Vous êtes sur la page 1sur 6

Taaldorp - Au restaurant / snack

1. Exemple: Le serveur Monsieur/madame, vous avez choisi ? Quest-ce que vous prenez comme entre ? Cest une salade verte, avec des haricots verts, du foie gras, des petites tomates. Cest dlicieux ! Et comme plat principal ? Et comme boisson ? Une heure plus tard Toi Oui, je voudrais un menu 18 euros, sil vous plat. Cest quoi, la salade gourmande ? Daccord, une salade gourmande, alors. Un canard lorange. Comme dsert, je vais prendre la crme brle. Une carafe deau, sil vous plat. Un caf et laddition, sil vous plat !

Preparation au taaldorp / onderwerp 1: Au snack

Preparation au taaldorp / onderwerp 1: Au snack

2. Vocabulaire A boire boire la boisson un apritif le vin la bire leau (minrale) le coca le caf (au lait/crme) le th un litre une bouteille la demi-bouteille une carafe un verre une tasse une paille drinken het drankje een aperitief (= een drankje voor het eten) de wijn het bier het (mineraal) water de cola de koffie (met melk) de thee een liter een fles de halve fles een karaf een glas een kopje een rietje des oeufs les ptes les frites le pain le sandwich la tarte une glace le parfum point chaud froid le sel le poivre une assiette un couteau une fourchette une cuillre rserver la table la carte Un menu euros le plat du jour commander goter le got bon apptit fumer un cendrier laddition le pourboire Monsieur / Madame vgtarien(ne) pic la carte de crdit manger sur place emporter eieren de pasta de patat het brood het belegde brood de taart een ijsje de smaak medium gebakken (vlees) warm koud het zout de peper een bord een mes een vork een lepel reserveren de tafel de menukaart Een menu van euros de dagmaaltijd bestellen proeven de smaak eet smakelijk roken een asbak de rekening de fooi aanspreken van degene die serveert vegetarisch heet, pittig de kreditkaart ter plekke eten meenemen

et manger manger eten une entre een voorgerecht un plat (principal) een (hoofd)gerecht un dessert een nagerecht le fromage de kaas la viande het vlees le poulet de kip le buf het rundvlees le porc het varkensvlees le poisson de vis les lgumes de groente la salade de sla les fruits het fruit la soupe de soep les crudits de rauwkost Le plateau het dienblad le jambon de ham le saumon de zalm les lardons de spekjes

Preparation au taaldorp / onderwerp 1: Au snack

3. Phrases Cles 1. Ik heb honger / dorst 2. Hoeveel kost het? 3. Hier is 10 euro. 4. En koffie, a.u.b. 5. Ik begrijp het niet. 6. Kunt u het uitleggen? 7. Mag ik de kaart? Jai avoir besion Qu-est ce que le prix? Ici est dix euro Un caffee sil vous plat Je ne comprendre pas pouvez-vous expliquer? Darf ich die Karte

8. Ik ben vegetarisch, maar ik eet wel vis Je suis un vegatarin, mais je mange poision 9. Ik neem.. 10. Wat neem jij? 11. Het is lekker / heerlijk Je prendre Que-est ce que tu prendre? Cest bon

12. Het is te zout / koud / warm Il est plus chaud 13. Heeft u ook ? 14. Eet smakelijk 15. Proost! Vous avez galement Bon appetit Sant

16. Ober, mag ik de rekening alstublieft? Matre le compte SVP 17. U mag de rest als fooi houden. Vous peut garder le reste comme gratification 18. Goedendag / Goedenavond Bonsoir

Preparation au taaldorp / onderwerp 1: Au snack

4. Exercice Zet de dialoog in de goede volgorde a. Et comme dessert? b. Un boeuf bourguignon. c. Vous dsirez boire quelque chose? d. Oui, je vais prendre un menu 11 . e. Madame, vous avez choisi ? f. Une glace la fraise. g. Quest-ce que vous prenez comme entre ? h. De leau minrale simplement. i. Comme plat ? j. Une soupe loignon. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Preparation au taaldorp / onderwerp 1: Au snack

5. Parler Oefen onderstaande dialogen met een klasgenoot. Schrijf de dialoog op de bladzijde ernaast. Conversation 1 - Au restaurant Situatie: Je gaat lunchen in een restaurantje. Schrijf het volgende gesprek met de ober op.

Ober -Groet. -Vraag met hoeveel ze zijn. -Zeg waar ze plaats kunnen nemen. -Vraag of ze wat willen drinken. -Verwijs naar het dagmenu op het plaatje -Je brengt het eten. -Vraag of het smaakt. -Breng het. -Vraag uit welk land de klant komt. -Vraag wat hij van Frankrijk vindt. -Vraag wat hij/zij van de Fransen vindt. -Geef de rekening. -Wens de klant alvast een goede terugreis.

Jij -Vraag of er nog plek is. -Geef antwoord. -Vraag om de kaart. -Bestel koude dranken want het is warm buiten! -Vraag naar de dagmaaltijd. -Bestel een maaltijd (vooraf de soep). -Zeg dat de soep te zout is. -Zeg dat je iets mist (mes, vork). -Geef antwoord. -Geef antwoord. -Vertel wat je allemaal gezien hebt. -Antwoord. -Vraag om de rekening. -Betaal en bedank.

Preparation au taaldorp / onderwerp 1: Au snack