelijkheid te testen: indien zij dit succesvol doorstaan, worden zij relatief aanvaard door de medegedetineerden; zo niet, dan wordt het nieuws over hun zwakke reputatie verspreid en valt de nieuwkomer mogelijks ten prooi aan agressievere lotgenoten (Grapendaal, 1990). Hoewel de deprivatie van veiligheid een van de minst onderzochte pains is, vormt de angst voor persoonlijke veiligheid toch een van de belangrijkste bekommernissen bij gedetineerden. Onderzoek toont aan dat tot zelfs 86 procent van de gedetineerden zich onveilig voelt (Scraton e.a., 1991). Rekening houdend met methodologische beperkingen en de machocultuur die dergelijke toegevingen afkeurt,

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

439

Valesca Lippens

vormen deze cijfers wellicht nog een ondervertegenwoordiging van de werkelijk ervaren onveiligheidsgevoelens. Daarnaast kan deze hypermannelijke identiteit volgens Jewkes (2002) teruggebracht worden tot het gebrek aan vrouwen in de depriverende gevangenissetting. De deprivatie van heteroseksuele contacten vormt inderdaad een belangrijke belemmering tijdens de detentie: sommige auteurs gaan zelfs zover dat zij de detentie op dat vlak als een fysieke castratie bestempelen (Segal, 1990; Sykes, 1958). Bij gebrek aan mogelijkheden tot heteroseksualiteit (het hart van de hegemoniale mannelijkheid) binnen de muren, zoeken zij heil in andere mannelijkheidsstrategien, zoals overdreven machogedrag, het opsmukken van hun verhalen, extreem sporten tot zelfs meer radicaal het verkrachten van medegedetineerden (Jewkes, 2002). Het lijkt trouwens interessant om in dat opzicht de invloed van de intrede van vrouwelijke bewaarders na te gaan. Jewkes onderzoek is gebaseerd op de hypothese dat de psychologische overlevingskracht van een gevangenisstraf samenhangt met de mogelijkheid van de gedetineerde om twee aparte identiteiten te creren. Enerzijds moeten ze hun eigen zelfbeeld behouden en beschermen, dat al bestond voor de gevangenisstraf en onafhankelijk is van hun identiteit als gedetineerde. Anderzijds moeten zij kunnen terugvallen op een reeks strategien, middelen en ervaringen om een publieke gevangenisidentiteit te creren, die hen in staat stelt om erbij te horen binnen de muren. Aangezien de meerderheid van de gedetineerden afkomstig is uit de lagere klasse, zijn het dan ook voornamelijk de daar geldende normen en waarden die toonaangevend zijn binnen de muren: agressie, een echte man zijn, machogedrag, enz. zijn dus schering en inslag. Daarom moeten gedetineerden die willen overleven vaak een harde, extremere mannelijke identiteit aannemen dan hun werkelijke, vr de gevangenisstraf geldende genderidentiteit7 en dat kan volgens Jewkes een enorme druk veroorzaken. Sommigen gaan immers zodanig ver in het conformeren aan de dominante mannelijkheidsidealen, dat ze zichzelf s avonds wanneer ze alleen op cel zitten, niet meer in de spiegel kunnen bekijken. Als ze evenwel over die gevoelens en strategien bevraagd worden door onbevooroordeelde outsiders (zoals onderzoekers), brokkelt dat pseudozelfbeeld dat ze tijdens interacties ophangen langzaam af en komt hun ware genderidentiteit boven. Sommigen onder hen blijken zelfs dankbaar dat ze tijdens die bevraging eindelijk weer zichzelf kunnen zijn en hun masker kunnen laten vallen (Jewkes, 2005). Een masker opzetten is een bekende copingstrategie (Sykes, 1958), maar ook daar is de link met mannelijkheid dus niet veraf. Paradoxaal genoeg kunnen homoseksuele contacten voor sommige gedetineerden inderdaad de normatieve, maar ontbrekende heteroseksualiteit vervangen. Dat wordt dan een strategie om hun mannelijke identiteit te bewijzen, wat binnen de muren relatief aanvaard wordt, in tegenstelling tot in de buitenwereld. Ondanks de relatieve normalisering van homoseksuele contacten staan ook heel wat gedetineerden er weigerachtig tegenover en
7 Uit onderzoek (Jewkes, 2002) blijkt dat mannelijke gedetineerden vaak een andere genderidentiteit aannemen tijdens interacties met hun medegedetineerden dan hun werkelijke opvattingen over hoe mannen en vrouwen horen te zijn die overigens slechts aan bod komen wanneer ze alleen op cel zitten.

440

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

maakt dit het gevangenisleven extreem onvoorspelbaar, afschrikwekkend en bevreemdend, in het bijzonder voor nieuwe gedetineerden (Jewkes, 2002). Toch erkennen de meesten van deze auteurs ook het belang van sociale en culturele factoren die in de buitenwereld gelden en binnen de muren worden gemporteerd. Het verlangen om mannelijkheid te bewijzen, dat frequent leidt tot crimineel gedrag en bestraffing, kan dan op zich een voorwaarde zijn voor een succesvolle aanpassing binnen de muren (Jewkes, 2002). Maar niet elke gedetineerde voldoet aan het ideaal van de hegemoniale mannelijkheid: meer nog, het begrip staat enkel op zich als het afgewogen wordt tegenover de onderdrukte versies van mannelijkheid waartegen het zich afzet. Ook Newton (1994) stelt vast dat er meerdere vormen van mannelijkheid onderschreven worden in de gevangenisgedragscode. Mannelijkheid blijkt een cruciale factor te zijn voor de machtsrelaties onder gedetineerden: hegemoniale en ondergeschikte mannelijkheden kunnen duidelijk teruggevonden worden in de informele structuren van de gevangenishirarchie en vormen mogelijk een van de belangrijkste verklaringen voor de opvallende, wereldwijde gelijkenissen tussen mannelijke gevangenissen. Hard zijn, je medegedetineerden niet verraden, een echte man zijn, enz. zijn gedragsvoorschriften die quasi unaniem gelden, niet alleen binnen de gevangenissetting, maar ook daarbuiten. Daarom beschouwt Newton de culturele genderidentiteit die gedetineerden importeren in de gevangenis cruciaal voor hun detentiebeleving en hun aanpassing intra muros. Ook Sabo e.a. (2001) zien het gedrag van mannelijke gedetineerden niet als een unicum, maar als een uitvergrote weerspiegeling van de hegemoniale mannelijkheid die in de bredere maatschappij geldt. Een extreme, uitvergrote mannelijke identiteit creren is voor velen dan ook d copingstrategie bij uitstek om te kunnen omgaan met de door de arbeidersklasse gedomineerde gevangeniscultuur (Jewkes, 2005). Hoewel Jewkes benadrukt dat zij hiermee geenszins veronderstelt dat enkel laaggeschoolden criminaliteit als strategie aanwenden om mannelijkheid te verwerven en in de gevangenis belanden, lijkt het haar desalniettemin waarschijnlijk dat degenen die wel worden veroordeeld een masculiene ideologie en subcultuur importeren die hen voorbereidt op het harde leven binnen de muren (Jewkes, 2002). Het dient natuurlijk nader te worden onderzocht in hoeverre er sprake kan zijn van n hypermasculiene subcultuur die wordt gemporteerd, want het lijkt evenzeer plausibel dat ook andere subculturen binnensijpelen in de gevangenissetting. Over die invloed en de heterogeniteit van de mannelijke gevangenispopulatie is nog veel te weinig geweten. Ook Sim (1994) vond hier duidelijke bewijzen van in zijn analyse van de gevangenishirarchie. Seksuele delinquenten bijvoorbeeld, staan binnen de gevangenismuren traditioneel helemaal onderaan de sociale ladder, omdat zij ingaan tegen de conventionele heteroseksuele mannelijke normen (geen seksueel geweld plegen op kinderen). Dat maakt hen kwetsbaar voor (seksuele) tentoonspreiding van mannelijkheid door medegedetineerden. De dagelijkse realiteit van gedetineerden bestaat uit geweld, dat dient tot de herbevestiging van de sociale hirarchie, elke dag weer opnieuw. Het geweld tussen gedetineerden staat daarbij symbool voor een vijandige mannelijkheid. De hirarchie weerspiegelt dan de gevangeniscultuur en vormt een spectrum met geweldplegers helemaal bovenaan als d mannen der mannen en de seksuele delinquenten helemaal onderaan de sociale ladder, als

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

441

Valesca Lippens

antithese van wat als mannelijk wordt aangezien. Carrabine (2004) ziet dit bevestigd in zijn analyse van rellen in de Strangeway-gevangenis: seksuele delinquenten werden er gesegregeerd voor hun eigen bescherming en waren met andere woorden onderworpen aan een patriarchale vertoning van macht en dominantie vanuit het systeem, omdat zij als de meest kwetsbare groep in de gevangenisgemeenschap gezien worden. Het is wel de vraag in hoeverre geen opdeling dient gemaakt te worden naargelang het soort seksuele delinquenten. De alomtegenwoordige gevangenishirarchie waarbij de agressieve alfaman zich bovenaan en de seksuele delinquenten zich onderaan de sociale ladder bevinden, is erg voor de hand liggend en heeft ook te maken met wat algemeen in de maatschappij verworpen wordt. Maar het heeft dus ook duidelijk te maken met mannelijkheid, dominantie en onderdrukking. Alleen bestaan mannelijkheid en macht binnen de gevangeniscontext dus niet zozeer uit het onderdrukken van vrouwen, dan wel van minder machtige medegedetineerden. Jewkes (2002) spreekt in dit opzicht dan ook van fratriarchaat, eerder dan van patriarchaat. Er is duidelijk nog heel wat discussie over de impact van depriverende gevangeniskenmerken enerzijds en sociale en culturele factoren uit de buitenwereld anderzijds op gevangenismannelijkheden. Zowel agency als structuren lijken een cruciale rol te spelen bij de detentiebeleving, gevangeniscultuur en gevangenishirarchie. Net zoals in de traditionele gevangenisstudies lijkt het tentoonspreiden van mannelijkheid zowel een reflectie van bredere sociale normen als een antwoord op de unieke kenmerken van de gevangenisomgeving (Jewkes, 2002). Een integratieve benadering van structurele determinanten en normen uit de bredere samenleving lijkt bijgevolg aan de orde. Dit sluit aan bij het integratiemodel dat zowel aspecten van het deprivatie- als het importdebat in overweging neemt bij analyses over het gevangenisleven (Grapendaal, 1990; Snacken, 2006). Discussie: veranderende mannelijkheden in detentiecontext? De sociale orde in een gevangenissetting wordt niet enkel gereproduceerd door organisatorische regels en beslissingen, maar ook en niet in het minst door een diep ingebed discours over mannelijkheden en vrouwelijkheden (Newton, 1994). Het lijkt dan ook allesbehalve toevallig dat de rollen en hirarchie in een gevangenissetting bepaald worden door mannelijkheidscodes. Hoewel de mannelijke status uit de buitenwereld in al zijn facetten ondermijnd wordt binnen de muren van de gevangenis, wordt mannelijkheid er duidelijk veruiterlijkt door middel van hirarchische relaties. Dit wordt vertaald in een sterk masculiene gedragscode waarbinnen continu aan mannelijkheid wordt gedaan (doing gender). Op basis van de op een bepaald moment geldende regels in een bepaalde gevangenissetting wordt mannelijkheid continu geconstrueerd. Er kunnen dan ook duidelijke mannelijkheidspatronen geobserveerd worden in de dagelijkse gevangenispraktijk. De daar bestaande genderverhoudingen en een sterk gegenderd discours (Hua-Fu, 2005) insinueren daarnaast ook dat de sociale werkelijkheid en de gedragscodes binnen een dergelijke totale institutie gevormd en benvloed worden door reeds bestaande opvattingen over mannelijkheid. Zo bestaan er heel wat variaties op

442

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

gevangenismannelijkheden: er zijn bijvoorbeeld ratten (die verraad plegen), handelaars (die handeltjes opzetten in allerlei middelen) en gorillas (die geweld of bedreiging gebruiken om hun belangen af te dwingen). Er worden dus overduidelijk sociaal georganiseerde machtsrelaties ontwikkeld tussen gedetineerden op basis van hun mannelijkheid, met verkrachting als ultieme strategie om mannelijke dominantie te verwerven, waarbij de slachtoffers letterlijk worden ontmannelijkt en vrouwen worden genoemd (Messerschmidt, 2001). Een gelijkaardige conclusie vindt men bij Bandyopadhyay (2006), die etnografisch onderzoek deed in een Indiase gevangenis. Ook zij observeert een gevangenishirarchie die verschillende vormen van mannelijkheid reflecteert. Toch nuanceert ze ook enkele traditionele bevindingen: hoewel de hirarchische positie van een gedetineerde inderdaad gewoonlijk bepaald wordt door diens situering tussen de gewelddadige gedetineerde bovenaan de sociale ladder en de seksdelinquent die er onderaan bengelt, spelen ook andere, niet noodzakelijk observeerbare criteria mee. Naast de traditionele agressieve gevangenismannelijkheid beschrijft ze ook andere dominante vormen van mannelijkheid die de macht verwerven en analyseert ze hoe gedetineerden omgaan met hun minderwaardige mannelijkheidsgevoel. Daarbij blijkt er niet zozeer sprake van ondergeschikte mannelijkheden, dan wel van concurrerende en varirende mannelijkheden. Met deze fundamentele kritiek werkt zij een belangrijke aanvulling uit op de conceptuele discussie rond hegemoniale mannelijkheid. Bandyopadhyay vond twee complementaire, duidelijk niet aan elkaar ondergeschikte vormen van hegemoniale mannelijkheid terug: (1) de stereotiepe, agressieve, niet-meewerkende gevangene die door zijn uiterlijk vertoon het respect en de macht verwerft, en (2) de modelgevangene, die er succesvol in slaagt de regels te manipuleren en macht krijgt door bevoorrechte relaties aan te gaan met medegedetineerden en bewaarders, gebaseerd op wederzijds respect in plaats van geweld. Deze positie verleent hun toegang tot inside-informatie in het functioneren van de gevangenis. Een nieuwe, complementaire hegemoniale mannelijkheid ontwikkelt zich aldus binnen de muren: deze mannelijkheid is ook dominant, want ze verwerft macht, maar het is een vernieuwde invulling van de notie dominantie, aangezien zij niet langer op de traditionele agressie gefundeerd is. Natuurlijk zijn er ook gedetineerden die zich daartegen afzetten: de rebelse en agressieve typische gedetineerden vinden deze modelgedetineerden meelopers die hun individualiteit en mannelijkheid verloochenen door te gehoorzamen. Zij veroorzaken traditioneel meer problemen, maar belichamen daardoor net die andere vorm van gedealiseerde mannelijkheid die onafhankelijkheid vooropstelt. In hoeverre deze complementaire mannelijkheden ook bij ons bestaan, dient nog verder gexploreerd te worden. Conclusie Op basis van voorgaande inzichten is het legitiem om de wenselijkheid in te vraag te stellen van het onderbrengen van mannen in ultramannelijke gevangenissettings die agressieve interacties en stereotiepe sekserolgedragingen aanmoedigen (Lutze & Murphy, 1999). Of gevangenissen nu bedoeld zijn om te straffen, dan

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

443

Valesca Lippens

wel te rehabiliteren, hun primaire doel is criminaliteitspreventie. De gevangenissetting die bermannelijkheid verheerlijkt, lijkt echter een averechts effect te ressorteren (Sim, 1994). Hoewel er nog veel onduidelijkheden bestaan over de invloed van het importeren van gedrag van buitenaf en de invloed van (deprivatie tijdens) de detentie zelf, concluderen onderzoekers dat de gevangenis destructieve vormen van mannelijkheid (re)produceert. Sommigen spreken in dit opzicht van toxic masculinity. Er bestaat zelfs onderzoek naar interventieprogrammas die deze toxische gevangenismannelijkheid willen aanpakken, door gedetineerden aan het eind van hun straf opnieuw mannelijkheidspatronen aan te leren die asociaal gedrag ontraden en hen confronteren met het hypermasculiene karakter van het gevangenisleven (Karp, 2010; Toch, 1998). Investeren in dergelijke sensibiliserende programmas lijkt zinvol om de rehabiliterende functie van de gevangenis te optimaliseren en bijkomende detentieschade zo veel mogelijk te beperken. Meer onderzoek is echter aan de orde om de werkelijke bermannelijke aard van de gevangenis te achterhalen. Het mag intussen wel duidelijk wezen dat hegemoniale mannelijkheid cruciaal is om macht te verwerven in een gevangenissetting en dat heel wat traditionele penologische bevindingen verklaard en verfijnd kunnen worden door deze genderbril. Gender biedt een belangrijk vernieuwend perspectief op traditionele gevangenissociologische concepten zoals gevangenishirarchie en andere common sense-kennis. Zo kan de lage status van seksuele delinquenten bijvoorbeeld perfect verklaard worden vanuit stereotiepe, hegemoniale mannelijkheidsbeelden. Hetzelfde voor de nieuwkomer die zich meteen moet bewijzen om een mannelijke status te verwerven. Inzichten uit mannelijkheidsstudies kunnen gevangenisculturen dus nog gedetailleerder ontrafelen en verklaren. De beperkte studies die voorhanden zijn, wijzen inderdaad uit dat de gevangenis een totale institutie is die gedomineerd wordt door een discours van absolute mannelijkheid en gekenmerkt wordt door een duidelijk gegenderde hirarchie, niet enkel tussen bewaarders en gedetineerden, maar ook tussen de mannelijke gedetineerden onderling. Het dagelijkse leven intra muros wordt dus niet alleen bepaald door kenmerken eigen aan de individuen, maar ook meer fundamenteel door hun positie als man ten opzichte van de andere mannelijke gedetineerden. In dat opzicht wordt er tegenwoordig dan ook uitgegaan van een integratieve benadering, die structurele depriverende aspecten van de detentie combineert met gemporteerde kenmerken van gedetineerden, waarbij de mannelijkheidsinvalshoek bijzonder interessant blijkt. Daarnaast is het zinvol om de verschillende bevindingen uit dit relatief nieuwe onderzoeksdomein tegen elkaar af te zetten en te toetsen in welke mate alternatieve hegemoniale mannelijkheden ook in onze gevangenissen ontwikkeld worden. Vaak wordt namelijk verondersteld dat slechts n vorm van hegemoniale mannelijkheid getolereerd wordt en aan de macht is, zijnde die van de stoere, agressieve alfaman. Meerdere studies wijzen echter uit dat dit niet d realiteit binnen de muren is. Integendeel, een veelvoud aan complementaire dominante mannelijkheden wordt onderscheiden en subjecten blijken hun identiteit continu te construeren en aan te passen (Bandyopadhyay, 2006; Hua-Fu, 2005; Jewkes, 2002). Dit sluit aan bij de theorie van Messerschmidt (1993), namelijk dat man-

444

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

nen aan mannelijkheid doen (doing masculinity) afhankelijk van de sociale situatie waarin ze zich bevinden. Hoewel al heel wat studies gefocust hebben op hegemoniale mannelijkheid, hebben we gedocumenteerd dat er nog steeds veel stof opwaait over de conceptuele discussie, waardoor de notie regelmatig wordt verfijnd. Het is een gemiste kans dat Nederlandstalige criminologen zich geen stem toe-eigenen in dit internationale debat dat intussen toch al twee decennia hevig woedt. Bovendien valt er nog veel te leren over hoe hegemoniale mannelijkheid specifiek vorm gegeven wordt binnen de detentiecontext. Het is trouwens maar de vraag in welke mate deze voornamelijk Angelsaksische bevindingen ook opgaan binnen een Nederlandstalige detentiecontext, want zij kunnen uiteraard niet zonder meer getransponeerd worden. Een constructivistische benadering die vertrekt vanuit een specifiek genderperspectief kan toelaten om ook hier tot een meer fijnmazige en genuanceerde analyse te komen van gevangenissubculturen. Kwalitatief en bij voorkeur etnografisch onderzoek lijkt ons daartoe cruciaal en daarin ligt meteen ook de uitdaging van het gender van de onderzoeker. In welke mate dit een impact heeft op etnografische studies naar gevangenismannelijkheden, is tot op heden amper onderzocht en vormt eveneens een interessante onderzoekspiste. Concluderend kunnen we stellen dat hoewel het concept hegemoniale mannelijkheid reeds veelvuldig werd onderzocht en ook al (hetzij beperkt) in gevangenissociologische studies aan bod kwam, er toch nog heel wat pistes voor nader onderzoek voorhanden blijven. Zo is etnografisch onderzoek in het bijzonder noodzakelijk om na te gaan hoe diep het hegemoniale mannelijkheidsgedachtegoed ingebed zit in de dagelijkse gevangenisrealiteit. Op welke manier bepaalt het mede de dagelijkse interacties, de hirarchie en de gevangeniscultuur, de gedragscode over hoe gedetineerden zich horen te gedragen binnen de muren, de seksualiteitsbeleving en de identiteitsvorming van gedetineerden? Is er werkelijk sprake van een hypermannelijke gevangeniscultuur? Op welke manier zit gender ingebed in de andere lagen van de gevangenisorganisatie? In welke mate speelt het gender van de onderzoeker een rol in het onderzoeksproces binnen de muren? Dit zijn slechts enkele mogelijke onderzoekspistes die hopelijk in de toekomst (en ook in onze contreien) nader bestudeerd worden, zodat een verdere verfijning van de conceptuele discussie vanuit het gevangenisstandpunt mogelijk wordt en ook Nederlandstalige criminologen er eindelijk een stem in krijgen. Literatuur
Bandyopadhyay, M. (2006). Competing masculinities in a prison. Men and Masculinities, 9(2), 186-203. Beasley, C. (2008). Rethinking hegemonic masculinity in a globalizing world. Men and Masculinities, 11(1), 86-103. Carlen, P. & Jefferson, T.E. (eds.) (1996). British Journal of Criminology. Special Issue Masculinities and crime, 33 (6). Carrabine, E. (2004). Power, discours and resistance. A genealogy of the Strangeways prison riot. Aldershot: Ashgate Publishing. Collier, R. (1998). Masculinities, crime and criminology. London: Sage.

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

445

Valesca Lippens

Connell, R.W. (1987). Gender and power. Cambridge, UK: Polity Press. Connell, R.W. (2002). On hegemonic masculinity and violence. Response to Jefferson and Hall. Theoretical Criminology, 6(1), 89-99. Connell, R.W. (2005). Masculinities. Cambridge, UK: Polity Press. Connell, R.W. & Messerschmidt, J.W. (2005). Hegemonic masculinity. Rethinking the concept. Gender & Society, 19(6), 829-859. Demetriou, D. (2001). Connells concept of hegemonic masculinity. A critique. Theory and Society, 30(3), 337-361. Evans, T. & Wallace, P. (2008). A prison within a prison? The masculinity narratives of male prisoners. Men and Masculinities, 10(4), 484-507. Giddens, A. (1976). New rules of sociological method. A positive critique of interpretative sociologies. London: Hutchinson. Goffmann, E.. (1961). Asylums. New York: Doubleday Anchor. Grapendaal, M. (1990). The inmate subculture in Dutch prisons. British Journal of Criminology, 30, 341-355. Hall, S. (2002). Daubing the drudges of fury. Men, violence and the piety of the hegemonic masculinity thesis. Theoretical Criminology, 6(1), 35-61. Hearn, J. (2004). From hegemonic masculinity to the hegemony of men. Feminist Theory, 5(1), 49-72. Heidensohn, F. & Gelsthorpe, L. (2007). Gender and crime. In: M. Maguire, R. Morgan & R. Reiner (eds.), The Oxford handbook of criminology. Oxford: Oxford University Press, 381-420. Hua-Fu, H. (2005). The patterns of masculinity in prison. Critical Criminology, 13(1), 1-16. Irwin, J. & Cressey, D.R. (1962). Thieves, convicts, and the inmate subculture. Social Problems, 54, 590-603. Jefferson, T. (2002). Subordinating hegemonic masculinity. Theoretical Criminology, 6(1), 63-88. Jewkes, Y. (2002). Captive audience. Media, masculinity and power in prisons. Collumpton: Willan. Jewkes, Y. (2005). Men behind bars. Doing masculinity as an adaptation to imprisonment. Men and Masculinities, 8(1), 44-63. Karp, D. (2010). Unlocking men, unmasking masculinities. Doing mens work in prison. The Journal of Mens Studies, 18(1), 63-83. Kimmel, M., Hearn, J. & Connell, R.W. (2005). Handbook on studies on men and masculinities. Thousand Oaks: Sage. Leyser, O. (2003). Doing masculinity in a mental hospital. Journal of Contemporary Ethnography, 32(3), 336-359. Lippens, V. (2005). Mannelijkheid vanuit criminologisch perspectief. Een theoretische verkenning. Brussel: Vrije Universiteit Brussel. Lippens, V. (2010). Over mannelijke daders n slachtoffers. Een gendergevoelige benadering van criminaliteit. In: E. Schandevyl, S. Bollen & M. De Metsenaere (red.), In haar recht. Vrouwe Justitia feministisch bekeken. Brussel: VUBPress, 107-121. Lippens, V., Nuytiens, A. & Scheirs, V. (2009). Different profiles, different pains! Diversiteit en detentiebeleving: nood aan een gedifferentieerde strafuitvoering? In: T. Daems, L. Robert, P. Pletincx, V. Scheirs, A. Van de Wiel & K. Verpoest (red.), Achter tralies in Belgi. Gent: Academia Press, 113-144. Lutze, F.E. & Murphy, D.W. (1999). Ultramasculine prison environments and inmates adjustment: Its time to move beyond the boys will be boys paradigm. Justice Quarterly, 16(4), 709-733.

446

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

Mannelijkheid en detentie

Messerschmidt, J.W. (1993). Masculinities and crime. Critique and reconceptualization of theory. Lanham: Rowman and Littlefield. Messerschmidt, J.W. (1997). Crime as structured action. Gender, race, class and crime in the making. Thousand Oaks: Sage. Messerschmidt, J.W. (2001). Masculinities, crime and prison. In: D.F. Sabo, T.A. Kupers & W. London (eds.), Prison masculinities. Philadelphia: Temple University Press, 67-72. Messerschmidt, J.W. (2002). On gang girls, gender and a structured action theory. A reply to Miller. Theoretical Criminology, 6(4), 461-475. Messerschmidt, J.W. (2008). And now, the rest of the story. A commentary on Christine Beasleys Rethinking hegemonic masculinity in a globalizing world. Men and Masculinities, 11(1), 104-108. Messerschmidt, J.W. (2009). Doing gender. The impact and future of a salient sociological concept. Gender & Society, 23(1), 85-88. Morgan, D. (1992). Discovering men. London: Routledge. Newton, C. (1994). Gender theory and prison sociology. Using theories of masculinities to interpret the sociology of prisons for men. The Howard Journal of Criminal Justice, 33(3), 193-202. Phillips, J. (2001). Cultural construction of manhood in prison. Psychology of Men and Masculinity, 2(1), 13-23. Sabo, D.F., Kupers, T.A. & London, W. (2001). Prison masculinities. Philadelphia: Temple University Press. Schrock, D. & Schwalbe, M. (2009). Men, masculinity, and manhood acts. Annual Review of Sociology, 35(1), 277-295. Scraton, P., Sim, J. & Skidmore, P. (1991). Prisons under protest. Milton Keynes: Open University Press. Segal, L. (1990). Slow motion. Changing masculinities, changing men. London: Virago. Seymour, K. (2003). Imprisoning masculinity. Sexuality & Culture, 7(4), 27-55. Sim, J. (1994). Tougher than the rest? Men in prison. In: T. Newburn & E.A. Stanko (eds.), Just boys doing business? Men, masculinities and crime. London: Routledge, 100-152. Snacken, S. (2006). Forms of violence and regimes in prison. Report of research in Belgian prisons. In: A. Liebling & S. Maruna (eds.), Cambridge criminal justice series. Cullompton: Willan Publishing, 306-339. Sykes, G. (1958). The society of captives. A study of a maximum security prison. Princeton: Princeton University Press. Theoretical Criminology (2002). Special issue on masculinities. Theoretical Criminology, 6(1). Toch, H. (1998). Hypermasculinity and prison violence. In: L.H. Bowker (ed.), Masculinities and violence. Thousand Oaks: Sage, 168-178. Tolson, A. (1977). The limits of masculinity. London: Routledge. Verschaeve, H. (1999). Over verkennen, herkennen en erkennen. Feministische perspectieven en criminologie. Panopticon: Tijdschrift voor Strafrecht, Criminologie en Forensisch Welzijnswerk, 6, 542-562. West, C. & Zimmerman, D.H. (1987). Doing gender. Gender & Society, 1(2), 125-151.

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

447