Vous êtes sur la page 1sur 82

Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 1

1 1 Parijs in Frankrijk
2 lezen
werken, schrijven, oefenen
3 12
4 80-82
83
5 92
6 105
113
7 de klas
8 Je hebt een 'vinkje' gezet in je werkplanner bij opdracht 1.

2 a)
4 bijvoorbeeld Belgi en Canada
5 bijvoorbeeld ambulance, aprs-ski, au pair, bagage, bonbon, bureau
6 werk
b)
1+d
2+c
3+b
4+a

3 1 Gesprek 1 = foto 3
2 Gesprek 2 = foto 1
3 Gesprek 3 = foto 4
4 Gesprek 4 = foto 2

4 a)
Yannick
Julie
Momo
Lisa
Didier
b)
Lisa maakt kennis met de anderen.
De jongens willen weten hoe Lisa heet.

5 a)
1 door Julie
2 Hoe heet jij?
3 een foto van hemzelf
4 het circus
b)
1 B
2 A
3 B
4 B
5 B
6 A
7 B
8 B
9 A
10 B
11 A
12 A

1
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

6 a a + 13
b b+9
c c+5
d d+3
e e + 11
f f+6
g g + 12
h h + 14
i i+4
j j+2
k k+1
l l+7
m m+8
n n + 10

8 1 garon
2 o
3 comment
4 mappelle
5 a va
6 jhabite
7 photo
8 aussi

9 a)
1 a Je mappelle Lisa.
b Quest-ce que cest?
c Jhabite dans le cirque.
2 a cest
b jhabite
b)
1 garon, a va
2 o
3 spcial

10 a)
1 franais
2 un mtro
3 un mtre
4 un hpital
5 grand-mre
6 jarrive

11 a)
1 salut
2 a va?
3 a va
4 Tu tappelles comment?
5 Je mappelle Lisa.
6 Bonjour Didier.
7 Quest-ce que cest?
8 au revoir
b)
1 salut
2 Tu tappelles comment?
3 Je mappelle .

2
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

12 b)
1 Bonjour!
Tu tappelles comment? Je mappelle Eric. Et toi?

Moi, je mappelle Morgane.


Tu habites o? Jhabite Toulouse. Et toi?

Moi, jhabite Franconville.


Au revoir. Au revoir!

2 Bonjour!
Tu tappelles comment? Je mappelle Marc. Et toi?

Moi, je mappelle Hanane.


Tu habites o? Jhabite Bordeaux. Et toi?

Moi, jhabite Lille.


Au revoir. Au revoir!

13 a)
1 Didier is een jongen.
2 meisje
3 un of une
4 un, une
5 a une photo
b un cirque

14 1 reclamefolder
2 Hyper U
3 Converse, nylon
4 96
5 etui
6 a model
b keuze
c model naar keuze
7 1 balpen gratis
8 een schoolboek (tekstboek)
9 2,10
10 1 dag per pagina

15 1 een rugzak
2 een tekstboek
3 paginas
4 een model
5 gratis
6 een dag

16 1 Hoe gaat het?


2 Het gaat goed.
3 vraagteken

17 a)
1 Je mappelle Emma.
2 Tu tappelles Olivier?
3 Cest Yannick?
4 Cest Didier.
5 Cest une photo?
6 Tu habites Paris.
7 Tu habites Montpellier?
8 Cest un garon.
9 a va.
10 a va?

3
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

18 a)
un une
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x

19 1 1+h
2 2+d
3 3+a
4 4+b
5 5+e
6 6+g
7 7+f
8 8+c

20 a) begroeten afscheid nemen zich voorstellen


1 x
2 x
3 x
4 x
b)
1 Au revoir
2 Bonjour
Tu tappelles comment?
3 Voil
Entrez
4 Au revoir

21 a a+7
b b+2
c c+6
d d+8
e e+3
f f+1
g g+4
h h+5

23 Horizontaal
1 stylo
2 agenda
5 trousse
Verticaal
1 sac dos
3 cahier
4 gomme

4
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

24 1 Bonjour. a va?
2 Jhabite .
3 Tu tappelles comment?
4 Au revoir.
5 Quest-ce que cest?
6 Cest un sac dos.

27 A Bonjour. a va?
B Salut. a va.
A Je mappelle et toi? Tu tappelles comment?
B Je mappelle Dominique
A Jhabite et toi? Tu habites o?
B Jhabite Nancy.
A Au revoir.
B Au revoir.

28 a)
1 in bijvoorbeeld een jongerentijdschrift
2 over zichzelf
3 Omdat ze op zoek zijn naar een correspondentievriend/vriendin.
4 Een mail of een brief schrijven.
b)

Leeftijd Nationaliteit Woonplaats Hobby's Zoekt


jongeren
Sophie 15 Frans Toulouse muziek tussen
14 en 16 jaar
jongeren
sport,
Salma 14 Marokkaanse Fs tussen
internet
12 en 17 jaar
popmuziek, jongeren uit
Nicolas 13 Belgisch Brussel film, heel
voetbal Europa
Fransen
televisie,
Eva 13 Hollands Utrecht tussen
MSN
12 en 16 jaar

29 Salut Sophie.
a va?
Je mappelle Lucie.
Jhabite Zwolle
Jaime la musique pop et le sport.
Au revoir,
Lucie

30 a+5
b+6
c+3
d+4
e+2
f+1

5
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

dvd
31 a)
1 school, thuis, op straat
2 opstaan, douchen, tandenpoetsen, ontbijten
3 boeken, agenda, etui, lunchpakket
4 fiets, bus, auto...
b)
x slaapkamer
x keuken
x bushalte
schoolplein
x hal
kantine
x gang
gymzaal
c)
1
a 1+i
b 2+g
c 3+a
d 4+f
e 5+e
f 6+b
g 7+d
h 8+c
i 9+h

2 Als ze zichzelf voorstelt, zegt ze Salut, je mappelle Florie en als ze haar vriendinnen voorstelt zegt ze
Voil, mes copines.
3 A

6
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 2

1 1 Over mijn familie.


2 Grootvader en grootmoeder met hun familie.
3 Twee volwassenen worden aan elkaar voorgesteld.
4 Ze wensen elkaar een fijn weekend.
5 Een jongere wijst aan waar hij woont.

2 a)
1 Gesprek 1 = foto 1
2 Gesprek 2 = foto 4
3 Gesprek 3 = foto 2
4 Gesprek 4 = foto 3
b)
1 B
2 B
3 B
4 A
5 B
6 A
7 B

3 1 A
2 A
3 B
4 B

4 a)
1 acrobaat
2 directeur
3 broers of zussen
4 Parijs
5 Yannick en Didier
b)
1 Wat is dat?
2 Wie is dat?
3 Hoe heet zij?
c)
1 A
2 B
3 A
4 B
5 B
6 B
7 A
8 B

5 a a+2
b b+3
c c+7
d d + 11
e e+1
f f + 13
g g + 12
h h+9
i i+8
j j+6
k k + 14
l l + 15
m m+4
n n + 10
o o+5

7
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

7 1 le pre
2 Monsieur
3 Tu aimes
4 avec
5 J'ai
6 Qui est-ce?
7
8 beaucoup
9 Il habite
10 dangereux

8 a)
Voor mannelijke woorden gebruik je un en voor vrouwelijke woorden gebruik je une.
b)
1 De broer van Lisa woont in Parijs.
2 De zus van Momo heet Farida.
3 Het circus is heel groot.
4 mannelijk de/het-woord = le
Vrouwelijk de/het-woord = la

9 a)
1 une
2 une
3 un
4 une
5 un
b)
1 l
2 Le
3 L
4 la
5 le

10 a)
1 Dat is mijn vader. Hij heet Pierre Fourel.
2 Het is de zus van Momo. Ze heet Farida.
3 Het Franse woord voor hij is il.
4 Het Franse woord voor zij is elle.
b)
Als je naar een mannelijk woord verwijst, gebruik je il.
Als je naar een vrouwelijk woord verwijst, gebruik je elle.

11 a)
1 elle
2 Il
3 Il
4 il
5 il
6 elle
7 il
8 elle
9 Il
10 elle

12 a)
1 Le directeur, c'est ton pre?
2 Oui, c'est mon pre.
3 J'ai un frre.
4 Il habite Paris.
5 Qui est-ce?
6 Elle s'appelle comment?
7 Elle s'appelle Farida.

8
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 J'ai une soeur.
2 Elle habite Rotterdam.
3 Qui est-ce?
4 C'est le frre de Lucie.
5 Il s'appelle Patrick.

13 1 Qui est-ce? Cest la mre de Galle.


Elle sappelle comment? Elle sappelle Jacqueline Lejeune.
Elle habite o? Elle habite Franconville.

2 Qui est-ce? Cest la sur de Jean-Luc.


Elle sappelle comment? Elle sappelle Isabelle.
Elle habite o? Elle habite Nice.

3 Qui est-ce? Cest le pre de Abdel.


Il sappelle comment? Il sappelle Murat.
Il habite o? Il habite Lille.

4 Qui est-ce? Cest le directeur.


Il sappelle comment? Il sappelle monsieur Legrand.
Il habite o? Il habite Grenoble.

14 a)
1 Dat is mijn vader. Hij is acrobaat.
2 Mijn moeder is ook acrobaat.
3 mon
4 ma
b)
1 De directeur, is dat jouw vader?
2 En jouw moeder?
3 ton
4 ta
c)
een de/het mijn jouw
mannelijk un le of l mon ton
vrouwelijk une la of l ma ta
15 a)
1 mon
2 ma
3 ta, ma
4 ton, Mon
5 ta, ma
6 mon
7 ta, ma
8 ton, mon
9 ton, mon
10 ton, mon

16 1 Heb jij broers of zussen?


2 Ik heb een broer.
3 Ik heb broers.
4 Ik een zus.
5 Ik heb zussen.
6 des

17 a)
1 une trousse
2 des frres
3 des stylos
4 un lion
5 des lions

9
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

18 a)
Dit is de familie van Didier.
De ouders en de grootouders van Didier,
de broer en de zus,
de oom en de tante,
de neef en de nicht en ...
de honden.
b)
mon grand-pre ma grand-mre
mijn opa mijn oma

mon oncle ma tante mon pre ma mre


mijn oom mijn tante mijn vader mijn moeder

ma cousine mon cousin Didier ma soeur mon frre


mijn nicht mijn neef mijn zus mijn broer

c)
1 le pre
2 le grand-pre
3 la tante
4 le frre
5 le cousin
6 La grand-mre
7 l'oncle
8 La mre
9 La soeur
10 la cousine

19 1 de tuin
2 de grootouders
3 de hond
4 zondag
5 de ouders
6 het middageten
7 de boom
8 aangenaam

20 a)
~on ~an ~un ~in
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x

21
Quest-ce que cest Qui est-ce
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x

10
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

22
nummer gesprek Bordeaux Parijs New York het circus Nice Lyon

grootvader 5 5

grootmoeder 3 3

oom 2 2

tante 6 6

nichtje 4 4

zus 1 1

23 a a+1
b b+3
c c+4
d d+2
e e+6
f f+7
g g+5

25 1 tante
2 famille
3 grand-pre
4 grand-mre
5 oncle
6 cousine
7 cousin
8 frre
9 soeur

26 1 Tu as des cousins et des cousines?


2 J'ai un oncle.
3 Mon oncle habite Marseille.
4 Mon oncle est directeur.
5 Mon cousin s'appelle Tristan.

27 1 Qui est-ce? Cest ma soeur.


Elle habite o? Elle habite Breda avec mon pre.

2 Qui est-ce? Cest mon pre.


Il habite o? Il habite Amsterdam avec ma mre.

3 Qui est-ce? Cest Daniel.


Il habite o? Il habite Lyon avec ma cousine.

4 Qui est-ce? Cest mon cousin.


Il habite o? Il habite Marseille avec ma tante Nicole.

30 1 B
2 A
3 A
4 A
5 A
6 B
7 B

11
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

31 a)
Salut/Bonjour,
Je m'appelle Danny.
J'habite Eindhoven.
Mon pre s'appelle Robert et ma mre Annet.
J'ai un frre et une soeur.
Mon grand-pre habite Tilburg.
J'aime beaucoup ma famille.
Et toi? Comment est ta famille?
Ecris-moi vite.
Danny
b)
Hier heb je een briefje geschreven over je eigen familie.

32 1 a
2 c
3 f
4 d
5 e
6 b

dvd
33
b)
1
x de vader van Jolan
x de moeder van Jolan
x het broertje van Jolan
het zusje van Jolan
x de oma van Jolan
de opa van Jolan
x de vader van Elodie
de moeder van Elodie
c)
2 a Elodie keurt drie keer iets af.
b Ze doet dit omdat ze vindt dat dit niet past bij de familie van Jolan.

12
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 3

1 1 De straat waarin hij woont.


2 Het is een hele mooie kamer.
3 Naar de rue Victor Hugo.
4 De fontein Les Trois Grces (de drie vrouwen/muzen)

2 a)
1 Fragment 1 = foto 4
2 Fragment 2 = foto 2
3 Fragment 3 = foto 3
4 Fragment 4 = foto 1
b)
1 x
2 x
3
4

3 1 x
2 x
3 x
4
5 x
6

4 1 Ja, want het is naar links, daarna naar rechts en daarna rechtdoor.
2 Place de la Comdie
3 erg groot
4 een fontein
5 naar de winkels
6 naar het terras

5 a a+9
b b + 12
c c+1
d d + 10
e e+2
f f+3
g g+7
h h+6
i i + 11
j j+8
k k+5
l l+4

7 1 place
2 fontaine
3 tout droit
4 rue
5 droite
6 mer
7 gauche
8 puis
9 piscine
10 boutique

Het woord is: la terrasse


Dat betekent: het terras

8 In het meervoud worden le, la en l allemaal les.


Achter het zelfstandig naamwoord komt dan een s.

13
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

9 a)
1 les fontaines
2 les terrasses
3 les rues
4 les frres
5 les oncles
6 les cousines
b)
1 les cafs
2 les boutiques
3 les agendas
4 les photos

10 a)
1 Quest-ce quil y a Montpellier?
2 O est le centre?
3 Cest gauche, puis droite et puis tout droit.
b)
1 Quest-ce quil y a Paris?
2 O est-ce quil y a une boutique?
3 Cest tout droit et puis gauche.

11 1 Quest-ce quil y a ici Toulouse? Il y a une place.


O est la place? Cest gauche.

2 Quest-ce quil y a ici Franconville? Il y a un caf.


O est le caf? Cest tout droit.

3 Quest-ce quil y a ici Bordeaux? Il y a une piscine.


O est la piscine? Cest droite.

4 Quest-ce quil y a ici Paris? Il y a la Tour Eiffel.


O est la Tour Eiffel? Cest droite et puis gauche.

5 Quest-ce quil y a ici Marseille? Il y a la mer.


O est la mer? Cest tout droit et puis droite.

12 a) e
b) s
c) es
d)
petit petite petits petites
13 a)
1 petite
2 grand
3 joli
4 petites
5 jolie
6 petites
7 jolie
8 jolies
9 grands

14 a)
1 Om zijn vriend te vertellen hoe zijn nieuwe huis en zijn nieuwe kamer eruit zien.
2 de woonkamer
3 de keuken, omdat hij graag het avondeten klaarmaakt/omdat hij van koken houdt
4 de tuin
5 een douche en een toilet
6 vier
7 op de tweede verdieping
8 een computer

14
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

9 voetbal
b)
1 derrire
2 devant
3 sur

15 1 geweldig/super
2 de woonkamer
3 is dol op
4 bank
5 het lievelingsvertrek
6 omdat
7 klaarmaken
8 op de eerste verdieping
9 tweede
10 de kast
11 beker
12 tot snel/ tot ziens

16 a)
enkelvoud meervoud
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x
16 x

17 a)
x chambre
x chaise
x bureau
x lit
x armoire
tante
ordinaire
parents
x tl
x coupe
b)
1 A
2 A
3 B
4 B

18 1 x
2 x
3
4 x
5
6
7 x
8 x

15
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

19 a a+6
b b + 10
c c+1
d d+2
e e+8
f f+4
g g+9
h h+3
i i+5
j j+7

21 a)
1 les toilettes - 5
2 la cuisine - 3
3 le jardin - 7
4 la chambre - 1
5 la fentre - 2
6 la salle de bains - 4
7 le grenier - 6
b)
1 le lit - 3
2 la table - 1
3 le tlphone - 5
4 lordinateur - 2
5 la chaise - 4

22 a)
1 Cest une grande maison.
2 Derrire la maison, il y a un joli jardin.
3 Mon bureau est devant la fentre.
4 Sur mon bureau, il y a un ordinateur.
5 Mon lit est droite.
b)
1 Devant la maison, il y a une jolie place.
2 La fentre est derrire mon lit.
3 Cest un joli jardin.
4 O est la grande salle de bains?
5 Ma maison est tout droit et puis gauche.

23 1 Quest-ce quil y a dans ta chambre? Il y a un bureau et un lit.


Le bureau est droite.

2 Quest-ce quil y a dans ta chambre? Il y a une table et une chaise.


La chaise est devant la table.

3 Quest-ce quil y a dans ta chambre? Il y a un ordinateur et un bureau.


Lordinateur est sur le bureau.

4 Quest-ce quil y a dans ta chambre? Il y a une tlvision et un ordinateur.


La tlvision est ct.

25 Chre Marion,
Jai une petite chambre.
Il y a une table et un lit.
Dans ma chambre il y a une fentre.
Mon lit est devant la fentre.
Ma tl est sur la table.
Elle est jolie ma chambre!
Au revoir/Salut, Lisa

16
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

26 a)
1 Lilia
2 Over de verschillende dingen die zij in haar wijk tegenkomt.
3 jardins, rues, appartements
4 In mijn wijk zijn er pleinen, op
die pleinen zijn er tuinen,
In die tuinen zijn er rozen
In allerlei kleuren.

In mijn wijk zijn er straten,


In die straten rijden er autos,
In die autos zitten bestuurders,
Ze willen naar huis.

In mijn wijk zijn er flatgebouwen,


In die flatgebouwen zijn appartementen,
In die appartementen zijn kamers
Ik heb daar een kamer.

In mijn kamer staat een bed,


Op dat bed
ligt een deken.
En onder die deken ligt een kind,
Dat ben ik!
b)
1 tuinen, rozen, appartementen, kamers
2 autos, flatgebouwen
3 appartement
4 -
5 Ze begint met de hele wijk en eindigt met alleen haar eigen bed.

27 1 diffrent
2 er zijn kleine mensen en er zijn grote mensen
3 aardige mensen
4 mensen die van de zon houden
mensen die van de wind houden
5 In mijn wijk,
Zijn we allemaal gelijk en we
Zijn allemaal verschillend
6 eigen antwoord

28 a)
1+c
2+d
3+a
4+b
b)
1+b
2+d
3+c
4+a

17
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

dvd
29 a)
1 B
2 veel winkels, druk verkeer, een bioscoop etc.
3

b)
1
x winkelstraat
x etalage
druk verkeer
x dansschool
bioscoop
straatmuzikant
appartementen
terrasjes
trein
x bus
2
een flat
een huis in een rij
x een villa
3 spiegel, kam, bed

c)
1 een trui en een T-shirt
2 De meisjes kussen elkaar twee keer.
3 Als je iemand nog niet kent geef je meestal een hand in plaats van dat je elkaar kust.
4 De muziek hoor je in de winkelstraat en in de dansschool.
5 Zuid-Frankrijk: het soort huizen, het plein met de palmbomen
Een buitenwijk: het is een vrijstaand huis met veel ruimte er omheen.

Mini+

31 a)
la baignoire = het bad la porte = de deur
la lampe = de lamp le mur = de muur
le tapis = het tapijt lescalier = de trap
la plante = de plant le canap = de bank
b)
vrai faux
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x

32 a)
rechts = droite
links = gauche
voor = devant
achter = derrire
op = sur
onder = sous
b)
1 Le sjour est petit.
Dans le sjour il y a deux lampes.
2 La salle de bains est grande.
Dans la salle de bains il y a une baignoire et des toilettes.
3 La cuisine est grande aussi.
Dans la cuisine il y a une table et deux chaises.

18
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Maxi+

33 1 Montpellier ligt in het zuiden van Frankrijk.


2 De wijk waar Yann woont ligt dicht bij het centrum.
3 Meneer Nico is de eigenaar van de kleine supermarkt in de wijk van Yann.
4 In de wijk van Yann zijn drie cafs en er is een discotheek waar je kunt uitgaan.
5 Naar een skatepark en naar een voetbalveld.
6 Yann voetbalt met zijn vrienden.
7 Dat er veel honden zijn die overal op straat poepen.

34 x Il y a une grande place au centre-ville.


x Il y a une terrasse sur la grande place.
x Voil une fontaine.
Derrire la fontaine, il y a un jardin.
x Il y a des magasins dans la rue.
Voil Yann.
x Cest une carte postale de Montpellier.
x Au coin de la rue, il y a un magasin.

19
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 4

1 a) foto 1 foto 2 foto 3 foto 4


kennismaken x
bestellen x x
betalen x
naar leeftijd vragen x
b)
1 Foto 1: anders nog iets?
2 Foto 2: Hoe oud ben je?
3 Foto 3: Hoeveel kost dat?
4 Foto 4: Ik wil graag 1 stokbrood en twee chocoladebroodjes..

2 a) Gesprek 1 = zin 4
Gesprek 2 = zin 3
Gesprek 3 = zin 1
Gesprek 4 = zin 2
b)
vrai faux
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x

3 1 C
2 A
3 B
4 B
5 B
6 A

4 a)
1 cola
2 vruchtensap
3 omdat hij een (domme) rekenfout maakt
4 15 stokbroden en 4 chocoladebroodjes
5 Hoeveel kost dat?
6 Alstublieft mevrouw.
7 Dank u wel, meneer. Tot ziens!
b)
1 A
2 B

5 a a+6
b b + 10
c c+9
d d + 11
e e + 12
f f + 15
g g+7
h h+2
i i + 13
j j+5
k k+3
l l+8
m m + 14
n n+1
o o+4

20
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

6 1 16
2 a 2 = deux
b 6 = six
c 7 = sept
d 8 = huit
e 9 = neuf
f 14 = quatorze
g 16 = seize
h 17 = dix-sept
i 18= dix-huit
j 19 = dix-neuf
3 dat het tweede getal steeds met dix (tien) begint en dat de rest hetzelfde is. Het tweede getal bestaat uit twee
delen die je bij elkaar op kunt tellen. Vb. dix-neuf = tien-negen = negentien
4 nee (daar is het six en seize).

8 1 combien
2 on prend
3 fou
4 s'il vous plat
5 chariot
6 pain au chocolat
7 baguette
8 merci
9 prix
10 voil
11 je suis
Het woord onder de pijl: boulangerie. Betekenis: bakkerij

9 1 deux euros dix


2 deux euros douze
3 cinq euros quinze
4 quatre euros seize
5 trois euros neuf
6 deux euros quatorze

10 a)
1 Cest combien, une bouteille de coca?
2 Cest un euro vingt.
3 Cest tout.
4 Tu as quel ge?
5 J'ai trois ans.
6 Je voudrais quinze baguettes, sil vous plat.
7 Voil, madame
b)
1 Je voudrais un jus d'orange et deux cocas.
2 Cest combien, un jus d'orange et deux cocas?
3 Cest cinq euros.
4 Tu as quel ge?
5 J'ai treize ans.

21
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

11 1 Je voudrais un jus d'orange. C'est un euro sept.


C'est combien? Et avec a?
C'est tout, merci. Voil un euro sept. Merci. Au revoir!

2 Je voudrais deux jus de pommes. C'est deux euros dix.


C'est combien? Et avec a?
C'est tout, merci. Voil deux euros dix. Merci. Au revoir!

3 Je voudrais quatre baguettes. C'est quatre euros vingt.


C'est combien? Et avec a?
C'est tout, merci. Voil quatre euros vingt. Merci. Au revoir!
4 Je voudrais cinq pains au chocolat. C'est trois euros quinze.
C'est combien? Et avec a?
C'est tout, merci. Voil trois euros quinze. Merci. Au revoir!

12 1 Salut! Je m'appelle Bruno.


Tu t'appelles comment? Je m'appelle Daniel. Tu as quel ge?
J'ai quinze ans. Et toi? J'ai dix-huit ans.

2 Salut! Je m'appelle Fabienne.


Tu t'appelles comment? Je m'appelle Patrice. Tu as quel ge?
J'ai onze ans. Et toi? J'ai quatorze ans.

3 Salut! Je m'appelle Sophie.


Tu t'appelles comment? Je m'appelle Olivia. Tu as quel ge?
J'ai dix-sept ans. Et toi? J'ai dix-sept ans (aussi).

4 Salut! Je m'appelle Maurice.


Tu t'appelles comment? Je m'appelle Marie. Tu as quel ge?
J'ai dix-neuf ans. Et toi? J'ai vingt ans.

13 1 Ik ben een kleine jongen.


Ben jij gek?
Waar is het winkelwagentje?
2 je suis = ik ben
tu es = jij bent
il est = hij is
elle est = zij is
In het Nederlands heet dit werkwoord zijn.
3 c'est = dat is, het is
Ce wordt dus net zo vervoegd als il en elle.

14 a)
1 Tu es/est Franaise?
2 Je suis/est dans ma chambre.
3 Philippe es/est un petit garon.
4 Mon frre suis/est fou.
5 O est Daniel? Il es/est au supermarch.
b)
1 Voil le supermarch. Il est grand.
2 Salut Julie! Tiens, tu es la copine de Yannick?
3 O est le cirque? C'est simple.
4 Je suis la soeur de Laure.
5 Le rayon boulangerie? Il est l-bas.

15 a)
1 Een kassabon.
2 Een klantenkaart.
3 Voor het bezoek (aan de winkel).
b)
1 De eerste betekenis is haastig.
2 De tweede betekenis is uitgeperst.
3 Je kunt een citroen uitpersen, en deze citroen heeft haast!

22
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

c)
caf = koffie
th = thee
eau minrale = mineraalwater
yaourt = yoghurt
pommes Granny = Granny appels
chocolat = chocolade
papier toilette = toiletpapier
sac en plastique = plastic zak
d)
drinken etenswaren hoeveelheid anders
1 lait x
2 litre x
3 eau minrale x
4 pommes Granny x
5 gramme x
6 kilo x
7 papier toilette x
8 jambon x
9 vin rouge x
10 pain x
11 sac en plastique x
12 carte bancaire x

16 1 een plastic zak, een plastic tas


2 kilos
3 rood
4 framboos
5 een doos, een blik
6 een zakje
7 roze
8 bankpas
9 liter
10 het spijt me
11 de kassabon
12 een korting
13 gram
14 een bezoek

18 product prijs
mineraalwater
x rode wijn 7,-
koffie
Orangina
x thee 1,05
x appels 2,-
kaas
x yoghurt 3,15
x boter 2,11

19 a)
1 in de supermarkt
2 drie
b)
1 A
2 A
3 C
4 B

23
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

20 a a+6
b b + 13
c c+2
d d+4
e e+3
f f + 11
g g+9
h h + 15
i i+1
j j + 12
k k+5
l l + 10
m m+8
n n + 14
o o+7

22 1 fromage
2 lait
3 pommes
4 la confiture
5 vin
6 yaourt
7 pain
8 beurre
9 jambon

23 1 Je voudrais dix-huit pommes.


2 On prend deux fromages.
3 Et avec a?
4 Merci, madame.
5 Trois cafs et un th, s'il vous plat./Je voudrais trois cafs et un th.

24 1 Je voudrais un th. Oui, bonne ide! Un th, c'est combien?


C'est deux euros cinq. Alors, on prend sept th, daccord?
Daccord.

2 Je voudrais un caf. Oui, bonne ide! Un caf, c'est combien?


C'est deux euros quinze. Alors, on prend six caf, daccord?
Daccord.

3 Je voudrais un jus dorange. Oui, bonne ide! Un jus dorange, c'est combien?
C'est deux euros dix. Alors, on prend cinq jus dorange, daccord?
Daccord.

4 Je voudrais une Orangina. Oui, bonne ide! Une Orangina, c'est combien?
C'est deux euros. Alors, on prend deux Orangina, daccord?
Daccord.

27 a)
rijst ontbijt koud thee
fruit tussendoortje gezond koffie
vlees lunch zoet bier
groente diner bitter frisdrank
vlees zuur vruchtensap
pasta ongezond
vet
b)
1 het ontbijt le petit-djeuner of le petit-dj.
de lunch le djeuner
het avondeten le dner
2 een tussendoortje

24
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

c)
1 B
2 A+C
3 B
4 A+C
d)

28 1 voorgerecht
2 toetje
3 maaltijden
4 een stuk
5 gerechten, gangen
6 vis
7 vlees
8 (men) drinkt
9 warm(e)
10 pasta

29 Salut Xavier,
1 Je m'appelle (je naam).
2 Je suis hollandais.
3 J'ai (je leeftijd) ans.
4 Voil mes repas du jour:
petit-djeuner: bijv. pain avec beurre et confiture (fromage/ jambon) et un th/un jus de fruits/un caf
djeuner: bijv. pain et lait
dner: bijv. jambon, haricots verts, yaourt
5 Mon plat favori:
6 Salut!
7 Je naam.

30 1 1 + zin b
2 2 + zin e
3 3 + zin a
4 4 + zin f
5 5 + zin c
6 6 + zin d

dvd
31 a)
1 in de supermarkt (Intermarch)
2 la confiture, la baguette, le croissant, le jus dorange, le coca, le fruit, le fromage, le pain
3 -
b)
x koffie- en theeafdeling
x kaasafdeling
kledingafdeling
x broodafdeling
doe-het-zelfafdeling
x groente- en fruitafdeling
x visafdeling
c)
1 x 1,-
x 3,50
5,-
15,-
x 20,-
2 thee, koffie, kaas, brood, wijn
3 ... omdat hij een cd of een dvd wil kopen.
4 x op Julie
op de vissen

25
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Mini+
33 1 een recept
2 taart
3 een taartvorm (speciaal voor de charlotte)
4 een blik abrikozen
5 Bij stap 5 moet je de helft van het mengsel in de vorm gieten en de abrikozen erbovenop leggen.
6 Bij stap 8 moet je de charlotte uit de vorm halen.
7 De taart (charlotte) is klaar.

34 stap
A 3
B 7
C 1
D 5
E 8
F 2
G 4
H 6

Maxi+
35 a)

moules-frites quiche lorraine bouillabaisse tarte Tatin crpes


1 pannenkoeken x
2 hartige taart x
3 gebak x
4 schaaldieren x
5 soep x

b) vrai faux
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x

36 1 les crpes
2 la tarte Tatin
3 la bouillabaisse
4 moules-frites
5 la quiche lorraine

26
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 5

1 1 wintersport.
2 sneeuw, een skilift, skirs, appartementen, bergen
3 Val Thorens
4 skin
5 een skibril, een ski-jack, skihandschoenen en skistokken
6 15 euro
7 een hotel
8 Het hotel staat langs de skipiste.

2 a)
Gesprek 1 = foto 3
Gesprek 2 = foto 1
Gesprek 3 = foto 4
Gesprek 4 = foto 2
b)
1 A
2 A
3 B
4 B

3 1 x voetbal
zwemmen
snowboarden
x basketball
tennis
2 x de prijs van een skipas.
de prijs van een hotel.
x waar de skilift is.
hoe lang de skilift is.
x over de ski's van Yannick.
over allerlei spullen die ze voor het skin hebben gekocht.
3 x De skibril van Didier heeft 100 euro gekost.
x Didier is zijn skibril kwijt.
x Er loopt een skileraar langs de vrienden.
De skileraar geeft de bril aan Didier terug.

4 1 Ja, want hij zegt goed te zijn in skin, in voetbal en in basketbal.


2 Nee, want ze zeggen dat hij niet goed kan skin.
3 Om de skilift te nemen.
4 Na het hotel naar rechts.
5 Dat ze ze best mooi vindt.
6 Hij is hem kwijt en denkt dat de skileraar hem heeft gestolen.
7 de bril
8 Omdat hij denkt dat de skileraar zijn bril draagt.

5 a a+5
b b+2
c c+7
d d+8
e e+9
f f + 12
g g + 11
h h + 14
i i + 13
j j+1
k k + 10
l l+4
m m+3
n n+6

27
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

7 Horizontaal
4 bonnet
6 zut
9 super
10 tlcabine
12 week-end
Verticaal
1 fini
2 moniteur
3 beau
4 basket
5 lunettes
7 trop
8 htel
9 ski
11 cher

8 a)
ik ben je suis
jij bent tu es
hij is il est
zij is elle est
b)
1 Zijn jullie goed in skin?
2 Nee, wij zijn slecht in skin.
3 Vous betekent hier jullie.
4 Nous betekent wij.

5 Bent u goed in skin?


6 Ja ik ben heel goed in skin.
7 Vous betekent hier u.

8 Als je over jongens of mannen praat, vertaal je zij met ils.


9 Als je over meisjes of vrouwen praat, vertaal je zij met elles.
10 Als je over jongens en meisjes praat, vertaal je zij met ils.

je suis ik ben
tu es jij bent
il est hij is
elle est zij is
nous sommes wij zijn
vous tes jullie zijn of u bent
ils sont zij zijn
elles sont zij zijn

9 a)
1 Oui, ils sont sur les pistes.
2 Non, ils sont lhtel.
3 Elles sont dans la tlcabine.
b)
1 il est
2 ils sont
3 elles sont
4 elle est
5 je suis
6 nous sommes
7 Vous tes
8 tu es

28
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

10 a)
1 Tu aimes le ski Didier?
2 Jaime le ski!
3 Je suis fort en ski.
4 Je dteste le tennis.
5 Tu es nul en foot.
6 Cest cher.
7 Cest pas cher.
b)
1 Tu aimes le tennis?
2 Jaime le tennis.
3 Tu es fort en foot?
4 Je suis nul en basket.
5 Huit euros, cest pas cher.

11 a)
1 Voil Yvette! Elle est forte en tennis?
Oui, elle est forte en tennis.

2 Voil Romain et Sad! Ils sont forts en foot?


Oui, ils sont trs forts en foot.

3 Voil Anne-Claire et Zo! Elles sont fortes en basket?


Non, elles sont nulles en basket.

4 Voil Rachel et Marc! Ils sont forts en ski?


Oui, ils sont forts en ski.
b)
1 Tu es fort en tennis, Jean? Non, je suis nul en tennis.

2 Vous tes forts en basket, Nomie Non, nous sommes nuls en basket.
et Robert?

3 Vous tes forts en snowboard, Omar Oui, nous sommes trs forts en snowboard?
et Richard?

12 1)
vijf = cinq
vijftien = quinze
vijftig = cinquante
2)
a 2 12 20 = deux douze vingt
b 3 13 30 = trois treize trente
c 4 14 40 = quatre quatorze quarante
d 6 16 60 = six seize soixante
e 7 17 70 = sept dix-sept soixante-dix
f 9 19 90 = neuf dix-neuf quatre-vingt-dix
g 1 10 100 = un dix cent
3)
a 60 + 10 = 70
b 4 x 20 = 80
c 4 x 20 + 10 = 90

14 a)
1 Decathlon
2 Nee, onder aan de folder staat in het groene kader kleding voor na het skin.
3 De ski's (100 euro) en de skischoenen (80 euro)
4 In de maten van extra small tot en met extra extra large.
5 In de maten van 36 tot 46.
6 kledingmaat = taille; schoenmaat = pointure
7 dames- en herenmaten
8 prijsdoorbraak/stuntprijzen

29
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 noir = zwart
2 bleu = blauw
3 vert = groen
4 rouge = rood
5 blanc = wit
6 jaune = geel
c)
1 Nee, ze zijn voor na het skin.
2 a bladzijde 50 sportschoenen
b bladzijde 80 jurk, rok en T-shirt
c bladzijde 90 spijkerbroek en overhemd

15 1 in maat S
2 dames
3 blauw(e)
4 groen(e)
5 de (schoen)maat
6 geel
7 bestaat
8 wit(te)
9 zwart(e)
10 meerdere
11 heren

16
sj zj
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x

17 a)
jupe
x jean
bonnet
robe
x pull
x chemise
x blouson de ski
T-shirt
x pantalon de ski
chaussettes

b)
Gesprek 1: A
Gesprek 2: B
Gesprek 3: A
Gesprek 4: A

30
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

18
prijs duur niet duur
1 een rok 35 x
2 een spijkerbroek 100 x
3 een muts 13 x
4 een jack en een broek 90 x
5 minirok 200 x
6 handschoenen 14 x
7 een overhemd 80 x
8 skischoenen 60 x
9 sokken 8 x
10 een T-shirt 30 x

19 a a + 10
b b+8
c c+9
d d + 11
e e+3
f f+6
g g + 12
h h+1
i i+5
j j+7
k k+4
l l+2

21 1 le basket, la chaussette, la chaussure


2 les lunettes, le bonnet
3 le gant
4 le blouson, la chemise, la robe, le pull
5 pantalon, la jupe, le jean

22 1 Je dteste le ski mais je suis fort en foot.


2 Je dteste le jean de Marc.
3 Jaime (bien) les lunettes de Lisa.
4 Ils sont combien/c'est combien, les baskets?
5 Cest pas cher.
6 L'htel, c'est quatre-vingts euros pour le week-end.

23 1 Regarde le pantalon de ski. Il est combien? Il est quatre-vingts euros.


Quatre-vingts euros? Cest cher.

2 Regarde les skis. Ils sont combien? Ils sont soixante-dix euros.
Soixante-dix euros? Cest pas cher.

3 Regarde la chaussette. Elle est combien? Elle est trente euros.


Trente euros? Cest trs cher.

26 a)
1 Les Trois Valles.
2 Dat Val Thorens het hoogst gelegen skioord van Europa is.
3 Franse Alpen.
4 Sneeuw
5 Doordat Val Thorens zo hoog ligt.
6 2300 = zo hoog ligt Val Thorens
3230 = de hoogste skipistes van Val Thorens.
140 = skipistes en sneeuwkanonnen
23 = blauwe skipistes
8 = groene pistes
15 = skiliften

31
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 B
2 B
3 B
4 C
5 B
6 A

27 a)
1 le plan
2 Grand Rue
3 het VVV, het bureau voor Toerisme
4 zwemmen
b)
1
a (le) camping
b (la) poste
c (la) discothque
d (le) magasin de ski
e (le) supermarch
f (la) piscine
2 Rue du Soleil
4 Rue de la Boucle
5 Rue du Soleil

28 Cher / Chre ,
Je suis Val Thorens avec mon grand-pre.
Val Thorens est le plus haut domaine de ski/ la plus haute station de ski d'Europe.
Je suis fort(e) en ski et mon grand-pre aussi.
Nous sommes dans un htel. C'est 90 euros pour un weekend./C'est 90 euros le weekend.
La tlcabine est derrire l'htel.
Il y a aussi une piscine et une discothque ( Val Thorens).
C'est cool/super.
Au revoir!

Je naam.

29 a)
1+e
2+f
3+b
4+d
5+a
6+c
b)
1 Amlie, tu es forte en franais? Non, je suis nulle en franais
2 Antoine, tu es fort en anglais? Non, je suis nul en anglais.
3 Matthieu et Louise, vous tes forts en histoire? Oui, nous sommes forts en histoire.

dvd
30 a)
1 Ze staan in een winkel met skiartikelen.
2 Ze bereiden de wintersportvakantie voor.
3 blouson de ski, pantalon de ski, chaussettes, chaussures de ski, gants, bonnet, lunettes de soleil, pull, skis,
jean

b)
1 x afdeling zonnebrillen
x afdeling kleding
afdeling schoenen
x afdeling skis
x afdeling snowboards
2
3

32
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

c)
1 a kleren passen =2
b zonnebrillen passen =1
c skistokken proberen =3
d naar snowboards kijken =6
e deur uit rennen =7
f zonnebrandcrme opsmeren =4
g skis aanraken =5

2 a+2
b+4
c+1
d+3

3 Elle est gniale!


Elles sont cool!

Mini+

32 a) un caf een koffie


un grand caf een grote koffie
un th een thee
un th au lait een thee met melk
une eau minrale een mineraalwater
un coca een cola
une Orangina een Orangina
un sandwich au jambon een broodje ham
un sandwich au fromage een broodje kaas
un croque-monsieur een tosti
une part de pizza een stuk pizza
une quiche Lorraine een quiche

33
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 6

1 1 mijn dag
2 Foto 1 7 uur 's ochtends douchen
Foto 2 4 uur 's middags naar huis gaan
Foto 3 5 uur s middags voetballen met vrienden op straat
Foto 4 9 uur s avonds thuis een film kijken

2 a)
Gesprek 1 = foto 4
Gesprek 2 = foto 3
Gesprek 3 = foto 1
Gesprek 4 = foto 2
b)
x De jongen houdt van politiefilms en sciencefiction.
x Na school is de jongen meestal met zijn vrienden.
x Het is zeven uur en de moeder van Sandrine roept haar voor het ontbijt.
Het meisje met de blauwe rugzak is Delphine.

3 a)
1 het zwembad
2 met de bus
b)
Lisa is de hele dag vrij.
Momo stelt voor om ook Julie uit te nodigen.
x Lisa vraagt hoe laat het is.
De bus is op tijd.
x Didier is iets vergeten.

4 1 A
2 B
3 A
4 C
5 B
6 C
7 B
8 A
9 C
10 C

5 a a+8
b b + 10
c c + 13
d d+7
e e+3
f f + 14
g g + 11
h h + 12
i i+1
j j+4
k k + 15
l l+6
m m+2
n n+9
o o+5

34
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

7 1 aujourd'hui
2 au soleil
3 Quelle heure est-il?
4 arrive
5 tard
6 chercher
7 travailler
8 midi et demi
9 Je suis dsol.
10 Pas croyable!

8 a)
1 omdat het meervoud is. Twee uren.
2 Il est six heures.
3 Il est onze heures.
4 Il est neuf heures.
5 Il est une heure.
b)
1 Il est deux heures et demie.
2 Il est neuf heures et demie.
3 Il est onze heures et demie.
c)
1 midi
2 minuit
3 Half n is midi et demi als het overdag is en minuit et demi als het nacht is.
4 Quelle heure est-il?
5 Il est
6 heure
7 Il est cinq heures.
8 Il est cinq heures et demie.

9 a) Quelle heure est-il?


1 Il est une heure.
2 Il est trois heures.
3 Il est huit heures et demie.
4 Il est dix heures.
5 Il est midi.
6 Il est six heures et demie.
7 Il est trois heures et demie.
8 Il est minuit et demi.
9 Il est onze heures et demie.
10 Il est huit heures.
11 Il est midi et demi.
12 Il est deux heures.

10 a)
1 in, naar, om
2 a Ik ga naar de bibliotheek.
b Ik ga naar het hotel.
c Ik ga naar de winkel.
d Ik ga naar de winkels.
3 + le wordt altijd au
+ les wordt aux
+ la blijft la
+ l blijft l'
b)
1 a Het raam van de (slaap)kamer.
b De kamers van het hotel.
c De directeur van het circus.
d De kooi van de leeuwen.
2 de + le wordt altijd du
de + les wordt des
de + la blijft de la
de + l blijft de l'

35
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

11 a)
1 l'htel
2 la cuisine
3 la mer
4 au centre-ville
5 la piscine
6 au cirque
7 la bibliothque
8 aux boutiques
b)
1 du livre
2 de la piscine
3 des filles
4 de l'oncle
5 du frre
6 de la maison
7 de l'htel
8 du cirque

12 a)
1 Qu'est-ce que tu fais aujourd'hui?
2 Ce matin, je travaille la bibliothque de la ville.
3 Je voudrais aller la piscine cet aprs-midi.
4 Quelle heure est-il maintenant?
5 Il est neuf heures et demie.
6 A tout l'heure.
7 Il est dj une heure!
b)
1 Je travaille l'ordinateur cet aprs-midi./Cet aprs-midi, je travaille l'ordinateur.
2 Je voudrais aller la terrasse.
3 Qu'est-ce que tu fais ce matin?
4 Il est dj midi et demi!

13 1 Aujourdhui, je voudrais aller la mer. Et toi? Moi aussi.


A quelle heure? A deux heures et demie.
A deux heures et demie. Daccord. A tout lheure!

2 Cet aprs-midi, je voudrais aller au centre. Et toi? Moi aussi.


A quelle heure? A cinq heures.
A cinq heures. Daccord. A tout lheure!

3 Ce matin, je voudrais aller la boutique. Et toi? Moi aussi.


A quelle heure? A dix heures.
A dix heures. Daccord. A tout lheure!

4 Cet aprs-midi, je voudrais aller la boulangerie. Et toi? Moi aussi.


A quelle heure? A midi.
A midi. Daccord. A tout lheure!

5 Aujourdhui, je voudrais aller au cirque. Et toi? Moi aussi.


A quelle heure? A huit heures et demie.
A huit heures et demie. Daccord. A tout lheure!

6 Ce matin, je voudrais aller la bibliothque. Et toi? Moi aussi.


A quelle heure? A onze heures et demie.
A onze heures et demie. Daccord. A tout lheure!

36
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

14 1 Werk jij?
2 Ja, vanmorgen werk ik in de bibliotheek.
3 travaill
4 aim
5 aimer = houden van, leuk vinden, lekker vinden

stam uitgang betekenis


j' aim e ik houd van
tu aim es jij houdt van
il/elle/on aim e hij/zij/men houdt van / we houden van
nous aim ons wij houden van
vous aim ez jullie houden van / u houdt van
ils/elles aim ent zij houden van

15 a)
1 travaillent
2 aime
3 invites
4 habitez
5 regardent
6 arrive
7 cherches
8 dtestons

16 a)
1 Van Lisa, voor Marion
2 in Franconville
3 a In de eerste vier zinnen schrijft ze over Grenoble.
b In het tweede gedeelte schrijft ze over haar dagindeling.
4 Er is een grote bioscoop, er is een zwembad, er zijn winkels en ze houdt van winkelen.
5 dichtbij het circus
6 te voet
7 Kusjes aan iedereen in Franconville!
b)
1 huit heures
2 cinq/dix-sept heures
3 joue au basket
4 six/dix-huit heures et demie
5 dne
6 regarde

17 1 winkelen
2 op dit moment
3 gelukkig
4 nieuwe
5 we gaan ernaartoe
6 te voet
7 bioscoop
8 nog altijd
9 iedereen
10 een ansichtkaart

18 a)
1 drie

19 1 drie uur
2 half n
3 half vijf
4 half twaalf
5 negen uur
6 twaalf uur 's nachts

37
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

20 a)
a = 6 vijf uur
b = 7 half acht
c = 2 negen uur
d = 1 half negen
e = 4 n uur
f = 8 negen uur
g = 3 twaalf uur 's middags
h = 5 vier uur

21 a a+4
b b + 15
c c+9
d d + 11
e e+7
f f+8
g g + 12
h h + 14
i i + 13
j j+1
k k+5
l l+3
m m+2
n n + 10
o o+6

23 1 commencent (niet: terminent)


2 rentrons (niet: regardons)
3 adorent (niet: dnent)
4 jouons (niet: coutons)
5 prs (niet: bisous)

24 1 Qu'est-ce que tu fais neuf heures et demie?


2 A quatre heures, je travaille au collge.
3 Ma copine arrive trois heures cet aprs-midi.
4 Quelle heure est-il New York?
5 Je suis libre midi et demi.

25 1 Quest-ce que tu fais ce matin? Ce matin, je vais au collge. Et vous?


Nous jouons au basket. Et cet aprs-midi?
Cet aprs-midi, on veut aller la mer.

2 Quest-ce que tu fais cet aprs-midi? Cet aprs-midi, je vais la terrasse. Et vous?
Nous travaillons au collge Et ce soir?
Ce soir, on veut aller au cirque.

3 Quest-ce que tu fais ce soir? Ce soir, je dne avec mon oncle. Et vous?
Nous regardons un film la tl. Et cet aprs-midi?
Cet aprs-midi, on veut aller au centre-ville.

38
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

27 b)
Percentage in de tekst
1 79 %
2 61 %
3 25 %
4 75 %
5 32 %
c)
1 faux
2 vrai
3 faux
4 vrai

28 1 Cher/Chre ...
2 a va?
3 J'habite (woonplaats). Mon collge est prs.
4 Les cours commencent heures et ils terminent heures.
5 Le soir, je dne heures.
6 Le soir, je regarde la tlvision ou j'coute de la musique.
7 Qu'est-ce que tu fais le soir?
8 Bisous/Au revoir

29 1 1+e
2 2+f
3 3+a
4 4+b
5 5+d
6 6+c

dvd
30 a)
1 A
2
3

b)
1 x naar huis gaan
iets drinken
x tv-kijken
aan tafel eten
x douchen
x huiswerk maken
in bed stappen
2 Julien is een sportieve jongen.
x Julien is een luie jongen.
c)
1 x 17h00 17h15
18h15 x 18h00
x 19h00 19h30
20h15 x 20h00
x 6h30 6h00

2
a Julien gaat met de schoolbus naar school.
b Na school gaat Julien voor de tv snoepen.
c De vrouw aan de tafel is de moeder van Julien.

39
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Mini+

33 a)
1 een interview
2 Hoe de dag van Audrey Gagnon, de finaliste van Star Acadmie, eruit ziet.
3 Een programma waarin je wordt opgeleid tot superster en leert dansen en zingen.
4 finaliste
5 1 meter 50
6 jetskin
7 Ja, ze heeft een halfzus van 14, Vanessa.
b)
a = vraag 9
b = vraag 8
c = vraag 5
d = vraag 6
e = vraag 1
f = vraag 4
g = vraag 3
h = vraag 7
i = vraag 2
c)
1 Ik sta om kwart voor 7 op. Dan doe ik aan gym en neem ik een douche.
2 Om 8 uur drink ik een vruchtensap en een warme chocolademelk en eet ik geroosterd brood.
3 Ik zing in de studio.
4 Ik eet in een restaurant met de producent.
5 s Middags winkel ik. Ik koop dan kleren voor mijn concerten.
6 s Avonds eet ik om half 8.
7 Ik kijk geen televisie. Daar heb ik geen tijd voor. Ik geef bijna iedere avond een concert.
8 Ik ga naar bed tussen middernacht en 2 uur.
9 Ja, het leven van een ster is zwaar!

Maxi+

33 a)
1 Hoe de droomdag van deze jongeren eruit ziet.
2
b)
vrai faux
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
c)
1 Het was een droom.
2 toets rekenen, toets Engels, sperziebonen

40
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 7

1 a)
1 Mijn schooldag.
2 Zijn broer zit in de derde klas van het lyceum.
3 met de schoolbus
4 Ze heeft een hekel aan Engels. Ze vindt het moeilijk.
5 Nee, want ze heeft veel huiswerk voor maandag.
b)
1 foto 2
2 foto 1
3 foto 4
4 foto 3

2 a)
Gesprek 1 = foto 3
Gesprek 2 = foto 2
Gesprek 3 = foto 1
Gesprek 4 = foto 4
b)
1 B
2 B
3 B
4 B

3 1 vreselijk
2 heeft een hekel aan
3 geen wiskunde
4 Julie
5 auto
6 niet af
7 wel

4 a)
1 Nee, want Yannick vraagt in welke klas Julie zit.
2 wiskunde
3 Julie heeft een hekel aan Engels, maar ze is dol op geschiedenis.
4 tekenen
5 niks aan
6 feest
7 hoe Julie naar het feest gaat.
8 want er zijn nog twee plaatsen over.
9 moet huiswerk maken.
10 Ja, want twee of drie weken achterstand, dat maakt niets meer uit.
b)
1 je dteste
2 tu aimes
3 j'adore
4 je prfre
5 lundi
6 vendredi

41
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

5 a)
a a+4
b b + 13
c c+2
d d+8
e e+5
f f+6
g g+9
h h + 14
i i+1
j j + 10
k k + 12
l l + 15
m m + 11
n n+7
o o+3
b)
a a+5
b b+6
c c+4
d d+7
e e+3
f f+1
g g+2

7 1 horrible
2 l'anglais
3 matire prfre
4 malade
5 tu vas
6 la voiture
7 les devoirs
8 l'emploi du temps
9 la semaine

8 a)
1 Ik houd van tekenen.
2 Ik heb een hekel aan aardrijkskunde.
3 Ik ben dol op geschiedenis.
4 Ik heb liever wiskunde.
b)
le, la, l of les
c)
1 j'adore
2 tu aimes
3 Julie dteste
4 on aime
5 nous prfrons
6 vous aimez
7 les copines adorent

9 a)
1 Lisa aime les maths.
2 Tu aimes l'anglais?
3 Je dteste l'histoire.
4 Nous prfrons le dessin.
5 Vous aimez le fromage?
6 Nous adorons le pain.
7 Marcel et Yann dtestent le caf.
8 Ils/elles aiment le th.
9 Vous prfrez le lait?
10 Mylne dteste la confiture.

42
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

10 a)
1 Tu es en quelle classe, Julie?
2 Je suis en quatrime D.
3 Nous avons deux heures d'anglais.
4 Je dteste vraiment l'anglais.
5 J'adore l'histoire.
6 Je prfre le dessin, c'est ma matire prfre.
7 J'ai sept heures de devoirs.
b)
1 Je suis en cinquime.
2 Je dteste l'histoire.
3 Nous avons trois heures de maths.
4 Le franais, c'est ma matire prfre.
5 J'ai trop de devoirs.

11
1 Pour mercredi tu as des devoirs dhistoire? Oui, jai une heure dhistoire.
Tu aimes lhistoire? Je dteste lhistoire, mais jadore le dessin.

2 Pour vendredi tu as des devoirs danglais? Oui, jai deux heures danglais.
Tu aimes langlais? Je dteste langlais, mais jaime les maths.

3 Pour jeudi tu as des devoirs de franais? Oui, jai deux heures de franais.
Tu aimes le franais? Jadore le franais, mais je prfre les maths.

12 1 We hebben twee uur Engels.


2 Ik heb zeven uur huiswerk.
3 Ik heb vandaag wiskunde.
4 Heb jij twee uur Engels?
5 Hij heeft twee broers.
6 Wij hebben een grote familie.
7 Heeft u mijn agenda, meneer?
8 Zij hebben veel vrienden.

13 a)
1 avons
2 as
3 ai
4 ont
5 avez
6 ai
7 a
8 as
9 ai
10 a

14 a)
1 wel
2 lopend
3 met de fiets
4 elke dag
5 woensdagmiddag
6 op school
7 op school
8 lopend

43
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 pauze
2 steunles
3 LV (langue(s) vivante(s))
4 Engels of Duits
5 vier keer
6 Algemene Natuurwetenschappen
7 geschiedenis en aardrijkskunde
8 studiebegeleiding
9 op dinsdag en donderdag

15 1 soms
2 behalve
3 handvaardigheid
4 de meeste
5 wanneer/als
6 neemt
7 muziekles

16 a)
1 il adore
2 elles aiment
3 elle habite
4 ils arrivent
5 ils ont
6 ils invitent
7 il aime
8 elles adorent
9 elle invite
10 ils sont
11 elles habitent
12 elle arrive

17 a)
klas vak uur dag
1 5B Frans 2 maandag
2 5A Duits 4 woensdag
3 5A gymnastiek 5 donderdag
4 4C geschiedenis 3 dinsdag
5 3D informatiekunde 2 vrijdag
6 6A Engels 5 dinsdag
7 6A Frans 5 maandag
b)
1 faux
2 vrai
3 faux
4 faux
5 vrai
6 vrai
7 faux

18 Interview 1
1 B
2 B
3 A
4 B
Interview 2
1 B
2 B
3 A
4 B

44
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Interview 3
1 A
2 B
3 B
4 B

19 a a+2
b b+9
c c + 13
d d + 14
e e+5
f f+1
g g+7
h h+3
i i + 12
j j+6
k k+4
l l+8
m m + 10
n n + 11

21 Horizontaal
1 lve
4 allemand
6 jour
8 gographie
9 franais
Verticaal
1 cole
2 vlo
3 techno
5 cantine
7 repas

22 1 Vendredi dix heures nous avons techno.


2 Je dteste vraiment l'cole/le collge.
3 Tu es en quelle cole/ quel collge?
4 Je vais l'cole vlo.
5 Le dimanche c'est mon jour prfr.

23
1 Vous avez des devoirs mercredi? Oui, nous avons des devoirs dallemand.
Vous aimez lallemand? Nous dtestons lallemand.

2 Ton frre a des devoirs jeudi? Oui, il a des devoirs de maths.


Il aime les maths? Oui a va, mais il dteste la techno.

3 Mylne et Ocane ont des devoirs mardi? Oui, elles ont des devoirs de franais.
Elles aiment le franais? Oui, a va mais elles dtestent langlais.

26 a)
1 Herken jij je leraar?
2 Madame Debain = Aardig en hulpvaardig.
Monsieur Patricelli = Erg streng, maar je leert veel.
Monsieur Lecomte = Verstrooid, maar kan goed over geschiedenis vertellen.
3 Madame Debain = gentille
Monsieur Patricelli = svre
Monsieur Lecomte = dsordre
b)
1 B
2 B
3 B

45
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

c)
1 B
2 B
3 B
d)
1 geschiedenis
2 lang en het zit rommelig
3 oude spijkerbroek en oud overhemd
4 twee verschillende schoenen

27 1 Bonjour,
2 Je mappelle Esther.
3 Jai 13 ans.
4 Jhabite Utrecht.
5 Mon collge est aussi Utrecht.
6 Le lundi, jai franais et le mercredi, jai E.P.S.
7 Le jeudi nous avons beaucoup de devoirs.
8 Jaime vraiment lcole (et les profs sont gentils).
9 Mes matires prfres sont le franais et la techno. Jaime aussi langlais.
10 Mon prof prfr, cest monsieur/ madame .
11 Bisous, Esther

28 1 meisje: Qu'est-ce que tu fais cet aprs-midi?


jongen: Je suis libre. Pourquoi?
2 leraar: On va faire l'exercice 28
leerling: Je suis en retard?
3 meisje: Vous avez les rponses?
jongen: Vous avez les notes?
4 leraar: Les devoirs pour mardi.
leerling: A mardi!

dvd
29 a)
1 C
2

b)
1 C
2 B
3
4 B
5

c)
1 les devoirs (huiswerk), la prof dhistoire (de geschiedenislerares)
2 Bel me snel! Het is belangrijk. Morgan
3
4

46
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Mini+

31 a) Vind jij school leuk? Waarom?


Wat is jouw ideale school?
b)
1 eet
2 veel computers zijn
3 muziek
4 heeft een hekel aan tekenen
5 wiskunde
6 talen
7 muziek luisteren
8 een grote sporthal en een zwembad
9 aardig
10 humor
11 in de klas eten

12 zij er veel vrienden heeft


13 Frans
14 handenarbeid
15 aardrijkskunde
16 aan het strand
17 watersporten kunt doen
18 10 uur
19 12 uur
20 jong
21 sympathiek
22 sportief
23 knap
24 blauwe ogen

Maxi+

32 a)
1 Waaraan heb je een hekel?
3 In welke klas zit je?
5 Hoe ga je naar school?
8 Hoe vind je wiskunde?
9 Welke leraar vind je het leukst?
11 Wat is je lievelingsvak?
12 Hoe is jouw ideale leraar?
14 Wat heb je vandaag?
b)
1 faux
2 vrai
3 vrai
4 faux
5 faux
6 vrai
7 faux
8 vrai
9 vrai
10 vrai

47
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 8

1 1 uitgaan
2 Waar en hoe laat ze afspreken.
3 Hou jij meer van romantische films of van horrorfilms?
4 Ga jij met mij mee naar het schoolfeest?
5 Nee, want de kaartjes kosten 40 euro en dat is erg duur.

2 a)
Gesprek 1 = foto 1
Gesprek 2 = foto 2
Gesprek 3 = foto 4
Gesprek 4 = foto 3
b)
1 x
2
3
4 x

3 1 B
2 A
3 B
4 B
5 B
6 B
7 B

4 1 Om twee kaartjes te reserveren voor de voorstelling van 8 uur.


2 een horrorfilm
3 Er zijn nog 100 plaatsen over. De film is blijkbaar niet in trek.
4 Of zij die avond wat gaat doen .
5 Ja (tot ze hoort waar de film over gaat).
6 Om 7.30 uur voor de bioscoop.
7 Ze wil niet meer mee. Ze houdt niet van horrorfilms.
8 Om haar uit te nodigen voor de film.
9 Momo heeft een romantische film uitgekozen, daar houdt ze wel van.

5 a a+2
b b+1
c c+5
d d + 14
e e+6
f f + 10
g g+3
h h + 13
i i+4
j j + 12
k k+7
l l + 15
m m+8
n n + 11
o o+9

7 a) de bioscoop = le cinma
1 tu veux
2 le film dhorreur
3 rserver
4 je voudrais
5 la sance
b) de afspraak = le rendez-vous
1 romantique
2 excuse-moi
3 le billet
4 je peux
5 A quelle heure?

48
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

8 1 niet
2 werkwoorden
3 Ne (of n) staat voor het werkwoord en pas staat achter het werkwoord.
4 Wanneer het werkwoord met een klinker of stomme h begint.
5 Het is mooi.
Het is niet mooi.

9 a)
1 Non, il ne va pas au cinma.
2 Non, elle ne travaille pas chez elle.
3 Non, il naime pas la salade.
4 Non, il nhabite pas Marseille.
5 Non, ce nest pas beau.
6 Non, ils nhabitent pas au cirque.
7 Non, ils ne vont pas au collge.
8 Non, elle ne regarde pas un film.

10 a)
1 Je voudrais rserver deux billets.
2 Tu viens au cinma avec moi?
3 Cest quelle heure?
4 On prend rendez-vous sept heures et demie?
5 Je naime pas a.
6 Tu veux aller au cinma avec moi?
7 Excuse-moi, mais je ne peux pas venir.
b)
1 Tu viens la bibliothque avec moi?
2 On prend rendez-vous midi dans la cantine?
3 Excuse-moi, mais je ne peux pas travailler.
4 Tu veux aller au cirque avec moi?
5 Je naime pas lcole.

11
1 Tu viens au cirque avec moi? Oui, super. On prend rendez-vous devant le cirque?
Oui, midi et demi? Non, excuse-moi, midi et demi je vais au collge.

2 Tu viens au centre-ville avec moi? Oui, daccord. On prend rendez-vous au centre-ville?


Oui, trois heures? Non, excuse-moi, trois heures je vais la bibliothque.

3 Tu viens la terrasse avec moi? Oui, cest bien. On prend rendez-vous la terrasse?
Oui, six heures? Non, je veux bien mais onze heures je vais la maison.

12 b)
1 Lisa va
2 Monsieur et madame Reynaud vont
3 Nous allons
4 Je vais
5 Tu vas
6 Vous allez

13 b)
1 Nous allons regarder un film.
2 Didier et Momo vont arriver huit heures.
3 Monsieur Fourel va couter de la musique.
4 Jullie va travailler la bibliothque.
5 Lisa va prendre un coca.

14 a)
1 Zij gaat een horrorfilm zien.
Wij gaan een boek in de bibliotheek halen.
2 In het Frans staan alle werkwoorden (het hele gezegde) altijd bij elkaar.

49
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 Yannick va chercher un livre la bibliothque.
Yannick gaat een boek in de bibliotheek halen.
2 On veut regarder un film la tl.
We willen een film op TV kijken.
3 Nous allons habiter Paris.
Wij gaan in Parijs wonen.
4 Je ne peux pas venir au concert avec toi.
Ik kan niet met jou mee naar het concert.
c)
1 Nous allons travailler lcole.
2 Lisa va rserver un billet ce soir.
3 La sance va commencer.
4 Maxime et Magali vont habiter Lille.
5 Ils vont dner huit heures.

15 1 naar een musical


2 Amlie, zijn lievelingszangeres zit ook in die musical.
3 een voorstelling voor kinderen
4 21 mei
5 iets drinken
6 Ze gaan kaartjes bij de Fnac reserveren.

16 1 een zangeres
2 iets drinken
3 een musical
4 kijk eens aan
5 Ik heb zin in

17
a)
v f
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x

18 a)
Ils sont alls un concert Marseille.
Cest Michel qui a invit Simone.
x Elle est arrogante.
x Je naime pas les blondes
x Tu nes pas amoureuse de Michel?
Il est trop nul lcole.
Je tinvite a une comdie musicale.
b)
1 B
2 B
3 B
4 A
5 A
6 B
7 A

50
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

19 1 A
2 B
3 A
4 B
5 B
6 A
7 A
8 B
9 B

20 a a+3
b b + 10
c c+5
d d+2
e e+8
f f+7
g g+6
h h+9
i i+4
j j+1

22 1 un instant
2 sortir
3 quand
4 le spectacle
5 mai
6 coter
7 boire
8 un verre
9 tout le monde
10 les enfants

23 1 Je vais rserver des billets pour une comdie musicale.


2 Cest quand?
3 Tu viens au spectacle avec moi?
4 Tu viens boire un verre avec moi?

24 a)
1 Quest-ce que tu vas faire cet aprs-midi? Je vais rserver deux billets pour un concert.
2 Quest-ce que tu vas faire quatre heures? Je vais jouer la maison.
3 Quest-ce que tu vas faire huit heures? Je vais regarder un film au cinma.
4 Quest-ce que tu vas faire ce matin Je vais inviter une copine pour la fte.
b)
1 Cinma Path, bonjour! Bonjour, je voudrais rserver 5 billets pour la sance de cet
aprs-midi.
Pas de problme.
Cest pour la sance de 2 heures? Non, cest pour la sance de 4 heures.
Daccord, au revoir Merci beaucoup et au revoir.
2 La Fnac, bonjour! Bonjour, je voudrais rserver 2 billets pour le concert de
samedi.
Pas de problme.
Cest pour le concert de 8 heures? Oui, cest pour le concert de 8 heures
Daccord, au revoir. Merci beaucoup et au revoir.
3 Cirque Rigolo, bonjour! Bonjour, je voudrais rserver 3 billets pour le spectacle de
dimanche.
Pas de problme.
Cest pour le spectacle de 7 heures? Non, cest pour le spectacle de 10 heures
Daccord, au revoir. Merci beaucoup et au revoir.
4 Maison du Tourisme, bonjour! Bonjour, je voudrais rserver 6 billets pour le spectacle de
Pas de problme. ce soir.
Cest pour le spectacle de 8 heures? Oui, cest pour le spectacle de 8 heures.
Daccord, au revoir. Merci beaucoup et au revoir.

51
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

27 a)
1 Of zij de slow met hem wil dansen.
2 Omdat zij naar rap luistert (via haar eigen koptelefoon).
3 Bij een silent disco danst iedereen met zijn eigen muziek.
b)
1 Een disco waar iedereen met zijn eigen koptelefoon naar zijn eigen muziek luistert en daarop danst.
2 Stilte
3 21 juni
4 Het feest van de muziek.
5 Yahoo! heeft het georganiseerd.
6 In Nederland.
7 Iedereen kan meedoen, het maakt geen herrie en je kunt een overal een silent disco houden.
8 tuin, stadion of op een boot
c)
1 bezig met
2 stel je voor
3 een plek
4 vanaf
5 het geheim
6 draait
7 meedoen
8 overal

28 1 Bonjour/Salut ,
2 Il y a un silent disco Montlimar (le 10 mai).
3 Jadore le silent disco.
4 Je peux rserver des billets par internet.
5 Tu veux aller au silent disco avec moi?
6 Tu viens avec tes copains?
7 Un billet cote 13 euros.
8 A bientt!/Salut!

29 a)
1 d
2 f
3 c
4 h
b)
1 b
2 a
3 e
4 g

dvd
30 a)
1
a funkmuziek
b een concert van een DJ
2 la musique funk, la musique pop, la musique classique, le jazz, le piano, la guitare
b)
1
x gaan swingend over straat
x staan swingend voor een etalage
staan swingend in een winkel
x zitten in een caf
x bellen voor een reservering
eten een pizza
x bespreken hoe Stphanie Jrmy gaat uitnodigen
2 B
3

52
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

c)
1 a vier kaartjes
b Lotrec
c zaterdag
d 60 euro
e 20.00 uur
2 A
3 B

Mini+
32 a)
Een programma van een festival.
b)
1 middernacht
2 3 uur s middags
3 1 uur s middags
4 10 uur s ochtends
5 11 uur s ochtends
c)
1 Danse Hip Hop, Beach-volley, Atelier de graffiti
2 voor iedereen
3 de wijn
4 het ontbijt
5 het VVV-kantoor
6 Voor informatie kun je bellen naar de bioscoop.
7 ja
8 Ja, in totaal 5 uur film.
9 Nee, het zijn recente films.
10 jongeren van 12-16 jaar
11
d)
1 Concours de ptanque
2 Marathon cinma en plein air
3 Danse Hip Hop
4 Atelier de graffiti
5 Marathon cinma en plein air

Maxi+
33 a)
1 Bij de bioscoop.
2

b) Amlie Kirikou Astrix Le ballon dor


1 x x
2 x
3 x
4 x
5 x x
6 x x
7 x x

c)
1 A
2 B
3 C
4 B
5 C
6 A
7 A
8 C
9 B

53
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

d)
1 lot
2 worden
3 origineel
4 tekenfilm / animatiefilm
5 bevrijden
6 wrede
7 je moet
8 weerstaan
9 keizer
10 Grenzen
11 hij ontmoet
12 werkelijkheid

54
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Projet

1 De ansichtkaart met uitnodiging


a)
1 Kom je naar Nmes in de zomervakantie?
2 Wat vind jij leuk om te doen?
3 Ga je liever naar de bioscoop, het zwembad of naar de disco?
4 Hoe laat komt jouw trein aan?
b)
1
x zijn woonplaats
zijn huisdieren
x zijn familie
x een hobby
zijn school

2A Een programma voor Michel

Activiteit of uitstapje Hoe zegt Michel dit in het Frans?


1 Thuis praten en muziek A la maison, nous allons parler et couter de la musique.
luisteren.

2 Een wandeling maken in On peut faire un tour Nmes.


Nmes.

3 Naar het zwembad gaan. Je voudrais bien aller la piscine.

4 Naar een hiphop concert Il y a un concert hiphop au centre-ville.


in het centrum.

2B Een rondleiding voor Michel

Interessante plek Wat schrijft Michel daarover in het Frans?


1 Les jardins de la Fontaine Cest un parc tout prs de notre maison.

2 La place dAssas Il y a toujours beaucoup de garons et de filles.


On y fait du skateboard.

3 Lamphithtre Cest un beau monument. Il y a toujours beaucoup de


touristes. Cest trs grand et trs vieux.

4 La piscine On peut aller la piscine en fin de laprs-midi.

55
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 9

1 a)
1 goede reis
b)
1 Pardon madame monsieur, o est le centre-ville?
2 Cest droite, puis gauche et puis tout droit.
3 bij foto 3 of 2
c)
1 Cest tout prs. On prend le mtro.
2 Voil la gare. Il y a un caf ct.
3 un bus, une voiture
4 Ik wil graag naar Parijs in mei.

2 a)
Gesprek 1 = foto 4
Gesprek 2 = foto 1
Gesprek 3 = foto 2
Gesprek 4 = foto 3
b)
1 A
2 A
3 B
4 A

3 1 B
2 A
3 B

4 1 wat ze kan doen voor de moeder van Momo.


2 een vakantie te boeken.
3 alleen Frans spreekt.
4 Frans
5 het vliegtuig
6 Normandi te gaan met de hogesnelheidstrein.
7 van 26 juli tot 1 augustus
8 vertrekken om kwart voor elf en aankomen om negen voor half vijf.
9 'Le Palace' (= het Paleis) en ligt dichtbij het station en het strand.
10 eerst de grote straat tegenover het station nemen, daarna de tweede straat rechts en vervolgens rechtdoor
lopen.
11 zijn telefoonnummer
12 Lisa

5 a a+6
b b+7
c c + 12
d d+8
e e + 11
f f+9
g g+1
h h + 13
i i+2
j j+5
k k+3
l l+4
m m + 14
n n + 10

56
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

7 1 seulement
2 un portable
3 voyager
4 l'tranger
5 DOM-TOM
6 l'avion
7 TGV
8 loin
9 mtres
10 vous prenez

8 a)
1
a trente-six euros
b cinquante et un euros
c quarante-deux euros
d vingt-neuf euros
2
a C'est quatre-vingt-sept euros.
b C'est quatre-vingts euros.
c C'est soixante et onze euros.
d C'est quatre-vingt-treize euros.
e C'est soixante-cinq euros.
f C'est soixante-dix-huit euros.

9 a)
1 mardi 8 mai
2 samedi 11 janvier
3 jeudi 21 juin
4 dimanche 30 mars
5 vendredi 3 aot
6 lundi 15 avril
7 mercredi 27 octobre
b)
1 vendredi 11 juin
2 le 14 octobre
3 jeudi 25 janvier
4 le 9 mars
5 samedi 9 mars
6 le premier avril
7 mercredi 5 dcembre
8 mardi 2 juillet
9 Haarlem, le 30 aot
10 (Woonplaats), le

10 a)
1 Je parle seulement franais.
2 On va en TGV.
3 Je voudrais partir le 26 juillet.
4 L'htel est prs de la gare.
5 C'est loin de la plage?
6 Vous prenez la grande rue en face de la gare.
7 Ensuite, vous allez tout droit.
b)
1 Je parle seulement anglais.
2 On va en bus.
3 Je voudrais partir lundi 25 aot.
4 La plage, cest loin de lhtel?
5 Vous prenez la premire rue droite et puis cest en face de lhtel.

57
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

11 1 Tu vas en vacances? Tu vas o? Je vais Karlsruhe.


Tu vas en autobus? Non, je vais en vlo.
Tu voudrais partir quand? Je voudrais partir le 29 octobre.
Tu parles allemand? Je parle franais et allemand.

2 Tu vas en vacances? Tu vas o? Je vais Liverpool.


Tu vas en train? Non, je vais en avion.
Tu voudrais partir quand? Je voudrais partir le 12 juillet.
Tu parles anglais? Je parle franais et anglais.

3 Tu vas en vacances? Tu vas o? Je vais Dsseldorf.


Tu vas en TGV? Non, je vais en voiture.
Tu voudrais partir quand? Je voudrais partir le premier juillet.
Tu parles allemand? Je parle franais et allemand.

12 a)
1 U neemt de derde straat links.
2 Wij wonen op de zesde verdieping.
3 In welke klas zit jij? Ik zit in de vierde.
4 Ik ben kampioen. Mijn broer is negende.
5 De bibliotheek? Dat is de vijfde straat rechts.
6 De badkamer is op de eerste verdieping.
7 De skikleding is op de achtste verdieping van de winkel.
8 De coureur komt op de zevende plaats aan.
9 Oktober is de tiende maand.
b)
un/une, premier/premire
quatre, quatrime, de e valt weg
cinq, cinquime, er komt een u bij
neuf, neuvime, de f wordt een v
c)
Voor mannelijke woorden gebruik je premier, voor vrouwelijke woorden premire.
1 premier
2 premire

13 a)
1 Vous prenez la quatrime rue gauche.
2 Le premier juillet.
3 Ma chambre est au deuxime tage.
4 Les chaussures sont au neuvime tage du magasin.
b)
1 cinquime
2 quatrime
3 troisime
4 seconde
5 premire
6 terminale
7 sixime

14 a)
1 la Gare du Nord f
2 la Tour Eiffel b
3 les Halles d
4 les Champs-Elyses e
5 le Champs de Mars i
6 Paris-Charles de Gaulle a
7 M h
8 Montmartre c
9 L'Arc de Triomphe g

58
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 Op het station, la Gare du Nord.
2 Marion
3 met de lift
4 met de metro
5 naar een plattegrond
6 lijn 4, richting Porte d'Orlans
7 Ze stappen over op station Strasbourg-Saint Denis
8 Daarna moeten ze lijn 8, richting Balard nemen.
9 Bir Hakeim
10 Het gaat wel. Met de metro gaat het snel.
11 aan het loket of uit de kaartjesautomaat
12 een tocht met een rondvaartboot maken

15 1 ontmoet
2 de Eiffeltoren
3 de trap
4 de lift
5 snel
6 kopen
7 kaartjesautomaat
8 een tocht

16
a)
oi ui ou au/eau
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x

17 a)
1 3e tage
2 10e tage
3 7e tage
4 5e tage
5 2e tage
6 8e tage
7 1e tage
8 6e tage
9 9e tage
10 4e tage
b)
1 1+c
2 2+h
3 3+e
4 4+a
5 5+f
6 6+d
7 7+j
8 8+d
9 9+g
10 10 + i

59
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

18 Je komt uit bij de Notre-Dame.

19 a a+6
b b+9
c c + 11
d d+7
e e + 10
f f+5
g g+2
h h+3
i i+8
j j+1
k k+4

21 1 guichet
2 en bateau-mouche
3 la station
4 visiter
5 descend
6 Dabord
7 On y va
8 direct

22 1 Je voudrais aller en vacances le premier juillet.


2 On prend le mtro?
3 Le cinma est prs de lhtel?
4 La plage est loin de la gare.
5 La boulangerie est en face de lcole.

23 1 Pardon, monsieur/madame, o est le caf, sil vous plat?


Il est ct du cinma.

2 Pardon, monsieur/madame, o est lhtel, sil vous plat?


Il est en face de la bibliothque.

3 Pardon, monsieur/madame, o est la gare, sil vous plat?


Elle est en face de la boulangerie.

4 Pardon, monsieur/madame, o est le cinma, sil vous plat?


Il est ct du caf.

5 Pardon, monsieur/madame, o est la piscine, sil vous plat?


Elle est derrire le cinma.

6 Pardon, monsieur/madame, o est la bibliothque, sil vous plat?


Elle est ct du magasin.

7 Pardon, monsieur/madame, o est la boulangerie, sil vous plat?


Elle est en face de la gare.

8 Pardon, monsieur/madame, o est le magasin, sil vous plat?


Il est la Place de lEtoile.

60
Het is afgelopen met de wandelingen langs het het is afgelopen, Parijs, het is
men
menzegt
kanaal, dedat
zegt Sevilla
dat oppas
de wakker
in Toulouse
trappen de bakstenen
ansichtkaarten
wordt Antwoorden Cahier dexercises
besloten, ik smeer
Franconvillehem
3edeeditie Leerjaar 1 (t)hv
rozeom twaalf
zijn, uur s nachts,
oh daarginds, Parijs, daar zijn de afgelopen met de grijze lucht,
daarginds, Parijs,
bakstenenParijs,
roze wordt de stad om sombere ochtenden
twaalf
26 uur s wedden,
nachts wakker
a) Parijs, dat ik
je verlaat, Parijs, wedden, Parijs, dat ik je verlaat,
En dat ik je dat ik verander van richting en van
in de steek hoofdstad
laat met je
vieze
stoepen
ik ken te goed je mond, je metro-ingang, de
rondvaartboten en de kleur van het water

het is afgelopen Parijs, ik ken


ze te goed,
Hier verveel ik me, zelfs als het in Toulouse regende het, in Sevilla heb ik
nacht wordt te veel gedronken, in Rio kreeg ik
heimwee

oh verloren weddenschap, ik
ga terug om te leven in Parijs

b)
x chanson
c)
1 Omdat volgens de zangeres Parijs grijze luchten heeft, sombere ochtenden en vieze stoepen.
2 Toulouse en Sevilla
3 In Toulouse zijn de bakstenen roze en in Sevilla is het zelfs s nachts gezellig.
4 In Toulouse regende het en in Sevilla heeft ze te veel gedronken en in Rio kreeg ze heimwee.

27 1 (Plaats), le (datum)
2 Salut Loc!/Bonjour Loc!
3 Je voudrais partir le 30 avril.
4 Je vais arriver la Gare du Nord trois/quinze heures.
5 Ta maison est loin de la gare?
6 On prend le mtro pour aller Franconville?
7 Dabord, je voudrais visiter Paris.
8 Puis, je voudrais
9 Au revoir Paris!

28 1 1+e
2 2+g
3 3+f
4 4+d
5 5+a
6 6+b
7 7+c

61
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

dvd
29 a)
1 B
2
b)
1
x racefiets
x auto
x mountainbike
omafiets
x trein
vliegtuig
x bus
2 B
3
c)
1 Julien gaat liever met de trein.
2 To gaat liever met de bus.
3 Voordelen van de trein: comfortabel en snel.
4 Voordelen van de bus: goedkoop en ontspannen reizen.
5 lEspagne = Spanje / la Suisse = Zwitserland
6 Ze vertrekken dinsdag 10 juli
Ze gaan terug zaterdag 14 juli
Ze willen tweede klas

Mini+
31 Htel Les les dHyres Belle-le
Le Pr Catelan la voile Le Palais
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x

Maxi+
32 a)
a a+6
b b+8
c c+1
d d+9
e e+7
f f+5
g g+4
h h+3
i i+2
b)
1 Fort-de-France
2 Frans en Creools
3 1128 vierkante kilometer
4 December en januari zijn de koudste maanden.
5 Nee, want er heerst een tropisch klimaat in Martinique.

62
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 10

1 a)
1 Over hobby's, lievelingssporten en lievelingsdieren.
2 Mijn hobby.
3 Kunstzwemmen, muziek, paardrijden en dieren.
4 Paarden zijn mijn favoriete hobby / mijn passie.
5 Samen muziek maken.
6 Kijk eens hoe mooi mijn hond is! En heel aardig bovendien!
b)
1 3
2 1
3 4
4 2

2 a)
Gesprek 1 = foto 2
Gesprek 2 = foto 4
Gesprek 3 = foto 1
Gesprek 4 = foto 3
b)
1 A
2 B
3 B
4 A
5 A
6 A
7 A
8 B

3 1 A
2 B
3 B
4 B
5 B

4 1 Omdat hij dacht dat Lisa dat allang wist.


2 Het team van de tegenpartij
3 Hij vindt haar mooi.
4 Hij schrikt erg.
5 Zijn hobby is mooie meisjes.
6 Hij is een echte vriend, hij is mooi en groot, hij is oud, maar heel lief, hij heeft zwarte haren.
7 Hij denkt nog steeds dat Jimmy de vriend van Valrie is.
8 Dat hij zich vergist heeft.

5 a a+3
b b+9
c c+1
d d+7
e e+2
f f+8
g g+5
h h+4
i i + 13
j j + 15
k k + 14
l l + 12
m m + 11
n n + 10
o o+6

63
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

7 1 passion
2 peut-tre
3 a m'intresse
4 pas du tout
5 gentil
6 Demain
7 fou
8 Les poils
9 belle
10 le sport

8 1 Ik tennis.
2 Jij maakt muziek.
3 Zij maakt huiswerk.
4 Wij doen aan paardrijden.
5 Doen jullie wiskunde, Sylvie en Simone?
6 Zij voetballen.

9 a)
1 Yannick fait du foot.
2 Je fais du cheval.
3 Marielle et Nadia font de l'anglais.
4 Vous faites du sport, monsieur?
5 Tu fais du tennis?
6 Nous faisons de la musique.

10 a)
1 Tu fais quel sport?
2 Je fais du foot.
4 C'est pas mal, le foot.
6 Elle est belle.
7 Il est comment?
8 Il est beau et grand.
9 Il est peut-tre un peu vieux, mais il est trs gentil.
b)
1 Je fais du tennis.
2 Le cirque, c'est pas mal.
3 Il est trs gentil ton chien.
4 Il est vieux ?
5 Il est peut-tre un peu grand, mais il est beau.

11 1 Vous faites quel sport? Nous faisons du foot.


Je dteste le foot, moi, je prfre le basket. Vendredi, nous avons un match
Orlans.
2 Michel fait quel sport? Il fait du tennis.
Cest pas mal, le tennis, mais moi, je prfre le foot. Mercredi, il a un match Nantes.
3 Marie et Hlne font quel sport? Elles font du basket.
Cest super, le basket, mais moi, je prfre le tennis. Mercredi, elles ont un match
Lyon.

12 a)
1 Je mobieltje is mooi.
2 Het huis is mooi.
3 Ik heb een nieuwe broek.
4 Ik heb een nieuw overhemd.
5 Mijn opa is oud.
6 Mijn oma is oud.
7 Lucas, ben je gek!
8 Lucienne, ben je gek!
9 Meneer Laforge is aardig
10 Mevrouw Laforge is aardig

64
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud
beau belle
nouveau nouvelle
vieux vieille
fou folle
gentil gentille

13 a)
1 nouveau
2 gentil
3 folle
4 vieille
5 beau
6 belle
7 nouvelle
8 vieux
9 gentille
10 fou

14 a)
1 mon pre
2 ma mre
3 ton frre
4 ta soeur
b)
1 Daar zijn Nicolas en zijn hond.
2 Daar zijn Nicolas en zijn nichtje.
3 Daar zijn Valrie en haar paard.
4 Daar zijn Valrie en haar vriendin.
c)
1 son = zijn en haar
2 sa = zijn en haar
3 Je gebruikt son als het zelfstandig naamwoord erachter mannelijk is.
4 Je gebruikt sa als het zelfstandig naamwoord erachter vrouwelijk is.

15 a)
1 ma copine
2 sa classe
3 mon pre
4 son cheval
5 ton sac dos
6 son livre
7 ton chat
8 son chien
9 Son chien
10 ta matire prfre

16 a)
1 Wat is je lievelingsdier?
2 Kies je favoriete dier en ontdek je persoonlijkheid.
b)
1 le cheval
sterk
en statig
2 la vache
nieuwsgierig
en aardig
3 le singe
komisch
en houdt van gezelschap
4 le chien
hartelijk
aaibaar

65
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

5 le chat
onafhankelijk
en elegant
6 le hamster
houdt meer van de nacht
en zacht
7 le lion
koninklijk
en trots
8 le perroquet
kletst graag
en vermakelijk
9 l'lphant
sympathiek
en rustig
10 le cochon
intelligent
maar niet erg schoon
11 la poule
nerveus
en opgewekt
12 le poissoin rouge
rustig
en geduldig
13 le lapin
gevoelig
en gereserveerd
14 le coq
trots
en bazig

17 1 schoon
2 kletsen
3 onafhankelijk
4 leuk/vermakelijk
5 koninklijk
6 rustige
7 kies
8 s nachts

18 a)
k-klank gue-klank
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x

66
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

19 a)
1 konijn
2 leeuw
hond
3 kat
olifant
4 papegaai
5 aap
6 goudvis
koe
haan
7 hamster
8 varken
b)
1 A
2 B
3 A
4 A
5 A
6 A
7 B
8 A

20 a)
Hamster = gesprek 4
Paard = gesprek 2
Varken = gesprek
Kat = gesprek 1
Hond = gesprek 3
b)
1 A
2 A
3 A
4 C

21 a a+2
b b+7
c c+5
d d+3
e e + 14
f f + 10
g g + 15
h h + 13
i i + 11
j j+9
k k+6
l l+4
m m+8
n n + 12
o o+1

23 Horizontaal
2 curieux
6 cochon
8 gentil
10 poule
12 perroquet
13 lphant

67
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Verticaal
1 singe
3 vache
4 calme
5 poisson
7 coq
9 doux
10 patient
11 lapin

24 1 Ils font quel sport?


2 Nous faisons du basket.
3 Daniel fait du tennis contre sa soeur.
4 Elle est comment?
5 Elle est peut-tre un peu folle, mais elle est trs gentille.

25 1 Cest le chien de Christiane? Oui, cest son chien.


Il est joyeux? Oui, il est joyeux et il est aussi trs intelligent.
2 Cest le grand-pre de Vronique? Oui, cest son grand-pre.
Il est vieux? Oui, il est vieux et il est aussi trs joyeux.
3 Cest la voiture de ton cousin? Oui, cest sa voiture.
Elle est belle? Oui, elle est belle et elle est aussi trs chre.
4 Cest le cheval de Roxanne? Oui, cest son cheval.
Il est fort? Oui, il est fort et il est aussi trs calme.

28 a)
1 Ze zoeken een correspondentie vriend(in).
2 Nee, want jongeren willen corresponderen met jongeren van alle nationaliteiten.
b)
Nadia Stphane Justine Mal
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x
16 x
17 x
18 x

29 1 Salut!
2 Je mappelle. Jai ans.
3 Jaime aussi
4 Jhabite (plaats).
5 eigen antwoord
6 eigen antwoord
7 Ecris-moi vite!

30 1 e
2 c
3 f
4 d
5 b
6 a

68
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

dvd
31 a) C
b)
1 A
2 De hobby van Paul is brommers.
c)
1 A
2 A
3 B
4 B
5 Jaime la nature.
6 a De uitspraak van Maud klopt wel, want zij geniet van de natuur en gaat met haar
paard het bos in.
b De uitspraak van Paul klopt niet, want hij gaat met zijn brommer de natuur in en
daarmee verstoort hij juist de rust in de natuur.

Mini+

33 1 Om insecten te verrassen en onzichtbaar te zijn voor vijanden.


2 Een kameel heeft twee bulten, een dromedaris n. Ze kunnen lang zonder water, omdat ze
reserves in hun bulten opslaan.
3 een ijsbeer
4 Ze zijn onzichtbaar op ijs of in de sneeuw en kunnen zo met succes op zeehonden jagen.
5 Schreeuwen is hun manier van praten.
6 Van veraf kunnen leeuwen de zebras niet goed zien.
7 Argentini
8 Hij is maar 70 centimeter groot. Hij is zacht en lief, maar je kunt niet op hem rijden.

34 1 Hij neemt de kleur aan van de plek waar hij zich bevindt.
2 Hij vangt insecten bij verrassing.
3 Zij bewaren reserves in hun bulten.
4 Hij kan met veel succes op zeehonden jagen.
5 Schreeuwen is hun manier van praten.
6 Waarom is de zebra zwart-wit gestreept?
7 Hij is maar 70 centimeter groot.
8 Hij is te kwetsbaar om op te rijden.

Maxi+

35 a)
1 kitesurfen en syncroonzwemmen
2 Beide sporten beoefen je in/op het water.
3
b)
1 sport en spectaculaire
2 watersport
3 Het is niet moeilijk.
4 een soort snowboard en een soort vlieger op het water
5 Je hebt wind nodig, anders kom je niet vooruit.
6 Het gaat hard en je kunt mooie sprongen maken.
7 waterskin
c)
1 Hoe lang kun je onder water zonder te ademen?
2 Je moet anderhalve minuut onder water kunnen blijven.
3 ballet onder water
4 dat ze in een sportzaal eerst oefenen.
5 Ze moeten tellen op het ritme.
6 Dat je blijft glimlachen.

69
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

36 1 Je krijgt een enorme adrenalinekick.


2 Het is een soort vlieger op het water.
3 Het is een onderwaterballet.
4 De trainster geeft het ritme aan.

70
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 11

1 1 Op de markt.
2 Ik heb honger.
3 We moeten boodschappen doen op de markt.
4 Wat wenst u?
5 De klant bestelt aubergines en knoflook.

2 a)
Gesprek 1 = foto 3
Gesprek 2 = foto 1
Gesprek 3 = foto 2
Gesprek 4 = foto 4
b)
1 B
2 A
3 A
4 B

3 1
2 x
3
4 x
5 x
6
7

4 1 brood, kaas, groenten, melk, olie, vlees


2 Goudse kaas en Emmentaler kaas
3 Omdat Momo steeds alleen maar vragen aan Lisa stelt en Julie vergeet.
4 Julie
5 Ze wijst hem terecht en zegt: Momo, stop!

5 a a+7
b b+2
c c+6
d d+5
e e + 13
f f+9
g g + 12
h h + 11
i i+3
j j + 15
k k+1
l l+8
m m + 10
n n+4
o o + 14

7 1 march
2 un croque-monsieur
3 Tu as faim
4 les courses
5 le Gouda
6 la liste
7 Il faut
8 quelque chose
9 mademoiselle
10 dlicieux

71
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

8 a)
Als er in het Nederlands geen lidwoord (de of het) voor een zelfstandig naamwoord staat,
gebruik je bij een mannelijk woord du, bij een vrouwelijk woord de la, bij een woord dat met
een klinker of met een stomme h begint de l' en bij een meervoudswoord des.
b)
1 du fromage
2 l'eau
3 la viande
4 des fruits
5 le sucre
6 du caf
7 de l'ail
8 les fraises

9 a)
1 Il faut acheter de l'huile.
2 Vous avez du Gouda pour moi?
3 Elle mange de la viande? Elle n'est pas vgtarienne alors?
4 Je mange toujours des lgumes.
5 Franck fait des croque-monsieur pour moi.
b)
1 Je prends du caf.
2 Tous les matins, je bois du lait.
3 Les vins franais sont trs populaires aux Pays-Bas.
4 Je prends du th.
5 Pour les crpes n'oublie pas le jambon!

10 a) (vous) prenez en (mademoiselle) prend.


b)
1 Qu'est-ce que tu prends?
Je prends un croque-monsieur.
2 Vous prenez quelque chose boire?
Nous prenons un bon vin blanc.
3 Ils prennent du chocolat chaud?
Non, elle prend un cappuccino et le petit garon prend un coca.

11 a)
1 Vous prenez
2 nous prenons
3 je prends
4 Elle prend
5 ils prennent
6 Tu prends

12 a)
1 Il faut acheter du pain.
2 Je voudrais du Gouda et de l'Emmental, s'il vous plat.
3 Moi, j'ai faim.
4 Je veux manger quelque chose.
5 Et moi, j'ai soif.
6 Qu'est-ce que tu veux boire, Lisa?
7 Qu'est-ce que tu prends, Julie?
b)
1 Il faut acheter des livres.
2 Je voudrais du coca et un croque-monsieur.
3 Ma (petite) soeur a faim.
4 Qu'est-ce que tu veux boire?
5 Je voudrais manger des fraises.

72
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

13 1 Jai faim. Quest-ce que tu prends?


Je prends du fromage Tu as soif aussi? Il y a du lait.

2 Il a soif. Quest-ce quil prend?


Il prend du jus dorange. Il a faim aussi? Il y a du chocolat.

3 Nous avons faim. Quest-ce que vous prenez?


Nous prenons du Gouda. Vous avez soif aussi? Il y a du caf.

4 Elle a faim. Quest-ce quelle prend?


Elle prend du pain. Elle a soif aussi? Il y a de leau.

5 Ils ont soif. Quest-ce quils prennent?


Ils prennent du coca. Ils ont faim aussi? Il y a des pommes.

14 a)
1 je moet
2 u moet
3 we moeten
4 moet ik/moeten we
5 jullie moeten

15 b)
1 Nous achetons un nouveau portable pour toi.
2 Tu achtes un cahier et des stylos?
3 Marc et Grgoire achtent quatre billets pour la sance.
4 On achte les tomates au supermarch.
5 J'achte le plan de Paris.
6 Pourquoi vous n'achetez pas ce maillot de bain?

16 a) Juliette en haar moeder zijn op de markt. Daar kopen ze groente en fruit.


b)
1 Ik moet maar een paar boodschappen doen.
2 Sperziebonen, tomaten en aardappelen.
3 Juliette houdt niet van sperziebonen.
4 Ze zegt dat het goed is voor de gezondheid.
5 Een aubergine, twee courgettes, gele paprika's, uien en knoflook.
6 Tien appels, vijf sinaasappels en aardbeien.
7 Prettige dag!
8 Omdat het zwaar is.
9 Juliette wilde zelf graag ratatouille (dat groentegerecht) eten.

17 1 de ratatouille, groentegerecht uit Zuid-Frankrijk


2 doen
3 niet waar?
4 een pak
5 de vitamines
6 zwaar
7 mijn liefje
8 je eigen schuld

18 1 Il_est beau?
2 Il_est_acrobate.
3 Vous_allez tout droit.
4 Vous_avez un_numro de tlphone?
5 Nous_allons_en_avion.
6 C'est__quelle_heure?
7 Nous_avons deux_heures d'_anglais.
8 A tout__l'_heure.
9 C'est_un_avion.
10 Il_habite__Paris.

73
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

19 1 een aubergine
2 uien
3 rode paprika
4 Goudse kaas
5 drie appels
6 500 gram aardbeien
7 twee kilo aardappels

20 a)
1 Op een terras.
2 drie personen (jongen, meisje, ober)
b)
vrai faux
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x

21 a a+4
b b+8
c c+1
d d+5
e e + 10
f f+7
g g+6
h h+9
i i+2
j j+3

23 Horizontaal
2 gramme
6 oignon
7 fruit
8 dsirer
10 ail
11 prendre
Verticaal
1 kilo
3 manger
4 poivron
5 sant
7 fraise
9 soif

24 1 Vous avez faim?


2 Je voudrais boire quelque chose.
3 Je voudrais de l'ail.
4 Il faut manger des fruits.
5 Tu prends des fraises?

74
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

25 1 Il faut acheter de la viande? Non, jachte des lgumes.


Cest tout? Non, il faut aussi prendre des oranges.

2 Il faut acheter des fruits? Non, jachte des pommes de terre.


Cest tout? Non, il faut aussi prendre du fromage.

3 Il faut acheter des oignons? Non, jachte de lail.


Cest tout? Non, il faut aussi prendre des aubergines.

4 Il faut acheter de lhuile? Non, jachte du beurre.


Cest tout? Non, il faut aussi prendre de la confiture.

5 Il faut acheter de leau? Non, jachte du vin.


Cest tout? Non, il faut aussi prendre du coca.

28 1 A
2 B
3 C
4 B
5 A
6 C
7 B

29 Bonjour,
Je mappelle Jasper et je suis un garon de 16 ans.
Jhabite Vlissingen, cest aux Pays-Bas.
La cuisine hollandaise est trs bonne.
Nous avons du fromage Gouda et jadore a!
Le soir, les hollandais mangent des pommes de terre et des lgumes.
Je naime pas les pommes de terre.
Mais jadore les lgumes et la viande.

30 1+d
2+e
3+a
4+b
5+c

dvd
31 a)
1 B
2 de la salade, des tomates, du fromage, des pommes, des fleurs etc.
b)
x bloemen
x courgettes
aardappelen
x tomaten
x appels
aardbeien
sinaasappels
x worst
kaas
x schoenen
c)
1 a+3
b+2
c+4
d+1
2 De tasjes zijn ze op straat vergeten en een hond eet een worst, die ze net gekocht hebben.
3

75
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Mini+

33 a)
1 Of Paul wat boodschappen wil gaan doen op de markt.
2 Ze legt geld en het boodschappenbriefje op tafel.
3 Hij moet niet vergeten een tas mee te nemen.
b)
a a+4
b b + 10
c c+6
d d+1
e e+8
f f+7
g g+3
h h+5
i i+2
j j+9
c)
lgumes viandes fromages
des tomates du poulet du fromage de chvre
des pommes du bifteck du gouda
des oignons du porc du camembert

Maxi+

34 1 Het wordt gevierd in Banon.


2 In het zuidoosten van Frankrijk.
3 Het feest wordt gevierd rond le Banon; de kaas die gemaakt wordt in dit dorpje.
4 In de lente.
5 Banon dOr
6 Je kunt er onder andere kaas proeven en de braderie bezoeken.
7 De braderie is in het centrum van het dorp.

76
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Etape 12

1 1 Over (verschillende) feesten.


2 gegeten
3 gedanst
4 verjaardag
5 nationale feestdag

2 a)
Gesprek 1 = foto 3
Gesprek 2 = foto 4
Gesprek 3 = foto 1
Gesprek 4 = foto 2
b)
1 faux
2 faux
3 faux
4 vrai

3 1 B
2 C
3 C
4 B

4 1 Iedereen mag een bord en een glas pakken en samen eten op het plein.
2 Eet smakelijk!
3 Nee, want hij wil er ng drie.
4 Neem een beetje sla.
5 Een glas cola.
6 dik
7 Dat Lisa met Momo danst.
8 Dat Lisa vandaag jarig is.

5 a a+2
b b + 13
c c+7
d d + 12
e e + 15
f f+4
g g+8
h h+5
i i+3
j j + 11
k k+1
l l + 14
m m + 10
n n+6
o o+9

7 1 Pourquoi tu ne veux plus danser?


2 Jeanine fait un bisou Claude!
3 Je vous invite! Demain c'est mon anniversaire.
4 Le maire invite les touristes la fte du village.
5 Pour manger je prends une assiette.
6 Tu veux danser avec moi, Alex?
7 C'est normal d'embrasser son grand-pre.
8 Vous prenez encore des frites?

8 a)
Als je goed kijkt, dan zie je dat het de in de Franse zin steeds direct volgt op een woord dat een hoeveelheid aangeeft.

Na ne ... pas (geen) of ne ... plus (geen meer) krijg je ook de.

77
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 On achte trois bouteilles de vin rouge.
2 Nous prenons du yaourt.
3 Qui veut un verre d'eau?
4 Il n'y a plus de pain.
5 J'ai 500 grammes de framboises.
6 Vous voulez du jambon?
7 Tu achtes du th vert pour moi?
8 Ma mre voudrait une bote de bonbons.

9 1 un peu de salade
2 une assiette de fruits
3 pas d'ail
4 deux bouteilles d'eau
5 250 grammes de fraises
6 plus de lait
7 trois litres de jus d'orange
8 un kilo de fromage

10 a)
1 Prenez une assiette!
2 Je vais prendre encore trois assiettes de frites.
3 Prends un peu de salade.
4 Ah non, je ne prends pas de salade.
5 Didier, passe la carafe d'eau, s'il te plat.
6 Moi, je prends un verre de coca.
7 Il n'y a plus de frites?
b)
1 Prenez des frites!
2 Je vais prendre encore un peu d'eau.
3 Il n'y a plus de jus d'orange?
4 Passe la bouteille de lait, s'il te plat.
5 Prends un peu de fruit.

11 a)
1 Bon anniversaire! Merci beaucoup. Bienvenue. Quest-ce que tu veux manger?
Je voudrais un paquet de chips. Un paquet de chips, daccord. Voil.
Merci.

2 Bon anniversaire! Merci beaucoup. Bienvenue. Quest-ce que tu veux boire?


Je voudrais un verre deau. Un verre deau, daccord. Voil.
Merci.

3 Bon anniversaire! Merci beaucoup. Bienvenue. Quest-ce que tu veux manger?


Je voudrais un peu de salade. Un peu de salade, daccord. Voil.
Merci.

4 Bon anniversaire! Merci beaucoup. Bienvenue. Quest-ce que tu veux boire?


Je voudrais une bouteille de coca. Une bouteille de coca, daccord. Voil.
Merci.
b)
1 Prends une assiette de fromage! Il ny a plus de fromage. Je vais prendre du jambon.
2 Prends une carafe de vinl Il ny a plus de vin. Je vais prendre du jus dorange.
3 Prends un pain au chocolat! Il ny a plus de pain au chocolat. Je vais prendre des croissants.
4 Prends un peu de th! Il ny a plus de th. Je vais prendre du caf.

12
1 Passe la salade, s'il te plat.
2 Passez la salade, s'il vous plat.
3 Passez la salade, s'il vous plat.

78
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

13 a)
1 Achte du pain, Francis!
2 Danse avec moi, Rachel!
3 Mange tes lgumes, Hamid!
4 Arrtez, a suffit, les filles!
5 Ne donnez plus de devoirs, s'il vous plat!
6 Ecoutez un peu de musique, Frdrique et Melissa!
7 Changez la station de mtro Htel de Ville, madame!
8 Visite surtout le chteau de Versailles, Christophe!
9 Parle franais avec le prof, Max!
10 Rservez les billets du spectacle, monsieur et madame Leclerc!

14 a)
1 Lana is bijna jarig en gaat een feest geven.
2 In haar uitnodiging vraagt ze haar gasten om chique of vreemde kleren aan te trekken.
3 Ze heeft een lijstje gemaakt van versieringen die ze nog moet kopen.
4 Er staat ook op welke boodschappen ze nog met haar vader gaat doen.
b)
1 Het spel 'Pictionary' en Hints.
2 Voor de muziek, spelletjes en de versiering.
3 Dat iedereen een fles van zijn lievelingsdrank of een pak chips meeneemt.
4 een fles alcohol
5 Pictionary
6 Hints
7 een verjaardagstaart
8 aan Sophie
9 Orangina
10 voor de verjaardagstaart

15 1 een uitnodiging
2 het spel
3 zorgen voor, zich bezighouden met
4 de versieringen
5 zeker
6 aantrekken
7 vreemd
8 meebrengen
9 toegestaan
10 adres
11 feestslinger
12 de feestneus
13 de kaarsen
14 uitlenen
15 helpen

16 z s
1 x
2 x
3 x
4 x
5 x
6 x
7 x
8 x
9 x
10 x
11 x
12 x
13 x
14 x
15 x

79
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

17 1 Paul
2 Thomas
3 Judith
4 Marco
5 Nathalie

18 a)
1 Het meisje wordt veertien.
x 2 Op haar verjaardag gaan ze naar het park als de zon schijnt.
x 3 Het meisje gaat veel familieleden uitnodigen.
4 Ze nodigt geen klasgenoten uit.
x 5 De jongen is bang dat hij niet mag komen.
b)
x 1 een typisch Frans ontbijt
2 mountainbiketocht in de bergen
x 3 de kerktoren beklimmen
x 4 een wandeling bij de rivier
x 5 een wedstrijd jeu de boules

19 a a+4
b b + 15
c c+8
d d+3
e e + 11
f f+1
g g+9
h h+5
i i+2
j j + 13
k k+6
l l + 10
m m+7
n n + 12
o o + 14

21 1 un instant = des cornichons


2 des gteaux = des gobelets
3 un litre = un sachet
4 prendre = ranger
5 rigoler = demander

22 1 Apportez une boisson.


2 Je ne veux pas de crme Chantilly.
3 Il ny a plus de coca?
4 Range les assiettes!
5 Cest ton anniversaire?

23 1 Range les assiettes! Non, merci. Je ne veux pas ranger les assiettes.
2 Passe la carafe! Non, merci. Je ne veux pas passer la carafe.
3 Demande un paquet de chips! Non, merci. Je ne veux pas demander un paquet de chips.
4 Achte des sacs poubelle! Non, merci. Je ne veux pas acheter des sacs poubelle.
5 Prends un gobelet de coca! Non, merci. Je ne veux pas prendre un gobelet de coca.

25 Voorbeeld:
1 Cherche lhtel!
2 Mange les fraises!
3 Invite ton copain!

26
a)
1 Op 14 juli, de Franse nationale feestdag.
2 De picknick doorkruist heel Frankrijk van het noorden naar het zuiden.
3 Marianne vraagt Emile of hij zin heeft om mee te gaan naar de picknick.

80
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

b)
1 De organisatie zorgt voor een gigantisch tafelkleed (van 600 km lang).
2 Op 300 plaatsen.
3 Bij de rivier.
4 Superlekkere sandwiches en drinken.
5 Enkele salades en toetjes.
6 Glazen, borden, plastic messen, lepels en vorken, papieren servetten en kussens.

27 voorbeeld:
Je vais organiser un pique-nique dans le parc.
C'est samedi 5 juillet.
Tu veux venir?
Je vais prparer des salades.
Tu veux t'occuper des boissons?
Ma mre va acheter des assiettes et des gobelets.
Salut!

28 a)
Faites l'exercice 28. =6
Asseyez-vous! =2
Ouvrez vos livres de textes! =5
Bonjour, tout le monde! =1
Vous prenez vos livres de textes, s'il vous plat? =4
Fermez la porte, s'il vous plat! =3
b)
1+e
2+d
3+f
4+a
5+c
6+g
7+b

dvd
29 a)
1 B
b)
1
x stokbrood
x hamrolletje
soep
x sla
frites
x vlees
x kaas
x toetje
koffie
2 B
c)
1 1+c
2+a
3+e
4+b
5+d
2 eigen antwoord
3
Muziek is het belangrijkste onderdeel.
x Eten is het belangrijkste onderdeel.
x Er zijn mensen van alle leeftijden.
Er zijn alleen jongeren.
x Er is wat muzikale omlijsting.
Er staat een grote band te spelen.
De dansvloer is overvol.
4 Omdat hij van alle gerechten ook het bord van Julie heeft leeggegeten.

81
Antwoorden Cahier dexercises Franconville 3e editie Leerjaar 1 (t)hv

Mini+

31 a)
datum:
24 december
6 januari
1 mei
14 juli
21 juni
naam van feest:
Nol = Kerst
fte des rois = Driekoningen
fte du travail = feest van de arbeid
fte nationale = de nationale feestdag
fte de la musique = muziekfeest
wat doen ze dan?
uit eten met vrienden
verstopte boon in taart
lelietje-van-dalen aan iemand geven
militaire optocht en vuurwerk
fanfares en muziek in de openlucht
b)
1 in een restaurant
2 Dan ben je koning of koningin van het feest.
3 Aan iemand die je lief of aardig vindt.
4 Onder andere fanfaremuziek, jazz en rock.
5 Nee, tegenwoordig wordt het feest in meer dan 100 landen gevierd.

Maxi+

32 a)
1 Over een aardbeienfeest (fte de la fraise) en het feest van de Tarasque (fte de la Tarasque)
2 eigen antwoord
b)
1 faux
2 vrai
3 vrai
4 faux
5 faux
6 vrai
7 faux

82