Benedict Anderson, Imagined communities, 4-13.

Definitie van natie volgens Anderson = het is een verbeelde politieke gemeenschap en verbeeld zowel als verbondenheid als soeverein. Verbeeld = omdat de leden van de kleinste natie nooit de meeste van de rest van de natie kennen, zullen ontmoeten of van hen horen, maar toch bestaat er in hun geest het idee van een gemeenschap. Verbeeld als; - Begrensd, omdat ze uiteindelijk elastische grenzen heeft, waar andere naties liggen. - soeverein, omdat het geboren is in een tijd waarin Verlichting en revolutie de legitimiteit van de hiërarchische samenleving vernietigden. - als gemeenschap, omdat hoe op persoonlijk niveau de ongelijkheid ook kan zijn, er altijd een diep, horizontaal kameraadschap bestaat. Nationalisme = moet worden begrepen door het op één lijn te brengen, niet met politieke ideologieën, maar met de grote culturele systemen die het vooraf gingen, waaruit het voortkwam, zowel als waar het tegen in ging; de religieuze gemeenschap en het dynastisch koninkrijk.

Hagen Schulze, States, nations and nationalism, 95-113.
Ernest Renan = definitie over natie = een natie is een gedachte, een gemeenschap dat bestaat zo lang als het in de harten van de leden zit en sterft zodra het niet meer bestaat in hun gedachten en aspiraties. Ze worden gesticht op nationaal bewustzijn en leren zichzelf kennen door een gemeenschappelijke geschiedenis, reputatie en opoffering. Hun gemeenschappelijk geschiedenis heeft een gelimiteerd bestaan, het is meer het product van dromen en visies dan van feiten. Het idee van een natie is vooral krachtig om mensen samen te binden op politiek gebied. Latijnse betekenis van Natio = een gemeenschap onder recht waar je door je geboorte toe behoort. Duitse natie = bestond uit prinsen die hun leider kozen en samen met hem het rijk regeerden, of tenminste betrokken waren bij beslissingen. De prinsen gaven dus vorm aan de staat. Franse natie = samengehouden door contacten met de kroon de staat gaf vorm aan de natie. Tot het einde van de 18e eeuw = een natie alleen van de elite, niet van het volk. Naties bestonden al voordat ze zo werden genoemd als; Een soort gemeenschap, ontstaan in collectieve emoties; zoals taal, tradities en kameraadschap in tijden van oorlog.

Grever, Visualisering en collectieve herinneringen, 7-24.
Recente succes van herinneringen; 1) demografische factor = toenemende vergrijzing leidt tot meer reflectie op het fenomeen van de collectieve herinnering, omdat ouderen meer denken aan het verleden dan jongeren. 2) compensatie these = mensen hebben de behoefte om ingrijpende veranderingen te minimaliseren via de creatie van historische ankerplaatsen. Een collectieve herinnering is niet langer een vanzelfsprekende uitbreiding van een identiteitsbesef van een gemeenschap, maar een kunstmatige creatie van memory sites waarvan de betekenis steeds veranderd. 3) de culturalisering van de geschiedwetenschap  verbreding van de historiografie 4) het toenemend belang van visuele bronnen.

Collectieve herinneringen = verwijzen naar gemeenschappelijke historische ervaringen, tot uitdrukking gebracht in teksten, liederen, herdenkingsdagen, rituelen, monumenten en beelden. Er is niet één collectieve herinnering, omdat collectieve herinneringen meestal van elkaar onderscheiden en soms concurreren met elkaar. Herinnering = temporeel van karakter, het gebeurd in de tijd. Geheugen = opslagplaats voor herinneringen, het is ruimtelijk. Heuristisch model van Wullf Kansteiner; De geschiedenis van collectieve herinneringen is een complex proces van culturele productie en consumptie waarbij naast taaie tradities zowel creativiteit van de makers en bewakers van herinneringen als de belangen van toeschouwers en deelnemers betrokken moeten worden. Michel de Certau = het begrip toe-eigening. Toe-eigening = het actief gebruik en hergebruik van collectieve herinneringen. Deelnemers in een herinneringscultuur blijven niet passief, maar integreren rituelen, tradities en objecten van herinnering in hun eigen culturele systemen.

Jo Tollebeek, Vanuit de aangrenzende kamer, 15- 23.
Laatste 25 jaar = verandering van het historisch besef. Periode 1870-1970 = oude historisch besef = men eerde de voorgangers als erflaters, en zouden de tradities doorgeven. In de geschiedschrijving kwam dit tot uitdrukking doordat het verleden werd gebruikt (toegeëigend) om de identiteit van mensen te vinden. Feit dat dit beeld zo lang kon bestaan  het vervulde een maatschappelijke functie, het bood tegenwicht tegen de snel veranderende samenleving vanaf 1850. Invented tradition = volgens Eric Hobsbawn, een praktijk of een geheel van praktijken, die volgens een vast stramien van al dan niet geëxpliciteerde regels verliepen en erop waren gericht bepaalde normen en waarden ingang te doen vinden door zichzelf steeds te herhalen en zo continuïteit met het verleden te suggereren. Invented traditions werden vooral belangrijk daar waar de continuïteit en het erflaterschap niet bestonden. Feit dat wij zo gevoelig zijn voor invented traditions wijst erop dat de voedingsbodem weg is. Nieuwe perspectief = gaat niet langer om de zienswijze van de natie, maar het meerstellig complex van het vaderlandbeelden die elk afzonderlijk in sterke mate afhankelijk blijken te zijn van bewust geschapen mythes. Vanaf 1970 = verandering van het historisch besef, dat zich nu uitte als een vluchtig, efemeer en anekdotisch herinneren (is veel persoonlijker). Lieux de mémoire = van Pierre Nora, het geheugen hechtte zich aan plaatsen. Dit idee komt uit de antieke geheugenkunst, waar redenaties werden gekoppeld aan beelden en die beelden aan plaatsen. Lieux de mémoire = volgens Nora, elke betekenisvolle eenheid, van materiële of ideële orde, waarvan de menselijke wil of het werk van de tijd een symbolisch element van het herinneringspatrimonium van een gemeenschap heeft gemaakt. Er zijn dus 4 categorieën; 1) lieux de mémoire die een belangrijke rol spelen in de definitie, de instandhouding

en de afgrenzing van iets 2) plaatsen die als materiële dragers van herinnering kunnen worden beschouwd, ze hebben een symbolische waarde 3) immateriële plaatsen, die hebben nog wel tast- en zichtbare gestalte, maar toch vooral een mentale leefwereld hebben 4) ideële herinneringen Opvallende ambivalentie in de lieu de mémoire; - het postmoderne historisch besef is nostalgisch verlangen

Quintilianus, De opleiding tot redenaar.
Geheugen kun je ontwikkelen  meer kracht  geïmproviseerd spreken. Gedachte  combineren aan beelden  combineren aan plaatsen  wanneer je aan plaatsen denkt, krijg je de beelden in je hoofd en daarmee de gedachten.

Van der Zeijden, katholieke identiteit en historisch bewustzijn, 11-26.
Grote verandering in de aanpak van geschiedenis; - geschiedenis als cultuurelement beschreven. - de begrippen zijn dynamisch gemaakt - bij studies over nationalisme ligt de nadruk nu op het constructivische karakter van identiteit en identiteitsbesef Naties = relatief moderne verschijningen, producten van het moderniseringsproces van de samenleving. Kosellecks = stelling dat de overgang naar een moderne samenleving gepaard ging met een schaalvergroting in ruimtelijk en sociaal opzicht  dynamisering van het tijdsbesef  nieuwe functie van geschiedenis. Pierra Nora = in de 18e en 19e eeuw ontstaat er een nieuw historisch bewustzijn, omdat snelle veranderingen in de samenleving leidden tot een memory crisis.  het modern bewustzijn is kunstmatig en reflectief.  lieu de mémoire = een kunstmatig gecreëerde plaats waarin de herinnering zich kon verankeren. Jo Tollebeek = het gaat niet meer om de levende herinnering maar om de herinnering aan een andere tijd waarvan wij zelf, bevindend in een andere kamer, slechts flarden van kunnen opvangen. Collectief geheugen = de herinnering is een reconstructie van het verleden die gestuurd wordt door hedendaagse behoeften. Het sociale kader is niet individueel, maar hangt samen met de groep van waaruit je afkomstig bent. Identiteit = lijkt iets waar de historische ontwikkeling geen vat op heeft  een historicus vindt identiteit een geconstrueerde historische grootheid met een veranderlijke inhoud, samenhangend met een steeds weer veranderende historische context. Het gaat om een proces van toe-eigening. Nationale identiteit = een reductie van een complexe historische werkelijkheid, een stereotypering waarbij men zich identificeert met enkel essentieel geachte componenten van de natie + het is een veranderlijke historische grootheid + er staan politieke belangen op het spel  het is een wisselende resultaat van conflicterende groepsbelangen binnen een steeds weer wisselende historische context  identiteitspolitiek.

Jaap van Osta, het theater van de staat, 11-32.
19e eeuw = overgangstijd waarin de absolute monarchie ‘bij de gratie Gods’ geleidelijk plaats moest maken voor de populaire monarchie ‘bij de gratie van de volksgunst’. Dit begrepen de monarchen van de restauratie maar al tegoed, ze probeerden onverminderd een aanvullende nationale rechtvaardiging te vinden voor hun autoriteit. Welke gestalte diende de nationale monarchie aan te nemen? - politieke abstract-constinutionele formule heeft afgedaan  de monarchie moet een levende werkelijkheid in het collectieve bewustzijn worden, door een menselijk gezicht eraan te geven  moet toegankelijker voor de onderdanen en zichtbaarder worden. 19e eeuw = de monarchie krijgt haar legitimering terug door het concept van de nationale monarchie = combinatie nationalisme en monarchie. Men kreeg dit door het creëren van loyaliteitsbanden die waren geprojecteerd op de staat (iets waar de burgers steeds meer mee te maken kregen)  ontstaan van ceremoniën = het theater van de staat (waarin men niet alleen het volk door pracht en praal voor zich probeerde te winnen, maar ook andere vorsten wilden overtreffen). Deze ceremoniën waren vaak niet zo oud als ze deden lijken = invented traditions. Eind 19e eeuw = het beeld dat werd opgeroepen van de (macht van de) monarch is een schijnwerkelijkheid, maar zo overrompelend dat het zorgde voor een comeback van de monarchie. Dit werd mede veroorzaakt door de romantische zucht naar het verleden in het fin de siécle.

Maria Grever, van landsvader tot moeder des vaderlands, 131-150.
Monarchen vanaf de 19e eeuw = presenteren zich als vader en moeder van hun volk, omdat de monarchie steeds meer een symbool van nationale eenheid werd.  krijgt een functie van bovenpartijdig instituut van een door anderen bestuurde nationale politiek. Gender = analytisch begrip om onderscheid te kunnen maken tussen fysieke en sociaalculturele feiten. Het is de sociaal-culturele constructie van mannelijkheid en vrouwelijkheid die op basis van seks verschillen tot stand komt maar er niet perse door wordt veroorzaakt. 3 gender niveaus; 1) het individuele niveau = de vorming van een mannelijke of vrouwelijke identiteit bij individuen met specifiek gedrag. 2) sociaal-structurele niveau = sekse- en genderverschillen die verankerd zijn in de structuur van maatschappelijke systemen en instituties, zoals arbeid, verwantschap, politiek, gezondheidszorg, onderwijs en wetenschap. 3) cultureel-symbolisch niveau = representaties van sekse en gender in kunst, beelden, symbolen, rituelen en taal in brede zin. Eind 19e eeuw = modern constitutioneel koningschap vereist geen mannelijk en militair leiderschap meer, het kwam aan op tact, geduld en zelfbeheersing, eigenschappen van een meisje. De massa wilde de koninklijke familie als heilig zien. De dood van Willem III  regentes Emma zorgt ervoor dat haar dochter bekend word bij het volk. En omdat ze zorgzaam was, paste dit vrouwelijke beleid goed in de tijd van de eerste sociale wetten.

Kenmerken genderspecifiek gedrag bij vrouwelijke leiders in de geschiedenis: 1) een beroep op het religieuze en het gebruik van een heilig idioom was de manier voor vrouwen om leiderschap te verwerven. 2) beheersing van emoties was van belang voor het handhaven van hun prestige en gezag 3) mannen in de directe omgeving spelen meestal een onbeduidende rol. 4) vrouwelijke leiders namen functies over uit een mannelijk domein met mannelijke symboliek, waardoor ze genderambiguïteit uitstralen.