Vous êtes sur la page 1sur 3

pagina 1 van 3

9/02/2006 - Nr. 5

Terreinwagens: de fiscale spelregels


Erwin Boumans, BTW Centre of Competence, BDO Atrio Fiscale en Juridische Adviseurs

De aandacht voor de fiscale voordelen van terreinwagens is weer brandend actueel. Ter herinnering: in
2004 spraken bepaalde ministers schande over het feit dat de meest luxueuze terreinwagens (of
SUV's) fiscaal zéér interessant bleken te zijn en lange tijd gingen er geruchten dat deze achterpoortjes
in 2005 reeds gesloten zouden worden (zie ook Acc. & Fisc. nr. 6, 17/02/2005). Minister Reynders
kondigde begin 2005 echter aan dat ten vroegste in 2006 er een nieuwe fiscale regeling verwacht
mocht worden. De minister is zijn belofte nagekomen: via de Programmawet van eind vorig jaar werd
een echte fiscale definitie ingevoerd van het concept "lichte vrachtauto".
Aanpassing technische voorschriften

Ingevolge een dienstnota van de minister van Mobiliteit, Renaat Landuyt, werden de technische voorschriften met
betrekking tot lichte vrachtauto's reeds gewijzigd met ingang van 4 april 2005. Hierdoor werd het al veel moeilijker om een
voertuig te laten kwalificeren als een lichte vrachtauto met dubbele bestuurdersruimte.

Als voornaamste bijkomende voorwaarden werd voorzien dat de aan te brengen scheidingswand volledig gesloten dient
te zijn (desgevallend mag de wand wel nog doorzichtig zijn) en dat de werking van de airbags ingevolge een eventuele
verbouwing niet verstoord mag worden.

Enkel de voertuigen die beantwoorden aan deze strenge definities kunnen nog aanspraak maken op de diverse fiscale
voordelen inzake inkomsten- en voertuigbelastingen (pro memorie: geen aftrekbeperkingen inzake kosten, geen belasting
bij inschrijving en verminderde verkeersbelastingen).

Nieuwe definitie inzake inkomstenbelastingen

Daar de bestaande wetgeving, zoals eerder reeds aangehaald, niet volstond om de strijd te winnen tegen het fiscaal
"optimaliseren" van luxueuze terreinwagens en ook de rechtspraak gevarieerd reageerde, afhankelijk van de concrete
omstandigheden, drong een aanpassing van de wetgeving zich op.

Middels de Programmawet van 27 december 2005 werd in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB) dan ook een
echte fiscale definitie ingevoerd van het begrip "lichte vrachtauto". Daarbij verwijst men eenvoudig naar het nieuwe artikel
4 van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen (WIGB). Dit nieuwe artikel kwam tot
stand, ingevolge een samenwerkingsakkoord dat met de Gewesten in dit verband werd afgesloten, aangezien de
voertuigbelastingen een gewestelijke materie zijn.

Voortaan wordt een voertuig dat bestemd is voor het vervoer van goederen, met een maximaal toegelaten massa (MTM)
van 3.500 kilogram, ook "lichte vrachtauto" genoemd, voor zover het voertuig één van de volgende type-voertuigen is:

a) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten
enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;

b) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken, bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten
dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;

c) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten
hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte
waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde
van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds
minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele
oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer
zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;

d) elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken, gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten
hoogste zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte
waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de
achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer,
steeds minstens 50 % dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele

http://www.standaard-nieuwsbrief.be/01/artikel.cfm?artikelnr=4&the_start=4&type=1... 15/03/2006
pagina 2 van 3

oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer
zonder verankeringsplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.

In dit verband wijkt de fiscale definitie wel af van de technische definitie zoals gehanteerd door de Directie Inschrijving
Voertuigen (DIV). In het bijzonder ten aanzien van de lichte vrachtauto's met dubbele bestuurdersruimte, alwaar fiscaal
vereist wordt dat de verhouding van de lengte van de laadruimte ten opzichte van de wielbasis minstens 50 % bedraagt.
Voor de DIV volstaat het daarbij dat deze verhouding 30 % bedraagt.

In de praktijk betreffen de voertuigen bedoeld onder a) en b) in principe de voertuigen van het type "pick-up" (met één of
twee rijen zetels), terwijl deze bedoeld onder c) en d) de voertuigen betreffen van het type "bestelwagen" (met één of twee
rijen zetels). Het grootste onderscheid tussen de type c) en d) voertuigen betreft het feit dat bij een bestelwagen met twee
rijen zetels de laadruimte volledig afgesloten moet zijn middels een (al dan niet doorzichtige) scheidingswand.

Indien een voertuig niet beantwoordt aan één van deze vier type lichte vrachtauto's wordt het voor fiscale doeleinden
automatisch beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus.

Nieuwe definitie inzake btw

Ook inzake btw heeft men via dezelfde Programmawet van de gelegenheid gebruikt gemaakt om de puntjes op de
spreekwoordelijke "i" te zetten.

Dit is gebeurd door de invoering van een nieuw artikel 45 §2 W.Btw, waardoor een algemene aftrekbeperking is ingevoerd
voor autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, met uitzondering van een
aantal type voertuigen. In het bijzonder betreft het: vrachtwagens, bussen, voertuigen ingericht voor het vervoer van
zieken, gewonden, gevangenen of om te kamperen, voertuigen ingericht voor lijkenvervoer, voertuigen die niet
ingeschreven kunnen worden bij de DIV, voertuigen uitsluitend bestemd voor het bezoldigd vervoer van personen,
bromfietsen en motorfietsen, voertuigen bestemd om te worden verkocht door een belastingplichtige die een economische
activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop van autovoertuigen en voertuigen bestemd om te worden verhuurd door een
belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even
wie (zie ook nog hierna). In het nieuwe, en veel duidelijkere artikel, wordt tevens ook gewoon verwezen naar de hierboven
reeds aangehaalde definitie uit het WIGB teneinde de btw-aftrek op lichte vrachtauto's te regelen.

Ook aftrekbeperking voor vervangwagens?

Deze nieuwe wijze van definiëren van de aftrekbeperking kent echter ook een pervers effect, met name het bijna
ongemerkt invoeren van een bijkomende aftrekbeperking ten aanzien van de btw die drukt op vervangwagens van
garagehouders. In het verleden weigerde de Btw-Administratie deze btw-aftrek in hoofde van garagehouders immers
vaak, met als argument dat zij geen "specifieke economische activiteit" uitoefenden die bestond in het verhuren van
automobielen. De Btw-Administratie vereiste in dit verband namelijk dat men "naar buiten uit gekend was" als
verhuurbedrijf, wat voor garagehouders in het kader van de terbeschikkingstelling van vervangwagens moeilijk aan te
tonen viel. Echter, aangezien dit administratieve standpunt vaak in de rechtspraak werd verworpen, zag men geen andere
uitweg meer dan de btw-wetgeving zelf aan te passen.

In het nieuwe artikel 45 §2 W.Btw wordt de aftrekbeperking voortaan ook niet toegepast op "voertuigen bestemd om te
worden verhuurd door een belastingplichtige die een economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van
autovoertuigen aan om het even wie". Naast het feit dat deze uitzondering voortaan is losgekoppeld van deze die geldt
ten aanzien van personen wiens activiteit bestaat in de verkoop van wagens, blijkt uit de voorbereidende stukken duidelijk
dat men hier, aldus de regering, de "dubbelzinnige" interpretatie van de vroegere uitzondering uit de wereld wenste te
helpen.

Voortaan kunnen dus enkel nog ondernemingen die algemeen bekend zijn als verhuurders van voertuigen én die hun
diensten "in het algemeen" en aan "elkeen" aanbieden, ontsnappen aan de aftrekbeperking van 50 %. De regering
verdedigt daarbij deze wijziging met het argument dat elke afwijking op de principes uit de btw-regelgeving beperkend
dient te worden geïnterpreteerd.

Daarbij gaat zij er wel even aan voorbij dat het Europese Hof van Justitie al diverse malen uitdrukkelijk heeft gesteld dat
het recht op aftrek niet kan worden beperkt, daar het integraal deel uitmaakt van de btw-regeling, waardoor ondernemers
dienen te worden ontlast met de btw die zij betalen in het kader van hun economische activiteit (zie o.m. H.v.J., 26 mei
2005, C-465/03, Kretztechnik AG en H.v.J., 15 januari 1998, C-37/95, Ghent Coal Terminal). Het kan daarbij toch moeilijk
betwist worden dat garagehouders, die een vervangwagen tegen betaling ter beschikking stellen, dit niet zouden doen in
het kader van hun economische activiteit.

Daarnaast zou ook nog kunnen worden geargumenteerd dat de Programmawet in feite een nieuwe aftrekbeperking
invoert, wat expliciet verboden is door de Zesde EU Btw-Richtlijn. Hoewel de regering dit in de voorbereidende werken
reeds tracht te ondervangen door te stellen dat het "de wil van de wetgever [was] om een einde te stellen aan een
verkeerde interpretatie" en dat "uit de zeer uiteenlopende rechtspraak [...] blijkt dat een eenvormige interpretatie niet
bestaat", lijkt ons er wel degelijk vaststaande rechtspraak te bestaan, die echter niet in het voordeel sprak van de Btw-

http://www.standaard-nieuwsbrief.be/01/artikel.cfm?artikelnr=4&the_start=4&type=1... 15/03/2006
pagina 3 van 3

Administratie, waardoor er wel degelijk sprake is van een nieuwe aftrekbeperking.

In dit verband zou desgevallend een beroep kunnen worden gedaan op een reeds bestaand arrest van het Hof van
Justitie uit 2002 (H.v.J., 8 januari 2002, C-409/99, Metropol Treuhand), waarin het Hof stelde dat "wanneer in een lidstaat
de voorbelasting voor bepaalde voertuigen ten tijde van de Zesde Richtlijn mocht worden afgetrokken, door de latere
vaststelling van een nationale regeling die deze voertuigen van het recht op btw-aftrek uitsluit, de draagwijdte van de
bestaande uitsluitingen na de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn [wordt] uitgebreid".

http://www.standaard-nieuwsbrief.be/01/artikel.cfm?artikelnr=4&the_start=4&type=1... 15/03/2006