Mannelijkheid en detentie

De waarde van mannelijkheidsstudies voor gevangenissociologie
Valesca Lippens Gender-criminologisch onderzoek bestaat voornamelijk uit studies naar vrouwelijke misdrijfplegers. Hoewel de verwevenheid van ‘masculinities’ en criminaliteit internationaal al meer dan twee decennia geëxploreerd wordt, werd dit sterk verwaarloosd in Nederlandstalig onderzoek. Dit artikel onderschrijft deze internationale kritiek en introduceert de mannelijkheidsbenadering in de Nederlandstalige penologie. Gevangenissen worden immers steevast omschreven als ultramasculiene settings (Toch, 1998), maar deze hypothese wordt zelden onderbouwd vanuit een genderperspectief. ‘Mannelijkheid tentoonspreiden’ vormt nochtans dé copingstrategie voor mannelijke gedetineerden (Jewkes, 2005). Dit hiaat wordt bediscussieerd op twee niveaus: (1) de operationalisering van het concept ‘hegemoniale mannelijkheid’ en (2) een kritische analyse van bestaande inzichten over detentiebeleving, gevangeniscultuur en gevangenishiërarchie vanuit een mannelijkheidsperspectief. Dit artikel wil de gangbare stereotypen inzake mannelijkheid aan de kaak stellen: klassieke penologische bevindingen zijn immers niet noodzakelijk valide vanuit genderperspectief (Evans & Wallace, 2008). We analyseren dan ook de meerwaarde van mannelijkheidsstudies voor de penologie. ‘Prison is an ultramasculine world where nobody talks about masculinity.’ (Sabo e.a., 2001, 3) Gender is een belangrijk ordeningsprincipe dat een van de voornaamste voorspellers voor deviant gedrag uitmaakt (Heidensohn & Gelsthorpe, 2007). De enorme discrepantie tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke daders (in alle sectoren van de strafrechtelijke keten) wordt in de literatuur omschreven als het genderratio probleem in de criminaliteit. Maar als dit ‘probleem’ in het verleden al onderzocht werd, gebeurde dit vooral vanuit het oogpunt van vrouwen. Hoewel mannen nochtans sinds het ontstaan van de criminologische wetenschap gezien worden als dé te onderzoeken subjecten bij uitstek (criminaliteitsanalyses gebeurden zowel door als over mannen), wordt deze malestream-wetenschapsbeoefening gedurende lange tijd dus niet in vraag gesteld (Lippens, 2005). Hoewel het erg verdienstelijk is dat vrouwen door de feministen vanaf de jaren zestig en zeventig in de criminologische analyses werden gekatapulteerd, impliceert dit echter tegelijk dat gender gedurende de eerste decennia na de introductie van dit concept als het ware synoniem stond voor onderzoek naar vrouwen. Mannen leken als het ware geen gender te hebben, zij waren de norm waaraan vrouwelijk gedrag werd afgemeten, zonder meer.

Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4

433

2006. Jewkes. Evans & Wallace. dat samenhangt met macht. waaraan vrouwen worden afgemeten in hun niet-conform zijn (Verschaeve. De introductie van het concept gender in de sociale wetenschappen laat dynamischere ana1 De auteur gebruikt normaal gesproken de term ‘hegemonische mannelijkheid’. spelen daarbij een cruciale rol. 1999). Deze bondige status quaestionis vormt de aanloop naar het tweede deel. Aldus worden mannen (en hun criminaliteit) niet langer als de norm gezien. heeft in Nederlandstalige tijdschriften immers nog geen ingang gevonden. 2005. Dit raamwerk vormt doorgaans dé operationalisering van ‘mannelijkheid’ die in legio studies empirisch werd onderzocht en bekritiseerd. hebben we in navolging van Messerschmidt (1993) elders geopperd dat niet onderzocht moet worden waarin vrouwen zo verschillen van mannen in het plegen van criminaliteit. 434 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 . 2010). Hua-Fu. De vraag rijst immers of gangbare penologische bevindingen ook valide zijn vanuit een genderperspectief. 2005. een cruciaal begrip in Messerschmidts theorie van ‘crime as structured action’ die specifiek werd ontwikkeld voor gender-criminologisch onderzoek (Messerschmidt. Seymour. detentiebeleving en gevangeniscultuur)? Of zoals Morgan (1992) suggereert: ‘the re-examination of some classical texts within sociology in order to bring out the “hidden” stories about masculinity that they tell’. De enorme hoeveelheid internationale literatuur die criminaliteit vanuit een mannelijkheidslens onder de loep neemt. 1987). De mannelijkheidsstudies die vanaf de jaren tachtig ingang vinden. 2002. We besluiten met de vraag naar de meerwaarde van mannelijkheidsstudies voor het penologische onderzoeksdomein. Dit artikel wil de gangbare stereotypen inzake mannelijkheid aan de kaak stellen en het concept wetenschappelijk onderbouwen aan de hand van (voornamelijk Angelsaksische) literatuur. 1993.Valesca Lippens Toch menen wij dat het belang van het gender van mannen niet verwaarloosd mag worden. Hoewel internationale wetenschappers intussen duidelijk het belang erkennen van mannelijkheid voor traditionele criminogene inzichten. Om deze essentialistische onderzoeksvisie te hekelen en ook mannen als gegenderde onderzoekssubjecten te (h)erkennen. hinkt de Nederlandstalige criminologie er duidelijk achteraan. maar voor de uniformiteit van het themanummer is hier gekozen voor ‘hegemoniale mannelijkheid’. 2003). Over hegemoniale en ondergeschikte mannelijkheden Gender is een belangrijk ordeningsprincipe. maar juist waarom mannen zoveel criminaliteit plegen in vergelijking met vrouwen (Lippens. aangezien onderzoek indiceert dat genderinzichten bepaalde penologische vooronderstellingen sterk ter discussie kunnen stellen (zie bijvoorbeeld Bandyopadhyay. Daarom introduceert dit artikel de mannelijkheidsbenadering in het Nederlandstalige penologische onderzoek met de volgende onderzoeksvraag: welke nieuwe inzichten dragen mannelijkheidsstudies bij aan traditionele gevangenissociologische inzichten (zoals gevangenishiërarchie. waarin een brug geslagen wordt tussen genderstudies en de penologie. Het beoogt een operationalisering en conceptuele discussie van ‘hegemoniale mannelijkheid’1 (hegemonic masculinity – Connell. 2008. 1997).

). met de hegemoniale mannelijkheid aan de top (zijnde de blanke. 2009). Gender impliceert kortweg de culturele invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Voordien werd immers enkel de dominantie van mannen over vrouwen onderzocht. 2002). hoewel ook wij expliciet het bestaan van meerdere mannelijkheden onderschrijven. voor een uitgebreide samenvatting van de voornaamste discussiepunten en kritieken op hegemoniale mannelijkheid. hun seksuele en religieuze voorkeur. die een veelheid aan bestaande mannelijkheden impliceert. Zoals we verder ook bij Messerschmidt zullen zien. 1996). die bepaald wordt op een bepaald moment binnen een gegeven sociale setting. de klasse waartoe ze behoren.a. met een homoseksuele voorkeur. 2005) bestaat er in westerse samenlevingen een historisch gevormde machtshiërarchie. 2005. zie Kimmel e. 2005). heteroseksuele middenklasse) en een enorme variatie aan daaraan ondergeschikte mannelijkheden (minderheidsgroepen behorend tot een andere klasse. In de jaren tachtig evolueerde het onderzoek naar mannelijkheid bijgevolg van het bestuderen van één kenmerk (de mannelijke sekserol) naar de vraag hoe mannen multipele mannelijkheden aanwenden (Schrock & Schwalbe.2 Gedurende de laatste twee decennia zijn heel wat boeken en artikelen verschenen die hegemoniale mannelijkheid als centraal uitgangspunt nemen. zie Connell & Messerschmidt. we schetsen slechts kort de belangrijkste punten om ze in een tweede deel op de gevangenissociologie toe te passen. Dit artikel kent bovendien een sociologische insteek. Vervolgens introduceerde Connell (1987) het concept hegemoniale mannelijkheid om dynamischere genderanalyses in de sociale wetenschappen mogelijk te maken. In het British Journal of Criminology verscheen er zelfs al in 1996 een themanummer over (Carlen & Jefferson. De publicatie van Tolsons The limits of masculinity (1977) was op dit vlak baanbrekend: het was de eerste bijdrage die gedetailleerd de sociale constructie van mannelijkheid bestudeerde vanuit de dominantie van machtige mannen over hun (relatief) machteloze soortgenoten. De meeste (pro)feministische auteurs zijn het er vandaag inderdaad over eens dat de enkelvoudige vorm een biologische reductie van de werkelijkheid is. die evenzeer neigt naar essentialisme als de mannelijke sekserol. die louter op biologische verschillen duidt (Lippens. die hier wegens plaatsgebrek niet aan bod komen. 2002). er zijn ook meer psychologische benaderingen van mannelijkheid. Hegemo2 3 In dit artikel wordt omwille van de leesbaarheid in het Nederlands meestal de enkelvoudige vorm gebruikt.3 Volgens Connell (1987. die duidt op de maatschappelijke onderdrukking van de arbeidersklasse. Vooral de interactie tussen diverse mannelijkheden is cruciaal: het concept (h)erkent namelijk dat ook mannen (en niet enkel vrouwen) onderdrukking kunnen ervaren ten gevolge van hun etnische achtergrond. 2005. Hij paste de aan Gramsci ontleende notie van hegemonie. en was er nog geen aandacht voor machtsrelaties tussen mannen onderling. Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 435 . staat deze normatieve mannelijkheid steeds in verhouding tot andere ondergeschikte mannelijkheden en vrouwelijkheid.Mannelijkheid en detentie lyses toe dan de voordien gehanteerde categorie ‘sekse’. Connell pleit er dan ook voor om steeds de meervoudige term (‘masculinities’) te gebruiken. in Theoretical Criminology gebeurde dat in 2002. toe op genderverhoudingen. etnische origine.. Een exhaustief overzicht van de conceptuele discussie valt buiten het bestek van dit artikel. en andere ‘verschilpunten’ (Jewkes. enz. Voor een extensief overzicht van bestaande theorieën en onderzoek over mannelijkheden. het zogenoemde patriarchaat (Jewkes.

Valesca Lippens niale mannelijkheid duidt dan op de cultureel geïdealiseerde en verheerlijkte vorm van mannelijkheid in een bepaalde samenleving en op een gegeven tijdstip (Connell. om aan te tonen dat de constructie van een dominante mannelijkheid mannen ertoe aanzet criminaliteit te plegen. Een genderidentiteit is bijgevolg steeds een situationele verworvenheid en nooit een vaststaand of afgewerkt product (Messerschmidt. Criminaliteit plegen is dus niet louter een gevolg van de stereotiepe mannelijke sekserol (men is man en dus pleegt men criminaliteit. Dit impliceert evenwel niet dat de hegemoniale mannelijkheid de meest voorkomende vorm is in de maatschappij. Hij beroept zich daarbij ook op Giddens’ structuratietheorie (1976) en op een ‘doing gender’-perspectief (West & Zimmerman. eenvoudig gezegd. Bij gebrek aan andere mogelijkheden om hun mannelijkheid te bewijzen. afhankelijk van hun of andermans verwachtingen over hoe een man hoort te zijn. een alternatieve strategie om aan gender te doen en een mannelijke identiteit te verwerven. We doen namelijk actief aan gender (-agency) op basis van de sociale structuren waarbinnen we leven en dus rekening houdend met de mogelijkheden of beperkingen van elke unieke situatie. Mannen moeten in elke situatie steeds opnieuw bewijzen dat ze man zijn: ze construeren hun mannelijkheid in elke specifieke sociale setting. Messerschmidt (1993. waardoor het sociologische analyses van machtsverhoudingen mogelijk maakt. Mannen willen zich tijdens sociale interacties gedragen op een manier die aantoont dat ze ‘echte’ mannen zijn. 436 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 . Het is die vorm van mannelijkheid waarnaar dient gestreefd te worden en die zich op de sociale ladder onderscheidt van andere. kan criminaliteit voor bepaalde mannen een manier zijn om een mannelijke status en identiteit te bereiken. Hegemoniale mannelijkheid is dus geen vooraf vaststaande categorie. Wel dwingt het hegemoniale concept alternatieve vormen van mannelijkheid of vrouwelijkheid in ondergeschikte posities. 1997) levert met zijn theorie van ‘criminaliteit als gestructureerde actie’ een belangrijke verklaring voor de verwevenheid van gender en criminaliteit. dat cruciaal zal blijken in verder gender-criminologisch onderzoek. uit een breed spectrum aan potentiële mannelijkheden. Later werd dit ook voorzichtig toegepast op vrouwen. maar het is een sociale prak4 Om verwarring te vermijden. Criminaliteit is dan. 1993). aan de hand van symbolen zoals specifiek mannelijk (macho)gedrag en uiterlijk statusvertoon. Hij past Connells hegemoniale concept toe op de criminologie. Volgens hem kan net die sociale constructie van gender (en klasse en etniciteit) de grote discrepantie tussen mannelijke en vrouwelijke criminaliteitscijfers verklaren (het gender-ratio probleem in de criminaliteit). Wel ligt de sterkte van deze theorie erin dat ze voor het eerst het gender van mannen als uitgangspunt neemt. maar een bespreking daarvan valt gezien de bewuste keuze voor een mannelijkheidsinvalshoek buiten de insteek van dit artikel.4 Een opmerkzaam lezer herkent hierin de structuratietheorie van Giddens (1976). die zowel de handelingen van actoren als de hun omringende structuren benadrukt. maar omvat een set van karakteristieken die onderworpen is aan verandering. noch dat elke man er noodzakelijkerwijze naar streeft. 1997). want dat hoort zo en is er inherent aan). 2005). willen we hier geenszins bedoelen dat alleen mannen een genderidentiteit kunnen ontwikkelen conform het voorgestelde theoretische raamwerk van Connell en Messerschmidt. ondergeschikte vormen van mannelijkheid en van vrouwelijkheid (Messerschmidt. 1987).

Maar ook vanuit meer sociologisch-theoretische hoek rezen belangrijke vraagtekens bij de empirische toepasbaarheid van het concept (zie bijvoorbeeld Beasley. waar het ontwikkelen van hegemoniale mannelijkheid binnen een dergelijke totale institutie onder de loep werd genomen (Leyser. Messerschmidt. In 2005 leidde dit zelfs tot een conceptuele herformulering door henzelf (Connell & Messerschmidt. 2009). 2004). 2002. Messerschmidt noch Connell schuwden een constructieve reactie op de empirische toepassing en verfijning van hun raamwerk (Connell. Alvorens we dit verder exploreren. Het is inderdaad een continu gegeven. maar eveneens bekritiseerd. 2009).5 maar de meest bij gevangenissociologische literatuur aanleunende analyse gebeurde in een psychiatrische instelling. Hall. De institutionalisering van hegemoniale mannelijkheid werd verder nog onderzocht op vele andere gebieden. Mannelijkheid is dus duidelijk afhankelijk van sociale interacties die uniek zijn en wordt telkens weer opnieuw afgewogen. 2002).. 5 Een uitgebreid literatuuroverzicht over de institutionalisering van hegemoniale mannelijkheid kan aangevraagd worden bij de auteur. 1998.a. de bestaande machtsrelaties beïnvloedt. Kritiek kwam er voornamelijk vanuit psychosociale hoek (Jefferson. Demetriou. 2003). 2001. klasse en seksuele oriëntatie. 2002. Hearn. 2008. zowel in tijd als ruimte. Zo ook binnen de gevangeniscontext: gedetineerden maken specifieke keuzes in specifieke situaties en kiezen daarbij uit een variatie aan mannelijkheden. Het gebrek aan onderzoek naar vrouwen en detentie werd vaak ingegeven door hun kleine aandeel in de totale gevangenisbevolking. verfijnd en verdiept. Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 437 . 2008. Messerschmidt benadrukt wel dat er veel verschillende manieren bestaan om aan mannelijkheid ‘te doen’: criminaliteit plegen is er daar maar één van. In the mix: traditionele gevangenissociologische inzichten en mannelijkheidsstudies Aspecten van het gevangenisleven werden traditioneel bijna steeds onderzocht vanuit het standpunt van mannelijke gedetineerden (Newton. We concentreren ons in het tweede deel van dit artikel dan ook op de invloed van hegemoniale mannelijkheid binnen een detentiesetting. Volgens Messerschmidt is het cruciaal om deze sociale praktijken van gedetineerden nader te onderzoeken en te exploreren in welke mate mannelijkheid. 2002) op het feit dat hegemoniale mannelijkheid een nogal eng beeld weergeeft van een aantal negatieve karakteristieken waaraan mannen lijken te moeten voldoen (Collier. samen met andere ordeningsprincipes zoals etniciteit. 2005). 1994).Mannelijkheid en detentie tijk die gehanteerd wordt om mannelijkheid te verwerven indien andere mogelijkheden daartoe ontbreken binnen een bepaalde sociale setting. dat nagenoeg 90 tot 95 procent van de gevangenisbevolking uit mannen bestaat (Lippens e. willen we er nog op wijzen dat het concept hegemoniale mannelijkheid en de theorie van Messerschmidt in legio studies als raamwerk werden gehanteerd. Toch werd de complexe masculiene aard van de gevangenissetting zelden onderzocht vanuit een specifiek genderperspectief en dit vormt een belangrijk hiaat in gevangenis-sociologisch onderzoek.

Newton. 2002). Gendergevoelig onderzoek kan echter een diepgaandere. Om de werkelijke betekenis van mannelijkheid voor gedetineerden in de diepte te kunnen analyseren. 1994. Karp. Seymour. Aangezien het merendeel van de penologische studies het gender van hun onderzoekssubjecten niet problematiseert of zelfs op zijn minst in overweging neemt (Jewkes. opteert het merendeel onder hen voor kwalitatief en bij voorkeur etnografisch onderzoek. In de literatuur worden gevangenissen dan ook steevast voorgesteld als hypermasculiene settings (Toch. Steeds meer onderzoekers lijken dan ook het belang van mannelijkheden binnen de gevangenissetting in te zien (zie onder meer Bandyopadhyay. is wellicht weinig nieuws. gevangenishiërarchie en -cultuur ambieert: het gaat hier immers om een relatief nieuw onderzoeksdomein. 2005. Aan de oppervlakte lijkt het leven binnen de muren immers extreem mannelijk te verlopen. de mate waarin zij bepaald wordt door de depriverende gevangenissetting dan wel geïmporteerd wordt binnen de muren door gedetineerden en de precieze wijze waarop machtsrelaties gecreëerd en bestendigd worden. Dit stereotiepe beeld over het gevangenisleven wordt ook duidelijk zo naar voren geschoven in de media (Jewkes. 2002). De gevangenissetting staat bekend als een institutie die extreem gegenderd is (Jewkes. Wel willen we de lezer een overzicht verschaffen van de belangrijkste bestaande inzichten binnen de mannelijkheidsgeoriënteerde gevangenissociologie. 1994. eerder dan gedetineerden die ‘toevallig man zijn’. Evans & Wallace. 2008. dient nog uitvoerig te worden onderzocht (Jewkes. Lutze & Murphy. maar het is cruciaal dat onderzoek hieromtrent vertrekt vanuit een genderperspectief dat voorbijgaat aan common sense-vooronderstellingen.Valesca Lippens Sim pleitte er nochtans al in 1994 voor: het is hoog tijd om de gedetineerden ‘als man’ te onderzoeken. 2003). Traditionele gevangenisonderzoeken vertrekken immers vaak vanuit de vraagstelling of aanpassing aan het gevangenisleven vooral gebeurt op basis van de depriverende gevangenissetting. emotionelere en complexere private levenssfeer in de gevangenis blootleggen. 438 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 . 2008). dan wel gefundeerd is op kenmerken. eigenschappen en denkbeelden die vanuit de buitenwereld binnen de muren geïmporteerd wor6 We willen erop wijzen dat dit artikel geenszins een volledige genderanalyse van detentiebeleving. Hua-Fu. 2002). De ‘pains of imprisonment’ revisited door een genderbril: deprivatie. 2002. 2008). Seymour. 1961). 2002. Newton. willen we mannelijkheid in deze bijdrage expliciet centraal plaatsen. 1998). maar de precieze aard van de machocultuur. 2001. 1999. We zijn er immers van overtuigd dat een gendergevoelige analyse een aantal traditionele inzichten6 uit de gevangenissociologie naar een hoger niveau kan tillen. Jewkes. maar ontegensprekelijk bestaat (Evans & Wallace. Phillips. die evenwel achter de schermen in het veilige cocon van de eigen cel plaatsvindt. import of integratie? Dat gevangenissen gewelddadige mannen herbergen. 2005. 2010. dat is meteen ook de reden waarom een hypermasculiene gevangeniscultuur als de normale gang van zaken beschouwd wordt in de meeste gevangenisstudies die niet specifiek vanuit een genderperspectief vertrekken (Evans & Wallace. waar nog heel wat pistes onderzocht dienen te worden. 2006. 2003) met een totalitair karakter (Goffmann.

a. Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 439 . geen vrijheid.Mannelijkheid en detentie den (Lippens e. en de meesten onder hen hebben geen of een beperkte opleiding genoten en behoren tot een etnische minderheidsgroep. Machtsverwerving in de gevangenissetting heeft dus overduidelijk ook te maken met beelden over hoe mannen en vrouwen horen te zijn. Toch (1998) observeerde bijvoorbeeld dat ‘waardige mannen’ zich letterlijk met man en macht en veel uiterlijk vertoon en agressie verdedigen tegen ‘vervrouwelijkte’ of ondergeschikte medegedetineerden en zo de macht over hen verwerven.a. 1962). hypermannelijkheid. maar zijn werk kwam niet vanuit een bredere mannelijkheidstheorie tot stand. waarvan sprake in vele gevangenisstudies. 1991). In de gevangenissetting bestaan inderdaad weinig mogelijkheden om aan de traditionele. Rekening houdend met methodologische beperkingen en de machocultuur die dergelijke toegevingen afkeurt. 1958). 2009). kunnen zich niet of beperkt onderscheiden aan de hand van statussymbolen zoals kleding en goederen. worden zij relatief aanvaard door de medegedetineerden.. vormt de angst voor persoonlijke veiligheid toch een van de belangrijkste bekommernissen bij gedetineerden. Volgens haar is het namelijk niet toevallig dat de rollen en hiërarchie in de gevangenis direct gerelateerd zijn aan mannelijkheid. en dus met hegemoniale en ondergeschikte mannelijkheden. Hoewel de deprivatie van veiligheid een van de minst onderzochte pains is. in de buitenwereld geldende normen voor mannelijkheid te voldoen: gedetineerden hebben weinig middelen.. Dit is tevens een bijzonder interessant raamwerk voor onderzoek naar gevangenismannelijkheden. wordt dus geconstrueerd om aan de pains tegemoet te komen en deze copingstrategie wordt gereflecteerd in de gedragscode van gedetineerden (Sabo e. Ook op dit vlak zijn auteurs het niet eens over de vraag of mannelijkheid vooral gevormd wordt op basis van de pains of imprisonment (Sykes. 2010). Newton toonde succesvol aan hoe het raamwerk van de pains of imprisonment kan toegepast worden op de studie van hedendaagse gevangeniscultuur.. 1990). 2001): er wordt duidelijk voorgeschreven hoe zij zich ‘als een echte man’ dienen te gedragen. 2002). Hij (h)erkende toen immers als eerste al het belang van mannelijkheid binnen de gevangeniscontext. dan wel rechtstreeks geïmporteerd wordt vanuit de buitenwereld (Irwin & Cressey. Newton (1994) opent de discussie over prison masculinities en herinterpreteert het werk van Sykes (1958) om het bestaan van mannelijkheid in de gevangenisgedragscode aan te tonen en meer algemeen de invloed ervan op machtsrelaties in de gevangenis. ze hebben slechts een beperkte autonomie. kunnen zich enkel beroepen op de daartoe beperkte bronnen (Karp. Een harde reputatie manifesteren bij het toetreden tot totale instituties lijkt dan ook noodzakelijk (Jewkes.a. zo niet. In dat opzicht denken we ook aan de inwijdingsrituelen waaraan nieuwkomers onderworpen worden om hun mannelijkheid te testen: indien zij dit succesvol doorstaan. dan wordt het nieuws over hun zwakke reputatie verspreid en valt de nieuwkomer mogelijks ten prooi aan agressievere lotgenoten (Grapendaal. We exploreren hierna de belangrijkste bevindingen uit de huidige mannelijkheidsgeoriënteerde gevangenissociologie. Een uitvergrote. zijn grotendeels gedepriveerd van heteroseksuele contacten. Onderzoek toont aan dat tot zelfs 86 procent van de gedetineerden zich onveilig voelt (Scraton e. De link tussen de pains of imprisonment en mannelijkheid is dus niet veraf: gedetineerden die hun mannelijkheid willen manifesteren.

Daarom moeten gedetineerden die willen overleven vaak een harde. dat al bestond voor de gevangenisstraf en onafhankelijk is van hun identiteit als gedetineerde. het opsmukken van hun verhalen. Ondanks de relatieve normalisering van homoseksuele contacten staan ook heel wat gedetineerden er weigerachtig tegenover en 7 Uit onderzoek (Jewkes. Dat wordt dan een strategie om hun mannelijke identiteit te bewijzen. 1990. vóór de gevangenisstraf geldende genderidentiteit7 en dat kan volgens Jewkes een enorme druk veroorzaken. zoals overdreven machogedrag. Aangezien de meerderheid van de gedetineerden afkomstig is uit de lagere klasse. maar ook daar is de link met mannelijkheid dus niet veraf. De deprivatie van heteroseksuele contacten vormt inderdaad een belangrijke belemmering tijdens de detentie: sommige auteurs gaan zelfs zover dat zij de detentie op dat vlak als een ‘fysieke castratie’ bestempelen (Segal. zoeken zij heil in andere mannelijkheidsstrategieën. in tegenstelling tot in de buitenwereld. 2002) blijkt dat mannelijke gedetineerden vaak een andere genderidentiteit aannemen tijdens interacties met hun medegedetineerden dan hun ‘werkelijke’ opvattingen over hoe mannen en vrouwen horen te zijn – die overigens slechts aan bod komen wanneer ze alleen op cel zitten. Sommigen gaan immers zodanig ver in het conformeren aan de dominante mannelijkheidsidealen. Jewkes’ onderzoek is gebaseerd op de hypothese dat de psychologische overlevingskracht van een gevangenisstraf samenhangt met de mogelijkheid van de gedetineerde om twee aparte identiteiten te creëren. 2005). Enerzijds moeten ze hun eigen zelfbeeld behouden en beschermen. Daarnaast kan deze hypermannelijke identiteit volgens Jewkes (2002) teruggebracht worden tot het gebrek aan vrouwen in de depriverende gevangenissetting. wat binnen de muren relatief aanvaard wordt. Het lijkt trouwens interessant om in dat opzicht de invloed van de intrede van vrouwelijke bewaarders na te gaan. 440 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 . zijn dus schering en inslag. Anderzijds moeten zij kunnen terugvallen op een reeks strategieën. een ‘echte’ man zijn. extremere mannelijke identiteit aannemen dan hun ‘werkelijke’. middelen en ervaringen om een publieke gevangenisidentiteit te creëren. 1958). zijn het dan ook voornamelijk de daar geldende normen en waarden die toonaangevend zijn binnen de muren: agressie. Sommigen onder hen blijken zelfs dankbaar dat ze tijdens die bevraging ‘eindelijk weer zichzelf kunnen zijn’ en ‘hun masker kunnen laten vallen’ (Jewkes. Bij gebrek aan mogelijkheden tot heteroseksualiteit (het hart van de hegemoniale mannelijkheid) binnen de muren. die hen in staat stelt om erbij te horen binnen de muren. brokkelt dat pseudozelfbeeld dat ze tijdens interacties ophangen langzaam af en komt hun ‘ware’ genderidentiteit boven. Sykes. dat ze zichzelf ’s avonds wanneer ze alleen op cel zitten. enz. ‘niet meer in de spiegel kunnen bekijken’.Valesca Lippens vormen deze cijfers wellicht nog een ondervertegenwoordiging van de werkelijk ervaren onveiligheidsgevoelens. machogedrag. Paradoxaal genoeg kunnen homoseksuele contacten voor sommige gedetineerden inderdaad de normatieve. 1958). Een masker opzetten is een bekende copingstrategie (Sykes. extreem sporten tot zelfs meer radicaal het verkrachten van medegedetineerden (Jewkes. 2002). Als ze evenwel over die gevoelens en strategieën bevraagd worden door onbevooroordeelde outsiders (zoals onderzoekers). maar ontbrekende heteroseksualiteit vervangen.

dat dient tot de herbevestiging van de sociale hiërarchie. Het geweld tussen gedetineerden staat daarbij symbool voor een vijandige mannelijkheid. Het dient natuurlijk nader te worden onderzocht in hoeverre er sprake kan zijn van één hypermasculiene subcultuur die wordt geïmporteerd. staan binnen de gevangenismuren traditioneel helemaal onderaan de sociale ladder. wereldwijde gelijkenissen tussen mannelijke gevangenissen. 2002). lijkt het haar desalniettemin waarschijnlijk dat degenen die wel worden veroordeeld een masculiene ideologie en subcultuur importeren die hen voorbereidt op het harde leven binnen de muren (Jewkes. want het lijkt evenzeer plausibel dat ook andere subculturen binnensijpelen in de gevangenissetting. zijn gedragsvoorschriften die quasi unaniem gelden. Daarom beschouwt Newton de culturele genderidentiteit die gedetineerden importeren in de gevangenis cruciaal voor hun detentiebeleving en hun aanpassing intra muros. 2002). Maar niet elke gedetineerde voldoet aan het ideaal van de hegemoniale mannelijkheid: meer nog. je medegedetineerden niet verraden. Seksuele delinquenten bijvoorbeeld. het begrip staat enkel op zich als het afgewogen wordt tegenover de onderdrukte versies van mannelijkheid waartegen het zich afzet. 2002). Mannelijkheid blijkt een cruciale factor te zijn voor de machtsrelaties onder gedetineerden: hegemoniale en ondergeschikte mannelijkheden kunnen duidelijk teruggevonden worden in de informele structuren van de gevangenishiërarchie en vormen mogelijk een van de belangrijkste verklaringen voor de opvallende. elke dag weer opnieuw. maar ook daarbuiten.Mannelijkheid en detentie maakt dit het gevangenisleven extreem onvoorspelbaar. Ook Sim (1994) vond hier duidelijke bewijzen van in zijn analyse van de gevangenishiërarchie. dat frequent leidt tot crimineel gedrag en bestraffing. Toch erkennen de meesten van deze auteurs ook het belang van sociale en culturele factoren die in de buitenwereld gelden en binnen de muren worden geïmporteerd. als Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 441 . in het bijzonder voor nieuwe gedetineerden (Jewkes.a. 2005). enz. omdat zij ingaan tegen de conventionele heteroseksuele mannelijke normen (geen seksueel geweld plegen op kinderen). Ook Sabo e. Over die invloed en de heterogeniteit van de mannelijke gevangenispopulatie is nog veel te weinig geweten. een echte man zijn. niet alleen binnen de gevangenissetting. Het verlangen om mannelijkheid te bewijzen. Ook Newton (1994) stelt vast dat er meerdere vormen van mannelijkheid onderschreven worden in de gevangenisgedragscode. De dagelijkse realiteit van gedetineerden bestaat uit geweld. maar als een uitvergrote weerspiegeling van de hegemoniale mannelijkheid die in de bredere maatschappij geldt. uitvergrote mannelijke identiteit creëren is voor velen dan ook dé copingstrategie bij uitstek om te kunnen omgaan met de door de arbeidersklasse gedomineerde gevangeniscultuur (Jewkes. Hoewel Jewkes benadrukt dat zij hiermee geenszins veronderstelt dat enkel laaggeschoolden criminaliteit als strategie aanwenden om mannelijkheid te verwerven en in de gevangenis belanden. Een extreme. De hiërarchie weerspiegelt dan de gevangeniscultuur en vormt een spectrum met geweldplegers helemaal bovenaan als dé mannen der mannen en de seksuele delinquenten helemaal onderaan de sociale ladder. (2001) zien het gedrag van mannelijke gedetineerden niet als een unicum. Hard zijn. afschrikwekkend en bevreemdend. Dat maakt hen kwetsbaar voor (seksuele) tentoonspreiding van mannelijkheid door medegedetineerden. kan dan op zich een voorwaarde zijn voor een succesvolle aanpassing binnen de muren (Jewkes.

Het lijkt dan ook allesbehalve toevallig dat de rollen en hiërarchie in een gevangenissetting bepaald worden door mannelijkheidscodes. dan wel van minder machtige medegedetineerden. Zowel agency als structuren lijken een cruciale rol te spelen bij de detentiebeleving. maar ook en niet in het minst door een diep ingebed discours over mannelijkheden en vrouwelijkheden (Newton. 1990. Er kunnen dan ook duidelijke mannelijkheidspatronen geobserveerd worden in de dagelijkse gevangenispraktijk. omdat zij als de meest kwetsbare groep in de gevangenisgemeenschap gezien worden. Carrabine (2004) ziet dit bevestigd in zijn analyse van rellen in de Strangeway-gevangenis: seksuele delinquenten werden er gesegregeerd ‘voor hun eigen bescherming’ en waren met andere woorden onderworpen aan een patriarchale vertoning van macht en dominantie vanuit het systeem. Maar het heeft dus ook duidelijk te maken met mannelijkheid. Zo bestaan er heel wat variaties op 442 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 . Dit sluit aan bij het integratiemodel dat zowel aspecten van het deprivatie.als het importdebat in overweging neemt bij analyses over het gevangenisleven (Grapendaal. is erg voor de hand liggend en heeft ook te maken met wat algemeen in de maatschappij verworpen wordt. Snacken. 2002). eerder dan van patriarchaat. gevangeniscultuur en gevangenishiërarchie. Een integratieve benadering van structurele determinanten en normen uit de bredere samenleving lijkt bijgevolg aan de orde. wordt mannelijkheid er duidelijk veruiterlijkt door middel van hiërarchische relaties. Discussie: veranderende mannelijkheden in detentiecontext? De sociale orde in een gevangenissetting wordt niet enkel gereproduceerd door organisatorische regels en beslissingen. Net zoals in de traditionele gevangenisstudies lijkt het tentoonspreiden van mannelijkheid zowel een reflectie van bredere sociale normen als een antwoord op de unieke kenmerken van de gevangenisomgeving (Jewkes. Het is wel de vraag in hoeverre geen opdeling dient gemaakt te worden naargelang het soort seksuele delinquenten. 1994). dominantie en onderdrukking. Hoewel de mannelijke status uit de buitenwereld in al zijn facetten ondermijnd wordt binnen de muren van de gevangenis. 2005) insinueren daarnaast ook dat de sociale werkelijkheid en de gedragscodes binnen een dergelijke totale institutie gevormd en beïnvloed worden door reeds bestaande opvattingen over mannelijkheid. Alleen bestaan mannelijkheid en macht binnen de gevangeniscontext dus niet zozeer uit het onderdrukken van vrouwen. Jewkes (2002) spreekt in dit opzicht dan ook van fratriarchaat. Er is duidelijk nog heel wat discussie over de impact van depriverende gevangeniskenmerken enerzijds en sociale en culturele factoren uit de buitenwereld anderzijds op gevangenismannelijkheden. Dit wordt vertaald in een sterk masculiene gedragscode waarbinnen continu ‘aan mannelijkheid wordt gedaan’ (doing gender). Op basis van de op een bepaald moment geldende regels in een bepaalde gevangenissetting wordt mannelijkheid continu geconstrueerd. 2006). De alomtegenwoordige gevangenishiërarchie waarbij de agressieve alfaman zich bovenaan en de seksuele delinquenten zich onderaan de sociale ladder bevinden. De daar bestaande genderverhoudingen en een sterk gegenderd discours (Hua-Fu.Valesca Lippens antithese van wat als mannelijk wordt aangezien.

niet noodzakelijk observeerbare criteria mee. die er succesvol in slaagt de regels te manipuleren en macht krijgt door bevoorrechte relaties aan te gaan met medegedetineerden en bewaarders. want ze verwerft macht. Een nieuwe. Een gelijkaardige conclusie vindt men bij Bandyopadhyay (2006). met verkrachting als ultieme strategie om mannelijke dominantie te verwerven. 1999). Of gevangenissen nu bedoeld zijn om te straffen. 2001). aangezien zij niet langer op de traditionele agressie gefundeerd is. Natuurlijk zijn er ook gedetineerden die zich daartegen afzetten: de rebelse en agressieve ‘typische gedetineerden’ vinden deze modelgedetineerden meelopers die hun individualiteit en mannelijkheid verloochenen door te gehoorzamen. dient nog verder geëxploreerd te worden. Daarbij blijkt er niet zozeer sprake van ondergeschikte mannelijkheden. Naast de traditionele agressieve gevangenismannelijkheid beschrijft ze ook andere dominante vormen van mannelijkheid die de macht verwerven en analyseert ze hoe gedetineerden omgaan met hun minderwaardige mannelijkheidsgevoel. agressieve. Ook zij observeert een gevangenishiërarchie die verschillende vormen van mannelijkheid reflecteert. Bandyopadhyay vond twee complementaire. duidelijk niet aan elkaar ondergeschikte vormen van hegemoniale mannelijkheid terug: (1) de stereotiepe. Conclusie Op basis van voorgaande inzichten is het legitiem om de wenselijkheid in te vraag te stellen van het onderbrengen van mannen in ultramannelijke gevangenissettings die agressieve interacties en stereotiepe sekserolgedragingen aanmoedigen (Lutze & Murphy. maar het is een vernieuwde invulling van de notie ‘dominantie’.Mannelijkheid en detentie gevangenismannelijkheden: er zijn bijvoorbeeld ‘ratten’ (die verraad plegen). en (2) de modelgevangene. Er worden dus overduidelijk sociaal georganiseerde machtsrelaties ontwikkeld tussen gedetineerden op basis van hun mannelijkheid. waarbij de slachtoffers letterlijk worden ontmannelijkt en ‘vrouwen’ worden genoemd (Messerschmidt. dan wel van concurrerende en variërende mannelijkheden. Met deze fundamentele kritiek werkt zij een belangrijke aanvulling uit op de conceptuele discussie rond hegemoniale mannelijkheid. niet-meewerkende gevangene die door zijn uiterlijk vertoon het respect en de macht verwerft. Deze positie verleent hun toegang tot inside-informatie in het functioneren van de gevangenis. In hoeverre deze complementaire mannelijkheden ook bij ons bestaan. dan Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 443 . maar belichamen daardoor net die andere vorm van geïdealiseerde mannelijkheid die onafhankelijkheid vooropstelt. ‘handelaars’ (die handeltjes opzetten in allerlei middelen) en ‘gorilla’s’ (die geweld of bedreiging gebruiken om hun belangen af te dwingen). die etnografisch onderzoek deed in een Indiase gevangenis. Toch nuanceert ze ook enkele traditionele bevindingen: hoewel de hiërarchische positie van een gedetineerde inderdaad gewoonlijk bepaald wordt door diens situering tussen de gewelddadige gedetineerde bovenaan de sociale ladder en de seksdelinquent die er onderaan bengelt. complementaire hegemoniale mannelijkheid ontwikkelt zich aldus binnen de muren: deze mannelijkheid is ook dominant. Zij veroorzaken traditioneel meer problemen. gebaseerd op wederzijds respect in plaats van geweld. spelen ook andere.

namelijk dat man- 444 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 . Vaak wordt namelijk verondersteld dat slechts één vorm van hegemoniale mannelijkheid getolereerd wordt en aan de macht is. Dit sluit aan bij de theorie van Messerschmidt (1993). maar ook meer fundamenteel door hun positie als man ten opzichte van de andere mannelijke gedetineerden. een veelvoud aan complementaire dominante mannelijkheden wordt onderscheiden en subjecten blijken hun identiteit continu te construeren en aan te passen (Bandyopadhyay. Integendeel. De beperkte studies die voorhanden zijn. In dat opzicht wordt er tegenwoordig dan ook uitgegaan van een integratieve benadering. Gender biedt een belangrijk vernieuwend perspectief op traditionele gevangenissociologische concepten zoals gevangenishiërarchie en andere common sense-kennis.Valesca Lippens wel te rehabiliteren. waarbij de mannelijkheidsinvalshoek bijzonder interessant blijkt. hegemoniale mannelijkheidsbeelden. agressieve alfaman. 2010. Hetzelfde voor de nieuwkomer die zich meteen moet bewijzen om een mannelijke status te verwerven. 2005. De gevangenissetting die übermannelijkheid verheerlijkt. Daarnaast is het zinvol om de verschillende bevindingen uit dit relatief nieuwe onderzoeksdomein tegen elkaar af te zetten en te toetsen in welke mate alternatieve hegemoniale mannelijkheden ook in onze gevangenissen ontwikkeld worden. niet enkel tussen bewaarders en gedetineerden. door gedetineerden aan het eind van hun straf opnieuw mannelijkheidspatronen aan te leren die asociaal gedrag ontraden en hen confronteren met het hypermasculiene karakter van het gevangenisleven (Karp. Meer onderzoek is echter aan de orde om de werkelijke übermannelijke aard van de gevangenis te achterhalen. Meerdere studies wijzen echter uit dat dit niet dé realiteit binnen de muren is. Het mag intussen wel duidelijk wezen dat hegemoniale mannelijkheid cruciaal is om macht te verwerven in een gevangenissetting en dat heel wat traditionele penologische bevindingen verklaard en verfijnd kunnen worden door deze genderbril. concluderen onderzoekers dat de gevangenis destructieve vormen van mannelijkheid (re)produceert. Investeren in dergelijke sensibiliserende programma’s lijkt zinvol om de rehabiliterende functie van de gevangenis te optimaliseren en bijkomende detentieschade zo veel mogelijk te beperken. zijnde die van de stoere. hun primaire doel is criminaliteitspreventie. 1994). Jewkes. 1998). Toch. Zo kan de lage status van seksuele delinquenten bijvoorbeeld perfect verklaard worden vanuit stereotiepe. maar ook tussen de mannelijke gedetineerden onderling. die structurele depriverende aspecten van de detentie combineert met geïmporteerde kenmerken van gedetineerden. wijzen inderdaad uit dat de gevangenis een totale institutie is die gedomineerd wordt door een discours van absolute mannelijkheid en gekenmerkt wordt door een duidelijk gegenderde hiërarchie. Hua-Fu. Hoewel er nog veel onduidelijkheden bestaan over de invloed van het importeren van gedrag van buitenaf en de invloed van (deprivatie tijdens) de detentie zelf. lijkt echter een averechts effect te ressorteren (Sim. 2002). Er bestaat zelfs onderzoek naar interventieprogramma’s die deze toxische gevangenismannelijkheid willen aanpakken. Inzichten uit mannelijkheidsstudies kunnen gevangenisculturen dus nog gedetailleerder ontrafelen en verklaren. Het dagelijkse leven intra muros wordt dus niet alleen bepaald door kenmerken eigen aan de individuen. 2006. Sommigen spreken in dit opzicht van toxic masculinity.

In welke mate dit een impact heeft op etnografische studies naar gevangenismannelijkheden. (eds. Aldershot: Ashgate Publishing. (1998).Mannelijkheid en detentie nen aan mannelijkheid doen (doing masculinity) afhankelijk van de sociale situatie waarin ze zich bevinden. (2004). de hiërarchie en de gevangeniscultuur. Collier.) (1996). Men and Masculinities. Een constructivistische benadering die vertrekt vanuit een specifiek genderperspectief kan toelaten om ook hier tot een meer fijnmazige en genuanceerde analyse te komen van gevangenissubculturen. A genealogy of the Strangeways prison riot. Carrabine. 86-103. 186-203. discours and resistance. Power. 33 (6). waardoor de notie regelmatig wordt verfijnd.E. Men and Masculinities. hebben we gedocumenteerd dat er nog steeds veel stof opwaait over de conceptuele discussie. M. Special Issue ‘Masculinities and crime’. Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 445 . crime and criminology. P. Beasley. T. Het is een gemiste kans dat Nederlandstalige criminologen zich geen stem toe-eigenen in dit internationale debat dat intussen toch al twee decennia hevig woedt. Zo is etnografisch onderzoek in het bijzonder noodzakelijk om na te gaan hoe diep het hegemoniale mannelijkheidsgedachtegoed ingebed zit in de dagelijkse gevangenisrealiteit. 9(2). de seksualiteitsbeleving en de identiteitsvorming van gedetineerden? Is er werkelijk sprake van een hypermannelijke gevangeniscultuur? Op welke manier zit gender ingebed in de andere lagen van de gevangenisorganisatie? In welke mate speelt het gender van de onderzoeker een rol in het onderzoeksproces binnen de muren? Dit zijn slechts enkele mogelijke onderzoekspistes die hopelijk in de toekomst (en ook in onze contreien) nader bestudeerd worden. & Jefferson. Masculinities. E. Competing masculinities in a prison. Carlen. is tot op heden amper onderzocht en vormt eveneens een interessante onderzoekspiste. Het is trouwens maar de vraag in welke mate deze voornamelijk Angelsaksische bevindingen ook opgaan binnen een Nederlandstalige detentiecontext. Kwalitatief en bij voorkeur etnografisch onderzoek lijkt ons daartoe cruciaal en daarin ligt meteen ook de uitdaging van het gender van de onderzoeker. de gedragscode over hoe gedetineerden zich horen te gedragen binnen de muren. (2006). want zij kunnen uiteraard niet zonder meer getransponeerd worden. Concluderend kunnen we stellen dat hoewel het concept hegemoniale mannelijkheid reeds veelvuldig werd onderzocht en ook al (hetzij beperkt) in gevangenissociologische studies aan bod kwam. er toch nog heel wat pistes voor nader onderzoek voorhanden blijven. (2008). Rethinking hegemonic masculinity in a globalizing world. R. C. London: Sage. Bovendien valt er nog veel te leren over hoe hegemoniale mannelijkheid specifiek vorm gegeven wordt binnen de detentiecontext. British Journal of Criminology. Op welke manier bepaalt het mede de dagelijkse interacties. zodat een verdere verfijning van de conceptuele discussie vanuit het gevangenisstandpunt mogelijk wordt en ook Nederlandstalige criminologen er eindelijk een stem in krijgen. Hoewel al heel wat studies gefocust hebben op hegemoniale mannelijkheid. 11(1). Literatuur Bandyopadhyay.

Grapendaal. 5(1). V. The Journal of Men’s Studies. S. and the inmate subculture. 30(3). 1-16. (1976). Men.W.W. Robert. J. violence and the piety of the ‘hegemonic masculinity’ thesis. Oxford: Oxford University Press. Lippens. Jewkes. 63-83. Men and Masculinities.W. convicts. P. ‘Doing’ masculinity as an adaptation to imprisonment. (1961). S. R. 446 Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 .W. Doing masculinity in a mental hospital. Lippens. Journal of Contemporary Ethnography. Critical Criminology. Vrouwe Justitia feministisch bekeken. 829-859. Mannelijkheid vanuit criminologisch perspectief. 32(3). Justice Quarterly. Maguire. & Scheirs. (2010). UK: Polity Press. Unlocking men. & Cressey. Van de Wiel & K. D. F. F. 49-72. Cambridge. Schandevyl. H. 13(1). On hegemonic masculinity and violence. 63-88. 6(1). 6(1). (2002).W. The Oxford handbook of criminology. Connell’s concept of hegemonic masculinity. masculinity and power in prisons. (2007). Hegemonic masculinity. E. T.W.W. Jefferson. New rules of sociological method. 44-63. In: E. London: Hutchinson. Collumpton: Willan. V. (2002). & Connell. The patterns of masculinity in prison. 18(1). 30. D. A positive critique of interpretative sociologies. P. R. Hua-Fu. Theoretical Criminology.Valesca Lippens Connell. R. J. Nuytiens. Daubing the drudges of fury. De Metsenaere (red. J. 19(6). V. Feminist Theory. 54. (2002). 336-359.. (2003). A. Achter tralies in België. Brussel: VUBPress. Hearn. O. Theoretical Criminology. (1962). (1990). 35-61. (2005). J. Scheirs. Kimmel. The inmate subculture in Dutch prisons. Cambridge. Hearn. Men behind bars. Media. Gender and power. Daems. & Murphy. Thieves.. 484-507. Men and Masculinities. Theory and Society. (1999). (2010). New York: Doubleday Anchor. Over mannelijke daders én slachtoffers. 8(1). 89-99. Connell. Ultramasculine prison environments and inmates’ adjustment: It’s time to move beyond the ‘boys will be boys’ paradigm. 590-603. Different profiles. Een gendergevoelige benadering van criminaliteit. Karp.). (2004). (2002). Bollen & M. Connell. A prison within a prison? The masculinity narratives of male prisoners. Jewkes. Reiner (eds. Morgan & R. (2009). & Gelsthorpe. Response to Jefferson and Hall. Lutze.). V. In haar recht. Verpoest (red.. Rethinking the concept. R. (2008). D. Masculinities. 337-361. Heidensohn. different pains! Diversiteit en detentiebeleving: nood aan een gedifferentieerde strafuitvoering? In: T. D. Evans. 107-121. Y. From hegemonic masculinity to the hegemony of men. Y.). Subordinating hegemonic masculinity. A. (2005). M. (2005). Brussel: Vrije Universiteit Brussel. R. Gender and crime. A critique. Connell. & Messerschmidt. (2001). Thousand Oaks: Sage. 381-420. British Journal of Criminology. 113-144. & Wallace. Gender & Society. A. 6(1). Doing men’s work in prison. 10(4). (2005). (2005). Asylums. Pletincx. Giddens. Een theoretische verkenning. Theoretical Criminology. Gent: Academia Press. 341-355. L.R. UK: Polity Press. L. 16(4). R. unmasking masculinities. Social Problems. T. Lippens. 709-733. Goffmann. Leyser. M. Handbook on studies on men and masculinities. (2005). (1987). Demetriou. Hall. Irwin. In: M. V.E. Captive audience.

). D. Doing gender.A. Prison masculinities. Stanko (eds. Slow motion. London: Routledge. London: Routledge. In: L. (1977). Sexuality & Culture. Liebling & S. Sim. Newton. crime and prison. Lanham: Rowman and Littlefield. W. Masculinities and violence. Seymour.A. Sabo. Gender & Society. Crime as structured action. Just boys doing business? Men. The society of captives. Men and Masculinities. P. Segal.F. J. Cambridge criminal justice series. and manhood acts.. T. C. Gender. Thousand Oaks: Sage. London: Routledge. 85-88. (2002). (2006). Tougher than the rest? Men in prison. Theoretical Criminology. J. H.W. 11(1). 168-178. Criminologie en Forensisch Welzijnswerk. masculinities and crime. & Skidmore.H. Milton Keynes: Open University Press. Annual Review of Sociology. H. P. 193-202. The Howard Journal of Criminal Justice. 23(1).A. D. In: D. Sim.W. G. London: Virago. Princeton: Princeton University Press. The limits of masculinity. Schrock. 100-152. (1993). K. J. 542-562. 1(2). West. In: T. & Zimmerman. Gender theory and prison sociology. Toch. (2001). Kupers & W. And now. Masculinities. J. Theoretical Criminology (2002). Sykes. A commentary on Christine Beasley’s ‘Rethinking hegemonic masculinity in a globalizing world’. (1994). Philadelphia: Temple University Press. A study of a maximum security prison. Scraton. Masculinities and crime. changing men.H. J. Messerschmidt. 277-295.). 6(4). the rest of the story. Hypermasculinity and prison violence. Tijdschrift voor Criminologie 2010 (52) 4 447 . Forms of violence and regimes in prison. (2001). Cultural construction of manhood in prison. (2008). Messerschmidt. 6.W. London (eds. Feministische perspectieven en criminologie. (2009). Messerschmidt. Report of research in Belgian prisons. (1958). 6(1). Snacken. Critique and reconceptualization of theory. (1987). A reply to Miller. T. Imprisoning masculinity. (1997).). 67-72. J. (1994). S. 461-475. Phillips.W. 27-55. (1999). L. Prison masculinities. Special issue on masculinities. 306-339. D. Tolson. class and crime in the making. Thousand Oaks: Sage. Messerschmidt. Gender & Society. A. J. Philadelphia: Temple University Press. C. Prisons under protest. Psychology of Men and Masculinity.F. (1992). 104-108.). Panopticon: Tijdschrift voor Strafrecht. Over verkennen. Verschaeve. Cullompton: Willan Publishing. 33(3). M. (2001). Kupers. 7(4).W. Changing masculinities. Men. Using theories of masculinities to interpret the sociology of prisons for men. herkennen en erkennen. 35(1). J. (1998). Newburn & E. (1991). (1990). Theoretical Criminology. (2009). Discovering men. Messerschmidt. (2003). masculinity.. gender and a structured action theory. race. 125-151.Mannelijkheid en detentie Messerschmidt. On gang girls. In: A. Maruna (eds. Bowker (ed. & Schwalbe. D. 13-23. Morgan. ‘Doing gender’. J. 2(1). & London. Sabo. The impact and future of a salient sociological concept.W.