Vous êtes sur la page 1sur 32

Stageverslag

Mytylschool De Schalm

Naam: Margot Roijackers Opleiding: Acedemie voor beeldende Vorming onderdeel van Fontys Hogeschool voor de Kunsten Leerjaar 3 Docent Beeldende Vorming

Inleiding
Dit is mijn stageverslag aan de hand van de stage die ik heb gelopen op Mytylschool De Schalm. Mytylschool De Schalm is een school voor leerlingen met een lichamelijke en/of geestelijke beperking. Deze leerlingen zitten hier op school, omdat ze door hun beperking(en) moeilijk of niet goed kunnen functioneren in het reguliere onderwijs. Het passende onderwijs dat wordt gegeven op de Mytylschool is dan ook van groot belang voor deze leerlingen die ze leert te werken naar een toekomst van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. De Mytylschool is onderverdeeld in twee gebouwen met in het ene gebouw het VSO en in het andere gebouw het BSO. De afdeling VSO op De Schalm is ingedeeld in stromen: - De T-stroom: De Theoretische en de basis/kader leerroute van het VMBO - De P-stroom: De praktijkstroom met de methode PrOmotie - De PMG-stroom: De MG-stroom, met een aangepaste vorm van de methode PrOmotie en middels thematische lessen Ik heb stage gelopen bij het VSO. Daarbij stond ik op dinsdag en donderdag bij het vak Expressie voor de klas samen met mijn stagepracticumdocent Leontine. Op woensdag waren er altijd modules voor de P-Stroom en de PMG-stroom en hielp ik woensdagochtend mee bij Expressie en s middags bij Tekenen & Schilderen. De middag stond dan altijd in het teken van de musical die wordt gemaakt vanwege het 50 jarig bestaan van de school. Deze musical wordt uiteindelijk uitgevoerd in het Chass theater in breda. De leerlingen konden zich in 2012 bij het starten van de nieuwe modules inschrijven voor bijvoorbeeld schaken en de schoolkrant, maar voor de vormgeving van de musical kon je nu ook kiezen. Er was een groep die door audities uit werd gekozen voor een rol, deze leerlingen gingen dus dansen, zingen en achteren. De overige leerlingen mochten onder andere kiezen voor dans (achtergrond-dansers), het maken van de kleding, fotografie en het maken van het decor & rekwisieten. Decor & rekwisieten was de groep waar ik mee begon. Maar omdat er te veel leerlingen kozen voor deze module kozen we er samen voor om de groep op te splitsen in 3 groepen: De tekenen en schilderen groep, de techniek groep en de rekwisieten groep. Ik had samen met meneer Jack de groep tekenen en schilderen waarbij we ons voornamelijk bezig hielden met het ontwerpen en het maken van grote decorstukken (achtergronden en een jury-tafel voor de talentenshow die plaatsvindt in de musical).

Competenties
Tijdens mijn stage was het de opdracht om de overige competenties te halen die je vorig jaar nog niet gehaald had. Maar dat ik op mijn vorige stage het grootste deel al gehaald had wil natuurlijk niet zeggen dat ik daar tijdens mijn komende stages niet meer aan hoef te werken. Deze stage heb ik dus ook aan alle competenties van de hoofdfase gewerkt die ik al had afgerond vorig jaar. Hieronder zie je een overzicht van die competenties en in het kort hoe ik aan deze competenties heb gewerkt deze stage. B.4 je hebt een goed beeld van je sterke en zwakke kanten, en je hebt een persoonlijke methode om aan je ontwikkeling te werken. Vorig jaar afgesloten met een: Goed Aan het einde van elke dag bespraken we wat er goed ging en wat ik misschien anders kon doen. Ik kon zo zelf vertellen wat ik zelf goed vondt gaan en niet. Als je dit elke dag doet dan leer je steeds beter om naar jezelf te kijken. Ook kwam af en toe de stagecordinator Ingrid langs die keek hoe ik het deed tijdens de lessen en mij dan tips gaf. Ook als er problemen waren en ik ergens niet uit kwam kon ik altijd om hulp vragen bij Leontine en Ingrid. Ook het langskomen van FCD-er Marlies was fijn. Zo zie je weer dat iedereen weer andere dingen ontdekt, zowel goede punten als verbeter punten. Als ik een leerling niet aan het werk kreeg en ik merkte dat de strenge aanpak niet werkte dan probeerde ik gewoon elke dag weer een nieuwe aanpak, tot ik de beste had gevonden die het gewenste effect gaf en niet TE veel van mij vroeg. Zelfstandigheid bij leerlingen vind ik namelijk erg belangrijk en ik wil als docent niet een politieagent spelen. Je moet blijven proberen en niet opgeven. Dat was mijn motto. C.1 je verantwoordt je pedagogische opvattingen. Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Tijdens de gesprekken met docenten aan het einde van de dag, tijdens pauzes, met de stagecordinator en tijdens vergaderingen kon ik duidelijk over mijn pedagogische opvattingen praten. Ook was ik het over een aantal pedagogische opvattingen van Leontine niet eens. Dit heb ik ook gelijk aangegeven en ook waarom ik dat zelf anders zou doen. Zo zie je maar dat iedere docent een eigen aanpak en opvattingen heft. Ook verantwoorde ik af en toe aan leerlingen waarom ik bepaalde dingen deed volgens een bepaalde manier. C.2 je geeft ruimte aan de inbreng van leerlingen, en houdt rekening met de verschillen tussen leerlingen bij het samenstellen van je opdrachten. Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Op de Mytylschool heb ik hier misschien nog wel 10 keer harder aan gewerkt dan op mijn vorige stageplek (regulier onderwijs). Iedere leerling is anders, maar op de mytylschool komen er nog enkele zaken bij. Je hebt te maken met het kunnen van de leerlingen. De ene leerling zal heel goed een papier door midden kunnen knippen, terwijl de spastische leerling er heel erg veel moeite mee heeft. Of nog een ander voorbeeld: ik had veel leerlingen met autisme in de klas. De leerlingen met ADD bijvoorbeeld en ADHD waren snel afgeleidt. Als ik deze leerlingen een opdracht op papier gaf met veel tekst dan haakte ze bij de eerste paar zinnen al af. Het was voor hun belangrijk om duidelijke (kort & krachtige) lijstjes te maken met daarin de opdracht. Ook moet er duidelijk in staan wat de benodigheden zijn heb ik wel gemerkt. Terwijl ik ook leerlingen had die juist wel helemaal opgezogen worden door die tekst en nieuwschierig zijn. Kortom deze leerlingen kunnen niet alles lichamelijk of door andere beperkingen en dus zul je dezelfde opdracht moeten kunnen geven op verschillende manieren en met verschillende technieken en materialen. Maar ook met de leeftijden hield ik rekening, het moet niet kinderachtig zijn of makkelijk te maken. Ook hield ik bij het geven van

praktijklessen er rekening mee dat iedere leerling ergens een andere draai aan zou kunnen geven, dus zorgde ik ervoor dat ik opdrachten had waarbij alleen het onderwerp en minimaal 1 techniek vast stond en ze zo zelf invulling konden geven aan de opdracht. D.1 - je ontwerpt lessen en lessenseries, en zorgt voor variatie en een heldere opbouw; - je kunt methodisch verantwoord lesmateriaal ontwerpen waaronder digitaal en kan dit materiaal in je lessen inzetten; - je bent in staat een vaklokaal stimulerend in te richten. - Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Ik heb ook lessen gemaakt. Ik heb er een paar als bijlage bijgevoegd. Deze lessen waren voor de oudere leerlingen die al wel wat technieken beheersden. De andere leerlingen waren al begonnen met een bepaalde lessenreeks die Leontine had gestart. Wel mocht ik er kleine opdrachten aan plakken en bijvoorbeeld er filmuurtjes en eigen bronnen aan toevoegen. Ik vond het wel jammer dat de PCs in de lokalen nauwelijks werkte, want ik had eigenlijk wel behoefte aan af en toe de leerlingen een powerpoint laten zien, een filmpje op youtube of de leerlingen op de PCs dingen laten opzoeken. Leontine had niet de voorkeur voor computers, maar voor boeken. Ik ben opgegroeid met computers en als ik bronnen gebruik begin ik wel in boeken, maar ga al snel over op het makkelijke en snelle internet. Ik denk dat er dan sprake is van een generatie dingentje. Leontine is bang dat als leerlingen achter de PC zitten ze andere dingen gaan doen dan de opdracht en zelf weet ze bijvoorbeeld ook geen leuke sites voor de leerlingen met informatie of leuke kunstenaars. Ik heb wel een beetje geprobeert op de PC langzaam te introduceren in de lessen van expressie in de hoop dat we een boeken af en toe konden afwissellen met de pc en nieuwe media. Het vaklokaal stimulerend inrichten heb ik ook mogen doen. Toen ik hoorde van Leontine dat ze het lokaal anders wilde indelen dacht ik dit is mijn kans! en heb toen in Paint een tekening gemaakt met daarin de veranderingen. Ze gaf zelf aan dat alles anders mocht, alleen de tafels moesten blijven staan, aangezien de tafels zo stonden dat de leerlingen in de rolstoelen zich makkelijk kunnen bewegen in het lokaal.

1. Tafels 2. Techniek-tafels 3. Opbergkast met lades voor het werk/de mapjes van de leerlingen 4. Kast: Tekenmaterialen, A4 tekenpapier, band, lint, papier-mach emmer, fhns etc. 5. Techniek kast: gereedschap 6. Wasbak 7. Kast: kunstboeken, lessen-mappen, Goud- en zilverstiften etc. 8. Extra kastje: Placemats, lege wasmiddel flessen, plastic materiaal om te gebruiken 9. Kast: tijdschriften, gekleurd papier 10. Computertafels 11. Kast: acryl-verf, lino, glasverf, klei + rollers, touw etc. 12. Kast: werkstukken 13. Papierkast A3 + A4 14. Rommelhoekje, rollen papier, kokers etc. 15. Eventueel de nieuwe vitrinekasten die nog gemaakt gaan worden D.2 - je neemt de belevings- en ervaringswereld als uitgangspunten van je lessen beeldende vorming; - je bevordert de zelfstandigheid van leerlingen. - Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Ik had bijvoorbeeld een praktijkopdracht gemaakt voor de examenleerlingen die in april samen met het KSE een Van Gogh reis gaan maken (vertel ik later meer over). De opdracht was dat ze in de schilderopdracht in ieder geval ergens een deel schilderde zoals Van Gogh dat deed (Pointilisme), het examenthema groen, en mijn zelfbedachte thema nacht moest er van mij ook in verwerkt worden en ze mochten alleen schilderen met acrylverf. Op het thema nacht kwam ik omdat je dan weer heel andere kleuren gebruikt dan de leerlingen normaal gebruiken en vanwege de schilderijen van Vincent van Gogh met zijn terras en nachtelijke sterrenhemel. Maar de invulling van deze dingen was helemaal aan de leerlingen zelf. Ik ben wel eerst met ze gaan oefenen met het zelf schilderen (pointilisme), maar waar ze dat pointilisme in gaan verwerken is aan hen. Zo is Cilia gek op katten en besloot ze ook twee katten in haar werk te verwerken nadat ik haar die hint gaf, zo krijgt het toch een eigen touch. Maar ook het nachtleven is voor deze laatstejaars meer van toepassing dan voor de eerstejaars. Door af en toe lekker te kletsen met de leerlingen probeerde ik achter hun hobbys en belevingswereld te komen. Wat vinden zij leuk om te maken? Daarom laat ik ze eerst bronnen/inspiratie zoeken en dan mogen ze gaan schetsen. Pas dan zet ik ze aa het werk in het groot. Ik zie mij als docent meer als begeleider die zorgt dat ze zelf bezig blijven.

E.1 je toont betrokkenheid en enthousiasme op de ABV en in je stageschool. - Vorig jaar afgesloten met een: Goed Ik heb vanaf het begin af aan betrokkenheid en enthousiasme getoond op mijn stageschool. Ik had altijd veel enthousiasme tijdens de lessen, maar ook tijdens buitenschoolse activiteiten zoals de staking voor het passend onderwijs en de open dag. Ik heb veel fotos gemaakt (ook samen met de

leerlingen) van hun werkjes, maar ook van de leerlingen die aan het werk waren. Ook hadden we een samenwerkingsproject rondom een Van Gogh reis die de examenleerlingen van de Mytyschool gaan maken samen met de examenleerlingen van de Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur. De voorbereiding daarop en de kennismaking gebeurde in Breda op de Mytylschool en in de Grote kerk van Breda. Hier heb ik met veel plezier ook meegelopen met de andere nog onbekende leerlingen en heel veel fotos gemaakt van deze leuke dag. Op de ABV is dit ook van toepassing. Ik ben altijd op tijd aanwezig, heb alles altijd op tijd af, ga met veel plezier naar school en werk veel samen (fotograferen en vaak komen kijken bij optredens) met andere opleidingen op de FHK zoals bijvoorbeeld de rockacademie. Daarnaast heb ik afgesproken dat ik (omdat ze de extra handen wel kunnen gebruiken) nog meerdere woensdagen met de modules mee zal helpen. Ten eerste omdat ik het reuze naar mijn zin heb gehad op de Mytylschool en de leerlingen gewoon niet meer kan missen en de mytylschool kan mij goed gebruiken. Meneer Jack zal namelijk meerdere malen afwezig zijn vanwege een cursus die hij nog naast zijn werk volgt. Ik val dan voor hem in samen met een andere invaller (want ik ben niet verzekert als er anders iets met deze leerlingen gebeurt). Vorige week ben ik al voor de eerste keer ingevallen voor Jack en de leerlingen vonden dat hartstikke leuk. E.2 je communiceert doelgericht voor een groep, verbaal en non-verbaal. - Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Leontine had nog wel als tip dat ik af en toe te snel praat voor sommige leerlingen. Evelien bijvoorbeeld is erg traag in het handellen, onthouden en luisteren. Ze kan ook niet te veel informatie tegelijkertijd onthouden. Ik zal dan dus als ik moeilijke termen gebruik alles in alle rust moeten vertellen. Maar ik heb wel een goede houding en praat duidelijk volgens Leontine, Ingrid en tijdens mijn presentatie van mijn stage is dit ook gezegt door de docenten van de ABV. E.3 je corrigeert ongewenst gedrag en waardeert gewenst gedrag. - Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Tijdens de tussenbeoordeling wees Leontine mij erop dat ik af en toe wel wat strenger mocht zijn en ik ben vanaf dat moment gelijk strenger geworden. Op mijn vorige stage was ik een echte politieagente die leerde van mijn SPD-er (vorige stage) dat ik elke les er wel iemand uit moest sturen ook om de andere banger te maken voor mij (zo die jufrouw mag dan wel 19 zijn, maar ze kan mij dus wel eruit sturen en straf geven). Dit wilde ik absoluut niet meer en gelukkig waren de leerlingen die ik nu had echt schatten van kinderen in vergelijking met mijn vorige stage waar ze me uitscholden voor kutwijf. Maat daarom moest ik wel even realiseren dat er ook nog een middenweg is tussen de politieagente en de brave alles goedkeurende docent. Gewenst gedrag heb ik over het algemeen altijd goed beloond, bij elke leerling heb ik minimaal 1 werk gefotografeerd dat ik het mooiste vondt of de leerling zelf het beste gelukt vondt. Ook gaf ik regelmatig complimentjes en lied ik werkjes die goed gelukt

waren zien aan de hele klas. Ook heb ik de fotos die ik zelf gemaakt heb en met de leerlingen af laten drukken en achterop complimentjes, tips en dingen die er beter konden aan de manier van werken van de leerlingen. Deze heb ik gegeven aan de leerlingen toen ik weg ging. Dit is door de leerlingen en docenten van de Mytylschool erg gewaardeerd. Een aantal fotos zijn ook gebruikt bij de open dag. Ze zijn nu ook van plan om fotos te maken met bijvoorbeeld kerst van werkjes met dit thema en samen met de leerlingen hier kerstkaarten van te laten maken. En daar hebben ze mij voor gevraagd en dat ga ik ook zeker doen. F.1 je kunt kritiek verwerken en ernaar handelen. - Vorig jaar afgesloten met een: Goed Ik vroeg regelmatig een Leontine en Ingrid wat er beter kon en Leontine en ik bespraken elke dag wel wat er goed ging en wat ik nog kon verbeteren. Ik nam de kritieken erg serieus en probeerde gelijk er aan te werken de dagen erna. F.2 je levert een constructieve bijdrage aan een samenwerkingsproject en neemt daarbij verantwoordelijkheid voor een taak. - Vorig jaar afgesloten met een: Goed Zoals ik net ook al vertelde hadden we een samenwerkingsproject rondom een Van Gogh reis die de examenleerlingen van de Mytyschool gaan maken samen met de examenleerlingen van de Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur. De voorbereiding daarop en de kennismaking gebeurde in Breda op de Mytylschool en in de Grote kerk van Breda. We hebben een rondleiding gekregen en zijn in groepjes de aardappeleters na gaan maken. Daarna zijn we op de Mytylschool de fotos gaan bewerken en hebben we met zijn alle frietjes gegeten en aan de ouders van alle leerlingen laten zien wat we die dag gedaan hadden. Hier heb ik met veel plezier ook meegelopen met de andere nog onbekende leerlingen en heel veel fotos gemaakt van deze leuke dag. Ook de musical is een samenwerkingsproject tussen de leerlingen op school. Ik heb daar hard aan meegewerkt en zal daar ook nog tot eind oktober zoet mee zijn! G.1 je neemt deel aan discussies over kunst en onderwijs; - je onderneemt zelfstandig activiteiten om inzicht in kunst en cultuur te vergroten. - Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Tijdens de vergaderingen waren er af en toe wel meningsverschillen over de manier van onderwijs geven en de manier van omgang met bepaalde leerlingen. Ook had ik het met Leontine vaak over kunstenaars die we gaaf vonden en welke we helemaal niks vonden. Over bronnen (internet vs. Boeken) waren we het wel vaak oneens, maar over het algemeen had ik wel dezelfde mening over goede kunstenaars. Ik ben eigenlijk bij alle optredens van de Rockacademie aanwezig en ook bij optredens en exposities van klasgenootjes ben ik er eigenlijk altijd bij. Van de Rockacademie en van werk of optredens van klasgenootjes maak ik ook altijd wel fotos. Ik ben erg genteresseerd in dat waar andere leerlingen van de FHK zich mee bezig houden. Ook ga ik regelmatig met klasgenootjes naar exposities van grote en kleine musea in allerlei steden. Hartstikke leuk en gezellig, we maken er dan echt een leuk uitje van. Ook ga ik boekwinkels langs om op zoek te gaan naar leuke boeken die eventueel leuk en goed lesmateriaal kan zijn. G.2 je houdt je op de hoogte van werk en ideen van kunstenaars en/of vormgevers uit eigen en andere culturen, en laat je daardoor inspireren voor zowel eigen werk als dat van leerlingen. Vorig jaar afgesloten met een: Voldoende Ik neus in boeken en op internet naar inspiratie en kom elke dag wel iets tegen voor in mijn dummy. Ook zijn er staandaart sites zoals Froot waar ik elke dag op kijk en ook hebben we samen met een paar andere klasgenootjes een Facebook pagina aangemaakt (Kunstketiers) waar we als ABV-ers vanalles (inspiratie/kunstenaars) op kunnen posten. Ik kijk wat ik kan gebruiken voor mijzelf of voor mijn leerlingen en print deze uit voor de leerlingen of mijn eigen dummy.

Competenties behandelt tijdens deze stage


B VERMOGEN tot REFLECTIE en ONTWIKKELING Kern: De student kan het eigen beeldend handelen, het kunsttheoretisch handelen, het pedagogisch en didactisch handelen beoordelen, in onderling verband hanteren, en zo nodig verbeteren. B.1 je ontwikkelt 'beschouwingsvermogen' dat o.a. blijkt uit het kunnen onderhouden van een beeldend proces in inhoudelijke en materile zin. B.2 je bent je bewust van de belangrijkste opvattingen en ideen die in verschillende cultuurperioden gehanteerd worden, en de mogelijke invloed daarvan op je eigen werk B.3 Je bent in staat om je opvattingen over beroep te verwoorden, en planmatig aan de gewenste beroepsmatige ontwikkeling te werken. werkplan: (B.1) Zorgen dat de leerlingen bezig blijven door steeds weer nieuwe prikkels en eventueel opdrachten te geven waardoor de leerlingen blijven meedenken over werken van anderen en dat van zichzelf, maar ook dat de leerlingen zelf bezig blijven met het maken van werk. (B.2) Laten zien dat ik er bewust van ben dat er bij elke tijdsperiode, verschillende ideen en opvattingen waren. Vroeger waren we bijvoorbeeld in Nederland veel geloviger opgevoed dan dat we nu zijn. Het is dan dus ook logisch dat vroeger vaker Christus werd afgebeeld in de Beeldende kunst dan dat we dat nu doen. Ook verschillen gebruiken, opvattingen en ideen per ras. Een marokaans meisje ziet er niet alleen anders uit in vergelijking met een Nederlands meisje, maar ook de ideen zoals ook het geloof verschillen. Maar ook de Beeldende Kunst verschilt weer per land. Ik probeer tijdens de lessen met de leerlingen dan ook altijd verschillende inspiratiebronnen te gebruiken, van oudere kunstwerken/opvattingen/ideen tot hedendaagse kunstenaars/opvattingen/ideen. Maar ook laat ik aan de leerlingen zien waarom die opvatting, idee of kunstwerk zo typerend is voor die tijd. Van Gogh schilderde bijvoorbeeld met toetsen, maar waarom deed hij dat? En waarom was dit een reactie op het Impressionisme? Hoe kun je dat zien? (B.3) Ik kan laten zien aan mijn stage docent waarbij ik meeloop, dat ik mijn opvattingen over het beroep docent Expressie goed weet te verwoorden. Over wat ik zo leuk aan vindt aan het vak of tijdens de lessen, maar ook wat ik soms minder vind en waar ik tegenaan loop als docent. Ook kan ik verwoorden waarom ik de acties van mijn stage docent waarbij ik meeloop, goed vindt of juist soms iets minder. Stel de stagedocent zet een leerling op een andere plek neer omdat hij daar volgens hem/haar beter functioneerd en ik ben het daar totaal niet mee eens, dan durf ik te zeggen dat ik het zo zelf niet gedaan had en wat ik zou doen. Maar ben ik het daar wel helemaal mee eens, dan zou ik dat ook zeker melden en vertellen waarom ik denk dat dat inderdaad een goede keuze is vanuit mijn visie. Ook zal ik de tips van de stage docent en eventueel andere docenten/stagebegeleiders goed opvolgen om te kijken wat voor mij het beste werkt. Ik heb praat bijvoorbeeld soms net iets te snel voor de leerlingen. Als de stage docent mij hierop wijst dan probeer ik hier gelijk aan te werken. Het planmatig werken doe ik met behulp van de gesprekken die ik elke week zal gaan hebben met de stagedocent en eventueel de stagebegeleider waarin ik steeds weer aan andere punten leer werken en verschillende opdrachten mee krijg van de stagedocent/stagebegeleider. Ook zal ik natuurlijk goed gebruik maken van een agenda en dit stagewerkplan waarin ik goed kan controleren hoe ver ik al ben met de competenties. Hoe heb ik de competenties aangetoont? (B1) Ik heb gezorgt dat de leerlingen bezig bleven door steeds weer nieuwe prikkels en eventueel

opdrachten te geven waardoor de leerlingen aan het werk bleven. Af en toe hadden de leerlingen met autisme iets meer moeite met aan het werk blijven. Stephan bijvoorbeeld last van ADD en ADHD. Een jongen die altijd maar om zich heen kijkt en zijn klasgenootjes interessanter vindt dan zijn eigen werk. Ook het opstarten van de les ging altijd moeilijk. Hij wist niet waar hij moest beginnen en wat hij moest pakken, terwijl dit al weken hetzelfde was. Ik heb zelf ook last van ADD en voor mij werken lijstjes goed. Ik heb dit ook met Stephan geprobeert, maar dit werkte niet goed voor Stephan. Op een of andere manier vergat was hij na het eerste ding op zijn lijstje alweer vergeten dat hij dan moest kijken wat het volgende ding was. Ik merkte na veel proberen dat het het beste werkte als ik vanaf het begin van de les tot halverwege de les naast hem ging zitten aan de grote tafel. Ik vroeg hem dan de volgende vraag: wat hebben we (nog meer) nodig?. Na 3 weken kwam Stefan zelf aan met het volgende toe hij mij al zag zitten: Ik weet het al, ik begin al met het pakken van mijn placemat en pak dan mijn fles, papier en de lijm. Dat was mooi om te zien! Als hij dan 20 minuten aan het werk was ging hij helemaal op in zijn werk en kon ik van mijn plaats af om rond te lopen, maar wel in mijn ooghoeken kijkend naar Stephan. Zo kon ik ieder moment ingrijpen als hij weer afgeleidt was of hij zijn pilletje weer moest slikken voor zijn ADHD. Als hij goed gewerkt had mocht hij de laatste 5 minuten lekker kletsen en kon hij weer even zijn energie eruit gooide. Zo werd de moeilijkste leerling ineens een leerling die wel degelijk goed kon werken. Ook leuk was de beoordelingen die ik samen met de leerlingen van T2 heb begeleidt. Ikzelf gaf een punt aan de werkjes van de leerlingen, maar de leerlingen mochten ook elkaar en zichzelf beoordelen. Wat ging er goed? Wat kon er beter? Welk punt koppel je daaraan? Dit was erg leerzaam voor de leerlingen en voor mijzelf. Zij hebben toch net weer een andere kijk op hun eigen of andermans werk. Natuurlijk heb ik ook samen met Loentine van andere klassen werk beoordeeld, maar met leerlingen erbij is dat toch leuker. Deze leerlingen hebben uiteindelijk onder begeleiding van mij zelf fotos gemaakt van de net beoordeelde werken. Hieronder zie je de reslutaten:

(B2) Ik heb laten zien dat ik me bewust van ben dat er bij elke tijdsperiode, verschillende ideen, opvattingen en daaraan gekoppeld de verschillende kunstwerken waren. Verschillen kunnen komen door het land, door een bepaald ras, maar ook door het geloof. Ik probeer tijdens de lessen met de leerlingen dan ook altijd verschillende inspiratiebronnen te gebruiken, van oudere kunstwerken/opvattingen/ideen tot hedendaagse kunstenaars/opvattingen/ideen. Maar ook laat ik aan de leerlingen zien waarom die opvatting, idee of kunstwerk zo typerend is voor die tijd. Van Gogh schilderde bijvoorbeeld met toetsen, maar waarom deed hij dat? En waarom was dit een reactie op het Impressionisme? Hoe kun je dat zien? De examenleerlingen hadden bijvoorbeeld veel

vragen over Van Gogh en de specificaties van de onderwerpen die behandeld zullen worden in het examen. Ik merkte dat ik overal antwoord op kon geven en bij een aantal leerlingen (Sasha bijvoorbeeld) zette ik een acteerstukje neer. Sasha had bijvoorbeeld geen idee welke beeldende aspecten er hoorde, laat staan het verhaal rondom Adam & Eva aangezien ze niet religieus is opgevoedt en er naar eigen zeggen het ook mij geen bal interesseert. Ik vertelde haar dat ik het wel interessant vond en ik ook niet religieus was opgevoedt. Ik vertelde haar de basis van het verhaal en een aantal beeldende aspecten. Ik sprak met haar af dat we zelf thuis nog naar alle overige informatie rondom Adam & Eva gingen zoeken en onze bevindingen zouden meebrengen de week erop. Natuurlijk wist ik wel meer, maar ik wilde haar op een speelse manier laten zoeken naar informatie zonder dat ik het haar opdring. Mijn FCD-er was toen ook aanwezig en had niks door dus ik denk dat het acteer werk niet heel erg slecht was. Het resultaat was overigens ook goed. De week erop kwam ze vrolijk de klas binnen en zei ze Juf! Juf! Je bent het toch niet vergeten? Ik heb afbeeldingen gevonden over Adam & Eva en mijn moeder heeft me geholpen met het verhaal!. Ik heb haar eerst alles aan mij laten zien/vertellen en kwam tot de ontdekking dat ik maar weinig zelf aan haar uit hoefde te leggen/laten zien, want ze had zelf al zo veel. (B3) Een hele belangrijke competentie, waarvan ik het belangrijk vindt dat mijn FCD-er hier ook van af weet! Ik heb laten zien aan mijn stage docent waarbij ik meeloop, dat ik mijn opvattingen over het beroep docent Expressie goed weet te verwoorden. Over wat ik zo leuk aan vindt aan het vak of tijdens de lessen, maar ook wat ik soms minder vind en waar ik tegenaan loop als docent. Ook kan ik verwoorden waarom ik de acties van mijn stage docent waarbij ik meeloop, goed vindt of juist soms iets minder. We hadden bijvoorbeeld een heel belangrijk punt waar ik het totaal niet mee eens ben. Leontine zei bij het beoordelen van het werk van de leerlingen en van mij het volgende Ik geef nooit hoger dan een 8. Ik vroeg haar waarom niet hoger en ik kreeg het volgende te horen: Ik vindt een 9 of een 10 een te hoog punt. Je zou dan kunnen zeggen dat je perfecte werken maakt of je een perfecte docente bent, maar dat is niet het geval want je zit niet voor niks op school om te leren. Je leert het pas echt als je later echt al jaren in het vak zit (praktijk). Ik vindt dat echt een verschrikkelijke mening! Je zit op school om te leren, dus perfect ben je inderdaad nooit. Maar als je nooit hoger dan een 8 kan halen, waar werk je dan nog voor? Ik heb mij tijdens mijn stage van mijn beste kant laten zien en mij met hart en ziel ingezet. En natuurlijk ik moet nog veel leren en ik ben pas 19. Maar je kunt niet verwachten van een docent in opleiding dat die nu al perfect is. Ook maakte ze gelijk de vergelijking met andere stagaires die ze ooit gehad had. Dat vindt ik ook niet echt goed. Iedereen is anders en heeft een andere vakvisie. Ook zijn je specialisaties anders en ik vindt dat inzet beloond moet worden. Ze gaf me voor al mijn competenties nergens een G. Want een G zou gelijk staan aan een 10 en dat vondt ze te hoog voor een stagaire. Ik heb het hier ook met Renee (mijn SLB-er) over gehad. Ik had namelijk eigenlijk eerst het plan om hier mijn Lio-stage te gaan doen, omdat ik hier zo goed in mijn vel zit. Maar nu zie ik daar van af. Renee zei Maar vindt je je punt belangrijker dan het naar je zin hebben? of speelt het ook nog dat je het te veilig vindt om twee keer hetzelfde te gaan doen en je toch verlangens hebt om ook nog naar iets totaal anders te gaan kijken?. In dat laatste heeft ze zeker gelijk, ik wil ook nog andere dingen bekijken. Maar dat punt is zo belangrijk voor me dat dat de doorslag gaf. Ik wil gewoon knallen op school. Falen bestaat niet in mijn hoofd. Ik wil gewoon goede punten en heb nu bijvoorbeeld ook 3 specialisaties gekozen in plaats van n (n was de bedoeling). Ik wil gewoon overal goede punten voor halen en zo dus ook voor mijn stage. De 7,5 en de vele V-tjes vindt ik erg laag. Zeker omdat ik me zo erg heb ingezet en nu nog steeds langskom om te helpen. Ook vind ik mezelf geen matige student als ik kijk naar deze en mijn vorige stages. Ik vind mezelf echt niet geweldig ofzo, maar ik had wel gehoopt op een beter

punt. Gelukkig is het zo dat dit punt nog niet vast staat. De FCD-er mag ook nog een eindcijfer geven aan de hand van wat hij of zij gezien heeft tijdens het langskomen en aan de hand van dit verslag. Het planmatig werken doe ik met behulp van de gesprekken die ik elke week zal gaan had met de stagedocent en eventueel de stagebegeleider waarin ik steeds weer aan andere punten leerde te werken en verschillende opdrachten mee kreeg van de stagedocent/stagebegeleider. Ook maakte ik goed gebruim van mijn agenda en mijn stagewerkplan waarin ik goed kan controleren hoe ver ik al was met de competenties. Ik heb veel structuur nodig en de agenda was dan ook broodnodig.
C PEDAGOGISCH VERMOGEN

Kern: De student zet pedagogische kennis en ervaringen in met als doel een zingevend en veilig klimaat te creren. C.3 je onderzoekt en toetst mogelijkheden om het sociaal klimaat in de groep te verbeteren; - je creert een veilige leeromgeving. C.4 je herkent en benoemt ontwikkelings- en gedragsproblemen bij leerlingen. werkplan: (C.3) meedenken over de inrichting van het lokaal en de plaatsing van de leerlingen (wie zit waar en wat is het beste voor een fijne leeromgeving waarin de leerlingen goed kunnen werken?) hierin. Als een leerling een probleem meld, proberen daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Ik zou dan kijken of ik zelf zou kunnen helpen, of de leerlingen zich kunnen aanpassen aan dit probleem en of de leerling die het probleem meld iets zou kunnen veranderen om een fijne, probleemloze en veilige leeromgeving terug te krijgen/te creeren. (C.4) Het kunnen herkennen van ontwikkelings- en gedragsproblemen bij leerlingen. In mijn geval wil ik ook handicappen (geestelijk + lichamelijk) leren herkennen en/of mee leren omgaan. Hoe kan ik de leerling ondanks de problemen toch redelijk goed laten functioneren in de les zonder dat de rest van de klas er veel onder leidt. In mijn geval van de Mytylschool, zal ik veel leerlingen in een rolstoel aantreffen of met handen die niet 100% goed functioneren. Dan zal ik moeten kijken naar wat de leerling wel en niet kan en waar ik eventueel kan helpen. Maar ook leerlingen met bijvoorbeeld Autisme zal ik zeker weten tegen komen op deze school. Zodra ik een vermoeden heb van bijvoorbeeld ADD zal ik proberen te kijken naar hoe ik het concentratie probleem dat deze leerlingen vaak hebben min of meer kan aanpakken. Is een andere plaats voor de leerling misschien goed? Moet ik de leerling helpen door er in de buurt te blijven staan/zitten en hem zo aan het werk krijg? Of moet ik hem juist gewoon even in zijn eigen wereldje laten zitten als de andere leerlingen hier geen last van hebben? Iedere leerling heeft een andere aanpak nodig, diagnose of geen diagnose. Ik probeer wel als ik moeite heb met het begrijpen van een leerling en/of als ik een vermoeden heb van een ontwikkelings- en/of gedragsprobleem (eventueel achterstanden), dit gelijk te melden bij de stagedocent en/of stagebegeleider. Zij kunnen mij dan misschien verder helpen, omdat zij al wel veel ervaring hiermee hebben. Zij weten waarschijnlijk wel hoe je het beste met deze leerlingen om kunt gaan, en deze tips zal ik dan ook gelijk gaan uitproberen. Hoe heb ik de competenties aangetoont? (C3)Ik heb meegedacht over de inrichting van het lokaal zoals je ook al kunt zien bij de behandelde competenties (plattegrondje) en de plaatsing van de leerlingen (wie zit waar en wat is het beste voor een fijne leeromgeving waarin de leerlingen goed kunnen werken?) hierin. Als een leerling een probleem meld, proberen daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Ik zou dan kijken of ik zelf zou kunnen helpen, of de leerlingen zich kunnen aanpassen aan dit probleem en of de leerling die het probleem meld iets zou kunnen veranderen om een fijne, probleemloze en veilige leeromgeving

terug te krijgen/te creeren. De problemen die de leerlingen hadden of de gezondheid van leerlingen waarbij het soms erg slecht ging greep mij wel heel erg aan. Ik merkte dat het mij soms heel erg raakte en er stil van werd. Een aantal dingen waren daarbij erg belangrijk: Het omgaan als docent met deze berichten. Je moet professioneel blijven: je mag wel emotie tonen, maar ik vindt dat je als docent wel als sterk persoon voor de klas moet blijven staan en niet zwak moet zijn. Je moet namelijk de klasgenootjes ook met die acceptatie helpen. Volgens de ABV docenten die bij mijn stagepresentatie waren har ik hierbij begeleiding moeten krijgen, want het is erg moeilijk voor een docent in opleiding om hiermee om te gaan als je dat nog nooit hebt hoeven doen. Ze vonden dat ik mij goed staande heb weten te houden en ik een sterke ruggengraad had, maar vonden wel dat soms je emotie tonen juist wel goed is en echt geen zwakte is. Deze leerlingen en hun problemen met hun gezondheid vraagt namelijk veel van je als docent werd er gezegt. Ik vond het zelf heel erg om die verhalen niet de overhand te laten krijgen in mijn hoofd, want je moet niet TE veel om de leerlingen gaan geven. Je blijft docent en de leerling een leerling. En hoe zielig het ook is, ze moeten door met hun leven en ook het huiswerk maken en straf geven als dat nodig is gaat gewoon door. Ook waarschuwde Ingrid dat er veel collegas een burn-out kregen vanwege het niet meer aankunnen van nog een leerling die overleedt. Wel zorgde de openheid van de leerlingen voor een fijn contact en vertrouwen. Ik heb een hele goede band met bijna alle leerlingen hierdoor kunnen opbouwen. Ik wist precies waarbij ze hulp nodig hadden, wat hun beperking was en wat er speelde bij de leerlingen(leuke dingen en ook de minder leuke dingen). Daarom ben ik blij als ik de woensdag gewoon langs kan blijven komen. De leerlingen gaven ook al aan dat ze dat heel erg tof vonden, want ze vonden mij een gezellige jufrouw. Dat doet mij erg veel. Misschien nog wel meer dan wat Leontine van mij vindt. (C4) Het kunnen herkennen van ontwikkelings- en gedragsproblemen bij leerlingen ging mij best wel goed af. De ADHD-ers en de ADD-ers haalde ik er zo tussenuit. De leerlingen met Asperger ook na een weekje of twee. De overige vormen van Autisme zoals PDD-NOS vondt ik lastiger en ik merkte dat ik er toen wel even naast zat. Ik vergiste me soms in het volgende: soms kwam het gedrag niet door bijvoorbeeld autisme, maar door de lichamelijke beperking of door de medicijnen die gelikt worden. Dan probeerde ik wel er zo goed mogelijk mee om te gaan, maar werkte mijn aanpak niet omdat het bijvoorbeeld puur aan de medicijnen lag. Gelukkig kwam ik er al snel achter dat er een rode map in het lokaal lag waar bijna alles in stond van de leerlingen. Van handicap tot aantal medicijnen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er zelf voor koos hier alleen als ik me echt geen raad meer wist hier gebruik avn te maken. Zo had elke leerling een schone lei. Als een leerling dan zei het komt door mijn beperking dan zei ik laten we niet opgeven en het eerst gewoon proberen, als het dan nog steeds niet lukt dat help ik met je mee. In mijn geval wilde ik namelijk ook handicappen (geestelijk + lichamelijk) leren herkennen en/of mee leren omgaan. Hoe kan ik de leerling ondanks de problemen toch redelijk goed laten functioneren in de les zonder dat de rest van de klas er veel onder leidt. Dit ging me best goed af al zeg ik het zelf. Evelien vertelde me dat ze geen therapie meer had omdat je na je achtiende bent uitgegroeid en er niks meer kon worden aangeleerd. In de 8 weken dat ik daar heb gestaan heb ik het tegendeel qua expressie bewezen: Evelien kan bijna alles,

maar wel in haar tempo, de nodige aanpassingen, hulp en vooral veel geduld. Dit heb ik haar ook verteld. Ze kon geen rechte lijnen schilderen. Mijn oplossing: met schilders(scheur)tape de randen om de lijn heen afplakken en dan evelien het schilderwerk laten doen. Ik heb haar geleerd dat alles mogelijk is, alleen de manier waarop, dat is nog een vraag waar je met veel proberen en oefenen achter komt. In iedere leerling zit een talent of kwaliteit, soms moet je iets harder werken om het eruit te krijgen, maar uiteindelijk zal ook de leerling met zijn of haar beperking succes behalen.
D DIDACTISCH VERMOGEN

Kern: De student zet didactische en vakinhoudelijke kennis, vaardigheden en ervaringen op een methodische wijze in bij educatieve aktiviteiten, met als doel het beeldend vermogen van leerling of cursist te ontwikkelen. D.3 - je constateert en analyseert leerproblemen; - je zorgt voor een betrouwbare evaluatie van leerproces en leerresultaat. werkplan: (D.3) Als leerlingen problemen hebben doordat ze niet genoeg hun best doen, zal ik dit melden aan de stagedocent en ook aan de leerling. Ik probeer er ook voor te zorgen dat een leerling die wel zijn best doet, complimenten te geven en te belonen met een voldoende. De leerling die minder zijn best doet zal ik eerst proberen aan het werk te krijgen en te motiveren. Lukt dit alsnog niet omdat de leerling bijvoorbeeld geen zin heeft, dan zal dit ook zichbaar zijn in zijn punt en in de menier waarop ik met de leerling om ga (geen complimenten dus). Stel de leerproblemen komen door de handicap van de leerling of het vaak afwezig zijn door therapie/ziekenhuis (achter lopen daardoor), dan zal ik er alles aan doen om deze leerling er weer bij te betrekken en alles wat de leerling gemist heeft (bijvoorbeeld een op een) te herhalen. Als de leerling maar zijn best doet. Hoe heb ik de competenties aangetoont? (D3) Ik merkte van sommige studenten dat ze leerproblemen hadden. Ik schreef eerst de kenmerken op waarvan ik dacht dat ik het kenmerken waren van een leerprobleem. En die problemen verschilde nogal. Ook de oorzaak probeerde ik te achterhalen. Dat was soms de opvoeding thuis, de bijwerkingen van de handicap of de pubertijd. Ik probeerde maniertjes te vinden op de leerproblemen naar aanleiding van de opgeschreven kenmerken en observaties van de leerling. Ik probeerde gewoon vanalles uit. Zo kon ik kijken wat werkte (de leerlingen meer stimuleerde om goed te kunnen werken/leren) en wat mij zelf het beste lag. Ook kreeg ik af en toe tips van Leontine, maar soms merkte ik dat een bepaalde aanpak voor mij niet helemaal goed werkte of fijn aanvoelde. Ik heb in elke klas wel een paar leerlingen gehad met een leerprobleem en heb zeker de helft een voordering zien maken, na mijn aanpak. Dat gaf een goed gevoel: ik kan dus wel degelijk iets. Charlotte was een kletsdoos die kon prima werken (zie afbeelding) als ze in haar eentje zat of aan een tafel met klasgenootjes waar ze iets minder mee had (voornamelijk jongens), maar helaas was Charlotte eigenwijs en bleef ze maar smeken of ze terug mocht gaan zitten bij haar vriendinnen. Leontine bleef haar maar weg houden bij haar vriendinnen. Ik had zoiets van: zo zorg je er alleen maar voor dat het roemoerig blijft, want we hebben nu een charlotte die nog steeds lawaai maakt vanwege haar plaatsing in de klas. Ik stelde voor haar

volgende week voor 15 minuten op de plek tussen de jongens te zetten en als ze daar goed zou werken ze terug mocht gaan zitten bij haar vriendinnen. Wel onder de voorwaarde dat het dan redelijk stil bleef. Kletsen mag, maar pas dan wel je volume aan en houdt het binnen de perken. En dit werkte eigenlijk prima. Ik heb Charlotte nog nooit zoveel zien doen in n les. Ook maakte ik een afspraak met de gehele klas: als jullie de hele les goed doorwerken en niet te veel met elkaar kletsen, mogen jullie de laatste 5 minuten lekker kletsen. Heel simpel die 5 minuutjes. Dit Truucje om de leerlingen de hele les goed te laten werken heb ik op mijn vorige stageplaats ook in de praktijk toegepast en dit lijkt altijd wel te werken. Zo dus ook in dit geval met deze klas met niet de normale 8 leerlingen, maar 16 leerlingen. Altijd fijn dat zon simpel ding de werksfeer kan bevordenen en je zelfs leerlingen elkaar ziet waarschuwen, want anders gaan de 5 minuten niet door. De overige punten uit mijn werkplan heb ik natuurlijk ook gewoon gedaan.
G OMGEVINGSGERICHTHEID

Kern: De student kan relevante omgevingsfactoren in de samenleving signaleren en deze integreren in zijn studie of onderzoek G.3 je kunt culturele evenementen selecteren op hun bruikbaarheid voor educatieve doeleinden; - je verzamelt en verwerkt informatie van de culturele infrastructuur van de stage-omgeving, en benut deze informatie actief. werkplan: (G.3) Ik kijk waar ze op dat moment mee bezig zijn (opdrachten) op de stageschool (voor het vak Expressie). Ik gebruik ook de informatie die ik meekrijg over de manier waarop gewerkt wordt op de school. Een Mytylschool is sowieso al anders als een normale middelbare school. Leerlingen hebben allemaal wel ergens last van, geestelijk en/of lichamelijk. Ook het niveau bij sommige leerlingen ligt zo ontzettend laag dat je waarschijnlijk bij alle theorie en praktijk opdrachten moet kijken of het niet te hoog gegrepen is. Ook ga ik kijken of ik tijdens uitstapjes/evenementen de leerlingen zo goed mogelijk kan begeleiden en voorbereiden op wat komen zal. Ook zal ik alvast bekijken wat de leerlingen wel en niet aankunnen door bijvoorbeeld hun handicap. Wat zit er bijvoorbeeld in de buurt van de School (Grafisch Museum, Chass Theater etc.)? kennen de leerlingen dit al of is dit nog nieuw voor ze? Zou dit leuk zijn voor een les of uitstapje? Kan ik dit koppellen aan een theorie of praktijk les? Dat zal ik me constant moeten afvragen. Ook zal ik dus rekening moeten houden met de beperkingen van de leerlingen, want als je een uistapje gaat doen van een hele dag, zal er erg veel apparatuur mee moeten. Die hebben de leerlingen nou eenmaal nodig, dus zomaar iets plannen werkt niet. Mee denken over uistapjes en de voorbereiding er naartoe kan ik natuurlijk wel. Hoe heb ik de competenties aangetoont? (G3) Ik heb zelf geen reis georganiseerd, maar ik heb wel meegeholpen met de Van Gogh reis. Voor de eerste ontmoetingsdag heb ik in mijn lessen materiaal (zie bijlages) gebruikt dat ik vondt rondom het thema van Gogh en zijn manier van schilderen. Ook heb ik gekeken of ik met andere docenten van verschillende vakken een aansluiting kon vinden. Enkele docenten vroegen om vragen te maken bij een film of om opdrachten te verzinnen met imput van tekenen en expressie in combinatie met het desbetreffende vak dat de docent gaf. Daarnaast moest de reis nog wat meer vorm krijgen door middel van opdrachten die ze tijdens de reis zullen krijgen. Daar heb ik ook over meegedacht en enkele opdrachten verzonnen. Ook heb ik gekeken wat er rondom de school paste bij het onderwerp en andere kunstenaars die dezelfde schilderstechniek hadden laten zien aan de leerlingen. Ik ben heel de dag meegegaan als begeleider tijdens de ontmoetingsdag met de eindexamenjaars van de Mytylschool en het KSE in Etten-Leur. Dit was een super leuke dag en ik heb intensief mee kunnen

helpen met het maken van fotos, de rondleiding in de kerk, de aardappeleters proberen na te maken met mijn groepje, proberen de leerlingen op hun gemak te stellen en met het photoshoppen van de fotos. Ik heb in ieder geval een leuk fotoverslag van deze ontmoeting gemaakt. (Over een klein maandje zien de 2 scholen elkaar weer en gaan ze op reis: de van Gogh route maken!)

De leerlingen kregen tevens van de docenten een stripboekje en een bijbehorend werkboek over Vincent van Gogh (Vincent van Gogh; de worsteling van een kunstenaar). Zijn hele leven komt in het kort voorbij. Dit was een erg fijne methode om in ieder geval een begin te maken met het daadwerkelijk kennis maken met Vincent van Gogh.

Bijlagen
Bij de bijlagen vind je verschillende opdrachten die ik bedacht en gemaakt heb.

Het schildersleven van Vincent van Gogh


Vragen
Waar is Vincent van Gogh Geboren? Noem het land en eventueel ook de stad, mocht je deze ook gehoord hebben. _______________________________________________________________

Met wie van zijn familieleden had Vincent een hele goede band? _______________________________________________________________ Omcircel het goede antwoord: Zijn broer Theo wist Vincent te overtuigen om zich niet meer aan de godsdienst, maar zich geheel aan de beeldhouwkunst / schilderkunst te wijden.

In den haag raakte Vincent van Gogh genspireerd door Architectuur van allerlei bouwwerken daar. Maar toch blijft hij naast de architectuur altijd n ding schilderen. Wat is dat ding dat dat je in bijna al zijn schilderijen en tekeningen terugziet? _______________________________________________________________

Hoe heet het bekendste schilderij van Vincent van Gogh? Hint: hij schilderde het in Nuenen. _______________________________________________________________

Waarom hebben ze het Pointilisme het Pointilisme genoemd denk je? _______________________________________________________________

Op de volgende bladzijde vind je twee schilderijen van Vincent Van Gogh. Beide schilderijen komen aan bod in de documentaire. Op afbeelding 1 zie je het schilderij De aardappeleters die hij schilderde in Nederland. Op afbeelding 2 zie je het schilderij The Yellow House die hij schilderde in Arles (Frankrijk). Welk schilderij vindt jij persoonlijk het mooist? Afbeelding 1 of 2? _______________________________________________________________

Waarom vindt je deze het mooiste? Probeer je antwoord duidelijk te verwoorden en probeer gebruikte maken van de volgende begrippen: kleur, compositie, schildertechniek, schaduw, licht en het gebruikte onderwerp. _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________ _______________________________________________________________

Afbeelding 1

Afbeelding 2

Met het schilderij Korenveld met kraaien zou Vincent Van Gogh hebben aangegeven dat hij zijn einde zag naderen. Waar zou je dit aan kunnen zien? _______________________________________________________________ _______________________________________________________________

Het schildersleven van Vincent van Gogh

Vragen & antwoorden


Waar is Vincent van Gogh Geboren? Noem het land en eventueel ook de stad, mocht je deze ook gehoord hebben. Nederland, Zundert Met wie van zijn familieleden had Vincent een hele goede band? Zijn broer, Theo van Gogh Omcircel het goede antwoord: Zijn broer Theo wist Vincent te overtuigen om zich niet meer aan de godsdienst, maar zich geheel aan de beeldhouwkunst / schilderkunst te wijden. schilderkunst In den haag raakte Vincent van Gogh genspireerd door Architectuur van allerlei bouwwerken daar. Maar toch blijft hij naast de architectuur altijd n ding schilderen. Wat is dat ding dat dat je in bijna al zijn schilderijen en tekeningen terugziet? Mensen, personen, de armere mensen zijn afgebeeld, het simpele leven van de mens Hoe heet het bekendste schilderij van Vincent van Gogh? Hint: hij schilderde het in Nuenen. De aardappeleters Waarom hebben ze het Pointilisme het Pointilisme genoemd denk je? Point - punt, puntjestechniek Op de volgende twee afbeeldingen zie je twee schilderijen van Vincent Van Gogh. Beide schilderijen komen aan bod in de documentaire. Op afbeelding 1 zie je het schilderij De aardappeleters die hij schilderde in Nederland. Op afbeelding 2 zie je het schilderij The Yellow House die hij schilderde in Arles (Frankrijk). Welk schilderij vindt jij persoonlijk het mooist? Afbeelding 1 of 2? Eigen antwoord Waarom vindt je deze het mooiste? Probeer je antwoord duidelijk te verwoorden en probeer gebruik te maken van de volgende begrippen: kleur, compositie, schildertechniek, schaduw, licht en het gebruikte onderwerp. Eigen antwoord met daarin gebruik gemaakt van de begrippen. Met het schilderij Korenveld met kraaien zou Vincent Van Gogh hebben aangegeven dat hij zijn einde zag naderen. Waaraan zou je dit aan kunnen zien denk je? Donkerblauwe / dreigende lucht, kraaien (die vaak geassocieerd worden met de dood), de weg ergens naartoe

Vincent van Gogh


Vincent van Gogh was een Nederlands kunstschilder. Zijn werk valt onder het postimpressionisme, een kunststroming die het negentiende-eeuwse impressionisme opvolgde. Het is dus een reactie op het impressionisme. Nog even de belangrijkste kenmerken van het Impressionisme op een rijtje: 1.Schilderijen uit het impressionisme geven een korte indruk of een momentopname weer. 2.Door de vlotte verftoetsen die ruw en dik op het doek staan, lijkt het werk snel gemaakt. 3.Onderwerpen hebben geen probleemstelling of boodschap, maar juist het gewone allerdaagse leven wordt afgebeeld. En dan nu de belangrijkste kenmerken van het Post-Impressionisme op een rijtje: 1. Er is goed nagedacht over de compositie. 2. De schilderijen willen vaak een emotie of een gevoel overbrengen naast dat het ook. Dit doen ze vaak door de werkelijkheid een beetje te vervormen om deze emotie of dit gevoel duidelijk weer te geven. 3. Vaak is er een symbolische betekenis in het schilderij verwerkt. 4. Door de vlotte verftoetsen die in plaats van ruw en dik, veel nauwkeuriger en preciezer op het doek zijn geplaatst geeft het niet zo zeer meer het gevoel dat het werk snel gemaakt is. 5. Het allerdaagse leven is nog steeds een belangrijk onderwerp, maar wel dus vaak met een extra betekenis, emotie of gevoel. 6. Er wordt gebruikt gemaakt van abstrahering. ('de kunst van het weglaten', bij abstraheren wordt een kunstwerk vanuit een gevoel of abstract idee vertolkt/geschilderd waarbij de werkelijkheid nog wel te herkennen is, maar wel abstracter dan de werkelijkheid.) 7. Er wordt veel gebruik gemaakt van complementaire kleurcontrasten. Warm en koud zorgt dan bijvoorbeeld voor diepte in het schilderij. (Complementaire kleuren zijn kleuren die tegenover elkaar staan in de kleurencirkel: rood en groen, geel en paars, blauw en oranje. Het contrast krijg je als je ze beiden naast elkaar zet in een schilderij.)

kleurencirkel

Vincent van Gogh werd geboren in Nederland, maar woonde niet zijn hele leven in Nederland. Hij verhuisde eerst in Nederland van stad naar stad en kwam vervolgens terecht in Antwerpen (Belgi) waar hij ging studeren. Ook daar bleef hij niet lang. Hij verliet onverwachts Belgi en ruilde Antwerpen in voor Parijs (Frankrijk). Daar ontwikkelde Van Gogh zijn eigen stijl door de manier van werken van de impressionisten te bestuderen. Zijn palet wordt bij veel schilderijen lichter (qua kleur), zijn penseelvoering losser. Hij volgt de impressionisten ook bij de keuze van zijn onderwerpen: de cafs en boulevards van Parijs, het platteland langs de Seine. Via Georges Seurat (Frans kunstschilder en tekenaar) en Paul Signac (Frans kunstschilder en graficus ) ontdekt hij de stippeltechniek van het NeoImpressionisme, ook wel Pointillisme genoemd, waarmee hij uiteindelijk heel veel experimenteert.

Hierboven (links) zie je het interieur van een restaurant gemaakt door Vincent van Gogh. Je ziet duidelijk bij de uitvergroting van het detail (rechts) dat hij gebruik maakt van verschillende kleuren puntjes naast elkaar, maar als je de afbeelding van veraf bekijkt zie je de puntjes gewoon als kleurvlakken. Van Gogh expiriteerd met het Pointilisme in combinatie met de vlotte verftoetsen uit het impressionisme en probeerd zijn eigen manier van schilderen te ontdekken. Daardoor varieren de uitwerkingen van de gebruikte technieken, onderwerpen en kleuren regelmatig. Zoals er net al verteld werd, waren zijn onderwerpen in Frankrijk onder andere de cafs en boulevards van Parijs, het platteland langs de Seine en zichzelf (zelfpotretten). Vanaf 1888 zie je dat hij ook een fascinatie krijgt voor de avond en de nacht. Van Gogh had al vroeg een grote liefde voor de sfeer van de avond en de nacht. Hij zag de avond en de nacht als momenten van bezinning en creativiteit, bij uitstek geschikt voor reflectie op de gebeurtenissen van overdag. Hij werkte dan ook graag in deze donkere uren, ze gaven hem energie en inspiratie.

Hiernaast zie je Sterrennacht boven de Rhone (1888) van Vincent van Gogh. Licht, weerspiegeling en de blauwheid van de lucht stonden centraal voor dit schilderij.

Hiernaast zie je het schilderij cafterras bij nacht (1888) van Vincent van Gogh. Het nachtleven van Parijs wordt in al haar kleuren weergegeven. Met het kleine stukje van de boom zie je ook weer zijn liefde voor de natuur terug. Zelfs midden in de stad.

Hiernaast zie je De sterrennacht (1889) van Vincent van Gogh. Hier zie je dat Van Gogh zijn fantasie heeft gebruikt in dit schilderij. De donkere lucht wordt een zee van kleuren en vormen. Zijn liefde voor de donkere lucht met zijn sterren, de stad en de natuur zijn hier in n schilderij verwerkt.

Praktijkopdracht
Wij gaan nu ook een eigen schilderij maken rondom het thema Nacht. Maar omdat we binnenkort ook de Van Gogh route gaan doen gaan we ook Van Gogh verwerken in dit schilderij. Dan bedoelen we niet letterlijk Vincent van Gogh als persoon, maar zijn vluchtige manier van werken met toetsen en eventueel de puntjes (pointillisme). En als dit nog niet genoeg is gaan we ook nog het eindexamenthema groen erin verwerken. We verwerken dus in ons schilderij: 1. Het thema nacht. (sterren, maan, nachtleven etc.) 2. Het thema groen. (groen als kleur, milieu, natuur, zuinig omgaan met energie etc.) 3. En de vluchtige manier van schilderen. Wat zou je als onderwerp kunnen gebruiken? Noorderlicht - Sterren & maan - Het nachtleven ( Uitgaan / Las Vegas ) - Licht Zonsondergang - Volle maan - Weerwolven in een donker bos - Stad bij nacht Nachtdieren ( Vleermuizen / Uilen ) - (zelf) Potret bij nacht - In de ruimte ( Ruimteschepen / Planeten / Aardbol )

Probeer zelf leuke dingen te verzinnen voor je schilderij. Gebruik vooral je fantasie! Maar voor we je idee gaan schetsen op schetspapier gaan we eerst technieken uitproberen. Als je goed kijkt naar de schilderijen van Van Gogh zie je dat hij dus vaak gebruik maakt van streepjes, grove penseel streken (toetsen) en puntjes. Hieronder is dit zeer goed zichtbaar bij de uitvergroting van een detail (rechts) van zijn eigen zelfpotret (links).

Wij gaan meerdere kleuren met elkaar combineren en verschillende technieken uitproberen. hieronder zie je een voorbeeld van 3 verschillende kleuren die in elkaar overlopen op 2 verschillende manieren: Mooi door elkaar overlopend & met grove streepjes (puntjes). Twee verschillende manieren met beiden een ander effect. Deze testjes plak je in je werkboek/dummy.

Nu kunnen we gaan schetsen en beginnen aan het eigen schilderij.

Veel succes!

Groen
Als we het hebben over groen, denken we eigenlijk meteen al aan groen als kleur. Zoals we al eerder in de les geleerd hebben is groen een kleur die je krijgt als je blauw en geel met elkaar mengt. Maar natuurlijk zijn er heel veel variaties van de kleur groen. Hieronder zie je hoe je die verschillende kleuren groen kunt maken.

Claude Monet was een Franse schilder die impressionistisch schilderde. Impressionistische schilderijen zijn te herkennen aan de kleuren die in los naast elkaar geplaatste toetsen op het doek werden gebracht. Om het iets makkelijker te zeggen: er werd niet heel erg gedetaileerd geschilderd, maar juist met toetsen. Toetsen moet je zien als grove penseelstreken. In het schilderij hieronder van Claude Monet kun je dit heel goed zien.

Bij het schilderij impressie van een opgaande zon uit 1873 is goed te zien dat het zwarte bootje en ook de ondergaande zon is neergezet met maar een paar penseelstreken. Monet kon daardoor heel goed in een hele korte tijd een schilderij maken. Als je van dichtbij kijkt, zijn de toetsen goed zichtbaar en zul je niet meteen zien wat het voor moet stellen. Kijk je van een afstandje, dan zie je veel duidelijker wat het voorstelt.

Maar Monet schilderde niet alleen met toetsen, omdat hij het mooi vondt. Monet schilderde voornamelijk landschappen, waarin licht en weerspiegeling vaak voorkomen. Maar de zon staat nou eenmaal nooit stil. De lichtval en dus ook de weerspiegeling veranderde elke seconde dat hij daar zat te schilderen weer. Wij zouden daarvoor een foto kunnen

gebruiken, maar een fototoestel was er in die tijd nog niet dus moest Monet iets anders verzinnen. Het leek hem slimmer om een toets daarvoor te gebruiken. Zo was hij veel sneller klaar en bleef de lichtval min of meer hetzelfde tijdens het schilderen. Maar hij had ook nog een extra truucje. We kennen nu allemaal plakkaatverf en misschien heb je ook al kennis gemaakt met acrylverf. Maar er is nog een derde verfsoort die we nog niet behandeld hebben: olieverf. De naam zegt het al. Het is verf met olie als basis. Olieverf heeft een vooren een nadeel. Het voordeel van olieverf is dat door de olie de verf vetter is en je dus eerst een begin kunt maken met je schilderij en het uren kunt laten staan zonder dat de verf al opgedroogd is. Zo kun je langer over je schilderij doen of nog snel iets veranderen op het laatste moment. Het nadeel is dan dus dat als je klaar bent je heel erg lang moet wachten voor het echt helemaal droog is en je je schilderij kunt ophangen aan de muur. Hiernaast zie je 2 schilderijendie allebei Le bassin aux nymphas heten. Monet schilderde vele schilderijen over zijn vijver die hij had laten aanleggen in de tuin van zijn atelier. Hij schilderde dit deel van zijn tuin onder allerlei weersomstandigheden en in de verschillende seizoenen van het jaar. En in een tuin bevindt zich altijd wel wat groen, zoals in het geval van Monet: de waterlelies. De waterlelies fascineerde Monet heel erg en schilderde deze dan ook meerdere malen. En ze zijn allemaal verschillende van kleur door de lichtval en tijd van het jaar waarin hij ze op dat moment schilderde. In het bovenste schilderij zie je dat de bladeren van de waterlelies wat meer geel hebben dan het onderste schilderij. hij mengde en mengde tot hij de juiste kleur had. Oefening baart kunst.

Opdracht 1
We hebben het nu gehad over groen als kleur, maar natuurlijk is groen veel meer als alleen een kleur. Op de volgende bladzijde zie je een woorden-web. Een aantal dingen die iets met groen te maken hebben zijn al ingevuld. Kun jij nog 2 andere dingen bedenken die iets te maken hebben met groen. Het mogen bijvoorbeeld ook voorwerpen zijn die bijna altijd de kleur groen hebben. Of beroepen die volgens jou iets te maken hebben met groen. Of misschien heeft het wel iets te maken met een hobby die je hebt.

Opdracht 2
Hieronder zie je 4 teksten die te maken hebben met groen. Lees de teksten eerst goed door en lees dan op de volgende bladzijde wat we met de teksten gaan doen.

Groen Groen is de kleur van het gras Groen is de kleur van de planten Groen is zoals mijn leven was Groen is de kleur van jaloezie Maar het past meer bij verdriet Want groen wekt gevoelens op Die je bij blijdschap nooit ziet Groen werkt soms tegen pijn Groen helpt soms juist tegen verdriet Groen zal altijd een mooie kleur zijn Of je dat wil inzien of niet

Als het goed is heb je nu de teksten (1 gedicht, 1 songtekst en 2 qoutes) gelezen. We gaan nu de teksten omzetten in beeld. Natuurlijk gaan we niet alle teksten doen maar je kiest er in ieder geval n uit. Lees de gekozen tekst nogmaals door en denk terug aan je woordenweb. Ook is er op de volgende pagina een bijlage te vinden met kunstenaars en films die te maken hebben met het thema groen en de teksten die je zojuist gelezen hebt. Misschien kunnen deze inspiratiebronnen je helpen bij het maken van de opdracht. Stel dan jezelf de volgende vragen: Hoe kun je de woorden het beste omzetten in beeld? Krijg je een bepaald gevoel bij de teksten? Hoe kun je dit gevoel weergeven? Wil ik dit abstract uitwerken of juist gedetaileerd? Welke kleuren naast de kleur groen passen bij deze tekst? Zijn er toevallig dingen in eigen omgeving die iets te maken hebben met je tekst? Hoe zien die dingen eruit?

Aan de slag! We beginnen eerst met het maken van een schets. Dit doen we met met een wit vel papier en een potlood. Let op! Dit hoeft niet gedetaileerd te zijn, het is maar een schets! En denk alvast na over de kleuren. Er moet in ieder geval groen in te vinden zijn. Nu gaan we aan de slag in het groot. Je gaat werken op een groot vel papier en we gaan werken met Acrylverf. Acrylverf is een sneldrogende verf die bestaat uit een kleurend pigment met een bindmiddel van kunststof polymeerhars. De verf is erg dik en zul je eerst moeten verdunnen met water voor je er mee kunt gaan werken. De verf werkt over het algemeen hetzelfde als plakkaatverf. Kijk alleen wel uit voor je kleren, want Acrylverf krijg je veel minder goed uit je kleren dan plakkaatverf. Vind je het moeilijk om gelijk te beginnen met verf, dan mag je eerst op je grote vel de schets natekenen in grote lijnen, zodat je hulplijntjes krijgt. Maar natuurlijk mag je ook gewoon gelijk beginnen. Heb je nog een leuk materiaal dat je wil gebruiken in combinatie met de verf. Denk aan bijvoorbeeld afval-materialen of karton, dan mag dit natuurlijk ook. Laat je fantasie erop los en heel veel succes!

Bijlage
Carl Warner, fotografeerd zelfgemaakte landschappen gemaakt met etenswaren.

http://www.carlwarner.com/

landscape art (Kunst in het landschap) door Sylvain Meyer

The Green Lantern, nieuwe film gebaseerd op de stripverhalen van vroeger rondom deze groene held.

Linosnede uitwerkingen
Je hebt nu je Linosnede af. Nu kunnen we gaan nadenken over de uitwerking hiervan. We gaan straks niet meer werken met papier, maar we gaan het dit keer net iets anders uitwerken. We gaan werken op een echt schildersdoek. Maar dit doek is toch wel een paar keer groter dan je linosnede. Daarom gaan we op n doek, meerdere afdrukken maken. we kijken eerst hoeveel je er op je doek wil maken. waarschijnlijk hou je dan een deel van het doek over. Daarom kijken we eerst hoeveel er in passen en de rand die we overhouden gaan we omtoveren tot een echte mooie lijst/rand.

De ondergrond is wit papier als verfkleur is zwart gekozen.

Alles in ongeveer dezelfde kleuren.

Japanse prenten met rustige kleuren.

PopArt

Kleuren die vaak het tegenovergestelde van elkaar zijn zorgen ervoor dat de afbeelding in het oog springt.

Andy Warhol - Marilyn Monroe