Vous êtes sur la page 1sur 4

Faculteit Management en Bestuur

Vakgroep LEGS Kenmerk: Datum: Docent MB.LEGS09.D025 23 april 2012 L.B.M. Dieben email L.B.M.Dieben@utwente.nl; tel. 053-489-3916; Institutenweg 25 T-225

Tentamen: Vakcode: Datum: Plaats: Tijd:

Algemene Economie 410203 17 april 2009 Sportcentrum 09.00 12.00 uur

Opmerkingen over het tentamen Vermeld op ieder los vel uw naam, voorletters en studentnummer. Lees nauwkeurig wat gegeven is en wat wordt gevraagd, en licht uw antwoorden kort toe met een berekening of een redenering. Antwoorden zonder toelichting of berekening zijn fout, ook als niet expliciet om een berekening of toelichting wordt gevraagd. Maak van uw uitwerking geen zoekplaatje. Het tentamen bestaat uit 6 opgaven, waarmee men maximaal 100 punten kan behalen; zie de puntenverdeling boven de opgaven. Informatie na het tentamen Na afloop van het tentamen wordt een standaarduitwerking geplaatst op TeleTOP. De docent verstrekt geen informatie over het tentamenresultaat voordat de uitslag bekend gemaakt is. Na de bekendmaking van de uitslag kunt u uw werk inzien bij het secretariaat van Algemene Economie, Institutenweg 25, kamer T-208. Indien u dan nog vragen hebt, kunt u contact opnemen met de docent. Er wordt vanuit gegaan dat u kennis genomen hebt van de standaarduitwerking.

Opgave 1

16 punten

Gevraagd: a. Door de kredietcrisis neemt de vraag naar nieuwbouwwoningen af. Ga aan de hand van de figuur van het marktmodel na welke invloed dit heeft op de prijs van nieuwbouwwoningen en in welke situatie de verandering van de prijs het grootst is: in een situatie met een elastisch aanbod of een situatie met een inelastisch aanbod. b. De prijselasticiteit van het aanbod van nieuwbouwwoningen in Nederland is 0,04. (Wouter Vermeulen en Jan Rouwendal, Housing supply in the Netherlands, CPB Discussion Paper 87, sept. 2007.) Geef een nauwkeurige kwantitatieve interpretatie van dit cijfer. c. Schets in een figuur met arbeid op de horizontale as en kapitaal op de verticale as de optimale keuze van de inzet van arbeid en kapitaal en arbeid van een producent. d. Veronderstel dat de onder c. gevraagde figuur de productie van nieuwbouwwoningen betreft. Geef dan aan wat er in de figuur verandert door een daling van de productie van nieuwbouwwoningen en wat het gevolg is voor de werkgelegenheid in deze sector.

Opgave 2

11 punten

Onderstaande tabel betreft de hoeveelheid arbeid, L, en de productie, Q. L Q 10 800 11 990 12 1260 13 1430 14 1470 15 1500 Gevraagd: a. Bereken het gemiddelde en het marginale product van arbeid. b. Wat is de optimale productie wanneer de loonkosten per eenheid arbeid gelijk zijn aan 3488,40 bij een constante prijs van 85,00? Licht uw antwoord kort toe.

opgave 3 en verder op de volgende pagina's

Tentamen Algemene Economie (410203) 17/04/2009

MB.LEGS09.D025/ 2

Opgave 3

23 punten

Uit een artikel in het NRC van 29/03/09: "Europees parlement start onderzoek naar al te grote inkoopmacht van supermarkten die boeren zouden uitmelken." "Grote supermarkten in de Europese Unie gebruiken hun inkoopmacht om boeren prijzen te laten betalen op een onhoudbaar laag niveau ..." "... de voorwaarden voor volkomen concurrentie bestaan niet langer [op de markt voor verse groenten in Nederland]." " "Boeren krijgen te weinig en consumenten betalen niet altijd de laagste prijs" zegt europarlementarir Lily Jacobs" Gevraagd: a. In welke situatie betaalt de consument de laagste prijs: bij volledige concurrentie of bij monopolie? Licht uw antwoord toe aan de hand van de figuren van respectievelijk het monopolie en volledige concurrentie. b. In een bepaalde buurt bevinden zich twee supermarkten die beide verse groenten verkopen. Zij kunnen dit doen tegen een (relatief) lage of hoge prijs. Onderstaande tabel geeft de veronderstelde winst van de groenteafdeling weer in verschillende situaties. Het eerste cijfer in een cel van de tabel betreft supermarkt A en het tweede supermarkt S. supermarkt S hoge prijs lage prijs 1000, 1000 700, 1100 supermarkt A hoge prijs lage prijs 1100, 700 800, 800 Is er in dit geval een dominante strategie en wat is het Nash evenwicht? Licht uw antwoorden kort toe. c. Laat aan de hand van de figuur van het monopsonie zien dat de prijs die de aanbieder krijgt bij het monopsonie lager is dan bij volledige concurrentie.

Opgave 4

7 punten

Nederland koopt voor 30 mln. emissierechten van Letland. Gevraagd: a. Laat in een figuur met de productie op de horizontale as en de prijs op de verticale as zien dat bij negatieve externe effecten ('externalities') de (private) productie afwijkt van de sociaal optimale productie. Vermeld duidelijk wat de betekenis is van de curven in deze figuur. b. Is de uitgifte van verhandelbare emissierechten een efficinte manier om de emissie te beperken? Licht uw antwoord kort toe.

de opgaven 5 en 6 op de volgende bladzijde

Tentamen Algemene Economie (410203) 17/04/2009

MB.LEGS09.D025/ 3

Opgave 5

19 punten

Om de economische recessie het hoofd te bieden investeert de regering in infrastructuur. Daarnaast stelt Maarten Schinkel in het NRC: - "Het gros van de economen gaat er van uit dat niets doen voor Nederland op dit moment eigenlijk de beste politiek is." (14/03/09) - "Wereldeconomie maakt alle oude recepten onbruikbaar Niets doen is best herosch" (26/03/09) Gevraagd: a. Ga aan de hand van de figuur met de AE-curve na, welke invloed een toename van de investeringen heeft op het evenwichtsinkomen. b. Schets de figuur met de AD-curve, de SRAS-curve en de LRAS-curve voor een uitgangssituatie met een negatieve output gap en beschrijf kort de twee (principieel verschillende) manieren waarop een situatie met volledige werkgelegenheid (Y*) kan worden bereikt. Geef daarbij voor iedere manier aan wat er verandert in de figuur. c. Licht aan de hand van het begrip automatische stabilisatie toe dat de overheid ook door niet te reageren op de economische situatie een stabiliserende invloed heeft.

Opgave 6

24 punten

Gevraagd: a. Schets in de figuur van de geldmarkt de verandering die het gevolg is van een afname van het binnenlands product. b. Door de kredietcrisis daalt de export. Schets in de figuur van het AD/AS-model wat er dan gebeurt. Maak daarbij onderscheid tussen de volgende twee situaties: 1) de centrale bank houdt de geldhoeveelheid constant 2) de centrale bank houdt de rente constant. Licht voor iedere situatie de verandering(en) in de figuur kort toe. c. Schets in de figuur van het IS/LM/BB-model de verschuivingen van de curven die optreden als gevolg van een afname van de export. Ga uit van een situatie met zwevende wisselkoersen en relatieve mobiliteit van kapitaal (de BB-curve loopt vlakker dan de LM-curve). Licht deze verschuivingen kort toe. Eventuele veranderingen in het AD/AS-model hoeft u niet in de beschouwing te betrekken. Einde tentamen

Tentamen Algemene Economie (410203) 17/04/2009

MB.LEGS09.D025/ 4