Vous êtes sur la page 1sur 88

INHOUDSOPGAVE

DEEL 1 : BASISGRAMMATICA VAN HET NEDERLANDS 1. CONJUGAISON .


1.1. Verbes irrguliers ...... 1.2. Les temps 1.3. Hebben ou Zijn aux temps composs? .. 1.4. Rgle du Double Infinitif 1.5. Verbes sparables / insparables ... 1.6. Infinitif avec ou sans TE 1.7. Le passif ..

1 2
3 7 18 20 21 24 27

2. CONSTRUCTION DE LA PHRASE 29
2.1. La phrase simple .... 2.2. La phrase interrogative . 2.3. La phrase ngative 2.4. La phrase complexe .. 30 34 36 39

3. PRONOMS et DTERMINANTS . 42
3.1. Pronoms personnels ..... 3.2. Pronoms possessifs .. 3.3. Pronoms dterminatifs .. 3.4. Pronoms relatifs . 3.5. Adverbes pronominaux . 3.6. Al-Alle(n)-Alles-Allemaal-Heel-Helemaal 3.7. Le mot "ER" 43 45 46 47 49 53 55

4. ADJECTIF ET DEGRS DE COMPARAISON . 56


4.1. Accord de l'adjectif .... 4.2. Degrs de comparaison 57 58

5. DIVERS 60
5.1. Genre du nom (DE ou HET) ...... 5.2. Pluriel du nom . 5.3. Les numraux . 5.3. Rgles d'orthographe..... 61 64 67 71

DEEL 2 : NUTTIGE WOORDENSCHAT

73

1. Nuttige zinnetjes om zich uit te drukken .. 74 2. Nuttige zinnetjes voor telefoongesprekken . 78 3. Tips om een goed opstel te schrijven .. 82 ANNEXE : COMPTENCES TERMINALES ET NIVEAUX CERL 86

DEEL 1 BASISGRAMMATICA VAN HET NEDERLANDS

Cette grammaire a t ralise par F. Dufays partir des sources suivantes: re EQUIPE LANGUES, Nederlandse Grammatica, 1 Marketing, Ephec 2006-2007. MATTENS W. & VANDENBERGHE P., Praktische Spraakkunst van het Algemeen Bruikbaar Nederlands, Kapellen, De Nederlandsche Boekhandel, 1973. OSTYN P. & DEGREEF F., Functionele Spraakkunst van het Nederlands in Tabellen en Oefeningen, zesde druk, Bruxelles, Plantyn, 1983. ROSEN G., Grammaire Illustre du Nerlandais, Namur, Didier Hatier, 1988. Notes personnelles. Les exercices conseills en fin de chaque chapitre renvoient au manuel suivant : ROSEN G., HANS J.-C. & SEGHERS M., Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise, Namur, Didier Hatier, 1994.

1. CONJUGAISON

LES VERBES IRRGULIERS


DE ONREGELMATIGE WERKWOORDEN
La liste qui suit ne reprend que les verbes irrguliers les plus courants. Cette liste doit tre apprise par cur. Ces verbes se conjuguent de la mme manire lorsqu'ils sont accompagns d'une particule (sparable ou non). Exemple : komen venir kwam kwamen gekomen terugkomen revenir kwam terug kwamen terug teruggekomen Infinitief
1 2 3 4 5 6 7 8 9

Franse vertaling tromper commencer comprendre dcider ordonner visiter offrir lier

Imperfectum enkelvoud bedroog begon begreep besloot beval bezocht bood bond

Imperfectum meervoud bedrogen begonnen begrepen besloten bevalen bezochten boden bonden bleken bleven braken brachten dachten deden droegen drongen dronken dwongen aten gingen golden

hebben/zijn + voltooid deelwoord heeft bedrogen heeft / is begonnen heeft begrepen heeft besloten heeft bevolen heeft bezocht heeft geboden heeft gebonden is gebleken is gebleven heeft / is gebroken heeft gebracht heeft gedacht heeft gedaan heeft gedragen heeft / is gedrongen heeft gedronken heeft gedwongen heeft gegeten is gegaan heeft gegolden 3

bedriegen beginnen begrijpen besluiten bevelen bezoeken bieden binden blijken blijven breken brengen denken doen dragen dringen drinken dwingen eten gaan gelden

apparatre, tre bleek vident, se rvler rester briser apporter penser faire porter presser; pntrer boire forcer manger aller valoir bleef brak bracht dacht deed droeg drong dronk dwong at ging gold

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21

22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50

genezen genieten geven glijden grijpen hangen hebben helpen heten houden kiezen kijken klimmen klinken komen kopen krijgen kunnen lachen laten lezen liegen liggen lijden lijken lopen meten mijden moeten

gurir jouir donner glisser saisir pendre avoir aider sappeler tenir choisir regarder grimper rsonner venir acheter recevoir pouvoir rire laisser lire mentir tre couch souffrir paratre marcher, courir mesurer viter devoir

genas genoot gaf gleed greep hing had hielp heette hield koos keek klom klonk kwam kocht kreeg kon lachte liet las loog lag leed leek liep mat meed moest

genazen genoten gaven gleden grepen hingen hadden hielpen heetten hielden kozen keken klommen klonken kwamen kochten kregen konden lachten lieten lazen logen lagen leden leken liepen maten meden moesten

heeft / is genezen heeft genoten heeft gegeven heeft / is gegleden heeft gegrepen heeft gehangen heeft gehad heeft geholpen heeft geheten heeft gehouden heeft gekozen heeft gekeken heeft / is geklommen heeft geklonken is gekomen heeft gekocht heeft gekregen heeft gekund heeft gelachen heeft gelaten heeft gelezen heeft gelogen heeft gelegen heeft geleden heeft geleken heeft / is gelopen heeft gemeten heeft gemeden heeft gemoeten

51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80

mogen nemen raden rijden roepen ruiken scheiden schenken schieten schijnen schrijven schrikken slaan slapen sluiten spannen spreken springen staan steken stelen sterven stijgen strijden treden treffen trekken vallen vangen vechten

pouvoir (permission) mocht prendre deviner rouler appeler sentir, flairer sparer donner, verser tirer (arme) sembler, briller crire seffrayer frapper dormir fermer tendre parler sauter tre debout piquer voler, drober mourir slever combattre marcher toucher tirer, aller tomber attraper se battre nam raadde / ried reed riep rook scheidde schonk schoot scheen schreef schrok sloeg sliep sloot spande sprak sprong stond stak stal stierf steeg streed trad trof trok viel ving vocht

mochten namen

heeft gemoogd heeft genomen

raadden / rieden heeft geraden reden riepen roken scheidden schonken schoten schenen schreven schrokken sloegen sliepen sloten spanden spraken sprongen stonden staken stalen stierven stegen streden traden troffen trokken vielen vingen vochten heeft / is gereden heeft geroepen heeft geroken heeft / is gescheiden heeft geschonken heeft geschoten heeft geschenen heeft geschreven is geschrokken heeft geslagen heeft geslapen heeft gesloten heeft gespannen heeft gesproken heeft / is gesprongen heeft gestaan heeft gestoken heeft gestolen is gestorven is gestegen heeft gestreden heeft / is getreden heeft getroffen heeft / is getrokken is gevallen heeft gevangen heeft gevochten 5

81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92

verbieden

interdire

verbood verdween vergeleek verkocht verliet verloor verstond vertrok verzon vond vloog vroeg / vraagde vroor waste wierf wierp wist wees wou / wilde won werd zei / zegde zond zag was zong zat zocht zwom zweeg

verboden verdwenen vergeleken verkochten verlieten verloren verstonden vertrokken verzonnen vonden vlogen vroegen / vraagden vroren wasten wierven wierpen wisten wezen wouden / wilden wonnen werden zeiden / zegden zonden zagen waren zongen zaten zochten zwommen zwegen

heeft verboden is verdwenen heeft vergeleken heeft verkocht heeft verlaten heeft verloren heeft verstaan is vertrokken heeft verzonnen heeft gevonden heeft / is gevlogen heeft gevraagd heeft / is gevroren heeft gewassen heeft geworven heeft geworpen heeft geweten heeft gewezen heeft gewild heeft gewonnen is geworden heeft gezegd heeft gezonden heeft gezien is geweest heeft gezongen heeft gezeten heeft gezocht heeft / is gezwommen heeft gezwegen 6

verdwijnen disparatre vergelijken comparer verkopen verlaten verliezen verstaan vendre quitter perdre comprendre

vertrekken partir verzinnen vinden vliegen vragen vriezen wassen werven werpen weten wijzen willen winnen worden zeggen zenden zien zijn zingen zitten zoeken zwemmen zwijgen imaginer trouver voler (air) demander geler laver recruter jeter savoir montrer vouloir gagner devenir dire envoyer voir tre chanter tre assis chercher nager se taire

93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110

LES TEMPS
DE TIJDEN

Aperu gnral + diffrentes dnominations


FRANAIS indicatif prsent indicatif imparfait ou prtrit (+pass simple) pass compos NEERLANDAIS O.T.T. Onvoltooid Tegenwoordige Tijd O.V.T. Onvoltooid Verleden Tijd V.T.T. Voltooid Tegenwoordige Tijd V.V.T. Voltooid Verleden Tijd O.Toek.T. Onvoltooid Toekomende Tijd O.V.Toek T. Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd V.Toek.T. Voltooid Toekomende Tijd VVToek T. Voltooid Verleden Toekomende Tijd (de) gebiedende wijs (het) tegenwoordig deelwoord (het) voltooid deelwoord (de) infinitief of onbepaalde wijs EXEMPLE ik werk FR je travaille je travaillais ik werkte je travaillai ik heb gewerkt j'ai travaill

plus-que-parfait

ik had gewerkt

j'avais travaill

futur simple

ik zal werken

je travaillerai

conditionnel prsent

ik zou werken

je travaillerais

futur antrieur

ik zal gewerkt hebben

j'aurai travaill

conditionnel pass impratif participe prsent participe pass mode infinitif

ik zou gewerkt hebben werk! werkend gewerkt werken

j'aurais travaill travaille! travaillant travaill travailler

1. L'INDICATIF PRSENT = het presens / de onvoltooid tegenwoordide tijd (O.T.T.)


A. Les auxiliaires
HEBBEN (avoir)
Ik heb ( heb jij ? Ik

ZIJN (tre)
ben ( ben jij ?

Je/Jij hebt heb je?) U

Je/Jij bent ben je?) U bent

hebt / heeft

Hij heeft Ze/Zij Het We hebben

Hij is Ze/Zij Het We zijn

Jullie hebben Ze/Zij hebben

Jullie zijn Ze/Zij zijn

B. Les auxiliaires de mode


KUNNEN
= pouvoir, tre capable

MOGEN
= pouvoir, avoir la permission

MOETEN
= devoir

WILLEN
= vouloir

ik Je / Jij U Hij/Ze/Het We Jullie Ze

kan kan / kunt kan / kunt kan

mag mag mag mag

moet moet moet moet

wil wil / wilt wil / wilt wil

kunnen

mogen

moeten

willen

C. Les autres verbes


WERKEN ik Je/Jij U Hij/Ze/Zij/Het We Jullie Ze/Zij werken reizen slapen blijven liggen houden werkt reist slaapt blijft ligt houdt werk REIZEN reis SLAPEN slaap BLIJVEN blijf LIGGEN lig HOUDEN hou(d)

Remarques: 1re personne du singulier = radical du verbe (= infinitif dont on a enlev le suffixe -en ou -n) Ex.: ik werk / ik doe / ik ga / ik lig 2me et 3me personne du singulier = radical + t Ex. : je werkt / hij gaat/ hij ligt Pluriel = infinitif Ex.: we werken/ we doen / we gaan / we liggen

A la 2me pers. du singulier, la terminaison t est supprime quand le sujet "JE" ou "JIJ" suit directement le verbe.
Ex.: Je werkt Werk je deze namiddag ? Vandaag werk je niet. mais : Werkt je zuster vandaag ? (dans cette phrase le sujet est "je zuster" et pas "je"

Attention aux rgles dorthographe (voir page 71-72): 1) un son long doit rester long et un son court doit rester court, Ex. maken liggen reizen leven ik maak, hij maakt, we maken ik lig, hij ligt, we liggen ik reis, hij reist, we reizen ik leef, hij leeft, we leven

2) Z/S et V/F Ex.

A la 2me et 3me personne du singulier, on ajoute t un radical se terminant par d mais on najoute pas de t un radical se terminant lui-mme par t Ex. houden ik houd, hij houdt zitten ik zit, hij zit

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p.75-83

2. L'IMPARFAIT ou PRTRIT = het imperfectum / de onvoltooid verleden tijd (O.V.T.)


A. Verbes rguliers (= verbes "faibles")
Formation: radical du verbe + TE(N) si la lettre prcdant le EN l'infinitif fait partie de T-K-o-F-S-CH-i-P (ou FranKlin Prend Son Th CHaud) + X
ce n'est pas la dernire lettre du radical qu'il faut regarder!!

+ DE(N)

dans les autres cas

Quelques exemples : INFINITIF luisteren werken vluchten reizen leven schoonmaken voorbereiden RADICAL luisterwerkvluchtreisleefmaak- ..schoon bereid- .. voor IMPARFAIT luisterde werkte vluchtte reisde leefde maakte schoon bereidde voor

NB: L'imparfait et le pass simple en franais correspondent au mme temps en nerlandais. Imparfait Pass simple Je travaillais ik werkte Je travaillai

B. Verbes irrguliers (= verbes "forts")


Voir liste des temps primitifs page 3 6.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p.84-88

10

3. LE PASS COMPOS = het perfectum / de voltooid tegenwoordige tijd (V.T.T.)


A. Formation
NL hebben/zijn + part. pass Ik heb gisteren thuis gewerkt Hij is naar Parijs gegaan. FR avoir/tre + participe pass J'ai travaill la maison hier Il est all Paris

B. Formation du participe pass :


1. VERBES RGULIERS +T GE + + RADICAL +D si la lettre prcdant le EN l'infinitif fait partie de T-K-o-F-S-CH-i-P (ou FranKlin Prend Son Th CHaud) + X dans les autres cas

Pas de GE devant BE-ER-GE-HER-ONT-VER Quelques exemples: INFINITIF luisteren werken vluchten reizen leven schoonmaken voorbereiden begeleiden RADICAL luisterwerkvluchtreisleefmaak- ..schoon bereid- .. voor begeleidPARTICIPE PASS geluisterd gewerkt gevlucht gereisd geleefd schoongemaakt voorbereid begeleid

2. VERBES IRRGULIERS : voir liste des verbes irrguliers pages 3 6.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p.89-95

11

4. LE PLUS-QUE-PARFAIT = het plusquamperfectum / de voltooid verleden tijd (V.V.T.)


A. FORMATION
NL hebben/zijn + part. pass Ik had gewerkt Hij was gegaan FR avoir/tre + part. pass j'avais travaill Il tait all

B. UTILISATION
1. exprime une action ou situation antrieure un moment donn du pass Ik had thuis gewerkt. Hij was naar Parijs gegaan. Nadat hij zijn koffer had gepakt, vertrok hij naar Brussel. 2. exprime un souhait irralisable ou un regret (avec MAAR) Had ik dat maar geweten ! J'avais travaill la maison. Il tait all Paris. Aprs avoir fait (qu'il eut fait) sa valise, il partit pour Bruxelles.

Si j'avais su cela !

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 96-98

12

5. LE FUTUR SIMPLE = het futurum / de onvoltooid toekomende tijd (O.Toek..T.)


A. FORMATION
NL zal / zullen + infinitif Ik zal werken FR forme spciale du verbe Je travaillerai

B. UTILISATION
1. Action future Ik zal morgen werken We zullen met vakantie gaan. 2. Exprimer une offre Zal ik uw boekentas dragen? Je travaillerai demain. Nous irons en vacances Est-ce que vous voulez que je porte votre cartable? ( mon avis) Ils doivent tre absents. Ecoute bien, je vais te le dire.

3.

Probabilit Supposition Futur proche

Ze zullen zeker afwezig zijn.

4.

Luister goed, ik zal het je zeggen

Remarques : 1. L'infinitif est renvoy en fin de phrase. ex.: We zullen dit jaar zeker met vakantie gaan.

2.

Lorsque le verbe au futur est accompagn d'un autre verbe l'infinitif, on a 2 infinitifs en fin de phrase : d'abord celui du futur puis l'autre infinitif. C'est souvent le cas avec des verbes comme kunnen, mogen, willen et moeten. ex. : Hij zal op je vraag niet kunnen antwoorden. (zal kunnen = futur)

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 98-100

13

6. LE CONDITIONNEL PRSENT = conditionalis presens = de onvoltooid verleden toekomende tijd (O.V.Toek.T.)


A. FORMATION
NL zou / zouden + infinitif Ik zou werken We zouden werken FR forme spciale du verbe Je travaillerais Nous travaillerions

B. UTILISATION
1. phrase conditionnelle de type 2 (// franais) exprimer un dsir Als hij ziek was, zou hij niet opbellen. Ik zou u iets willen vragen. S'il tait malade, il ne tlphonerait pas. Je voudrais vous demander quelque chose Nous devions (tions censs) emporter le rapport.
(= imparfait en FR!!)

2.

3.

chose convenue davance We zouden het rapport au pass meenemen.

4.

chose invitable, fatalit (dans le pass)

Die vrouw zou wat later sterven. Cette femme devait mourir un peu plus tard. (= imparfait en FR!!)

Remarques : 1. Usage frquent avec KUNNEN, WILLEN et MOETEN Ik zou dokter willen worden. Je zou moeten luisteren. Zou je dat kunnen doen? 2. Ik zou graag /liever IK ZOU GRAAG + INFINITIF Ik zou hem graag zien IK ZOU LIEVER + INFINITIF Ik zou liever naar Itali gaan J'AIMERAIS + INFINITIF J'aimerais le voir (= je le verrais volontiers) JE PRFRERAIS + INFINITIF Je prfrerais aller en Italie (= j'irais de prfrence) deux infinitifs en fin de phrase

Je voudrais devenir docteur. Tu devrais couter. Pourrais-tu faire cela?

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 101-103

14

7. LE FUTUR ANTRIEUR = het futurum perfectum = de voltooid toekomende tijd (V.Toek..T.)


FR avoir au futur + part. pass tre J'aurai travaill Il sera all Paris Ik zal gewerkt hebben Hij zal naar Parijs gegaan zijn. zullen + part. pass + zijn NL hebben

Usage trs semblable au FR !

8. LE CONDITIONNEL PASS = conditionalis perfectum = de voltooid verleden toekomende tijd (V.V.Toek.T.)


FR avoir (cond.) + part. p. tre J'aurais travaill Ils seraient alls Paris Ik zou gewerkt hebben Ze zouden naar Parijs gegaan zijn. zou(den) + part. p. + zijn NL hebben

USAGES 1. conditionnel de type 3 (irrel) 2. remplace le futur antrieur dans le discours indirect

NL Als ik dat maar had geweten, dan zou ik hem gesproken hebben. De commissaris zei dat hij de dief later gearresteerd zou hebben.

FR Si j'avais su cela, je lui aurais parl. Le commissaire dclara qu'il aurait arrt le voleur plus tard.

NB: En NL, le conditionnel pass est souvent remplac par le plus-que-parfait : Ex.: Je zoon had nog beter gespeeld (= je zoon zou nog beter gespeeld hebben)

15

9. L'IMPRATIF = het imperativum / de gebiedende wijs

NL SINGULIER Spreek luider, aub! Kom binnen! Kom jij maar binnen! Komt u (maar) binnen, meneer! Gaat u (maar) zitten!

FR Parle plus fort, svp! Entre! Entre seulement! Entrez, monsieur! Asseyez-vous !

PLURIEL

Kom (maar) binnen, jongens! Komt u (maar) binnen, heren! Komen jullie (maar) binnen, heren! Laten we even stoppen. Laten we niet vergeten dat Laten we zeggen dat Laat ons zeggen dat

Entrez, les garons! Entrez, messieurs!

Arrtons un instant. N'oublions pas que... Disons que

Wees kalm, aub !

Sois calme, svp ! Soyez calme, svp !

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 106-107

16

10. LE PARTICIPE PRSENT = het participium presens / het tegenwoordig deelwoord


A. FORMATION
NL INFINITIF +D + DE (verbe d'1 seule syll.) werkend gaande doende travaillant allant faisant FR Forme en ANT

B. UTILISATION
1. adjectif pithte 2. nom 3. attribut 4. adverbe 5. grondif 6. avec AL Een boeiend verhaal De volgende, a.u.b. De vrouw was stervend Hij eet verbazend veel Lopend maakt dat n uur. Al lopend keek hij naar de bomen. Un rcit passionnant Le suivant, svp. La femme tait mourante Il mange tonnamment beaucoup En marchant, a fait une heure. Tout en marchant, il regardait les arbres.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 108-110

17

HEBBEN ou ZIJN aux TEMPS COMPOSS?


HEBBEN of ZIJN in de SAMENGESTELDE TIJDEN?

1. EN GNRAL : IDEM QU'EN FRANCAIS


Ik heb dat gedaan. Je hebt alles begrepen. Ik ben naar Brussel gegaan. Hij is gekomen. J'ai fait cela. Tu as tout compris. Je suis all Bruxelles. Il est venu.

2. DIFFRENCES NERLANDAIS >< FRANCAIS


A. 1. Verbes RFLCHIS et RCIPROQUES HEBBEN in het Nederlands Ze heeft zich gewassen. Ze hebben elkaar ontmoet. >< ETRE en Franais Elle s'est lave. Ils se sont rencontrs.

><

2. Verbes de POSITION ZITTEN STAAN LIGGEN HANGEN Ik heb op deze stoel gezeten. Hij heeft op zijn bed gelegen >< Je me suis assis sur cette chaise. Il s'est couch sur son lit.

B. 1. Verbe TRE ZIJN

ZIJN in het Nederlands

><

AVOIR en Franais

Ik ben geweest.

>< J'ai t.

2. Verbes exprimant une RUSSITE ou un CHEC SLAGEN ZAKKENMISLUKKEN

Ze is voor haar examens geslaagd. Ze is voor haar examens gezakt Mijn plan is mislukt.

Elle a russi ses examens. >< Elle a rat ses examens. Mon plan a chou.

18

C.

ZIJN ou HEBBEN in het Nederlands a. ZIJN si la destination est indique on insiste sur le mouvement, le dplacement Hij is naar buiten gelopen. Ik ben naar Luik gefietst. b. HEBBEN si la destination n'est indique on insiste sur l'action, le fait de faire du vlo, de courir, Hij heeft vandaag veel gelopen. Ik heb de hele dag gefietst.

><

gnralement AVOIR en Franais

1. verbes de MOUVEMENT LOPEN RIJDEN FIETSEN VLIEGEN REIZEN

>< Il a couru dehors. Je suis all Lige en vlo.

>< Il a beaucoup couru aujourd'hui. J'ai fait du vlo toute la journe

2. verbes exprimant a. Emploi sans COD (=intransitif) un CHANGEMENT ZIJN D'TAT Ze zijn gisteren verhuisd. VERANDEREN Hij is de laatste jaren veel VERDWIJNEN veranderd. WORDEN VERHUIZEN b. Emploi avec COD (=transitif) STERVEN HEBBEN Ze hebben hun piano verhuisd. Hij heeft zijn naam veranderd.

>< Ils ont dmnag hier. Il a beaucoup chang ces dernires annes.

>< Ils ont dmnag leur piano. Il a chang son nom.

3. COMMENCER BEGINNEN (MET)

Hij is met zijn werk begonnen. Maar : Hij heeft zijn werk begonnen ><

il a commenc son travail

4. OUBLIER VERGETEN

a. "ne pas se souvenir"

ZIJN >< Elle a oubli son numro de tlphone.

Ze is haar telefoonnummer vergeten. b. "avoir laiss quelque part" ZIJN of HEBBEN Ik heb / ben mijn paraplu in de trein vergeten.

><

J'ai oubli mon parapluie dans le train.

19

LE DOUBLE INFINITIF
DE DUBBELE INFINITIEF
Rgle : Aux temps composs, le participe pass de certains verbes est remplac par l'infinitif quand ces verbes sont suivis d'un autre infinitif. On a donc 2 infinitifs qui se suivent. Cette rgle concerne principalement : 1. les auxiliaires de mode kunnen pouvoir (possibilit) mogen pouvoir (permission)
Ik heb het huis niet kunnen kopen. Jan heeft gisteravond niet mogen uitgaan. We hebben vroeg moeten vertrekken Hij heeft me niet willen geloven. Heb je hem zien vertrekken? Ik had hem nog nooit horen zingen. Ze heeft haar baby in haar buik voelen bewegen. Ik heb de hele avond naar de televisie zitten kijken. Ik heb nog een tijdje met hem staan babbelen. Mieke heeft een uur op haar bed liggen dromen. Ze is me gisteren komen zien. Ik ben met een vriend gaan eten. Ik heb hem de waarheid niet durven zeggen. Hij heeft zijn zuster doen wenen. Hij is bij mij blijven slapen. Hij heeft ons niet laten doen. Ze heeft met hem leren rijden. Hij heeft me mijn koffer helpen dragen.

moeten devoir willen 2. les verbes de perception des sens zien horen voelen 3. Les verbes de position zitten staan liggen 4. les verbes suivants komen gaan durven doen blijven laten leren helpen vouloir voir entendre sentir tre assis tre debout tre couch venir aller oser faire rester laisser apprendre aider

Les autres verbes se conjuguent comme en franais et sont suivis de TE + infinitif. Comparez: Je l'ai entendu pleurer. p.p. inf. Mais : J'ai dcid de partir tt. p.p. inf. Ik heb beslist vroeg te vertrekken p.p. inf. parce que BESLISSEN n'est pas dans la liste Ik heb hem horen wenen. inf. inf. parce que HOREN est dans la liste

Tuyau : Quand il y a un DE ou un A devant l'infinitif en FR, il y a gnralement un TE en NL et donc pas de double infinitif.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 117 ex. 135 20

VERBES SPARABLES et INSPARABLES


SCHEIDBARE en ONSCHEIDBARE WERKWOORDEN

1.

BE ER GE HER ONT - VER

TOUJOURS INSPARABLES

l'accent tonique tombe sur la deuxime syllabe (en gras dans les exemples ci-dessous) Infinitief Voltooid deelwoord (participe pass) benvloed begonnen ervaren erkend gebruikt gebeurd herinnerd hernomen ontmoet verdwenen

BE

benvloeden beginnen

ER

ervaren erkennen

GE

gebruiken gebeuren

HER

herinneren hernemen

ONT VER

ontmoeten verdwijnen

2.

AF BIJ BINNEN BUITEN

MEE MEDE NA LANGS

IN NEER OP OPEN

TERUG TOE TEGEN UIT

VOORT WEG

TOUJOURS SPARABLES l'accent tonique tombe sur la particule.

Place de la particule sparable dans la phrase: Prsent Imparfait Impratif Temps composs avec OMTE subordonne (P2) Hij komt met hem terug Hij kwam met hem terug Kom binnen! Ik heb de directeur opgebeld Ik bel je op om je uit te nodigen. Ik weet niet of hij morgen terugkomt Il revient avec lui Il revenait avec lui Entre! J'ai appel le directeur Je t'appelle pour t'inviter Je ne sais pas s'il revient demain

21

3.

AAN ACHTER

DOOR MIS

OM ONDER

OVER VOL

VOOR WEER

SPARABLES OU NON, SELON LE SENS

sens premier, concret sens figur, abstrait

sparable accent tonique sur la particule insparable accent tonique sur le verbe

Exemples:

DOORLOPEN DOORLOPEN

Continuer son chemin Parcourir un livre

Hij stopte niet maar liep door Hij heeft het boek doorlopen

ONDERGAAN ONDERGAAN

Se coucher Subir

De zon gaat onder Ze heeft een zware operatie ondergaan

OVERKOMEN OVERKOMEN

Passer, franchir Arriver qqn.

Zonder ladder kom ik die muur niet over Zo iets is mij nog nooit overkomen

VOLDOEN VOLDOEN

Remplir Satisfaire

Ze deed de vaas vol Ik heb aan mijn belofte voldaan

VOORKOMEN VOORKOMEN

Devancer, dpasser Prvenir, empcher

Hij trachtte Kelly voor te komen Ik heb die ramp voorkomen

22

4. LES VERBES INSPARABLES LES PLUS COURANTS

FR aanvaarden mislukken onderbreken onderhandelen onderhouden ondernemen onderschatten onderscheiden ondertekenen ondervinden onderwijzen onderzoeken overdrijven overleven overtuigen voorspellen voorzien accepter chouer interrompre ngocier entretenir entreprendre sous-estimer distinguer signer exprimenter enseigner examiner, tudier exagrer survivre convaincre prdire prvoir

Imperfectum aanvaardde mislukte onderbrak onderhandelde onderhield ondernam onderschatte onderscheidde ondertekende ondervond onderwees onderzocht overdreef overleefde overtuigde voorspelde voorzag

Perfectum heeft aanvaard is mislukt heeft onderbroken heeft onderhandeld heeft onderhouden heeft ondernomen heeft onderschat heeft onderscheid heeft ondertekend heeft ondervonden heeft onderwezen heeft onderzocht heeft overdreven heeft overleefd heeft overtuigd heeft voorspeld heeft voorzien

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 123-126

23

INFINITIF AVEC OU SANS "TE"


INFINITIEF MET OF ZONDER TE
1. Rgle gnrale : un verbe l'infinitif utilis dans une phrase est prcd de TE

Ze vergeet de rekening te betalen. k ben van plan nu terug te gaan. Ze kreeg geld om naar Itali te reizen.

Elle oublie de payer la note. J'ai l'intention de rentrer maintenant. Elle a reu de l'argent pour voyager en Italie.

2. L'infinitif ne prend PAS DE 'TE' lorsqu'il est prcd d'un des verbes suivants:

auxiliaires verbes de perception des sens les verbes

kunnen, moeten, mogen, willen, zullen zien, horen, voelen doen, laten, leren, helpen blijven, komen, gaan

Ze wilde naar muziek luisteren. Ik hoorde hem zingen. ik blijf hier wachten.

NB:

Aux temps composs, ces mmes verbes se transforment en infinitif s'il sont suivis d'un autre infinitif. C'est la rgle du double infinitif (cf. page 20)

3. FORME PROGRESSIVE ("en train de") avec les VERBES DE POSITION toujours TE aux temps simples jamais TE aux temps composs

Hij zit op zijn stoel te dromen Hij heeft twee uur op zijn stoel zitten dromen

Il est en train de rver sur sa chaise. Il est rest deux heures rvasser sur sa chaise.

Autres exemples aux temps simples (= plus frquents!) Hij staat door het raam te kijken Hij ligt in zijn bed te dromen. De was hangt buiten te drogen. Hij liep in de stad te niksen. Il est (debout) en train de regarder par la fentre Il est (couch) occup rver dans son lit. La lessive est en train de scher dehors (pendue). Il marchait dans la ville ne rien faire.

24

Comparaison FR // NL
Rgle gnrale : s'il y a un ou DE devant l'inf. en FR
pas de ou DE Veux-tu rester? Non, je dois partir. Je t'entends parler. Nous allons dormir. Wil je blijven? Nee, ik moet vertrekken. Ik hoor je spreken. We gaan slapen.

il y a un TE en NL.
pas de TE

DE ou devant l' infinitif Elle oublie de payer. J'ai l'intention de rester. Il commena pleuvoir. Je n'ai rien faire. C'est difficile dire.

TE + INF. Ze vergeet te betalen Ik ben van plan te blijven Het begon te regenen Ik heb niets te doen. Het is moeilijk te zeggen.

Exceptions
Pas de /DE en FR Il semble avoir raison. Cela s'avra tre inexact. Je pense faire cela. Elle espre russir. Il souhaite parler. Tu ne dois pas faire a (= tu n'as pas le faire) >< >< TE in het NL Hij schijnt gelijk te hebben. SCHIJNEN TE Dat bleek onjuist te zijn. Ik denk dat te doen. Ze hoopt te slagen. Hij wenst te spreken. Je hoeft dat niet te doen. BLIJKEN TE DENKEN TE HOPEN TE WENSEN TE NIET HOEVEN TE

/ DE en FR Je t'aiderai tudier. Mon enfant apprend parler.

><

pas de TE en NL Ik zal je helpen studeren. Mijn kind leert spreken. HELPEN TE LEREN TE

25

Quelques expressions utiles avec TE + INF.

Ze spaart om een auto te kopen. Hij wil rijk worden zonder te moeten werken. Studenten kunnen actief meedoen aan de les door vragen te stellen Na dit te hebben gezegd, ging hij weg.

Elle pargne pour acheter une voiture. Il veut devenir riche sans devoir travailler. Les tudiants peuvent participer activement au cours en posant des questions. Aprs avoir dit cela, il s'en alla.

Je moet nadenken alvorens iets te doen. Werk wat meer in plaats van te zeuren ! We zullen alle mogelijke maatregelen nemen teneinde de producten op tijd te leveren Ik vind het moeilijk Nederlands te spreken. Ik heb geen tijd om met jou te praten Ik heb geen zin om naar de feest te gaan Ik ben klaar om te vechten. Ik ben bereid om erover te praten. Het is niet gemakkelijk (om) hier te leven.

Tu dois rflchir avant de faire quelque chose. Travaille un peu plus au lieu de rler! Nous prendrons toutes les mesures possibles afin de livrer les produits temps. Je trouve difficile de parler le nerlandais Je n'ai pas le temps de parler avec toi. Je n'ai pas envie d'aller la fte. Je suis prt me battre. Je suis dispos en parler. Ce n'est pas facile de vivre ici.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 111-118

26

LA VOIE PASSIVE ou LE PASSIF


DE PASSIEVE VORM of HET PASSIVUM
Voir aussi : Niet Vanzelfsprekend p. 342-343 1. Le passif transforme le Complment Direct (CD) de la phrase active en sujet, et le sujet en complment dagent. Le complment d'agent n'est pas utilis s'il n'est pas indispensable. ACTIF De politie bewaart het geld. sujet CD Iemand maakt straks het toilet schoon. sujet CD PASSIF Het geld wordt door de politie bewaard. sujet compl. d'agent Het toilet wordt straks door iemand schoongemaakt.

2. Aux temps simples, l'auxiliaire du passif est WORDEN ACTIF prsent


Jan lit mon livre

PASSIF
Mon livre est lu par Jean

Jan leest mijn boek imparfait / pass simple futur simple conditionnel prsent
Jan lisait / lut mon livre

Mijn boek wordt door Jan gelezen


Mon livre tait lu / fut lu par Jean

Jan las mijn boek


Jan lira mon livre

Mijn boek werd door Jan gelezen


Mon livre sera lu par Jean

Jan zal mijn boek lezen


Jan lirait mon livre

Mijn boek zal door J. gelezen worden


Mon livre serait lu par Jean

Jan zou mijn boek lezen

Mijn boek zou door J. gelezen worden

3. Aux temps composs, l'auxiliaire du passif est ZIJN ACTIF pass compos plus-queparfait futur antrieur conditionnel pass
Jan a lu mon livre

PASSIF
Mon livre a t lu par Jean

Jan heeft mijn boek gelezen


Jan avait lu mon livre

Mijn boek is door Jan gelezen


Mon livre avait t lu par Jean

Jan had mijn boek gelezen


Jan aura lu mon livre

Mijn boek was door Jan gelezen


Mon livre aura t lu par Jean

J. zal mijn boek gelezen hebben


Jan aurait lu mon livre

Mijn boek zal door Jan gelezen zijn


Mon livre aurait t lu par Jean

J. zou mijn boek gelezen hebben

Mijn boek zou door J gelezen zijn

27

4. Quand utilise-t-on le passif? 4.1. Pour mettre l'accent plus sur l'ACTION que sur la personne qui fait l'action. Er wordt niet gegeten tijdens de les! Er wordt gebeld. Mijn moeder wordt morgen geopereerd. 4.3. Dans certaines formules (style formel) U wordt vriendelijk uitgenodigd op ons huwelijksfeest. Vous tes cordialement invit notre fte de mariage. On ne mange pas pendant le cours! On sonne. Ma mre se fait oprer demain 4.2. Lorsque la personne qui fait l'action n'est pas connue ou pas importante.

5. Le complment d'agent (door ) peut se placer diffrents endroits. Het geld Het geld wordt wordt door de politie bewaard bewaard door de politie

6. On doit utiliser ER + passif 6. 1. Quand le sujet de la phrase passive est indfini (c.--d. prcd de een, geen ou rien) ou quand il n'y a pas de sujet du tout. (= souvent une phrase active avec "ON" en FR) ACTIF Men heeft een vergissing gemaakt. Men deelt gratis soep uit. Men verkoopt / Ze verkopen boeken in deze winkel. Men spreekt hier Nederlands (Iemand belt) PASSIF Er werd een vergissing gemaakt Er wordt gratis soep uitgedeeld. Er worden boeken verkocht in deze winkel. Er wordt hier Nederlands gesproken. Er wordt gebeld. FR Une erreur a t commise. On a commis une erreur. On distribue de la soupe gratuitement. On vend des livres dans ce magasin. On parle nerlandais ici. On sonne.

NB: le ER disparat si la phrase passive commence par un complment de lieu. Ex. In deze winkel worden er boeken verkocht.

6. 2.

ER MOET(EN) + passif = IL FAUT + infinitif Il faut faire quelque chose Il faut prendre des mesures

Er moet iets gedaan worden. Er moeten maatregelen genomen worden

NB: Certains verbes pronominaux FR avec sens passif sont traduits par un passif en NL. ex. : Comment se traduit ce mot? Hoe wordt dat woord vertaald?

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 120-123 28

2. CONSTRUCTION DE LA PHRASE

29

CONSTRUCTION DE LA PHRASE SIMPLE


ZINSBOUW : DE ENKELVOUDIGE ZIN

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 8-12

A. STRUCTURE EN TENAILLES (TANGCONSTRUCTIE)


Examinez les phrases ci-dessous:

Sujet Ze Ze Hij Ik Lies Jan Hij

VERBE heeft wil heeft bereid koopt is komt

Complments een nieuwe auto een nieuwe auto gisteren een nieuwe auto mijn lessen haar krant nu al een week maandag zeker bij ons

RESTE VERBAL / ELMENT FINAL gekocht kopen kunnen kopen voor niet ziek op bezoek participe pass infinitif double infinitif particule sparable niet dans structure avec CD attribut partie non verbale d'une expression complment prpositionnel d'un verbe prp. fixe

Ik

wacht

nu al meer dan een uur

op hem

Dans chacune de ces phrases, on a un groupe verbal compos d'un verbe conjugu + un "reste verbal". Le verbe conjugu se trouve en deuxime position et le "reste verbal" en fin de phrase : cest le principe de la construction "en tenailles". Entre les deux pinces de la tenaille, on place la plupart des complments.

30

B. ORDRE DES COMPLEMENTS


Compl. SANS prposition S V
pronom seul

Compl. AVEC prposition


comp bl. prp. fixe

adverbe

CI

CD

temps

autres

lieu

reste verbal ou lment final

Ik

geef

hem

nu hier daar

een boek

voor zijn verjaardag

Ik

heb

gisteren

mijn vriend een boek

gegeven

Ik

heb

gisteren

een boek

aan mijn vriend

gegeven

Je

moet

een colli

voor 8 uur

per post

naar Luik

versturen

Ze

is

gisteren

om 9 uur

met Jan

naar zee

vertrokken

Hij

legt

dat

zeer goed

aan de leerlingen

uit

Ik

heb

tot 10 uur

in het caf

op hem

gewacht

An

is

inderdaad

in juni

met haar ouders

bij ons

op bezoek

gekomen

Rgles principales: 1. On place gnralement les complments sans prposition avant les complments avec prposition. Ex. : Hij komt morgen om zeven uur. 2. Ordre respecter dans les complments sans prpositions : 1. les pronoms (personnels ou dmonstratifs) 2. les mots HIER et DAAR 3. les autres adverbes comme gisteren, vandaag, zeker, 4. les complments indirects (CI ) 5. les complments directs (CD) Ex. : Ik geef hem nu een boek. / Ik geef nu mijn vriend een boek. 3. Ordre respecter dans les complments avec prpositions : temps autre lieu Truc mnmotechnique : " le temps devant - le lieu la queue - le reste au milieu" Ex. : De man werd na het ongeval door de politie op het commissariaat ondervraagd. temps compl. d'agent lieu

31

NB : PLACE DU COMPLEMENT DIRECT (CD) ET COMPLEMENT INDIRECT (CI) Comparez : Je Ik donne geef un livre C.D. een boek CD ou: Ik geef mon ami C.I. aan mijn vriend CI avec prp. mijn vriend CI sans prp een boek CD

Je Ik geef

le pron. pers. CD het pron. pers. CD

lui pron. pers. CI hem pron. pers. CI

donne

Je Ik

te CI geef

donne je pron. pers. CI

cela pron. dmonstratif dat pron. dmonstratif

NB: Les CD ou CI dfinis (prcds d'un article dfini, d'un possessif, ) se placent gnralement avant les CD/CI indfinis et mme avant les adverbes. Comparez: Jan heeft vandaag een nieuwe gsm gekocht. Jan heeft zijn nieuwe gsm vandaag gekocht. Vera geeft snel een beetje geld aan Xavier. Vera geeft het geld snel aan Xavier.

32

C. INVERSION
Comme en franais, une phrase nerlandaise peut commencer par autre chose que le sujet. Dans ce cas, le verbe reste en deuxime position et le sujet se place juste aprs le verbe. on fait donc une inVerSion (Verbe + Sujet). Quelques exemples: Elment autre que le sujet Nu Gisteren Daarom Toen In die winkel Wat Als ik tijd heb, Verbe Sujet Complments Elments finaux

is ben wil sprak zijn heb doe

het ik ik U de prijzen je ik

misschien te laat naar de bioscoop vandaag er weer zeer interessant gisteren graag gedaan? aan sport gegaan thuis blijven over

ON NE FAIT PAS D'INVERSION APRS : 1. Une conjonction EN, OF, MAAR, WANT de coordination Maar dat is misschien duur. Ik ga niet mee want Piet komt op bezoek. Jawel, ik kan vanavond komen. Nee, dat gaat niet! Hoera, we hebben gewonnen! 3. Une apostrophe Dames en heren, Jan, Meneer, Beste vrienden, Kortom, (en bref) Inderdaad, (en effet) Welnu, (eh bien, alors, maintenant, ) Integendeel, (au contraire) Met andere woorden, (en d'autres mots) Terloops gezegd, (soit dit en passant) Tussen haakjes gezegd,
(entre parenthses, par parenthse,)

2. Une interjection

Kijk, zeg, ja, jawel, nee, helaas, zeker, hoera,

Jan, je bent mijn vriend. Dames en Heren, ik heet u welkom.

4. Aprs les adverbes et expressions suivantes (suivis d'une virgule)

Inderdaad, hij kent zijn les. In een woord, we moeten voorzichtig zijn.

NB: Avec BOVENDIEN - DUS - TROUWENS - NATUURLIJK - OVERIGENS, on a le choix: Bovendien , ze kan nog niet spelen. (on considre que ll. ne fait pas partie de la phrase Bovendien kan ze nog niet spelen (on considre que ll. fait partie de la phrase
virgule)

pas de vrigule)

33

LA PHRASE INTERROGATIVE
DE VRAGENDE ZIN
Il a 2 types de phrases interrogatives :

1. Phrase interrogative commenant par le verbe :


Heb je Da Vinci Code al gelezen? Kunt u de vraag herhalen alstublieft? As-tu dj lu Da Vinci Code? Est-ce que tu as dj lu Da Vinci Code? * Pouvez-vous rpter la question, s'il vous plat? Est-ce que vous pouvez rpter ? *

Le "est-ce que" franais ne se traduit pas en NL !!

2. Phrase interrogative commenant par un mot interrogatif :


a. WIE WAT pour sinformer de lidentit dune personne ou dune chose. Qui est cette dame? Qu'est-ce que tu dis? Que dis-tu? Que vas-tu faire maintenant? Quel est cet objet? Quelle est ton opinion sur cette affaire?

Wie is deze mevrouw? Wat zeg je? Wat ga je nu doen? Wat is dat voorwerp ? Wat is je mening over deze zaak?

b. Prposition + WIE Voor wie werkt zijn zoon? Pour qui travaille son fils? Pour qui son fils travaille-t-il?

c. WAAR + Prposition (= adverbe pronominal interrogatif) WAT ne peut pas semployer aprs une prposition. PRPOSITION + WAT Waarop zit het kind ? (op wat) Waar zit het kind op? est remplac par WAAR + PRPOSITION

Sur quoi l'enfant est-il assis?

Pour plus de dtails, voir le chapitre consacr aux adverbes pronominaux p. 49. 34

d. WELK(E) = QUEL(S) / QUELLE(S) (dterminant dmonstratif) La forme dpend du genre du nom : welk prcde un nom neutre (het-woord) singulier. Welk dagblad lees je graag? Welke schoenen draag je? Quel journal aimes-tu lire? Quels souliers portes-tu?

e. HOE + adjectif ou adverbe

= mesure dge, de longueur, de distance, etc.

Cette structure est typique aux langues germaniques et ne peut donc pas se traduire de faon littrale en franais. Hoe oud is die jongen? Hoe hoog is dat gebouw? Hoe laat is het? Hoe vaak ga je naar school? Hoelang Hoe lang Hoelang woon jij in Parijs? Hoe lang is die wagen? Depuis combien de temps habites-tu as Paris? Quelle est la longueur de cette voiture? Quel ge a ce garon? Quelle est la hauteur de ce btiment? Quelle heure est-il? A quelle frquence vas-tu l'cole?

f. Autres mots interrogatifs WAAR WAAR VANDAAN WAAR NAARTOE HOE HOEVEEL WAAROM WANNEER WAT VOOR WAT VOOR EEN Waar woon je? Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Hoe heet je? Hoeveel kinderen hebt u? Waarom stel je die vraag? Wanneer vertrekken we? Wat voor schoenen wenst u, mevrouw ? Wat voor een man is dat ? O habites-tu? D'o viens-tu? (origine, provenance) O vas-tu? (direction) Comment t'appelles-tu? Combien d'enfants avez-vous? Pourquoi poses-tu cette question? Quand partons-nous? Quelle sorte de chaussures dsirez-vous, madame? Quelle sorte d'homme est-ce?

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 13-14 ex. 17 20

35

LA PHRASE NGATIVE
DE ONTKENNENDE ZIN
La ngation = de ontkenning - nier = ontkennen

A. On utilise GEEN :
phrase affirmative 1. avec les substantifs indtermins Hij heeft een huis. Hij heeft kinderen. Ik spreek Nederlands. phrase ngative Hij heeft geen huis. Hij heeft geen kinderen. Ik spreek geen Nederlands.

2. avec les numraux cardinaux (= n, twee, drie )

Het is tien uur. Hij is zes jaar oud.

Het is geen tien uur. Hij is geen zes jaar oud.

NOG

GEEN MEER

NOG (encore) Hij heeft nog kinderen. Hij is nog zes jaar oud.

GEEN MEER (ne ...plus) Hij heeft geen kinderen meer. Hij is geen zes jaar oud meer.

AL

NOG GEEN

AL (dj) Hij heeft al kinderen. Hij is al zes jaar oud. Het is al tien uur.

NOG GEEN (ne pas encore) Hij heeft nog geen kinderen. Hij is nog geen zes jaar oud. Het is nog geen tien uur.

B. Dans tous les autres cas, on utilise NIET


1. NIET se place gnralement JUSTE DEVANT l'lment qui est ni. C'est souvent le cas avec: un adjectif attribut un adverbe Het is misschien juist. Ze werkt vandaag vlug. Ze reist dit jaar veel. un compl. prpositionnel un infinitif un participe pass Ze gaan naar school. Hij wil vandaag vertrekken. Ik heb de kinderen gezien Het is misschien niet juist. Ze werkt vandaag niet vlug. Ze reist dit jaar niet veel Ze gaan niet naar school. Hij wil vandaag niet vertrekken. Ik heb de kinderen niet gezien

NB : le sens la phrase peut tre diffrent selon l'endroit o l'on place le NIET. Leentje heeft tot vier uur niet gewerkt = Leentje n'a pas travaill du tout jusqu' 4 heures.

Leentje heeft niet tot vier uur gewerkt. = Leentje a travaill, mais pas jusqu' 4 heures.

36

2. Si c'est le verbe principal qui est ni, NIET est rejet en fin de phrase, mais toujours devant les lments de fin de phrase (cf. structure en tenaille) Ik kom Ik kom vandaag. Ik ben gisteren gekomen. Ik kom aan Ik zie het huis Ik hoor hem Ik zie hem komen. ik ik ik ik ik ik ik kom kom ben kom zie hoor zie het huis hem hem vandaag gisteren niet niet niet niet niet niet niet komen gekomen aan

NOG

NIET MEER NOG (encore) Hij is nog ziek. Ik zie het huis nog.

NIET MEER (ne ...plus) Hij is niet meer ziek. Ik zie het huis niet meer.

AL

NOG NIET

AL (dj) Hij is al oud. Ik ken hem al.

NOG NIET (ne pas encore) Hij is nog niet oud. Ik ken hem nog niet.

NIET MEER et NOG NIET : 1. ne sont jamais spars 2. se placent au mme endroit que NIET dans la phrase.

C. FORMES NGATIVES DE QUELQUES MOTS INDFINIS :

QUELQU'UN

><

PERSONNE RIEN NULLE PART JAMAIS

IEMAND IETS ERGENS ALTIJD

>< >< >< ><

NIEMAND NIETS NERGENS NOOIT

QUELQUE CHOSE >< QUELQUE PART TOUJOURS >< ><

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 9-11 ex. 5 11 37

CONSTRUCTION DE LA PHRASE COMPLEXE


ZINSBOUW : DE COMPLEXE ZIN
Une phrase est dite "complexe" quand la phrase principale (= P1 = hoofdzin) est accompagne d'une ou plusieurs phrases subordonnes. Une phrase subordonne (= P2 = bijzin) est une phrase qui dpend d'une autre phrase et qui ne pourrait donc pas exister seule.

A. MOTS POUVANT INTRODUIRE UNE PHRASE SUBORDONNE


1. UNE CONJONCTION DE SUBORDINATION Je sais QUE tu as raison. J'tudie PARCE QUE je veux devenir comptable. 2. UN PRONOM RELATIF Voil la maison QUE j'ai achete. Je connais l'homme QUI est en train de parler. 3. UN PRONOM INTERROGATIF Je sais QUI joue le rle principal. Je sais POURQUOI ils ne sont pas venus. Je lui demande QUOI elle pense toujours. "SI" pronom interrogatif = OF (et pas ALS !)
Je me demande SI tu as raison. Je ne sais pas SI c'est vrai. Ik vraag me af OF je gelijk hebt. Ik weet niet OF het waar is. ik vraag me af ALS je gelijk hebt ik weet niet ALS het waar is

Ik weet DAT je gelijk hebt. Ik studeer OMDAT ik boekhouder wil worden.

Daar is het huis DAT ik gekocht heb. Ik ken de man DIE aan het spreken is.

Ik weet WIE de hoofdrol speelt. Ik weet WAAROM ze niet gekomen zijn. Ik vraag haar WAARAAN ze altijd denkt.

4. OM TE + INFINITIF = POUR + INFINITIF (=subordonne avec infinitif)


Je suis venu pour le voir. Pour savoir faire cet exercice, il faut d'abord comprendre la thorie. Ik ben gekomen OM hem TE zien. OM deze oefening TE kunnen maken, moet je eerst de theorie begrijpen.

RAPPEL : EN OF (=ou) MAAR WANT ne sont pas des conjonctions de subordination mais de coordination. Ces mots n'introduisent donc pas une P2 mais une nouvelle P1. 38

B. ORDRE DES MOTS DANS UNE SUBORDONNE :


1. Le groupe verbal est rejet en fin de phrase
P1 seule Je hebt vaak gelijk. Hij zal morgen komen. P1 + P2 Ik denk DAT je vaak gelijk hebt. P1 P2 Ik vraag me af OF hij morgen zal komen. P1 P2

NB: Aux temps composs, le participe pass peut suivre ou prcder l'auxiliaire
Ik weet dat hij vanmorgen is vertrokken / vetrokken is.

2. L'infinitif (s'il y en a un) se place aprs le groupe verbal (en fin de phrase)
P1 Ik wil nu vetrekken. P1 + P2 Ik zeg dat ik nu wil vertrekken

3. La particule sparable reste colle au verbe.


P1 Ze komt morgen aan. P1 + P2 Ik denk dat ze morgen aankomt.

Tableau rcapitulatif P1 conj. Temps simples Verbe simple Verbe part .sp. Zullen, mogen, moeten, willen, kunnen, .. + infinitif Temps composs De leraar weet Ze zei dat dat sujet ik ze P2 complments goed met ons werk meeging verbe

Ik denk

dat

hij

met Mark

zal komen

Hij zegt

dat

hij

ziek

is geweest geweest is

Hij zegt

dat

hij

niet

heeft kunnen komen

39

C. PRINCIPALES CONJONCTIONS DE SUBORDINATION ( tudier!)


AANGEZIEN ALS ALS ALSOF DAAR DAT HOEWEL = OFSCHOON INDIEN MITS = OP VOORWAARDE DAT NAARMATE NADAT NU OMDAT OPDAT SINDS = SEDERT TELKENS ALS TERWIJL TOEN TOTDAT VOOR = VOORDAT WANNEER ZELFS ALS ZOALS ZODAT ZODRA ZOLANG vu que, puisque si (condition) 1. lorsque, quand (prsent/futur ou rptition dans le pass) 2. si (condition) comme si comme (cause), vu que, puisque que bien que, quoique si (condition) condition que, pourvu que mesure que aprs que maintenant que, puisque parce que afin que, pour que depuis que chaque fois que pendant que, tandis que lorsque, quand (1 fois dans le pass, moment prcis) jusqu' ce que avant que quand, lorsque (prsent/futur ou rptition dans le pass) mme si comme (comparaison) de (telle) sorte que, si bien que aussitt que, ds que aussi longtemps que, tant que

Traduction de QUAND LORSQUE : ALS >< TOEN


TOEN une fois dans le pass (moment prcis) 1. dans le prsent ou le futur Quand j'tais petit, j'avais un ours en peluche. Toen ik klein was, had ik een teddybeer.

ALS

Nous commencerons quand tout le monde sera l.

We zullen beginnen als/wanneer iedereen aanwezig zal zijn. Als hij op bezoek kwam, bracht hij telkens bloemen mee.

2. rptition dans le Lorsqu'il nous rendait visite, il apportait chaque fois des fleurs. pass (chaque fois que)

40

REJET et INVERSION : en rsum


a) conjonction subordination Dat Wanneer als toen Als of - indien Zodat - Zodra Dat REJET aprs b) pronoms relatifs wie wat die dat prp + wie waar+prposition c) mots interrogatifs dans P2 weet je wanneer, waarom, hoe, hoe lang (phrase commenant par autre mot que le sujet) Gisteren Ten eerste, ten tweede, INVERSION aprs Daarna Na het ontbijt Om vijf uur Sinds de vakantie Enerzijds Anderzijds . En maar want of (conjonction de coordination) Ja, Nee, Dames en heren, Jan, . Kortom, PAS D'INVERSION NI DE REJET aprs Inderdaad, Welnu, Integendeel, Met andere woorden, Terloops gezegd, Tussen haakjes gezegd,

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 15 21

41

3. PRONOMS & DTERMINANTS

42

PRONOMS PERSONNELS
PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN of PERSOONLIJKE PRONOMINA

Pronoms personnels SUJET

Pronoms personnels COMPLEMENT

Pronoms personnels REFLCHIS

re

pers.

IK JE JIJ* U HIJ ZE ZIJ* HET

ME MIJ* JE JOU* U HEM HAAR / ZE (1) HET

ME MEZELF MIJZELF* JE JEZELF U / ZICH UZELF

normal SINGULIER 2
me

pers. poli masc.

me

pers.

fm. neutre

ZICH ZICHZELF

1 PLURIEL

re

pers. normal

WE WIJ* JULLIE U ZE ZIJ*

ONS JULLIE U ZE / HEN / HUN (2)

ONS JULLIE / JE U / ZICH UZELF ZICH ZICHZELF

me

pers. poli

me

pers.

Exemples:

Ik zie de wagen Je werkt op de tafel

De leraar ziet hem Ik begrijp je niet

Ik heb me gewassen Ze heeft zich vergist

= formes accentues

(1) Haar : uniquement pour dsigner des personnes Ze : 1. pour dsigner des choses ou des personnes 2. ne s'utilise habituellement pas aprs une prposition (souvent remplac par die/deze) (2) Ze : toujours correct sauf aprs une prposition quand on dsigne des personnes Hen : dsigne des personnes - CD ou aprs prposition Hun : dsigne des personnes - CI uniquement

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 62-65 43

PRONOMS RFLCHIS:
SE LAVER
Je me suis lav Tu t'es lav Vous vous tes lav(e) Il s'est lav Elle s'est lave

ZICH WASSEN
Ik heb ME gewassen Je hebt JE gewassen U heeft U / ZICH gewassen Hij heeft ZICH gewassen Zij heeft ZICH gewassen

Il/elle (neutre) s'est lav(e) Nous nous sommes lavs Vous vous tes lavs Ils/elles se sont lav(e)s

Het heeft ZICH gewassen We hebben ONS gewassen Jullie hebben JULLIE / JE gewassen Ze hebben ZICH gewassen

NE PAS CONFONDRE:
PRONOM RFLCHI ONS JULLIE - ZICH = nous-(mmes) / vous(-mmes) se (eux-mmes) We hebben ONS verveeld.
= Nous nous sommes ennuys.

PRONOM RCIPROQUE ELKAAR = nous/vous/se dans le sens de "l'un l'autre" We hebben ELKAAR in Parijs ontmoet.
= Nous nous sommes rencontrs Paris.

Jullie hebben JULLIE vergist.


= Vous vous tes tromps.

Hebben jullie ELKAAR herkend?


= Est-ce que vous vous tes reconnus?

Ze wassen ZICH elke dag.


= Ils se lavent tous les jours.

Ze spreken bijna nooit met ELKAAR.


= Ils ne se parlent presque jamais.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 68-69

44

PRONOMS POSSESSIFS
BEZITTELIJKE VOORNAAMWOORDEN / PRONOMINA

Dterminant Possessif
mon/ma/mes

Pronom Possessif
le mien la mienne le tien la tienne le/la vtre le sien la sienne le sien la sienne

MIJN JE JOUW UW ZIJN HAAR

DE/HET MIJNE DE/HET JOUWE DE/HET UWE DE/HET ZIJNE DE/HET HARE

DIE/DAT VAN MIJ DIE/DAT VAN JOU DIE/DAT VAN U DIE/DAT VAN HEM DIE/DAT VAN HAAR

ton/ta/tes votre/vos

son/sa/ses (masculin) son/sa/ses (fminin)

notre/nos

ONS ONZE JULLIE HUN

le/la ntre

DE/HET ONZE

DIE/DAT VAN ONS

votre/vos leur/leurs

le/la vtre le/la leur

DIE/DAT VAN JULLIE DE/HET HUNNE

DAT VAN HEN

Dit is mijn nieuwe wagen. Hij heeft zijn huis verkocht.

Dit is niet jouw fiets, het is de mijne.

Remarques
En franais la forme du mot possessif est dtermine par le mot qui suit. En NL la forme du dterminant possessif est dtermine par le possesseur et celle du pronom possessif est dtermin par le possesseur + le mot qui suit (de/het die/dat). Comparez:
sa maison, la sienne sa maison, la sienne son vlo, le sien son vlo, le sien ses enfants, les siens ses enfants, les siens Het huis van Jan Het huis van Marie De fiets van Jan De fiets van Marie De kinderen van Jan De kinderen van Marie zijn huis, het zijne, dat van hem haar huis, het hare, dat van haar zijn fiets, de zijne, die van hem haar fiets, de hare, die van haar zijn kinderen, de zijnen, die van hem haar kinderen, de haren, die van haar

La maison de Jean La maison de Marie Le vlo de Jean Le vlo de Marie Les enfants de Jean Les enfants de Marie

Les pronoms possessifs prennent un N au pluriel sils dsignent des personnes. Ex. : Terwijl Jan bij zijn ouders ging, bracht ik een bezoek aan de mijnen (= mijn ouders).

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 47-50

45

PRONOMS DTERMINATIFS
AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN / PRONOMINA
1. DIT / DAT - DEZE / DIE
a. Utiliss comme dterminants = ce, ces, cette PLURIEL

SINGULIER HET-WOORD Rapproch (-ci) HIER Eloign (-l) DAAR DIT boek = ce livre(-ci) DAT boek = ce livre(-l) DE-WOORD DEZE kat = ce chat(-ci) DIE KAT = ce chat(-l) = celui, celle(s), ceux Ik heb DIT gelezen Ik heb DAT gelezen Ik heb DEZE gezien Ik heb DIE gezien

DEZE boeken DEZE katten = ces livres(-ci) ces chats(-ci) DIE boeken DIE katten = ces livres(-l) ces chats(-l)

b. Utiliss comme pronoms Ik heb dit boek gelezen Ik heb dat boek gelezen Ik heb deze kat gezien Ik heb die katten gezien Un bon truc :

J'ai lu celui-ci J'ai lu celui-l J'ai vu celui-ci J'ai vu ceux-l

dit et dat semploient devant (ou pour remplacer) un het-woord dit, dat et het se terminent par t . deze et die semploient devant (ou pour remplacer) un de-woord deze, die et de se terminent par e .

Remarque : Dans la langue parle, les nerlandophones utilisent souvent un pronom dmonstratif l o les francophones utilisent un pronom personnel Ex.: Tu as vu Jean aujourd'hui? Oui, je l'ai vu. Ja, ik heb die gezien (au lieu de "Ja, ik heb hem gezien")

2. DEZELFDE / HETZELFDE

= le(s) mme(s) / la mme

Dezelfde et hetzelfde scrivent toujours en un mot. Dezelfde sutilise devant (ou pour remplacer) les "de-woorden"
Ex: Het is dezelfde wagen als Jan. Het is dezelfde. Het zijn dezelfde wagens als Jan. Het zijn dezelfde. Het zijn dezelfde personen. Het zijn dezelfden.
C'est la mme (voiture que Jean) Ce sont les mmes voitures () Ce sont les mmes personnes ()

Hetzelfde sutilise devant (ou pour remplacer) les noms neutres (het-woorden) au singulier.
Ex: Het is hetzelfde huis als Jan. Het is hetzelfde. C'est la mme (maison que Jean) Mais : Het zijn dezelfde huizen (au pluriel tous les mots sont des de-woorden!)

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 51-53 ex. 1 5 + 8 + 10 46

LES PRONOMS RELATIFS


DE BETREKKELIJKE VOORNAAMWOORDEN of RELATIEVE PRONOMINA
1. Pronom relatif avec antcdent : DIE - DAT
antcdent = mot auquel le pronom relatif se rapporte DAT DIE
La maison QUE tu as achete est dj vieille. C'est un livre QUI a beaucoup de succs.

Rgle : - si antcdent = neutre singulier (het-woord) - autres cas

antcdent neutre sing.

Het huis DAT je gekocht hebt, is al oud. Het is een boek DAT veel succes heeft.

autres cas

De man DIE daar woont, is mijn oom.

L'homme QUI habite l est mon oncle.

De mensen DIE je daar ziet, zijn mijn ouders. Les gens QUE tu vois l sont mes
parents. L'erreur classique des francophones est de traduire QUE par DAT et QUI par DIE. Les exemples ci-dessus montrent que cela ne marche pas!

2. Pronom relatif avec antcdent + PRPOSITION


Rgle : - antcdent = une ou des personnes - antcdent = une ou des choses Prposition + WIE WAAR + prposition

personnes

De man met wie hij spreekt is een vriend. De vrouw bij wie hij woont is zijn tante.

L'homme avec qui il parle est un ami. La femme chez qui il habite est sa tante.

choses

De tafel waarop je zit is niet stevig. Het huis waarin ik woon is oud.

La table sur laquelle tu es assis n'est pas solide. La maison dans laquelle j'habite est ancienne.

Il y a parfois une prposition en NL et pas en FR. C'est notamment le cas avec les verbes " prposition fixe" comme kijken naar, luisteren naar, wachten op, De man naar wie we luisteren, heet Jan. De bus waarop ik wacht is laat. De film waarnaar je kijkt is spannend. L'homme que nous coutons s'appelle Jan. Le bus que j'attends est en retard. Le film que tu regardes est passionnant.

47

TRADUCTION DU "DONT" franais en NL


Le pronom relatif DONT signifie en fait "de qui", "duquel", "desquels", "au sujet duquel". L'quivalent NL sera donc la plupart du temps un pronom relatif avec prposition et l'on suivra la rgle dj nonce plus haut. Le choix de la prposition dpend du sens et du verbe. antcdent = une ou des personnes ex.: La femme dont tu es le frre L'homme dont tu parles Prposition + WIE De vrouw van wie je de broer bent De man over wie je spreekt

antcdent = une ou des choses ex.:

WAAR + prposition De wagen waarvan hij de eigenaar is Het boek waarover we spreken

La voiture dont il est le propritaire Le livre dont nous parlons

3. Pronom relatif incluant l'antcdent : WIE WAT DEGENE(N) DIE


Franais = CELUI/CELLE/CEUX QUI - CEUX QUE - CE QUI - CE QUE

PERSONNE SINGULIER

WIE, DEGENE DIE Celui/Celle qui dit une telle chose est un menteur.

Wie zoiets zegt, is een leugenaar. Degene die zoiets zegt, is een leugenaar.

PERSONNE PLURIEL

DEGENEN DIE Ceux qui disent une telle chose sont des menteurs.

Degenen die zoiets zeggen, zijn leugenaars.

CHOSE

WAT Ce que tu dis n'a pas de sens. Ce qui est chouette, c'est que tu sois venu.

Wat je zegt, heeft geen zin. Wat leuk is, is dat je gekomen bent.

TOUT CE QUE/QUI = ALLES WAT Alles wat je zegt, is waar. Alles wat in dat boek verteld is, is verkeerd. Tout ce que tu dis est vrai. Tout ce qui est racont dans ce livre est faux.

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 70-73, ex. 1 7 + p. 138-140, ex. 36 40

48

LES ADVERBES PRONOMINAUX


DE VOORNAAMWOORDELIJKE BIJWOORDEN
1. Qu'est-ce qu'un adverbe pronominal et quand faut-il l'utiliser?
Examinez et comparez : parlant d'une PERSONNE Ik wacht op mijn vader Ik wacht al een uur op hem Ik wacht al een uur op deze. Ik wacht al een uur op die. Op wie wacht ik al een ur? Mijn vader, op wie ik al een uur wacht, parlant d'une CHOSE Ik wacht op de bus. Ik wacht er al een uur op Ik wacht hier al een uur op Ik wacht daar al een uur op Waar wacht ik al een uur op? De bus, waarop ik al een uur wacht,

En nerlandais, une prposition ne peut tre suivie dun pronom que si le pronom dsigne une personne.

Si le pronom qui accompagne la prposition dsigne une chose ou un animal, on doit utiliser un "adverbe pronominal". le pronom est remplac par ER, HIER, DAAR ou WAAR La prposition se place aprs.

2. Il y a 5 sortes d'adverbes pronominaux


1. personnels 2. dmonstratifs ER + prp. HIER + prp. DAAR + prp. 3. interrogatifs 4. relatifs WAAR + prp. WAAR + prp. Ik denk er steeds meer aan. J'y pense de plus en plus. Hier droom ik dikwijls van. Daar droom ik dikwijls van. Waarover zul je praten? Ik draag kleren waarin ik me goed voel.
J'en rve souvent (de ceci) J'en rve souvent (de cela) De quoi parleras-tu? Je porte des vtements dans lesquels je me sens bien. Elle ne pense rien.

5. indfinis

ERGENS + prp. Ze denkt nergens aan NERGENS + prp. (= ze denkt aan niets) OVERAL + prp.

49

2.1. L'adverbe pronominal personnel


ER + prposition

Il remplace la structure "prposition + pronom personnel" lorsque le pronom personnel se rapporte un objet ou animal. Il doit se scinder lorsque c'est possible. ex.: Ik wacht op de bus. Ik denk aan de toekomst Ik wacht erop. Ik denk eraan. Ik wacht er iedere dag op. Ik denk er steeds meer aan.

Remarque : Avec certains verbes ou expressions qui requirent une prposition, ladverbe pronominal personnel sert souvent introduire une proposition subordonne. Un adverbe pronominal de ce type ne correspond rien en franais. Il sagit dune tournure uniquement utilise en nerlandais. Quelques exemples:
overtuigd zijn van slagen in zeker van twijfelen aan Ik ben er niet van overtuigd dat hij gelijk heeft. Je ne suis pas convaincu quil a raison.

Hij is erin geslaagd zijn doel te bereiken. Il a russi atteindre son but Ik ben er zeker van dat hij gelijk heeft. Ik twijfel eraan dat het resultaat klopt. Je suis sr qu'il a raison. Je doute que le rsultat soit correct.

2.2. L'adverbe pronominal dmonstratif

HIER / DAAR + prposition

Il remplace la structure "prposition + pronom dmonstratif" lorsque le pronom dmonstratif se rapporte un objet ou animal. HIER correspond au dterminatif rapproch DIT ou DEZE. DAAR correspond au dterminatif loign DAT ou DIE. On peut aussi le considrer comme la forme accentue de ladverbe pronominal personnel. Il peut soit se scinder soit scrire en 1 mot. Les nerlandophones prfrent gnralement le scinder. Le HIER ou DAAR est souvent plac en tout dbut de phrase. Ex. : Ik spreek liever niet over die zaak Daar spreek ik liever niet over. Daarover spreek ik liever niet. Ik spreek daar liever niet over. Ik spreek daarover liever niet. Ex.: Ik speel vaak met dit spelletje Hier speel ik vaak mee. Hiermee speel ik vaak. Ik speel hier vaak mee.

50

2.3. L'adverbe pronominal interrogatif


WAAR + prposition

Il remplace la structure "prposition + pronom interrogatif" lorsque le pronom interrogatif se rapporte un objet ou animal. Il peut soit se scinder soit scrire en 1 mot. Les nerlandophones prfrent gnralement le scinder. Ex.: Waarin heb je zin? Waarop wacht je? ou ou Waar heb je zin in? Waar wacht je op?

WAAR..NAARTOE et WAARVANDAAN sont gnralement scinds. Ex.: Waar ga je morgen naartoe? Waar komt hij vandaan?

2.4. L'adverbe pronominal relatif


WAAR + prposition

Il remplace la structure "prposition + pronom relatif" lorsque l'antcdent du pronom relatif est un objet ou animal. Il peut soit se scinder soit scrire en 1 mot. Ex. : ou ou De buurt waarin ik leef is heel rustig. De buurt waar ik in leef is heel rustig. De stoel waarop je zit is kleiner dan de andere. De stoel waar je op zit is kleiner dan de andere.

2.5. L'adverbe pronominal indfini

(N)ERGENS ou OVERAL + Prposition

Il n'est jamais obligatoire, une autre solution plus proche du FR est toujours possible (colonne de droite ci-dessous) mais il est utile de savoir les reconnatre. ERGENS + Prp. Ik heb ergens mee gespeeld. = = Prp. + IETS Ik heb met iets gespeeld.
FR J'ai jou avec quelque chose.

NERGENS + Prp. Ik weet nergens van Dat lijkt nergens op.

= = =

Prp. + NIETS Ik weet van niets. Dat lijkt op niets.


Je n'en sais rien. Je ne sais rien de cela. Cela ne ressemble rien.

OVERAL + Prp. Ik ben overal mee akkoord.

= =

Prp. + ALLES Ik ben akkoord met alles.


Je suis d'accord avec/sur tout.

Utiliss seuls, Ergens, Nergens et Overal ont un autre sens. ergens = quelque part nergens = nulle part overal = partout

51

3. Remarques:
3.1. Certaines prpositions se transforment lorsqu'elles sont utilises avec ER, DAAR, HIER et WAAR. NAAR NAARTOE / HEEN
(direction, mouvement)

Ik ga morgen naar Luik. Ik ga er morgen naartoe. Ik luister graag naar de radio. Ik luister er graag naar. Waar kom je vandaan? Hij is van de stoel gevallen. Hij is eraf gevallen. Ik hou niet van voetbal. Ik hou daar niet van. Waar leidt dit ons toe? Ik schrijf met het potlood. Ik schrijf ermee. Waar schrijf je mee ?

Je vais Lige demain. J'y vais demain. J'aime couter la radio. J'aime l'couter. D'o viens-tu? Il est tomb de la chaise. Il en est tomb. Je n'aime pas le football. Je n'aime pas a. O cela nous mne-t-il? J'cris avec le crayon. J'cris avec (ce crayon). Avec quoi cris-tu?

NAAR
(autres cas, verbes prposition fixe)

VAN

VANDAAN
(origine, mouvement)

AF
(mouvement de haut en bas)

VAN
(autres cas)

TOT MET

TOE MEE

3.2. Ordre des mots pour les adverbes pronominaux personnels et dmonstratifs

Hij heeft Hij heeft We hebben Hij heeft Hij wenst

me ons

er daar hier daar er

dikwijls toen iets niet veel altijd straks

over van over over over

gesproken gezegd meegepraat willen spreken te kunnen spreken

on place devant ER / HIER / DAAR : 1. le groupe sujet + verbe 2. les pron. pers. complments on place aprs la prposition: 1. la particule sparable 2. le participe pass 3. l'infinitif (avec ou sans te)

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 130-140

52

AL ALLE ALLEN - ALLES ALLEMAAL HEEL - HELEMAAL


ou comment traduire TOUT / TOUTE(S) / TOUS

AL

1. dterminant pluriel, devant un article (de/het), possessif (mijn, ) ou dmonstratif (die, dat, )

Al de boter is op. Al de leerlingen gaan mee. Al die mensen zijn vrienden. Al zijn geld staat op de bank.

2. pronom prcdant WAT (tout ce que), WIE (tout qui) et DEGENEN DIE (tous ceux qui)

Al wat je leest, is nog geen waarheid. Al wie dat denkt, vergist zich. Al degenen die dat denken, vergissen zich.

ALLE

1. = contraction de AL DE ou AL HET (= tous les, toutes les)

Al de boter

= Alle boter

Al de mensen = Alle mensen Al het papier = Alle papier

2. dterminant singulier devant un nom abstrait 3. moins frquent: pronom pluriel dsignant des animaux et des choses (gnralement remplac par ALLEMAAL) ALLEN pronom pluriel dsignant des personnes. (souvent remplac par ALLEMAAL)

Alle hoop is nu opgegeven. Alle goedheid wordt beloond. Onze fietsen staan alle klaar. = Onze fietsen staan allemaal klaar. De kinderen ? Die zijn allen naar bed. = die zijn allemaal naar bed Mijn vrienden zijn allemaal met vakantie. De vogels ? Ze zijn allemaal weg. Nu staan de bomen allemaal zo naakt.

ALLEMAAL pronom pluriel, mme usage que ALLE (choses) et ALLEN (personnes) mais beaucoup plus courant

ALLES

pronom singulier (=tout)

Alles wordt weer zoals vroeger. De buren hebben alles gehoord Alles wat je zegt, is fout.

HEEL

1. dterminant singulier (= entier)

De hele school weet het nu. Heel de school weet het nu.

2. adverbe (= trs)

Zon diertje is heel klein. Dat heb je heel goed gedaan.

HELEMAAL adverbe (=tout fait, du tout)

Ik wil het helemaal anders. Ze vertelde me helemaal niets.

53

COMPARAISON FRANAIS // NERLANDAIS


TOUS CES gens sont amis AL deze mensen zijn vrienden. AL die AL mijn zussen zijn getrouwd AL + pluriel

suivi d'un nom)

TOUTES MES soeurs sont maries TOUS LES enfants sont au lit

ALLE kinderen liggen in bed = AL DE kinderen ALLE vrouwen zijn hier = AL DE vrouwen AL DE wijn = ALLE wijn ALLE hoop is opgegeven

ALLE = AL DE

TOUTES LES femmes sont ici

DTERMINANT (

TOUT LE VIN TOUT espoir est perdu.

ALLE + mot abstrait sing. DE/HET HELE HEEL DE/HET + singulier = "entier"

TOUTE LA ville en parle (= la ville entire) TOUT LE pays (= le pays entier) TOUTE LA Belgique

DE HELE stad spreekt erover HEEL DE stad HET HELE land HEEL HET land HEEL Belgi ALLEN zijn gekomen. Ze zijn ALLEN gekomen Ze zijn ALLEMAAL gekomen

remplace un nom)

TOUS / TOUTES sont venu(e)s Ils sont TOUS venus Ils sont TOUS venus Elles sont TOUTES venues Ces maisons sont TOUTES habites Il a TOUT vu

ALLEN = des personnes ALLEMAAL = jamais sujet = toujours pluriel = choses ou pers. ALLES = singulier ALLES WAT = AL WAT AL DEGENEN DIE HELEMAAL HELEMAAL NIET IEDEREEN

Die huizen zijn ALLEMAAL bewoond Hij heeft ALLES gezien

PRONOMS (

TOUT CE QUE je dis est vrai

ALLES WAT ik zeg, is juist AL WAT ik zeg, TOUT CE QUI se trouve table, ALLES WAT op tafel ligt, TOUS CEUX QUI pensent cela, AL DEGENEN DIE dat denken, C'est TOUT FAIT vrai Het is HELEMAAL juist Het is HELEMAAL NIET juist IEDEREEN is aanwezig. ALLEMAAL is aanwezig.

DIVERS

Ce n'est PAS DU TOUT vrai TOUT LE MONDE est prsent

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 54-55 54

LE MOT "ER"
HET WOORD "ER"
Ce petit mot a plusieurs usages en nerlandais. Voici les plus courants. 1. Equivalent du pronom franais "EN"
Er zijn genoeg appels, iedereen krijgt er twee. Il y a assez de pommes, tout le monde en reoit deux.

2. Equivalent de l'adverbe de lieu franais "Y"


Ik heb er niemand ontmoet. Je n'y ai rencontr personne.

3. Equivalent du franais "IL Y A"


Er staat niets op zijn bord. Il n'y a rien sur son assiette.

ER est suivi d'un verbe au pluriel si le sujet rel est pluriel. Er is een probleem Er zijn problemen Il y a un problme Il y a des problmes

4. Pronom remplaant un sujet indfini


Le nerlandais n'admet pas les sujets indtermins (= ne commenant ni par 'de/het', ni par 'dit/dat/deze/die' ni par un possessif) en dbut de phrase. En cas de phrase dont le sujet est indtermin, il a donc recours au sujet provisoire 'er', tant l'actif qu'au passif. Kinderen spelen in de tuin. Er spelen kinderen in de tuin. Frans wordt gesproken. Er wordt Frans gesproken. Sauf en cas de vrit gnrale. Comparez: Er blaffen honden. (Il y a des chiens qui aboient, pour le moment) >< Honden blaffen (Les chiens aboient = vrit gnrale) Des enfants jouent dans le jardin

On parle franais ici.

5. Adverbe pronominal

voir chapitre consacr ce point


J'en ai parl hier avec mon ami

Ik heb er gisteren met mijn vriend over gesproken

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 66-67 55

4. ADJECTIF & DEGRS DE COMPARAISON

56

ACCORD DE L'ADJECTIF VERBUIGING VAN HET ADJECTIEF


(of HET BIJVOEGLIJK NAAMWOORD)
L'adjectif prend toujours un E, sauf dans les cas suivants :
1. quand il est ATTRIBUT Het huis is groot. De vrouw is mooi. De huizen zijn mooi.

2. quand il prcde un nom neutre + singulier + indfini c--d : un het-woord prcd de EEN / GEEN / ELK / WELK ou rien Comparez Ik heb een mooi huis. Je hebt geen mooi huis neutre + singulier + indfini Het mooie huis, dat mooie huis

><

Ons mooie huis, mijn mooie huis neutre + singulier + dfini

3. autres cas : les adjectifs en EN les adjectifs en ER drivs de noms gographiques le 1er lment d'un adjectif compos les comparatifs de 3 syllabes ou plus een gouden medaille, mijn eigen wagen de Rotterdammer toren de Belgisch-Nederlandse grens een vriendelijker stem

les adjectifs de couleur d'origine trangre haar lila blouse prima extra gratis priv rechter / linker een prima kwaliteit een extra kwantiteit het gratis cadeau de priv-sector de rechter / linker kolom

NB: Aprs IETS NIETS iets moois niets bijzonders

l'adjectif prend "S" = quelque chose de beau = rien de particulier

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 32-35 57

LES DEGRS DE COMPARAISON DE TRAPPEN VAN VERGELIJKING

1. GALIT AUSSI QUE Il est aussi grand que moi EVEN / ZO ALS Hij is even groot als ik groot als ik

Hij is zo

2. INGALIT PAS AUSSI QUE Il n'est pas aussi grand que moi NIET ZO ALS Hij is niet zo groot als ik

3. INFRIORIT MOINS QUE Elle est moins grande que lui MINDER DAN Zij is minder groot dan hij
(spreektaal: ook "minder als")

4. SUPRIORIT PLUS QUE Il est plus grand que toi ADJ. +ER DAN Hij is groter dan jij
(spreektaal: ook "groter als")

Formation du comparatif: Rgle gnrale : adjectif + ER Le comparatif s'accorde comme un adj. normal. Il faut tenir compte des rgles dorthographe. Si ladjectif se termine par -R -DER mooi mooier

een mooier huis >< een mooiere auto groot duur groter , langzaam duurder langzamer

58

5. SUPERLATIF LE PLUS / LA PLUS La plus belle fille de la classe. La plus grande voiture. HET / DE ADJ. + ST(E) Het mooiste meisje van de klas. De grootste wagen.

Formation du superlatif: de/het + adjectif + ST(E) mooi groot adj. en ST adj. en ISCH meest + adj. meest + adj. juist optimistisch het mooiste huis, de mooiste wagen het grootste huis, de grootste wagen de meest juiste oplossing de meest optimistische hypothese

REMARQUES
1. Part. Pass employ comme adjectif : le livre le plus lu mais : gemotiveerd meer/meest het meest gelezen boek gemotiveerder (parce que considr comme adjectif)

2. Traduction de "de plus en plus" + adjectif Il devient de plus en plus riche Hij wordt steeds rijker rijker en rijker hoe langer hoe rijker meer en meer rijk 3. Comparatifs et superlatifs irrguliers FR bon, bien beaucoup peu volontiers souvent prs goed veel weinig graag dikwijls = vaak dichtbij na(bij) NL Comparatif beter meer minder liever vaker dichterbij nader(bij) Superlatif (het) best (het) meest (het) minst (het) liefst (het) vaakst (het) dichtstbij (het) naast(bij)

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 36-39

59

5. DIVERS

60

LE GENRE DU NOM

DE ou HET ?

HET GENUS VAN HET WOORD


Il est important de connatre le genre des substantifs (= noms communs) lorsquon dsire les remplacer par un pronom ou lorsquon doit employer un adjectif possessif. Ex.: Die man heeft zijn wagen verkocht. Ik heb hem gegeten (hem = de appel)

Il existe trois genres en nerlandais : les mots masculins ou fminins (de-woorden) et les mots neutres (het-woorden)

HET
onzijdig = neutre Ik heb het boek gelezen. Ik heb het gelezen. mannelijk = masculin Ik heb de man gezien. Ik heb hem gezien. Ik heb de appel gegeten. Ik heb hem gegeten. (Ik heb die gegeten)

DE
vrouwelijk = fminin Ik heb de vrouw gezien. Ik heb haar/ze gezien. Ik heb de oefening gedaan. Ik heb ze gedaan. (Ik heb die gedaan)

La majorit des mots sont des DE-woorden. En cas de doute, choisissez donc plutt le DE que le HET

Mots au pluriel = toujours "DE" het boek de boeken

Mots compos het boek de bouw

genre du dernier mot het woordenboek de landbouw

61

DE-masculin (mannelijk)
1. personnes et animaux de sexe masculin de vader, de man de tijger, de olifant 2. professions masculines de koning, de boer de luisteraar de secretaris, de leraar de leerling, de student 3. noms trangers en US de musicus de technicus 4. arbres et montagnes de eik, de den de Etna, de Everest 5. autres de avond de dag de stoel de appel -DE -TE -NIS -SIS -TIS -IJ -IEK

DE-fminin (vrouwelijk)
1. personnes et animaux de sexe fm. de moeder, de vrouw de koe, de muis 2. professions fminines de koningin, de boerin de luisteraarster de secretaresse, de lerares de leerlinge , de studente 3. noms termins par : -HEID -ING -TEIT -SCHAP de vrijheid de oefening (exception: het ding) de universiteit de wetenschap (exceptions: het agentschap het landschap) de aarde de belofte, de hoogte de betekenis de crisis de bronchitis de maatschappij de muziek (exception: het publiek) de discotheek de natuur (exception: het avontuur) de aankomst

-THEEK -TUUR -ST

62

HET = NEUTRE (ONZIJDIG)


1. langues 2. points cardinaux 3. mtaux, matires 4. jeux et sports 5. diminutifs 6. infinitif utilis comme nom 7. mots de 2 syllabes commenant par BE - GE VER het Nederlands, het Frans, Het Engels het noorden, het oosten, het westen, het zuiden het goud, het hout het voetbal, het tennis het jongetje, het huisje het zwemmen, het eten het begin, het beroep het geheim, het gedrag het verhaal, het verslag Exception : de verkoop (m) 8. Mots en SEL 9. mots trangers en -AAL -EEL -MENT -ISME -UM het kanaal, het kapitaal het personeel, het kasteel het monument, het parlement het liberalisme, het communisme het museum, het centrum Exception : de datum (m) 10. nombreux autres mots het huis het dorp het jaar het adres het boek het voedsel, het deksel

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 24-25

63

LE PLURIEL HET MEERVOUD


1. La plupart des substantifs forment leur pluriel en EN.
Attention toutefois respecter les rgles dorthographe. Ex: de pen het raam de brief de pennen de ramen de brieven

Dans certains mots, la voyelle courte au singulier devient longue au pluriel het bad de oorlog de baden de oorlogen de weg de wegen

2. Pluriel en N : substantifs se terminant en E et dont la dernire syllabe est accentue


Ex: de categorie de zee de categorien de zeen het idee de ideen

3. Pluriel en S :
1. les diminutifs Ex: de meisjes, de bloempjes

2. les mots se terminant par EL, -EN, -ER, ou -AAR Ex: de tafel de jongen de kamer de eigenaar de tafels de jongens de kamers de eigenaars de sleutel de haven de koffer de sleutels de havens de koffers

3. la majorit des noms dorigine trangre Ex: de dame de tram de dames de trams het horloge de chef de horloges de chefs

4. Pluriel en -S : mots se terminant par A - I - O - U ou Y


A I O U Y de collega de taxi de foto de paraplu de baby de collega's de taxi's de foto's de paraplu's de baby's

ne pas confondre avec l'anglais : taxis, babies, umbrellas

64

5. Pluriel en EREN
Concerne les mots suivants : het kind het ei het lam het lied het rund het kalf het goed de kinderen de eieren de lammeren de liederen de runderen de kalveren de goederen l'enfant l'oeuf l'agneau la chanson le boeuf le veau le bien

Certains substantifs ont deux pluriels mais avec des sens diffrents : het blad de bladeren of de blaren de bladen het been de beenderen de benen de raad de raden de raadgevingen les feuilles (d'un arbre) les feuilles (de papier) les os les jambes les conseils = assembles de personnes les conseils qu'on donne

6. CAS PARTICULIERS :
kwartier, uur, jaar, maal & keer sont invariables quand ils sont prcds dun chiffre, dun nombre, de hoeveel ou de een paar. Ex: drie kwartier, 6 uur, 7 jaar, twee maal, twee keer

Toutefois, si lon insiste sur la dure, on peut utiliser le pluriel. Ex : 7 lange jaren

Les noms dunits de mesure, de poids et de monnaies sont invariables quand ils sont prcds dun chiffre, dun nombre, de hoeveel ou de een paar. Ex: 8 meter, 14 kilogram, 6 ton, 4 liter water hoeveel meter heb je gelopen ? 10 euro, 6 gulden Toutefois, si lon insiste sur les lments spars, on peut utiliser le pluriel. Ex: 4 liters water (= 4 bouteilles d1 litre)

65

Certains noms se terminant par MAN forment leur pluriel en LUI (forme courante) ou LIEDEN (forme distingue). Ex: de koopman de zakenman NB: de cameraman de Fransman de Engelsman de kooplui / kooplieden de zakenlui de cameramannen de Fransen de Engelsen

Les mots se terminant par HEID forment leur pluriel en HEDEN. Ex.: de vrijheid de schoonheid de vrijheden de schoonheden

La plupart des mots dorigine latine se terminant en US forment leur pluriel en I. Ex: de technicus de technici NB: de cursus de cursussen

La plupart des mots dorigine latine se terminant en UM forment leur pluriel en UMS ou en A. Toutefois, certains nont quune seule forme. Ex: het centrum de centrums / centra het museum de museums / musea

Certains substantifs forment leur pluriel avec des formes irrgulires ou spciales. het lid het aanbod het doel de stad het schip de koe de leden de aanbiedingen de doelen - de doeleinden - de doelstellingen de steden de schepen de koeien le membre l'offre le but la ville le navire la vache

Mots au singulier correspondant un pluriel en franais : - het nieuws is goed - de bril - de vakantie is voorbij - het haar - de bagage - de schade is belangrijk les nouvelles sont bonnes les lunettes les vacances sont finies les cheveux les bagages les dgts sont importants

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 26-29

66

LES NUMRAUX = DE TELWOORDEN


Numraux cardinaux = Hoofdtelwoorden
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 30 40 50 60 70 80 90 100 101 112 113 200 1.000 1.001 1.012 1.013 1.100 1.200 2.000 10.000 100.000 600.000 1 million 2 millions 1 milliard 2 milliards nul n twee drie vier vijf zes zeven acht negen tien elf twaalf dertien veertien vijftien zestien zeventien achttien negentien twintig eenentwintig tweentwintig dertig veertig vijftig zestig zeventig tachtig negentig honderd honderdenn / honderdn honderdentwaalf / honderdtwaalf honderddertien tweehonderd duizend duizend en n / duizend n duizend en twaalf / duizend twaalf duizend dertien elf honderd = duizend honderd twaalfhonderd = duizend tweehonderd tweeduizend tienduizend honderdduizend zeshonderdduizend een miljoen twee miljoen een miljard twee miljard

Numraux ordinaux = Rangtelwoorden


1er 2me 3me 4me 5me 6me 7me 8me 9me 10me 11me 12me 13me 14me 15me 16me 17me 18me 19me 20me 21me 22me 30me 40me 50me 60me 70me 80me 90me 100me 101me 113me 200me 1.000me 1.001me 1ste 2de 3de 4de 5de 6de 7de 8ste 9de 10de 11de 12de 13de 14de 15de 16de 17de 18de 19de 20ste 21ste 22ste 30ste 40ste 50ste 60ste 70ste 80ste 90ste 100ste 101ste 200ste 1.000ste 1.001ste eerste tweede derde vierde vijfde zesde zevende achtste negende tiende elfde twaalfde dertiende veertiende vijftiende zestiende zeventiende achttiende negentiende twintigste eenentwintigste tweentwintigste dertigste veertigste vijftigste zestigste zeventigste tachtigste negentigste honderdste honderdeneerste honderdentwaalfde honderddertiende tweehonderdste duizendste duizend en eerste

10.000me 100.000me millionime milliardime

10.000ste 100.000ste

tienduizendste honderdduizendste miljoenste miljardste 67

1. Numraux cardinaux
1.1. Formes de base : Voir tableau 1.2. Formation des dizaines 13 14 15 16 17 18 19 der tien veer tien vijf tien zes tien zeven tien acht tien negen tien De 13 19: unit + TIEN (en 1 mot) attention 13 et 14 30 40 50 60 70 80 90 der tig veer tig vijf tig zes tig zeven tig tach tig negen tig LES DIZAINES: unit + TIG (en 1 mot) attention 30, 40 et 80 21 22 23 34 45 88 99 n en twintig twee n twintig drie n twintig vier en dertig vijf en veertig acht en tachtig negen en negentig

units + EN + dizaines (en 1 mot) attention : ajouter un trma sur le en aprs twee et drie (22, 23, 32, 33, 42, 43, etc)

1.3. Au-del de 100 Entre honderd, duizend, miljoen, miljard et les nombres de 1 12, on peut employer en (le nombre scrit alors en trois mots). Au-del de 112, 1012, etc., le nombre scrit sans en. 101 112 113 1001 1013 honderdn honderdtwaalf honderddertien duizend n duizend dertien ou ou ou honderdenn honderdentwaalf honderdendertien duizend en n duizendendertien

Les nombres s'crivent en un mot jusqu' 1.000 (duizend) 125 856 honderdvijfentwintig achthonderdzesenvijftig

Les multiples de duizend scrivent galement en un mot 600.000 600.856 zeshonderdduizend zeshonderdduizend achthonderdzesenvijftig

Les multiples de miljoen et miljard scrivent en deux mots ( ex: vier miljoen, twintig miljard). Remarquez que miljoen et miljard restent invariables quand ils sont prcds dun chiffre.

68

Remarques 1. Dans certaines locutions, les nombres cardinaux prennent aussi -en We waren met zn vieren (= met ons vieren) Ze vertrekken met zn zessen (= met hun zessen) Hij verdeelde het in drien 2. On exprime lapproximation par:
numral cardinal + TAL EEN + quantit + OF EEN STUK OF + numral cardinal : een twintigtal mensen : om een uur of zes : een stuk of vijf = une vingtaine de personnes = aux environs de 6 heures = quatre ou cinq

nous tions quatre ils partent six il la divis en trois

2. Numraux ordinaux
2.1. Jusquau 19e, on emploie le numral cardinal + DE, sauf: premier troisime huitime = = = eerste derde achtste

2.2. A partir du 20e on emploie le numral cardinal + STE Remarques Les fractions se forment au moyen de: numral cardinal + numral ordinal (sans marque du pluriel) 1/3 3/8 1/10 = = = een derde drie achtste een tiende 1 = = = een half een kwart anderhalf / anderhalve

Pour indiquer la date, on emploie le cardinal ou lordinal prcd de "de" 23 februari ou de 23ste februari

Les nerlandophones nutilisent gnralement pas duizend pour les dates partir de 1100. 1975 = negentienhonderdvijfenzeventig

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 41-44

69

JAARTALLEN EN DATUMS
en l'an 300 avant Jsus Christ en 102 aprs Jsus Christ l'an mille 1150 1204 1492 1995 2007 Quelle date sommes-nous aujourd'hui? het jaar 300 vr (Jezus) Christus in honderd(en)twee na (Jezus) Christus het jaar duizend elfhonderd vijftig twaalfhonderd (en) vier veertienhonderd tweennegentig negentienhonderd vijfennegentig tweeduizend (en) zeven Welke datum is het vandaag? Welke datum zijn we?

Nous sommes aujourd'hui le 18 mai 2007 We zijn vandaag de achttiende mei tweeduizend en zeven Het is vandaag achttien mei tweeduizend en zeven
Je suis n le 5 avril 1987 Ik ben geboren op vijf april negentienhonderd zevenentachtig

HET UUR
Quelle heure est-il? Il est 8 heures prcises Il vient 8 heures prcises Heure 8h00 8h05 8h15 8h25 8h30 8h35 8h45 8h55 12h00 24h00 langue parle habituelle huit heures huit heures cinq huit heures et quart huit heures vingt-cinq huit heures et demie huit heures trente-cinq neuf heures moins le quart neuf heures moins cinq midi minuit Hoe laat is het? Het is acht uur precies/stipt Hij komt om acht uur horaire/dienstregeling acht uur acht uur vijf acht uur vijftien acht uur vijfentwintig acht uur dertig acht uur vijfendertig acht uur vijfenveertig acht uur vijfenvijftig twaalf uur (vierentwintig uur)

gewone spreektaal acht uur vijf over acht kwart over acht vijf voor half negen half negen (of: halfnegen)

vijf over halfnegen kwart voor negen vijf voor negen middag middernacht

BEREKENINGEN (calculs)
l'addition / additionner la soustraction / soustraire la multiplication / multiplier la division / diviser de optelling / optellen de aftrekking / aftrekken de vermenigvuldiging / vermenigvuldigen de deling / delen 5+3=8 83=5 8 x 2 = 16 8:2=4 vijf plus drie is acht acht min drie is vijf acht maal twee is zestien acht gedeeld door twee is vier 70

LES RGLES D'ORTHOGRAPHE


DE SPELLINGSREGELS
Syllabe ouverte et syllabe ferme Syllabe ouverte = termine par une voyelle Syllabe ferme = termine par une consonne Division en syllabes
1.Sil y a une seule consonne entre deux voyelles, cette consonne appartient la deuxime syllabe. va der moe der gro te

Ex. : Ex. :

va-der, ko-men bin-nen, dan-sen

2. Sil y a 2 consonnes entre 2 voyelles, la premire consonne appartient la premire syllabe et la seconde la seconde syllabe. druk ken ein de hon der den

3. ch et sch ne forment quune seule consonne. la chen Bel gi sche

Rgle dorthographe n 1 Une voyelle brve (son court) doit rester brve toutes les formes du mot. Si le mot reoit une terminaison e ou en, on redouble la consonne qui suit la voyelle si ncessaire. Ex. : De pen de pennen ik druk we drukken

Rgle dorthographe n 2 Une voyelle longue doit rester longue toutes les formes du mot. voyelle longue dans syllabe ferme = 2 lettres voyelle longue dans syllabe ouverte = 1 lettre Ex. Ik neem we ne/men de muur de mu/ren

Rgle dorthographe n 3 En fin de syllabe ou avant une consonne: V devient F Z devient S Ex. : Ex.: le-ven le-zen Ik leef, hij leeft Ik lees, hij leest

EMPLOI DE LA MAJUSCULE En rgle gnrale, lemploi de la majuscule est le mme quen franais. Contrairement au franais, scrivent avec majuscule en nerlandais: 1. les noms de langues et de dialectes : het Nederlands, het Frans 2. les adjectifs drivs de noms propres et de noms de langues: de Franse taal 3. les noms gographiques forms dun adjectif et dun nom commun: de Grote Markt

71

VUE SCHMATIQUE DES 3 RGLES D'ORTHOGRAPHE

Rgles d'orthographe n et 2 1 Voyelles brves toujours 1 lettre toujours syllabe ferme IK DRUK DE PEN DIK TOF redoublement de la consonne si ncessaire WE DRUK-KEN DE PEN-NEN DIK-KE MENSEN EEN TOF-FE GAST

Voyelles longues

Syllabe ferme 2 lettres DE MUUR IK NEEM IK LAAT GROOT

Syllabe ouverte 1 lettre DE MU-REN WE NE-MEN WE LA-TEN GRO-TE STEDEN

Rgle d'orthographe n 3

VZ devant voyelle ze leven ze lezen de brieven de huizen een lieve jongen een grijze mantel devant consonne je leeft je leest het briefpapier het huisdier -

FS en fin de mot ik leef ik lees de brief het huis een lief meisje grijs haar

Exercices Illustrs de Grammaire Nerlandaise : p. 5-6

72

DEEL 2 NUTTIGE WOORDENSCHAT


1. Nuttige zinnetjes voor debatten/discussies 2. Nuttige zinnetjes voor telefoongesprekken 3. Tips om een goed opstel te schrijven

73

NUTTIGE ZINNETJES EN WOORDJES VOOR DEBATTEN EN DISCUSSIES

74

Een mening vragen Wat denkt u van ... Wat denk je van ... Wat denk jij daarvan? / Hoe denk jij daarover? Wat is je/uw mening/opinie (over ...) ? Wat is jouw standpunt? Denk je niet dat ... ? Een mening geven Ik denk (niet) dat / Ik vind (niet) dat / Ik geloof (niet) dat Persoonlijk denk ik (niet) dat .... Naar mijn mening, is het zeer moeilijk om... Volgens mij, is het ... Wat mij betreft, ik denk dat Ik ben van mening dat Ik zou zeggen dat . Ik veronderstel dat / Ik neem aan dat Ik heb gehoord dat Ik heb horen zeggen dat Ik heb (ergens) gelezen dat In de tekst staat dat Het is duidelijk dat Ik ben er (niet) zeker van dat Ik ben ervan overtuigd dat Ik weet niet of Akkoord gaan (Ja) zeker Inderdaad. Dat klopt. Absoluut. Natuurlijk / Uiteraard

Demander une opinion Que pensez-vous de ... Que penses-tu de ... Et toi, qu'en penses-tu? Quel est ton/votre avis (au sujet de, sur ...) Quel est ton point de vue? Ne penses-tu pas que ... ? Exprimer un avis Je (ne) pense (pas) que / Je (ne) trouve (pas) que / Je (ne) crois (pas) que Personnellement, je (ne) pense (pas) que A mon avis, il est trs difficile de Selon moi, En ce qui me concerne, je pense que Je suis d'avis que Je dirais que Je suppose que J'ai entendu dire que J'ai lu (quelque part) que . Le texte dit que Il est vident/clair que Je (ne) suis (pas) certain que . Je suis convaincu que Je ne sais pas si Etre d'accord Certainement En effet. C'est bien a. C'est exact. Absolument. Bien sr / Evidemment 75

Ik ga akkoord met je = Ik ben het met je eens Ik ga daarmee akkoord. Je hebt gelijk. / Hij heeft gelijk. / Ik denk dat hij gelijk heeft. Ja, ik denk het Ik denk van wel >< Nee, ik denk het niet. >< Ik denk van niet

Je suis d'accord avec toi Je suis d'accord sur ce point. Tu as raison. / Il a raison. / Je pense qu'il a raison. Oui, je pense Je pense que oui >< Non, je ne pense pas >< Je pense que non

Niet helemaal akkoord Waarschijnlijk. Ik ga niet helemaal akkoord met u. Ik ben niet volledig overtuigd door uw argumenten. Dat kan. / Het kan zijn. / Het is mogelijk. Het hangt ervan af. Het hangt van de omstandigheden af. Helemaal niet akkoord Zeker niet. Natuurlijk niet. Helemaal niet. Dat kan niet ! Dat denk ik niet. / Dat geloof ik niet. Ik ga niet akkoord met jouw standpunt. Ik ga daar niet mee akkoord. Ik ga helemaal niet akkoord met u. Ik denk dat het verkeerd / onjuist is. Ik niet >< Ik wel / Ik ook

Pas tout fait d'accord Probablement. Je ne suis pas tout fait d'accord avec vous. Je ne suis pas tout fait convaincu par vos arguments C'est possible. a dpend. a dpend des circonstances. Pas du tout d'accord Srement pas. Bien sr que non. Pas du tout. C'est impossible ! (Ca ne se peut pas !) Je ne pense pas. / Je ne crois pas. Je ne suis pas d'accord avec ton point de vue. Je ne suis pas d'accord (avec cela). Je ne suis pas du tout d'accord avec vous. Je pense que c'est faux /inexact. Moi pas >< Moi bien / Moi aussi

U hebt niet goed begrepen Excuseer, ik heb de vraag niet goed begrepen Ik begrijp de vraag niet goed. Kunt u (even) herhalen, alstublieft?

Vous n'avez pas bien compris Excusez-moi, je n'ai pas bien compris la question. Je ne comprends pas bien la question. Pourriez-vous rpter, svp? 76

Wat zegt u ? / Wablief? Kunt u wat langzamer spreken, alstublieft? Kunt u wat luider spreken, alstublieft? Uitleg vragen Wat bedoel je daarmee? Ik begrijp je standpunt niet goed. Kan je je standpunt even verklaren? Uitleg geven Wel, ik bedoel dat Wat ik bedoel is het volgende : Met andere woorden, U weet het niet Ik weet het niet. / Dat weet ik niet. Ik heb geen idee. Dat interesseert me niet. Allerlei In feite, / Eigenlijk, Het probleem is dat Eerst en vooral Ten eerste . Ten tweede . Ten derde . Ten vierde Aan de ene kant . Aan de andere kant Enerzijds Daarna, Bovendien, Trouwens Daarom In conclusie / Ter conclusie / Als conclusie, zou ik zeggen dat. Anderzijds

Que dites-vous? Vous dites? Pardon? Pourriez-vous parler plus lentement, svp? Pourriez-vous parler plus fort, svp? Demander des explications Que veux-tu dire par l? Je ne comprends pas bien ton point de vue. Peux-tu clarifier/expliquer ton point de vue? Donner des explications Eh bien, je veux dire que Ce que je veux dire, c'est ceci: En d'autres mots/termes, Vous ne savez pas Je ne sais pas. Je n'en ai aucune ide. Cela ne m'intresse pas. Divers En fait, Le problme est que Tout d'abord, Premirement Deuximement Troisimement Quatrimement D'un ct . d'un autre ct D'une part d'autre part Ensuite / Aprs cela, En outre, / De plus, D'ailleurs C'est pourquoi / Voil pourquoi En conclusion / Pour conclure, je dirais que ..

77

NUTTIGE ZINNETJES VOOR TELEFOONGESPREKKEN

78

ALGEMEEN iemand opbellen (belde op, opgebeld) = naar iemand telefoneren naar huis bellen Ik moet even telefoneren (de telefoon) opnemen >< neerleggen / ophangen iets telefonisch regelen / afhandelen een telefoontje krijgen iemand aan de telefoon krijgen

GNRAL tlphoner qqn, appeler qqn appeler chez soi / tlphoner sa maison Je dois passer un coup de fil dcrocher (le tlphone) >< raccrocher rgler / traiter qqch par tlphone recevoir un coup de fil recevoir un coup de tlphone de qqn

Zich voorstellen (als u zelf belt)


Goeiedag, (u spreekt) met Patricia Smet. Mijn naam is Julien Boon. Ik bel vanwege de heer Janssens. - Kan ik (met) de heer Devos spreken, alstublieft? - Mag ik (met) de heer Devos spreken, alstublieft? Zou ik (met) de heer Devos kunnen spreken, alstublieft? - Kan ik Patrica spreken, alstublieft? - Mag ik Patrica even?

Se prsenter (quand c'est vous qui appelez)


Bonjour, (c'est) Patricia Smet l'appareil. Mon nom est Julien Boon, je tlphone de la part de Mr Janssens. Puis-je parler Mr Devos, svp?

Pourrais-je parler Mr Devos, s'il vous plat? Puis-je parler Patricia, svp?

Zich voorstellen (als u opneemt)


Met Proximus, Goeiemorgen. Met mevrouw Gandois Met Patricia Smet. Met Patricia. Met de secretaresse van de heer Devos. - Mag ik Deheer/Mevrouw Devos spreken AUB? - Daar spreekt u mee Met hemzelf / Met haarzelf"

Se prsenter (quand vous dcrochez)


Proximus, bonjour. Madame Gandois l'appareil. Patricia Smet ( l'appareil) Patricia ( l'appareil) Secrtariat de Mr Devos. - Puis-je parler Mr/Mme Devos svp? - C'est lui-mme / C'est elle-mme.

Informeren naar de identiteit


Met wie spreek ik, alstublieft? Met wie heb ik de eer? Wie mag ik aanmelden? Spreek ik (wel) met Peter Devos?

S'informer sur l'identit


C'est de la part de qui, s'il vous plat? A qui ai-je l'honneur? Qui puis-je annoncer? Vous tes (bien) Peter Devos?

79

Informeren naar het doel van de oproep


Kan ik u helpen? Waarmee kan ik u helpen? Wat kan ik voor u doen? Waarmee kan ik u van dienst zijn?

S'informer sur le but de l'appel


Je peux vous aider? Que puis-je faire pour vous? Que puis-je faire pour votre service?

Iemand of een dienst wordt gevraagd


- Kunt u me met de heer Devos doorverbinden, aub? - Ik verbind u door.

Quelqu'un ou un service est demand


- Pouvez-vous me passer Mr Devos, svp? - Je vous le passe

- Kunt u me met de boekhouding doorverbinden, aub? - Pouvez-vous me passer la comptabilit, svp? - Ik verbind u door. - Je vous transmets.

De oproeper aanmelden.
De heer Devos (aan de lijn) voor u. Patricia, (er is) telefoon voor jou. Ik heb de leveringsdienst voor jou aan de lijn.

Annoncer l'appelant
Monsieur Devos (au tlphone) pour vous Mr Devos vous demande. Patricia, tlphone pour toi / un appel pour toi! J'ai le service livraison en ligne pour toi.

Om geduld vragen
Een ogenblik, ik verbind u door. Blijf aan het toestel / aan de lijn. Kunt u even wachten? Ik laat hem roepen. Ik zal hem proberen te bereiken. Een klein ogenblik, ik neem uw dossier.

Faire patienter
Un instant/moment, je vous le passe. Restez l'appareil / en ligne. Vous pouvez attendre un instant? Je le fais appeler. Je vais essayer de le joindre. Un petit instant, je prends votre dossier.

De gevraagde persoon is niet te spreken


Het spijt me, maar de heer Devos neemt niet op. is nu niet bereikbaar is in gesprek met een klant. is in vergadering is momenteel afwezig. is er niet. is met verlof.

La personne demande n'est pas disponible


Je suis dsol, mais monsieur Devos ne dcroche pas. n'est pas joignable pour l'instant. est en ligne avec un client. est en runion. est momentanment absent. n'est pas l. est en cong.

80

Een alternatief voorstellen


Wilt u een boodschap (achter)laten? Kan ik misschien een boodschap noteren? Zal ik een boodschap noteren? Kunt u morgen terugbellen? Zal ik haar/hem vragen terug te bellen?

Proposer une alternative


Voulez-vous laisser un message? Je peux prendre note d'un message, peut-tre? Voulez-vous que je prenne note d'un message? Pouvez-vous rappeler demain? Voulez-vous que lui demande de vous rappeler?

De inleiding
Ik bel (u) op in verband met Ik zou graag inlichtingen hebben over Ik bel u op voor het volgende : uw firma Het gaat om het volgende: je Ik had u verleden opgebeld in verband met Zoals afgesproken, bel ik u terug om

L'introduction
Je (vous) appelle au sujet de/concernant J'aimerais avoir des renseignements sur Je vous appelle pour la raison suivante: votre firme Voici de quoi il s'agit : ik Je vous avais tlphon la semaine passe au sujet de Comme convenu, je vous rappelle pour

Problemen
Het is een vergissing. / U bent verkeerd verbonden. De verbinding/lijn is slecht. Er is gekraak op de lijn. Sorry/Excuseer, ik hoor/versta u niet goed. Kunt u even herhalen, alstublieft? Kunt u wat langzamer spreken, alstublieft? Kunt u wat luider spreken, alstublieft? Wat zegt u? Wilt u uw naam even spellen, alstublieft?

Problmes
C'est une erreur. La ligne/liaison est mauvaise. Il y a de la friture/ des craquements sur la ligne. Excusez-moi, je ne vous entends/comprends pas bien. Pouvez-vous rpter, s'il vous plat? Pouvez-vous parler plus lentement, s'il vous plat? Pouvez-vous parler plus fort, s'il vous plat? Que dites-vous? Voulez-vous bien peler votre nom, svp?

Bedanken een afscheid nemen


- Vriendelijk bedankt. - Graag gedaan! - Ik dank u vriendelijk. - Zonder dank / Geen dank. Tot genoegen. Tot ziens. Tot straks / Tot later / Tot morgen /

Remercier et prendre cong


- Merci beaucoup, c'est trs gentil. - Avec plaisir! - Je vous remercie, c'est trs gentil. - Il n'y a pas de quoi. Au plaisir. Au revoir. A tout l'heure / A plus tard / A demain /

81

ENKELE TIPS OM EEN GOED OPSTEL TE SCHRIJVEN

82

EEN GOED OPSTEL

Structuur:
Maak paragrafen : 1 idee = 1 paragraaf) - Inleiding / Introductie - Ontwikkeling / Argumenten / Voorbeelden - Conclusie

De introductie of inleiding

het onderwerp beschrijven / een definitie geven van de titel waarom je dit onderwerp hebt gekozen je algemene standpunt over dit probleem

De ontwikkeling

Je geeft argumenten en/of illustreert je standpunt met voorbeelden. Voorbeeld of argument 1 'Ten eerste' + inversie 'Eerst' + inversie 'Om te beginnen', + inversie Het eerste voorbeeld is ... Voorbeeld of argument 2 'Dan' + inversie 'Ten tweede' + inversie 'Het volgende voorbeeld is ' Voorbeeld of argument 3 Ten derde', + inversie 'Ten einde' + inversie 'Ten laatste + inversie 'Eindelijk' + inversie

De conclusie

Je herhaalt je standpunt of eindigt met een sterk idee.

83

NUTTIGE WOORDENSCHAT VOOR OPSTELLEN


Ik heb dit onderwerp gekozen omdat + rejet Ik zal/ga het over hebben Ik zal/ga over praten Volgens mij + inversie Aan de ene kant + inv, aan de andere kant + inv Enerzijds + inversie anderzijds + inversie Ik ga akkoord met deze bewering Ik ga niet akkoord met Ik ga u uitleggen wat + rejet Over het algemeen + inv Vooral Overal Omdat + rejet In feite + inversie Hoewel + rejet Ondanks (het feit dat) + rejet en - of - maar - want - dus (pas d'inversion) Bovendien, (pas d'inversion si virgule) Trouwens, (pas d'inversion si virgule) Jai choisi ce sujet car Je vais vous parler de Selon moi Dun ct, dun autre ct, Dune part, dautre part, Je suis daccord avec cette affirmation Je ne suis pas daccord avec Je vais vous expliquer ce que En gnral Surtout Partout Parce que En fait Bien que Malgr (le fait que) Et - ou - mais - car - donc En plus Par ailleurs

Wat mij betreft, ik denk (geen inversie) dat + rejet En ce qui me concerne, je pense que Wat mij betreft, is het belangrijk omte + verbe Kortom, (pas d'inversion si virgule) Inderdaad, (pas d'inversion si virgule) Om te concluderen/besluiten, kan ik zeggen dat + rejet Als/In/Ter conclusie ben ik van mening dat + rejet Uit deze voorbeelden kan men zeggen dat + rejet Zoals ik het aangetoond heb, + inv. Zoals ik het in de inleiding heb gezegd, + inv. En ce qui me concerne, il est important de En bref En effet Pour conclure, je peux dire que En conclusion, je suis davis que Daprs ces exemples on peut dire que Comme je lai (d)montr, Comme je lai dit dans lintroduction,

84

ANNEXE COMPTENCES TERMINALES ET NIVEAUX CERL

85

Comptences linguistiques terminales atteindre par ltudiant en COMPTABILIT


(niveaux inspirs du Cadre Europen Commun de Rfrence en Langues) NIVEAU PRREQUIS
Je peux comprendre des expressions et un vocabulaire trs frquent relatifs ce qui me concerne de trs prs (par ex. moi-mme, ma famille, les achats, lenvironnement proche, le travail). Je peux saisir l'essentiel d'annonces et de messages simples et clairs. [A2] Je peux lire des textes courts trs simples. Je peux trouver une information particulire prvisible dans des documents courants comme les petites publicits, les prospectus, les menus et les horaires et je peux comprendre des lettres personnelles courtes et simples. [A2]

NIVEAU 1

re

BAC

NIVEAU 2

me

BAC

NIVEAU 3

me

BAC

couter

COMPRENDRE

Je peux comprendre les points principaux d'une intervention assez simple sur des sujets familiers concernant le travail, l'cole, les loisirs quand un langage clair et standard est utilis. [B1]

Je peux comprendre l'essentiel d'une intervention (conversation, confrence, argumentation) portant sur un sujet familier ou professionnel, et exprime dans une langue standard et clairement articule. [B1+]

Je peux comprendre l'essentiel d'une intervention (conversation, confrence, argumentation) mme relativement complexe, portant sur un sujet familier ou professionnel, et exprime dans une langue standard. [B2]

Lire

Je peux comprendre la description d'vnements, lexpression de sentiments et de souhaits dans des courriers. Je peux comprendre les points principaux d'un article ou rapport d'ordre gnral et non complexe. [B1] Je peux faire face la majorit des situations que l'on peut rencontrer au cours d'un voyage dans une rgion o la langue est parle. Je peux prendre part une conversation sur des sujets familiers ou d'intrt personnel ou professionnels simples ou qui concernent la vie quotidienne (par exemple famille, loisirs, travail, voyage et actualit). [B1] Avec une certaine prparation, je peux faire un expos ou dvelopper une argumentation simple sur un sujet familier. Je peux exprimer mes opinions et projets et les justifier. [B1]

Je peux comprendre une correspondance courante ainsi que des articles ou rapports dans mon domaine professionnel (comptabilit) et qui dveloppent des points de vue particuliers. [B2]

Je peux comprendre tout type de correspondance professionnelle ainsi que des articles spcialiss dans le domaine de la comptabilit, avec l'aide d'un dictionnaire pour les termes peu courants. [B2+]

PARLER

Je peux communiquer lors de tches simples et habituelles ne demandant qu'un change d'information simple et direct sur des sujets et Prendre part des activits familiers. Je peux avoir des changes trs brefs mme si, en rgle une gnrale, je ne comprends pas assez pour conversation poursuivre une conversation. [A2]

Je peux communiquer avec une certaine assurance sur des sujets familiers en relation avec mes intrts et mon domaine professionnel, tant en face--face que par tlphone. Je peux exprimer ma pense sur un sujet abstrait ou culturel. [B1+]

Je peux communiquer avec un degr de spontanit et d'aisance qui rende possible une interaction normale avec un locuteur natif, tant en face--face que par tlphone. Je peux participer activement une conversation dans des situations relatives au monde de lentreprise, prsenter et dfendre mes opinions. [B2] Avec une certaine prparation, je peux dvelopper mthodiquement une prsentation ou argumentation en soulignant les points importants et les dtails pertinents. [B2+]

Je peux utiliser une srie de phrases ou d'expressions pour dcrire en termes simples ma famille et d'autres gens, mes conditions de Sexprimer vie, ma formation et mon activit oralement en professionnelle actuelle ou rcente. continu [A2]

Avec une certaine prparation, je peux argumenter et m'exprimer de faon claire sur une grande gamme de sujets, y compris professionnels. Je peux dvelopper un point de vue sur un sujet dactualit et expliquer les avantages et les inconvnients de diffrentes possibilits. [B2] Je peux crire des textes clairs et dtaills sur une gamme de sujets relatifs mon orientation dtude. Je peux crire un texte ou courrier professionnel en transmettant une information ou en exposant des raisons pour ou contre une opinion donne. [B2]

ECRIRE

crire

Je peux crire des notes et messages simples et courts. Je peux crire une lettre personnelle trs simple, par exemple de remerciements. [A2]

Je peux crire un texte ou courrier simple et cohrent sur des sujets familiers, professionnels simples ou encore dactualit. Je peux dcrire des expriences et des impressions. [B1]

Je peux crire des textes clairs et dtaills sur une gamme de sujets relatifs mon orientation dtude. Je peux crire un texte ou courrier professionnel en transmettant une information ou en exposant des raisons pour ou contre une opinion donne. [B2]

86

Comptences linguistiques terminales atteindre par ltudiant en DROIT


(niveaux inspirs du Cadre Europen Commun de Rfrence en Langues) NIVEAU PRREQUIS
Je peux comprendre des expressions et un vocabulaire trs frquent relatifs ce qui me concerne de trs prs (par ex. moi-mme, ma famille, les achats, lenvironnement proche, le travail). Je peux saisir l'essentiel d'annonces et de messages simples et clairs. [A2] Je peux lire des textes courts trs simples. Je peux trouver une information particulire prvisible dans des documents courants comme les petites publicits, les prospectus, les menus et les horaires et je peux comprendre des lettres personnelles courtes et simples. [A2]

NIVEAU 1

re

BAC

NIVEAU 2

me

BAC

NIVEAU 3

me

BAC

couter

COMPRENDRE

Je peux comprendre les points principaux d'une intervention assez simple sur des sujets familiers concernant le travail, l'cole, les loisirs quand un langage clair et standard est utilis. [B1]

Je peux comprendre l'essentiel d'une intervention (conversation, confrence, argumentation) portant sur un sujet familier ou professionnel, et exprime dans une langue standard et clairement articule. [B1+]

Je peux comprendre l'essentiel d'une intervention (conversation, confrence, argumentation) mme relativement complexe, portant sur un sujet familier ou professionnel, et exprime dans une langue standard. [B2]

Lire

Je peux comprendre la description d'vnements, lexpression de sentiments et de souhaits dans des courriers. Je peux comprendre les points principaux d'un article ou rapport d'ordre gnral et non complexe. [B1] Je peux faire face la majorit des situations que l'on peut rencontrer au cours d'un voyage dans une rgion o la langue est parle. Je peux prendre part sans prparation une conversation sur des sujets familiers ou d'intrt personnel ou professionnels simples ou qui concernent la vie quotidienne (par exemple famille, loisirs, travail, voyage et actualit). [B1] Avec une certaine prparation, je peux faire un expos ou dvelopper une argumentation simple sur un sujet familier. Je peux exprimer mes opinions et projets et les justifier. [B1]

Je peux comprendre une correspondance courante ainsi que des articles ou rapports dans mon domaine professionnel (le droit) et qui dveloppent des points de vue particuliers. [B2]

Je peux comprendre tout type de correspondance professionnelle ainsi que des articles spcialiss dans le domaine du droit , avec l'aide d'un dictionnaire pour les termes peu courants. [B2+]

PARLER

Je peux communiquer lors de tches simples et habituelles ne demandant qu'un change d'information simple et direct sur des sujets et des activits familiers. Je peux Prendre part avoir des changes trs brefs mme si, en rgle gnrale, je ne comprends pas assez une conversation pour poursuivre une conversation. [A2]

Je peux communiquer avec une certaine assurance sur des sujets familiers en relation avec mes intrts et mon domaine professionnel (le droit) tant en face--face que par tlphone. Je peux exprimer ma pense sur un sujet abstrait ou culturel. [B1+]

Je peux communiquer avec un degr de spontanit et d'aisance qui rende possible une interaction normale avec un locuteur natif. tant en face--face que par tlphone. Je peux participer activement une conversation dans des situations relatives au monde juridique, prsenter et dfendre mes opinions. [B2]

Je peux utiliser une srie de phrases ou d'expressions pour dcrire en termes simples ma famille et d'autres gens, mes Sexprimer conditions de vie, ma formation et mon oralement en activit professionnelle actuelle ou rcente. continu [A2]

Avec une certaine prparation, je peux argumenter et m'exprimer de faon claire sur une grande gamme de sujets, y compris professionnels. Je peux dvelopper un point de vue sur un sujet dactualit et expliquer les avantages et les inconvnients de diffrentes possibilits. [B2] Je peux crire des textes clairs et dtaills sur une gamme de sujets relatifs au droit. Je peux crire un texte ou courrier professionnel en transmettant une information ou en exposant des raisons pour ou contre une opinion donne. [B2]

Avec une certaine prparation, je peux dvelopper mthodiquement une prsentation ou argumentation en soulignant les points importants et les dtails pertinents. [B2+]

ECRIRE

crire

Je peux crire des notes et messages simples et courts. Je peux crire une lettre personnelle trs simple, par exemple de remerciements. [A2]

Je peux crire un texte ou courrier simple et cohrent sur des sujets familiers, professionnels simples ou encore dactualit. Je peux dcrire des expriences et des impressions. [B1]

Je peux crire des textes clairs et dtaills sur une gamme de sujets relatifs au droit ou mes intrts. Je peux crire un essai ou un rapport en transmettant une information ou en exposant des raisons pour ou contre une opinion donne. Je peux crire des lettres ou e-mails personnels ou professionnel qui mettent en valeur le sens que jattribue aux vnements et aux expriences. [B2+]

87

Vous aimerez peut-être aussi